Nadere
regelgeving:
- Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering
WET van 30 september 1893, op het
faillissement en de surséance van betaling
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
WIJ EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk;
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wettelijke bepalingen
omtrent het faillissement en de surséance van betaling herziening
vereischen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Van faillissement
Eerste afdeling. Van de
faillietverklaring
Artikel 1
1. De schuldenaar, die in de
toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt,
hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner
schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement
verklaard.
2. De faillietverklaring kan ook
worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op verzoek
van het Openbaar Ministerie.
Artikel 2
1. De faillietverklaring geschiedt
door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars.
2. Indien de schuldenaar zich
buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner
laatste woonplaats bevoegd.
3. Ten aanzien van vennoten onder
ene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der
vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.
4. Indien de schuldenaar binnen het
Rijk in Europa geen woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of
bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een
kantoor heeft, bevoegd.
5. Wordt in het geval van het derde
of vierde lid door meer dan één daartoe bevoegde rechtbank op
verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft
alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft de
uitspraak van verschillende rechtbanken op dezelfde dag plaats,
dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die in de wet van
10 augustus 1951, Stb. 347 het eerst genoemd wordt,
rechtsgevolgen.
Artikel 3
1. Indien een verzoek tot
faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en hij geen
verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III,
geeft de griffier de schuldenaar terstond bij brief kennis dat hij
binnen veertien dagen na de dag van de verzending van die brief
een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 kan indienen.
2. De behandeling van het verzoek
tot faillietverklaring wordt geschorst totdat de in het eerste lid
bedoelde termijn is verstreken.
Artikel 3a
1. Indien een verzoek tot
faillietverklaring en een verzoek tot het uitspreken van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III
gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in
behandeling.
2. De behandeling van het verzoek
tot faillietverklaring wordt geschorst totdat bij in kracht van
gewijsde gegane uitspraak is beslist op het verzoek tot het
uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3. Het verzoek tot
faillietverklaring vervalt van rechtswege door de uitspraak tot de
definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 3b
De artikelen 3 en 3a blijven buiten
toepassing indien een verzoek tot faillietverklaring een schuldenaar
betreft ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van
toepassing is.
Artikel 4
1. De aangifte tot
faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend
ter griffie en met de meeste spoed in raadkamer behandeld. Het
Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord. Indien de aangifte tot
faillietverklaring wordt gedaan door een natuurlijk persoon, stelt
de griffier deze terstond ervan in kennis dat hij, onverminderd
artikel 15b, eerste lid, een verzoekschrift als bedoeld in artikel
284 kan indienen.
2. Een schuldenaar die gehuwd is of
een geregistreerd partnerschap is aangegaan kan slechts aangifte
doen met medewerking van zijn echtgenoot onderscheidenlijk
geregistreerde partner tenzij iedere gemeenschap tussen
echtgenoten onderscheidenlijk geregistreerde partners, is
uitgesloten.
3. Ten aanzien ener vennootschap
onder ene firma, moet de aangifte inhouden de naam en de
woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbonden
vennoten.
4. De aangifte of het verzoek tot
faillietverklaring bevat zodanige gegevens dat de rechter kan
beoordelen of hem rechtsmacht toekomt op grond van de verordening,
genoemd in artikel 5, derde lid.
5. Het vonnis van
faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken
en is bij voorraad, op de minuut uitvoerbaar, niettegenstaande
enige daartegen gerichte voorziening.
Artikel 5
1. De verzoekschriften, bedoeld in
het vorige artikel en in de artikelen 8, 9, 10, 11, 15c, tweede
lid, 67, 155, 166, 198 en 206, worden ingediend door een advocaat.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een hoger beroep dat wordt ingesteld tegen een
beschikking van de rechter-commissaris, houdende machtiging aan de
curator tot opzegging van een arbeidsovereenkomst.
3. Verzoekschriften op de voet van
artikel 33 van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van
de Europese Unie van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures
(PbEG L 160) worden ingediend door een advocaat.
Artikel 6
1. De rechtbank kan bevelen, dat de
schuldenaar worde opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde
gehoord te worden. De griffier doet de oproeping op de wijze, bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen. Is buiten Nederland een
hoofdprocedure geopend op de voet van artikel 3, eerste lid, van
de in artikel 5, derde lid, genoemde verordening, dan stelt de
griffier de curator in de hoofdprocedure onverwijld schriftelijk
in kennis van de aanvraag onder mededeling dat deze zijn
zienswijze binnen een daartoe door de rechter bepaalde termijn
kenbaar kan maken.
2. Indien de schuldenaar, die is
opgeroepen om gehoord te worden, gehuwd is of een geregistreerd
partnerschap is aangegaan, is zijn echtgenoot onderscheidenlijk
geregistreerde partner mede bevoegd om in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen.
3. De faillietverklaring wordt
uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten
of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de
toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een
schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van
deze.
4. Ontleent de Nederlandse rechter
zijn rechtsmacht aan de in artikel 5, derde lid, genoemde
verordening, dan wordt in het vonnis van faillietverklaring
vermeld of het een hoofdprocedure dan wel een territoriale
procedure in de zin van de verordening betreft.
Artikel 7
1. Hangende het onderzoek kan de
rechtbank de verzoeker desverlangd verlof verlenen de boedel te
doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van
zekerheidstelling tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden.
2. De verzegeling geschiedt door
een bij dit verlof aan te wijzen notaris. Buiten de verzegeling
blijven zaken die onder artikel 21 vallen; in het proces-verbaal
wordt een korte beschrijving daarvan opgenomen.
Artikel 8
1. De schuldenaar, die in staat van
faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot
faillietverklaring is gehoord, heeft gedurende acht dagen, na de
dag der uitspraak, recht van hoger beroep.
2. Zo hij niet is gehoord, heeft
hij gedurende veertien dagen, na de dag der uitspraak, recht van
verzet. Indien hij tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk
in Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot een maand.
3. Van het vonnis, op het verzet
gewezen, kan hij gedurende acht dagen, na de dag der uitspraak, in
hoger beroep komen.
4. Het verzet of hoger beroep
geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het
rechtscollege, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter
bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op de
vierde dag, volgende op die waarop hij zijn verzoek heeft
ingediend, wordt door de schuldenaar van het gedane verzet of
ingestelde hoger beroep, alsmede van de tijd voor de behandeling
bepaald, bij deurwaardersexploot aan de advocaat, die het verzoek
tot faillietverklaring heeft ingediend, kennis gegeven.
5. Deze kennisgeving geldt voor
oproeping van de schuldeiser, die de faillietverklaring heeft
uitgelokt.
6. De behandeling geschiedt op de
wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
Artikel 9
1. Bij afwijzing van de aangifte of
aanvraag tot faillietverklaring bestaat recht van hoger beroep,
gedurende acht dagen na de dag der afwijzing.
2. Hetzelfde geldt bij vernietiging
der faillietverklaring ten gevolge van verzet, in welk geval van
het hoger beroep door de griffier van het gerechtshof, waarbij het
is aangebracht, onverwijld wordt kennis gegeven aan de griffier
van de rechtbank die de vernietiging heeft uitgesproken.
3. De instelling en behandeling van
het hoger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6
voorgeschreven.
Artikel 10
1. Elk schuldeiser, met
uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en
elk belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van
verzet gedurende acht dagen na de dag der uitspraak.
2. Het verzet geschiedt bij een
verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat
de faillietverklaring heeft uitgesproken.
3. De voorzitter bepaalt terstond
dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op de vierde dag,
volgende op die waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt
door de verzoeker van het gedane verzet, alsmede van de tijd voor
de behandeling bepaald, bij deurwaardersexploot kennis gegeven aan
de schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een
schuldeiser is verzocht, ook aan de advocaat, die namens deze het
verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.
4. Deze kennisgeving geldt voor
oproeping van de schuldenaar en van die schuldeiser.
5. De behandeling geschiedt op de
wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
Artikel 11
1. De schuldeiser of de
belanghebbende, wiens in het vorige artikel bedoeld verzet door de
rechtbank is afgewezen, heeft recht van hoger beroep, gedurende
acht dagen na de dag der afwijzing.
2. Hetzelfde geldt, bij
vernietiging der faillietverklaring door de rechtbank ten gevolge
van dat verzet, voor de schuldenaar, de schuldeiser, die de
faillietverklaring verzocht heeft, en het Openbaar Ministerie, in
welk geval tevens het tweede lid van artikel 9 van toepassing is.
3. De instelling en behandeling van
het hoger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6
voorgeschreven.
4. Is het verzet bij het
gerechtshof gedaan, dan is hoger beroep uitgesloten.
Artikel 12
1. Van het arrest, door het
gerechtshof gewezen, kunnen de schuldenaar, de schuldeiser die de
faillietverklaring verzocht, de in art. 10 bedoelde schuldeiser of
belanghebbende en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na
de dag der uitspraak, in cassatie komen.
2. Het beroep in cassatie wordt
aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4, 6 en 8
bepaald.
3. Indien de cassatie is gericht
tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van
faillietverklaring, geeft de griffier van de Hoge Raad van het
verzoek tot cassatie onverwijld kennis aan de griffier van het
gerechtshof dat de vernietiging heeft uitgesproken.
Artikel 13
1. Indien ten gevolge van verzet,
hoger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd,
blijven niettemin geldig en verbindend voor de schuldenaar de
handelingen, door de curator verricht vóór of op de dag, waarop
aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is
voldaan.
2. Hangende het verzet, het hoger
beroep of de cassatie kan geen raadpleging over een akkoord plaats
hebben, noch tot de vereffening van de boedel buiten toestemming
van de schuldenaar worden overgegaan.
Artikel 13a
Indien de faillietverklaring wordt
vernietigd wordt de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een
curator, in afwijking van artikel 13, eerste lid, met terugwerkende
kracht beheerst door de wettelijke of overeengekomen regels die van
toepassing zijn buiten faillissement, met dien verstande dat de
termijnen, bedoeld in artikel 683 leden 1 en 2 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en in artikel 9, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, aanvangen op het tijdstip waarop
het faillissement wordt vernietigd.
Artikel 14
1. Het vonnis van
faillietverklaring houdt in de benoeming van een der leden van de
rechtbank tot rechter-commissaris in het faillissement, en de
aanstelling van een of meer curators. De rechter die de
faillietverklaring uitspreekt, geeft in de uitspraak tevens last
aan de curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte
brieven en telegrammen. De rechtbank vermeldt op het vonnis het
tijdstip van de faillietverklaring tot op de minuut nauwkeurig.
2. Van de faillietverklaring wordt
door de griffier onverwijld kennis gegeven aan het
postvervoerbedrijf of de postvervoerbedrijven die zijn aangewezen
als verlener van de universele postdienst, alsmede de andere
geregistreerde postvervoerbedrijven, bedoeld in de Postwet 2009.
In de kennisgeving wordt melding gemaakt van de in het vorige lid
bedoelde last.
3. Een uittreksel uit het vonnis
van faillietverklaring, houdende vermelding van de naam, de
woonplaats of het kantoor en het beroep van de gefailleerde, van
de naam van de rechter-commissaris, van de naam en de woonplaats
of het kantoor des curators, van de dag der uitspraak, alsmede van
de naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid
der voorlopige commissie uit de schuldeisers, zo er een benoemd
is, wordt door de curator onverwijld geplaatst in de Nederlandsche
Staatscourant.
4. Op verzoek van een curator in
een insolventieprocedure op de voet van artikel 3, eerste of
tweede lid, van de in artikel 5, derde lid, genoemde verordening
geeft de griffier van de rechtbank Den Haag onverwijld in de
Staatscourant kennis van de in artikel 21 van die verordening
bedoelde gegevens. Een zodanige kennisgeving vindt in elk geval
plaats wanneer de schuldenaar in Nederland een vestiging heeft in
de zin van artikel 1, onder h, van de in de eerste zin bedoelde
verordening. De gegevens, bedoeld in de eerste zin, worden aan de
griffier verstrekt in de Nederlandse, Engelse, Duitse of Franse
taal.
Artikel 15
1. Zodra een vonnis van
faillietverklaring ten gevolge van verzet, hoger beroep of
cassatie is vernietigd, en in de twee eerste gevallen de termijn,
om in hoger beroep of in cassatie te komen, verstreken is zonder
dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door de griffier van het
rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die
uitspraak kennis gegeven aan de curator en aan het
postvervoerbedrijf of de postvervoerbedrijven die zijn aangewezen
als verlener van de universele postdienst, alsmede de andere
geregistreerde postvervoerbedrijven, bedoeld in de Postwet 2009.
2. Gelijke kennisgeving geschiedt,
in geval van vernietiging van een vonnis van faillietverklaring in
hoger beroep of cassatie, aan de griffier van de rechtbank, die
het vonnis heeft gewezen.
3. De rechter, die de vernietiging
van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt, stelt tevens het
bedrag vast van de faillissementskosten en van het salaris des
curators. Hij brengt dit bedrag ten laste van degene, die de
faillietverklaring heeft aangevraagd, van de schuldenaar, of van
beide in de door de rechter te bepalen verhouding. Tegen deze
beslissing staat geen rechtsmiddel open. Een bevelschrift van
tenuitvoerlegging zal daarvan worden uitgegeven ten behoeve van de
curator.
Artikel 15a
Wordt faillietverklaring in hoger
beroep of in cassatie uitgesproken met vernietiging van een vonnis
of arrest, waarbij de aangifte of aanvrage tot faillietverklaring
werd afgewezen, dan geeft de griffier van het rechtscollege, dat de
faillietverklaring uitspreekt, van die uitspraak kennis aan de
griffier van de rechtbank, waarbij de aangifte of aanvrage is
ingediend.
Artikel 15b
1. Indien redelijkerwijs niet
geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te
rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3,
eerste lid, geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren
van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het
faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de
schuldenaar, kan de rechtbank, totdat de verificatievergadering is
gehouden of, indien de verificatievergadering achterwege blijft,
totdat de rechter-commissaris de beschikkingen als bedoeld in
artikel 137a, eerste lid, heeft gegeven, op verzoek van de
gefailleerde diens faillissement opheffen onder het gelijktijdig
uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
bedoeld in titel III.
2. De gefailleerde zal zich daartoe
bij een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 wenden tot de
rechtbank waarbij de aangifte of het verzoek tot
faillietverklaring werd ingediend. Het derde lid van artikel 284
is niet van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. indien het faillissement is
uitgesproken terwijl de schuldsaneringsregeling ten aanzien
van de schuldenaar van toepassing was;
b. indien de schuldenaar in
staat van faillissement verkeert door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling;
c. indien het faillissement is
uitgesproken op grond van artikel 340, vierde lid.
4. Alvorens te beslissen kan de
rechtbank de gefailleerde, de rechter-commissaris en de curator
oproepen om te worden gehoord. Artikel 6, tweede lid, is van
toepassing.
5. Bij toewijzing van het verzoek,
spreekt de rechtbank de definitieve toepassing van de
schuldsaneringsregeling uit.
6. Van de opheffing van het
faillissement wordt door de griffier kennis gegeven in de
aankondiging die is voorgeschreven in artikel 293. Indien in het
faillissement overeenkomstig artikel 108 reeds het tijdstip voor
de verificatievergadering was bepaald, zal in die aankondiging
tevens mededeling worden gedaan dat die verificatievergadering
niet zal worden gehouden.
Artikel 15c
1. Tegen het vonnis, houdende
uitspraak tot de opheffing van het faillissement en tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling, kunnen noch door
schuldeisers noch door andere belanghebbenden rechtsmiddelen
worden ingesteld.
2. Indien de toepassing van de
schuldsaneringsregeling niet is uitgesproken, heeft de
gefailleerde gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak het
recht van hoger beroep. Het hoger beroep wordt ingesteld bij een
verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat
van de zaak kennis moet nemen. De griffier van het gerechtshof
geeft van die indiening onverwijld kennis aan de griffier van de
rechtbank.
3. De voorzitter bepaalt terstond
dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaatshebben
binnen twintig dagen na de dag van de indiening van het
verzoekschrift. De uitspraak vindt niet later plaats dan op de
achtste dag na die van de behandeling van het verzoekschrift ter
terechtzitting. Van het arrest van het gerechtshof wordt door de
griffier onverwijld mededeling gedaan aan de griffier van de
rechtbank.
4. Indien het gerechtshof het
faillissement handhaaft, kan de schuldenaar gedurende acht dagen
na die van de uitspraak in cassatie komen. Het beroep in cassatie
wordt ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie
van de Hoge Raad. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor
de behandeling. De griffier van de Hoge Raad geeft van het beroep
in cassatie en van de uitspraak van de Hoge Raad onverwijld kennis
aan de griffier van de rechtbank.
5. Zolang niet op het
verzoekschrift bedoeld in artikel 15b, tweede lid, is beslist en,
indien de schuldsaneringsregeling niet is uitgesproken, hangende
het hoger beroep of de cassatie, kan in het faillissement geen
raadpleging over een akkoord plaatshebben, noch tot uitdeling aan
de schuldeisers worden overgegaan.
Artikel 15d
1. Indien het faillissement wordt
opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van
de schuldsaneringsregeling, gelden de volgende regelen:
a. handelingen door de curator
tijdens het faillissement verricht, blijven geldend en
verbindend;
b. boedelschulden, gedurende
het faillissement ontstaan, gelden ook in de
schuldsaneringsregeling als boedelschulden;
c. in het faillissement
ingediende vorderingen gelden als ingediend in de
schuldsaneringsregeling.
2. Het tijdstip, waarop de
termijnen vermeld in de artikelen 43 en 45 aanvangen, wordt
berekend met ingang van de dag van de faillietverklaring.
Artikel 16
1. Indien niet voldoende baten
beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en
de overige boedelschulden, kan de rechtbank, op voordracht van de
rechter-commissaris en na de commissie uit de schuldeisers, zo die
er is, gehoord te hebben, bevelen, hetzij de kosteloze
behandeling, hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van de
gefailleerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit
te spreken, de opheffing van het faillissement.
2. De rechter, die de opheffing van
het faillissement beveelt, stelt tevens het bedrag van de
faillissementskosten vast en - zo daartoe gronden aanwezig zijn -
van het salaris van de curator. Hij brengt deze bedragen ten laste
van de schuldenaar. Zij worden bij voorrang boven alle andere
schulden voldaan.
3. Tegen deze vaststelling staat
geen rechtsmiddel open. Een bevelschrift van tenuitvoerlegging zal
daarvan worden uitgegeven ten behoeve van de curator.
4. In afwijking van hetgeen in het
tweede lid is bepaald, komen de kosten van de in deze titel
bevolen publicaties, voorzover deze niet uit de boedel kunnen
worden voldaan, ten laste van de Staat. De griffier van het
rechtscollege dat de opheffing heeft bevolen, draagt zorg voor de
voldoening van het door de rechtbank vast te stellen bedrag dat
ten laste van de Staat komt.
Artikel 17
Het bevel tot kosteloze behandeling
van het faillissement heeft ten gevolge vrijstelling van
griffiekosten.
Artikel 18
De beschikking, bevelende de
opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar
gemaakt als het vonnis van faillietverklaring en daartegen kunnen de
schuldenaar en de schuldeisers op dezelfde wijze en binnen dezelfde
termijnen opkomen, als bepaald is ten aanzien van het vonnis,
waarbij een faillietverklaring wordt geweigerd. Indien na een
dergelijke opheffing opnieuw aangifte of – binnen drie jaar–
aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of
de aanvrager verplicht aan te tonen, dat er voldoende baten aanwezig
zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.
Artikel 19
1. Bij elke rechtbank wordt door de
griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor ieder
faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding der
dagtekening, inschrijft:
1°. een uittreksel van de
rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring
uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is;
2°. de summiere inhoud en de
homologatie van het akkoord;
3°. de ontbinding van het
akkoord;
4°. het bedrag van de
uitdelingen bij vereffening;
5°. de opheffing van het
faillissement ingevolge artikel 15b of artikel 16;
6°. de rehabilitatie.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden door Ons bij algemene maatregel van bestuur nadere
regels gegeven.
3. De griffier is verplicht aan
ieder kosteloze inzage van het register en tegen betaling een
uittreksel daaruit te verstrekken.
4. De griffier geeft de in het
eerste lid onder 1° tot en met 6° genoemde gegevens door aan
Onze Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen ander orgaan ten behoeve van het in artikel
19agenoemde centrale register.
Artikel 19a
1. Door Onze Minister van Justitie
of, indien ingevolge artikel 19, vierde lid, een ander orgaan is
aangewezen, door dat orgaan, wordt een centraal register gehouden,
waarin de in artikel 19, eerste lid, onder 1° tot en met 6°
genoemde gegevens worden ingeschreven.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gegeven.
3. Een ieder heeft kosteloos inzage
in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit
verkrijgen.
Artikel 19b
In het geval, bedoeld in artikel 14,
vierde lid, worden de gegevens met betrekking tot de daar bedoelde
insolventieprocedure door de griffier van de rechtbank Den Haag
ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19, eerste lid,
alsmede in het centrale register, bedoeld in artikel 19a, eerste
lid.
Tweede afdeling. Van de gevolgen der
faillietverklaring
Artikel 20
Het faillissement omvat het gehele
vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring,
alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.
Artikel 21
Niettemin blijven buiten het
faillissement:
1°. de zaken vermeld in artikel
447, nrs. 1-3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
de toerusting van de leden van de krijgsmacht volgens hun dienst
en rang en het auteursrecht in de gevallen, waarin het niet
vatbaar is voor beslag; alsmede hetgeen in het eerste lid van
artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het
faillissement schuldeisers opkomen wegens vorderingen, vermeld
in het tweede lid van dat artikel;
2°. hetgeen de gefailleerde door
persoonlijke werkzaamheid, of als bezoldiging wegens een ambt of
bediening, of als soldij, gagement, pensioen of onderstand,
gedurende het faillissement verkrijgt, indien en voorzover de
rechter-commissaris zulks bepaalt;
3°. de gelden, die aan de
gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan een wettelijke
onderhoudsplicht;
4°. een door de
rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het
in artikel 253l, eerste en tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de
in artikel 253l, derde lid van Boek 1 van dat wetboek vermelde
lasten en van de kosten van verzorging en opvoeding van het
kind.
5°. het ingevolge artikel 642c
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de kas der
gerechtelijke consignaties gestorte bedrag;
6°. de goederen bedoeld in
artikel 60a, derde lid;
7°. een aanspraak op het tegoed
van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van een
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor zover de
ter zake ingelegde bedragen voor de heffing van de
inkomstenbelasting in aanmerking konden worden genomen voor de
bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning.
Artikel 22
In het vorige artikel wordt onder
«gefailleerde» mede begrepen de echtgenoot of de geregistreerde
partner van de in enige gemeenschap van goederen gehuwde
onderscheidenlijk als partner geregistreerde.
Artikel 22a
1. Ten aanzien van een overeenkomst
van levensverzekering vallen voorts buiten de boedel:
a. het recht op het doen
afkopen van een levensverzekering voorzover de begunstigde of
de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt;
b. het recht om de begunstiging
te wijzigen, tenzij de wijziging geschiedt ten behoeve van de
boedel en de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor niet
onredelijk benadeeld wordt;
c. het recht om de verzekering
te belenen.
2. Voor de uitoefening van het
recht op het doen afkopen en het recht om de begunstiging te
wijzigen, behoeft de curator de toestemming van de
rechter-commissaris, die daarbij zonodig vaststelt tot welk bedrag
deze rechten mogen worden uitgeoefend. Slechts met schriftelijke
toestemming van de verzekeringnemer is de curator bevoegd tot
overdracht van de verzekering.
3. Indien de curator de
begunstiging heeft gewijzigd, vervalt deze wijziging met de
beëindiging van het faillissement.
4. Indien de begunstiging na de
faillietverklaring onherroepelijk wordt, kan deze
onherroepelijkheid niet aan de boedel worden tegengeworpen. De
verzekeraar is verplicht een uitkering, waarop de begunstiging
betrekking heeft, onder zich te houden. Voor zover vaststaat dat
de begunstiging niet zal worden gewijzigd, blijven de eerste en de
tweede volzin buiten toepassing. Ten aanzien van de begunstigde is
artikel 69 van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het vierde lid,
tweede zin, kan de verzekeraar een betaling aan de begunstigde
tegenwerpen aan de boedel, voorzover de curator niet bewijst dat
de verzekeraar op het tijdstip van betaling op de hoogte was van
het faillissement of van een daaraan voorafgegaan beslag ten laste
van de verzekeringnemer. In dat geval heeft de curator verhaal op
de begunstigde.
Artikel 23
Door de faillietverklaring verliest
de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn
tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag
waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder
begrepen.
Artikel 24
Voor verbintenissen van de
schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet
aansprakelijk dan voorzover deze ten gevolge daarvan is gebaat.
Artikel 25
1. Rechtsvorderingen, welke rechten
of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp
hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.
2. Indien zij, door of tegen de
gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de
gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeling tegenover
de failliete boedel geen rechtskracht.
Artikel 26
Rechtsvorderingen, die voldoening
ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het
faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere wijze
ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.
Artikel 27
1. Indien de rechtsvordering
tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar
ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van de gedaagde
geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de
rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het
geding op te roepen.
2. Zo deze aan die oproeping geen
gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie
te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de
gefailleerde en de gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van
de boedel.
3. Ook zonder opgeroepen te zijn,
is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en
de gefailleerde buiten het geding te doen stellen.
Artikel 28
1. Indien de rechtsvordering
tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen de schuldenaar
ingesteld is, is de eiser bevoegd schorsing te verzoeken, ten
einde, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator
in het geding te roepen.
2. Door zijn verschijning neemt
deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten
het geding.
3. Indien de curator verschijnende
dadelijk in de eis toestemt, zijn de proceskosten van de
tegenpartij geen boedelschuld.
4. Zo de curator niet verschijnt,
is op het tegen de gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling
van het tweede lid van artikel 25 niet toepasselijk.
Artikel 29
Voorzover tijdens de
faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener
verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de
faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden,
indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval
wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde,
partij in het geding.
Artikel 30
1. Indien vóór de
faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van een
beslissing aan de rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van
artikel 25 en de artikelen 27-29 niet toepasselijk.
2. De artikelen 27-29 worden weer
toepasselijk, indien het geding voor de rechter, bij wie het
aanhangig is, ten gevolge van zijn beslissing wordt voortgezet.
Artikel 31
Indien een geding door of tegen de
curator, of ook in het geval van artikel 29 tegen een schuldeiser
wordt voortgezet, kan door de curator of door die schuldeiser de
nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door de schuldenaar
vóór zijn faillietverklaring in het geding verricht, zo bewezen
wordt dat deze door die handelingen de schuldeisers desbewust heeft
benadeeld en dat dit aan zijn tegenpartij bekend was.
Artikel 32
De artikelen 27 tot en met 31 zijn
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot rechtsvorderingen
betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en
de beschikking heeft verloren door de opening van een in Nederland
op grond van artikel 16 van de verordening, genoemd in artikel 5,
derde lid, te erkennen insolventieprocedure, indien deze een
liquidatieprocedure is in de zin van artikel 2, onder c, van die
verordening.
Artikel 33
1. Het vonnis van
faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke
tenuitvoerlegging op enig deel van het vermogen van de
schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een
einde neemt, en dat, ook van hetzelfde ogenblik af, geen vonnis
bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.
2. Gelegde beslagen vervallen; de
inschrijving van een desbetreffende verklaring van de
rechter-commissaris machtigt de bewaarder van de openbare
registers tot doorhaling. Het beslag herleeft, zodra het
faillissement een einde neemt ten gevolge van vernietiging of
opheffing van het faillissement, mits het goed dan nog tot de
boedel behoort. Indien de inschrijving van het beslag in de
openbare registers is doorgehaald, vervalt de herleving, indien
niet binnen veertien dagen na de herleving een exploot is
ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan de
schuldenaar is gedaan.
3. Indien de schuldenaar zich in
gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zodra het vonnis van
faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens
toepassing van artikel 87.
4. Het bepaalde bij dit artikel
geldt niet voor lijfsdwang bij vonnissen, beschikkingen en
authentieke akten, waarbij een uitkering tot levensonderhoud,
krachtens het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd,
daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding
van een minderjarige en voor levensonderhoud en studie van een
meerderjarige die de leeftijd van een en twintig jaren niet heeft
bereikt, is bevolen of toegezegd, alsmede beschikkingen, waarbij
een uitkering, krachtens artikel 85 lid 2 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek door de ene partner aan de andere partner
verschuldigd, is bevolen, alsmede besluiten op grond van paragraaf
6.5 van de Wet werk en bijstand.
Artikel 33a [Vervallen per
01-01-1978]
Artikel 34
Indien vóór het faillissement van
de schuldenaar de uitwinning zijner goederen zo ver was gevorderd,
dat de dag van de verkoop reeds was bepaald, kan de curator, op
machtiging van de rechter-commissaris, de verkoop voor rekening van
de boedel laten voortgaan.
Artikel 35
1. Indien op de dag van de
faillietverklaring nog niet alle handelingen die voor een levering
door de schuldenaar nodig zijn, hebben plaatsgevonden, kan de
levering niet geldig meer geschieden.
2. Heeft de schuldenaar voor de dag
van de faillietverklaring een toekomstig goed bij voorbaat
geleverd, dan valt dit goed, indien het eerst na de aanvang van
die dag door hem is verkregen, in de boedel, tenzij het gaat om
nog te velde staande vruchten of beplantingen die reeds voor de
faillietverklaring uit hoofde van een zakelijk recht of een huur-
of pachtovereenkomst aan de schuldenaar toekwamen.
3. Voor de toepassing van de
artikelen 86 en 238 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt
degene die van de schuldenaar heeft verkregen, geacht na de
bekendmaking van de faillietverklaring, bedoeld in artikel 14,
derde lid, diens onbevoegdheid te hebben gekend.
Artikel 35a
Indien een beding als bedoeld in
artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek op de dag van de
faillietverklaring nog niet in de openbare registers was
ingeschreven, kan de curator het registergoed ten aanzien waarvan
het is gemaakt, vrij van het beding overeenkomstig de artikelen 101
of 176 verkopen.
Artikel 35b
Aan een gift, door de schuldenaar
gedaan onder een opschortende voorwaarde of een opschortende
tijdsbepaling, die op de dag van de faillietverklaring nog niet was
vervuld of verschenen, kan de begiftigde generlei recht tegen de
boedel ontlenen.
Artikel 36
1. Wanneer een verjaringstermijn
betreffende een rechtsvordering, als bedoeld in artikel 26, zou
aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het
einde daarvan, loopt de termijn voort totdat zes maanden na het
einde van het faillissement zijn verstreken.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op van rechtswege aanvangende
vervaltermijnen.
Artikel 36a
Wanneer een termijn die vóór de
faillietverklaring uit hoofde van artikel 55, tweede lid, van Boek 3
of artikel 88 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de
schuldenaar was gesteld, ten tijde van de faillietverklaring nog
niet was verstreken, loopt de termijn voort voorzover dit
redelijkerwijze noodzakelijk is om de curator in staat te stellen
zijn standpunt te bepalen. De wederpartij kan de curator daartoe een
nieuwe redelijke termijn stellen.
Artikel 37
1. Indien een wederkerige
overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zowel door de
schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of
slechts gedeeltelijk is nagekomen en de curator zich niet binnen
een hem daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde
redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te
doen, verliest de curator het recht zijnerzijds nakoming van de
overeenkomst te vorderen.
2. Indien de curator zich wel tot
nakoming van de overeenkomst bereid verklaart, is hij verplicht
bij die verklaring voor deze nakoming zekerheid te stellen.
3. De vorige leden zijn niet van
toepassing op overeenkomsten waarbij de gefailleerde slechts
verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te
verrichten handelingen.
Artikel 37a
Voor vorderingen die de wederpartij
uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de
faillietverklaring met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze
heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van
tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring
op deze verkregen vordering, kan zij als concurrent schuldeiser in
het faillissement opkomen.
Artikel 37b
1. Een wederpartij is niet bevoegd
de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een
overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water,
elektriciteit of verwarming, benodigd voor de eerste
levensbehoeften of voor het voortzetten van de door de schuldenaar
gedreven onderneming, jegens de schuldenaar op te schorten wegens
het door de schuldenaar niet nakomen van een vóór de
faillietverklaring ontstane verbintenis tot betaling van een
geldsom.
2. Een tekortkoming door de
schuldenaar in de nakoming van een verbintenis als in het eerste
lid bedoeld, die plaatsvond vóór de faillietverklaring, levert
geen grond op voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in
het eerste lid.
3. Een beroep door de wederpartij
op een beding dat het faillissement, de aanvraag van het
faillissement of het leggen van beslag door een derde grond
oplevert voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in het
eerste lid, dan wel dat die overeenkomst daardoor van rechtswege
zal zijn ontbonden, is slechts toegelaten met goedvinden van de
curator.
Artikel 38
Indien in het geval van artikel 37 de
levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld,
bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalde
termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de
faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring
ontbonden en kan de wederpartij van de gefailleerde zonder meer voor
schadevergoeding als concurrent schuldeiser opkomen. Lijdt de boedel
door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te
vergoeden.
Artikel 38a
1. Indien de gefailleerde huurkoper
is, kan zowel de curator als de verkoper de huurkoop dan wel
scheepshuurkoop ontbonden verklaren.
2. Deze ontbinding heeft dezelfde
gevolgen als ontbinding der overeenkomst wegens het niet nakomen
door de koper van zijn verplichtingen.
3. De verkoper kan voor het hem
verschuldigde bedrag als concurrent schuldeiser opkomen.
Artikel 39
1. Indien de gefailleerde huurder
is, kan zowel de curator als de verhuurder de huur tussentijds
doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip,
waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik
eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor
overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden,
met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk
geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald,
dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen de dag,
waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad,
eindigt. Van de dag der faillietverklaring af is de huurprijs
boedelschuld.
2. Indien de gefailleerde pachter
is, vindt het bovenstaande overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
1. Werknemers in dienst van de
gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen en hun kan
wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd,
en wel met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke
termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de
arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes
weken.
2. Van de dag der
faillietverklaring af zijn het loon en de met de
arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.
3. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.
Artikel 41
1. Erfenissen, gedurende het
faillissement aan de gefailleerde opkomende, worden door de
curator niet anders aanvaard dan onder voorrecht van
boedelbeschrijving.
2. Tot het verwerpen ener
nalatenschap behoeft de curator machtiging van de
rechter-commissaris.
Artikel 42
1. De curator kan ten behoeve van
de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de
faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij
dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling
van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een
buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Artikel 50, tweede
lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
2. Een rechtshandeling anders dan
om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of
meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts
worden vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de
schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te
weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou
zijn.
3. Wordt een rechtshandeling om
niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten
aanzien van de bevoordeelde, die wist noch behoorde te weten dat
van de rechtshandeling benadeling van de schuldeisers het gevolg
zou zijn, geen werking, voorzover hij aantoont dat hij ten tijde
van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling
gebaat was.
Artikel 43
1. Indien de rechtshandeling
waardoor de schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen een
jaar voor de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds
voor de aanvang van die termijn daartoe had verplicht, wordt de
aan het slot van artikel 42, eerste lid, eerste zin, bedoelde
wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te
bestaan:
1°. bij overeenkomsten,
waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de
schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere
zijde overtreft;
2°. bij rechtshandelingen ter
voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare
schuld;
3°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht
met of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn
pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde
graad;
b. een rechtspersoon waarin
hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of
aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris
is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen,
als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten
minste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
4°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een natuurlijk persoon,
a. die bestuurder of
commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens
diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad:
b. die al dan niet tezamen
met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of
aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van
het geplaatste kapitaal deelneemt;
c. wiens echtgenoot,
pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde
graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor tenminste de helft van het
geplaatste kapitaal deelnemen;
5°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een andere rechtspersoon, indien
a. een van deze
rechtspersonen bestuurder is van de andere;
b. een bestuurder,
natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of
diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad, bestuurder is van de andere;
c. een bestuurder,
natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze
rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed-
of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of
tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor
ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt
in de andere;
d. in beide rechtspersonen
voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal
rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde
rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al
dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen
en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad;
6°. bij rechtshandelingen,
door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of
jegens een groepsmaatschappij.
2. Met een echtgenoot wordt een
geregistreerde partner of een andere levensgezel gelijkgesteld.
3. Onder pleegkind wordt verstaan
hij die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.
4. Onder bestuurder, commissaris of
aandeelhouder wordt mede verstaan hij die minder dan een jaar
vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder
is geweest.
5. Indien de bestuurder van een
rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze
rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.
6. Artikel 138, tiende lid, van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing ingeval de
schuldenaar een rechtspersoon is.
Artikel 45
In geval van benadeling door een
rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen
één jaar vóór de faillietverklaring, wordt vermoed dat hij wist
of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg
van de rechtshandeling zou zijn.
Artikel 47
De voldoening door de schuldenaar aan
een opeisbare schuld kan alleen dan worden vernietigd, wanneer wordt
aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het
faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat
de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de
schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven
andere schuldeisers te begunstigen.
Artikel 48
1. Krachtens het vorige artikel kan
geen terugvordering geschieden van hem, die als houder van een
papier aan order of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding
tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was.
2. In dit geval is hij, te wiens
bate het papier is uitgegeven, verplicht de door de schuldenaar
betaalde som aan de boedel terug te geven, wanneer wordt
aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in
het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de
uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel
bedoeld.
Artikel 49
1. Rechtsvorderingen, gegrond op de
bepalingen der artikelen 42-48, worden ingesteld door de curator.
2. Niettemin kunnen de schuldeisers
op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating ener
vordering bestrijden.
Artikel 50
Beëindiging van het faillissement
door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het
vorige artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand
inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeisers vervolgd
of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.
Artikel 51
1. Hetgeen door de vernietigde
rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar gegaan is,
moet door hen jegens wie de vernietiging werkt, aan de curator
worden teruggegeven met inachtneming van afdeling 2 van titel 4
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Rechten, door derden te goeder
trouw anders dan om niet op de terug te geven goederen verkregen,
worden geëerbiedigd. Tegen een derde te goeder trouw die om niet
heeft verkregen, heeft geen terugvordering plaats voorzover hij
aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten
gevolge van de rechtshandeling gebaat was.
3. Het door de schuldenaar uit
hoofde van de vernietigde rechtshandeling ontvangene of de waarde
daarvan, wordt door de curator teruggegeven, voorzover de boedel
erdoor is gebaat. Voor het tekortkomende kunnen zij jegens wie de
vernietiging werkt, als concurrent schuldeiser opkomen.
Artikel 52
1. Voldoening na de
faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, aan de
gefailleerde gedaan, tot nakoming van verbintenissen jegens deze
vóór de faillietverklaring ontstaan, bevrijdt hem, die haar
deed, tegenover de boedel, zolang zijn bekendheid met de
faillietverklaring niet bewezen wordt.
2. Voldoening, als in het vorig lid
bedoeld, na de bekendmaking der faillietverklaring aan de
gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover de boedel alleen dan,
wanneer hij, die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te
zijner woonplaats langs de weg der wettelijke aankondiging nog
niet bekend kon zijn, behoudens het recht van de curator om aan te
tonen, dat zij hem toch bekend was.
3. In elk geval bevrijdt voldoening
aan de gefailleerde de schuldenaar tegenover de boedel, voorzover
hetgeen door hem voldaan werd ten bate van de boedel is gekomen.
Artikel 53
1. Hij die zowel schuldenaar als
schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn
vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn
ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit
handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde
verricht.
2. De vordering op de gefailleerde
wordt zonodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131
gesteld.
3. De curator kan geen beroep doen
op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 54
1. Niettemin is degene die een
schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde
vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet
bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te
goeder trouw heeft gehandeld.
2. Na de faillietverklaring
overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.
Artikel 55
De schuldenaar van de gefailleerde
die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of
toonder, is gehouden te bewijzen dat hij het papier reeds op het
ogenblik der faillietverklaring te goeder trouw had verkregen.
Artikel 56
Hij die met de gefailleerde
deelgenoot is in een gemeenschap waarvan tijdens het faillissement
een verdeling plaatsvindt, kan toepassing van artikel 184, eerste
lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek verlangen, ook als de
schuld van de gefailleerde aan de gemeenschap er een is onder een
nog niet vervulde opschortende voorwaarde. De artikelen 130 en 131
zijn van toepassing.
Artikel 57
1. Pand- en hypotheekhouders kunnen
hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was.
2. Bij de verdeling kunnen uit
eigen hoofde mede de beperkt gerechtigden opkomen, wier recht
vóór de faillietverklaring was gevestigd, maar door de executie
door een pand- of hypotheekhouder is vervallen, voor hun recht op
schadevergoeding, bedoeld in artikel 282 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. Bij de verdeling van de
opbrengst oefent de curator ten behoeve van de boedel mede de
rechten uit, die de wet aan beslagleggers op het goed toekent. Hij
is gehouden mede de belangen te behartigen van de bevoorrechte
schuldeisers die in rang boven de voormelde pand- en
hypotheekhouders en beperkt gerechtigden gaan.
4. Zo een rangregeling nodig is,
wordt deze verzocht aan de voorzieningenrechter van de rechtbank
waarvan de rechter-commissaris in het faillissement lid is. De
verdeling geschiedt ten overstaan van deze rechter-commissaris op
de wijze voorgeschreven in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
Artikel 58
1. De curator kan de pand- en
hypotheekhouders een redelijke termijn stellen om tot uitoefening
van hun rechten overeenkomstig het vorige artikel over te gaan.
Heeft de pand- of hypotheekhouder het onderpand niet binnen deze
termijn verkocht, dan kan de curator de goederen opeisen en met
toepassing van de artikelen 101 of 176 verkopen, onverminderd het
recht van de pand- en hypotheekhouders op de opbrengst. De
rechter-commissaris is bevoegd de termijn op verzoek van de pand-
of hypotheekhouder een of meer malen te verlengen.
2. De curator kan een met pand of
hypotheek bezwaard goed tot op het tijdstip van de verkoop lossen
tegen voldoening van hetgeen waarvoor het pand- of hypotheekrecht
tot zekerheid strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van
executie.
Artikel 59
Indien de opbrengst niet toereikend
is om een pand- of hypotheekhouder of een dergenen wier beperkt
recht door de executie is vervallen, te voldoen, kan hij voor het
ontbrekende als concurrent schuldeiser in de boedel opkomen.
Artikel 59a
1. De artikelen 57-59 zijn niet van
toepassing wanneer de hypotheek rust op een luchtvaartuig dat te
boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, of in een
verdragsregister als bedoeld in artikel 1300 onder d van Boek 8
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Hypotheekhouders wier rechten
rusten op luchtvaartuigen als bedoeld in het vorige lid, en andere
schuldeisers die op grond van artikel 1317 van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek een voorrecht op het luchtvaartuig hebben,
kunnen hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was.
Artikel 57, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. De curator kan deze schuldeisers
een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van hun rechten
overeenkomstig het vorige lid over te gaan. Heeft de schuldeiser
het luchtvaartuig niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de
curator het luchtvaartuig verkopen. De rechter-commissaris is
bevoegd de termijn op verzoek van de schuldeiser een of meer malen
te verlengen.
4. Op verkoop door de curator zijn
de artikelen 584d en 584f-584q van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de curator wordt aangemerkt als beslaglegger uit hoofde van
een vordering die niet van enige voorrang is voorzien, en dat met
het vonnis van faillietverklaring wordt gehandeld als
voorgeschreven voor het proces-verbaal van beslag.
5. De rechter-commissaris in het
faillissement kan in dat geval bepalen dat een door hem vast te
stellen gedeelte van de algemene faillissementskosten als kosten
van de executie in de zin van artikel 584n van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zal gelden.
6. De curator kan het luchtvaartuig
tot op het tijdstip van de verkoop lossen tegen voldoening van het
daarop verschuldigde, alsmede van de reeds gemaakte kosten van
executie.
7. Artikel 59 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
1. De schuldeiser die retentierecht
heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, verliest dit
recht niet door de faillietverklaring.
2. De zaak kan door de curator
worden opgeëist en met toepassing van artikel 101 of 176 worden
verkocht, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel
292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek toegekend. De curator
kan ook, voorzover dit in het belang is van de boedel, de zaak in
de boedel terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor
het retentierecht kan worden uitgeoefend.
3. De schuldeiser kan de curator
een redelijke termijn stellen om tot toepassing van het vorige lid
over te gaan. Heeft de curator de zaak niet binnen deze termijn
verkocht, dan kan de schuldeiser haar verkopen met overeenkomstige
toepassing van de bepalingen betreffende parate executie door een
pandhouder of, als het een registergoed betreft, die betreffende
parate executie door een hypotheekhouder. De rechter-commissaris
is bevoegd de termijn op verzoek van de curator een of meer malen
te verlengen.
4. Betreft het een registergoed,
dan dient de schuldeiser, op straffe van verval van het recht van
parate executie, binnen veertien dagen na het verstrijken van de
in het vorige lid bedoelde termijn, aan de curator bij exploot aan
te zeggen dat hij tot executie overgaat, en dit exploot in de
openbare registers te doen inschrijven.
Artikel 60a
1. Indien tot het vermogen van de
gefailleerde onder bewind staande goederen behoren en zich
schuldeisers ter verificatie hebben aangemeld, die deze goederen
onbelast met het bewind kunnen uitwinnen, zal de curator deze
goederen van de bewindvoerder opeisen, onder zijn beheer nemen en
te gelde maken, voorzover dit voor de voldoening van deze
schuldeisers uit de opbrengst nodig is. Door de opeising eindigt
het bewind over het goed. De opbrengst wordt overeenkomstig deze
wet onder deze schuldeisers verdeeld, voorzover zij zijn
geverifieerd. De curator draagt hetgeen na deze verdeling van de
opbrengst over is, aan de bewindvoerder af, tenzij de andere
schuldeisers de onder bewind staande goederen onder de last van
het bewind kunnen uitwinnen in welk geval het restant
overeenkomstig deze wet onder deze laatste schuldeisers verdeeld
wordt.
2. Indien zich slechts schuldeisers
ter verificatie hebben aangemeld die de goederen onder de last van
het bewind kunnen uitwinnen, worden deze goederen door de curator
overeenkomstig de artikelen 101 of 176 onder die last verkocht.
3. Buiten de gevallen, bedoeld in
de vorige leden, blijven de onder bewind staande goederen buiten
het faillissement en wordt slechts aan de curator uitgekeerd wat
de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht.
4. De bewindvoerder is te allen
tijde, zodra de curator dit verlangt, verplicht aan deze rekening
en verantwoording af te leggen.
Artikel 60b
1. Zijn krachtens het vorige
artikel goederen buiten het faillissement gebleven en heeft de
bewindvoerder opgehouden de schuldeisers te betalen die deze
goederen onbelast met bewind kunnen uitwinnen, dan kan de
rechtbank die de faillietverklaring heeft uitgesproken op verzoek
van ieder van deze schuldeisers die niet in het faillissement kan
opkomen, de curator opdragen ook het beheer van deze goederen op
zich te nemen en voor de vereffening te hunnen behoeve zorg te
dragen.
2. De bepalingen betreffende
faillietverklaring en faillissement zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 61
1. De echtgenoot of geregistreerde
partner van de gefailleerde neemt alle goederen die hem toebehoren
en niet in de huwelijksgemeenschap onderscheidenlijk de
gemeenschap van het geregistreerd partnerschap vallen, terug.
2. De aanbrengst van de bij
huwelijkse voorwaarden of bij voorwaarden van geregistreerd
partnerschap buiten de gemeenschap gehouden rechten aan toonder en
zaken die geen registergoederen zijn, kan slechts worden bewezen
zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten
opzichte van derden is voorgeschreven.
3. Van de aan de echtgenoot of
geregistreerde partner van de gefailleerde opgekomen rechten aan
toonder en zaken die geen registergoederen zijn, welke ingevolge
artikel 94, tweede lid, onder a en c, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek dan wel de huwelijkse voorwaarden
onderscheidenlijk de voorwaarden van geregistreerd partnerschap
buiten de gemeenschap vallen, moet, in geval van geschil, door
beschrijving of bescheiden blijken.
4. De goederen, voortgesproten uit
de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot of
geregistreerde partner van de gefailleerde buiten de gemeenschap
toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot
onderscheidenlijk geregistreerde partner teruggenomen, mits de
belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende
bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen. Op de
belegging of wederbelegging is artikel 95, eerste lid, eerste
volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
5. Indien de goederen aan de
echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde
toebehorende, door de gefailleerde zijn vervreemd, doch de
koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog
onvermengd met de failliete boedel aanwezig zijn, kan de
echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerde partner zijn recht van
terugneming op die koopprijs of op de voorhanden kooppenningen
uitoefenen.
6. Voor zijn persoonlijke
schuldvorderingen treedt de echtgenoot of geregistreerde partner
van de gefailleerde als schuldeiser op.
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 63
1. Het faillissement van de persoon
die in enige gemeenschap van goederen gehuwd is of in enige
gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is
aangegaan, wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld.
Het omvat, behoudens de uitzonderingen van artikel 21, alle
goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van
alle schuldeisers, die op de goederen der gemeenschap verhaal
hebben. Goederen die de gefailleerde buiten de gemeenschap heeft,
strekken slechts tot verhaal van schulden die daarop verhaald
zouden kunnen worden, indien er generlei gemeenschap was.
2. Bij het faillissement van een
schuldenaar die in gemeenschap van goederen gehuwd is of die in
gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is
aangegaan, zijn de bepalingen van deze wet omtrent handelingen
door de schuldenaar verricht, toepasselijk op de handelingen
waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie van
de echtgenoten onderscheidenlijk van de geregistreerde partners
deze verrichtte.
Artikel 63a
1. De rechter-commissaris kan op
verzoek van elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke
beschikking een afkoelingsperiode afkondigen, waarin elke
bevoegdheid van derden, met uitzondering van boedelschuldeisers,
tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot de opeising
van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of de
curator bevinden, voor een periode van ten hoogste twee maanden
niet dan met zijn machtiging kan worden uitgeoefend. De
rechter-commissaris kan deze periode eenmaal verlengen met een
periode van ten hoogste twee maanden.
2. De rechter-commissaris kan zijn
beschikking beperken tot bepaalde derden en voorwaarden verbinden
zowel aan zijn beschikking als aan de machtiging van een derde tot
uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.
3. Indien een derde ter zake van
zijn bevoegdheid een redelijke termijn aan de curator stelt, wordt
deze termijn geschorst tijdens de afkoelingsperiode.
4. De afkoelingsperiode kan ook op
verlangen van de aanvrager van het faillissement of van de
schuldenaar worden afgekondigd door de rechter die de
faillietverklaring uitspreekt. De afkoelingsperiode die
tegelijkertijd wordt afgekondigd met de faillietverklaring heeft
gevolgen vanaf de dag waarop de faillietverklaring wordt
uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
Artikel 63b
1. Ingeval de schuldenaar
overeenkomstig artikel 239, eerste lid, van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek een pandrecht heeft gevestigd op een vordering
op naam of op het vruchtgebruik van een zodanige vordering, blijft
de pandhouder tijdens de afkoelingsperiode bevoegd de mededeling,
bedoeld in artikel 239, derde lid, van dat Boek te doen en
betalingen in ontvangst te nemen.
2. Artikel 490b, tweede lid, van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pandhouder
het volledige bedrag bij de bewaarder stort.
Artikel 63c
1. Tijdens de afkoelingsperiode kan
de ontvanger die een beslag heeft gelegd als bedoeld in artikel
22, derde lid, Invorderingswet 1990, niet tot uitwinning overgaan,
tenzij de rechter-commissaris anders beslist.
2. Een beslag als bedoeld in
artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de
afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem
van de gefailleerde bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan
niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als
daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander, indien
deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot
aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.
Artikel 63d
Van de goederen als bedoeld in
artikel 63a, eerste lid, zijn uitgezonderd de goederen die uit
hoofde van een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn verpand.
Artikel 63e
1. In afwijking van de artikelen 23
en 35 werkt de faillietverklaring van een schuldenaar uit hoofde
van een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel
51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet terug tot aan het
begin van de dag waarop zij wordt uitgesproken, ten aanzien van
een door de schuldenaar voor het tijdstip van faillietverklaring
gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst of een overdracht,
vestiging van een pandrecht of een opdracht tot verrekening op
grond daarvan.
2. De artikelen 23, 24, 35, 53,
eerste lid, 54, tweede lid, van deze wet, alsmede artikel 72,
aanhef en onder a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen
niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een
schuldenaar na het tijdstip van faillietverklaring gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een overdracht of vestiging van
een pandrecht op grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst,
alsmede elke rechtshandeling op grond van een
financiëlezekerheidsovereenkomst vanwege verbintenissen van de
schuldenaar die na het tijdstip van faillietverklaring zijn
ontstaan, mits de betreffende rechtshandeling plaatsvindt op de
dag van faillietverklaring en de wederpartij kan aantonen dat deze
ten tijde van de rechtshandeling de faillietverklaring niet kende
of behoorde te kennen.
Derde afdeling. Van het bestuur over
de failliete boedel
§ 1. Van de rechter-commissaris
Artikel 64
De rechter-commissaris houdt toezicht
op het beheer en de vereffening van de failliete boedel.
Artikel 65
Alvorens in enige zaak, het beheer of
de vereffening des faillieten boedels betreffende, een beslissing te
geven, is de rechtbank verplicht de rechter-commissaris te horen.
Artikel 66
1. De rechter-commissaris is
bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement
betreffende, getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te
bevelen.
2. De getuigen worden gedagvaard
namens de rechter-commissaris. Artikel 177 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij niet-verschijning of
weigering om de eed of getuigenis af te leggen, zijn de artikelen
171, 172, 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid, 174
en 175 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
toepasselijk.
4. De echtgenoot of gewezen
echtgenoot van de gefailleerde of degene met wie de gefailleerde
een geregistreerd partnerschap is of was aangegaan, de kinderen en
verdere afkomelingen en de ouders en grootouders van de
gefailleerde kunnen zich van het geven van getuigenis verschonen.
Artikel 67
1. Van alle beschikkingen van de
rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hoger beroep op de
rechtbank mogelijk, te rekenen vanaf de dag waarop de beschikking
is gegeven. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke
oproeping van de belanghebbenden.
Niettemin staat geen hoger beroep
open van de beschikkingen, vermeld in de artikelen 21, 2° en 4°,
34, 58, eerste lid, 59a, derde lid, 60, derde lid, 73a, tweede
lid, 79, 93a, 94, 98, 100, 102, 125, 127, vierde lid, 137a, eerste
lid, 174, 175, tweede lid, 176, eerste en tweede lid, 177, 179 en
180.
2. In afwijking van het eerste lid
vangt in het geval van hoger beroep tegen een machtiging van de
rechter-commissaris aan de curator tot opzegging van een
arbeidsovereenkomst de termijn van vijf dagen aan op de dag dat de
werknemer die het beroep instelt van de machtiging kennis heeft
kunnen nemen. Op straffe van vernietigbaarheid wijst de curator de
werknemer bij de opzegging op de mogelijkheid van beroep en op de
termijn daarvan. Het beroep op de vernietigbaarheid geschiedt door
een buitengerechtelijke verklaring aan de curator, en kan worden
gedaan gedurende veertien dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de
arbeidsovereenkomst is opgezegd.
§ 2. Van de curator
Artikel 68
1. De curator is belast met het
beheer en de vereffening van de failliete boedel.
2. Alvorens in rechte op te treden,
behalve waar het verificatiegeschillen betreft, alsmede in de
gevallen van de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 60, tweede
en derde lid, en 60a, eerste lid, behoeft de curator machtiging
van de rechter-commissaris.
Artikel 69
1. Ieder der schuldeisers, de
commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij
verzoekschrift tegen elke handeling van de curator bij de
rechter-commissaris opkomen, of van deze een bevel uitlokken, dat
de curator een bepaalde handeling verrichte of een voorgenomen
handeling nalate.
2. De rechter-commissaris beslist,
na de curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.
Artikel 70
1. Indien meer dan één curator
benoemd is, wordt voor de geldigheid hunner handelingen
toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen een
beslissing van de rechter-commissaris vereist.
2. De curator, aan wie bij het
vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is
aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen
bevoegd.
Artikel 71
1. Onverminderd het bepaalde in
artikel 15, derde lid, wordt het salaris van de curator in elk
faillissement door de rechtbank vastgesteld.
2. In geval van akkoord wordt het
salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.
Artikel 72
1. Het ontbreken van de machtiging
van de rechter-commissaris, waar die vereist is, of de
niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en
79, heeft, voor zoveel derden betreft, geen invloed op de
geldigheid van de door de curator verrichte handeling. De curator
is deswege alleen jegens de gefailleerde en de schuldeisers
aansprakelijk.
2. In afwijking van het eerste lid
is de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de curator zonder
dat de rechter-commissaris daarvoor de machtiging, bedoeld in
artikel 68, tweede lid, heeft gegeven, vernietigbaar. Daarnaast is
de curator jegens de gefailleerde en de werknemer aansprakelijk.
Het beroep op de vernietigbaarheid geschiedt door een
buitengerechtelijke verklaring aan de curator, en kan worden
gedaan gedurende vijf dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de
arbeidsovereenkomst is opgezegd.
Artikel 73
1. De rechtbank heeft de
bevoegdheid de curator te allen tijde, na hem gehoord of
behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te
vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en
ander hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op
een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeisers, de
commissie uit hun midden, of de gefailleerde.
2. De ontslagen curator legt
rekening en verantwoording van zijn beheer af aan de in zijn
plaats benoemde curator.
Artikel 73a
1. De curator brengt, telkens na
verloop van drie maanden, een verslag uit over de toestand van de
boedel. De curator legt zijn verslag neder ter griffie van de
rechtbank, ter kosteloze inzage van een ieder. De neerlegging
geschiedt kosteloos.
2. De termijn, bedoeld in het
vorige lid, kan door de rechter-commissaris worden verlengd.
§ 3. Van de commissie uit de
schuldeisers
Artikel 74
1. Bij het vonnis van
faillietverklaring of bij een latere beschikking kan de rechtbank,
zo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding
geeft, uit de haar bekende schuldeisers een voorlopige commissie
van een tot drie leden benoemen, ten einde de curator van advies
te dienen, zolang over de benoeming van de in het volgende artikel
genoemde commissie geen beslissing is genomen.
2. Indien een lid van de voorlopige
commissie zijn benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt,
voorziet de rechtbank, uit een voordracht van een dubbeltal door
de rechter-commissaris, in de daardoor ontstane vacature.
Artikel 75
1. Hetzij al of niet een voorlopige
commissie uit de schuldeisers is benoemd, raadpleegt de
rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeisers,
na afloop der verificatie, over de benoeming van een definitieve
commissie uit hun midden. Zo de vergadering deze wenselijk acht,
gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie
bestaat uit een tot drie leden.
2. Een verslag van het hieromtrent
verhandelde wordt in het proces-verbaal der vergadering opgenomen.
3. Indien een lid van de
definitieve commissie zijn benoeming niet aanneemt, bedankt of
overlijdt, voorziet de rechter-commissaris in de daardoor ontstane
vacature.
Artikel 76
De commissie kan te allen tijde
raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, op
het faillissement betrekking hebbende, vorderen. De curator is
verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te
verstrekken.
Artikel 77
Tot het inwinnen van het advies der
commissie vergadert de curator met haar, zo dikwijls hij het nodig
acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.
Artikel 78
1. De curator is verplicht het
advies der commissie in te winnen, alvorens een rechtsvordering in
te stellen of een aanhangige voort te zetten of zich tegen een
ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve
waar het geldt verificatiegeschillen; omtrent het al of niet
voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de
gevallen van de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 73, tweede
lid, 100, 101, 175, laatste lid en 177, en in het algemeen omtrent
de wijze van vereffening en tegeldemaking van de boedel en het
tijdstip en het bedrag der te houden uitdelingen.
2. Dit advies wordt niet vereist,
wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met
inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft
opgeroepen en er geen advies wordt uitgebracht.
Artikel 79
De curator is niet gebonden aan het
advies der commissie. Zo hij zich daarmede niet verenigt, geeft hij
hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van
de rechter-commissaris kan inroepen. Zo zij verklaart dit te doen,
is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het
advies der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te
schorten.
§ 4. Van de vergaderingen der
schuldeisers
Artikel 80
1. In de vergaderingen der
schuldeisers is de rechter-commissaris voorzitter.
2. De tegenwoordigheid van de
curator of van iemand, die hem met goedvinden van de
rechter-commissaris vervangt, is verplicht.
Artikel 81
1. Op de vergaderingen van
schuldeisers worden de besluiten genomen met volstrekte
meerderheid van stemmen der aanwezige schuldeisers. Voor elke €
45 brengt ieder schuldeiser één stem uit. Voor vorderingen of
overschietende gedeelten van vorderingen, beneden € 45, wordt
mede één stem uitgebracht.
2. Splitsing van vorderingen, na de
faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwerven.
Artikel 82
Stemgerechtigd zijn de erkende en de
voorwaardelijk toegelaten schuldeisers, alsmede de toonder ener ten
name van "toonder" geverifieerde schuldvordering.
Artikel 83
1. De schuldeisers kunnen ter
vergadering verschijnen in persoon, bij schriftelijk
gevolmachtigde of bij advocaat.
2. Ten behoeve van de schuldeisers,
die zich op een vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden
alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen
aan de gevolmachtigde gedaan, ten ware zij de curator schriftelijk
verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of
aan een anderen gevolmachtigde geschieden.
Artikel 84
1. Behalve de door deze wet
voorgeschreven vergaderingen, wordt er een vergadering van
schuldeisers gehouden, zo dikwijls de rechter-commissaris dit
nodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de
schuldeisers of door ten minste vijf schuldeisers,
vertegenwoordigende één vijfde deel der erkende en der
voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen
omkleed verzoek wordt gedaan.
2. In elk geval bepaalt de
rechter-commissaris dag, uur en plaats der vergadering, waartoe de
stemgerechtigde schuldeisers ten minste tien dagen van te voren
door de curator worden opgeroepen bij brieven, vermeldende het in
de vergadering te behandelen onderwerp.
§ 5. Van de rechterlijke
beschikkingen
Artikel 85
Alle beschikkingen in zaken, het
beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, worden
door de rechtbank in het hoogste ressort gewezen, behalve in de
gevallen waarin het tegendeel is bepaald.
Artikel 86
Alle beschikkingen in zaken, het
beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, ook die
welke niet uitgaan van de rechtbank, zijn uitvoerbaar bij voorraad
en op de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald.
Vierde afdeling. Van de voorzieningen
na de faillietverklaring en van het beheer des curators
Artikel 87
1. De rechtbank kan bij het vonnis
van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het
laatste geval niet dan op voordracht van de rechter-commissaris,
of op verzoek van de curator of van een of meer der schuldeisers
en na de rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de
gefailleerde, wegens het niet nakomen van verplichtingen welke de
wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, dan wel wegens
gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen,
in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van
bewaring, hetzij in zijn eigen woning onder het opzicht van een
ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, of een andere ambtenaar, voorzover die ambtenaar
behoort tot een categorie die daartoe door Onze Minister van
Justitie is aangewezen.
2. Het bevel hiertoe wordt door het
Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.
3. Dit bevel is voor niet langer
dan dertig dagen geldig, te rekenen van de dag waarop het ten
uitvoer is gelegd. Aan het einde van die termijn kan de rechtbank,
op voordracht van de rechter-commissaris of op een verzoek en na
verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste
dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde
wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.
4. De in het eerste lid bedoelde
ambtenaar die door het Openbaar Ministerie is aangewezen om zijn
medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van het bevel, is
bevoegd elke plaats te betreden, voorzover dat redelijkerwijs voor
de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 88
1. De rechtbank heeft de
bevoegdheid, op voordracht van de rechter-commissaris, of op
verzoek van de gefailleerde, deze uit de verzekerde bewaring te
ontslaan, met of zonder zekerheidstelling, dat hij te allen tijde
op de eerste oproeping zal verschijnen.
2. Het bedrag der zekerheidstelling
wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des
gefailleerden ten voordele des boedels.
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 90
1. In alle gevallen, waarin de
tegenwoordigheid van de gefailleerde bij deze of gene bepaalde
werkzaamheid, de boedel betreffende, vereist wordt, zal hij, zo
hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van de
rechter-commissaris uit de bewaarplaats kunnen worden
overgebracht.
2. De last hiertoe wordt door het
Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.
Artikel 91
Gedurende het faillissement mag de
gefailleerde zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn
woonplaats niet verlaten.
Artikel 92
De curator zorgt, dadelijk na de
aanvaarding zijner betrekking, door alle nodige en gepaste middelen
voor de bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de bescheiden
en andere gegevensdragers, gelden, kleinodiën, effecten en andere
papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd
de gelden aan de ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in
bewaring te geven.
Artikel 93
1. De curator doet, zo hij of de
rechter-commissaris dit nodig acht, dadelijk de boedel verzegelen
door een notaris.
2. Buiten de verzegeling blijven,
doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de
goederen vermeld in de artikelen 21, nr. 1 en 92, alsmede de
voorwerpen tot het bedrijf van de gefailleerde vereist, indien dit
wordt voortgezet.
Artikel 93a
De curator heeft toegang tot elke
plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
taak nodig is. De rechter-commissaris is bevoegd tot het geven van
een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden.
Artikel 94
1. De curator gaat zo spoedig
mogelijk over tot het opmaken van een beschrijving des faillieten
boedels.
2. De boedelbeschrijving kan
ondershands worden opgemaakt en de waardering door de curator
geschieden, een en ander onder goedkeuring van de
rechter-commissaris.
3. De leden der voorlopige
commissie uit de schuldeisers zijn bevoegd bij de beschrijving
tegenwoordig te zijn.
Artikel 95
Van de goederen, vermeld in artikel
21, nr. 1, wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld
in artikel 92, worden in de beschrijving opgenomen.
Artikel 96
De curator gaat dadelijk na de
beschrijving van de boedel over tot het opmaken van een staat,
waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels,
de namen en woonplaatsen der schuldeisers, alsmede het bedrag der
vorderingen van ieder hunner blijken.
Artikel 97
1. Door de curator gewaarmerkte
afschriften van de boedelbeschrijving en van de staat, vermeld in
het voorgaande artikel, worden ter kosteloze inzage van een ieder
neergelegd ter griffie van de rechtbank van het arrondissement
waarin zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van de
gefailleerde bevindt, naar gelang de faillietverklaring is
uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats, het
kantoor of het verblijf van de gefailleerde.
2. De neerlegging geschiedt
kosteloos.
Artikel 98
De curator is bevoegd het bedrijf van
de gefailleerde voort te zetten. Indien er geen commissie uit de
schuldeisers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van de
rechter-commissaris nodig.
Artikel 99
1. De curator opent krachtens de
last bedoeld in artikel 14, de brieven en telegrammen aan de
gefailleerde gericht. Die, welke niet op de boedel betrekking
hebben, stelt hij terstond aan de gefailleerde ter hand. Het
postvervoerbedrijf of de postvervoerbedrijven die zijn aangewezen
als verlener van de universele postdienst, alsmede de andere
geregistreerde postvervoerbedrijven, bedoeld in de Postwet 2009
is, na van de griffier ontvangen kennisgeving, verplicht de
curator de brieven en telegrammen, voor de gefailleerde bestemd,
af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van
die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld
in artikel 15. De rechterlijke last tot het openen van brieven en
telegrammen verliest zijn kracht op het in de vorige zin bedoelde
tijdstip waarop de verplichting van de administratie tot afgifte
van brieven en telegrammen eindigt.
2. Protesten, exploten,
verklaringen en termijnstellingen betreffende de boedel geschieden
door en aan de curator.
Artikel 100
De curator is bevoegd naar
omstandigheden een door de rechter-commissaris vast te stellen som
ter voorziening in het levensonderhoud van de gefailleerde en zijn
huisgezin uit te keren.
Artikel 101
1. De curator is bevoegd goederen
te vervreemden, indien en voorzover de vervreemding noodzakelijk
is ter bestrijding der kosten van het faillissement, of de
goederen niet dan met nadeel voor de boedel bewaard kunnen
blijven.
2. De bepaling van artikel 176 is
toepasselijk.
Artikel 102
1. De curator houdt alle gelden,
kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijn
onmiddellijke bewaring, tenzij door de rechter-commissaris een
andere wijze van bewaring wordt bepaald.
2. Gerede gelden, die voor het
beheer niet nodig zijn, worden door de curator belegd ten name van
de boedel op de wijze door de rechter-commissaris goed te keuren.
Artikel 103
Over gelden, kleinodiën, effecten en
andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van de
rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde
gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van
door de rechter-commissaris voor gezien getekende stukken.
Artikel 104
De curator is, na ingewonnen advies
van de commissie uit de schuldeisers, zo die er is, en onder
goedkeuring van de rechter-commissaris, bevoegd
vaststellingsovereenkomsten of schikkingen aan te gaan.
Artikel 105
1. De gefailleerde is verplicht
voor de rechter-commissaris, de curator of de commissie uit de
schuldeisers te verschijnen en deze alle inlichtingen te
verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.
2. Bij een faillissement van een
persoon die in gemeenschap van goederen is gehuwd of in
gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is
aangegaan, rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder
van de echtgenoten onderscheidenlijk van de geregistreerde
partners voorzover hij gehandeld heeft.
Artikel 106
Bij het faillissement van een
rechtspersoon zijn de bepalingen van de artikelen 87-91 op de
bestuurders, die van artikel 105, eerste lid, op bestuurders en
commissarissen toepasselijk.
Artikel 107
1. De griffier is verplicht aan
elke schuldeiser op diens verzoek en op diens kosten afschrift te
geven van de stukken, die ingevolge enige bepaling dezer wet ter
griffie worden neergelegd of zich aldaar bevinden.
2. Evenzo is de griffier verplicht
aan een ieder op diens verzoek en op diens kosten afschrift af te
geven van de stukken waarvan een ieder ingevolge enige bepaling
van deze wet ter griffie inzage kan verkrijgen.
Vijfde afdeling. Van de verificatie
der schuldvorderingen
Artikel 108
1. De rechter-commissaris bepaalt
uiterlijk binnen veertien dagen nadat het vonnis van
faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:
1. de dag, waarop uiterlijk de
schuldvorderingen ingediend moeten worden;
2. dag, uur en plaats, waarop
de verificatievergadering zal gehouden worden.
2. Tussen de dagen, onder 1 en 2
vermeld, moeten ten minste veertien dagen verlopen.
Artikel 109
De curator geeft van deze
beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers bij brieven
kennis.
Artikel 110
1. De indiening der
schuldvorderingen geschiedt bij de curator door de overlegging
ener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de
aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken
of een afschrift daarvan, en van een opgave, of op voorrecht,
pand, hypotheek of retentierecht aanspraak wordt gemaakt.
2. De schuldeisers zijn bevoegd van
de curator een ontvangbewijs te vorderen.
Artikel 111
De curator toetst de ingezonden
rekeningen aan de administratie en opgaven van de gefailleerde,
treedt, als hij tegen de toelating ener vordering bezwaar heeft, met
de schuldeiser in overleg, en is bevoegd van deze overlegging van
ontbrekende stukken alsook inzage van zijn administratie en van de
oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
Artikel 112
De curator brengt de vorderingen, die
hij goedkeurt, op een lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen,
en de vorderingen, die hij betwist, op een afzonderlijke lijst,
vermeldende de gronden der betwisting.
Artikel 113
In de lijsten, bedoeld in het vorige
artikel, wordt elke vordering omschreven, en aangegeven of zij naar
de mening van de curator bevoorrecht of door pand of hypotheek
gedekt is, of wel ter zake der vordering retentierecht kan worden
uitgeoefend. Betwist de curator alleen de voorrang, of het
retentierecht, zo wordt de vordering op de lijst der voorlopig
erkende schuldvorderingen gebracht met aantekening van deze
betwisting en de gronden daarvan.
Artikel 114
1. Van ieder der lijsten, in
artikel 112 bedoeld, wordt een afschrift door de curator ter
griffie van de rechtbank neergelegd, om aldaar gedurende de zeven
aan de verificatievergadering voorafgaande dagen kosteloos ter
inzage te liggen van een ieder.
2. De neerlegging geschiedt
kosteloos.
Artikel 115
Van de krachtens artikel 114 gedane
neerlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende
schuldeisers schriftelijk bericht, waarbij hij een nadere oproeping
tot de verificatievergadering voegt en tevens vermeldt of een
ontwerp-akkoord door de gefailleerde ter griffie is neergelegd.
Artikel 116
De gefailleerde woont de
verificatievergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle
inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en de staat van
de boedel te geven, die hem door de rechter-commissaris gevraagd
worden. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken
omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de
gefailleerde te vragen. De vragen aan de gefailleerde gesteld en de
door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.
Artikel 117
Bij het faillissement van een
rechtspersoon rust op de bestuurders de verplichting in het vorig
artikel de gefailleerde opgelegd.
Artikel 118 [Vervallen per
01-05-1977]
Artikel 119
1. Op de vergadering leest de
rechter-commissaris de lijst der voorlopig erkende en die der door
de curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder der op die
lijsten voorkomende schuldeisers is bevoegd de curator omtrent
elke vordering en haar plaatsing op een der lijsten inlichtingen
te vragen, of wel haar juistheid, de beweerde voorrang of het
beweerde retentierecht te betwisten, of te verklaren, dat hij zich
bij de betwisting van de curator aansluit.
2. De curator is bevoegd op de door
hem gedane voorlopige erkenning of betwisting terug te komen, of
wel te vorderen, dat de schuldeiser de deugdelijkheid zijner noch
door de curator, noch door een der schuldeisers betwiste
schuldvordering onder ede bevestige; indien de oorspronkelijke
schuldeiser overleden is, zullen de rechthebbenden onder ede
moeten verklaren, dat zij te goeder trouw geloven dat de schuld
bestaat en onvoldaan is.
3. Bestaat er behoefte aan
verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op
het door de rechter-commissaris aan te wijzen tijdstip, zonder
nadere oproeping, voortgezet.
Artikel 120
1. De eed, bedoeld in het tweede
lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe
bijzonder gevolmachtigde afgelegd in handen van de
rechter-commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij
op een latere door de rechter-commissaris te bepalen dag. De
volmacht kan ondershands worden verleend.
2. Indien de schuldeiser, aan wie
de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de
griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van de
voor de eedsaflegging bepaalde dag.
3. De rechter-commissaris geeft de
schuldeiser een verklaring van de eedsaflegging, tenzij de eed
wordt afgelegd in een vergadering van schuldeisers, in welk geval
van de aflegging aantekening wordt gehouden in het proces-verbaal
dier vergadering.
Artikel 121
1. De vorderingen, welke niet
betwist worden, worden overgebracht op een in het proces-verbaal
op te nemen lijst van erkende schuldeisers. Op het papier aan
order en aan toonder wordt door de curator de erkenning
aangetekend.
2. De schuldvorderingen, van welke
de curator de beëdiging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk
toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van de eed, op de
bij het eerste lid van artikel 120 bedoelden tijd, over haar
toelating definitief zal zijn beslist.
3. Het proces-verbaal der
vergadering wordt ondertekend door de rechter-commissaris en de
griffier.
4. De in het proces-verbaal der
vergadering opgetekende erkenning ener vordering heeft in het
faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog
kan de curator vernietiging daarvan vorderen.
Artikel 122
1. In geval van betwisting beproeft
de rechter-commissaris een schikking. Indien hij partijen niet kan
verenigen, en voorzover het geschil niet reeds aanhangig is,
verwijst hij partijen naar een door hem te bepalen terechtzitting
van de rechtbank, zonder dat daartoe een dagvaarding wordt
vereist.
2. De advocaten, die voor partijen
optreden, verklaren dit bij de oproeping der zaak ter
terechtzitting.
3. Verschijnt de schuldeiser, die
de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet of heeft
hij het griffierecht niet tijdig voldaan, dan wordt hij geacht
zijn aanvraag te hebben ingetrokken; verschijnt hij die de
betwisting doet niet of heeft hij het griffierecht niet tijdig
voldaan, dan wordt hij geacht zijn betwisting te laten varen en
erkent de rechter de vorderinging. Artikel 127a, derde en vierde
lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing.
4. Schuldeisers, die ter
verificatievergadering geen betwisting hebben gedaan, kunnen in
het geding zich niet voegen noch tussenkomen.
Artikel 122a
1. Wanneer de betwisting door de
curator is gedaan, wordt de loop van het rechtsgeding van
rechtswege geschorst door het in kracht van gewijsde gaan van de
homologatie van een akkoord in het faillissement, tenzij de
stukken van het geding reeds tot het geven van een beslissing aan
de rechter zijn overgelegd, in welk geval de vordering, indien zij
wordt erkend, geacht wordt in het faillissement erkend te zijn,
terwijl ten aanzien van de beslissing omtrent de kosten van het
geding de schuldenaar in de plaats treedt van de curator.
2. Het geding wordt hervat in de
stand waarin dit zich bij de schorsing bevond doordat een der
partijen, met instemming van de andere partij, een daartoe
strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat
het geding wordt hervat.
3. De partij die bij het in het
tweede lid bedoelde exploot verklaart dat het geding wordt hervat,
roept daarbij de andere partij op tegen de dag waarop zij de zaak
ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten de voor de
dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht worden genomen.
Partijen stellen opnieuw advocaat.
4. [Vervallen.]
5. Wanneer de betwisting is gedaan
door een mede-schuldeiser, kan het geding, nadat de homologatie
van een akkoord in het faillissement in kracht van gewijsde is
gegaan, door partijen worden voortgezet uitsluitend ten einde de
rechter te doen beslissen over de proceskosten.
Artikel 123
De schuldeiser, wiens vordering
betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder
bewijs gehouden, dan hij tegen de gefailleerde zelf zoude moeten
leveren.
Artikel 124
1. Indien de schuldeiser, wiens
vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft
de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en
verwijzing.
2. De schuldeiser kan zich in het
geding op het ontbreken dier kennisgeving niet beroepen.
Artikel 125
Vorderingen, die betwist worden,
kunnen door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden toegelaten
tot een bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist
wordt, kan deze door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden
erkend.
Artikel 126
1. Ook de gefailleerde is bevoegd,
onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating ener
vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of
tegen de erkenning van de beweerde voorrang, zich te verzetten. In
dit geval geschiedt in het proces-verbaal aantekening van de
betwisting en van haar gronden, zonder verwijzing van partijen
naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der
vordering in het faillissement wordt verhinderd.
2. Betwisting, waarvoor geen
gronden worden opgegeven, of welke niet de gehele vordering omvat
en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en
welk betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt.
Artikel 127
1. Vorderingen, na afloop van de in
artikel 108, 1°. genoemde termijn, doch uiterlijk twee dagen
vóór de dag, waarop de verificatievergadering zal worden
gehouden, bij de curator ingediend, worden op daartoe ter
vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator
noch een der aanwezige schuldeisers daartegen bezwaar maakt.
2. Vorderingen, daarna ingediend,
worden niet geverifieerd.
3. De bepalingen van het eerste en
tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeiser buiten
het Rijk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich eerder
aan te melden.
4. In geval van bezwaar, als in het
eerste lid bedoeld, of van geschil over het al dan niet aanwezig
zijn der verhindering, in het derde lid bedoeld, beslist de
rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
Artikel 128
Interesten, na de faillietverklaring
lopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of
hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd.
Voorzover de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig
gerangschikt worden, kan de schuldeiser uit deze verificatie geen
rechten ontlenen.
Artikel 129
Een vordering onder een ontbindende
voorwaarde wordt voor het gehele bedrag geverifieerd, onverminderd
de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt.
Artikel 130
1. Een vordering onder een
opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor haar waarde
op het ogenblik der faillietverklaring.
2. Indien de curator en de
schuldeisers het niet eens kunnen worden over deze wijze van
verificatie, wordt zodanige vordering voor het volle bedrag
voorwaardelijk toegelaten.
Artikel 131
1. Een vordering, waarvan het
tijdstip der opeisbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op
periodieke uitkeringen, wordt geverifieerd voor haar waarde op de
dag der faillietverklaring.
2. Alle schuldvorderingen,
vervallende binnen één jaar na de dag, waarop het faillissement
is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip
opeisbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende
schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, die zij
hebben na verloop van een jaar sedert de aanvang van het
faillissement.
3. Bij de berekening wordt
uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het
kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend
is, op de bedongen rentevoet.
Artikel 132
1. Schuldeisers, wier vorderingen
door pand, hypotheek of retentierecht gedekt of op een bepaald
voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantonen dat een deel
hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen
worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen
dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeisers
worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.
2. Het bedrag waarvoor pand- en
hypotheekhouders batig gerangschikt kunnen worden, wordt bepaald
met inachtneming van artikel 483e van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering met dien verstande dat voor het tijdstip van het
opmaken van de staat in de plaats treedt de aanvang van de dag
waarop de faillietverklaring werd uitgesproken.
Artikel 133
Vorderingen, waarvan de waarde
onbepaald, onzeker, niet in Nederlands geld of in het geheel niet in
geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hun geschatte waarde in
Nederlands geld.
Artikel 134
Schuldvorderingen aan toonder kunnen
ten name van «toonder» geverifieerd worden. Iedere ten name van
«toonder» geverifieerde vordering wordt als de vordering van een
afzonderlijk schuldeiser beschouwd.
Artikel 135 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 136
1. Indien van hoofdelijke
schuldenaren een of meer in staat van faillissement verkeren, kan
de schuldeiser in het faillissement van die schuldenaar,
onderscheidenlijk in het faillissement van ieder dier schuldenaren
opkomen voor en betaling ontvangen over het gehele bedrag, hem ten
tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijn
vordering ten volle zal zijn gekweten.
2. Een hoofdelijke schuldenaar kan,
zo nodig voorwaardelijk, worden toegelaten voor de bedragen
waarvoor hij op de gefailleerde, krachtens hun onderlinge
rechtsverhouding als hoofdelijke medeschuldenaren, een vordering
heeft verkregen of zal verkrijgen. De toelating geschiedt echter
slechts:
a. voorzover de schuldeiser
daarvoor zelf niet kan opkomen of, hoewel hij het kan, niet
opkomt;
b. voor het geval de
schuldeiser gedurende het faillissement voor het gehele bedrag
waarvoor hij is opgekomen, wordt voldaan;
c. voorzover om een andere
reden de toelating geen voor de concurrente schuldeisers
nadelige invloed heeft op de aan hen uit te keren percenten.
Artikel 137
1. Na afloop der verificatie brengt
de curator verslag uit over de stand van de boedel, en geeft hij
daaromtrent alle door de schuldeisers verlangde inlichtingen. Het
verslag wordt, met het proces-verbaal der verificatievergadering,
na afloop dier vergadering ter griffie nedergelegd ter kosteloze
inzage van een ieder. De neerlegging geschiedt kosteloos.
2. Zowel de curator, als de
schuldeisers en de gefailleerde kunnen na de neerlegging van het
proces-verbaal, aan de rechtbank verbetering daarvan verzoeken,
indien uit de stukken zelve blijkt dat in het proces-verbaal een
vergissing is geslopen.
Vijfde afdeling A
Vereenvoudigde afwikkeling van
faillissement
Artikel 137a
1. Indien aannemelijk is dat de
beschikbare baten niet voldoende zijn om daaruit de concurrente
vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, kan de
rechter-commissaris op verzoek van de curator dan wel ambtshalve
bepalen dat afhandeling van concurrente vorderingen achterwege
blijft en dat geen verificatievergadering wordt gehouden.
2. De curator geeft van de in het
eerste lid bedoelde beschikking onmiddellijk aan alle bekende
schuldeisers bij brieven kennis en doet daarvan aankondiging in de
Staatscourant.
3. Ingeval de in het eerste lid
bedoelde beschikking is gegeven, is deze afdeling van toepassing.
De vijfde afdeling vindt geen toepassing. Op niet-concurrente
vorderingen zijn de artikelen 128 tot en met 136 van de vijfde
afdeling van overeenkomstige toepassing. De zesde en de zevende
afdeling vinden geen toepassing, tenzij hierna anders is bepaald.
Artikel 137b
1. De curator gaat na welke
vorderingen bevoorrecht zijn of door pand, hypotheek of
retentierecht gedekt zijn.
2. Indien de curator een vordering
dan wel de aan een vordering verbonden voorrang betwist, geeft hij
de desbetreffende schuldeiser daarvan bericht en treedt hij met
hem in overleg ter regeling van dit geschil.
3. Indien de curator geen
overeenstemming bereikt met de in het vorige lid bedoelde
schuldeiser, legt hij het geschil aan de rechter-commissaris voor.
Artikel 122, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. De gefailleerde is bevoegd zijn
bezwaren tegen een vordering dan wel tegen de aan een vordering
verbonden voorrang aan de curator kenbaar te maken, die, als hij
de bezwaren niet kan wegnemen, deze aan de rechter-commissaris
voorlegt. Artikel 126 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 137c
1. De curator gaat over tot
tegeldemaking van de boedel. De artikelen 175 , tweede lid, 176 en
177 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De curator maakt een
uitdelingslijst op. De lijst houdt in een staat van de ontvangsten
en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van de curator), de
namen van de schuldeisers die een bevoorrechte of door pand,
hypotheek of retentierecht gedekte vordering hebben, het bedrag
van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering.
3. Voor de vorderingen waarover een
geschil als bedoeld in artikel 122 aanhangig is, trekt de curator
op de lijst percenten over het volle bedrag uit, alsmede percenten
voor in verband daarmee nog aan te wenden kosten. Artikel 194 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 137d
1. De curator legt de
uitdelingslijst ter goedkeuring aan de rechter-commissaris voor.
2. De curator legt een afschrift
van de door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst alsmede een
verslag over de toestand van de boedel ter griffie van de
rechtbank neder om aldaar gedurende tien dagen kosteloos ter
inzage te liggen voor een ieder.
3. Van de neerlegging doet de
curator aankondiging in de Staatscourant.
4. De curator geeft daarvan
schriftelijk bericht aan alle bekende schuldeisers, met mededeling
dat de uitdelingslijst geen betrekking heeft op concurrente
vorderingen.
5. Artikel 182 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 137e
1. Gedurende de in artikel 137d,
tweede lid, genoemde termijn kan iedere schuldeiser in verzet
komen tegen de ter griffie nedergelegde uitdelingslijst door
inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie;
hem wordt door de griffier een bewijs van ontvangst gegeven.
2. Het bezwaarschrift wordt als
bijlage bij de uitdelingslijst gevoegd.
3. Het verzet door een concurrente
schuldeiser kan niet worden gegrond op het enkele feit dat zijn
vordering niet op de ter griffie nedergelegde uitdelingslijst is
geplaatst.
4. De artikelen 185 en 187 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 137f
1. Na afloop van de termijn,
genoemd in artikel 137d, tweede lid, of, indien verzet is gedaan,
nadat de beschikking op het verzet in kracht van gewijsde is
gegaan, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie
en gaat de curator over tot het doen van de vastgestelde
uitkering.
2. De artikelen 188, 189, 190, 192
en 193 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 137g
1. Indien tijdens de vereffening
baten opkomen die van zodanige omvang zijn dat uit de opbrengst
daarvan ook concurrente vorderingen geheel of gedeeltelijk kunnen
worden voldaan, bepaalt de rechter-commissaris dat alsnog een
verificatievergadering wordt gehouden en stelt daartoe dag, uur en
plaats vast, alsmede de dag waarop uiterlijk de vorderingen
ingediend moeten worden. Artikel 108, tweede lid, is van
toepassing.
2. De curator geeft van de in het
vorige lid genoemde beschikking onmiddellijk aan alle bekende
schuldeisers kennis en doet daarvan aankondiging in de
Staatscourant.
3. De vijfde, zesde en zevende
afdeling zijn van toepassing.
Zesde afdeling. Van het akkoord
Artikel 138
De gefailleerde is bevoegd aan zijn
gezamenlijke schuldeisers een akkoord aan te bieden.
Artikel 139
1. Indien de gefailleerde een
ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering
tot verificatie der schuldvorderingen, ter griffie van de
rechtbank heeft nedergelegd, ter kosteloze inzage van een ieder,
wordt daarover in die vergadering na afloop der verificatie
dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van
artikel 141.
2. Een afschrift van het ontwerp
van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie,
worden toegezonden aan de curator en aan ieder der leden van de
voorlopige commissie uit de schuldeisers.
Artikel 140
De curator en de commissie uit de
schuldeisers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een
schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.
Artikel 141
De raadpleging en beslissing worden
tot een volgende door de rechter-commissaris op ten hoogste drie
weken later te bepalen vergadering uitgesteld:
1°. indien staande de
vergadering een definitieve commissie uit de schuldeisers is
benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorlopige,
en de meerderheid der verschenen schuldeisers van haar een
schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;
2°. indien het ontwerp van
akkoord niet tijdig ter griffie is neergelegd en de meerderheid
der verschenen schuldeisers zich voor uitstel verklaart.
Artikel 142
Wanneer de raadpleging en stemming
over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande
artikel, worden uitgesteld tot een nadere vergadering, wordt daarvan
door de curator onverwijld aan de niet op de verificatievergadering
verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeisers kennis
gegeven, bij brieven vermeldende de summiere inhoud van het akkoord.
Artikel 143
1. Van de stemming over het akkoord
zijn uitgesloten de schuldeisers aan wier vordering voorrang
verbonden is daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist
wordt, tenzij zij, vóór de aanvang der stemming, van hun
voorrang ten behoeve van de boedel afstand mochten doen.
2. Deze afstand maakt hen tot
concurrente schuldeisers, ook voor het geval het akkoord niet
mocht worden aangenomen.
Artikel 144
De gefailleerde is bevoegd tot
toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het,
staande de raadpleging, te wijzigen.
Artikel 145
Tot het aannemen van het akkoord
wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter
vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten
concurrente schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het
bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk
toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.
Artikel 146
In afwijking van artikel 145 kan de
rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de curator bij
gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware
het aangenomen, indien
a. drie vierde van de ter
vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten
concurrente schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en
b. de verwerping van het akkoord
het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers
die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het
bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel
worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering
zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben
kunnen komen.
Artikel 147
Latere veranderingen, in het getal
der schuldeisers of in het bedrag der vorderingen, hebben geen
invloed op de geldigheid van de aanneming, vaststelling of
verwerping van het akkoord.
Artikel 148
1. Het proces-verbaal der
vergadering vermeldt de inhoud van het akkoord, de namen der
verschenen stemgerechtigde schuldeisers, de door ieder hunner
uitgebrachte stem, de uitslag der stemming en al wat verder op de
vergadering is voorgevallen. Het wordt ondertekend door de
rechter-commissaris en de griffier.
2. Gedurende acht dagen kan een
ieder ter griffie kosteloze inzage van het proces-verbaal
verkrijgen.
Artikel 149
Zowel de schuldeisers, die vóór
gestemd hebben, als de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na
afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het
proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het
akkoord door de rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is
beschouwd.
Artikel 150
1. Indien het akkoord is aangenomen
of vastgesteld, bepaalt de rechter-commissaris vóór het sluiten
der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de
homologatie zal behandelen.
2. Bij toepassing vanartikel 149
geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in haar
beschikking. Van deze beschikking geeft de curator aan de
schuldeisers schriftelijk kennis.
3. De terechtzitting zal gehouden
worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de
stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 149, na
de beschikking van de rechtbank.
Artikel 151
Gedurende die tijd kunnen de
schuldeisers aan de rechter-commissaris schriftelijk de redenen
opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenselijk achten.
Artikel 152
1. Op de bepaalde dag wordt ter
openbare terechtzitting door de rechter-commissaris een
schriftelijk rapport uitgebracht, en kan ieder der schuldeisers in
persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij advocaat de gronden
uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenst of haar bestrijdt.
2. De gefailleerde is mede bevoegd,
tot verdediging zijner belangen op te treden.
Artikel 153
1. Op dezelfde dag, of anders zo
spoedig mogelijk, geeft de rechtbank haar met redenen omklede
beschikking.
2. Zij zal de homologatie weigeren:
1°. indien de baten des
boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te
boven gaan;
2°. indien de nakoming van het
akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door
bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeisers of met
behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen,
onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe
heeft medegewerkt;
4°. indien de curator in een
hoofdprocedure als bedoeld in artikel 6, eerste lid, derde
zin, zijn instemming aan het akkoord heeft onthouden, tenzij
de rechtbank van oordeel is dat het akkoord de financiële
belangen van de schuldeisers van de hoofdprocedure niet
aantast.
3. Zij kan ook op andere gronden en
ook ambtshalve de homologatie weigeren.
Artikel 154
Binnen acht dagen na de beschikking
van de rechtbank kunnen, zo de homologatie is geweigerd, zowel de
schuldeisers, die vóór het akkoord stemden, als de gefailleerde;
zo de homologatie is toegestaan, de schuldeisers, die tegenstemden
of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hoger
beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeisers, die
vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het
ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 153 onder
3°. genoemd.
Artikel 155
1. Het hoger beroep geschiedt bij
een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof,
dat van de zaak moet kennis nemen. De voorzitter bepaalt terstond
dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben
binnen twintig dagen. Van het hoger beroep wordt door de griffier
van het rechtscollege, waarbij het is aangebracht, onverwijld
kennis gegeven aan de griffier van de rechtbank, die de
beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven.
2. Op de behandeling van het hoger
beroep zijn, met uitzondering van het bepaalde omtrent de
rechter-commissaris, artikel 152 en artikel 153, eerste lid,
toepasselijk.
Artikel 156
Cassatie wordt binnen dezelfde
termijnen en op dezelfde wijze aangetekend en behandeld.
Artikel 157
Het gehomologeerde akkoord is
verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, zonder
uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement
opgekomen zijn.
Artikel 158
Na verwerping of weigering van de
homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde
faillissement geen akkoord meer aanbieden.
Artikel 159
Het in kracht van gewijsde gegane
vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal der
verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voorzover zij niet
door de gefailleerde overeenkomstigartikel 126 betwist zijn, een
voor tenuitvoerlegging vatbare titel op tegen de schuldenaar en de
tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
Artikel 160
Niettegenstaande het akkoord behouden
de schuldeisers al hun rechten tegen de borgen en andere
medeschuldenaren van de schuldenaar. De rechten, welke zij op
goederen van derden kunnen uitoefenen, blijven bestaan als ware geen
akkoord tot stand gekomen.
Artikel 161
Zodra de homologatie van het akkoord
in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement. De
curator draagt zorg voor de bekendmaking daarvan in de
Staatscourant.
Artikel 162
1. Nadat de homologatie in kracht
van gewijsde is gegaan, is de curator verplicht, ten overstaan van
de rechter-commissaris rekening en verantwoording aan de
schuldenaar te doen.
2. Indien bij het akkoord geen
andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geeft de curator aan de
schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle goederen, gelden,
boeken en papieren tot de boedel behorende.
Artikel 163
1. Het bedrag, waarop geverifieerde
schuldeisers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen
maken, alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen
van de curator worden gestort, tenzij deswege door de schuldenaar
zekerheid wordt gesteld. Zolang hieraan niet is voldaan, is de
curator verplicht alle goederen en gelden tot de boedel behorende
onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan
de daarop rechthebbenden zijn voldaan.
2. Wanneer één maand na het in
kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is
verlopen, zonder dat vanwege de schuldenaar de voldoening van een
en ander is geschied, zal de curator daartoe overgaan uit de
voorhanden baten van de boedel.
3. Het bedrag in het eerste lid
bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeiser krachtens zijn
recht van voorrang toe te kennen, wordt desnodig door de
rechter-commissaris begroot.
Artikel 164
Voor zoveel betreft vorderingen,
waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het
vorige artikel bedoelde verplichting van de schuldenaar zich tot het
stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts
gehouden tot het reserveren uit de baten des boedels van het bedrag
waarop het voorrecht aanspraak geeft.
Artikel 165
1. Ontbinding van het
gehomologeerde akkoord kan door elke schuldeiser gevorderd worden,
jegens wie de schuldenaar in gebreke blijft aan de inhoud daarvan
te voldoen.
2. Op de schuldenaar rust het
bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.
3. De rechter kan, ook ambtshalve,
de schuldenaar uitstel van ten hoogste één maand verlenen, om
alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
Artikel 166
De vordering tot ontbinding van het
akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten
aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4,
6-9 en 12 is voorgeschreven.
Artikel 167
1. In het vonnis, waarbij de
ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens
heropening van het faillissement bevolen met benoeming van een
rechter-commissaris en curator, alsmede van een commissie uit de
schuldeisers, indien er in het faillissement reeds een geweest is.
2. Bij voorkeur zullen daartoe de
personen gekozen worden, die vroeger in het faillissement die
betrekkingen hebben waargenomen.
3. De curator draagt zorg voor de
bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 14, derde lid,
voorgeschreven.
Artikel 168
1. De artikelen 13, eerste lid,
15-18 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde
afdeling van deze titel, zijn bij heropening van het faillissement
toepasselijk.
2. Evenzo zijn toepasselijk de
bepalingen van de afdeling over de verificatie der
schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie
beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die niet reeds vroeger
geverifieerd werden.
3. Niettemin worden ook de reeds
geverifieerde schuldeisers tot bijwoning der
verificatievergadering opgeroepen en hebben zij het recht de
vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt, te betwisten.
Artikel 169
De handelingen, door de schuldenaar
in de tijd tussen de homologatie van het akkoord en de heropening
van het faillissement verricht, zijn voor de boedel verbindend,
behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende zo daartoe
gronden zijn.
Artikel 170
1. Na de heropening van het
faillissement kan niet opnieuw een akkoord aangeboden worden.
2. De curator gaat zonder verwijl
tot de vereffening over.
Artikel 171
1. Indien tijdens de heropening
jegens enige schuldeisers reeds geheel of gedeeltelijk aan het
akkoord is voldaan, worden bij de verdeling aan de nieuwe
schuldeisers en diegene onder de oude, die nog geen voldoening
ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan
hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het
toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald.
2. In hetgeen alsdan nog
overschiet, wordt door alle schuldeisers, zo oude als nieuwe,
gelijkelijk gedeeld.
Artikel 172
Het vorige artikel is eveneens
toepasselijk, indien de boedel van de schuldenaar, terwijl door hem
aan het akkoord nog niet volledig is voldaan, opnieuw in staat van
faillissement wordt verklaard.
Artikel 172a
De bepalingen van deze afdeling zijn
van overeenkomstige toepassing in het geval dat een akkoord wordt
aangeboden op de voet van artikel 34, eerste lid, van de
verordening, genoemd in artikel 5, derde lid.
Zevende afdeling. Van de vereffening
des boedels
Artikel 173
1. Indien op de
verificatievergadering geen akkoord aangeboden of indien het
aangeboden akkoord verworpen of de homologatie definitief
geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van
insolventie.
2. De artikelen 98 en 100 houden op
van toepassing te zijn, wanneer vaststaat, dat het bedrijf van de
gefailleerde niet overeenkomstig de volgende artikelen zal worden
voortgezet of wanneer de voortzetting wordt gestaakt.
Artikel 173a
1. Indien ter
verificatievergadering geen akkoord is aangeboden of indien het
aangeboden akkoord is verworpen, kan de curator of een ter
vergadering aanwezige schuldeiser voorstellen, dat het bedrijf van
de gefailleerde worde voortgezet.
2. De commissie uit de
schuldeisers, indien deze er is, en, zo het voorstel is gedaan
door een schuldeiser, de curator geven hun advies over dit
voorstel.
3. Op verlangen van de curator of
van een der aanwezige schuldeisers, stelt de rechter-commissaris
de beraadslaging en beslissing over het voorstel uit, tot een op
ten hoogste veertien dagen later te bepalen vergadering.
4. De curator geeft onverwijld aan
de schuldeisers, die niet ter vergadering aanwezig waren, kennis
van deze nadere vergadering bij brieven, waarin het ingediend
voorstel wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114
wordt herinnerd.
5. Op deze vergadering zal, zo
nodig, tevens de verificatie plaats hebben van de
schuldvorderingen, die na afloop van de in artikel 108, n°. 1,
bepaalde termijn zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel
127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze
vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111-114.
Artikel 173b
1. Het voorstel is aangenomen,
indien schuldeisers, vertegenwoordigende meer dan de helft der
erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, welke niet
door pand, hypotheek of retentierecht zijn gedekt, zich daarvóór
verklaren.
2. In dit geval vindt, indien een
commissie uit de schuldeisers niet bestaat, artikel 75
overeenkomstige toepassing.
3. Het proces-verbaal der
vergadering vermeldt de namen der verschenen schuldeisers, de door
ieder hunner uitgebrachte stem, de uitslag der stemming en al wat
verder ter vergadering is voorgevallen.
4. Gedurende acht dagen kan een
ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal vragen.
Artikel 173c
1. Indien binnen acht dagen, nadat
de homologatie van een akkoord definitief is geweigerd, de curator
of een schuldeiser bij de rechter-commissaris een voorstel indient
tot voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde, zal de
rechter-commissaris op door hem terstond te bepalen dag, uur en
plaats een vergadering van schuldeisers beleggen ten einde over
het voorstel te doen beraadslagen en beslissen.
2. De curator roept de
schuldeisers, ten minste tien dagen vóór de vergadering, op bij
brieven, waarin het ingediend voorstel wordt vermeld en hun tevens
de bepaling van artikel 114 wordt herinnerd.
3. Artikel 173a, lid 2 en 5,
alsmede artikel 173b zijn van toepassing.
Artikel 173d
De curator en de schuldeisers kunnen
gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank
vragen, alsnog te verklaren, dat het voorstel is aangenomen of
verworpen, indien uit de stukken zelve blijkt, dat de
rechter-commissaris dit ten onrechte als verworpen of aangenomen
heeft beschouwd.
Artikel 174
1. De rechter-commissaris kan op
verzoek van een schuldeiser of van de curator gelasten, dat de
voortzetting van het bedrijf worde gestaakt. Op dit verzoek worden
gehoord de commissie uit de schuldeisers, indien deze er is,
alsmede de curator, als het verzoek niet door hem is gedaan.
2. Bovendien kan de
rechter-commissaris ieder schuldeiser en de schuldenaar horen.
Artikel 175
1. Indien een voorstel tot
voortzetting van het bedrijf niet of niet tijdig wordt gedaan of
indien het wordt verworpen, of de voortzetting wordt gestaakt,
gaat de curator onmiddellijk over tot vereffening en tegeldemaking
van alle baten des boedels, zonder dat daartoe de toestemming of
medewerking des gefailleerden nodig is.
2. Niettemin kan de gefailleerde
enig huisraad, door de rechter-commissaris aan te wijzen, worden
gelaten.
3. Ook in geval van voortzetting
van het bedrijf kunnen baten van de boedel, welke voor de
voortzetting niet nodig zijn, worden te gelde gemaakt.
Artikel 176
1. De goederen worden in het
openbaar of met toestemming van de rechter-commissaris ondershands
verkocht.
2. Over alle niet spoedig of in het
geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op
de wijze door de rechter-commissaris goed te keuren.
Artikel 177
De curator kan ten behoeve der
vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen
een door de rechter-commissaris vast te stellen vergoeding.
Artikel 178
Nadat de boedel insolvent is
geworden, kan de rechter-commissaris, op door hem te bepalen dag,
uur en plaats, een vergadering van schuldeisers beleggen, ten einde
hen zo nodig te raadplegen over de wijze van vereffening des
boedels, en zo nodig de verificatie te doen plaats hebben der
schuldvorderingen, die na afloop van de in artikel 108, n°. 1
bepaalde termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel
127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze
vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111-114.
Hij roept de schuldeisers, ten minste tien dagen vóór de
vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering
wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt
herinnerd.
Artikel 179
Zo dikwijls er, naar het oordeel van
de rechter-commissaris, voldoende gerede penningen aanwezig zijn,
beveelt deze een uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers.
Artikel 180
1. De curator maakt telkens de
uitdelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van de
rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten
en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van de curator), de
namen der schuldeisers, het geverifieerde bedrag van ieders
vordering, benevens de daarop te ontvangen uitkering.
2. Voor de concurrente schuldeisers
worden de door de rechter-commissaris te bepalen percenten
uitgetrokken. Voor de schuldeisers die voorrang hebben, ongeacht
of deze betwist wordt, en die niet reeds overeenkomstig artikel 57
of 60 lid 3 voldaan zijn wordt het bedrag uitgetrokken waarvoor
zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen
waarop hun voorrang betrekking heeft. Zo dit minder is dan het
gehele bedrag van hun vorderingen, worden voor het ontbrekende -
zo de goederen waarop hun vordering betrekking heeft nog niet
verkocht zijn, voor hun hele vordering - gelijke percenten als
voor de concurrente schuldeisers uitgetrokken.
Artikel 181
Voor de voorwaardelijk toegelaten
schuldvorderingen worden op de uitdelingslijst de percenten over het
volle bedrag uitgetrokken.
Artikel 182
1. De algemene faillissementskosten
worden omgeslagen over ieder deel van de boedel, met uitzondering
van hetgeen na een executie overeenkomstig artikel 57 of artikel
60, derde lid, tweede zin, toekomt aan de pand- of
hypotheekhouders, aan de schuldeisers met retentierecht en aan de
beperkt gerechtigden, huurders en pachters wier recht door de
executie is vervallen of verloren gegaan, maar met inbegrip van
hetgeen krachtens een zodanige executie aan de curator is
uitgekeerd ten behoeve van een schuldeiser die boven een of meer
van voormelde personen bevoorrecht was.
2. De in het vorige lid genoemde
uitzondering geldt eveneens ten aanzien van luchtvaartuigen, welke
overeenkomstig de bepaling van artikel 59a door een schuldeiser
zelf zijn verkocht.
Artikel 183
1. De door de rechter-commissaris
goedgekeurde uitdelingslijst ligt gedurende tien dagen ter griffie
van de rechtbank ter kosteloze inzage van de schuldeisers.
2. Van de neerlegging wordt door de
zorg van de curator aan ieder van de erkende en voorwaardelijk
toegelaten schuldeisers schriftelijk kennis gegeven, met
vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.
3. Van de neerlegging wordt door de
zorg van de curator aankondiging gedaan in het nieuwsblad of de
nieuwsbladen bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan
ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers
schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hem
uitgetrokken bedrag.
Artikel 184
1. Gedurende de in het vorige
artikel genoemde termijn kan ieder schuldeiser in verzet komen
tegen de uitdelingslijst, door inlevering van een met redenen
omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door de griffier een
bewijs van ontvangst afgegeven.
2. Het bezwaarschrift wordt als
bijlage bij de lijst gevoegd.
Artikel 185
1. Zo er verzet gedaan is, bepaalt
de rechter-commissaris, onmiddellijk na afloop van de termijn van
inzage, de dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld
zal worden. Deze beschikking ligt ter griffie ter kosteloze inzage
van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan de
opposanten en de curator schriftelijk mededeling. De dag van
behandeling mag niet later gesteld worden dan veertien dagen na
afloop van de termijn van artikel 183.
2. Op de bepaalde dag wordt ter
openbare terechtzitting door de rechter-commissaris een
schriftelijk rapport uitgebracht, en kan de curator en ieder der
schuldeisers in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij
advocaat de gronden uiteenzetten ter verdediging of bestrijding
van de uitdelingslijst.
3. Op dezelfde dag, of anders zo
spoedig mogelijk, geeft de rechtbank haar met redenen omklede
beschikking.
Artikel 186
1. Ook een niet-geverifieerde
schuldeiser, zomede een schuldeiser, wiens vordering voor een te
laag bedrag is geverifieerd, doch overeenkomstig zijn opgave, kan
verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór die waarop het
verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, de
vordering of het niet-geverifieerde deel der vordering bij de
curator indiene, een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift
voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd
te worden.
2. De verificatie geschiedt alsdan
op de wijze, bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter
openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het
verzet en voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.
3. Indien dit verzet alleen ten
doel heeft als schuldeiser geverifieerd te worden, en er niet
tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het
verzet ten laste van de nalatige schuldeiser.
Artikel 187
1. Van de beschikking der rechtbank
kan binnen acht dagen, nadat zij is gegeven, beroep in cassatie
worden ingesteld door de curator en door iedere schuldeiser.
2. Het beroep geschiedt bij een
verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad. De
Voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke
zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen. De griffier geeft
van het beroep onverwijld kennis aan de griffier van de rechtbank,
welke de beschikking op het verzet heeft gegeven.
3. Het beroep wordt ter openbare
terechtzitting behandeld. De curator en alle schuldeisers kunnen
aan de behandeling deelnemen.
4. Door verloop van de termijn van
artikel 183, of, zo verzet is gedaan, doordat de beschikking op
het verzet in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de
uitdelingslijst verbindend.
Artikel 188
1. Door levering ingevolge verkoop
door de curator en de voldoening van de koopprijs gaan alle op het
verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de beperkte
rechten die niet tegen alle geverifieerde schuldeisers ingeroepen
kunnen worden.
2. De rechter-commissaris geeft
desverlangd aan de koper een verklaring af van dit tenietgaan en
vervallen. De verklaring kan bij of na de levering in de registers
worden ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder der registers
tot doorhaling van de betrokken inschrijvingen.
3. Op verkoop, door de curator, van
tot de boedel behorende schepen, is artikel 578 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.
Artikel 189
1. De uitdeling, uitgetrokken voor
een voorwaardelijk toegelaten schuldeiser, wordt niet uitgekeerd,
zolang niet omtrent zijn vordering beslist zal zijn. Blijkt het
ten slotte dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de
voor hem bestemde gelden geheel of ten dele ten bate van de andere
schuldeisers.
2. Uitdelingen bestemd voor
vorderingen, welker voorrang betwist wordt, worden, voorzover zij
meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit
te keren, gereserveerd tot na de uitspraak over de voorrang.
Artikel 190
Indien enig goed met betrekking
waartoe een schuldeiser voorrang heeft, wordt verkocht nadat hem
ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel 180, reeds
een uitkering is gedaan, wordt hem bij een volgende uitdeling het
bedrag waarvoor hij op de opbrengst van goed batig gerangschikt is,
niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten die hij
reeds tevoren over dit bedrag ontving.
Artikel 191
1. Aan schuldeisers, die, ten
gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden
nadat er reeds uitdelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog
voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige
erkende schuldeisers reeds genotene, vooruitbetaald.
2. Indien zij voorrang hebben,
verliezen zij die, voorzover de opbrengst van de zaak, waarop die
voorrang kleefde, bij een vroegere uitdelingslijst aan andere
schuldeisers bij voorrang is toegekend.
Artikel 192
Na afloop van de termijn van inzage,
bedoeld bij artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het
verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkering onverwijld
te doen. De uitkeringen, waarover niet binnen één maand daarna is
beschikt of welke ingevolge artikel 189 gereserveerd zijn, worden
door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën gestort.
Artikel 193
1. Zodra aan de geverifieerde
schuldeisers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of
zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, neemt het
faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 194.
Door de curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze
bijartikel 14 bepaald.
2. Na verloop van een maand doet de
curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan de
rechter-commissaris.
3. De boeken en papieren, door de
curator in de boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk
bewijs aan de schuldenaar afgegeven.
Artikel 194
Indien na de slotuitdeling ingevolge
artikel 189 gereserveerde uitdelingen aan de boedel terugvallen, of
mocht blijken dat er nog baten van de boedel aanwezig zijn, welke
ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op
bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeling daarvan over op
de grondslag van de vroegere uitdelingslijsten.
Achtste afdeling. Van de
rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening
Artikel 195
Door het verbindend worden der
slotuitdelingslijst herkrijgen de schuldeisers voor hun vorderingen,
in zover deze onvoldaan zijn gebleven, hun rechten van executie op
de goederen van de schuldenaar.
Artikel 196
De in het vierde lid van artikel 121
bedoelde erkenning ener vordering heeft kracht van gewijsde zaak
tegen de schuldenaar; het proces-verbaal der verificatievergadering
levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen de voor
tenuitvoerlegging vatbare titel op tegen de schuldenaar.
Artikel 197
De bepaling van het vorige artikel
geldt niet voorzover de vordering door de gefailleerde
overeenkomstig artikel 126 betwist is.
Negende afdeeling [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 198 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 199 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 200 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 201 [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 202 [Vervallen per
01-01-2003]
Tiende afdeling. Bepalingen van
internationaal recht
Artikel 203
Schuldeisers, die na de
faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk
verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet
bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde
schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te
vergoeden.
Artikel 204
1. De schuldeiser, die zijn
vordering tegen de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een
derde overdraagt, ten einde deze in de gelegenheid te stellen die
vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te
verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van de
gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te
vergoeden.
2. De overdracht wordt, behoudens
tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als zij is
gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was
aangevraagd of aangevraagd zou worden.
Artikel 205
1. Gelijke verplichting tot
vergoeding jegens de boedel rust op hem die zijn vordering of zijn
schuld geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt, die
daardoor in staat wordt gesteld in het buitenland een door deze
wet niet toegelaten verrekening in te roepen.
2. Het tweede lid van het vorige
artikel is hier toepasselijk.
Elfde afdeling. Van rehabilitatie
Artikel 206
Nadat het faillissement
overeenkomstig de artikelen 161 of 193 geëindigd is, is de
schuldenaar of zijn zijn erfgenamen bevoegd een verzoek van
rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank, die het faillissement
heeft berecht.
Artikel 207
De schuldenaar of zijn erfgenamen
zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het
verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle
erkende schuldeisers, ten genoegen van elk hunner, zijn voldaan.
Artikel 208
Van het verzoek wordt aankondiging
gedaan in de Staatscourant.
Artikel 209
1. Ieder erkend schuldeiser is
bevoegd om binnen de tijd van twee maanden na voorschreven
aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van
een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door
de griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.
2. Dit verzet zal alleen daarop
kunnen gegrond zijn, dat door de verzoeker niet behoorlijk aan het
voorschrift van artikel 207 is voldaan.
Artikel 210
Na verloop van de voormelde twee
maanden zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is
gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek
toestaan of weigeren.
Artikel 211
Van de beslissing der rechtbank wordt
noch hoger beroep, noch cassatie toegelaten.
Artikel 212
Het vonnis, waarbij de rehabilitatie
wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken,
terwijl mede daarvan aantekening geschiedt in het in artikel 19
bedoelde register.
Afdeling 11A. Van het definitieve
karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in
betalings- en afwikkelingssystemen
Artikel 212a
Voor de toepassing van deze afdeling
en afdeling 11AA wordt verstaan onder:
a. instelling:
1°. een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
2°. een financiële
instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als
bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de Wet op het
financieel toezicht heeft;
3°. een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht;
4°. een centrale
tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het
systeem op grond van een overboekingsopdracht tegoeden in
financiële instrumenten verkrijgt;
5°. een overheidsinstantie
of onderneming met overheidsgarantie;
6°. een ieder, bedoeld in
artikel 3:4 van de Wet op het financieel toezicht, die een
vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:11 van die wet;
7°. een clearinginstelling
als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht;
8°. degene die een
vergunning heeft verkregen ingevolge artikel 3:4 van de Wet
op het financieel toezicht.
b. systeem:
1°. een door de Minister van
Financiën op grond van artikel 212d aangewezen systeem;
2°. een formele overeenkomst
waarop het recht van een lidstaat van de Europese Unie van
toepassing is en die door een andere lidstaat van de
Europese Unie als systeem in de zin van richtlijn nr.
98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 19 mei 1998 (PbEG L 166) is aangemeld bij
de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
c. centrale tegenpartij: een
lichaam dat tussen de instellingen die deelnemen aan een
systeem, in staat en dat optreedt als de exclusieve tegenpartij
van deze instellingen met betrekking tot hun
overboekingsopdrachten;
d. afwikkelende instantie: een
lichaam dat aan instellingen of centrale tegenpartijen die
deelnemen aan systemen, afwikkelingsrekeningen beschikbaar stelt
via welke overboekingsopdrachten binnen die systemen worden
afgewikkeld;
e. verrekeningsinstituut: een
lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de netto
posities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij
of een eventuele afwikkelende instantie;
f. deelnemer: een instelling, een
centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie een
systeemexploitant, dan wel een verrekeningsinstituut;
g. [vervallen;]
h. centrale bank: een centrale
bank van een lidstaat van de Europese Unie, de centrale bank van
een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte, dan wel de Europese Centrale
Bank;
i. bijkantoor: een duurzaam in
een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel
zonder rechtspersoonlijkheid van een instelling;
j. financieel instrument: een
financieel instrument als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht;
k. overboekingsopdracht: een
opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de
rekeningen van een bank, een centrale bank, een centrale
tegenpartij of een afwikkelende instantie een geldsom ter
beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die
resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een
betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het
systeem, dan wel een opdracht door een deelnemer om door middel
van een boeking in een register of anderszins, de rechten op of
de rechten ten aanzien van één of meer financiële
instrumenten over te boeken;
1. insolventieprocedure: elke
collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of
van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de
sanering van de deelnemer indien een dergelijke maatregel
gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen
aan overboekingen en betalingen;
m. verrekening: het in één
nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en
verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die
een deelnemer geeft aan of ontvangt van, dan wel die deelnemers
geven aan of ontvangen van, één of meer andere deelnemers, met
als gevolg dat er alleen een nettovordering of een
nettoverplichting ontstaat;
n. afwikkelingsrekening: een
rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of
een centrale tegenpartij, die gebruikt wordt voor het houden van
geld of financiële instrumenten en waarmee ook transacties
tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld;
o. werkdag: de periode voor
afwikkeling zowel overdag als ’s nachts, en die alle
gebeurtenissen omvat die tijdens de bedrijfscyclus van een
systeem plaatsvinden;
p. interoperabele systemen: twee
of meer systemen waarvan de systeemexploitanten een onderlinge
regeling hebben getroffen voor de uitvoering tussen de systemen
van overboekingsopdrachten;
q. systeemexploitant: een door de
Minister van Financiën op grond van artikel 212daangewezen
systeemexploitant.
Artikel 212b
1. In afwijking van de artikelen 23
en 35 werkt de faillietverklaring van een deelnemer niet terug tot
aan het begin van de dag waarop zij wordt uitgesproken, ten
aanzien van een door die deelnemer vóór het tijdstip van
faillietverklaring van die deelnemer gegeven overboekingsopdracht,
opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht
voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere
rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig in het
systeem uit te voeren of rechten en verplichtingen die voor een
deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het
systeem ontstaan.
2. In afwijking vanartikel 63a,
geldt de afkoelingsperiode niet voor een bevoegdheid tot verhaal
op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen
die zich in de macht van de gefailleerde of de curator bevinden,
noch voor de goederen waarop een dergelijke bevoegdheid betrekking
heeft, indien die bevoegdheid is toegekend aan een centrale bank
of, in verband met deelname aan het systeem, aan een andere
deelnemer aan het systeem.
3. De artikelen 23, 24, 35, 53,
eerste lid, en 54, tweede lid, van deze wet, alsmede artikel 72,
aanhef en onder a, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen
niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een
deelnemer na het tijdstip van faillietverklaring van die deelnemer
gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige
uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering,
verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de
opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in het systeem
wordt uitgevoerd binnen een werkdag als omschreven in de regels
van het systeem, gedurende welke de faillietverklaring heeft
plaatsgevonden en de systeemexploitant kan aantonen dat deze op
het tijdstip waarop deze opdrachten onherroepelijk worden de
faillietverklaring niet kende of behoorde te kennen.
4. Het eerste en het derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de toekenning en op de
uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid
alsmede in geval van een faillietverklaring van een
systeemexploitant van een interoperabel systeem die geen deelnemer
is.
5. Bij interoperabele systemen
stelt elk systeem in zijn eigen regels het tijdstip van invoering
en het tijdstip van onherroepelijkheid in het systeem zodanig vast
dat er zoveel mogelijk voor wordt gezorgd dat de regels van alle
betrokken interoperabele systemen in dit opzicht gecoördineerd
worden. Tenzij zulks in de regels van de systemen die van de
operabele systemen deel uitmaken uitdrukkelijk is bepaald, laten
de regels van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel
is, de in dat systeem gehanteerde regels over het tijdstip van
invoering en onherroepelijkheid onverlet.
Artikel 212c
1. De griffier van de rechtbank
stelt De Nederlandsche Bank N.V. terstond in kennis van de
faillietverklaring.
2. De Nederlandsche Bank N.V. stelt
daarna terstond de door de Minister van Financiën op grond van
artikel 212d aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten
van de overige lidstaten van de Europese Unie en van de andere
staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, alsmede het Europees Comité voor
systeemrisico’s en de Europese autoriteit voor effecten en
markten, in kennis van de faillietverklaring.
Artikel 212d
1. De Minister van Financiën kan,
De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, als systeemexploitant en het
onderscheiden systeem aanwijzen een formele overeenkomst tussen
drie of meer deelnemers, de systeemexploitant, een afwikkelende
instantie, een centrale tegenpartij, een verrekeningsinstituut of
een indirecte deelnemer niet meegerekend, met gemeenschappelijke
regels en standaardprocedures voor de clearing of het uitvoeren
van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers, mits:
a. de deelnemers het
Nederlandse recht hebben gekozen als het recht dat op die
overeenkomst van toepassing is; en
b. ten minste een van de
deelnemers zijn hoofdvestiging in Nederland heeft.
Als systeemexploitant kan worden
aangewezen een entiteit of entiteiten die wettelijk aansprakelijk
is of zijn voor de werking van een systeem.
2. Indien dit noodzakelijk is met
het oog op het vermijden van systeemrisico's, kan de Minister van
Financiën, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, als systeem
aanwijzen een formele overeenkomst tussen twee deelnemers, een
afwikkelende instantie, een centrale tegenpartij, een
verrekeningsinstituut of een indirecte deelnemer niet meegerekend,
met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor het
uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers, mits:
a. de deelnemers het
Nederlandse recht hebben gekozen als het recht dat op die
overeenkomst van toepassing is; en
b. ten minste een van de
deelnemers zijn hoofdvestiging in Nederland heeft.
3. Een tussen interoperabele
systemen gesloten overeenkomst vormt geen systeem.
4. Aan de beschikking tot
aanwijzing als systeem en aan de beschikking tot aanwijzing als
systeemexploitant kan de Minister van Financiën voorschriften
verbinden.
5. De systeemexploitant stelt de
Minister van Financiën in kennis van de instellingen die direct
of indirect deelnemen aan het systeem, alsmede van elke aanvang of
beëindiging van deelname door een instelling aan het systeem.
6. Van een beschikking als bedoeld
in het eerste lid wordt in de Staatscourant mededeling gedaan.
7. De Minister van Financiën meldt
de aangewezen systemen aan bij de Europese autoriteit voor
effecten en markten.
8. Een instelling deelt desgevraagd
een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft mee aan welke
systemen de instelling deelneemt en verstrekt informatie over de
belangrijkste regels die gelden voor de werking van die systemen.
Artikel 212e
Ingeval een insolventieprocedure
wordt geopend tegen een instelling, worden de rechten en de
verplichtingen die zij uit of in verband met deelname aan dat
systeem heeft, bepaald door het recht waardoor dat systeem wordt
beheerst.
Artikel 212f [Vervallen per
01-05-2008]
Afdeling 11AA. Van het faillissement
van een bank
§ 1. In Nederland gevestigde bank en
buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde bank met bijkantoor
in Nederland
Artikel 212g
1. Voor de toepassing van deze
afdeling wordt verstaan onder:
a. bank: bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
b. liquidatieprocedure: een
collectieve procedure, het faillissement daaronder begrepen,
geopend in een lidstaat, die het te gelde maken van de activa
van een bank en het op toepasselijke wijze verdelen van de
opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden
behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van
administratieve of rechterlijke instanties behelst, daaronder
begrepen de collectieve procedure die wordt afgesloten met een
gerechtelijk akkoord of een andere maatregel van dezelfde
strekking;
c. lidstaat: een staat die lid
is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb.
1992, 132);
d. lidstaat van herkomst:
ingeval de bank een rechtspersoon is, de lidstaat waarin aan
een bank haar zetel heeft, dan wel, ingeval de bank geen
rechtspersoon is, de lidstaat waar zij haar hoofdbestuur
heeft;
e. bevoegde instanties: de
administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn
ter zake van liquidatieprocedures;
f. toezichthoudende autoriteit:
de instantie die in een lidstaat bij of krachtens de wet met
het toezicht op het kredietwezen is belast;
g. curator: de curator of elke
andere persoon of ander orgaan, aangewezen door de bevoegde
instanties van een andere lidstaat dan Nederland of door een
bestuursorgaan van de bank om de liquidatieprocedure uit te
voeren;
h. financiële instrumenten:
instrumenten, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
i. deposito: een deposito als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
j. gegarandeerd deposito: een
deposito voor zover dit voor vergoeding ingevolge het
depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid,
van de Wet op het financieel toezicht in aanmerking komt;
k. deposito-overeenkomst: de
overeenkomst op grond waarvan een depositohouder een deposito
houdt bij een bank;
l. overnemer: degene die
deposito-overeenkomsten, activa of passiva anders dan uit
hoofde van deposito-overeenkomsten overneemt, degene die
bereid is zulks te doen en degene die onderzoekt of hij
daartoe bereid is.
2. Voor de toepassing van deze
afdeling is een bank gevestigd in:
a. de staat waar de statutaire
zetel is, indien het een rechtspersoon betreft die
overeenkomstig het toepasselijke recht een statutaire zetel
heeft; en
b. de staat waar haar zij haar
hoofdbestuur heeft en zij feitelijk werkzaam is, indien het
een andere bank betreft dan de bank, bedoeld in onderdeel a.
Artikel 212h
1. In afwijking van artikel 2,
eerste lid, geschiedt de faillietverklaring van een in Nederland
gevestigde bank door de rechtbank Amsterdam.
2. Een in een andere lidstaat dan
Nederland gevestigde bank die daar een vergunning heeft verkregen
kan in Nederland niet in staat van faillissement worden verklaard.
3. Het eerste lid is, in afwijking
van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige
toepassing op de faillietverklaring van:
a. een in een andere lidstaat
dan Nederland gevestigde kredietinstelling die in die lidstaat
geen vergunning heeft verkregen, en die haar bedrijf uitoefent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
b. een in een staat die geen
lidstaat is gevestigde kredietinstelling die haar bedrijf
uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 212ha
1. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. oordeelt dat er ten aanzien van een bank die een vergunning
als bedoeld in artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht
heeft tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling zijn met betrekking
tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit en
redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende
of niet tijdig ten goede zal keren, kan zij de rechtbank Amsterdam
verzoeken ten aanzien van die bank het faillissement uit te
spreken.
2. Een ander dan De Nederlandsche
Bank N.V. of een in een noodregeling benoemde bewindvoerder kan
niet het faillissement van een bank die een door De Nederlandsche
Bank N.V. verleende vergunning heeft aanvragen.
3. Een bank die een door De
Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft kan aangifte
doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank
De Nederlandsche Bank N.V. in staat te worden gehoord alvorens te
beslissen op de aangifte.
Artikel 212hb
Indien het belang van de gezamenlijke
schuldeisers bij de afwikkeling van een bank met zetel in Nederland
die niet een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning
heeft een bijzondere voorziening behoeft kan de rechtbank Amsterdam
op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. het faillissement
uitspreken.
Artikel 212hc
De Nederlandsche Bank N.V. kan bij
haar verzoek een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c,
tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel
toezicht overleggen met het verzoek het overdrachtsplan goed te
keuren.
Artikel 212hd
De Nederlandsche Bank N.V. zendt een
afschrift van het verzoekschrift aan de bank en geeft kennis van de
inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van
de andere lidstaten waar een bijkantoor van de bank is gelegen of
waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in een andere
lidstaat.
Artikel 212he
De rechtbank behandelt het verzoek
van De Nederlandsche Bank N.V. tot het uitspreken van het
faillissement of een aangifte door de bank met de meeste spoed op
een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in
burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
Artikel 212hf
1. De bank kan, na in de
gelegenheid te zijn gesteld te worden gehoord, zich verweren
tegen:
a. beslissingen als bedoeld in
artikel 3:159d, tweede lid van de Wet op het financieel
toezicht;
b. beslissingen als bedoeld in
artikel 3:159f, eerste lid, van die wet;
c. beslissingen als bedoeld in
de artikelen 1:75 en 1:76 van die wet die zijn genomen nadat
De Nederlandsche Bank N.V. een mededeling als bedoeld in
artikel 3:159d, eerste lid, van die wet heeft gedaan;
d. het oordeel van De
Nederlandsche Bank N.V. dat zich een situatie als bedoeld in
artikel 212ha, eerste lid, voordoet.
2. Ingeval een bank zich heeft
verweerd tegen een beslissing of oordeel als bedoeld in het eerste
lid, verklaart de rechtbank dat verweer uitsluitend dan gegrond
indien De Nederlandsche Bank N.V. in redelijkheid niet tot die
beslissing of dat oordeel heeft kunnen komen.
Artikel 212hg
1. De rechtbank spreekt het
faillissement uit indien summierlijk blijkt dat zich een situatie,
als bedoeld in artikel 212ha, eerste lid, voordoet.
2. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 212hc heeft
overgelegd, keurt de rechtbank het overdrachtsplan goed, tenzij de
in het overdrachtsplan genoemde prijs of wijze waarop de prijs die
de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, gegeven de
omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs of wijze
is. Bij het vaststellen of de prijs of wijze redelijk is wordt
uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de bank in
de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd.
3. Onverminderd het tweede lid,
keurt de rechtbank het plan met betrekking tot de overdracht van
activa of passiva goed, tenzij schuldeisers daardoor zouden worden
benadeeld.
Artikel 212hh*
1. Bij het uitspreken van het
faillissement benoemt de rechtbank een van haar leden tot
rechter-commissaris en benoemt zij een of meer curatoren. De
Nederlandsche Bank N.V. kan voor de benoeming van de curator of
curatoren voordrachten doen.
2. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
curator bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van
de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan
te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door de
rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat
waar een bijkantoor van de bank is gelegen of waarnaar zij
diensten verricht. De uittreksels vermelden naam en zetel van de
bank, de woonplaats of het kantoor van de curator alsmede de datum
van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen
geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken
lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese
Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de bank
een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht wordt
daarenboven vermeld dat op het faillissement, behoudens
uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de
rechtsgrondslag, dat De Nederlandsche Bank N.V. de bevoegde
toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de
beschikking beroep in cassatie kan worden ingesteld met vermelding
van het volledige adres van de Hoge Raad en het onderwerp van de
beschikking.
Artikel 212hi
1. Een beschikking als bedoeld in
artikel 212hb of 212hg, eerste lid, is uitvoerbaar bij voorraad.
2. In afwijking van artikel 8,
eerste lid, staat geen hoger beroep open tegen het uitspreken van
het faillissement indien de rechtbank eveneens een verzoek om
goedkeuring van een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 212hc
heeft toegewezen.
3. Artikel 10 is niet van
toepassing.
Artikel 212hj
De artikelen 3:159k, 3:159l en 3:159p
van de Wet op het financieel toezicht zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 212hk
1. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. bij haar verzoek tot faillietverklaring geen overdrachtsplan
als bedoeld in artikel 3:159c, tweede lid, van de Wet op het
financieel toezicht heeft overgelegd of indien zij dat wel heeft
gedaan maar de rechtbank het overdrachtsplan niet heeft
goedgekeurd, kan De Nederlandsche Bank N.V. alsnog of opnieuw een
overdrachtsplan voorbereiden.
2. Het overdrachtsplan kan
betrekking hebben op de overdracht van deposito-overeenkomsten en
activa of passiva anders dan uit hoofde van
deposito-overeenkomsten.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het overdrachtsplan en de voorbereiding daarvan.
Artikel 212hl
1. Indien De Nederlandsche Bank N.V.
een overdrachtsplan voorbereidt, deelt zij dat terstond na aanvang
van de voorbereiding mede aan de curator.
2. Nadat De Nederlandsche Bank N.V.
de mededeling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan, kan zij,
onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 5:15 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht, de curator verplichten:
a. gegevens of inlichtingen te
verschaffen aan:
1°. een door De
Nederlandsche Bank N.V. met name genoemde overnemer en
deskundigen die de overnemer bijstaan; en
2°. door De Nederlansche
Bank N.V. met name genoemde deskundigen die De
Nederlandsche Bank N.V. bijstaan bij de voorbereiding van
het overdrachtsplan; en
b. toe te staan dat de door De
Nederlandsche Bank N.V. met name genoemde overnemer en in
onderdeel a van dit lid genoemde personen elke plaats met
uitzondering van een woning van de bank betreden.
3. De personen, bedoeld in het
tweede lid, maken van de medewerking, gegevens of inlichtingen,
bedoeld in het tweede lid, gebruik en betreden de plaats, bedoeld
in het tweede lid, slechts voor zover dat redelijkerwijs in
verband met de voorbereiding van het overdrachtsplan nodig is.
4. Artikel 1:89 van de Wet op het
financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op personen
die op grond van het tweede lid vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen hebben verkregen.
5. Onverminderd het eerste lid, is
het een ieder verboden, al dan niet op grond van de wet of enige
overeenkomst, aan de voorbereiding van het overdrachtsplan
bekendheid te geven.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot hetgeen is bepaald in het derde, vierde en vijfde
lid.
7. De curator, de bank en een
onderneming die tot de groep behoort waartoe ook de bank behoort
waarop De Nederlandsche Bank N.V. toezicht houdt, alsmede de
personen, bedoeld in het tweede lid, en de overnemer zijn
uitgezonderd van alle bij of krachtens de wet geldende
verplichtingen tot openbaarmaking van gegevens of inlichtingen,
bedoeld in het tweede lid, tot aan het moment waarop het
overdrachtsplan is goedgekeurd.
Artikel 212hm
Na de mededeling, bedoeld in artikel
212hl, eerste lid, verleent de curator alle medewerking aan de
voorbereiding van het overdrachtsplan.
Artikel 212hn
1. De artikelen 3:159g tot en met
3:159p van de Wet op het financieel toezicht zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien De Nederlandsche Bank N.V.
op grond van artikel 212hk een overdrachtsplan heeft voorbereid,
kan zij de rechtbank Amsterdam verzoeken het overdrachtsplan goed
te keuren.
Artikel 212ho
1. De rechtbank behandelt het
verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. om goedkeuring van het
overdrachtsplan met de meeste spoed op een niet openbare
terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke
zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
2. De rechtbank keurt het
overdrachtsplan goed tenzij de in het overdrachtsplan genoemde
prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te
betalen wordt vastgesteld, gegeven de omstandigheden van het
geval, niet een redelijke prijs of wijze is.
Artikel 212hp
De curator voert het overdrachtsplan
uit zo spoedig mogelijk nadat de rechtbank het heeft goedgekeurd.
Artikel 212hq
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan,
in overleg met de curator, de rechtbank Amsterdam verzoeken om een
reeds goedgekeurd overdrachtsplan aan te passen. Artikel 3:159ij,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
goedkeuring van de wijziging.
2. Ingeval de rechtbank de
aanpassing niet goedkeurt, wijst zij het verzoek om aanpassing van
het overdrachtsplan af en blijft het overdrachtsplan ongewijzigd
in stand.
3. De artikelen 212hd tot en met
212hh en 212hk, tweede lid, tot en met 212hp zijn van
overeenkomstige toepassing op de aanpassing van het
overdrachtsplan.
Artikel 212hr
De artikelen 212ha tot en met 212hq
zijn van overeenkomstige toepassing op een in Nederland gelegen
bijkantoor van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 212i
De Nederlandsche Bank N.V. kan een
verzoek om een bank in staat van faillissement te verklaren zonder
tussenkomst van een advocaat indienen.
Artikel 212j
De Nederlandsche Bank N.V. zendt een
afschrift van haar verzoekschrift aan de bank en geeft van de inhoud
daarvan kennis aan:
a. de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lidstaten waar de bank een bijkantoor
heeft of waarheen zij diensten verricht vanuit de vestigingen in
de Europese Unie, indien het een in Nederland gevestigde bank
betreft;
b. de toezichthoudende
autoriteiten van de andere Lidstaten waarheen zij diensten
verricht vanuit een bijkantoor in Nederland indien het een
buiten de Europese Unie gevestigde bank betreft.
Artikel 212k
De Nederlandsche Bank N.V. trekt de
vergunning van de bank in, indien deze op het tijdstip van de
faillietverklaring nog een vergunning heeft.
Artikel 212l
1. Wanneer een verzoek tot het
uitspreken van de overdrachtsregeling of de noodregeling in de zin
van de Wet op het financieel toezicht aanhangig is tegelijk met
een eigen aangifte door de bank, wordt de behandeling van de
aangifte geschorst totdat op het verzoek tot het uitspreken van de
overdrachtsregeling onderscheidenlijk de noodregeling is beschikt.
2. Indien de rechtbank de
overdrachtsregeling of de noodregeling uitspreekt, vervalt de
eigen aangifte door de bank van rechtswege.
Artikel 212m
1. Nadat de rechtbank een
noodregeling als bedoeld in artikel 3:160 van de Wet op het
financieel toezicht heeft uitgesproken, kan zij in afwijking van
artikel 1, de Nederlandsche Bank N.V. gehoord, op verzoek van de
bewindvoerders, op voordracht van de rechter-commissaris of
ambtshalve, de desbetreffende bank met zetel in Nederland in staat
van faillissement verklaren indien blijkt dat deze een negatief
eigen vermogen heeft en het met de verleende machtiging te
bereiken doel is verwezenlijkt of niet meer kan worden
verwezenlijkt of, indien geen machtiging is verleend, geen
redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met een machtiging te
bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2. De noodregeling en de machtiging
houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de financiële
onderneming, bedoeld in het eerste lid, in staat van faillissement
wordt verklaard.
3. Alsdan, zomede indien de
faillietverklaring wordt uitgesproken binnen vier weken na de
beëindiging van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de
termijnen, bedoeld in deartikelen 43 en 45, aanvangen, wordt
berekend vanaf het geven van de verklaring, bedoeld in artikel
3:160, eerste of tweede lid, of artikel 3:206, eerste of
tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
b. boedelschulden, na het geven
van de verklaring ontstaan, zullen ook in het faillissement
als boedelschuld gelden;
c. het tijdstip waarop de
termijnen, vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248,
zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangen
wordt berekend vanaf de aanvang van de bijzondere voorziening;
d. handelingen, ingevolge
artikel 3:175 van de Wet op het financieel toezicht door of
namens de bewindvoerders, bedoeld in dat artikel, verricht
gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden
beschouwd als handelingen van de curator;
e. de boedel is niet
aansprakelijk voor verbintenissen van de bank die in strijd
met artikel 3:175, eerste en zesde lid, van de Wet op het
financieel toezicht zijn aangegaan gedurende de tijd dat de
noodregeling van kracht was, dan voorzover deze daardoor is
gebaat;
f. indien de uitvoering van de
vangnetregeling is aangevangen onder de noodregeling, wordt
deze tijdens het faillissement voortgezet op de voet van
afdeling 3.5.6 van de Wet op het financieel toezicht; en
g. indien de rechtbank een
overdrachtsplan heeft goedgekeurd door het uitspreken van de
overdrachtsregeling, bedoeld in artikel 3:159u van de Wet op
het financieel toezicht, of met het uitspreken van de
noodregeling, voert de curator het overdrachtsplan uit
onderscheidenlijk zet hij de door de overdrager of
bewindvoerder aangevangen uitvoering van het overdrachtsplan
voort.
4. Het bepaalde in de eerste titel
en artikel 362 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 212ma
Indien een bank in staat van
faillissement wordt verklaard zonder dat artikel 212m, eerste of
derde lid, tot toepassing is gekomen, is afdeling 3.5.6 van de Wet
op het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 212n
Na de inkennisstelling, bedoeld in
artikel 212c, stelt De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld de
toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten in kennis
van het vonnis tot faillietverklaring, alsmede van de mogelijke
gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.
Artikel 212o
1. Onverminderd artikel 14, derde
lid, plaatst de curator het uittreksel van het vonnis van
faillietverklaring en, indien de verklaring als bedoeld in artikel
3:160, eerste of tweede lid, of artikel 3:206, eerste of tweede
lid, van de Wet op het financieel toezicht is ingetrokken, van die
intrekking, in het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in
ten minste twee landelijke dagbladen van iedere andere lidstaat
dan Nederland waar de bank een bijkantoor heeft of waarheen zij
diensten verricht.
2. In aanvulling op de gegevens,
bedoeld in artikel 14, vermeldt de curator dat het Nederlandse
recht, behoudens uitzonderingen, van toepassing is.
3. De curator kan verzoeken dat het
faillissement wordt ingeschreven in een openbaar register in een
andere lidstaat.
4. De kosten van inschrijving op de
voet van het derde lid zijn boedelschuld.
Artikel 212p
1. De curator geeft van het vonnis
tot faillietverklaring onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers
schriftelijk kennis.
2. De curator die op de voet van
artikel 109 aan alle bekende schuldeisers kennis geeft van de in
dat artikel bedoelde beschikkingen, deelt daarbij tevens mede wat
de gevolgen zijn van het indienen van een vordering na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 108, eerste lid,
onderdeel 1, en dat schuldeisers, daaronder begrepen de
schuldeisers met een voorrecht of zakelijk zekerheidsrecht, hun
vorderingen bij de curator moeten indienen, met, in het
voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of zakelijk
zekerheidsrecht aanspraak wordt gemaakt.
3. De curator stelt alle bekende
schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder
geval het verloop van de procedure.
Artikel 212q
1. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 212p, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, geschiedt in het
Nederlands met een formulier dat in alle officiële talen van de
Europese Unie het opschrift draagt «Oproep tot indiening van
opmerkingen betreffende schuldvorderingen. Termijnen».
2. Elke schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat kan zijn vordering en
schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in
een officiële taal van die lidstaat met een verklaring met als
opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een
vordering»onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen
betreffende een vordering».
3. De curator kan een vertaling in
het Nederlands van het stuk waarbij de vordering wordt ingediend
en van de opmerkingen betreffende de vordering verlangen.
Artikel 212r
In afwijking van artikel 52, tweede
lid, bevrijdt voldoening na de bekendmaking van de
faillietverklaring van een bank die geen natuurlijk persoon is
tegenover de boedel indien degene die haar deed, bewijst dat hij
niet bekend was met de faillietverklaring.
§ 2. Bepalingen van internationaal
privaatrecht
Artikel 212s
1. Een in een andere lidstaat van
herkomst dan Nederland genomen beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure met betrekking tot een bank wordt van
rechtswege erkend.
2. De beslissing heeft
rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij
rechtsgevolgen heeft in de lidstaat van herkomst.
Artikel 212t
De beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure, de liquidatieprocedure zelf en de
rechtsgevolgen van de liquidatieprocedure worden beheerst door het
recht van de lidstaat waar de liquidatieprocedure is geopend, tenzij
de wet anders bepaalt.
Artikel 212u
1. De beslissing tot opening van
een liquidatieprocedure laat onverlet het goederenrechtelijke
recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen,
zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met
een wisselende samenstelling, die toebehoren aan de bank en die
zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de
liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het
grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval
verstaan:
a. het recht een goed te gelde
te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de
opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder
op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een
vordering te innen, in het bijzonder op grond van een
pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot
zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van
een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed
afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te
verlangen;
d. het goederenrechtelijke
recht om van een goed de vruchten te trekken.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijk gesteld
met in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging
van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat
aan derden kan worden tegengeworpen.
4. Voor de toepassing van dit
artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:
a. met betrekking tot
registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat
onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt
gehouden;
b. met betrekking tot zaken,
voor zover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het
grondgebied waarvan de zaak zich bevindt;
c. met betrekking tot
schuldvorderingen, de lidstaat op het grondgebied waarvan de
derde-schuldenaar is gevestigd.
Artikel 212v
1. Ingeval de bank een zaak heeft
gekocht, laat de beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure onverlet de op een eigendomsvoorbehoud
berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het
eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop
de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure
rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere
lidstaat dan de lidstaat van herkomst.
2. Ingeval de bank een zaak heeft
verkocht, is de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure
geen grond voor ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot
verkoop, en belet de liquidatieprocedure de koper niet de eigendom
van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het
tijdstip waarop de beslissing tot opening van de
liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevindt op het
grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst.
3. Artikel 212u, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 212w
Indien degene die zowel schuldeiser
als schuldenaar is van de bank bevoegd is zijn schuld te verrekenen
met de vordering op de bank op grond van het recht dat van
toepassing is op de vordering van de bank, laat de beslissing tot
opening van de liquidatieprocedure de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 212x
Deartikelen 212u tot en met 212w
staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot
nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van
een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van
schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 212ij
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor arbeidsovereenkomsten
en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die
overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 212z
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor een overeenkomst die
het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende
zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het
grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen. Dit recht bepaalt
of een zaak roerend dan wel onroerend is.
Artikel 212aa
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor de rechten van de bank
op een registergoed beheerst door het recht van de lidstaat onder
het gezag waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 212bb
In afwijking van artikel 212t worden,
onverminderd artikel 212hh, de gevolgen van een liquidatieprocedure
voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een
gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van
richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het
gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141) uitsluitend beheerst
door het recht dat op die markt van toepassing is.
Artikel 212cc
In afwijking van artikel 212t wordt
de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel
aangegaan door de bank na het tijdstip van opening van een
liquidatieprocedure, waarmee zij beschikt over een registergoed of
effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de
overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of
op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn
geplaatst in een door het recht van een lidstaat beheerst
gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de
lidstaat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het
depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak
betreft, door het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak is
gelegen.
Artikel 212dd
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van de liquidatieprocedure voor een aanhangige
rechtsvordering betreffende een goed waarover de bank het beheer en
de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht
van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 212ee
Artikel 212t is niet van toepassing
op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor
het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op
de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden
tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die
rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt
beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat
van herkomst; en
b. dat recht in het gegeven geval
niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt
aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 212ff
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor een overeenkomst tot
verrekening als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, uitsluitend
beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 212gg
In afwijking van artikel 212t worden,
onverminderd artikel 212hh, de gevolgen van een liquidatieprocedure
voor een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt
tot een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van
dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht
van de lidstaat dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 212hh
In afwijking van artikel 212t worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor het uitoefenen van het
rechten op financiële instrumenten waarvan het bestaan of de
overdracht inschrijving in een register, op een rekening of in een
in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd
effectendepot veronderstelt, uitsluitend beheerst door het recht van
de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde
effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden
of is gesitueerd.
Artikel 212ii
1. Behoudens de bevoegdheid tot het
aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen
van een uitspraak in een geding of een geschil heeft de curator
uit een andere lidstaat van herkomst dan Nederland in Nederland de
bevoegdheden die hij in de lidstaat van herkomst heeft. De wijze
van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst
door het Nederlandse recht.
2. De curator kan personen
aanwijzen om hem te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan.
3. Indien op grond van het recht
van de lidstaat van herkomst personen zijn aangewezen om de
curator te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen
zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die
lidstaat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.
Artikel 212jj
1. Voor het bewijs van aanwijzing
van de curator uit een andere lidstaat dan Nederland volstaat een
voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit
of van ieder ander door de bevoegde instanties van de lidstaat
gegeven schriftelijke verklaring.
2. De curator uit een andere
lidstaat dan Nederland toont op verlangen van een ieder tegenover
wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de
Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 212kk
Op verzoek van een curator uit een
andere lidstaat dan Nederland worden de gegevens met betrekking tot
een liquidatieprocedure, geopend in een andere lidstaat dan
Nederland, door de griffier van de rechtbank Den Haag ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 212ll
Indien het faillissement is
uitgesproken van een bank die niet is gevestigd in een staat van de
Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en een bijkantoor in
Nederland heeft, stelt de griffier van de rechtbank De Nederlandsche
Bank N.V. onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking,
alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende
geval. De Nederlandsche Bank N.V. stelt daarna onverwijld de
bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie
en van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte in kennis van de
beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het
desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank N.V. stelt de bevoegde
autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie en van de
andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte in kennis van de beschikking en van de
beëindiging van de faillietverklaring.
Artikel 212mm
1. Indien een bank die niet is
gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of een staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economscue
Ruimte en een bijkantoor heeft in Nederland en een of meer
bijkantoren in andere lidstaten, trachten zowel de rechtbank als
de Nederlandsche Bank hun optreden te coördineren met de bevoegde
instanties onderscheidenlijk de toezichthoudende autoriteiten van
die andere lidstaten.
2. In het in het eerste lid
bedoelde geval tracht de in Nederland benoemde curator zijn
optreden te coördineren met de curatoren in de andere lidstaten
waarin aan de financiële onderneming een vergunning is verleend.
Artikel 212nn
De curator kan in de verslagen,
bedoeld in artikel 73a, geen gegevens of inlichtingen opnemen die
betrekking hebben op derden die betrokken zijn of zijn geweest bij
pogingen de bank in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten.
Afdeling 11B. Van het faillissement
van een verzekeraar
§ 1. Definities
Artikel 213
Voor de toepassing van deze afdeling
wordt verstaan onder:
a. verzekeraar: een
schadeverzekeraar of levensverzekeraar als bedoeld in artikel
1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
b. overeenkomst van
schadeverzekering: een overeenkomst van schadeverzekering als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
c. overeenkomst van
levensverzekering: een overeenkomst van levensverzekering als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
d. schadeverzekeraar: een
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
e. levensverzekeraar: een
levensverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;
f. zetel: de plaats waar een
verzekeraar volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd
of, indien hij geen rechtspersoon is, de plaats waar die
verzekeraar zijn hoofdvestiging heeft;
g. bijkantoor: een duurzame
aanwezigheid van een verzekeraar, met uitzondering van de zetel,
beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een
zelfstandig persoon die is gemachtigd duurzaam voor de
verzekeraar op te treden;
h. liquidatieprocedure: een
collectieve procedure, het faillissement daaronder begrepen,
geopend in een lidstaat van de Europese Unie, die het te gelde
maken van de activa van een verzekeraar en het op toepasselijke
wijze verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers,
aandeelhouders of leden behelst, en die noodzakelijkerwijs een
optreden van de administratieve of rechterlijke instanties van
die lidstaat behelst, daaronder begrepen de collectieve
procedure die wordt afgesloten met een gerechtelijk akkoord of
een andere maatregel van dezelfde strekking, ongeacht of de
procedure op insolventie berust en ongeacht of de procedure op
eigen aangifte van de verzekeraar dan wel op verzoek van een
ander is geopend;
i. lidstaat: een staat die lid is
van de Europese Unie of een staat, niet zijnde een lidstaat van
de Europese Unie, die partij is bij de op 2 mei 1992 tot stand
gekomen overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
(Trb. 1992, 132);
j. lidstaat van herkomst: de
lidstaat waar de verzekeraar zijn zetel heeft;
k. bevoegde instanties: de
administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter
zake van liquidatieprocedures;
l. toezichthoudende autoriteit:
de instantie die in een lidstaat bij of krachtens de wet met het
toezicht op het verzekeringsbedrijf is belast;
m. curator: de curator of elke
andere persoon of ander orgaan, aangewezen door de bevoegde
instanties van een andere lidstaat dan Nederland of door een
bestuursorgaan van de verzekeraar om de liquidatieprocedure uit
te voeren;
n. vordering uit hoofde van
verzekering: de uit een overeenkomst van verzekering
voortvloeiende vordering, rechtstreeks op de verzekeraar;
o. noodregeling: de noodregeling,
bedoeld in afdeling 3.5.5 van de Wet op het financieel toezicht;
p. overnemer: degene die activa
of passiva overneemt, degene die bereid is zulks te doen en
degene die onderzoekt of hij daartoe bereid is.
§ 2. Verzekeraars met zetel in
Nederland, verzekeraars zonder vergunning met zetel in een andere
lidstaat dan Nederland en verzekeraars met zetel buiten de Europese
Unie met bijkantoor in Nederland
Artikel 213a
1. In afwijking van artikel 2,
eerste lid, geschiedt de faillietverklaring van een verzekeraar
met zetel in Nederland door de rechtbank Amsterdam.
2. Een verzekeraar met zetel in een
in een andere lidstaat dan Nederland die daar een vergunning heeft
verkregen kan in Nederland niet in staat van faillissement worden
verklaard.
3. Het eerste lid is, in afwijking
van artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige
toepassing op de faillietverklaring van:
a. een verzekeraar met zetel in
een andere lidstaat dan Nederland die in die lidstaat geen
vergunning heeft verkregen, en die zijn bedrijf uitoefent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
b. een verzekeraar met zetel in
een staat die geen lidstaat is, en die zijn bedrijf uitoefent
vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 213aa*
1. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. oordeelt dat er ten aanzien van een verzekeraar die een
vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet
op het financieel toezicht heeft tekenen van een gevaarlijke
ontwikkeling zijn met betrekking tot het eigen vermogen, de
solvabiliteit of de technische voorzieningen en redelijkerwijs is
te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten
goede zal keren, kan zij de rechtbank Amsterdam verzoeken ten
aanzien van die verzekeraar het faillissement uit te spreken.
2. Een ander dan De Nederlandsche
Bank N.V. kan niet het faillissement van een verzekeraar die een
door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft
aanvragen.
3. Een verzekeraar die een door De
Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft kan aangifte
doen van zijn eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank
De Nederlandsche Bank N.V. in staat te worden gehoord alvorens te
beslissen op de aangifte.
Artikel 213ab
Indien het belang van de gezamenlijke
schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een verzekeraar
die niet een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning
heeft een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank
Amsterdam, onverminderd artikel 1, eerste lid, op verzoek van De
Nederlandsche Bank N.V. het faillissement uitspreken.
Artikel 213ac
De Nederlandsche Bank N.V. kan bij
haar verzoek een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c,
tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op het financieel
toezicht overleggen met het verzoek het overdrachtsplan goed te
keuren.
Artikel 213ad
De Nederlandsche Bank N.V. zendt een
afschrift van het verzoekschrift aan de verzekeraar en geeft kennis
van de inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende
instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de
verzekeraar is gelegen of waarnaar hij diensten verricht vanuit zijn
vestigingen in een andere lidstaat.
Artikel 213ae
De rechtbank behandelt het verzoek
van De Nederlandsche Bank N.V. tot het uitspreken van het
faillissement of een aangifte door de verzekeraar met de meeste
spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de
rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet
niet is afgeweken.
Artikel 213af
1. De verzekeraar kan, na in de
gelegenheid te zijn gesteld te worden gehoord, zich verweren
tegen:
a. beslissingen als bedoeld in
artikel 3:159d, tweede lid, van de Wet op het financieel
toezicht;
b. beslissingen als bedoeld in
artikel 3:159f, eerste lid, van die wet;
c. beslissingen als bedoeld in
de artikelen 1:75 en 1:76 van die wet die zijn genomen nadat
De Nederlandsche Bank N.V. een mededeling als bedoeld in
artikel 3:159d, eerste lid, van die wet heeft gedaan;
d. het oordeel van De
Nederlandsche Bank N.V. dat zich een situatie als bedoeld in
artikel 213aa, eerste lid, voordoet.
2. Ingeval een verzekeraar zich
heeft verweerd tegen een beslissing of oordeel als bedoeld in het
eerste lid, verklaart de rechtbank dat verweer uitsluitend dan
gegrond indien De Nederlandsche Bank N.V. in redelijkheid niet tot
die beslissing of dat oordeel heeft kunnen komen.
Artikel 213ag
1. De rechtbank spreekt het
faillissement uit indien summierlijk blijkt dat zich een situatie,
als bedoeld in artikel 213aa, eerste lid, voordoet.
2. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 213ac heeft
overgelegd, keurt de rechtbank het overdrachtsplan goed, tenzij de
in het overdrachtsplan genoemde prijs of wijze waarop de prijs die
de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, gegeven de
omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs of wijze
is. Bij het vaststellen of de prijs of wijze redelijk is wordt
uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de
verzekeraar in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt
goedgekeurd.
3. Onverminderd het tweede lid,
keurt de rechtbank het plan met betrekking tot de overdracht van
activa of passiva goed, tenzij schuldeisers daardoor zouden worden
benadeeld.
4. Bij het uitspreken van het
faillissement benoemt de rechtbank een van haar leden tot
rechter-commissaris en benoemt zij een of meer curatoren. De
Nederlandsche Bank N.V. kan voor de benoeming van curatoren
voordrachten doen.
5. Indien het verzoek wordt
toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting
uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de
curator bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van
de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan
te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door de
rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat
waar een bijkantoor van de verzekeraar is gelegen of waarnaar hij
diensten verricht. De uittreksels vermelden naam en zetel van de
desbetreffende verzekeraar, de woonplaats of het kantoor van de
curator alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de
landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van
de betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad
van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere
lidstaat waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij
diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op het
faillissement, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van
toepassing is, de rechtsgrondslag, dat De Nederlandsche Bank N.V.
de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop
tegen de beschikking beroep in cassatie kan worden ingesteld met
vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad en het
onderwerp van de beschikking.
Artikel 213ah
1. Een beschikking als bedoeld in
artikel 213ab of 213ag, eerste lid, is uitvoerbaar bij voorraad.
2. In afwijking van artikel 8,
eerste lid, staat geen hoger beroep open tegen het uitspreken van
het faillissement indien de rechtbank eveneens een verzoek om
goedkeuring van een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 212ac
heeft toegewezen.
Artikel 213ai
Indien de rechtbank het
overdrachtsplan heeft goedgekeurd, voert de curator het uit zo
spoedig mogelijk nadat de rechtbank het faillissement heeft
uitgesproken.
Artikel 213aj
1. Ingeval De Nederlandsche Bank
N.V. bij haar verzoek tot faillietverklaring geen overdrachtsplan
heeft overgelegd of indien zij dat wel heeft gedaan maar de
rechtbank het overdrachtsplan niet heeft goedgekeurd, kan De
Nederlandsche Bank N.V. alsnog of opnieuw een overdrachtsplan
voorbereiden.
2. Het overdrachtsplan kan
betrekking hebben op de overdracht van activa of passiva.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het overdrachtsplan en de voorbereiding daarvan.
Artikel 213ak
1. Indien De Nederlandsche Bank N.V.
een overdrachtsplan voorbereidt, deelt zij dat terstond na aanvang
van de voorbereiding mede aan de curator.
2. Nadat De Nederlandsche Bank N.V.
de mededeling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan, kan zij,
onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 5:15 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht, de curator verplichten:
a. gegevens of inlichtingen te
verschaffen aan:
1°. door De Nederlandsche
Bank N.V. met name genoemde overnemer en deskundigen die
een overnemer bijstaan; en
2°. door De Nederlandsche
Bank N.V. met name genoemde deskundigen die De
Nederlandsche Bank N.V. bijstaan bij de voorbereiding van
het overdrachtsplan; en
b. toe te staan dat een door De
Nederlandsche Bank N.V. met name genoemde overnemer en de in
onderdeel a van dit lid genoemde personen elke plaats met
uitzondering van een woning van de verzekeraar betreden.
3. De personen, bedoeld in het
tweede lid, maken van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het
tweede lid, gebruik en betreden de plaats, bedoeld in het tweede
lid, slechts voor zover dat redelijkerwijs in verband met de
voorbereiding van het overdrachtsplan nodig is.
4. Artikel 1:89 van de Wet op het
financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op personen
die op grond van het tweede lid vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen hebben verkregen.
5. Onverminderd het eerste lid, is
het een ieder verboden aan de voorbereiding van het
overdrachtsplan bekendheid te geven.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot hetgeen is bepaald in het derde, vierde en vijfde
lid.
7. De curator, de verzekeraar en
een onderneming die tot de groep behoort waartoe ook de
verzekeraar behoort waarop De Nederlandsche Bank N.V. toezicht
houdt, alsmede de personen, bedoeld in het tweede lid, zijn
uitgezonderd van alle bij of krachtens de wet geldende
verplichtingen tot openbaarmaking van gegevens of inlichtingen,
bedoeld in het tweede lid, tot aan het moment waarop het
overdrachtsplan is goedgekeurd.
Artikel 213al
Na de mededeling, bedoeld in artikel
213ak, eerste lid, verleent de curator alle medewerking aan de
voorbereiding van het overdrachtsplan.
Artikel 213am
1. Artikel 3:159u van de Wet op het
financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien De Nederlandsche Bank N.V.
op grond van artikel 213aj een overdrachtsplan heeft voorbereid,
kan zij de rechtbank Amsterdam verzoeken het overdrachtsplan goed
te keuren.
Artikel 213an
1. De rechtbank behandelt het
verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. om goedkeuring van het
overdrachtsplan met de meeste spoed op een niet openbare
terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke
zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
2. De rechtbank keurt het
overdrachtsplan goed tenzij de in het overdrachtsplan genoemde
prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te
betalen wordt vastgesteld, gegeven de omstandigheden van het
geval, niet een redelijke prijs of wijze is.
Artikel 213ao
De curator voert het overdrachtsplan
uit zo spoedig mogelijk nadat de rechtbank het heeft goedgekeurd.
Artikel 213ap
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan,
in overleg met de curator, de rechtbank Amsterdam verzoeken om een
reeds goedgekeurd overdrachtsplan aan te passen.
2. Ingeval de rechtbank de
aanpassing niet goedkeurt, wijst zij het verzoek om aanpassing van
het overdrachtsplan af en blijft het overdrachtsplan ongewijzigd
in stand.
3. De artikelen 213ad tot en met
213ag en 213aj, tweede lid, tot en met 213ao zijn van
overeenkomstige toepassing op de aanpassing van het
overdrachtsplan.
Artikel 213aq
De artikelen 213aa tot en met 213ap
zijn van overeenkomstige toepassing op een verzekeraar met zetel in
een staat die geen lidstaat is.
Artikel 213b
De Nederlandsche Bank N.V. kan een
verzoek om een verzekeraar in staat van faillissement te verklaren
zonder tussenkomst van een advocaat indienen.
Artikel 213c
De Nederlandsche Bank N.V. zendt een
afschrift van haar verzoekschrift aan de verzekeraar en geeft van de
inhoud daarvan kennis aan:
a. indien het een verzekeraar met
zetel in Nederland betreft, de toezichthoudende autoriteiten van
de andere lidstaten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of
waarheen hij diensten verricht vanuit de vestigingen in de
Europese Unie;
b. indien het een verzekeraar met
zetel buiten de Europese Unie betreft, de toezichthoudende
autoriteiten van de andere lidstaten waarheen hij diensten
verricht vanuit een bijkantoor in Nederland en, indien een
andere toezichthoudende autoriteit in de Europese Unie is belast
met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken
verzekeraar, die toezichthoudende autoriteit.
Artikel 213d
1. Op een vordering of verzoek tot
faillietverklaring van een verzekeraar, eigen aangifte daaronder
begrepen, wordt niet beslist dan nadat de rechter de Nederlandsche
Bank N.V. in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent
kenbaar te maken.
2. de Nederlandsche Bank N.V. trekt
de vergunning van de verzekeraar in, indien deze op het tijdstip
van faillietverklaring nog een vergunning heeft.
Artikel 213e
1. Wanneer een verzoek tot het
uitspreken van de overdrachtsregeling of de noodregeling in de zin
van de Wet op het financieel toezicht aanhangig is tegelijk met
een eigen aangifte door de verzekeraar, wordt de behandeling van
de aangifte geschorst totdat op het verzoek tot het uitspreken van
de overdrachtsregeling onderscheidenlijk de noodregeling is
beschikt.
2. Indien de rechtbank de
noodregeling of de overdrachtsregeling uitspreekt, vervalt de
eigen aangifte door de verzekeraar van rechtswege.
Artikel 213f
1. Nadat de rechtbank een
noodregeling als bedoeld in artikel 3:161 van de Wet op het
financieel toezicht heeft uitgesproken, kan zij in afwijking van
artikel 1, de Nederlandsche Bank N.V. gehoord, op verzoek van de
bewindvoerders, bedoeld in artikel 3:162, vierde lid, van de Wet
op het financieel toezicht, op voordracht van de
rechter-commissaris of ambtshalve, de desbetreffende verzekeraar
met zetel in Nederland in staat van faillissement verklaren indien
blijkt dat deze een negatief eigen vermogen heeft en het met de
verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of niet
meer kan worden verwezenlijkt of, indien geen machtiging is
verleend, geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met een
machtiging te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2. De noodregeling en de machtiging
houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar
in staat van faillissement wordt verklaard.
3. Alsdan, zomede indien de
faillietverklaring wordt uitgesproken binnen vier weken na de
beëindiging van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de
termijnen, bedoeld in deartikelen 43 en 45, aanvangen, wordt
berekend vanaf het geven van de uitspraak, bedoeld in artikel
3:160, eerste of tweede lid, of artikel 3:206, eerste of
tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
b. boedelschulden, na het geven
van die uitspaak ontstaan, zullen ook in het faillissement als
boedelschuld gelden;
c. het tijdstip waarop de
termijnen, vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248,
zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aanvangen,
wordt berekend vanaf die uitspraak.
d. handelingen, ingevolge
artikel 3:175 van de Wet op het financieel toezicht door of
namens de bewindvoerders, bedoeld in dat artikel, verricht
gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden
beschouwd als handelingen van de curator;
e. de boedel is niet
aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in
strijd met artikel 3:175, eerste en zesde lid, van de Wet op
het financieel toezicht zijn aangegaan gedurende de tijd dat
de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor
is gebaat;
f. een beroep op verrekening
kan in afwijking vanartikel 53 slechts worden gedaan indien de
vordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor
het tijdstip waarop de uitspraak van de noodregeling is gedaan
of voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de
verzekeraar verricht; en
g. vorderingen uit
overeenkomsten van levensverzekering kunnen in afwijking van
artikel 110, eerste lid, worden ingediend door overlegging van
de polis of een afschrift daarvan, zonder dat het bedrag van
de vordering behoeft te worden vermeld; voor zover de curator
de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast;
h. indien de rechtbank een
overdrachtsplan heeft goedgekeurd door het uitspreken van de
overdrachtsregeling, bedoeld in artikel 3:159u van de Wet op
het financieel toezicht, of met het uitspreken van de
noodregeling, voert de curator het overdrachtsplan uit
onderscheidenlijk zet hij de door de overdrager of
bewindvoerder aangevangen uitvoering van het overdrachtsplan
voort.
4. Het bepaalde in de eerste titel
en artikel 362 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 213g
1. De griffier stelt de
Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van de beslissing tot
faillietverklaring.
2. de Nederlandsche Bank N.V. stelt
onverwijld daarna de toezichthoudende autoriteiten van alle andere
lidstaten in kennis van het vonnis tot faillietverklaring, alsmede
van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.
Artikel 213h
1. Onverminderd artikel 14, eerste
lid, plaatst de curator een uittreksel van het vonnis tot
faillietverklaring in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen en in een of meer door de rechter-commissaris aan
te wijzen dagbladen.
2. In aanvulling op de gegevens,
bedoeld in artikel 14, vermeldt de curator dat het Nederlandse
recht, behoudens uitzonderingen, van toepassing is.
Artikel 213i
1. De curator geeft van het vonnis
tot faillietverklaring onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers
schriftelijk kennis.
2. De curator die op de voet van
artikel 109 aan alle bekende schuldeisers kennis geeft van de in
dat artikel bedoelde beschikkingen, deelt daarbij tevens mede wat
de gevolgen zijn van het indienen van een vordering na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 108, eerste lid,
onderdeel 1, en dat schuldeisers, daaronder begrepen de
schuldeisers met een voorrecht of zakelijk zekerheidsrecht, hun
vorderingen bij de curator moeten indienen, met, in het
voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of zakelijk
zekerheidsrecht aanspraak wordt gemaakt. Aan schuldeisers met een
vordering uit hoofde van verzekering vermeldt de kennisgeving
voorts welke de belangrijkste gevolgen van de faillietverklaring
voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn, en de
rechten en verplichtingen van de verzekerde en anderen in verband
met de overeenkomst van verzekering.
Artikel 213j
1. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 213i, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een vordering
uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in een officiële taal
van die lidstaat.
2. De kennisgeving, bedoeld in
artikel 213i, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat , die een andere
vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle
officiële talen van de Unie het opschrift draagt «Oproep tot
indiening van schuldvorderingen. Termijnen».
3. Elke schuldeiser met gewone
verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat kan zijn vordering en
schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in
een officiële taal van die lidstaat met een verklaring met als
opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een
vordering»,onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen
betreffende een vordering».
Artikel 213k
1. De curator stelt alle bekende
schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder
geval het verloop van de procedure.
2. de Nederlandsche Bank N.V. stelt
de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten die zulks
verzoeken in kennis van het verloop van de procedure.
Artikel 213l [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 213m
1. In geval van een
faillietverklaring op grond van deze afdeling worden de
boedelschulden, al naar gelang de aard van de betrokken
boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel,
hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel
afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in ieder geval de kosten
van inschrijving in een openbaar register in een andere lidstaat
dan Nederland.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt,
worden in geval van faillissement van een schadeverzekeraar de
volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende
volgorde:
a. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake
van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen,
ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van
schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen,
krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere
verzekeraar verschuldigd, en van uitkeringen ter zake van
pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen werknemers van
de verzekeraar of aan hun nabestaanden;
b. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioen voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
c. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie
zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de
toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd
pensioen;
d. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar
als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan
de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst verschuldigd;
e. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter
zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke
personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van
schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen,
krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere
verzekeraar verschuldigd;
f. de vorderingen uit hoofde
van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere
dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit
overeenkomsten van schadeverzekering;
g. de vorderingen tot teruggave
van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de
betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke
betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat
daarmee premies zijn betaald.
3. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt,
worden ingeval het faillissement van een levensverzekeraar de
volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende
volgorde:
a. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij
zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de
toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd
pensioen;
c. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar
gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer
krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in
verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
verschuldigd;
d. de vorderingen uit hoofde
van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn
ontstaan of nog zullen ontstaan uit overeenkomsten van
levensverzekering;
e. de vorderingen tot teruggave
van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de
betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke
betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat
daarmee premies zijn betaald.
4. Onder de vorderingen, bedoeld in
het tweede lid, onderdelen a, e en f, en derde lid, onderdeel d,
worden mede verstaan de vorderingen ter zake van uitkeringen
krachtens lopende overeenkomsten van verzekering, ontstaan op of
na de dag waarop de noodregeling is uitgesproken.
5. Vorderingen die niet worden
genoemd in het tweede en derde lid, worden eerst dan voldaan
indien de vorderingen, bedoeld in het tweede en derde lid zijn
voldaan en indien vaststaat dat in de toekomst zodanige
vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van elke
vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
6. De in het vijfde lid bedoelde
redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van
schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire
zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van
schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire
zetel in een andere lidstaat dan Nederland.
§ 3. Bepalingen van internationaal
privaatrecht
Artikel 213n
1. Een in een andere lidstaat van
herkomst dan Nederland genomen beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure met betrekking tot een verzekeraar wordt van
rechtswege erkend.
2. De beslissing heeft
rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij
rechtsgevolgen heeft in de lidstaat van herkomst.
Artikel 213o
De beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure, de liquidatieprocedure zelf en de
rechtsgevolgen van de liquidatieprocedure worden beheerst door het
recht van de lidstaat van herkomst, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 213p
1. De beslissing tot opening van
een liquidatieprocedure laat onverlet het goederenrechtelijke
recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen,
zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende
samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de
verzekeraar en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot
opening van de liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden
op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van
herkomst.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval
verstaan:
a. het recht een goed te gelde
te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de
opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder
op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een
vordering te innen, in het bijzonder op grond van een
pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot
zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van
een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed
afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te
verlangen;
d. het goederenrechtelijke
recht om van een goed de vruchten te trekken.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijk gesteld
het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging
van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid,
dat aan derden kan worden tegengeworpen.
4. Voor de toepassing van dit
artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:
a. met betrekking tot
registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat
onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt
gehouden;
b. met betrekking tot zaken,
voorzover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het
grondgebied waarvan de zaak zich bevindt;
c. met betrekking tot
schuldvorderingen, de lidstaat op het grondgebied waarvan de
derde-schuldenaar zijn statutaire zetel heeft.
Artikel 213q
1. Ingeval de verzekeraar een zaak
heeft gekocht, laat de beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure onverlet de op een eigendomsvoorbehoud
berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het
eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop
de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure
rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere
lidstaat dan de lidstaat van herkomst.
2. Ingeval de verzekeraar een zaak
heeft verkocht, is de beslissing tot opening van een
liquidatieprocedure geen grond voor ontbinding of beëindiging van
de overeenkomst tot verkoop, en belet de liquidatieprocedure de
koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien
de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van
de liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevindt op het
grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst.
3. Artikel 3:241, vierde lid, van
de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 213r
Indien degene die zowel schuldeiser
als schuldenaar is van de verzekeraar bevoegd is zijn schuld te
verrekenen met de vordering op de verzekeraar op grond van het recht
dat van toepassing is op de vordering van de verzekeraar, laat de
beslissing tot opening van de liquidatieprocedure de bedoelde
bevoegdheid onverlet.
Artikel 213s
De artikelen 213p tot en met 213r
staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot
nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van
een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van
schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 213t
In afwijking van artikel 213o worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor arbeidsovereenkomsten
en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid
uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die
overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 213u
In afwijking van artikel 213o worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor een overeenkomst die
het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende
zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het
grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 213v
In afwijking van artikel 213o worden
de gevolgen van een liquidatieprocedure voor de rechten van de
verzekeraar op een registergoed beheerst door het recht van de
lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 213w
1. In afwijking van artikel 213o
worden, onverminderd artikel 213p, de gevolgen van een
liquidatieprocedure voor de rechten en verplichtingen van
deelnemers aan een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel
1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten
van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L
141) uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van
toepassing is.
2. Het eerste lid staat er niet aan
in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid,
vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een
rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van
schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 213x
In afwijking van artikel 213o wordt
de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel
aangegaan door de verzekeraar na het tijdstip van opening van een
liquidatieprocedure, waarmee hij beschikt over een registergoed of
effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de
overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of
op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn
geplaatst in een door het recht van een lidstaat beheerst
gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de
lidstaat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het
depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak
betreft, door het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak is
gelegen.
Artikel 213ij
In afwijking van artikel 213o worden
de gevolgen van de liquidatieprocedure voor een aanhangige
rechtsvordering betreffende een goed waarover de verzekeraar het
beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door
het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 213z
Artikel 213o is niet van toepassing
op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor
het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op
de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden
tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die
rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt
beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat
van herkomst; en
b. dat recht in het gegeven geval
niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt
aangetast respectievelijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 213aa
1. Behoudens de bevoegdheid tot het
aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen
van een uitspraak in een geding of een geschil heeft de curator
uit een andere lidstaat van herkomst dan Nederland in Nederland de
bevoegdheden die hij in de lidstaat van herkomst heeft. De wijze
van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst
door het Nederlandse recht.
2. Indien op grond van het recht
van de lidstaat van herkomst personen zijn aangewezen om de
curator te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen
zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die
lidstaat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.
Artikel 213bb
1. Voor het bewijs van aanwijzing
van de curator uit een andere lidstaat dan Nederland volstaat een
voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit
of van ieder ander door de bevoegde instanties van de lidstaat van
herkomst gegeven schriftelijke verklaring.
2. De curator uit een andere
lidstaat dan Nederland toont op verlangen van een ieder tegenover
wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de
Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 213cc
Op verzoek van een curator uit een
andere lidstaat dan Nederland worden de gegevens met betrekking tot
een liquidatieprocedure, geopend in een andere lidstaat dan
Nederland, door de griffier van de rechtbank Den Haag ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 213dd
1. Indien een verzekeraar met zetel
buiten de Europese Unie een bijkantoor heeft in Nederland en een
of meer bijkantoren in andere lidstaten, trachten zowel de
rechtbank als de Nederlandsche Bank N.V. hun optreden te
coördineren met de bevoegde instanties onderscheidenlijk de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten waarin aan
de verzekeraar een vergunning is verleend.
2. In het in het eerste lid
bedoelde geval tracht de in Nederland benoemde curator zijn
optreden te coördineren met de curatoren in die andere lidstaten.
Artikel 213ee
De curator kan in de verslagen,
bedoeld in artikel 73a, geen gegevens of inlichtingen opnemen die
betrekking hebben op derden die betrokken zijn of zijn geweest bij
pogingen de verzekeraar in staat te stellen haar bedrijf voort te
zetten.
§ 4. Natura-uitvaartzekeraars
Artikel 213ff
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt verstaan onder:
a. natura-uitvaartverzekeraar: de
natura-uitvaartverzekeraar, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht.
b. natura-uitvaartverzekeraar met
zetel in een niet-aangewezen staat: de
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen
staat, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financiële
toezicht.
Artikel 213gg
Deartikelen 213b, 213d, 213e, 213f,
213i en 213k, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
natura-uitvaartverzekeraar.
Artikel 213hh
De Nederlandsche Bank N.V. zendt een
afschrift van haar verzoekschrift, bedoeld in artikel 213b, aan de
natura-uitvaartverzekeraar en geeft van de inhoud daarvan kennis
aan:
a. indien het een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland betreft, de
toezichthoudende autoriteiten van de staten die zijn aangewezen
op grond van artikel 2:50, tweede lid, van de Wet op het
financieel toezicht waar de natura-uitvaartverzekeraar een
bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit
vestigingen in op grond van dat artikel aangewezen staten;
b. indien het een
natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een andere staat
betreft, de toezichthoudende autoriteiten van andere staten die
zijn aangewezen op grond van artikel 2:50 van de Wet op het
financiële toezicht waarheen hij diensten verricht vanuit een
bijkantoor in Nederland.
Artikel 213ii
1. De griffier stelt de
Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van de beslissing tot
faillietverklaring.
2. De Nederlandsche Bank N.V. stelt
onverwijld daarna de toezichthoudende autoriteiten van de andere
staten die zijn aangewezen op grond van artikel 2:50 van de Wet op
het financiële toezicht in kennis van het vonnis tot
faillietverklaring, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in
het desbetreffende geval.
Artikel 213jj
De Nederlandsche Bank N.V. stelt de
toezichthoudende autoriteiten van de staten die zijn aangewezen op
grond van artikel 2:50 van de Wet op het financiële toezicht die
zulks verzoeken in kennis van het verloop van de procedure.
Artikel 213kk
1. In geval van faillietverklaring
op grond van deze paragraaf worden de boedelschulden, al naar
gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij over ieder
deel van de boedel omgeslagen, hetzij uitsluitend van een bepaalde
bate van de boedel afgetrokken.
2. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid en behoudens vorderingen door pand en hypotheek gedekt,
worden de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de
volgende volgorde:
a. de vorderingen van
werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van
hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen
van pensioenen, voorzover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van
werknemers, niet zijnde bestuurders van de
natura-uitvaartverzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en
gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden
met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende
termijnen van toegezegd pensioen;
c. de vorderingen van
werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande
jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is,
benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het
bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de
natura-uitvaartverzekeraar als werkgever gedaan, en de
bedragen, door de natura-uitvaartverzekeraar aan de werknemer
krachtens artikel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in
verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
verschuldigd;
d. de vorderingen en rechten
betreffende prestaties, die zijn ontstaan of nog zullen
ontstaan uit een natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit
een vestiging in Nederland.
3. Artikel 213m, vierde tot en met
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel II. Van surseance van betaling
Eerste afdeling. Van de verlening van
surseance van betaling en haar gevolgen
Artikel 214
1. De schuldenaar die voorziet, dat
hij met het betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen
voortgaan, kan surseance van betaling aanvragen.
2. Hij zal zich daartoe, onder
overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafde staat
als bedoeld in artikel 96, bij verzoekschrift, door hemzelf en
zijn advocaat ondertekend, wenden tot de rechtbank, aangewezen in
artikel 2. Het verzoekschrift bevat zodanige gegevens dat de
rechter kan beoordelen of hem rechtsmacht toekomt op grond van de
verordening, genoemd in artikel 5, derde lid.
3. Bij het verzoekschrift kan een
ontwerp van een akkoord worden gevoegd.
4. Surseance van betaling wordt
niet verleend aan een natuurlijke persoon die geen zelfstandig
beroep of bedrijf uitoefent, noch aan een bank als bedoeld in
artikel 212g, eerste lid, onderdeel a, noch aan een verzekeraar
als bedoeld in artikel 213.
Artikel 215
1. Het verzoekschrift met
bijbehorende stukken wordt ter griffie van de rechtbank
neergelegd, ter kosteloze inzage van een ieder.
2. De rechtbank zal dadelijk de
gevraagde surseance voorlopig verlenen en een of meer
bewindvoerders benoemen, ten einde met de schuldenaar het beheer
over diens zaken te voeren. Bovendien beveelt zij, dat de bekende
schuldeisers, benevens de schuldenaar, tegen een door haar op
korte termijn bepaalde dag, door de griffier bij brieven worden
opgeroepen, ten einde, alvorens beslist wordt omtrent het
definitief verlenen van de gevraagde surseance, op het
verzoekschrift te worden gehoord. Behalve de dag worden uur en
plaats der bijeenkomst daarbij vermeld, alsmede of een ontwerp van
akkoord bij het verzoekschrift is gevoegd. Artikel 6, eerste lid,
derde zin, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 216
De griffier doet van de indiening van
het verzoek, van de voorlopige verlening van surseance en het
tijdstip daarvan tot op de minuut nauwkeurig, van de naam van de
rechter-commissaris zo die is benoemd, van de namen en woonplaatsen
der benoemde bewindvoerders en van de overeenkomstig het tweede lid
van het voorgaande artikel bepaalde dag onmiddellijk aankondiging in
de Staatscourant. Indien bij het verzoekschrift een ontwerp van
akkoord is gevoegd, wordt daarvan in de aankondiging melding
gemaakt.
Artikel 217
De surseance wordt geacht te zijn
ingegaan bij de aanvang van de dag, waarop zij voorlopig is
verleend.
Artikel 218
1. Ten bepaalden dage hoort de
rechtbank in raadkamer de schuldenaar, de rechter-commissaris zo
die is benoemd, de bewindvoerders en de in persoon bij
schriftelijk gemachtigde of bij advocaat opgekomen schuldeisers.
Iedere schuldeiser is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn,
op te komen.
2. De rechtbank kan de schuldenaar
definitief surseance verlenen, tenzij zich daartegen verklaren
hetzij houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter
vergadering vertegenwoordigde, in artikel 233 bedoelde,
schuldvorderingen, hetzij meer dan één derde der houders van
zodanige vorderingen.
3. Over de toelating tot de
stemming beslist, bij verschil, de rechtbank.
4. Surseance kan nimmer definitief
worden verleend, indien er gegronde vrees bestaat, dat de
schuldenaar zal trachten de schuldeisers tijdens de surseance te
benadelen of het vooruitzicht niet bestaat, dat hij na verloop van
tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen.
5. De rechtbank, het verzoek
afwijzende, kan bij dezelfde beschikking de schuldenaar in staat
van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet
uitgesproken, dan blijft de voorlopig verleende surseance
gehandhaafd tot de beschikking der rechtbank in kracht van
gewijsde is gegaan.
6. Indien een aanvrage tot
faillietverklaring en een verzoek tot surseance gelijktijdig
aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.
7. De beschikking op het verzoek is
met redenen omkleed en wordt uitgesproken ter openbare
terechtzitting.
Artikel 219
1. Gedurende acht dagen na de dag
der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de
schuldenaar, of, ingeval de surseance verleend is, iedere
schuldeiser, die zich niet vóór het verlenen daarvan heeft
verklaard, recht van hoger beroep.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het
gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter
bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling.
3. Indien het hoger beroep door een
schuldeiser is ingesteld, geeft deze uiterlijk op de vierde dag
volgende op die, waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan de
advocaat, die het verzoek tot surseance heeft ingediend, bij
deurwaardersexploot kennis van het hoger beroep en van de tijd
voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor
oproeping van de schuldenaar.
4. De griffier van het gerechtshof
doet van het hoger beroep en van de tijd, voor de behandeling
bepaald, aankondiging in de Staatscourant. Tevens geeft hij van
het ingestelde hoger beroep aan de griffier der rechtbank kennis,
neemt van deze de in artikel 214 bedoelde stukken over en legt die
op zijn griffie voor een ieder ter kosteloze inzage.
Artikel 220
1. Bij de behandeling van het hoger
beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar
ieder schuldeiser is bevoegd in persoon, bij schriftelijk
gemachtigde of bij advocaat aan de bestrijding of verdediging van
de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.
2. De behandeling heeft plaats in
raadkamer; het arrest wordt uitgesproken ter openbare
terechtzitting.
Artikel 221
1. Van het arrest, door het
gerechtshof gewezen, kan, ingeval van afwijzing van het verzoek,
de schuldenaar, of, ingeval de surseance is verleend, iedere
schuldeiser, die zich niet vóór het verlenen daarvan heeft
verklaard, gedurende acht dagen na de dag der uitspraak, in
cassatie komen.
2. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de
Hoge Raad. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de
behandeling.
3. De griffier van de Hoge Raad
doet van het beroep in cassatie en van de tijd, voor de
behandeling bepaald, aankondiging in de Staatscourant. Tevens
geeft hij van het ingestelde beroep kennis aan de griffier van het
gerechtshof, neemt van deze de in artikel 214 bedoelde stukken
over en legt die op zijn griffie voor een ieder ter kosteloze
inzage.
4. De bepalingen van het derde lid
van artikel 219 en van het tweede lid van artikel 220 vinden
overeenkomstige toepassing.
Artikel 222
1. De beschikking, waarbij de
surseance definitief wordt toegestaan, is bij voorraad
uitvoerbaar, niettegenstaande enige daartegen gerichte
voorziening.
2. Zij wordt aangekondigd op de
wijze, in artikel 216 voorgeschreven.
Artikel 222a
1. Bij elke rechtbank wordt door de
griffier een openbaar register aangehouden, waarin hij voor iedere
surseance van betaling afzonderlijk, achtereenvolgens, met
vermelding van de dagtekening, inschrijft:
1°. een uittreksel van de
rechterlijke beslissingen, waarbij voorlopig of definitief
surseance van betaling is verleend, waarbij deze is verlengd
of waarbij de surseance van betaling is ingetrokken;
2°. de benoeming van een
rechter-commissaris;
3°. de summiere inhoud en de
homologatie van het akkoord;
4°. de ontbinding van het
akkoord.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gegeven.
3. De griffier is verplicht aan
ieder kosteloze inzage van het register en tegen betaling een
uittreksel daaruit te verstrekken.
4. De griffier geeft de in het
eerste lid onder 1° tot en met 4° genoemde gegevens door aan
Onze Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen ander orgaan ten behoeve van het in artikel
222b genoemde centrale register.
Artikel 222b
1. Door onze Minister van Justitie
of, indien ingevolge artikel 222a, vierde lid, een ander orgaan is
aangewezen, door dat orgaan, wordt een centraal register gehouden,
waarin de in artikel 222a, eerste lid, onder 1° tot en met 4°
genoemde gegevens worden ingeschreven.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gegeven.
3. Een ieder heeft kosteloos inzage
in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit
verkrijgen.
Artikel 223
1. Bij het definitief verlenen der
surseance bepaalt de rechtbank haar duur ten hoogste op anderhalf
jaar. Indien de surseance is geëindigd door het verloop van de
termijn waarvoor zij is verleend, doen de bewindvoerders daarvan
aankondiging in de Staatscourant.
2. Vóór het einde der surseance
kan door de schuldenaar eenmaal of meermalen haar verlenging voor
ten hoogste anderhalf jaar worden gevraagd. Het verzoek wordt
behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot verlening van
surseance. Zolang bij afloop der surseance op een verzoek tot
verlenging nog niet is beschikt, blijft de surseance gehandhaafd.
De door de rechtbank gewezen beschikking wordt bekendgemaakt op de
wijze als in het eerste lid is bepaald.
Artikel 223a
Bij het voorlopig verlenen der
surseance of bij een latere beschikking kan de rechtbank een harer
leden tot rechter-commissaris benoemen, teneinde de bewindvoerders
op hun verzoek van advies te dienen.
Artikel 223b
1. Op verzoek van de bewindvoerders
is de rechter-commissaris bevoegd ter opheldering van alle
omstandigheden, de surseance betreffende, getuigen te horen of een
onderzoek van deskundigen te bevelen. De getuigen worden
gedagvaard namens de rechter-commissaris. Artikel 177 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
2. Bij niet-verschijning of
weigering om de eed of getuigenis af te leggen, zijn de artikelen
171, 172, 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid, 174
en 175 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
toepasselijk.
3. De echtgenoot of gewezen
echtgenoot van de schuldenaar of degene met wie de schuldenaar een
geregistreerd partnerschap is of was aangegaan, de kinderen en
verdere afkomelingen en de ouders en grootouders van de
schuldenaar kunnen zich van het geven van getuigenis verschonen.
Artikel 224
1. Indien meer dan één
bewindvoerder is benoemd, wordt voor de geldigheid hunner
handelingen toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen
een beslissing van de rechter-commissaris zo die is benoemd of,
bij gebreke van dien, van de voorzieningenrechter der rechtbank
vereist. Het tweede lid van artikel 70 vindt overeenkomstige
toepassing.
2. De rechtbank kan te allen tijde
een bewindvoerder, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te
hebben, ontslaan en door een ander vervangen of hem één of meer
bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van hemzelf, van
de andere bewindvoerders of van één of meer schuldeisers, op
voordracht van de rechter-commissaris zo die is benoemd, dan wel
ambtshalve.
Artikel 225
1. Bij het voorlopig verlenen der
surseance kan de rechtbank zodanige bepalingen maken, als zij ter
beveiliging van de belangen der schuldeisers nodig oordeelt.
2. Zij kan dit ook gedurende de
surseance doen op voordracht van de rechter-commissaris zo die is
benoemd, op verzoek van de bewindvoerders of van één of meer
schuldeisers dan wel ambtshalve.
Artikel 226
1. Bij het voorlopig verlenen der
surseance kan de rechtbank één of meer deskundigen benoemen
teneinde binnen een door haar te bepalen termijn, die zo nodig kan
worden verlengd, een onderzoek naar de staat van de boedel in te
stellen en een beredeneerd verslag van hun bevinding uit te
brengen. Het laatste lid van artikel 225 vindt overeenkomstige
toepassing.
2. Het verslag van de deskundigen
bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van
de door de schuldenaar overgelegde staat en bescheiden, en over de
vraag of er vooruitzicht bestaat, dat de schuldenaar na verloop
van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen. Het verslag
geeft zo mogelijk de maatregelen aan, welke tot die bevrediging
kunnen leiden.
3. De deskundigen leggen hun
verslag neder ter griffie van de rechtbank, ter kosteloze inzage
van een ieder. De neerlegging geschiedt kosteloos.
4. Het laatste lid van artikel 224
vindt ten aanzien van de deskundigen overeenkomstige toepassing.
Artikel 227
1. De bewindvoerders brengen,
telkens na verloop van drie maanden, een verslag uit over de
toestand van de boedel. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in
het derde lid van artikel 226 is voorgeschreven.
2. De termijn, bedoeld in het
vorige lid, kan door de rechter-commissaris zo die is benoemd of,
bij gebreke van dien, de rechtbank worden verlengd.
Artikel 228
1. Gedurende de surseance is de
schuldenaar onbevoegd enige daad van beheer of beschikking
betreffende de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging
of bijstand van de bewindvoerders. Indien de schuldenaar in strijd
daarmede gehandeld heeft, zijn de bewindvoerders bevoegd alles te
doen, wat vereist wordt, om de boedel te dier zake schadeloos te
houden.
2. Voor verbintenissen van de
schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de
bewindvoerders na de aanvang der surseance ontstaan, is de boedel
niet aansprakelijk, dan voorzover deze tengevolge daarvan is
gebaat.
Artikel 229
1. Indien de schuldenaar in enige
gemeenschap gehuwd is of in enige gemeenschap een geregistreerd
partnerschap is aangegaan, worden onder de boedel de baten en
lasten van die gemeenschap begrepen.
2. Artikel 61 vindt overeenkomstige
toepassing.
Artikel 230
1. Gedurende de surseance kan de
schuldenaar niet tot betaling zijner in artikel 233bedoelde
schulden worden genoodzaakt en blijven alle tot verhaal van die
schulden aangevangen executies geschorst.
2. De gelegde beslagen vervallen en
de schuldenaar, die zich in gijzeling bevindt, wordt daaruit
ontslagen, zodra de uitspraak, houdende definitieve verlening der
surseance of homologatie van het akkoord, in kracht van gewijsde
is gegaan, beide tenzij de rechtbank op verzoek van de
bewindvoerders reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald.
De inschrijving van een desbetreffende, op verzoek van de
bewindvoerders af te geven verklaring van de rechter-commissaris
of, zo geen rechter-commissaris is benoemd, van de
voorzieningenrechter van de rechtbank, machtigt de bewaarder van
de openbare registers tot doorhaling.
3. Het in de voorgaande leden
bepaalde vindt geen toepassing ten aanzien van executies en
beslagen ten behoeve van vorderingen waaraan voorrang is
verbonden, voorzover het de goederen betreft, waarop de voorrang
rust.
4. Ter zake van schulden waarvoor
het eerste lid geldt, is artikel 36 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 231
1. De surseance stuit de loop niet
van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen
van nieuwe.
2. Indien niettemin de
rechtsgedingen blotelijk betreffen de vordering van betaling ener
schuld, door de schuldenaar erkend, en de aanlegger geen belang
heeft om vonnis te verkrijgen, teneinde rechten tegen derden te
doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte
te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot
na het einde der surseance.
3. De schuldenaar kan, voor zoveel
betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de
boedel behorende ten onderwerp hebben, noch eisende, noch
verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der
bewindvoerders.
Artikel 231a
Artikel 231 is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot rechtsvorderingen betreffende een goed
of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft
verloren door de opening van een in Nederland op grond van artikel
16 van de verordening, genoemd in artikel 5, derde lid, te erkennen
insolventieprocedure, indien deze geen liquidatieprocedure is in de
zin van artikel 2, onder c, van die verordening.
Artikel 232
De surseance werkt niet ten aanzien
van:
1°. vorderingen waaraan voorrang
is verbonden, behoudens voorzover zij niet verhaald kunnen
worden op de goederen waarop de voorrang rust;
2°. vorderingen wegens kosten
van levensonderhoud of van verzorging of opvoeding, verschuldigd
krachtens de wet en vastgesteld bij overeenkomst of rechterlijke
uitspraak, behoudens voorzover het gaat om vóór de aanvang der
surseance vervallen termijnen, waarvan de rechtbank het bedrag
heeft vastgesteld, waarvoor de surseance werkt;
3°. termijnen van huurkoop en
van scheepshuurkoop.
Artikel 233
De betaling van alle andere schulden,
bestaande vóór de aanvang der surseance, kan, zolang de surseance
duurt, niet anders plaats hebben dan aan alle schuldeisers
gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen.
Artikel 234
1. Hij die zowel schuldenaar als
schuldeiser van de boedel is, kan zijn schuld met zijn vordering
op de boedel verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de
aanvang van de surseance of voortvloeien uit een handeling vóór
de aanvang van de surseance met de schuldenaar verricht.
2. De vordering op de schuldenaar
wordt zo nodig berekend naar de regels in de artikelen 261 en 262
gesteld.
3. Van de zijde van de boedel kan
geen beroep worden gedaan op artikel 136 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 235
1. Niettemin is degene die een
schuld aan de boedel of een vordering op de boedel vóór de
aanvang van de surseance van een derde heeft overgenomen, niet
bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te
goeder trouw heeft gehandeld.
2. Na de aanvang van de surseance
overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.
3. De artikelen 55 en 56 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 236
1. Indien een wederkerige
overeenkomst bij de aanvang van de surseance zowel door de
schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of
slechts gedeeltelijk is nagekomen en de schuldenaar en de
bewindvoerder zich niet binnen een hun daartoe schriftelijk door
de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaren de
overeenkomst gestand te doen, verliezen zij het recht hunnerzijds
nakoming van de overeenkomst te vorderen.
2. Indien de schuldenaar en de
bewindvoerder zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid
verklaren, zijn zij verplicht desverlangd voor deze nakoming
zekerheid te stellen.
3. De vorige leden zijn niet van
toepassing op overeenkomsten waarbij de schuldenaar slechts
verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te
verrichten handelingen.
Artikel 236a
Voor vorderingen die de wederpartij
uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de aanvang
van de surseance met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze
heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van
tekortschieten in de nakoming van een vóór de aanvang van de
surseance op deze verkregen vordering, kan zij opkomen op de voet,
in artikel 233 bepaald.
Artikel 237
Indien in het geval van artikel 236
de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld,
bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalde
termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de
aanvang der surseance, wordt de overeenkomst door de voorlopige
verlening van surseance ontbonden en kan de wederpartij van de
schuldenaar zonder meer voor schadevergoeding opkomen op de voet,
inartikel 233 bepaald. Lijdt de boedel door de ontbinding schade dan
is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
Artikel 237a
1. Zodra de surseance een aanvang
heeft genomen, kan zowel de schuldenaar, die huurkoper is, als de
verkoper de huurkoop dan wel scheepshuurkoop ontbonden verklaren.
2. Deze ontbinding heeft dezelfde
gevolgen als ontbinding der overeenkomst wegens het niet nakomen
door de koper van zijn verplichtingen.
3. De verkoper kan voor het hem
verschuldigde bedrag opkomen op de voet als in artikel 233bepaald.
Artikel 237b
1. Een wederpartij is niet bevoegd
de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een
overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water,
elektriciteit of verwarming, benodigd voor de eerste
levensbehoeften of voor het voortzetten van de door de schuldenaar
gedreven onderneming, jegens de schuldenaar op te schorten wegens
het door de schuldenaar niet nakomen van een vóór de surseance
ontstane verbintenis tot betaling van een geldsom.
2. Een tekortkoming door de
schuldenaar in de nakoming van een verbintenis als in het eerste
lid bedoeld, die plaatsvond vóór de verlening van de surseance,
levert geen grond op voor ontbinding van een overeenkomst als
bedoeld in het eerste lid.
3. Een beroep door de wederpartij
op een beding dat verlening van de surseance, de aanvraag van de
surseance of het leggen van beslag grond oplevert voor ontbinding
van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat
die overeenkomst daardoor van rechtswege zal zijn ontbonden, is
slechts toegelaten met goedvinden van de schuldenaar en de
bewindvoerder.
Artikel 238
1. Zodra de surseance een aanvang
heeft genomen, kan de schuldenaar, die huurder is, met
inachtneming van het bij artikel 228 bepaalde, de huur tussentijds
doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip,
waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik
eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor
overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden,
met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk
geval voldoende zal zijn. Zijn de huurpenningen vooruit betaald,
dan kan de huur niet eerder worden opgezegd dan tegen de dag,
waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad,
eindigt.
2. Van de aanvang der surseance af
is de huurprijs boedelschuld.
3. Indien de schuldenaar pachter
is, vindt het bovenstaande overeenkomstige toepassing.
Artikel 239
1. Zodra de surseance een aanvang
heeft genomen, kan de schuldenaar, met inachtneming van het bij
artikel 228 bepaalde, aan werknemers in zijn dienst, de
arbeidsovereenkomst opzeggen, met inachtneming van de
overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter,
dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden geëindigd door
opzegging met een termijn van zes weken of, indien de termijn,
omschreven in artikel 672 lid 2 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek langer is dan zes weken, met inachtneming van die termijn.
2. Zodra de surseance een aanvang
heeft genomen, behoeft bij opzegging der arbeidsovereenkomst door
werknemers in dienst van de schuldenaar het bepaalde in artikel
672 lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet in acht te
worden genomen.
3. Van de aanvang der surseance af
zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende
premieschulden boedelschuld.
4. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.
Artikel 240
1. Voldoening nadat de surseance
voorlopig is verleend doch vóór de bekendmaking daarvan, aan de
schuldenaar gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens deze
vóórdien ontstaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover de
boedel, zolang zijn bekendheid met de voorlopige verlening van de
surseance niet bewezen wordt.
2. Voldoening, als in het vorig lid
bedoeld, nà de bekendmaking aan de schuldenaar gedaan, bevrijdt
tegenover de boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed,
bewijst, dat de voorlopige verlening van de surseance te zijner
woonplaats langs de weg der wettelijke aankondiging nog niet
bekend kon zijn, behoudens het recht van bewindvoerders om aan te
tonen, dat zij hem toch bekend was.
3. In elk geval bevrijdt voldoening
aan de schuldenaar hem, die haar deed, tegenover de boedel,
voorzover hetgeen door hem voldaan werd ten bate van de boedel is
gekomen.
Artikel 241
De surseance werkt niet ten voordele
van de borgen en andere medeschuldenaren.
Artikel 241a
1. De rechtbank kan op verzoek van
elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke beschikking
een afkoelingsperiode afkondigen, waarin elke bevoegdheid van
derden, met uitzondering van boedelschuldeisers, tot verhaal op
tot de boedel behorende goederen of tot de opeising van goederen
die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, voor een periode
van ten hoogste twee maanden, niet kan worden uitgeoefend dan met
machtiging van de rechtbank of, zo een rechter-commissaris is
benoemd, van deze. De rechtbank kan deze periode eenmaal verlengen
met een periode van ten hoogste twee maanden.
2. De rechtbank kan haar
beschikking beperken tot bepaalde derden en daaraan voorwaarden
verbinden. De rechtbank en rechter-commissaris kunnen voorwaarden
verbinden aan een door hen gegeven machtiging van een derde tot
uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.
3. Indien een derde ter zake van
zijn bevoegdheid een redelijke termijn aan de curator stelt, wordt
deze termijn geschorst tijdens de afkoelingsperiode.
4. De afkoelingsperiode kan ook op
verlangen van de schuldenaar worden afgekondigd door de rechter
die de surseance verleent. De afkoelingsperiode die wordt
afgekondigd met de verlening van de surseance wordt geacht te zijn
ingegaan bij de aanvang van de dag waarop de surseance voorlopig
is verleend.
Artikel 241b
1. Ingeval de schuldenaar
overeenkomstig artikel 239, eerste lid, van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek een pandrecht heeft gevestigd op een vordering
op naam of op het vruchtgebruik van een zodanige vordering, blijft
de pandhouder tijdens de afkoelingsperiode bevoegd de mededeling,
bedoeld in artikel 239, derde lid, van dat Boek, te doen en
betalingen in ontvangst te nemen.
2. Artikel 490b, tweede lid, van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pandhouder
het volledige bedrag bij de bewaarder stort.
Artikel 241c
1. Tijdens de afkoelingsperiode kan
de ontvanger die een beslag heeft gelegd als bedoeld in artikel
22, derde lid, Invorderingswet 1990, niet tot uitwinning overgaan,
tenzij de rechtbank of de rechter-commissaris zo die is benoemd,
anders beslist.
2. Een beslag als bedoeld in
artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de
afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem
van de schuldenaar bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan
niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als
daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander, indien
deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot
aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.
Artikel 241d
Van de goederen als bedoeld in
artikel 241a, eerste lid, zijn uitgezonderd de goederen die uit
hoofde van een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn verpand.
Artikel 241e
1. In afwijking van artikel 217
werkt het verlenen van surseance aan een schuldenaar uit hoofde
van een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel
51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet terug tot aan het
begin van de dag waarop zij voorlopig is verleend, ten aanzien van
een door de schuldenaar voor het tijdstip van het verlenen van
surseance gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst of een
overdracht, vestiging van een pandrecht of een opdracht tot
verrekening op grond daarvan.
2. De artikelen 217, 228, tweede
lid, 234, eerste lid, 235, tweede lid, van deze wet, kunnen niet
aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een
schuldenaar na het tijdstip van het verlenen van surseance
gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel
51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een overdracht of
vestiging van een pandrecht op grond van een
financiëlezekerheidsovereenkomst, alsmede elke rechtshandeling op
grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst vanwege
verbintenissen van de schuldenaar die na het tijdstip van het
verlenen van surseance zijn ontstaan, mits de betreffende
rechtshandeling plaatsvindt op de dag van het verlenen van
surseance en de wederpartij kan aantonen dat deze ten tijde van de
rechtshandeling het verlenen van surseance niet kende of behoorde
te kennen.
Artikel 242
1. Nadat de surseance is verleend,
kan zij, op voordracht van de rechter-commissaris zo die is
benoemd, op verzoek van de bewindvoerders, van één of meer der
schuldeisers of ook ambtshalve door de rechtbank worden
ingetrokken:
1°. indien de schuldenaar
zich, gedurende de loop der surseance, aan kwade trouw in het
beheer van de boedel schuldig maakt;
2°. indien hij zijn
schuldeisers tracht te benadelen;
3°. indien hij handelt in
strijd met artikel 228, eerste lid;
4°. indien hij nalaat te doen,
wat in de bepalingen, door de rechtbank bij het verlenen der
surseance of later gesteld, aan hem is opgelegd of wat naar
het oordeel der bewindvoerders door hem in het belang des
boedels moet worden gedaan;
5°. indien, hangende de
surseance, de staat des boedels zodanig blijkt te zijn, dat
handhaving der surseance niet langer wenselijk is of het
vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn
schuldeisers zal kunnen bevredigen, blijkt niet te bestaan.
2. In de gevallen, vermeld onder
1° en 5°, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te
vragen.
3. De verzoeker, de schuldenaar en
de bewindvoerders worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. De
oproeping geschiedt door de griffier tegen een door de rechtbank
te bepalen dag. De beschikking is met redenen omkleed.
4. Indien op grond van dit artikel
de surseance wordt ingetrokken, kan bij dezelfde beschikking de
faillietverklaring van de schuldenaar worden uitgesproken. Wordt
het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de surseance
gehandhaafd tot de beschikking der rechtbank in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 243
1. Gedurende acht dagen na de dag
der beschikking heeft, in geval van intrekking der surseance, de
schuldenaar, en, ingeval de intrekking der surseance geweigerd is,
hij, die het verzoek tot intrekking heeft gedaan, recht van hoger
beroep tegen de beschikking der rechtbank.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het
gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. De griffier van
het gerechtshof geeft van die indiening terstond kennis aan die
van de rechtbank.
3. De voorzitter van het
gerechtshof bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling van
het verzoekschrift. De griffier roept ten spoedigste hen, die het
verzoek tot intrekking hebben gedaan, de schuldenaar en de
bewindvoerders bij brieven tegen de bepaalde dag op.
4. De beschikking van het
gerechtshof wordt door de griffier terstond medegedeeld aan die
van de rechtbank.
Artikel 244
1. Gedurende acht dagen na de
beschikking van het gerechtshof kan de daarbij in het ongelijk
gestelde partij in cassatie komen.
2. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de
Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad geeft van die indiening
terstond kennis aan die van de rechtbank.
3. De voorzitter van de Hoge Raad
bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling van het
verzoekschrift. De griffier roept ten spoedigste de partijen bij
brieven tegen de bepaalde dag op. De beschikking van de Hoge Raad
wordt door de griffier terstond medegedeeld aan die van de
rechtbank.
Artikel 245
Zodra een beschikking, waarbij de
surseance is ingetrokken, in kracht van gewijsde is gegaan, wordt
zij aangekondigd, gelijk is voorgeschreven in artikel 216.
Artikel 246
1. Indien de rechtbank van oordeel
is, dat de behandeling van het verzoek tot intrekking van de
surseance niet zal zijn beëindigd vóór de dag, waarop de
schuldeisers krachtens artikel 215, tweede lid, worden gehoord,
gelast zij, dat de griffier de schuldeisers bij brieven zal
mededelen, dat dit verhoor op die dag niet zal worden gehouden.
2. Zo nodig bepaalt zij later de
dag waarop dit verhoor alsnog zal plaats vinden; de schuldeisers
worden door de griffier bij brieven opgeroepen.
Artikel 247
1. De schuldenaar is steeds bevoegd
aan de rechtbank de intrekking van de surseance te verzoeken, op
grond dat de toestand des boedels hem weer in staat stelt zijn
betalingen te hervatten. De bewindvoerders en, indien het een
definitief verleende surseance betreft, de schuldeisers worden
gehoord of behoorlijk opgeroepen.
2. Deze oproeping geschiedt bij
brieven door de griffier tegen een door de rechtbank te bepalen
dag.
Artikel 247a
1. Uiterlijk op de achtste dag
voorafgaande aan de dag bepaald overeenkomstig artikel 215, tweede
lid, doch in ieder geval niet later dan twee maanden na de dag
waarop de surseance voorlopig is verleend, kan de rechtbank op
verzoek van de schuldenaar, zijnde een natuurlijke persoon, de hem
voorlopig verleende surseance intrekken onder het gelijktijdig
uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
bedoeld in titel III.
2. De schuldenaar zal zich daartoe
bij een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 wenden tot de
rechtbank die de surseance voorlopig heeft verleend.
3. Alvorens te beslissen kan de
rechtbank de schuldenaar, de rechter-commissaris en de
bewindvoerder oproepen om te worden gehoord.
4. Artikel 6, tweede lid, is van
toepassing.
5. Bij toewijzing van het verzoek,
spreekt de rechtbank de definitieve toepassing van de
schuldsaneringsregeling uit.
6. Van de intrekking van de
voorlopig verleende surseance wordt door de griffier kennis
gegeven in de aankondiging die is voorgeschreven in artikel 293.
In die aankondiging wordt tevens mededeling gedaan dat het verhoor
van de schuldeisers, bepaald overeenkomstig artikel 215, tweede
lid, niet zal worden gehouden. Indien op de voet van artikel 255
of 264 reeds een tijdstip was bepaald voor de raadpleging en
stemming over een akkoord, wordt in die aankondiging mededeling
gedaan dat die raadpleging en stemming niet zullen plaatsvinden.
Artikel 247b
1. Tegen het vonnis, houdende
uitspraak tot de intrekking van de voorlopig verleende surseance
en tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, kunnen noch
door schuldeisers noch door andere belanghebbenden rechtsmiddelen
worden ingesteld.
2. Indien het verzoek tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen, heeft de
schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak het
recht van hoger beroep. Het hoger beroep wordt ingesteld bij een
verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat
van de zaak kennis moet nemen. De griffier van het gerechtshof
geeft van die indiening onverwijld kennis aan de griffier van de
rechtbank.
3. De voorzitter bepaalt terstond
dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaatshebben
binnen twintig dagen na de dag van de indiening van het
verzoekschrift. De uitspraak vindt niet later plaats dan op de
achtste dag na die van de behandeling van het verzoekschrift ter
terechtzitting. Van het arrest van het gerechtshof wordt door de
griffier onverwijld mededeling gedaan aan de griffier van de
rechtbank.
4. De schuldenaar kan van de
uitspraak van het gerechtshof gedurende acht dagen na die van de
uitspraak in cassatie komen. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de
Hoge Raad. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de
behandeling. De griffier van de Hoge Raad geeft van het beroep in
cassatie en van de uitspraak van de Hoge Raad onverwijld kennis
aan de griffier van de rechtbank.
5. Zolang niet op het
verzoekschrift bedoeld in artikel 247a, tweede lid, is beslist en,
indien de schuldsaneringsregeling niet is uitgesproken, hangende
het hoger beroep of de cassatie, kan de surseance van betaling
niet definitief worden verleend en kan geen raadpleging over een
akkoord plaatshebben.
Artikel 247c
1. Indien de surseance van betaling
wordt ingetrokken onder het gelijktijdig uitspreken van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden de volgende
regelen:
a. de bewindvoerder in de
schuldsaneringsregeling oefent de bevoegdheid uit, in artikel
228, eerste lid, tweede volzin, aan de bewindvoerder in de
surseance toegekend;
b. boedelschulden, gedurende de
toepassing van de surseance ontstaan, gelden ook in de
toepassing van de schuldsaneringsregeling als boedelschulden;
c. in de surseance ingediende
vorderingen gelden als ingediend in de
schuldsaneringsregeling.
2. Artikel 249, eerste lid, onder
1° en 4°, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 247d
In het geval van een verzoek tot
omzetting als bedoeld in artikel 37 van de verordening, genoemd in
artikel 5, derde lid, zijn, wanneer het de omzetting in een
faillissement betreft, de artikelen 242, derde lid, en 243 tot en
met 246 dan wel, wanneer het de omzetting in een toepassing van de
schuldsaneringsregeling betreft, de artikelen 247a, derde tot en met
vijfde lid, 247b, eerste lid, en 247c van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 248
1. Gedurende een surseance kan
faillietverklaring niet rauwelijks worden verzocht.
2. Indien ingevolge een der
bepalingen van deze titel een faillietverklaring uitgesproken
wordt, vindt artikel 14 overeenkomstige toepassing; wordt
ingevolge die bepalingen een faillissement vernietigd, dan vinden
de artikelen 13 en 15 overeenkomstige toepassing.
Artikel 249
1. Indien de faillietverklaring
wordt uitgesproken ingevolge een der bepalingen van deze titel of
wel binnen één maand na het einde der surseance, gelden de
volgende regelen:
1°. het tijdstip, waarop de
termijnen vermeld in de artikelen 43 en 45 van deze wet en in
de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend van de
aanvang der surseance af;
2°. de curator oefent de
bevoegdheid uit, in het eerste lid van artikel 228 aan de
bewindvoerders toegekend;
3°. handelingen, door de
schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de
bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van
de curator en boedelschulden, gedurende de surseance ontstaan,
zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden;
4°. de boedel is niet
aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar, zonder
medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders
gedurende de surseance ontstaan, dan voorzover deze ten
gevolge daarvan gebaat is.
2. Is opnieuw surseance verzocht,
binnen een maand na afloop van een vroeger verleende, dan geldt
hetgeen in het eerste lid is bepaald mede voor het tijdvak der
eerstvolgende surseance.
Artikel 249a
Indien de faillietverklaring van een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, van een financiële instelling die een
verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110
van die wet heeft, of van een persoon die een vergunning heeft
ingevolge artikel 3:4, eerste lid van die wet, wordt uitgesproken
ingevolge een bepaling van deze titel of binnen een maand na het
einde van een surseance van betaling die aan een dergelijke
onderneming is verleend, wordt de uitvoering van de vangnetregeling
die werd uitgevoerd tijdens de surseance van betaling voortgezet
tijdens het faillissement op de voet van afdeling 3.5.6 van die wet.
Artikel 250
1. Het loon van de deskundigen,
benoemd ingevolge de bepaling van artikel 226, en van de
bewindvoerders wordt bepaald door de rechtbank en bij voorrang
voldaan.
2. Dit laatste is ook van
toepassing op hun verschotten en op die, door de griffier ten
gevolge van de bepalingen van deze titel gedaan.
Artikel 250a [Vervallen per
01-01-2007]
Artikel 251
De bepalingen van internationaal
recht van de artikelen 203-205 vinden bij surseance overeenkomstige
toepassing.
Tweede afdeling. Van het akkoord
Artikel 252
De schuldenaar is bevoegd bij of na
het verzoek tot surseance aan hen, die vorderingen hebben, ten
aanzien waarvan de surseance werkt, een akkoord aan te bieden.
Artikel 253
1. Het ontwerp van akkoord wordt,
indien het niet ingevolge artikel 215 ter griffie van de rechtbank
berust, aldaar neergelegd ter kosteloze inzage van een ieder.
2. Een afschrift moet zodra
mogelijk aan de bewindvoerders en de deskundigen worden
toegezonden.
Artikel 254
Het ontwerp van akkoord vervalt,
indien, voordat het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht
van gewijsde is gegaan, een rechterlijke beslissing houdende
beëindiging der surseance in kracht van gewijsde gaat.
Artikel 255
1. Indien het ontwerp van akkoord
tegelijk met het verzoekschrift tot verlening van surseance ter
griffie is nedergelegd, kan de rechtbank, de rechter-commissaris
zo die is benoemd en bewindvoerders gehoord, gelasten, dat de in
artikel 218 bedoelde behandeling van het verzoek niet zal plaats
hebben, in welk geval zij tevens zal vaststellen:
1°. de dag, waarop uiterlijk
de schuldvorderingen, ten aanzien waarvan de surseance werkt,
bij de bewindvoerders moeten worden ingediend;
2°. dag en uur, waarop over
het aangeboden akkoord ten overstaan van de
rechter-commissaris of, bij gebreke van dien, in raadkamer zal
worden geraadpleegd en beslist.
2. Tussen de dagen, onder 1°. en
2°. vermeld, moeten ten minste veertien dagen verlopen.
3. Indien de rechtbank van deze
bevoegdheid geen gebruik maakt of het ontwerp van akkoord niet
tegelijk met het verzoekschrift tot het verlenen van surseance ter
griffie is nedergelegd, zal de rechtbank de rechter-commissaris zo
die is benoemd en, bewindvoerders gehoord, de dagen en uren, in
het eerste lid bedoeld, vaststellen zodra de beschikking, waarbij
de surseance definitief is verleend, kracht van gewijsde heeft
verkregen of, indien het ontwerp van akkoord eerst daarna ter
griffie is nedergelegd, dadelijk na die nederlegging.
Artikel 256
1. De bewindvoerders doen dadelijk
zowel van de in het vorige artikel bedoelde beschikking als van de
neerlegging ter griffie van het ontwerp van akkoord – tenzij
deze reeds ingevolge artikel 216 is bekend gemaakt –
aankondiging in de Staatscourant.
2. Zij geven tevens van een en
ander bij brieven kennis aan alle bekende schuldeisers. Daarbij
wordt op het bepaalde bij artikel 257, tweede lid, gewezen.
3. De schuldeisers kunnen
verschijnen in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij
advocaat.
4. De bewindvoerders kunnen
vorderen, dat de schuldenaar hun een door hen te bepalen bedrag
ter bestrijding van de kosten dezer aankondigingen en
kennisgevingen vooraf ter hand stelt.
Artikel 257
1. De indiening der
schuldvorderingen geschiedt bij de bewindvoerders door de
overlegging ener rekening of andere schriftelijke verklaring,
aangevende de aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de
bewijsstukken of een afschrift daarvan.
2. Vorderingen, ten aanzien waarvan
de surseance niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking.
Heeft nochtans indiening plaats gehad, dan werkt de surseance ook
ten aanzien van die vorderingen en gaat een aan de vordering
verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheek
verloren. Een en ander geldt niet voor zover de vordering vóór
de aanvang der stemming wordt teruggenomen.
3. De schuldeisers zijn bevoegd van
de bewindvoerders een ontvangbewijs te vorderen.
Artikel 258
De bewindvoerders toetsen de
ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van de
schuldenaar, treden, als zij tegen de toelating ener vordering
bezwaar hebben, met de schuldeiser in overleg, en zijn bevoegd van
deze overlegging van ontbrekende stukken alsook raadpleging van zijn
administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
Artikel 259
De bewindvoerders brengen de bij hen
ingediende vorderingen op een lijst, vermeldende de namen en
woonplaatsen der schuldeisers, het bedrag en de omschrijving der
vorderingen, alsmede of en in hoever de bewindvoerders die
vorderingen erkennen of betwisten.
Artikel 260
1. Een rentedragende vordering
wordt op de lijst gebracht met bijrekening der rente tot de
aanvang der surseance.
2. De artikelen 129, 133-135 en
136, eerste en tweede lid, vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 261
1. Een vordering onder een
opschortende voorwaarde kan op de lijst gebracht worden voor haar
waarde bij de aanvang der surseance.
2. Indien de bewindvoerders en de
schuldeisers het niet eens kunnen worden over deze waardebepaling,
wordt zodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk
toegelaten.
Artikel 262
1. Een vordering, waarvan het
tijdstip der opeisbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op
periodieke uitkeringen, wordt op de lijst gebracht voor haar
waarde bij de aanvang der surseance.
2. Alle schuldvorderingen,
vervallende binnen één jaar na de aanvang der surseance, worden
behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeisbaar waren. Alle later
dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden op de
lijst gebracht voor de waarde, die zij hebben na verloop van een
jaar na dat tijdstip.
3. Bij de berekening wordt
uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het
kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend
is, op de bedongen rentevoet.
Artikel 263
1. Van de in artikel 259 bedoelde
lijst wordt een afschrift door de bewindvoerders ter griffie van
de rechtbank neergelegd, om aldaar gedurende de zeven dagen
voorafgaande aan de vergadering, in artikel 255 bedoeld, kosteloos
ter inzage te liggen voor een ieder.
2. De neerlegging geschiedt
kosteloos.
Artikel 264
1. De rechter-commissaris zo die is
benoemd of, bij gebreke van dien, de rechtbank kan, op verzoek van
de bewindvoerders of ambtshalve, de raadpleging en stemming over
het akkoord tot een latere dag uitstellen.
2. Artikel 256 vindt alsdan
overeenkomstige toepassing.
Artikel 265
1. Ter vergadering brengen zowel de
bewindvoerders als de deskundigen, zo die er zijn, schriftelijk
verslag uit over het aangeboden akkoord. Artikel 144 vindt
overeenkomstige toepassing.
2. Vorderingen, na afloop van de in
artikel 255, 1°., genoemde termijn, doch uiterlijk twee dagen
vóór de dag, waarop de vergadering zal worden gehouden, bij de
bewindvoerders ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan
verzoek op de lijst geplaatst, indien noch de bewindvoerders, noch
een der aanwezige schuldeisers daartegen bezwaar maken.
3. Vorderingen, daarna ingediend,
worden niet op de lijst geplaatst.
4. De bepalingen van de twee
voorgaande leden zijn niet toepasselijk, indien de schuldeiser
buiten het Rijk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich
eerder aan te melden.
5. Ingeval van bezwaar, als in het
tweede lid bedoeld, of van geschil over het al of niet aanwezig
zijn der verhindering, in het vierde lid bedoeld, beslist de
rechter-commissaris zo die is benoemd of bij gebreke van dien de
rechtbank, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
Artikel 266
1. De bewindvoerders zijn bevoegd
ter vergadering op elke door hen gedane erkenning of betwisting
terug te komen.
2. Zowel de schuldenaar als ieder
verschenen schuldeiser kan een door de bewindvoerders geheel of
gedeeltelijk erkende vordering betwisten.
3. Betwistingen of erkenningen, op
de vergadering gedaan, worden op de lijst aangetekend.
Artikel 267
De rechter-commissaris zo die is
benoemd of bij gebreke van dien de rechtbank bepaalt of en tot welk
bedrag de schuldeisers, wier vorderingen betwist zijn, tot de
stemming zullen worden toegelaten.
Artikel 268
1. Tot het aannemen van het akkoord
wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter
vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers, die
tezamen ten minste de helft van het bedrag van de erkende en
toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. Geen toestemming
is vereist van een erkende of toegelaten schuldeiser, voorzover
zijn schuldvordering is gegrond op een verbeurde dwangsom.
2. Artikel 147 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 268a
In afwijking van artikel 268 kan de
rechtbank of, zo die is benoemd, de rechter-commissaris op verzoek
van de schuldenaar of de bewindvoerder bij gemotiveerde beschikking
een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien:
a. drie vierde van de ter
vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers voor
het akkoord hebben gestemd; en
b. de verwerping van het akkoord
het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers
die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het
bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel
worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering
zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben
kunnen komen.
Artikel 269
1. Het proces-verbaal van het
verhandelde vermeldt de inhoud van het akkoord, de namen der
verschenen stemgerechtigde schuldeisers, de door ieder hunner
uitgebrachte stem, de uitslag der stemming en al wat verder is
voorgevallen. De door de bewindvoerders opgemaakte lijst van
schuldeisers, zoals zij tijdens de raadpleging is aangevuld of
gewijzigd, wordt, door de rechter-commissaris zo die is benoemd en
bij gebreke van dien, door de voorzieningenrechter en de griffier
gewaarmerkt, aan het proces-verbaal gehecht.
2. Gedurende acht dagen kan een
ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal
verkrijgen.
Artikel 269a
Indien ten overstaan van een
rechter-commissaris is geraadpleegd en beslist en het akkoord
verworpen is verklaard, stelt de rechter-commissaris de rechtbank
onverwijld in kennis van deze verwerping door toezending van het
ontwerp van akkoord en het in artikel 269 bedoelde proces-verbaal.
Zowel de schuldeisers, die vóór gestemd hebben, als de schuldenaar
kunnen gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de
rechtbank verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit
de stukken zelve blijkt dat het akkoord door de rechter-commissaris
ten onrechte als verworpen is beschouwd.
Artikel 269b
1. Indien het akkoord is aangenomen
of vastgesteld, bepaalt de rechter-commissaris vóór het sluiten
der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de
homologatie zal behandelen.
2. Bij toepassing vanartikel 269a
geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in haar
beschikking. Van deze beschikking geven de bewindvoerders
schriftelijk kennis aan de schuldeisers.
3. De terechtzitting zal gehouden
worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de
stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 269a, na
de beschikking der rechtbank.
4. Gedurende die tijd kunnen de
schuldeisers aan de rechter-commissaris schriftelijk de redenen
opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenselijk achten.
Artikel 270
1. Indien de raadpleging en
beslissing over het akkoord in raadkamer der rechtbank heeft
plaats gehad, kunnen zowel de schuldeisers, die vóór gestemd
hebben, als de schuldenaar gedurende acht dagen na afloop der
stemming aan het gerechtshof verbetering van het proces-verbaal
verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt, dat het akkoord
door de rechtbank ten onrechte als verworpen is beschouwd.
2. Indien het gerechtshof het
proces-verbaal verbetert, bepaalt het bij zijn beschikking de dag,
waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen, welke dag
gesteld wordt op niet vroeger dan acht en niet later dan veertien
dagen na de beschikking. Van deze beschikking geven de
bewindvoerders schriftelijk kennis aan de schuldeisers. Deze
beschikking brengt van rechtswege vernietiging mede van een
ingevolge artikel 277 uitgesproken faillissement.
Artikel 271
1. Indien het akkoord is
aangenomen, wordt op de bepaalde dag ter openbare terechtzitting
door de rechter-commissaris zo die is benoemd een schriftelijk
rapport uitgebracht en kunnen zowel de bewindvoerders als elke
schuldeiser de gronden uiteenzetten, waarop zij de homologatie
wensen of haar bestrijden. Artikel 152, tweede lid, vindt
overeenkomstige toepassing.
2. De rechtbank kan bepalen, dat de
behandeling der homologatie op een latere, terstond door haar vast
te stellen, dag zal plaats vinden.
Artikel 272
1. De rechtbank geeft zo spoedig
mogelijk haar met redenen omklede beschikking.
2. Zij zal de homologatie weigeren:
1°. indien de baten van de
boedel de bij het akkoord bedongen som te boven gaan;
2°. indien de nakoming van het
akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door
bedrog, door begunstiging van één of meer schuldeisers of
met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand
gekomen, onverschillig of de schuldenaar dan wel een ander
daartoe heeft medegewerkt;
4°. indien het loon en de
verschotten van de deskundigen en de bewindvoerders niet in
handen van de bewindvoerders zijn gestort of daarvoor
zekerheid is gesteld;
5°. indien de curator in een
hoofdprocedure als bedoeld in artikel 6, eerste lid, derde
zin, zijn instemming aan het akkoord heeft onthouden, tenzij
de rechtbank van oordeel is dat het akkoord de financiële
belangen van de schuldeisers van de hoofdprocedure niet
aantast.
3. Zij kan ook op andere gronden en
ook ambtshalve de homologatie weigeren.
4. De rechtbank, de homologatie
weigerende, kan bij dezelfde beschikking de schuldenaar in staat
van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet
uitgesproken, dan eindigt de surseance zodra de beschikking,
waarbij de homologatie geweigerd is, in kracht van gewijsde is
gegaan. Van deze beëindiging doen de bewindvoerders aankondiging
op de in artikel 216 voorgeschreven wijze.
5. De artikelen 154-156 en 160
vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 273
Het gehomologeerde akkoord is
verbindend voor alle schuldeisers te wier aanzien de surseance
werkt.
Artikel 274
Het in kracht van gewijsde gegane
vonnis van homologatie levert, in verband met het in artikel 269
bedoelde proces-verbaal, ten behoeve der door de schuldenaar niet
betwiste vorderingen een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op
tegen de schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden
personen.
Artikel 275
Zolang niet over het aangeboden
akkoord uiteindelijk is beslist, eindigt de surseance niet door
verloop van de termijn, waarvoor zij is verleend.
Artikel 276
De surseance neemt een einde zodra de
homologatie in kracht van gewijsde is gegaan. Van deze beëindiging
doen de bewindvoerders aankondiging op de in artikel 216
voorgeschreven wijze.
Artikel 277
De rechtbank kan, wanneer het akkoord
niet wordt aangenomen, de schuldenaar bij vonnis in staat van
faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken,
dan eindigt de surseance zodra de termijn, in artikel 269a dan wel
in artikel 270 bedoeld, ongebruikt verstreken is of verbetering van
het proces-verbaal geweigerd is. Van deze beëindiging doen de
bewindvoerders aankondiging op de in artikel 216 voorgeschreven
wijze.
Artikel 278
1. Indien de rechtbank de
schuldenaar in staat van faillissement heeft verklaard, heeft deze
recht van hoger beroep tegen de faillietverklaring gedurende acht
dagen na de dag waarop de termijn van artikel 269a dan wel van
artikel 270 ongebruikt verstreken is of verbetering van het
proces-verbaal geweigerd is.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het
gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter
bepaalt terstond dag en uur van de behandeling.
3. De griffier doet van het hoger
beroep en van dag en uur, voor de behandeling bepaald,
aankondiging in de Staatscourant. Elke schuldeiser is bevoegd bij
de behandeling op te komen.
Artikel 279
1. Tot het instellen van het beroep
in cassatie is, indien het gerechtshof de faillietverklaring
handhaaft, de schuldenaar en, indien het gerechtshof de
faillietverklaring vernietigt, elke in hoger beroep opgekomen
schuldeiser bevoegd.
2. Het beroep in cassatie wordt
binnen dezelfde termijn en op dezelfde wijze als het hoger beroep
ingesteld en behandeld, met dien verstande, dat de aankondiging in
de Staatscourant wordt vervangen door een exploot, binnen vier
dagen na de aantekening van het beroep uit te brengen aan de
wederpartij.
Artikel 280
1. Ten aanzien van de ontbinding
van het akkoord vinden de artikelen 165 en 166 overeenkomstige
toepassing.
2. Bij het vonnis, waarbij de
ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt de
schuldenaar tevens in staat van faillissement verklaard.
Artikel 281
1. In een faillissement,
uitgesproken krachtens de artikelen 272, 277 of 280 kan een
akkoord niet worden aangeboden.
2. De bepalingen van deze afdeling
zijn van overeenkomstige toepassing in het geval dat een akkoord
wordt aangeboden op de voet van artikel 34, eerste lid, van de
verordening, genoemd in artikel 5, derde lid.
Tweede afdeling A. Bijzondere
bepalingen
Artikel 281a
1. Indien er meer dan 10 000
schuldeisers zijn, behoeven op de staat, welke de schuldenaar
krachtens artikel 214 bij zijn verzoek moet overleggen, de namen
en woonplaatsen der schuldeisers, alsmede het bedrag der
vorderingen van ieder hunner, niet te worden vermeld, doch kan
worden volstaan met vermelding van de verschillende groepen van
crediteuren, al naar gelang van de aard hunner vorderingen, en van
het globale aantal en het globale bedrag van de gezamenlijke
vorderingen van iedere groep.
2. Indien het aantal schuldeisers
niet meer dan 10 000, doch wel meer dan 5000 bedraagt, kan de
rechtbank toestaan dat de schuldenaar een staat overeenkomstig het
vorige lid overlegt.
Artikel 281b
1. Indien blijkt dat het aantal
schuldeisers meer dan 5000 bedraagt, kan de rechtbank op verzoek
van de bewindvoerders de voorzieningen treffen, omschreven in de
artikelen 281c-281f.
2. De voorzieningen krachtens de
artikelen 281d en e kunnen slechts gezamenlijk worden getroffen.
Artikel 281c
De rechtbank kan bepalen dat de
oproepingen van de schuldeisers, bedoeld in de artikelen 215, vierde
lid, 216a, tweede lid, tweede zin, 256, tweede lid, en 264, tweede
lid, niet bij brieven, doch door aankondigingen in de Staatscourant
dan wel in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen
zullen plaatsvinden. In dat geval bepaalt de rechtbank tevens op
welke datum uiterlijk deze aankondigingen moeten geschieden en welke
punten in de aankondigingen moeten worden opgenomen.
Artikel 281d
De rechtbank kan bepalen, dat
bepaalde soorten van vorderingen of vorderingen beneden een bepaald
bedrag - dat echter niet hoger zal mogen zijn dan € 450 - niet op
de lijst bedoeld in artikel 259, zullen behoeven te worden
geplaatst.
Artikel 281e
1. De rechtbank kan een commissie
van vertegenwoordiging benoemen, bestaande uit ten minste 9 leden.
Bij de samenstelling van de commissie wordt er op gelet, dat
daarin personen zitting hebben die geacht kunnen worden de
belangrijkste groepen van de schuldeisers te vertegenwoordigen.
2. Bij de stemmingen, bedoeld in de
artikelen 218 en 268, hebben alleen de leden van de commissie
stemrecht.
3. Surseance kan niet definitief
worden verleend, indien zich daartegen verklaren meer dan een
vierde van de ter vergadering, waarin daarover moet worden
beslist, verschenen leden der commissie.
4. Tot het aannemen van een akkoord
wordt vereist de toestemming van drie vierde van de ter
vergadering, waarin daarover moet worden beslist, verschenen leden
der commissie. Indien ter vergadering niet ten minste twee derde
van de leden verschenen is, wordt de stemming over het akkoord tot
een latere dag uitgesteld. Een nadere oproeping van de
schuldeisers is niet vereist, doch de leden der commissie zullen
door de bewindvoerders bij brieven tot de volgende vergadering
worden opgeroepen. In deze vergadering wordt de stemming gehouden
onafhankelijk van het aantal verschenen leden der commissie.
5. Voor de toepassing van de
artikelen 269, eerste lid, eerste zin, 270 en 272, en voor de
overeenkomstige toepassing van artikel 154 wordt telkens in plaats
van "schuldeisers" gelezen "leden der
commissie" en voor de toepassing van artikel 271 in plaats
van "elke schuldeiser": elke schuldeiser en elk lid der
commissie.
Artikel 281f
Indien te voorzien is dat er meer dan
één uitkering aan de schuldeisers zal moeten geschieden, kan de
rechtbank bij de homologatie van het akkoord bepalen, dat bij de
eerste uitkering aan de schuldeisers een of meer papieren aan
toonder zullen worden ter hand gesteld en dat betaling van de
volgende uitkeringen uitsluitend door middel van aanbieding van
zodanig papier zal kunnen worden gevorderd.
Tweede afdeling B. Van de verlening
van surseance van betaling aan een beleggingsonderneming en een
financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling
heeft of een andere instelling
Artikel 281g
De artikelen 212a, onderdelen b tot
en met f, en 212b tot en met 212f zijn van overeenkomstige
toepassing op de verlening van surseance van betaling aan:
a. een beleggingsonderneming als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
b. een financiële instelling als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht die
een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel
3:110 heeft;
c. een centrale tegenpartij,
indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond
van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;
d. een overheidsinstantie of
onderneming met overheidsgarantie;
e. een beleggingsonderneming met
zetel in een staat die niet een lidstaat is die haar bedrijf
uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, met dien
verstande dat:
– voor «artikel 23» wordt
gelezen: artikel 217;
– voor«artikel 24» wordt
gelezen: artikel 228, tweede lid;
– voor «artikel 53, eerste
lid,» wordt gelezen: artikel 234, eerste lid; en
– voor «artikel 54, tweede
lid,» wordt gelezen: artikel 235, tweede lid.
Artikel 281h
Afdeling 3.5.6 van de Wet op het
financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op een
surseance van betaling die wordt verleend aan een
beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van die wet of een
financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling
als bedoeld in artikel 3:110 van die wet heeft.
Derde afdeling. Slotbepalingen
Artikel 282
Tegen de beslissingen van de rechter,
ingevolge de bepalingen van deze titel gegeven, staat geen hogere
voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is
bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der
wet.
Artikel 283
1. De verzoeken, te doen ingevolge
de artikelen 219, 223, 225, 242, 243, 247, 247b, tweede lid, 270,
272, laatste lid, 278 en 280, eerste lid, moeten door een advocaat
zijn ondertekend, behalve wanneer een verzoek wordt gedaan door de
bewindvoerders.
2. Een verzoekschrift op de voet
van artikel 37 van de in artikel 5, derde lid, genoemde
verordening wordt ingediend door een advocaat.
3. Voor het instellen van beroep in
cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de
Hoge Raad.
Titel III. Schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen
Eerste afdeling. Het uitspreken van
de toepassing van de schuldsaneringsregeling
Artikel 284
1. Een natuurlijke persoon kan,
indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen
voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de
toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken
de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
2. Hij zal zich daartoe bij een
door hem of een gevolmachtigde ondertekend verzoekschrift wenden
tot de rechtbank, aangewezen in artikel 2. Indien de
gevolmachtigde niet als advocaat is ingeschreven, moet een
geschrift waaruit de volmacht blijkt, bij het verzoekschrift
worden overgelegd. Artikel 4, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Een gehuwde schuldenaar of een
schuldenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan kan
het verzoek slechts doen met medewerking van zijn echtgenoot
onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner, tenzij iedere
gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten onderscheidenlijk
de geregistreerde partners is uitgesloten.
4. Een verzoek als bedoeld in het
eerste lid kan ten behoeve van een natuurlijke persoon ook worden
gedaan door burgemeester en wethouders van de gemeente waar die
persoon woon- of verblijfplaats heeft.
5. De schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen kan niet van toepassing worden verklaard op
een verzekeraar als bedoeld in artikel 213, noch op een bank als
bedoeld in artikel 212g, onderdeel a.
Artikel 285
1. In het verzoekschrift of in een
daarbij te voegen bijlage worden opgenomen:
a. een staat als bedoeld in
artikel 96;
b. een opgave van de goederen
van de schuldenaar, met vermelding van eventueel daarop
rustende rechten van pand en hypotheek en retentierechten die
daarop uitgeoefend kunnen worden;
c. een gespecificeerde opgave
van de inkomsten van de schuldenaar, hoe ook genaamd en
ongeacht de titel van verkrijging, die de schuldenaar pleegt
te verwerven of kan verwerven, onder vermelding van de
wijzigingen die daarin over de eerstvolgende drie jaar
redelijkerwijs voorzienbaar zijn;
d. een gespecificeerde opgave
van de vaste lasten van de schuldenaar;
e. indien de schuldenaar is
gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, een
opgave van de gegevens, bedoeld onder c en d betreffende de
echtgenoot onderscheidenlijk de geregistreerde partner;
f. een met redenen omklede
verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een
buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over
welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven
door het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar.
Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een
gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële
dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen
natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën
daarvan;
g. een opgave van de aard en
het bedrag van de vorderingen ter zake waarvan de schuldenaar
zich als borg of anderszins als medeschuldenaar heeft
verbonden;
h. indien de schuldenaar aan
zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling heeft
aangeboden die niet is aanvaard, de inhoud van het ontwerp van
de schuldregeling, de reden waarom de schuldregeling niet is
aanvaard alsmede met welke middelen, bij aanvaarding van de
schuldregeling, bevrediging van schuldeisers zou kunnen
plaatsvinden;
i. een opgave van andere
gegevens van belang om een zo getrouw mogelijk beeld te bieden
van de vermogens- en inkomenspositie van de schuldenaar en van
de mogelijkheden voor schuldsanering.
2. De colleges van burgemeester en
wethouders, een daartoe gemandateerde kredietbank of een daartoe
aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn verplicht hun
medewerking te verlenen aan de afgifte van verklaringen als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.
Artikel 286
Het verzoekschrift met bijbehorende
stukken, bedoeld inartikel 285, eerste lid, worden ter griffie van
de rechtbank neergelegd en zijn vanaf de uitspraak tot de toepassing
van de schuldsaneringsregeling ter kosteloze inzage van een ieder.
De neerlegging geschiedt kosteloos.
Artikel 287
1. De rechtbank zal met de meeste
spoed op het verzoekschrift uitspraak doen. De uitspraak geschiedt
bij vonnis.Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing. De toepassing van de schuldsaneringsregeling gaat in
bij de aanvang van de dag waarop de rechter die toepassing heeft
uitgesproken.
2. Indien in of bij het
verzoekschrift gegevens als bedoeld in artikel 285, eerste lid,
ontbreken, kan de rechtbank de schuldenaar een termijn van ten
hoogste een maand gunnen om de ontbrekende gegevens te
verstrekken. De griffier brengt het orgaan of de persoon, bedoeld
in artikel 285, tweede lid, hiervan onverwijld op de hoogte.
Indien na deze termijn nog steeds gegevens ontbreken, wordt de
schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard.
3. Het vonnis, bedoeld in het
eerste lid houdt in de benoeming van een rechter-commissaris en
een bewindvoerder.
4. De rechtbank is in spoedeisende
zaken bevoegd, gelet op de belangen van partijen, een voorlopige
voorziening bij voorraad te geven. De voorlopige voorziening wordt
gevraagd in het verzoekschrift of, indien dit al is ingediend, bij
afzonderlijk verzoekschrift. De artikelen 256, 257 en 258 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing. Op hoger beroep zijn de artikelen 358 tot en met 362
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
5. De rechtbank geeft in het
vonnis, bedoeld in het eerste lid, last aan de bewindvoerder tot
het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen
gedurende een termijn van dertien maanden. De bewindvoerder kan
gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling de
rechter-commissaris verzoeken om wijziging van de termijn of om
een nieuwe last gedurende een bepaalde termijn.
6. Indien het verzoekschrift op de
voet van artikel 284, vierde lid, door burgemeester en wethouders
is ingediend, wordt het verzoek niet toegewezen dan nadat de
schuldenaar is opgeroepen om te worden gehoord. Dit geldt niet
voor zover het verzoek strekt tot het geven van een voorlopige
voorziening bij voorraad.
7. Indien het verzoekschrift op de
voet van artikel 284, vierde lid, door burgemeester en wethouders
is ingediend en in het verzoekschrift of in een daarbij gevoegde
bijlage gegevens als bedoeld in artikel 285, eerste lid,
ontbreken, stelt de rechtbank burgemeester en wethouders in de
gelegenheid om binnen een termijn van een maand de ontbrekende
gegevens te verstrekken.
Artikel 287a
1. De schuldenaar kan in het
verzoekschrift, bedoeld in artikel 284, eerste lid, de rechtbank
verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee
te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift
aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze
schuldregeling.
2. De rechtbank stelt terstond dag,
uur en plaats vast waarop zij de schuldenaar en schuldeiser of
schuldeisers op wie het verzoek betrekking heeft, zal horen,
onverminderd artikel 287, tweede lid.
3. De griffier roept de schuldenaar
op bij brief en roept de schuldeiser of schuldeisers op bij
aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
4. De rechtbank doet op de dag van
de zitting of anders uiterlijk op de achtste dag daarna uitspraak
op het verzoekschrift. De uitspraak geschiedt bij vonnis.
5. De rechtbank wijst het verzoek
toe indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van
instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking
genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij
uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de
schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering
worden geschaad. Artikel 300, lid 1, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek is van toepassing.
6. Indien de rechtbank het verzoek
toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming
met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.
7. Indien de rechtbank het verzoek
afwijst, beslist zij op het verzoek tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling, indien de schuldenaar het verzoek daartoe
handhaaft.
Artikel 287b
1. Voorafgaand aan de behandeling
van het verzoek, bedoeld in artikel 287a, eerste lid, kan de
schuldenaar onderscheidenlijk kunnen burgemeester en wethouders
indien een verzoek op de voet van artikel 284, vierde lid, is
ingediend, middels het verzoekschrift, bedoeld in artikel 284,
eerste lid, de rechtbank verzoeken een voorlopige voorziening te
geven indien er sprake is van een bedreigende situatie.
2. Onder een bedreigende situatie,
als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan gedwongen
woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektra of
water of opzegging dan wel ontbinding van de zorgverzekering.
3. Artikel 287a, tweede, derde en
vierde lid, is van toepassing.
4. De voorlopige voorziening strekt
tot het van toepassing verklaren van de artikelen 304 of 305
alsmede tot een verbod tot het opzeggen of ontbinden van de
zorgverzekering.
5. De voorlopige voorziening wordt
uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden.
6. Een gemeentelijke kredietbank
als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of een krachtens
artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet
aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel categorie
daarvan, die namens de schuldenaar de buitengerechtelijke
schuldregeling uitvoert, brengt na afloop van de voorziening,
bedoeld in het eerste lid, verslag uit aan de rechtbank.
Artikel 288
1. Het verzoek, bedoeld in artikel
284, eerste lid, wordt slechts toegewezen indien voldoende
aannemelijk is:
a. dat de schuldenaar niet zal
kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. dat de schuldenaar ten
aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden
in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het
verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest; en
c. dat de schuldenaar de uit de
schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar
behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk
baten voor de boedel te verwerven.
2. Het verzoek wordt evenwel
afgewezen:
a. indien de
schuldsaneringsregeling reeds op de schuldenaar van toepassing
is;
b. indien de poging tot een
buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een
persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid,
van de Wet op het consumentenkrediet;
c. indien de schuldenaar
schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke
veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake
van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk
is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het
verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere
termijn in acht te nemen; of
d. indien minder dan tien jaar
voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is
ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de
schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze
toepassing is beëindigd op grond vanartikel 350, derde lid,
onder a of b of op grond van artikel 350, derde lid, onder d,
om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.
3. Het verzoek kan in afwijking van
het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden
toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de
omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of
onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.
4. Het van toepassing verklaren van
de schuldsaneringsregeling kan niet worden geweigerd uitsluitend
op grond dat er geen of onvoldoende vooruitzicht bestaat dat
schuldeisers algehele of gedeeltelijke betaling op hun vorderingen
zullen ontvangen.
5. Indien het verzoek wordt
afgewezen, kan de schuldenaar niet ambtshalve in staat van
faillissement worden verklaard.
Artikel 289
1. Het vonnis waarbij de toepassing
van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken, kan tevens de
vaststelling inhouden van de dag, uur en plaats waarop de
verificatievergadering zal worden gehouden.
2. Indien de dag, uur en plaats
waarop de verificatievergadering zal worden gehouden niet in het
vonnis, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld, kunnen deze
op een later tijdstip door de rechter-commissaris worden
vastgesteld, ambtshalve, of op verzoek van de schuldenaar of van
de bewindvoerder.
3. Indien de rechtbank of de
rechter-commissaris de verificatievergadering bepaalt, wordt
daarbij tevens de dag vastgesteld waarop uiterlijk de
schuldvorderingen bij de bewindvoerder moeten worden ingediend.
4. Tussen de in het derde lid
bedoelde dag en de dag van de verificatievergadering moeten ten
minste veertien dagen verlopen.
5. De verificatievergadering zal
niet eerder worden gehouden dan twee maanden na de dag van de
uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 290
1. De rechter die de toepassing van
de schuldsaneringsregeling uitspreekt, kan in deze uitspraak
tevens voorzieningen treffen die hij ter beveiliging van de
belangen van de schuldeisers nodig oordeelt.
2. De rechter-commissaris kan dit
ook terwijl de schuldsaneringsregeling van toepassing is op
verzoek van de bewindvoerder of van één of meer schuldeisers dan
wel ambtshalve.
Artikel 291
1. De rechter kan in de uitspraak
tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling één of meer
deskundigen benoemen ten einde binnen een door hem te bepalen
termijn, die zo nodig kan worden verlengd, een onderzoek naar de
staat van de boedel in te stellen en een beredeneerd verslag van
hun bevindingen uit te brengen. Het tweede lid van artikel 290
vindt overeenkomstige toepassing.
2. Het verslag bevat een met
redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door de
schuldenaar overgelegde staat en bescheiden.
Artikel 292
1. Tegen de uitspraak tot
toewijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een
schuldregeling, bedoeld inartikel 287a, eerste lid, kunnen de
schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag
van de uitspraak in hoger beroep komen.
2. Tegen de uitspraak tot
toepassing van de schuldsaneringsregeling kan noch door
schuldeisers noch door andere belanghebbenden verzet, hoger beroep
of cassatie worden ingesteld.
3. Tegen de uitspraak tot afwijzing
van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan
de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in
hoger beroep komen. Wanneer het verzoekschrift tevens een verzoek
inhield als bedoeld in het eerste lid, wordt dit verzoek eveneens
aan het gerechtshof voorgelegd.
4. Het hoger beroep wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het
gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter
bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten
plaatshebben binnen twintig dagen na de dag van de indiening van
het verzoekschrift. De uitspraak vindt niet later plaats dan op de
achtste dag na die van de behandeling van het verzoekschrift ter
terechtzitting.
5. Van het arrest, waarbij het
verzoek van de schuldenaar bedoeld in de eerste zin van het derde
lid, en indien van toepassing tevens het verzoek bedoeld in de
tweede zin van het derde lid, door het gerechtshof is afgewezen,
kan de schuldenaar gedurende acht dagen na die van de uitspraak in
cassatie komen.
6. Van het arrest, waarbij het
verzoek van de schuldeisers bedoeld in het eerste lid, door het
gerechtshof is afgewezen, kunnen deze schuldeisers gedurende acht
dagen na die van de uitspraak in cassatie komen.
7. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de
Hoge Raad.
8. Indien het verzoek van de
schuldenaar in hoger beroep of cassatie wordt verworpen, kan de
schuldenaar niet ambtshalve in staat van faillissement worden
verklaard.
9. Wordt de toepassing van de
schuldsaneringsregeling pas in hoger beroep of cassatie
uitgesproken, dan geeft de griffier van het rechtscollege daarvan
onverwijld kennis aan de griffier van de rechtbank, waarbij de
schuldenaar zijn verzoek heeft ingediend. De rechtbank gaat
terstond na die kennisgeving over tot benoeming van een
rechter-commissaris en een bewindvoerder.
Artikel 293
1. De griffier van de rechtbank
doet van de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling, van de naam, de woonplaats en het beroep
van de schuldenaar, van de naam van de rechter-commissaris, van de
naam en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerder alsmede
van de dagen, uur en plaats bedoeld in artikel 289, onverwijld
aankondiging in de Staatscourant.
2. De griffier van de rechtbank
geeft van de toepassing van de schuldsaneringsregeling onverwijld
kennis aan het postvervoerbedrijf of de postvervoerbedrijven die
zijn aangewezen als verlener van de universele postdienst, alsmede
de andere geregistreerde postvervoerbedrijven, bedoeld in de
Postwet 2009. In de kennisgeving wordt melding gemaakt van de in
artikel 287, vijfde lid, bedoelde last.
Artikel 294
1. Bij elke rechtbank wordt door de
griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor iedere
van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling afzonderlijk,
achtereenvolgens, met vermelding van de dagtekening, inschrijft:
a. een uittreksel van de
rechterlijke uitspraken tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling en tot beëindiging daarvan;
b. de beëindiging en de
herleving van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
bedoeld in artikel 312;
c. de summiere inhoud en de
homologatie van het akkoord;
d. de ontbinding van het
akkoord;
e. het bedrag van de
uitdelingen;
f. de summiere inhoud van de
uitspraak bedoeld in artikel 354 en354a;
g. de datum waarop de
schuldsaneringsregeling ingevolge het bepaalde in artikel 356,
tweede lid, is geëindigd.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gegeven.
3. De griffier is verplicht aan een
ieder kosteloze inzage van het register en tegen betaling een
uittreksel daaruit te verstrekken.
4. De griffier geeft de in het
eerste lid, onder a tot en met g, genoemde gegevens door aan Onze
Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen ander orgaan ten behoeve van het in artikel 294a
genoemde centrale register.
Artikel 294a
1. Door onze Minister van Justitie
of, indien ingevolge artikel 294, vierde lid, een ander orgaan is
aangewezen, door dat orgaan wordt een centraal register gehouden,
waarin de in artikel 294, eerste lid, onder a tot en met g,
genoemde gegevens worden ingeschreven.
2. Omtrent vorm en inhoud van het
register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gegeven.
3. Een ieder heeft kosteloos inzage
in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit
verkrijgen.
Artikel 294b
De griffier geeft voor iedere van
toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling een uittreksel van het
verzoekschrift met bijlagen op grond van artikel 285 door aan Onze
Minister van Justitie of, indien ingevolge artikel 294, vierde lid,
een ander orgaan is aangewezen, dat orgaan ter inschrijving in het
in artikel 294a bedoelde register. Onze Minister van Justitie
onderscheidenlijk het orgaan, bedoeld in de eerste zin, stelt vast
welke gegevens in het uittreksel worden opgenomen.Artikel 294a,
derde lid, is op het uittreksel niet van toepassing.
Tweede afdeling. De gevolgen van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling
Artikel 295
1. De boedel omvat de goederen van
de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de
toepassing van die regeling verkrijgt.
2. Van het inkomen en van
periodieke uitkeringen onder welke benaming ook die de schuldenaar
verkrijgt, wordt, onverminderd het derde lid, slechts buiten de
boedel gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld
in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3. De rechter-commissaris kan op
verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder dan wel ambtshalve
bij schriftelijke beschikking het bedrag, bedoeld in het tweede
lid, verhogen met een in die beschikking vast te stellen nominaal
bedrag. De rechter-commissaris kan aan zijn beschikking
voorwaarden verbinden en terugwerkende kracht verlenen.
4. Buiten de boedel vallen voorts:
a. de goederen die de
schuldenaar, anders dan om niet, verkrijgt krachtens een
tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling tot stand
gekomen overeenkomst indien de met die verkrijging
samenhangende prestatie van de schuldenaar niet ten laste van
de boedel komt;
b. de inboedel, voorzover niet
bovenmatig, bedoeld in artikel 5 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek;
c. hetgeen is vermeld in
artikel 21, onder 1°, 3°, 5°, 6° en 7°;
d. het door de rechter of door
de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 21, onder 4°,
vastgestelde bedrag.
5. Niettemin valt een goed als
bedoeld in het vierde lid, onder a, in de boedel indien de waarde
van dat goed de waarde van de met de verkrijging samenhangende
prestatie aanmerkelijk overtreft. Artikel 22a is van
overeenkomstige toepassing.
6. Ten aanzien van het tweede en
vierde lid, onder c en d, is artikel 22 van overeenkomstige
toepassing. Artikel 22a is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 295a [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 296
1. Door de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling verliest de schuldenaar
van rechtswege:
a. de bevoegdheid om over de
tot de boedel behorende goederen te beschikken;
b. de bevoegdheid om ten
aanzien van die goederen feitelijke handelingen te verrichten
en toe te laten.
2. De schuldenaar is verplicht alle
goederen die tot de boedel behoren op verzoek van de bewindvoerder
aan hem af te leveren.
3. De rechter-commissaris kan op
verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder dan wel ambtshalve
bij schriftelijke beschikking ten aanzien van bepaaldelijk daartoe
aan te wijzen goederen bepalen dat de schuldenaar daarover het
beheer heeft.
Artikel 297
1. Onverminderd het bepaalde in
artikel 296 is de schuldenaar zelfstandig bevoegd tot het
verrichten van rechtshandelingen.
2. De schuldenaar behoeft niettemin
de toestemming van de bewindvoerder voor de volgende
rechtshandelingen:
a. het aangaan van een
overeenkomst inzake krediet in de zin van de Wet op het
financieel toezicht;
b. overeenkomsten waarbij hij
zich als borg of anderszins als medeschuldenaar verbindt, zich
voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor
de schuld van een derde verbindt;
c. giften, met uitzondering van
de gebruikelijke, voorzover niet bovenmatig.
3. Een rechtshandeling in strijd
met het tweede lid verricht, is vernietigbaar. Slechts de
bewindvoerder kan deze vernietigingsgrond inroepen.
Artikel 298 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 299
1. De schuldsaneringsregeling werkt
ten aanzien van:
a. vorderingen op de
schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing
van de schuldsaneringsregeling bestaan;
b. vorderingen op de
schuldenaar die na de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling ontstaan uit hoofde van ontbinding of
vernietiging van een vóór die uitspraak met de schuldenaar
gesloten overeenkomst;
c. vorderingen die strekken tot
schadevergoeding ter zake van tekortschieten na de uitspraak
tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de
nakoming van een vóór die uitspraak op de schuldenaar
verkregen verbintenis;
d. vorderingen op de
schuldenaar die na de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling ontstaan door de vervulling van een
vóór die uitspraak overeengekomen ontbindende voorwaarde;
e. na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling onvoldaan gebleven
vorderingen op de schuldenaar die ontstaan krachtens artikel
10 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek uit hoofde van een
ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling reeds bestaande rechtsbetrekking.
2. Rechtsvorderingen die voldoening
van een vordering uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende
de toepassing van de schuldsaneringsregeling ook tegen de
schuldenaar op geen andere wijze worden ingesteld dan door
aanmelding ter verificatie.
3. De artikelen 57 tot en met 59a
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 299a
1. De schuldsaneringsregeling werkt
niet ten aanzien van vorderingen uit hoofde van studieschulden
waarop hoofdstuk 6 van de Wet studiefinanciering 2000 van
toepassing is, behoudens voorzover die vorderingen betrekking
hebben op de in artikel 6.8 van die wet bedoelde achterstallige
schulden die bestaan ten tijde van de uitspraak tot de toepassing
van de schuldsaneringsregeling.
2. Zolang de
schuldsaneringsregeling van toepassing is, wordt de aflosfase
bedoeld in artikel 6.7 van de Wet studiefinanciering 2000
opgeschort. Gedurende deze periode is over de studieschuld geen
rente verschuldigd.
Artikel 299b
1. De schuldeiser die retentierecht
heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, verliest dit
recht niet door het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling.
2. De bewindvoerder kan, voorzover
dit in het belang is van de boedel, de zaak in de boedel
terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor het
retentierecht kan worden uitgeoefend.
3. De schuldeiser kan de
bewindvoerder een redelijke termijn stellen om tot toepassing van
het tweede lid over te gaan. Heeft de bewindvoerder niet binnen
deze termijn de zaak in de boedel teruggebracht, dan kan de
schuldeiser haar verkopen met overeenkomstige toepassing van de
bepalingen betreffende parate executie door een pandhouder of, als
het een registergoed betreft, die betreffende parate executie door
een hypotheekhouder. De rechter-commissaris is bevoegd de termijn
op verzoek van de bewindvoerder een of meermalen te verlengen.
4. Betreft het een registergoed,
dan dient de schuldeiser, op straffe van verval van het recht van
parate executie, binnen veertien dagen na het verstrijken van de
in het derde lid bedoelde termijn, aan de bewindvoerder bij
exploot aan te zeggen dat hij tot executie overgaat, en dit
exploot in de openbare registers te doen inschrijven.
5. De bewindvoerder kan de
schuldeiser die overeenkomstig het derde lid het recht van parate
executie kan uitoefenen, een redelijk termijn stellen daartoe over
te gaan. Heeft de schuldeiser de zaak niet binnen deze termijn
verkocht, dan kan de bewindvoerder haar opeisen en met toepassing
van artikel 326 of 347, tweede lid, verkopen, onverminderd de
voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek toegekend. De rechter-commissaris is bevoegd de
termijn op verzoek van de schuldeiser een of meermalen te
verlengen.
Artikel 300
De schuldsaneringsregeling werkt niet
ten voordele van borgen en andere medeschuldenaren.
Artikel 301
1. Een vordering van de ontvanger
als bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221)
is niet toegelaten.
2. Alle ten tijde van de uitspraak
tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling tot verhaal van
zijn schulden aangevangen executies worden geschorst.
3. De gelegde beslagen vervallen
met ingang van de dag waarop de toepassing van de
schuldsaneringsregeling is uitgesproken. De inschrijving van een
desbetreffende, op verzoek van de bewindvoerder af te geven
verklaring van de rechter-commissaris machtigt de bewaarder van de
openbare registers tot doorhaling.
4. Een vervallen beslag herleeft,
zodra de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op
grond van het bepaalde in artikel 350, derde lid, onder b, mits
het goed dan nog tot de boedel behoort. Indien de inschrijving van
het beslag in de openbare registers is doorgehaald, vervalt de
herleving, indien niet binnen veertien dagen na de herleving een
exploot is ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan
de schuldenaar is gedaan.
5. Het tweede, derde en vierde lid
zijn eveneens van toepassing ten aanzien van executies en
beslagen, aangevangen of gelegd ten behoeve van vorderingen welke
door pand of hypotheek zijn gedekt, voorzover die executies en
beslagen niet zijn aangevangen en gelegd op goederen, welke voor
die vorderingen bijzonderlijk zijn verbonden.
Artikel 302
Indien de schuldenaar zich in
gijzeling bevindt, is hij daaruit van rechtswege ontslagen door de
uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij de
gijzeling plaatsvindt anders dan wegens een vordering ten aanzien
waarvan de schuldsaneringsregeling werkt.
Artikel 303
1. Met ingang van de dag van de
uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling is de
schuldenaar wettelijke noch bedongen rente verschuldigd over
vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt.
2. De renteverplichting herleeft
met terugwerkende kracht zodra de toepassing van de
schuldsaneringsregeling is beëindigd op voet van artikel 312,
tweede lid, of met ingang van de dag waarop de uitspraak tot
beëindiging van de schuldsaneringsregeling krachtens artikel 350,
derde lid, onder c tot en met g, in kracht van gewijsde is gegaan.
3. De rechtbank kan in de uitspraak
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling of bij beschikking
het eerste lid buiten toepassing verklaren ten aanzien van rente
die verschuldigd is over een vordering waarvoor een hypotheek tot
zekerheid strekt die is gevestigd op het registergoed waarin de
schuldenaar woonachtig is, indien dat in het belang van de boedel
is. De rechter-commissaris kan dit op verzoek van de bewindvoerder
bij schriftelijke beschikking verklaren indien dit in het belang
van de boedel is, nadat de schuldsaneringsregeling van toepassing
is verklaard.
Artikel 304
1. Een wederpartij is niet bevoegd
de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een
overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water,
elektriciteit of verwarming, benodigd voor de eerste
levensbehoeften, jegens de schuldenaar op te schorten wegens het
door de schuldenaar niet nakomen van een verbintenis tot betaling
van een geldsom die is ontstaan vóór de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling.
2. Een tekortkoming in de nakoming
van de schuldenaar als in het eerste lid bedoeld, die plaatsvond
vóór de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling, levert geen grond op voor ontbinding van
een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.
3. Een beroep door de wederpartij
op een beding dat een uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling grond oplevert voor ontbinding van een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat die
overeenkomst daardoor van rechtswege zal zijn ontbonden, is
slechts toegelaten met goedvinden van de bewindvoerder.
Artikel 305
1. Indien de schuldenaar huurder
is, kan de bewindvoerder, of met diens machtiging de schuldenaar,
de huur tussentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiedt
overeenkomstig de opzegtermijnen van de artikelen 228, lid 2, 271,
lid 2, en 293, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of
gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande
echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende
zal zijn. Zijn de huurpenningen vooruit betaald, dan kan de huur
niet eerder worden opgezegd dan tegen de dag, waarop de termijn,
waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
2. Een tekortkoming door de
schuldenaar in de nakoming van een financiële verplichting,
voortvloeiend uit de huurovereenkomst met betrekking tot zijn
woonruimte, welke tekortkoming plaatsvond vóór de uitspraak tot
de toepassing van de schuldsaneringsregeling, levert geen grond op
voor opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. Is een
vonnis tot ontruiming van de woonruimte wegens een dergelijke
tekortkoming uitgesproken vóór de uitspraak tot toepassing van
de schuldsaneringsregeling, dan wordt de tenuitvoerlegging van het
vonnis opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling,
mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan. De
huurovereenkomst wordt voor de duur van de schuldsaneringsregeling
verlengd.
3. De verhuurder is bevoegd de huur
tussentijds te beëindigen indien de schuldenaar jegens de
verhuurder een verplichting die ontstaat na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet nakomt, mits de
opzegging geschiedt tegen een tijdstip, waarop dergelijke
overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. De tweede en
derde volzin van het eerste lid zijn van toepassing.
4. Indien de schuldenaar pachter
is, vinden het eerste, tweede en derde lid overeenkomstige
toepassing.
Artikel 306
Een betaling ten laste van niet tot
de boedel behorende goederen van de schuldenaar verricht, op
vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, is
nietig.
Artikel 307
1. Hij die zowel schuldenaar als
schuldeiser is van de persoon ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling is uitgesproken, kan zijn schuld met zijn
vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt,
slechts verrekenen indien beide zijn ontstaan vóór de uitspraak
tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
2. Artikel 53, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 308
Een betaling door de schuldenaar
anders dan ten laste van de boedel verricht, wordt niet toegerekend
op een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling
werkt.
Artikel 309 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 309a
Van de goederen als bedoeld in
artikel 309, eerste lid, zijn uitgezonderd de goederen die uit
hoofde van een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn verpand.
Artikel 310
1. De rechter-commissaris kan op
verzoek van de bewindvoerder, van de schuldenaar dan wel
ambtshalve bij schriftelijke beschikking bepalen dat betaling op
niet tot de boedel behorende vorderingen van de schuldenaar tot
betaling van een geldsom, moet geschieden aan de bewindvoerder. De
rechter-commissaris kan de beschikking beperken tot een bepaalde
periode en tot bepaalde vorderingen.
2. De bewindvoerder brengt de
schuldenaren die het aangaat bij brief van de beschikking bedoeld
in het eerste lid op de hoogte.
3. De door de bewindvoerder
ingevolge het eerste lid ontvangen gelden behoren niet tot de
boedel. De bewindvoerder voert ter zake een afzonderlijke
administratie.
4. De bewindvoerder voldoet uit de
door hem ingevolge het eerste lid ontvangen gelden voor en namens
de schuldenaar vorderingen ten aanzien waarvan de
schuldsaneringsregeling niet werkt en die ter voldoening door de
rechter-commissaris zijn aangewezen.
Artikel 311
1. De rechter-commissaris kan op
verzoek van de bewindvoerder of de schuldenaar dan wel ambtshalve
bij schriftelijke beschikking bepalen dat de schuldenaar gedurende
een in die beschikking vast te stellen periode bevoegd is ten
behoeve van de boedel de uitoefening van zijn zelfstandig beroep
of bedrijf voort te zetten. De rechter-commissaris kan een periode
telkens verlengen en aan zijn beschikking voorwaarden verbinden.
2. Een beschikking als bedoeld in
het eerste lid heeft tot gevolg dat de schuldenaar bevoegd is alle
handelingen waartoe de bewindvoerder toestemming heeft gegeven en
die voor de normale uitoefening van het beroep of bedrijf nodig
zijn, te verrichten.
3. Vorderingen die voortvloeien uit
een voortzetting van de uitoefening van het beroep of bedrijf
waartoe de schuldenaar op grond van dit artikel bevoegd is,
waaronder te begrijpen de verschuldigde huurpenningen, voorzover
aan die voortzetting toe te rekenen, zijn boedelschulden.
Artikel 312
1. Gedurende de toepassing van de
schuldsaneringsregeling kan de schuldenaar in staat van
faillissement worden verklaard ter zake van vorderingen ten
aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling niet werkt.
2. Door de faillietverklaring van
de schuldenaar eindigt de toepassing van de
schuldsaneringsregeling van rechtswege. Van de beëindiging wordt
door de curator melding gemaakt in de publicatie bedoeld in
artikel 14, derde lid.
3. Indien tengevolge van verzet,
hoger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd,
herleeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van
rechtswege. Daarvan wordt melding gemaakt in de aankondiging
bedoeld in artikel 15, eerste lid, tweede volzin. Artikel 15d,
eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 313
1. De artikelen 24 tot en met 31,
34 tot en met 38a, 40 tot en met 52, 54 tot en met 56 en 60a tot
en met 63a zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De in de eerste volzin van
artikel 63a, eerste lid, bedoelde beslissing kan ook op verzoek
van de schuldenaar dan wel ambtshalve worden gegeven door de
rechter die de toepassing van de schuldsaneringsregeling
uitspreekt.
Derde afdeling. Het bestuur over de
boedel
Artikel 314
1. De rechter-commissaris houdt
toezicht op de vervulling door de bewindvoerder van de door hem
ingevolge deze titel te verrichten taken.
2. De artikelen 65 en 66 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 315
1. Van alle beschikkingen van de
rechter-commissaris staat gedurende vijf dagen hoger beroep op de
rechtbank open. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke
oproeping van de belanghebbenden.
2. Niettemin kan geen hoger beroep
worden ingesteld tegen de beschikkingen die zijn genomen
overeenkomstig de artikelen 21, onder 4, 34, 58, eerste lid,59a,
derde lid, 94, tweede lid, 102, tweede lid, 125, 127, vierde
lid,176, tweede lid, en de beschikkingen bedoeld in de artikelen
287, vijfde lid, 289, tweede lid, 290, tweede lid, 295, derde lid,
296, derde lid, artikel 299b, derde en vijfde lid, 310, eerste
lid, 311, eerste lid, 316, tweede lid, 318, tweede lid, 320,
tweede en vierde lid, 324, derde lid, 328a, tweede lid, 332,
vierde lid en 347, tweede lid.
Artikel 316
1. De bewindvoerder is belast met:
a. het toezicht op de naleving
door de schuldenaar van diens verplichtingen die uit de
schuldsaneringsregeling voortvloeien;
b. het beheer en de vereffening
van de boedel.
2. Alvorens in rechte op te treden,
behalve waar het verificatiegeschillen betreft, alsmede in de
gevallen van de artikelen 37, 40, 58, tweede lid, 59a, zesde lid,
305, 326, eerste lid, en 349, eerste lid, behoeft de bewindvoerder
machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 72 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 317
1. Ieder der schuldeisers van
vorderingen waarvoor de schuldsaneringsregeling werkt en de
schuldenaar kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van de
bewindvoerder bij de rechter-commissaris opkomen, of van deze een
bevel uitlokken dat de bewindvoerder een bepaalde handeling zal
verrichten of een voorgenomen handeling zal nalaten.
2. De rechter-commissaris beslist,
na de bewindvoerder te hebben gehoord, binnen drie dagen.
Artikel 318
1. De bewindvoerder brengt binnen
twee maanden na de uitspraak tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling en uiterlijk tien dagen voor de dag waarop
de verificatievergadering zal worden gehouden een verslag uit over
de toestand van de boedel en vervolgens telkens na verloop van zes
maanden een verslag over de voortgang van de
schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder legt zijn verslag neer
ter griffie van de rechtbank, ter kosteloze inzage van
schuldeisers. De neerlegging geschiedt kosteloos.
2. De in het eerste lid bedoelde
termijn van zes maanden, kan op verzoek van de bewindvoerder of
ambtshalve door de rechter-commissaris worden gewijzigd.
Artikel 319
1. De rechtbank is bevoegd de
bewindvoerder, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben,
te ontslaan en door een ander te vervangen, hetzij op voordracht
van de rechter-commissaris hetzij op een met redenen omkleed
verzoek van de bewindvoerder, een of meer schuldeisers dan wel de
schuldenaar.
2. De ontslagen bewindvoerder legt
rekening en verantwoording af aan de in zijn plaats benoemde
bewindvoerder.
Artikel 320
1. De rechtbank stelt het salaris
van de bewindvoerder vast in het vonnis bedoeld in artikel 354,
eerste lid.
2. De rechter-commissaris kan op
verzoek van de bewindvoerder tijdens de toepassing van de
schuldsaneringsregeling telkens voor een daarbij vast te stellen
periode een voorschot op het salaris toekennen.
3. Indien de toepassing van de
schuldsaneringsregeling wordt beëindigd op de voet van artikel
350 ofartikel 354a, stelt de rechtbank daarbij tevens het salaris
vast.
4. Eindigt de toepassing van de
schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in artikel 312,
tweede lid, dan stelt de rechtbank het salaris vast zodra de
uitspraak tot faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan.
5. In geval van akkoord wordt het
salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.
6. Het salaris van de bewindvoerder
wordt vastgesteld volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
7. Het salaris van de bewindvoerder
is schuld van de boedel en wordt bij voorrang voldaan boven alle
andere schulden en boven een betaling bedoeld in artikel 295,
vijfde lid. Het in de vorige volzin bepaalde is ook van toepassing
op de verschotten en op de publicaties die ingevolge deze titel
zijn voorgeschreven.
8. De kosten van de ingevolge deze
titel voorgeschreven publicaties die niet uit de boedel kunnen
worden voldaan, en het salaris van deskundigen komen ten laste van
de Staat. De griffier van de rechtbank waarbij de schuldenaar zijn
verzoekschrift tot het uitspreken van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling heeft ingediend, draagt zorg voor de
voldoening van het door de rechter die het eindsalaris van de
bewindvoerder bepaalt, vast te stellen bedrag dat ten laste van de
Staat komt.
Artikel 321
De artikelen 85 en 86 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Vierde afdeling. De voorzieningen na
de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling en de
taak van de bewindvoerder
Artikel 322
De bewindvoerder geeft van de dagen,
uur en plaats bedoeld in artikel 289 onverwijld aan alle bekende
schuldeisers bij brieven kennis. Indien de schuldenaar een ontwerp
van akkoord ter griffie heeft neergelegd, wordt daarvan eveneens
melding gemaakt.
Artikel 323
De bewindvoerder zorgt, dadelijk na
zijn benoeming, door alle nodige en gepaste middelen voor de
bewaring van de boedel. Tenzij de rechter-commissaris anders
bepaalt, neemt de bewindvoerder de tot de boedel behorende
bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinodiën, effecten
en andere papieren van waarde tegen ontvangstbewijs onder zich,
behoudens voorzover het beheer daarover op grond van een beslissing
als bedoeld in artikel 296, derde lid, toekomt aan de schuldenaar.
Artikel 324
1. Artikel 94, eerste en tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Van de goederen bedoeld in
artikel 295, vierde lid, wordt een staat aan de beschrijving
gehecht.
3. De rechter-commissaris kan
bepalen dat de bewindvoerder een staat opmaakt als bedoeld in
artikel 96 ter vervanging van de staat bedoeld in artikel 285,
eerste lid, onder a.
Artikel 325
Een afschrift van de
boedelbeschrijving en, indien toepassing is gegeven aan artikel 324,
derde lid, van de staat in dat artikellid bedoeld, worden ter
kosteloze inzage van een ieder neergelegd ter griffie van de
rechtbank die de schuldsaneringsregeling van toepassing heeft
verklaard.
De neerlegging geschiedt kosteloos.
Artikel 326 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 327
De artikelen 99 en 102 tot en met 105
en 107 zijn van overeenkomstige toepassing.
Vijfde afdeling. Verificatie van
vorderingen
Artikel 328
1. Op de verificatie van
vorderingen zijn de artikelen 110 tot en met 116, 119 tot en met
127 (in welk laatste artikel in de plaats van 108, 1°, wordt
gelezen: 289, derde lid) en 129 tot en met 137 van overeenkomstige
toepassing.
2. Renten, na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling lopende ten aanzien van
door pand of hypotheek gedekte vorderingen, worden pro memorie
geverifieerd. Voorzover de renten op de opbrengst daarvan niet
batig gerangschikt worden, kan de schuldeiser aan deze verificatie
geen rechten ontlenen.
Artikel 328a
1. De rechter-commissaris kan de
bewindvoerder verzoeken hem binnen acht dagen na dagtekening van
het verzoek te melden of hij de verificatie van de vorderingen
wenst voor te leggen aan de verificatievergadering. In het
bevestigende geval stelt de rechter-commissaris dag, uur en plaats
vast waarop de verificatievergadering zal worden gehouden en geeft
de bewindvoerder hiervan onverwijld kennis aan alle bekende
schuldeisers en de schuldenaar bij schriftelijke oproeping, tenzij
de rechter-commissaris anders bepaalt.
2. Indien de bewindvoerder geen
verificatievergadering wenst, kan de rechter-commissaris bepalen
dat de verificatievergadering slechts pro forma gehouden zal
worden op een door hem te bepalen dag en plaats en dat de
vorderingen als geverifieerd zullen gelden zoals door de
bewindvoerder in overeenstemming met de artikelen 112, 113 en 114
aangegeven, tenzij een schuldeiser binnen acht dagen na
dagtekening van de in de tweede volzin bedoelde oproeping
mededeling doet aan de rechtbank dat hij gebruik wenst te maken
van zijn bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 116, tweede zin,
en 119, eerste lid. De bewindvoerder geeft van deze beschikking
onmiddellijk kennis aan alle bekende schuldeisers en de
schuldenaar bij schriftelijke oproeping, tenzij de
rechter-commissaris anders bepaalt.
3. Ontvangt de rechtbank een
mededeling van een of meer schuldeisers als bedoeld in het tweede
lid, dan stelt de rechter-commissaris een dag, uur en plaats vast
waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. De
bewindvoerder geeft hiervan onverwijld kennis aan alle bekende
schuldeisers en de schuldenaar bij schriftelijke oproeping, tenzij
de rechter-commissaris anders bepaalt.
4. In geval van het tweede lid ligt
een afschrift van de lijsten als bedoeld in artikel 114 ter
griffie van de rechtbank ter inzage gedurende acht dagen na
dagtekening van de kennisgeving van de pro forma zitting dan wel,
indien een verificatievergadering wordt gehouden, tot de dag van
die vergadering.
5. Met ingang van de dag van de pro
forma zitting, gelden de vorderingen als geverifieerd zoals door
de bewindvoerder ingevolge artikel 112vastgesteld.
Zesde afdeling. Het akkoord
Artikel 329
1. De schuldenaar is bevoegd ten
aanzien van vorderingen waarvoor de schuldsaneringsregeling werkt
aan de schuldeisers van die vorderingen een akkoord aan te bieden.
2. Het ontwerp van akkoord wordt
ter griffie van de rechtbank neergelegd ter kosteloze inzage van
een ieder. De neerlegging geschiedt kosteloos.
3. Aanbieding van een akkoord is
ook toegelaten indien een akkoord eerder tijdens de toepassing van
de schuldsaneringsregeling is verworpen of de homologatie is
geweigerd. De in de vorige volzin bedoelde bevoegdheid kan één
keer worden uitgeoefend.
4. De rechter-commissaris stelt
dadelijk na nederlegging van het akkoord dag, uur en plaats vast
waarop over het aangeboden akkoord ten overstaan van hem zal
worden geraadpleegd en beslist.
5. Indien er nog geen dag, uur en
plaats voor een verificatievergadering is bepaald, stelt de
rechter-commissaris deze vast overeenkomstig artikel 289, tweede
tot en met vijfde lid. Over het akkoord wordt in de vergadering na
afloop van de verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist.
6. De bewindvoerder geeft van de
nederlegging en, indien van toepassing, van de dag bedoeld in het
vijfde lid, onverwijld schriftelijk kennis aan alle bekende
schuldeisers. Indien het vijfde lid van toepassing is, doet de
bewindvoerder tevens onverwijld aankondiging in de Staatscourant
van de nederlegging en van de dag bedoeld in dat lid.
Artikel 330
Het ontwerp van een akkoord vervalt:
a. indien de toepassing van de
schuldsaneringsregeling niet wordt uitgesproken;
b. indien, voordat het vonnis van
homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan,
een rechterlijke uitspraak tot beëindiging van de toepassing
van de schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde gaat;
c. indien de toepassing van de
schuldsaneringsregeling eindigt op grond van het bepaalde in
artikel 312, tweede lid.
Artikel 331 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 332
1. De schuldenaar is ter
vergadering bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord
op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.
2. Tot stemming over het akkoord
zijn bevoegd de schuldeisers van vorderingen ten aanzien waarvan
de schuldsaneringsregeling werkt. Pandhouders, hypotheekhouders en
schuldeisers als bedoeld in artikel 299b zijn tot stemmen bevoegd,
indien zij vóór de aanvang van de stemming van hun recht van
parate executie afstand doen. Zij herkrijgen dat recht niet,
ongeacht of het akkoord wordt aanvaard, verworpen of
overeenkomstig het vierde lid wordt vastgesteld.
3. Tot het aannemen van het akkoord
wordt vereist:
a. de toestemming van de gewone
meerderheid van de ter vergadering verschenen schuldeisers van
erkende en voorwaardelijk toegelaten vorderingen waaraan
voorrang is verbonden, welke tezamen ten minste de helft van
het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen; en
b. de toestemming van de gewone
meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en
voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, welke
tezamen ten minste de helft van het totale bedrag van hun
vorderingen vertegenwoordigen.
4. In afwijking van het derde lid
kan de rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de
bewindvoerder bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord
vaststellen als ware het aangenomen, indien:
a. drie vierde van de ter
vergadering verschenen schuldeisers van erkende en
voorwaardelijk toegelaten vorderingen waaraan voorrang is
verbonden en drie vierde van de concurrente schuldeisers voor
het akkoord hebben gestemd; en
b. de verwerping van het
akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer ter
vergadering verschenen schuldeisers die, alle omstandigheden
in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat
die schuldeisers, zou de toepassing van de
schuldsaneringsregeling worden voortgezet, naar verwachting
aan betaling op hun vorderingen zullen ontvangen, in
redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen.
5. Het proces-verbaal van de
vergadering vermeldt de inhoud van het akkoord, de namen van de
verschenen stemgerechtigde schuldeisers, de door ieder hunner
uitgebrachte stem, de uitslag van de stemming en, indien
toepassing is gegeven aan het vierde lid, de beschikking van de
rechter-commissaris.
6. Artikel 149 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 333 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 333a
De bepalingen van deze paragraaf zijn
van overeenkomstige toepassing in het geval dat een akkoord wordt
aangeboden op de voet van artikel 34, eerste lid, van de
verordening, genoemd in artikel 5, derde lid.
Artikel 334 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 335
1. Is een akkoord aangenomen of
vastgesteld, dan bepaalt de rechter-commissaris vóór het sluiten
van de verificatievergadering dag en tijd voor de terechtzitting
waarop de rechtbank achtereenvolgens zal behandelen:
a. verzoekschriften, indien
deze op de voet van artikel 149 zijn ingediend;
b. de homologatie van het
akkoord, indien een akkoord is aangenomen of vastgesteld.
2. De terechtzitting zal gehouden
worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de dag
waarop de verificatievergadering heeft plaatsgevonden. Artikel 151
is van overeenkomstige toepassing.
3. Is een akkoord afgewezen, dan
wordt de schuldsaneringregeling voortgezet, tenzij artikel 350 van
toepassing is.
Artikel 336 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 337
1. Op de openbare terechtzitting,
bepaald ingevolge artikel 335, eerste lid, wordt door de
rechter-commissaris verslag uitgebracht.
2. Ieder van de schuldeisers ten
aanzien van wier vorderingen de schuldsaneringsregeling werkt, kan
in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij advocaat de
gronden uiteenzetten waarop hij de homologatie van een akkoord
wenst of haar bestrijdt.
3. De schuldenaar is bevoegd tot
verdediging van zijn belangen op te treden.
Artikel 338
1. Op de dag van de terechtzitting
bedoeld in artikel 337, of anders uiterlijk op de achtste dag
daarna, doet de rechtbank uitspraak.
2. Zij zal, voorzover van
toepassing, eerst bij met redenen omklede beschikking uitspraak
doen op verzoekschriften als bedoeld in artikel 149 en tot
homologatie van het akkoord dan wel tot weigering daarvan. Artikel
153, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de homologatie wordt
geweigerd, kan de rechter de schuldenaar niet in staat van
faillissement verklaren. De schuldsaneringsregeling wordt
voortgezet, tenzij artikel 350 van toepassing is.
Artikel 339
1. Ten aanzien van de uitspraak tot
weigering dan wel verlening van homologatie, zijn de artikelen
154, 155, eerste lid, en 156 van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat het recht van hoger beroep en cassatie slechts
toekomt aan schuldeisers die op de terechtzitting bedoeld in
artikel 337 zijn verschenen.
2. Op de behandeling van het hoger
beroep zijn de artikelen 337, tweede en derde lid, en 338, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Wordt de homologatie in hoger
beroep of cassatie vernietigd, dan geeft de griffier van het
rechtscollege daarvan onverwijld kennis aan de griffier van de
rechtbank.
Artikel 340
1. De toepassing van de
schuldsaneringsregeling eindigt van rechtswege zodra de
homologatie in kracht van gewijsde is gegaan. Van de beëindiging
doet de bewindvoerder aankondiging in de Staatscourant.
2. Het gehomologeerde akkoord is
verbindend voor alle schuldeisers ten aanzien van wier vorderingen
de schuldsaneringsregeling werkt, onverschillig of zij al dan niet
in de schuldsaneringsregeling opgekomen zijn.
3. De artikelen 159, 160 en 162 tot
en met 166 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Bij het vonnis waarbij de
ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, kan de schuldenaar
tevens in staat van faillissement worden verklaard indien er baten
beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te
voldoen.
5. In een faillissement,
uitgesproken overeenkomstig het vierde lid, kan geen akkoord
worden aangeboden.
Artikel 341 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 342 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 343 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 344 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 345 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 346 [Vervallen per
01-01-2008]
Zevende afdeling. De vereffening van
de boedel
Artikel 347
1. Zodra de toepassing van de
schuldsaneringsregeling is uitgesproken, verkeert de boedel van
rechtswege in staat van insolventie en gaat de bewindvoerder over
tot vereffening en tegeldemaking van de tot de boedel behorende
goederen voor zover daaromtrent in de uitspraak of door de
rechter-commissaris niet anders is bepaald, zonder dat daartoe
toestemming of medewerking van de schuldenaar nodig is.
2. De goederen worden ondershands
verkocht, tenzij de rechter-commissaris bepaalt dat de verkoop in
het openbaar zal geschieden.
3. Artikel 176, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 348
De rechter-commissaris kan op verzoek
van de schuldenaar, bewindvoerder of een schuldeiser alsmede
ambtshalve op een door hem te bepalen dag, uur en plaats een
vergadering van schuldeisers beleggen, teneinde hen zo nodig te
raadplegen over de wijze van vereffening van de boedel alsmede over
andere onderwerpen de schuldsanering betreffende en zo nodig
verificatie te doen plaatsvinden van de schuldvorderingen die na
afloop van de ingevolge artikel 289, derde lid, bepaalde termijn
zijn ingediend en niet reeds overeenkomstig artikel 127 geverifieerd
zijn. De bewindvoerder handelt ten opzichte van deze vorderingen
overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111 tot en met 114.
Hij roept de schuldeisers ten minste tien dagen vóór de
vergadering, bij brieven op waarin het onderwerp van de vergadering
wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt
herinnerd.
Artikel 349
1. Zo dikwijls er voldoende gerede
penningen aanwezig zijn, gaat de bewindvoerder over tot een
uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers.
Niettemin vindt geen uitdeling
plaats, indien de verkoop van een goed nog moet plaatsvinden en
daarop pand of hypotheek rust of ten aanzien van dat goed voorrang
geldt als bedoeld in artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel op dat bepaalde goed een voorrecht rust.
Indien een goed als bedoeld in de
vorige volzin in de boedel valt nadat een uitdeling heeft
plaatsgevonden, heeft dat geen invloed op de geldigheid van die
uitdeling.
2. De uitdeling geschiedt naar
evenredigheid van ieders vordering, met dien verstande dat, zolang
de vorderingen waaraan voorrang is verbonden niet volledig zijn
voldaan, daarop een twee keer zo groot percentage wordt betaald
als op de concurrente vorderingen.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid worden de vorderingen van de schuldeisers die voorrang
hebben, ongeacht of deze wordt betwist, en die niet reeds
overeenkomstig artikel 57 of 299b, derde lid, voldaan zijn,
bepaald op het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen
worden op de opbrengst der goederen waarop hun voorrang betrekking
heeft. Zo dit minder is dan het gehele bedrag van hun vorderingen,
worden zij voor het ontbrekende als concurrent behandeld.
4. De bewindvoerder maakt telkens
een uitdelingslijst op. De lijst houdt in een staat van de
ontvangsten en uitgaven, de namen van de schuldeisers, het
geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te
ontvangen uitkering.
5. De artikelen 181, 182 (in welk
artikel in de plaats van 60, derde lid, tweede zin, wordt gelezen:
299b, derde lid, tweede volzin), 183 tot en met 189, 191 en 192
zijn van overeenkomstige toepassing.
Achtste afdeling. Termijn en
beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
Artikel 349a
1. De termijn van de
schuldsaneringsregeling bedraagt drie jaar, te rekenen van de dag
van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling,
die dag daaronder begrepen. In afwijking daarvan kan de rechter de
termijn op ten hoogste vijf jaar stellen, indien voor de gehele
termijn tevens een nominaal bedrag wordt vastgesteld als bedoeld
in artikel 295, derde lid.
2. De rechter-commissaris kan bij
schriftelijke beschikking de termijn ambtshalve, dan wel op
verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar, of een of meer
schuldeisers wijzigen. De termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar.
De bewindvoerder geeft van de gewijzigde termijn onverwijld kennis
aan de schuldeisers. De rechter-commissaris dient de schuldenaar
in de gelegenheid stellen te worden gehoord, alvorens te beslissen
de termijn te verlengen.
3. Onder dezelfde voorwaarden kan
de rechtbank in het kader van artikel 350 of 352 de termijn
ambtshalve dan wel op voordracht van de rechter-commissaris of op
verzoek van de bewindvoerder, schuldenaar of een of meer
schuldeisers wijzigen. Tegen dit vonnis kunnen de schuldeisers die
om de wijziging gevraagd hebben en kan de schuldenaar gedurende
acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep komen.
Artikel 351, tweede tot en met vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 350
1. De rechtbank kan de toepassing
van de schuldsaneringsregeling beëindigen op voordracht van de
rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, van de
schuldenaar dan wel van een of meer schuldeisers. Zij kan zulks
ook ambtshalve doen.
2. Alvorens te beslissen roept de
rechtbank de schuldenaar op teneinde door haar te worden gehoord.
Tevens kan zij schuldeisers en de bewindvoerder daartoe oproepen.
3. Een beëindiging bedoeld in het
eerste lid geschiedt indien:
a. de vorderingen ten aanzien
waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, zijn voldaan;
b. de schuldenaar in staat is
zijn betalingen te hervatten;
c. de schuldenaar een of meer
van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende
verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of
nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling
anderszins belemmert dan wel frustreert;
d. de schuldenaar bovenmatige
schulden doet of laat ontstaan;
e. de schuldenaar tracht zijn
schuldeisers te benadelen;
f. feiten en omstandigheden
bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het
verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling
reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek
af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid;
g. de schuldenaar aannemelijk
maakt niet in staat te zijn aan zijn uit de
schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te
voldoen.
4. De uitspraak geschiedt bij
vonnis. In de gevallen bedoeld in het derde lid, onder a en b, en
bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling, blijft
verificatie van vorderingen alsmede het opmaken van en
uitdelingslijst achterwege en eindigt de schuldsanering door het
in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.
5. Indien de beëindiging geschiedt
op grond van het bepaalde in het derde lid, onder c tot en met g,
en er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of
gedeeltelijk te voldoen, verkeert de schuldenaar van rechtswege in
staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde
is gegaan. De rechtbank benoemt terstond een rechter-commissaris
en een curator.
6. Van de beëindiging wordt door
de bewindvoerder aankondiging gedaan in de Staatscourant of,
indien het vijfde lid toepassing vindt, door de curator in de
publicatie bedoeld in artikel 14, derde lid.
Artikel 351
1. Van het vonnis bedoeld in
artikel 350 heeft, in geval van beëindiging van de toepassing van
de schuldsaneringsregeling, de schuldenaar, of, in geval de
beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
geweigerd is, hij die het verzoek tot die beëindiging heeft
gedaan, gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak recht van
hoger beroep.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het
gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen. De griffier van het
gerechtshof geeft van die indiening onverwijld kennis aan de
griffier van de rechtbank.
3. De voorzitter bepaalt terstond
dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaatsvinden
binnen twintig dagen na de dag van de indiening van het
verzoekschrift.
4. De uitspraak vindt niet later
plaats dan op de achtste dag na die van de behandeling van het
verzoekschrift ter terechtzitting. Van het arrest van het
gerechtshof wordt door de griffier onverwijld mededeling gedaan
aan de griffier van de rechtbank.
5. Gedurende acht dagen na het
arrest van het gerechtshof kan de daarbij in het ongelijk gestelde
partij in cassatie komen. Het beroep in cassatie wordt ingesteld
bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.
De griffier van de Hoge Raad geeft van die indiening en van het
arrest van de Hoge Raad onverwijld kennis aan de griffier van de
rechtbank.
Artikel 351a
Uiterlijk drie maanden voordat de
termijn volgend uit artikel 349aafloopt, brengt de bewindvoerder
verslag uit aan de rechter-commissaris over de wijze waarop de
schuldenaar gedurende de schuldsaneringsregeling aan zijn
verplichtingen heeft voldaan.
Artikel 352
1. Indien de toepassing van de
schuldsaneringsregeling niet reeds is beëindigd, bepaalt de
rechtbank op voordracht van de rechter-commissaris, op verzoek van
de bewindvoerder dan wel van de schuldenaar hetzij ambtshalve
uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn bedoeld
inartikel 349a, dag, uur en plaats voor de terechtzitting waarop
de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
wordt behandeld.
2. De zitting zal niet eerder dan
veertien dagen en niet later dan eenentwintig dagen na de
beschikking van de rechtbank gehouden worden.
3. De bewindvoerder doet van de
dag, uur, en plaats onverwijld aankondiging in de Staatscourant.
Artikel 353
1. Voor de terechtzitting, bepaald
ingevolge artikel 352, kunnen de bewindvoerder en de schuldenaar
schriftelijk worden opgeroepen. De schuldenaar en bewindvoerder
worden opgeroepen indien twijfel bestaat of de schuldenaar in de
nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling
voortvloeiende verplichtingen niet toerekenbaar is
tekortgeschoten.
2. De rechtbank kan iedere
verschenen schuldeiser in de gelegenheid stellen in persoon, bij
schriftelijk gemachtigde of bij advocaat het woord te voeren.
Artikel 354
1. Op de dag van de terechtzitting,
of anders uiterlijk op de achtste dag daarna, doet de rechtbank
bij vonnis uitspraak of de schuldenaar in de nakoming van een of
meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen
is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming,
of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
2. Ingeval van een toerekenbare
tekortkoming, kan de rechter daarbij bepalen dat de tekortkoming,
gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten
beschouwing blijft.
Artikel 354a
1. Indien nog geen dag voor de
verificatievergadering is bepaald en minstens een jaar is
verstreken sinds de uitspraak tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling, kan de rechtbank op voordracht van de
rechter-commissaris, op verzoek van de bewindvoerder dan wel van
de schuldenaar een dag bepalen voor de terechtzitting waarop de
beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling
wordt behandeld. De rechtbank bepaalt die zitting slechts als de
voordracht of het verzoek vergezeld gaat van een beredeneerde
verklaring van de bewindvoerder omtrent de vraag of redelijkerwijs
niet de verwachting bestaat dat de schuldenaar op zodanige wijze
aan zijn verplichtingen kan voldoen dat voortzetting van de
schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is. De rechter-commissaris
kan de bewindvoerder bevelen deze verklaring op te stellen en aan
de rechtbank en de betrokken partijen te doen toekomen.
2. De rechtbank beëindigt de
schuldsanering slechts indien redelijkerwijs niet de verwachting
bestaat dat de schuldenaar op zodanige wijze aan zijn
verplichtingen kan voldoen dat voortzetting van de
schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is en van omstandigheden
als bedoeld in artikel 350, derde lid, onder c tot en met g niet
is gebleken.
3. De rechtbank kan een of meer
keren haar beslissing aanhouden voor nader onderzoek. De rechtbank
bepaalt de dag waarop de schuldsaneringsregeling eindigt.
4. De bewindvoerder doet van de
dag, uur en plaats onverwijld aankondiging in de Staatscourant.
Artikel 355
1. Van het vonnis, bedoeld in
artikel 354 en inartikel 354a, kunnen de schuldeisers en de
schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in
hoger beroep komen.
2. Artikel 351, tweede tot en met
vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 356
1. De bewindvoerder gaat, zodra de
uitspraak bedoeld in artikel 354 in kracht van gewijsde is gegaan,
onverwijld over tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. Geen
slotuitdelingslijst wordt opgemaakt indien de rechtbank de
toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op
grond van artikel 354a.
2. De toepassing van de
schuldsaneringsregeling is van rechtswege beëindigd zodra de
slotuitdelingslijst verbindend is geworden dan wel, indien de
rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft
beëindigd op grond van artikel 354a, zodra de uitspraak tot de
beëindiging in kracht van gewijsde is gegaan. De bewindvoerder
doet daarvan aankondiging in de Staatscourant.
3. Na verloop van een maand na de
beëindiging doet de bewindvoerder rekening en verantwoording van
zijn beheer aan de rechter-commissaris.
4. Artikel 194 is van toepassing.
Artikel 357 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 358
1. Door de beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel
356, tweede lid, is een vordering ten aanzien waarvan de
schuldsaneringsregeling werkt, voorzover deze onvoldaan is
gebleven, niet langer afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser
al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en
onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de rechter in het vonnis bedoeld in artikel 354
heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is
tekortgeschoten en de rechter daarbij geen toepassing heeft
gegeven aan het tweede lid van artikel 354.
3. Het eerste lid is tevens van
toepassing op boedelschulden, bedoeld in artikel 15d, eerste lid,
onder b, voor zover deze niet uit de boedel van de
schuldsaneringsregeling voldaan kunnen worden.
4. Onverminderd artikel 288, tweede
lid, onder c, is bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling
het eerste lid niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die
voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane
strafrechtelijke veroordeling
a. tot betaling van een
geldboete als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 4, van
het Wetboek van Strafrecht,
b. tot betaling van een
geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van
Strafrecht,
c. tot betaling van een
geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, of
d. tot betaling van een
schadevergoeding aan een benadeelde partij alsbedoeld in
artikel 51a Wetboek van Strafvordering.
Met een vordering onder dit lid
wordt gelijkgesteld een vordering die voortvloeit uit een in
kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van
schadevergoeding die is vastgesteld door de burgerlijke rechter
nadat de strafrechter die over het misdrijf of de overtreding
heeft geoordeeld, heeft vastgesteld dat de vordering tot betaling
van schadevergoeding of een deel daarvan slechts bij de
burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van een vordering waarvoor een hypotheek
tot zekerheid strekt, die is gevestigd op het registergoed waarin
de schuldenaar woonachtig is, indien op de rente van deze
vordering artikel 303, derde lid, van toepassing is.
6. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de schuldenaar tijdens de toepassing van de
schuldsaneringsregeling is overleden.
Negende afdeling. Bijzondere
bepalingen
Artikel 358a
1. Indien na de beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling waardoor het
rechtsgevolg bedoeld in artikel 358, eerste lid, is ingetreden,
blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben
voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging
van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van
artikel 350, derde lid, onder e, kan de rechter op verzoek van
iedere belanghebbende bepalen dat artikel 358, eerste lid, verder
geen toepassing vindt.
2. Alvorens te beslissen roept de
rechtbank de schuldenaar op ten einde door haar te worden gehoord.
3. Van het vonnis kan gedurende
acht dagen na de uitspraak in hoger beroep worden gekomen. Het
hoger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen
ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet
nemen.
4. Gedurende acht dagen na het
arrest van het gerechtshof kan beroep in cassatie worden
ingesteld. Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een
verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.
5. Zodra de uitspraak bedoeld in
het eerste lid in kracht van gewijsde is gegaan, doet de griffier
van het gerecht dat deze uitspraak heeft gedaan daarvan onverwijld
aankondiging in de Staatscourant.
Artikel 359
1. Indien de faillietverklaring van
de schuldenaar tijdens de toepassing van de
schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken of indien de
schuldenaar ingevolge artikel 350, vijfde lid, in staat van
faillissement komt te verkeren, gelden de volgende regelen:
a. handelingen tijdens de
toepassing van de schuldsaneringsregeling door de
bewindvoerder verricht, blijven geldend en verbindend;
b. boedelschulden, gedurende de
toepassing van de schuldsaneringsregeling ontstaan, gelden als
boedelschulden in het faillissement;
c. nieuwe schulden, gedurende
de toepassing van de schuldsaneringsregeling ontstaan, niet
zijnde boedelschulden, gelden als in het faillissement
verifieerbare schulden.
d. in de
schuldsaneringsregeling ingediende vorderingen gelden als
ingediend in het faillissement;
e. rentevorderingen als bedoeld
inartikel 303 moeten alsnog worden ingediend.
2. De curator oefent de bevoegdheid
uit, in artikel 297, derde lid, aan de bewindvoerder toegekend.
3. Het tijdstip, waarop de
termijnen vermeld in de artikelen 43 en 45 aanvangen, wordt
berekend met ingang van de dag van de uitspraak tot de toepassing
van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 359a
Deartikelen 203 tot en met 205 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Tiende afdeling. Slotbepalingen
Artikel 360
Tegen de beslissingen van de rechter,
ingevolge de bepalingen van deze titel gegeven, staat geen hogere
voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is
bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der
wet.
Artikel 361
1. De verzoeken, te doen ingevolge
de artikelen 292, eerste en derde lid, 315, eerste lid, 348, 349a,
tweede lid, 350, eerste lid, 351, eerste lid, 355, eerste lid, en
358a, eerste lid, moeten door een advocaat zijn ondertekend,
behalve wanneer een verzoek wordt gedaan door de bewindvoerder of,
bij een verzoek ingevolge artikel 350, eerste lid, door de
schuldenaar.
2. Verzoekschriften op de voet van
artikel 33 van de in artikel 5, derde lid, genoemde verordening
worden ingediend door een advocaat.
3. Voor het instellen van beroep in
cassatie is steeds de medewerking nodig van een advocaat bij de
Hoge Raad.
Algemene slotbepaling
Artikel 362
1. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen,
gesteld in de artikelen 39, 40, 238, 239 en 305.
2. De derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is niet van toepassing op verzoeken ingevolge deze wet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 30sten September 1893
EMMA
De Minister van Justitie,
Smidt
Uitgegeven den zesden October 1893
De Minister van Justitie,
Smidt
|