Nadere regelgeving:
- Besluit
BDU verkeer en vervoer
- Besluit brede doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid
- Besluit financiële verhouding
2001
- Besluit inburgering
- Besluit integratie-uitkering
WUW-middelen gemeentefonds
WET van 21 oktober 1996, houdende regels
inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten (Financiële-verhoudingswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regels te stellen inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de
gemeenten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën;
b. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op
uitkering ontstaat;
c. Onze Minister wie het aangaat: Onze Minister die een
specifieke uitkering heeft verstrekt.
Artikel 2
1.Indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een
wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door
provincies of gemeenten, wordt in een afzonderlijk onderdeel van
de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met
kwantitatieve gegevens gestaafd, welke de financiële gevolgen van
deze wijziging voor de provincies of gemeenten zijn.
2.In de toelichting wordt tevens aangegeven via welke
bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of
gemeenten kunnen worden opgevangen.
3.Over de toepassing van het eerste en tweede lid vindt tijdig
overleg plaats met Onze Ministers.
HOOFDSTUK 2. HET PROVINCIEFONDS EN HET GEMEENTEFONDS
Paragraaf 2.1. Algemeen
Artikel 3
1.Er is een provinciefonds en een gemeentefonds. De fondsen
zijn begrotingsfondsen.
2.Onze Ministers beheren de begroting van de fondsen.
Artikel 4
1.Bij wet wordt ten aanzien van ieder uitkeringsjaar een bedrag
aan middelen van het Rijk ten behoeve van elk van de fondsen
afgezonderd.
2.De uitgaven en de ontvangsten van de fondsen zijn over ieder
uitkeringsjaar aan elkaar gelijk.
Artikel 5
1.De begroting van het provinciefonds vermeldt het bedrag dat
als verplichting geldt voor het totaal van de algemene
uitkeringen. De begroting van het gemeentefonds vermeldt het
bedrag dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene
uitkeringen en de aanvullende uitkeringen.
2.In de begroting van elk van de fondsen kunnen
decentralisatie-uitkeringen en integratie-uitkeringen als
verplichting worden opgenomen, om aan provincies of gemeenten te
worden uitgekeerd op een andere wijze dan door middel van de
algemene uitkering.
3.In de begroting van elk van de fondsen kan een voorziening
worden getroffen voor de uitbetaling van specifieke uitkeringen
aan provincies of gemeenten waarbij meer dan één departement
financieel is betrokken.
Paragraaf 2.2. De algemene uitkering
Artikel 6
1.Een provincie heeft over ieder uitkeringsjaar recht op een
algemene uitkering uit het provinciefonds. Een gemeente heeft over
ieder uitkeringsjaar recht op een algemene uitkering uit het
gemeentefonds.
2.De uitkering komt ten goede aan de algemene middelen van de
provincie of van de gemeente.
3.De provincies hebben gezamenlijk over een uitkeringsjaar
recht op het in de begroting van het provinciefonds vermelde
bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor dat jaar.
4.De gemeenten hebben gezamenlijk over een uitkeringsjaar recht
op het in de begroting van het gemeentefonds vermelde bedrag,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor dat jaar, verminderd met
het totaal aan verplichtingen voor aanvullende uitkeringen die
over het uitkeringsjaar worden aangegaan.
Artikel 7
De verdeling over de provincies en gemeenten van het voor de
algemene uitkeringen beschikbare bedrag houdt rekening met de
verschillen tussen de provincies onderling en de gemeenten onderling
in het vermogen tot het voorzien in eigen inkomsten en met de
verschillen in noodzakelijke uitgaven.
Artikel 8
1. Ten behoeve van de verdeling van het provinciefonds en het
gemeentefonds worden verdeelmaatstaven gehanteerd. De maatstaven
hebben slechts betrekking op de kenmerken die zijn vermeld in de
navolgende tabellen A en B. Bij een kenmerk worden ten minste de
in de tabellen vermelde onderscheidingen aangebracht.
Tabel A Kenmerken en onderscheidingen
van de verdeelmaatstaven voor het provinciefonds
|
Kenmerk |
Onderscheidingen |
|
a Belastingcapaciteit van de
provincies ter zake van de motorrijtuigenbelasting |
|
|
b De inwoners van de provincies |
Bevolkingsdichtheid |
|
c Het grondgebied van de
provincies |
Oppervlakte |
| |
Bodemgebruik |
|
d De bedrijvigheid in de
provincies |
|
|
e Een vast bedrag voor de
provincies |
|
Tabel B Kenmerken en
onderscheidingen van de verdeelmaatstaven voor het gemeentefonds
|
Kenmerk |
Onderscheidingen |
|
a Belastingcapaciteit van de
gemeenten ter zake van de onroerende-zaakbelastingen |
Belastingcapaciteit ter zake
van woningen |
| |
Belastingcapaciteit ter zake
van niet-woningen |
|
b De inwoners van de gemeenten |
Leeftijd |
| |
Woonplaats |
| |
Inkomen |
| |
Recht op uitkering |
| |
Behoren tot een
minderheidsgroep |
| |
Beroep op voorzieningen in de
gemeenten |
|
c Het grondgebied van de
gemeenten |
Oppervlakte |
| |
Bodemgesteldheid |
| |
Historische kern |
|
d De bebouwing in de gemeenten |
Grondoppervlak bebouwing |
| |
Woonruimten |
| |
Historisch aantal woonruimten |
| |
Noodzaak voor vernieuwing van
de bebouwing |
| |
Dichtheid van de bebouwing |
|
e Vaste bedragen voor gemeenten |
Vaste bedragen voor de vier
grootste steden |
| |
Vast bedrag voor de
waddengemeenten |
| |
Vast bedrag voor alle gemeenten |
|
f Tijdelijke ondersteuning van
gemeenten in verband met herindeling |
|
2. De belastingcapaciteit ter
zake van woningen, bedoeld in tabel B onder a, wordt slechts
voor 80% in de verdeelmaatstaf betrokken. De belastingcapaciteit
ter zake van niet-woningen wordt slechts voor 70% in de
verdeelmaatstaf betrokken.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
verdeelmaatstaven worden gehanteerd en hoe deze worden gehanteerd.
Krachtens de maatregel kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent de toepassing van de bij de bepaling gebruikte begrippen en
omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per
verdeelmaatstaf.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel
van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 9
1.Ten behoeve van de verdeling stellen Onze Ministers over
ieder uitkeringsjaar bedragen per eenheid vast die behoren bij de
verdeelmaatstaven.
2.Op de voorbereiding van de vaststelling is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 10
Onze Ministers stellen over ieder uitkeringsjaar de algemene
uitkeringen aan de provincies en de gemeenten vast. Zij verdelen
daartoe het voor de algemene uitkeringen in het provinciefonds
beschikbare bedrag onder de provincies en het voor de algemene
uitkeringen in het gemeentefonds beschikbare bedrag onder de
gemeenten naar rato van de uitkeringsbases.
Artikel 11
De in artikel 10 bedoelde uitkeringsbasis voor een provincie of
gemeente is de som van de produkten die worden verkregen door voor
iedere verdeelmaatstaf het aantal eenheden van die maatstaf te
vermenigvuldigen met het bij de maatstaf behorende bedrag per
eenheid.
Paragraaf 2.3. De aanvullende uitkering
Artikel 12
1.Onze Ministers kunnen op verzoek van de gemeenteraad de
gemeente over een uitkeringsjaar een aanvullende uitkering
verlenen.
2.Een aanvullende uitkering wordt slechts verleend indien de
algemene middelen van de gemeente aanmerkelijk en structureel
tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te
voorzien, terwijl de eigen inkomsten van de gemeente zich op een
redelijk peil bevinden.
3.Onze Ministers kunnen voorschriften verbinden aan het besluit
tot verlening van een aanvullende uitkering.
4.Onze Ministers kunnen een verleende aanvullende uitkering
verminderen of intrekken indien:
a. de financiële positie van de gemeente verbetert;
b. de gemeente in strijd handelt met een wettelijk
voorschrift dat betrekking heeft op de aanvullende uitkering,
of met een voorschrift dat aan het besluit tot verlening van
de aanvullende uitkering is verbonden.
5.De gemeente die een aanvullende uitkering heeft aangevraagd,
of waaraan een aanvullende uitkering is verleend, neemt
maatregelen ter verbetering van haar financiële positie.
Paragraaf 2.4. De overige uitkeringen
Artikel 13
1.De verdeling van de in artikel 5, tweede lid, bedoelde
uitkeringen wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
Krachtens de maatregel kunnen nadere regels worden gesteld over de
wijze van verdeling en de wijze van vaststellen van het volume.
2.De uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, komen ten goede
aan de algemene middelen van de provincie of gemeente.
3.Integratie-uitkeringen worden binnen een bij de maatregel te
bepalen termijn in de algemene uitkering opgenomen.
4.Een decentralisatie-uitkering is een uitkering waarbij geen
termijn van de overgang van de uitkering naar de algemene
uitkering is vastgesteld.
5.Jaarlijks bezien Onze Ministers na overleg met Onze Ministers
wie het aangaat of een decentralisatie-uitkering kan worden
gewijzigd in een integratie-uitkering of een algemene uitkering en
doen daarvan verslag in de toelichting op de begrotingen van het
provinciefonds en van het gemeentefonds.
Artikel 14
De uitkeringen, bedoeld in artikel 5, derde lid, worden
vastgesteld door Onze Ministers wie het aangaat.
Paragraaf 2.5. De betalingen
Artikel 15
1.Onze Ministers doen betalingen uit de fondsen aan de
provincies en de gemeenten, zo nodig vooruitlopend op de
vaststelling van de uitkeringen over het uitkeringsjaar.
2.Indien de over enig uitkeringsjaar verrichte betalingen aan
een provincie of gemeente hoger of lager zijn dan de over dat jaar
voor de provincie of gemeente vastgestelde uitkeringen, wordt het
verschil teruggevorderd of uitbetaald.
HOOFDSTUK 3. SPECIFIEKE UITKERINGEN
Artikel 15a
1.Elke bijdrage uit ‘s Rijks kas die door of vanwege Onze
Minister wie het aangaat onder voorwaarden ten behoeve van een
bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten wordt
verstrekt, is een specifieke uitkering.
2.Indien provincies of gemeenten optreden als marktpartij of
werkgever, of als eigenaar of huurder van een roerende of
onroerende zaak, en onder dezelfde voorwaarden als andere
natuurlijke personen en rechtspersonen, niet zijnde medeoverheden,
voor een bijdrage uit‘s Rijks kas in aanmerking komen, is die
bijdrage geen specifieke uitkering.
3.Bijdragen uit ‘s Rijks kas aan provincies en gemeenten ten
behoeve van een bepaald openbaar belang waarvoor een bedrag
beschikbaar is, dat lager is dan een bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties vastgesteld bedrag, kunnen slechts worden
verstrekt als onderdeel van een verzameluitkering.
Artikel 16
1.Specifieke uitkeringen kunnen worden verstrekt voor de
bestrijding van in de regeling van de uitkering aangeduide kosten
van de ontvangers.
2.Specifieke uitkeringen worden slechts verstrekt als deze
wijze van bekostiging van provinciale of gemeentelijke taken
bijzonder aangewezen moet worden geacht.
Artikel 16a
1.Een verzameluitkering is een specifieke uitkering aan
provincies en gemeenten per ministerie waarin bedragen voor
beleidsthema’s zijn opgenomen.
2.Bedragen ten behoeve van een verzameluitkering worden
opgenomen in het begrotingsartikel, genoemd in artikel 6, eerste
lid, onder a, van de Comptabiliteitswet 2001.
3.Een begroting als bedoeld in artikel 1, onderdelen a en b,
van de Comptabiliteitswet 2001 bevat niet meer dan één
verzameluitkering.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
is belast met de verstrekking, de verlening, de vaststelling en de
terugvordering van de verzameluitkeringen. Bij de verstrekking van
een verzameluitkering wordt vermeld ter zake van welke
beleidsthema’s de uitkering wordt verstrekt, en wat de verdeling
is per beleidsthema.
5.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen over de
verstrekking, de verlening, waaronder de bevoorschotting, de
vaststelling en de terugvordering van de verzameluitkeringen.
6.De verzameluitkering wordt besteed binnen de doelstellingen
van het ministerie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, van
de Comptabiliteitswet 2001. De informatie ten behoeve van de
verantwoording betreft het totaal bestede bedrag per
verzameluitkering.
Artikel 17
1.Specifieke uitkeringen worden geregeld bij of krachtens de
wet.
2.Het eerste lid is niet van toepassing in de gevallen, bedoeld
in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, met
dien verstande dat in de gevallen, bedoeld in artikel 4:23, derde
lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht de specifieke
uitkering wordt geregeld bij ministeriële regeling.
3.Tijdelijke specifieke uitkeringen kunnen worden geregeld bij
algemene maatregel van bestuur. Krachtens de maatregel kan de
verdeling van de uitkering nader worden bepaald.
4.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde
lid vervalt vier jaren nadat hij in werking is getreden, tenzij
voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is
ingediend waarin de specifieke uitkering wordt geregeld.
5.Eenmalige specifieke uitkeringen kunnen worden geregeld bij
ministeriële regeling.
Artikel 17a
1.Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en
wethouders zenden de informatie ten behoeve van de verantwoording
over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering
uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de
vorm van:
a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel
202, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk
artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet, en
b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen,
bedoeld in artikel 217, derde en vierde lid, van de
Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 213, derde en vierde
lid, van de Gemeentewet.
2.Indien provincies en gemeenten van elkaar middelen ontvangen
die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, verstrekken zij
de informatie, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
stelt bij ministeriële regeling nadere regels over het
verstrekken van de in het eerste lid bedoelde informatie.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
brengt de informatie betreffende de specifieke uitkeringen
onverwijld ter kennis van Onze Ministers en de bestuursorganen wie
het aangaat.
5.Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd inlichtingen over de besteding
van een specifieke uitkering aan de door Onze Minister wie het
aangaat daartoe aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst,
bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
De ambtenaren van de accountantsdienst kunnen tevens informatie
inwinnen bij de in artikel 217, tweede lid, van de Provinciewet
onderscheidenlijk artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet
bedoelde accountants.
6.Dit artikel is niet van toepassing:
a. indien de voorwaarden aan de EG-subsidies als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht Europese subsidies
anders verplichten, voor zover die subsidies door tussenkomst
van ’s Rijks kas worden verstrekt;
b. indien de specifieke uitkering is verstrekt aan een
gemeente in de hoedanigheid van bevoegd gezag van een openbare
school;
c. op het investeringsbudget, bedoeld in de Wet inrichting
landelijk gebied.
Artikel 17b
1. Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties vaststelt dat de informatie, bedoeld in
artikel 17a, eerste lid, niet is verstrekt op de wijze zoals
voorgeschreven op grond van het derde lid van artikel 17a, doet
hij daarvan mededeling aan gedeputeerde staten of het college van
burgemeester en wethouders.
2. Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en
wethouders kunnen voor 1 juli van het jaar volgend op het
begrotingsjaar, schriftelijk en met redenen omkleed aan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken
om uitstel van de toezending van de in artikel 17a, eerste lid,
bedoelde informatie. Hij beslist binnen twee weken op dat verzoek,
na overleg met Onze Ministers wie het aangaat.
3. Onze Ministers kunnen de betalingen op grond van artikel 15,
eerste lid, aan de betreffende provincie of gemeente geheel of
gedeeltelijk opschorten gedurende ten hoogste zesentwintig weken
indien:
a. gedeputeerde staten en het college van burgemeester en
wethouders nalaten de informatie, bedoeld in artikel 17a,
eerste lid, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties te zenden binnen de in dat artikellid
genoemde termijn, dan wel, als uitstel is verleend, binnen de
termijn waarvoor uitstel is verleend, of
b. de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, na
het verstrijken van de voorgeschreven termijn, niet is
verstrekt op de wijze zoals voorgeschreven krachtens het derde
lid van dat artikel.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
doet terstond mededeling aan het desbetreffende bestuursorgaan van
een besluit als bedoeld in het derde lid, met vermelding van de
mate waarin en de periode waarvoor de betalingen ten hoogste
geschorst worden. De betalingen worden hervat in de week nadat de
informatie is verstrekt op de wijze zoals voorgeschreven krachtens
het derde lid van artikel 17a.
5. Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en
wethouders kunnen na een besluit als bedoeld in het derde lid,
indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven,
schriftelijk en met redenen omkleed aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om de
opschorting ongedaan te maken. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties beslist binnen twee weken op dat
verzoek, na overleg met Onze Ministers wie het aangaat.
6. Als gedeputeerde staten of het college van burgemeester en
wethouders de gevraagde informatie binnen de in het vierde lid
bedoelde periode niet hebben verstrekt of niet op de wijze zoals
voorgeschreven krachtens hetderde lid van artikel 17a, doet Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan
mededeling aan Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 18
1.Over een voorstel tot regeling van een specifieke uitkering,
niet zijnde een verzameluitkering als bedoeld in artikel 16a,
vindt tijdig overleg plaats met Onze Ministers.
2.Onze Ministers wie het aangaat melden zo nodig ter
voorbereiding van de indiening van de ontwerp-begrotingen en de
wijzigingen, bedoeld in artikel 15, eerste tot en met derde lid,
van de Comptabiliteitswet 2001, aan Onze Ministers welke
beleidsthema’s door middel van een verzameluitkering worden
bekostigd.
Artikel 19
1.De artikelen 117, eerste lid, van de Provinciewet en 119,
eerste lid, van de Gemeentewet zijn niet van toepassing op de
regeling van de informatievoorziening ten aanzien van een
specifieke uitkering als bedoeld in artikel 17, derde en vijfde
lid.
2.Onze Minister wie het aangaat kan ten behoeve van de
uitvoering van zijn beleid beleidsinformatie aan de ontvangers van
bijdragen uit een verzameluitkering vragen:
a. voor een meerjarige periode, van alle ontvangers of een
selectie van de ontvangers;
b. jaarlijks van een selectie van de ontvangers of
c. na afloop van de looptijd van de regeling op grond
waarvan de bijdrage voor het betreffende beleidsthema in de
verzameluitkering is opgenomen van alle ontvangers of een
selectie van de ontvangers.
3.Over de beleidsinformatie, bedoeld in het tweede lid, wordt
geen verklaring of verslag van bevindingen van een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek overgelegd.
Artikel 20
Uiterlijk op de derde woensdag van mei publiceren Onze Ministers
een onderhoudsrapport over de specifieke uitkeringen over het
voorafgaande jaar.
Artikel 21
De artikelen 16 en 18 tot en met 20 zijn van overeenkomstige
toepassing op uitkeringen uit ’s Rijks kas aan derden, ter
bekostiging van activiteiten van die derden, waarbij de verstrekking
afhankelijk is van de verstrekking van een uitkering door provincies
of gemeenten aan die derden.
HOOFDSTUK 4. OVERIGE BEPALINGEN, OVERGANGSBEPALINGEN EN
SLOTBEPALINGEN
Paragraaf 4.1. Overige bepalingen
Artikel 22
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent:
a. de toepassing van de in deze wet gehanteerde begrippen;
b. de procedure tot vaststelling en verstrekking van
uitkeringen als bedoeld in deze wet;
c. de betalingen, bedoeld in artikel 15 en de opschorting
daarvan, bedoeld in artikel 17b, derde, vierde en vijfde lid;
d. het verzamelen en vaststellen van gegevens ten behoeve van
uitkeringen;
e. het doen van mededelingen en het verschaffen van
inlichtingen in verband met de vaststelling en verstrekking van
uitkeringen.
Artikel 23
Op een uitkering als bedoeld in deze wet kan geen beslag onder de
Staat worden gelegd.
Paragraaf 4.2. Overgangsbepalingen
Artikel 24
1.In afwijking van artikel 8, derde lid, wordt voor de eerste
maal bij wet bepaald welke verdeelmaatstaven worden gehanteerd en
hoe deze worden gehanteerd. Krachtens die wet, bij regeling van
Onze Ministers, kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent
de toepassing van de bij de bepaling gebruikte begrippen en
omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per
verdeelmaatstaf.
2.In afwijking van artikel 9, eerste lid, worden de bedragen
per eenheid behorend bij de in het eerste lid bedoelde maatstaven,
over het eerste uitkeringsjaar bij wet vastgesteld. Daarbij kan
worden bepaald dat Onze Ministers deze bedragen aan kunnen passen
in verband met wijzigingen ten aanzien van het fonds over de jaren
1996 en 1997, die door middel van wijzigingen in de bedragen per
eenheid over de gemeenten verdeeld behoren te worden. Artikel 9,
tweede lid, blijft buiten toepassing bij de vaststelling van de
bedragen per eenheid over het eerste uitkeringsjaar.
Artikel 24a
[Wijzigt deze wet]
Paragraaf 4.3. Slotbepalingen
Artikel 25
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 26
Deze wet wordt aangehaald als: Financiële-verhoudingswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 oktober 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A.G.M. van de Vondervoort
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de vijfde december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|