| |
|
|
|
|
vorige
FLORA-
EN FAUNAWET
Tekst zoals deze geldt op
18 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing dier- en
plantensoorten Flora- en faunawet
- Besluit beheer en schadebestrijding dieren
- Besluit faunabeheer
- Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
- Jachtbesluit
- Jachtregeling
- Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
- Regeling beheer en schadebestrijding dieren
- Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en
faunawet
- Regeling zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren
Flora- en
faunawet
WET van 25 mei 1998, houdende regels ter
bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (Flora- en
faunawet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verspreide wettelijke regels inzake de bescherming van in het wild
levende planten- en diersoorten in één wet onder te brengen, dit
vooral teneinde een betere afstemming tussen die regels te
bewerkstelligen als ook in verband met de uitvoering van internationale
verplichtingen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties
inzake de bescherming van die soorten, zulks in het belang van de
bescherming van die planten- en diersoorten en, voorzover het die
diersoorten betreft, mede onder erkenning van de intrinsieke waarde van
de daartoe behorende dieren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Faunafonds: fonds, bedoeld in artikel 83;
dieren: dieren in al hun ontwikkelingsstadia, met uitzondering van
eieren;
planten: planten in al hun ontwikkelingsstadia;
producten van dieren: dode dieren, delen van levende of dode dieren
en alle van dieren afgeleide producten, al dan niet in andere zaken
vervat, alsmede alle zaken waarvan uit een begeleidend document, de
verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet
worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren
bevatten of daaruit bestaan;
producten van planten: dode planten, delen van levende of dode
planten en alle van planten afgeleide producten, al dan niet in andere
zaken vervat, alsmede alle zaken waarvan uit een begeleidend document,
de verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid
moet worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van
planten bevatten of daaruit bestaan;
beschermde inheemse plantensoort: plantensoort aangewezen krachtens
artikel 3;
beschermde inheemse diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, of aangewezen krachtens artikel 4, tweede of derde lid;
beschermde uitheemse plantensoort: plantensoort aangewezen
krachtens artikel 5;
beschermde uitheemse diersoort: diersoort aangewezen krachtens
artikel 5;
wild: dieren behorende tot één der in artikel 32, eerste lid,
bedoelde diersoorten, die in de voor hun aard natuurlijke vrijheid
leven;
jagen: bemachtigen, doden of het met het oog daarop opsporen van
wild alsmede het doen van pogingen daartoe;
jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34
bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de
jacht;
jachtakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a;
valkeniersakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid,
onderdeel b;
kooikersakte: akte als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel
c;
jachtvogel: vogel met behulp waarvan de jacht krachtens artikel 50,
eerste lid, mag worden uitgeoefend;
grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken,
hetzij als eigenaar, hetzij krachtens een beperkt recht, hetzij
krachtens een pachtovereenkomst;
faunabeheereenheid: overeenkomstig artikel 29 erkend
samenwerkingsverband van jachthouders;
faunabeheerplan: overeenkomstig artikel 30 goedgekeurd
faunabeheerplan;
wildbeheereenheid: een rechtspersoonlijkheid bezittend
samenwerkingsverband van jacht(akte)houders en anderen dat tot doel
heeft te bevorderen dat jacht, beheer en schadebestrijding, al dan
niet ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid opgestelde
faunabeheerplan, wordt uitgevoerd mede in samenwerking met en mede ten
dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders;
jachtopzichter: degene die zorg draagt voor de bescherming van de
jachtbelangen van een jachthouder en tevens als buitengewoon
opsporingsambtenaar belast is met de opsporing van de bij of krachtens
deze wet strafbaar gestelde feiten en van de overige in de akte of
aanwijzing als bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangeduide strafbare feiten;
kooiker: degene die ingevolge het bepaalde in artikel 57 als
zodanig is geregistreerd;
walvissen: baleinwalvissen en potvissen;
richtlijn 79/409/EEG: richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de
vogelstand (PbEG L 103);
richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van
de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
soort: ondersoort, geografisch onderscheiden populatie van een
soort of kruisingen;
planten: geënte planten;
dode dieren: geprepareerde dieren alsmede dieren die op enigerlei
wijze geschikt zijn gemaakt om duurzaam te worden bewaard;
dode planten: planten die op enigerlei wijze geschikt zijn gemaakt
om duurzaam te worden bewaard;
eieren: schalen van eieren;
grond: wateren;
veld: stranden, schorren, gorzen, kwelders, slikken, wadden,
binnenwateren en territoriale wateren alsmede wegen en paden,
voorzover deze geacht kunnen worden deel uit te maken van een voor de
uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein;
binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen: iedere
handeling die is gericht op het bewerkstelligen van het binnen of
buiten het grondgebied van Nederland brengen;
ten verkoop aanbieden: elke handeling die redelijkerwijs als het
ten verkoop aanbieden kan worden uitgelegd waaronder het maken of doen
maken van handelspubliciteit en het uitnodigen tot zaken doen.
Artikel 2
1.Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild
levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
2.De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat
een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn
handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen
worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te
laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd
teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet
kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan
te maken.
Hoofdstuk II. Aanwijzing van beschermde soorten
Artikel 3
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen als beschermde inheemse
plantensoort worden aangewezen plantensoorten die van nature in
Nederland voorkomen en die:
a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in
hun voortbestaan te worden bedreigd;
b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd
of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen
noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c. uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede
kans op terugkeer bestaat of
d. zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen
op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat
aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.
2.De aanwijzing van een plantensoort als beschermde inheemse
plantensoort geschiedt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid
bij ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter
uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van
organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 4
1.Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:
a. alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren,
met uitzondering van gedomesticeerde dieren behorende tot bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten en met
uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis;
b. alle van nature op het Europese grondgebied van de
Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met
uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen soorten;
c. alle van nature in Nederland voorkomende soorten amfibieën
en reptielen en
d. alle van nature in Nederland voorkomende soorten vissen, met
uitzondering van de soorten waarop de Visserijwet 1963 van
toepassing is.
2.Als beschermde inheemse diersoort kunnen voorts bij algemene
maatregel van bestuur worden aangewezen diersoorten die van nature in
Nederland voorkomen en die:
a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in
hun voortbestaan te worden bedreigd;
b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd
of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen
noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c. uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede
kans op terugkeer bestaat of
d. zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen
op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat
aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.
3.De aanwijzing van een diersoort als beschermde inheemse diersoort
geschiedt in afwijking van het bepaalde in het tweede lid bij
ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter
uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van
organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.
4.Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend welke de soorten,
bedoeld in het eerste lid, zijn.
Artikel 5
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen als beschermde
uitheemse plantensoort of beschermde uitheemse diersoort worden
aangewezen plantensoorten onderscheidenlijk diersoorten die niet van
nature in Nederland voorkomen en die:
a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in
hun voortbestaan te worden bedreigd, dan wel die zodanige
gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan
noodzakelijk is ter bescherming van die soorten, of
b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd
of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen
noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting, dan wel
die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat
aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.
2.De aanwijzing van een plantensoort of van een diersoort als
beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk als beschermde
uitheemse diersoort geschiedt in afwijking van het bepaalde in het
eerste lid bij ministeriële regeling indien die aanwijzing
noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of
bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties.
3.Bij de aanwijzing van soorten, bedoeld in het eerste of tweede
lid, worden deze soorten onderscheiden in categorieën van soorten als
bedoeld in onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b van het eerste
lid.
Artikel 6
Aanwijzingen van soorten als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5,
kunnen worden beperkt naar gelang van de ontwikkelingsstadia van dieren
en planten behorende tot die soorten. De aanwijzingen kunnen voorts
worden beperkt tot de onderscheiden producten van dieren en planten,
behorende tot de soorten bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5.
Artikel 7
1.Onze Minister stelt, mede ter uitvoering van internationale
verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie
of andere volkenrechtelijke organisaties, lijsten vast van met
uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende in ons land van nature
voorkomende planten- of diersoorten.
2.Onze Minister bevordert in ieder geval ten aanzien van soorten,
vermeld op de lijsten, bedoeld in het eerste lid, onderzoek en
werkzaamheden, nodig voor bescherming en beheer.
3.Tot de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, kan behoren het
opstellen van beschermingsplannen.
4.Onze Minister maakt de lijsten, bedoeld in het eerste lid, bekend
in de Staatscourant.
Hoofdstuk III. Algemene verbodsbepalingen
Paragraaf 1. Bepalingen betreffende planten op hun groeiplaats
Artikel 8
Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse
plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken,
te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere
wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Paragraaf 2. Bepalingen betreffende dieren in hun natuurlijke
leefomgeving
Artikel 9
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse
diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het
oog daarop op te sporen.
Artikel 10
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse
diersoort, opzettelijk te verontrusten.
Artikel 11
Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste
rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde
inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te
nemen of te verstoren.
Artikel 12
Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde
inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te
beschadigen of te vernielen.
Artikel 12a
1.Onverminderd artikel 9 is het verboden zonder vergunning van Onze
Minister van een Nederlands schip uit walvissen te vangen of te doden
dan wel aan boord van een zodanig schip walvissen te verwerken.
2.Aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden
voorschriften verbonden ter bescherming van de walvisstand dan wel ter
bevordering van het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot
walvissen.
3.Bij de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, wordt verboden:
a. walvissen van bepaalde soorten, walvissen die een bepaalde
lengte niet hebben bereikt en vrouwelijke walvissen die vergezeld
worden door jonge walvissen, te vangen of te doden;
b. walvissen in bepaalde zeegebieden te vangen, te doden of te
verwerken;
c. gedode walvissen niet, niet tijdig of niet volledig te
verwerken.
4.De voorschriften, bedoeld in het derde lid, kunnen voorts onder
meer regels inhouden omtrent het vangen, doden of verwerken van
walvissen in bepaalde tijdvakken, omtrent het tijdstip, waarop de
walvisvangst ieder seizoen moet worden gestaakt, omtrent de wijze van
beloning van de harpoeniers en de bemanningen van de vaartuigen
waarmee de walvisvangst wordt uitgeoefend, dan wel omtrent de door de
vergunningplichtige met betrekking tot de walvisvangst te verstrekken
gegevens.
5.Onze Minister kan aan de vergunning verbonden voorschriften
wijzigen of intrekken dan wel aan die voorschriften nieuwe toevoegen.
Paragraaf 3. Bepalingen betreffende het bezit, het vervoer en de
handel
Artikel 13
1.Het is verboden:
a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren,
nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde
inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk
een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of
b. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop
voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop
aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te
leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te
verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of
tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het
grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.
2.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengen, gelden de in het eerste lid
bedoelde verboden noch ten aanzien van planten of producten van
planten, noch ten aanzien van dieren of eieren, nesten of producten
van dieren behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort
onderscheidenlijk een beschermde uitheemse diersoort, die is
aangewezen om redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel
b, indien kan worden aangetoond dat zij:
a. overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde in
Nederland zijn gebracht of
b. overeenkomstig de Wet bedreigde uitheemse dier- en
plantensoorten zijn verworven voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel.
Paragraaf 4. Overige verbodsbepalingen
Artikel 14
1.Het is verboden dieren of eieren van dieren in de vrije natuur
uit te zetten.
2.Het is verboden planten behorende tot bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen soorten in de vrije natuur te planten of uit te
zaaien.
3.Het is verboden planten of dieren, behorende tot bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen soorten, onder zich te hebben, binnen
of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te koop te vragen,
te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te
hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten
vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel
gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden.
4.Krachtens het tweede en derde lid kunnen slechts worden
aangewezen soorten die een gevaar kunnen opleveren voor het
voortbestaan van beschermde inheemse dier- of plantensoorten of die
aanmerkelijke verslechtering kunnen veroorzaken van omstandigheden die
voor het voortbestaan van die soorten noodzakelijk zijn.
5.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het
uitzetten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
vissoorten, waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is.
Artikel 15
1.Het is verboden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen van
dieren, onder zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van
Nederland te brengen, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten
verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop
aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te
leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren,
te ruilen of in ruil aan te bieden.
2.Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt zijn voor het
doden of vangen van dieren, of met materialen ter onmiddellijke
vervaardiging van die middelen of van de krachtens het eerste lid
aangewezen middelen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
die middelen of materialen voor het doden of vangen van dieren zullen
worden gebruikt.
3.Bij een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt
mede rekening gehouden met het belang te voorkomen dat een onnodig
grote inbreuk op het welzijn van het te doden of te vangen dier wordt
gemaakt.
Artikel 15a
1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 72 is het,
ingeval op grond van Hoofdstuk V, titel III, een afwijking van artikel
9 wordt toegepast, verboden gebruik te maken van alle middelen,
installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve
bemachtigen, vangen of doden van vogels als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel b, of die de plaatselijke verdwijning van deze
soorten tot gevolg kunnen hebben.
2.Tot de middelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder
geval:
a. de middelen, bedoeld in bijlage IV, onderdeel a, van
richtlijn 79/409/EEG; en
b. elke achtervolging met behulp van de vervoersmiddelen,
bedoeld in bijlage IV, onderdeel b, van richtlijn 79/409/EEG, op
de in de bijlage omschreven wijze.
Artikel 15b
1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 72 is het,
ingeval op grond van Hoofdstuk V, titel III, een afwijking van artikel
9 wordt toegepast, verboden om dieren die behoren tot de soorten,
genoemd in bijlage IV, onderdeel a, of bijlage V, onderdeel a, van
richtlijn 92/43/EEG, te bemachtigen, te vangen of te doden met
gebruikmaking van niet-selectieve middelen die de plaatselijke
verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van
deze soorten tot gevolg kunnen hebben.
2.Tot de middelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in in ieder
geval:
a. de middelen, bedoeld in bijlage VI, onderdeel a, van
richtlijn 92/43/EEG; en
b. elke vorm van vangen en doden, vanuit de vervoersmiddelen,
bedoeld in bijlage VI, onderdeel b, van richtlijn 92/43/EEG.
Artikel 16
1.Het is degene die niet voorzien is van een jachtakte, verboden in
het veld een geweer of een gedeelte van een geweer te dragen tenzij
hij uit andere hoofde tot het gebruik van een geweer ter plaatse
gerechtigd is.
2.Het is degene die zich in het veld ophoudt, verboden zich zonder
gegronde reden met een fret, een buidel of een kastval te bevinden op
gronden, waarop hij niet bevoegd is van die middelen gebruik te maken
voor de uitoefening van de jacht of in verband met beheer en
bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68.
3.Een ieder is verplicht te verhinderen dat een dier dat hem
toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort,
doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.
Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de
instandhouding van beschermde inheemse plantensoorten of beschermde
inheemse diersoorten het verrichten van bij die maatregel aangewezen
handelingen worden verboden of aan beperkingen worden gebonden,
voorzover die handelingen een ernstige bedreiging kunnen vormen voor
planten of dieren behorende tot die soorten, dan wel kunnen leiden tot
aanmerkelijke verslechtering van omstandigheden die voor het
voortbestaan van die soorten noodzakelijk zijn.
Artikel 18
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van
internationale verplichtingen of van bindende besluiten van organen
van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties de
verboden, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 16, worden gewijzigd en
kunnen nieuwe verboden worden gesteld inzake de in die artikelen
geregelde onderwerpen.
2.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht voor een termijn van
ten hoogste één jaar, tenzij binnen die termijn een wetsvoorstel dat
hetzelfde onderwerp regelt, bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal
wordt ingediend. In dat geval blijft dat besluit van kracht totdat bij
wet in dat onderwerp is voorzien of totdat het voorstel van wet wordt
ingetrokken of één van beide Kamers der Staten-Generaal besluit het
voorstel niet aan te nemen.
Hoofdstuk IV. Beschermde leefomgeving
Paragraaf 1. De aanwijzing als beschermde leefomgeving
Artikel 19
1.Gedeputeerde staten kunnen een plaats die van wezenlijke
betekenis is als leefomgeving voor een beschermde inheemse
plantensoort of een beschermde inheemse diersoort, met het oog op
instandhouding van die plaats ten behoeve van die soort, aanwijzen als
beschermde leefomgeving. Het besluit bevat de kadastrale aanduiding
van de percelen waarop de aangewezen plaats is gelegen en gaat
vergezeld van een kaart waarop de plaats is aangegeven.
2.Een plaats als bedoeld in het eerste lid, kan niet worden
aangewezen als beschermde leefomgeving, indien die gelegen is in een
krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen beschermd
natuurmonument dan wel in een gebied ten aanzien waarvan een besluit
tot aanwijzing als beschermd natuurmonument wordt voorbereid.
3.Een plaats als bedoeld in het eerste lid, kan niet worden
aangewezen als beschermde leefomgeving voor een beschermde inheemse
plantensoort of een beschermde inheemse diersoort, indien die gelegen
is in een krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998
aangewezen gebied of in een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig
in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998 en de instandhoudingsdoelstelling van dit
gebied betrekking of mede betrekking heeft op de leefomgeving van die
beschermde inheemse planten- of diersoort.
Artikel 20
Een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving
vermeldt handelingen die een aantasting van de betekenis van de
aangewezen plaats als leefomgeving van de in dat besluit genoemde
beschermde inheemse planten- of diersoort ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 21
1.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
2.Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 22
Gedeputeerde staten stellen de provinciale planologische commissie in
de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van een besluit
tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving en de daarover
ontvangen zienswijzen.
Artikel 23
Van een besluit als bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt in ieder
geval mededeling gedaan aan de gebruiker van de percelen waarop de
plaats waarop het besluit betrekking heeft, is gelegen en, indien deze
niet tevens eigenaar is van deze percelen, ook aan deze laatste.
Artikel 24
1.In geval van dringende noodzaak kunnen gedeputeerde staten
gelijktijdig bij het vaststellen van het ontwerp van een besluit tot
aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving of op een nadien
gelegen tijdstip, de plaats waarop dat ontwerp betrekking heeft,
aanwijzen als beschermde leefomgeving voor de bij dat besluit genoemde
beschermde inheemse plantensoort of beschermde inheemse diersoort.
2.Een besluit als bedoeld in het eerste lid, vervalt zodra
gedeputeerde staten op het ontwerp van een besluit beslissen doch in
ieder geval na verloop van een jaar na de vaststelling van dat
ontwerp.
3.Op de bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid,
is het bepaalde in artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
1.Gedeputeerde staten kunnen de aanwijzing van een plaats als
beschermde leefomgeving geheel of gedeeltelijk intrekken. De percelen
waarop de intrekking betrekking heeft, worden kadastraal omschreven.
In geval van gedeeltelijke intrekking gaat het besluit vergezeld van
een kaart waarop is aangegeven op welk gedeelte van de plaats de
intrekking betrekking heeft.
2.Het bepaalde in de artikelen 21, 22 en 23 is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
3.Een besluit houdende de aanwijzing van een plaats als beschermde
leefomgeving vervalt met ingang van het tijdstip waarop die plaats
deel uitmaakt van een onherroepelijk aangewezen beschermd
natuurmonument als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998.
Paragraaf 2. Gevolgen van de aanwijzing als beschermde leefomgeving
Artikel 26
1.Degene die het voornemen heeft één of meer van de in een
besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving
krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen
verrichten, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand,
doch niet langer dan één jaar voor de dag van de voorgenomen
uitvoering van die handeling of handelingen, kennis te geven aan
gedeputeerde staten.
2.Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan het
verrichten of doen verrichten van de handelingen, bedoeld in het
eerste lid, welke voorschriften er mede toe kunnen strekken dat door
die handelingen aangerichte schade aan de beschermde leefomgeving op
een door hen te bepalen wijze wordt hersteld.
3.Het is verboden de in een besluit tot aanwijzing van een plaats
als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen
te verrichten of te doen verrichten.
4.Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien:
a. een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan;
b. gedeputeerde staten niet uiterlijk op de dag voorafgaand aan
die waarop de uitvoering van de voorgenomen handeling of
handelingen zal plaatsvinden, schriftelijk hebben meegedeeld
bezwaar te hebben tegen de voorgenomen handeling of handelingen en
c. wordt gehandeld overeenkomstig de door gedeputeerde staten
krachtens het tweede lid gestelde voorschriften.
5.In afwijking van het bepaalde in artikel 65 is het verrichten of
doen verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen, voorzover
het handelingen betreft die krachtens artikel 20 zijn vermeld in een
besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving, op
een plaats waarvoor het rechtsgevolg, bedoeld in het derde lid, is
ingetreden, slechts toegestaan indien van het voornemen daartoe op de
in het eerste lid bepaalde wijze kennis is gegeven aan gedeputeerde
staten. Het tweede tot en met vierde lid zijn ten aanzien van die
handelingen van toepassing.
Artikel 27
Gedeputeerde staten doen de in artikel 26, vierde lid, onderdeel b,
bedoelde mededeling indien het achterwege laten van die mededeling
strijd oplevert met internationale verplichtingen waaraan de Nederlandse
overheid is gebonden.
Paragraaf 3. Schadevergoeding
Artikel 28
Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de aanwijzing
van een plaats als beschermde leefomgeving, een mededeling, als bedoeld
in artikel 26, vierde lid, onderdeel b, of voorschriften als bedoeld in
artikel 26, tweede lid, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs
niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen
gedeputeerde staten hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
schadevergoeding toe.
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
Titel I. Faunabeheereenheden en faunabeheerplannen
Artikel 29
1.Gedeputeerde staten kunnen samenwerkingsverbanden van
jachthouders erkennen als faunabeheereenheden ten behoeve van:
a. het beheer van diersoorten of
b. de bestrijding van schade aangericht door dieren.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld waaraan samenwerkingsverbanden, bedoeld in het eerste lid,
dienen te voldoen teneinde voor erkenning in aanmerking te kunnen
komen.
3.De regels, bedoeld in het tweede lid, betreffen in ieder geval:
a. de rechtsvorm van de samenwerkingsverbanden;
b. de omvang en begrenzing van het gebied waarover zich de zorg
van het samenwerkingsverband kan uitstrekken;
c. de jachtrechten in het gebied, bedoeld onder b.
Artikel 30
1.Voorzover krachtens de artikelen 67 of 68 faunabeheerplannen
worden geëist, behoeven deze de goedkeuring van gedeputeerde staten,
gehoord het Faunafonds.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld waaraan faunabeheerplannen dienen te voldoen teneinde voor
goedkeuring in aanmerking te kunnen komen.
3.De regels, bedoeld in het tweede lid, betreffen in ieder geval:
a. de omvang en begrenzing van het gebied waarop het
faunabeheerplan betrekking heeft;
b. het duurzaam beheer van diersoorten in dat gebied;
c. de aard, omvang en noodzaak van de te verrichten handelingen
ten aanzien van die diersoorten en
d. de wijzen waarop en de perioden waarin, onderscheiden naar
die diersoorten, die handelingen worden verricht.
4.Faunabeheerplannen die de goedkeuring van gedeputeerde staten
behoeven, worden door gedeputeerde staten voor een ieder ter inzage
gelegd op het provinciehuis.
Titel II. Jacht
Afdeling 1. De soorten waarop de jacht kan worden geopend
Artikel 31
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 9 is het toegestaan te
jagen op wild voorzover dit geschiedt in overeenstemming met het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 15a, 15b en 32 tot en met 59.
2.Het bepaalde in artikel 10 is niet van toepassing voorzover wild
waarop het is toegestaan te jagen, opzettelijk wordt verontrust bij de
uitoefening van de jacht.
3.Het bepaalde in artikel 16, derde lid, is niet van toepassing bij
de uitoefening van de jacht voorzover de jacht is toegestaan met
behulp van dieren.
Artikel 32
1.Als wild worden de volgende diersoorten aangewezen: haas (Lepus
europaeus), fazant (Phasianus colchicus), patrijs (Perdix perdix),
wilde eend (Anas platyrhynchos), konijn (Oryctolagus cuniculus) en
houtduif (Columba palumbus).
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het eerste lid
gegeven omschrijvingen worden beperkt ter uitvoering van
internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.
3.De jacht wordt niet geopend op in het eerste lid aangewezen
diersoorten voorzover zij staan vermeld op een door Onze Minister
vastgestelde nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal
gevaar lopende soorten.
Afdeling 2. De jachthouder
Artikel 33
Gerechtigd tot het genot van de jacht is:
a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in
onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde
meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en
voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;
b. de erfpachter, vruchtgebruiker of beklemde meier van de grond
indien de eigenaar van de grond zich bij het vestigen van het
beperkt recht het genot van de jacht niet heeft voorbehouden of de
pachter ingevolge het in onderdeel c bepaalde niet gerechtigd is tot
het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is
verhuurd;
c. de pachter indien hij pacht van een verpachter die ten tijde
van het aangaan van de pachtovereenkomst ingevolge het in onderdeel
a of b bepaalde gerechtigd was tot het genot van de jacht en die
verpachter zich dit genot bij het aangaan van de pachtovereenkomst
niet heeft voorbehouden en voorzover het genot van de jacht niet is
verhuurd;
d. de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat
overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd en voorzover
hij dat niet overeenkomstig het tweede lid van dat artikel heeft
verhuurd;
e. de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat
overeenkomstig artikel 34, tweede lid, heeft gehuurd.
Artikel 34
1.Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b
of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel
of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke
en gedagtekende huurovereenkomst.
2.Degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht op de
in het eerste lid bepaalde wijze heeft gehuurd, kan dat genot slechts
in zijn geheel weder verhuren aan één ander, mits met schriftelijke
toestemming van de verhuurder en bij schriftelijke en gedagtekende
huurovereenkomst.
3.Een overeenkomst als bedoeld in de vorige leden, is nietig
voorzover het genot van de jacht op de betreffende grond reeds aan een
ander is verhuurd of de verhuurder niet toekwam.
4.De eigenaar of verpachter die zich het genot van de jacht heeft
voorbehouden, is niet bevoegd dit genot bij een overeenkomst als
bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk te verhuren, tenzij
met toestemming van de grondgebruiker.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten
aanzien van de duur waarvoor overeenkomsten als bedoeld in de vorige
leden, moeten worden aangegaan. Deze duur bedraagt ten hoogste twaalf
jaar.
Artikel 35
Voorzover en voor zolang het genot van de jacht ten tijde van de
eigendomsovergang van de grond, het vestigen dan wel tenietgaan van een
beperkt recht of het aangaan dan wel beëindigen van een
pachtovereenkomst op die grond, op de in artikel 34 bepaalde wijze is
verhuurd, blijft deze huurovereenkomst in stand.
Artikel 36
1.De jachthouder kan, indien hij is voorzien van een jachtakte of
een valkeniersakte, aan anderen toestaan het hem toekomende genot van
de jacht in zijn gezelschap uit te oefenen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld op grond waarvan de jachthouder bij wege van schriftelijke en
gedagtekende toestemming de uitoefening, anders dan in zijn
gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht of een deel
daarvan kan toestaan aan de jachtopzichter of aan anderen.
Artikel 37
1.De jachthouder is verplicht datgene te doen wat een goed
jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld
aanwezige wild te handhaven dan wel, bij het ontbreken daarvan, te
bereiken en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te
voorkomen.
2.Het bevorderen van de wildstand door middel van bijvoeren is
verboden, behoudens bijzondere weersomstandigheden als bedoeld in
artikel 46, vijfde lid.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het handhaven van een redelijke
wildstand.
Afdeling 3. De akten voor het jagen
Artikel 38
1.Het is verboden te jagen zonder voorzien te zijn van:
a. een geldige jachtakte, voorzover het betreft het jagen met
een geweer;
b. een geldige valkeniersakte, voorzover het betreft het jagen
met één of meer jachtvogels;
c. een geldige kooikersakte, voorzover het betreft het jagen
met een eendenkooi.
2.Het model van de akten wordt door Onze Minister vastgesteld.
Artikel 39
1.Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt geweigerd
indien:
a. de aanvrager de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft
bereikt;
b. de aanvrager niet genoegzaam heeft aangetoond in de
gelegenheid te zijn om met gebruikmaking van een geweer of met een
jachtvogel te jagen in een jachtveld, waarin hem het genot van de
jacht overeenkomstig de artikelen 33 of 34 toekomt of waarin hem
de uitoefening van dat genot overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens artikel 36 is toegestaan;
c. de aanvrager niet heeft aangetoond met gunstig gevolg een
door Onze Minister erkend jachtexamen te hebben afgelegd;
d. de aanvrager geen geldig bewijs van verzekering als bedoeld
in artikel 54, zesde lid, heeft overgelegd;
e. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de
bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal
maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de
veiligheid kan gaan vormen;
f. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de
bevoegdheid om te jagen misbruik zal maken of hierdoor een gevaar
voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
g. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de
bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding als
bedoeld in Hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, § 3, misbruik zal
maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de
veiligheid kan gaan vormen;
h. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal
zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de
jacht;
i. aan de aanvrager de bevoegdheid om te jagen is ontzegd bij
een rechterlijke uitspraak, welke voor tenuitvoerlegging vatbaar
is geworden, en de tijd, voor welke die bevoegdheid is ontzegd,
nog niet is verstreken of
j. de aanvrager in de twee jaren, voorafgaande aan het verzoek
tot het verkrijgen van een jachtakte, valkeniersakte of
kooikersakte wegens één der bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten, dan wel wegens een feit strafbaar gesteld bij de
Wet op de dierenbescherming of de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren voorzover het gedragingen als bedoeld in hoofdstuk III van
die wet, betreft, is veroordeeld dan wel deswege een
strafbeschikking tegen hem is uitgevaardigd.
2.Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel d, is niet van
toepassing voorzover de aanvrage een valkeniersakte betreft.
3.Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen b en d, is niet van
toepassing voorzover de aanvrage een kooikersakte betreft.
Artikel 40
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de eisen
vastgesteld, waaraan het in artikel 39, eerste lid, onderdeel c,
bedoelde examen moet voldoen om te worden erkend. Deze eisen worden
verschillend vastgesteld naar gelang het betreft de jacht met het
geweer, met jachtvogels of met de eendenkooi.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, aanhef
en onderdeel c, is het afleggen van een jachtexamen niet vereist
indien de aanvrager met gunstig gevolg een door de bevoegde autoriteit
van een andere staat erkend jachtexamen heeft afgelegd en dat examen
door Onze Minister als gelijkwaardig aan het in het eerste lid
bedoelde jachtexamen is erkend.
Artikel 41
1.Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt in ieder
geval ingetrokken indien:
a. de ter verkrijging van de akte verstrekte gegevens zodanig
onjuist of onvolledig blijken, dat, waren de juiste gegevens
verstrekt, de akte zou zijn geweigerd;
b. blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid als
bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet langer overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens dat artikel is gedekt of
c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan
wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben,
of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het
voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden
toevertrouwd.
2.Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte kan worden
ingetrokken indien:
a. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn
bevoegdheid om te jagen misbruik maakt;
b. de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij
de uitoefening van de jacht;
c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn
bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding als
bedoeld in Hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, § 3, misbruik
maakt.
3.De valkeniersakte kan voorts worden ingetrokken indien een
ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, om jachtvogels onder
zich te hebben, is ingetrokken.
4.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en de onderdelen b en c,
is niet van toepassing ten aanzien van de valkeniersakte of de
kooikersakte.
Artikel 42
1.De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het
verlenen van jachtakten berust bij de korpschef van het regionale
politiekorps in de regio, waarin de woonplaats van de aanvrager is
gelegen, of, indien deze niet woonachtig is in Nederland, bij de
korpschef van het politiekorps in de regio Haaglanden.
2.De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen tot intrekking van
jachtakten berust bij de korpschef die de akte heeft verleend.
3.De in het tweede lid bedoeld bevoegdheid komt tevens toe aan Onze
Minister van Justitie in gevallen als bedoeld in artikel 41, eerste
lid, onderdeel c.
4.Tegen beschikkingen van de korpschef als bedoeld in het eerste en
tweede lid staat administratief beroep open bij Onze Minister van
Justitie indien de jachtakte is geweigerd of ingetrokken of mede is
geweigerd of ingetrokken om redenen als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, aanhef en onderdeel e, onderscheidenlijk artikel 41, eerste lid,
aanhef en onderdeel c.
Artikel 43
De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen
en intrekken van valkeniersakten en kooikersakten berust bij Onze
Minister.
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld betreffende de akten, bedoeld in artikel 38. Tot deze regels
behoren in ieder geval regels betreffende het betalen van een voor een
akte verschuldigde geldsom waarvan de hoogte bij of krachtens die
maatregel wordt vastgesteld, en betreffende de geldigheid en de
inlevering van de akten.
Artikel 45
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, aanhef
en onderdeel c, kan degene die geen woonplaats in Nederland heeft een
jachtakte of een valkeniersakte verkrijgen, die geldig is gedurende
zes opeenvolgende in de akte vermelde dagen.
2.Een akte als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend
indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij gerechtigd is te jagen
in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.
3.De in het eerste lid bedoelde akten zijn slechts geldig indien de
houder zich bevindt in gezelschap van een in Nederland woonachtige
houder van een geldige akte.
Afdeling 4. De uitoefening van de jacht
Artikel 46
1.Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht op
wild zal zijn geopend.
2.De jacht wordt niet geopend gedurende het tijdvak van 1 februari
tot 15 augustus, tenzij er naar het oordeel van Onze Minister geen
andere bevredigende oplossing bestaat dan het openstellen van de jacht
met het oog op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen belangen.
3.De jacht wordt niet geopend in de volgende gebieden of
categorieën van gebieden:
a. gebieden die krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn
aangewezen als beschermd natuurmonument dan wel gebieden waarvan
de aanwijzing als beschermd natuurmonument in overweging is
genomen;
b. gebieden die krachtens de op 2 februari 1971 te Ramsar tot
stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van internationale
betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Trb.
1975, 84), zijn aangemeld als watergebied van internationale
betekenis;
c. gebieden die ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG zijn
aangewezen;
d. natuurmonumenten als bedoeld in artikel 1 van de
Natuurbeschermingswet 1998, behorende tot een op grond van artikel
10a van de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen gebied ter
uitvoering van richtlijn 92/43/EEG en waarvoor ingevolge artikel
15a, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 het besluit
houdende de aanwijzing van dat natuurmonument als beschermd
natuurmonument is vervallen.
4.Ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende
besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke
organisaties kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald in
hoeverre de jacht slechts zal kunnen worden geopend.
5.Gedeputeerde staten kunnen, zolang bijzondere weersomstandigheden
dat naar hun oordeel met het oog op de instandhouding van wild vergen,
de jacht voor de hele provincie of een deel daarvan, voor een bepaalde
tijd sluiten.
Artikel 47
De jager dient het wild tegen onnodig lijden als gevolg van de
uitoefening van de jacht te beschermen.
Artikel 48
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent hetgeen een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht.
Artikel 49
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de eisen waaraan jachtvelden waarop het genot van de
jacht mag worden uitgeoefend, moeten voldoen.
Artikel 50
1.Tot jagen geoorloofde middelen zijn:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
c. gefokte jachtvogels, te weten slechtvalken (Falco peregrinus)
en haviken (Accipiter gentilis);
d. geregistreerde eendenkooien als bedoeld in artikel 56;
e. lokeenden of lokduiven, mits niet blind of verminkt;
f. fretten;
g. buidels.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan het gebruik van de in het
eerste lid genoemde middelen worden uitgesloten of beperkt. Daarbij
kunnen tevens regels worden gesteld betreffende de eisen waaraan die
middelen dienen te voldoen, alsmede betreffende het gebruik van
munitie, waarbij ook rekening kan worden gehouden met belangen van
veiligheid, volksgezondheid, welzijn en milieu.
3.Het is verboden zich ter uitoefening van de jacht in het veld te
bevinden met andere dan tot jagen geoorloofde middelen.
4.Degene die zich in het veld bevindt met een of meer tot jagen
geoorloofde middelen, bedoeld in het eerste lid, alsmede met andere
middelen waarmede kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmede ter
uitoefening van de jacht in het veld te bevinden tenzij het tegendeel
blijkt.
Artikel 51
Het is de houder van een jachtakte verboden een geweer te dragen op
gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd is.
Artikel 52
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en met
70 en 72, is het de houder van een jachtakte of valkeniersakte slechts
toegestaan gebruik te maken van geweren of jachtvogels voor het
uitoefenen van de jacht of het schieten van kleiduiven.
Artikel 53
1.Het is verboden te jagen:
a. op wild waarop de jacht niet is geopend of in strijd met
beperkingen waaronder krachtens artikel 46 de jacht is geopend;
b. met andere dan de tot jagen geoorloofde middelen, bedoeld in
artikel 50, eerste lid;
c. met een geweer of een jachtvogel in een jachtveld dat niet
voldoet aan de krachtens artikel 49 gestelde regels;
d. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en
pinksterdag, de beide kerstdagen en de hemelvaartsdag;
e. op begraafplaatsen;
f. voor zonsopgang en na zonsondergang;
g. indien de grond met sneeuw is bedekt;
h. op wild dat zich ten gevolge van hoge waterstand ophoudt op
hoog gelegen gedeelten van het terrein;
i. op wild voorzover dat zich bevindt in of in de nabijheid van
wakken of bijten in het ijs;
j. op wild voorzover dat als gevolg van onvoldoende bevedering
niet in staat is te vliegen;
k. op wild dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte
toestand verkeert;
l. binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of
aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild te lokken;
m. met het geweer in de bebouwde kommen der gemeenten en in de
onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen;
n. vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig;
o. vanaf of vanuit een vaartuig;
p. vanuit een luchtvaartuig;
q. met een geweer binnen de afpalingskring van een
geregistreerde eendenkooi;
voorzover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet
anders bepaald.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan de uitoefening van de
jacht aan andere beperkingen dan bepaald in het eerste lid, worden
gebonden voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van
internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, of indien dit
noodzakelijk is in verband met de instandhouding van wild of de
veiligheid.
3.Ieder, die door middel van een geregistreerde eendenkooi dieren,
behorend tot soorten waarop met een eendenkooi mag worden gejaagd,
heeft gevangen, is verplicht die dieren, tenzij zij na het vangen
terstond worden gedood, onverwijld in vrijheid te stellen.
Afdeling 5. De verzekeringsplicht
Artikel 54
1.Degene die met een geweer jaagt, is gehouden er zorg voor te
dragen dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade
waartoe het verrichten van die handelingen met gebruikmaking van een
geweer aanleiding kan geven door een verzekering is gedekt in
overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. De
in de vorige zin bedoelde verzekeringsplicht betreft niet de
aansprakelijkheid welke voor de jachthouder kan voortvloeien uit het
niet-nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 37.
2.De verzekering van de houder van een jachtakte als bedoeld in
artikel 38, eerste lid, onderdeel a, dient eveneens de
burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, te
dekken van ieder die in zijn gezelschap met een geweer jaagt en
beschikt over een jachtakte als bedoeld in artikel 45.
3.De verzekering moet niet alleen dekken de aansprakelijkheid van
de verzekerden jegens derden, maar ook de aansprakelijkheid van de
verzekerden jegens elkaar.
4.De verzekering moet de aansprakelijkheid dekken ter zake van
voorvallen, welke plaatsvinden gedurende een bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen periode. De verplichtingen van de verzekeraar
jegens de benadeelde eindigen slechts door verloop van de in de vorige
zin bedoelde periode.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot de verzekering en wordt een bedrag vastgesteld
waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt.
6.De verzekeraar geeft aan de verzekerde een bewijs van de
verzekering af, dat de aansprakelijkheid van de verzekerde
overeenkomstig de bij en krachtens deze wet gestelde regels is gedekt.
Onze Minister stelt het model van dit bewijs vast.
Artikel 55
1.De benadeelde heeft jegens de verzekeraar, door wie de
aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, een eigen recht op
schadevergoeding tot het beloop van het in artikel 54, vijfde lid,
bedoelde bedrag. Het teniet gaan van zijn schuld aan de verzekerde
bevrijdt de verzekeraar niet jegens de benadeelde, tenzij deze
schadeloos is gesteld.
2.Indien er bij een ongeval meer dan één benadeelde is en het
totaalbedrag van de verschuldigde schadeloosstellingen de verzekerde
som overschrijdt, worden de rechten van de benadeelden tegen de
verzekeraar naar evenredigheid teruggebracht tot het beloop van die
som. Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met het bestaan van
vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan een benadeelde
een groter bedrag dan het aan deze toekomende heeft uitgekeerd, jegens
die anderen slechts gehouden tot het beloop van het overblijvende
gedeelte van de verzekerde som.
3.Geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de
verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende
nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan een
benadeelde worden tegengeworpen. De verzekeraar die ingevolge deze wet
de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de
aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten
overeenkomst was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding
verhaal op de aansprakelijke persoon.
4.Indien de overeenkomst een beding inhoudt dat de verzekerde
persoonlijk voor een deel in de vergoeding van de schade zal
bijdragen, blijft de verzekeraar niettemin jegens de benadeelde
gehouden tot betaling van de schadeloosstelling die krachtens de
overeenkomst ten laste van de verzekerde blijft.
5.Iedere uit deze wet voortvloeiende rechtsvordering van de
benadeelde tegen de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar te
rekenen vanaf de datum van het feit waaruit de schade is ontstaan.
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde
tegen een verzekerde stuiten, stuiten tevens de verjaring van de
rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar. Handelingen
die de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de
verzekeraar stuiten, stuiten tevens de verjaring van de
rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerde. De verjaring
wordt ten opzichte van een verzekeraar gestuit door iedere
onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. Een nieuwe
termijn van drie jaar begint te lopen te rekenen vanaf het ogenblik
waarop een van de partijen bij deurwaardersexploit of aangetekende
brief aan de andere partij heeft kennis gegeven dat zij de
onderhandelingen afbreekt.
6.De verzekerde moet aan de verzekeraar mededeling doen van ieder
ongeval, dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid van de
verzekerde voor de bij dat ongeval verzekerde schade en waaruit voor
de verzekeraar op grond van het eerste lid van dit artikel een
verplichting tot schadevergoeding jegens de benadeelde zou kunnen
ontstaan. De verzekeringnemer moet aan de verzekeraar alle door de
verzekeringsovereenkomst voorgeschreven inlichtingen en bescheiden
verschaffen. De overige verzekerden moeten aan de verzekeraar op zijn
verzoek alle nodige inlichtingen en bescheiden verschaffen.
Afdeling 6. Eendenkooien
Artikel 56
1.Eendenkooien die voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur
te stellen regels en die op 1 april 1984 waren geregistreerd, worden
op verzoek van de eigenaar elke vijf jaar opnieuw geregistreerd.
2.De in het eerste lid bedoelde registratie, waarvan een bewijs
wordt verstrekt, geldt voor vijf jaar, en wel van 1 april tot 1 april.
Artikel 57
Bij de registratie worden tevens geregistreerd de naam en het adres
van de houder of houders van een kooikersakte, die volgens opgave van de
eigenaar als kooikers zullen optreden.
Artikel 58
Gedurende het tijdvak waarin de jacht op eenden ingevolge het
bepaalde krachtens artikel 46 is gesloten, is het verboden een
geregistreerde eendenkooi vangklaar te houden.
Artikel 59
1.Onze Minister stelt het opschrift vast dat dient te worden
aangebracht op de palen waarmee de eigenaar van een geregistreerde
eendenkooi de ingevolge zijn recht op afpaling bestaande
afpalingskring van die kooi kan afpalen.
2.Het is ieder ander dan de kooiker van een geregistreerde
eendenkooi of degene die handelt met toestemming van die kooiker,
verboden binnen de afpalingskring van die kooi handelingen te
verrichten waardoor eenden binnen de afpalingskring kunnen worden
verontrust.
3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op
handelingen verricht ter uitvoering van openbare werken noch op
handelingen verricht bij het gebruik en onderhoud van hetgeen door die
werken is tot stand gebracht, noch op handelingen verricht ter
uitoefening van beroep of bedrijf, indien redelijkerwijs niet kan
worden gevergd dat de handelingen niet of op andere wijze dan wel op
een ander tijdstip kunnen worden verricht.
4.Degene die opdracht heeft gegeven tot uitvoering van de in het
vorige lid bedoelde openbare werken, is verplicht de schade, welke uit
de daartoe noodzakelijke handelingen voor het gebruik van de
eendenkooi voortvloeit, aan de benadeelde te vergoeden.
5.Het verbod, gesteld in het tweede lid, geldt niet, voorzover op 1
april 1977 een recht op afpaling niet bestond.
Titel III. Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen
Afdeling 1. Bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen
Paragraaf 1. Kievitseieren
Artikel 60
1.Voorzover naar het oordeel van Onze Minister de belangen van
natuurbehoud zich daartegen niet verzetten, kan Onze Minister een
periode liggende tussen 1 maart en 9 april vaststellen, waarbinnen
gedeputeerde staten aan samenwerkingsverbanden van
weidevogelbeschermers die overeenkomstig het tweede lid zijn erkend,
ontheffing kunnen verlenen van het verbod van artikel 12 ten behoeve
van het zoeken en rapen van eieren van de kievit (Vanellus vanellus).
2.Gedeputeerde staten kunnen samenwerkingsverbanden van
weidevogelbeschermers erkennen indien zij voldoen aan bij
ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels betreffen in ieder
geval:
a. de rechtsvorm van de samenwerkingsverbanden en
b. de omvang en begrenzing van het gebied waarover zich de zorg
van het samenwerkingsverband kan uitstrekken.
3.Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt het
voorschrift verbonden dat degene die eieren zoekt en raapt, de nesten
en legsels van weidevogels beschermt, dan wel ervoor zorgdraagt dat
deze worden beschermd. Overige voorschriften en beperkingen kunnen in
ieder geval inhouden:
a. het voorschrift dat het zoeken en rapen van kievitseieren op
eens anders grond buiten tegenwoordigheid van de gebruiker van die
grond slechts is toegestaan indien de gebruiker van de grond
hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend en
b. de beperking dat het zoeken en rapen van kievitseieren
slechts gedurende een deel van de in het eerste lid bedoelde
periode is toegestaan.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot voorschriften en beperkingen waaronder de in het
eerste lid bedoelde ontheffingen kunnen worden verleend.
5.Het is verboden zich bij het zoeken en rapen van kievitseieren
door één of meer honden te doen vergezellen.
Artikel 61
1.In afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
is het toegestaan met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid,
eieren van kieviten onder zich te hebben, te vervoeren of af te
leveren.
2.Het vervoeren of afleveren van de in het eerste lid bedoelde
eieren is slechts toegestaan voorzover de eieren zijn verkregen
overeenkomstig een ontheffing als bedoeld in artikel 60, eerste lid,
en slechts gedurende de voor de betrokken eieren toegestane raaptijd
of de twee daarop volgende dagen, met dien verstande dat het vervoeren
van de eieren gedurende deze twee dagen slechts binnen de bebouwde kom
van gemeenten of langs openbare wegen of paden is toegestaan.
Paragraaf 2. Het prepareren
Artikel 62
1. Het is verboden dode dieren, behorende tot soorten waarop deze
wet van toepassing is, te prepareren.
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als een door
Onze Minister erkend preparateursexamen met gunstig gevolg is
afgelegd. Het bepaalde in artikel 40, eerste lid, is ten aanzien van
dat examen van overeenkomstige toepassing.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing
voor de houder van een vergunning of een ontheffing als bedoeld in
artikel 15 of 21 van de Vogelwet 1936, artikel 60 van de Jachtwet of
artikel 25 van de Natuurbeschermingswet, voor zover deze is verleend
met het oog op de preparatie van dieren.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen diersoorten worden
aangewezen ten aanzien waarvan het verbod, bedoeld in het eerste lid,
niet geldt.
Artikel 63
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van de
verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, het onder zich hebben,
het vervoeren, het afleveren of het binnen of buiten het grondgebied
van Nederland brengen van te prepareren of geprepareerde producten van
dieren worden toegestaan overeenkomstig bij die maatregel gestelde
regels.
2. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval
verplichtingen tot:
a. het aanbrengen van ringen of merktekens aan de ter
preparatie aangeboden en geprepareerde producten van dieren;
b. het houden van een registratie van de ter preparatie
ontvangen en geprepareerde producten van dieren alsmede van de
namen en adressen van degenen van wie deze producten van dieren
zijn ontvangen en aan wie zij zijn geleverd;
c. onderzoek van ter preparatie aangeboden producten van dieren
en
d. het doen van periodiek verslag aan Onze Minister.
3. Voorzover aan een onderzoek, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel c, kosten zijn verbonden, komen deze voor rekening van
degene, die de prepareerwerkzaamheden uitvoert, of van degene die aan
hem producten van dieren ter preparatie aanbiedt.
4. Ter uitvoering van internationale verplichtingen of van bindende
besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke
organisaties kan bij de regels, bedoeld in het eerste lid, tevens
worden bepaald dat het verrichten van in het eerste lid genoemde
handelingen slechts kan worden toegestaan bij vergunning.
Artikel 64
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen diersoorten worden
aangewezen die uit het oogpunt van natuurbehoud niet mogen worden
geprepareerd.
2.Het prepareren van dieren, behorende tot soorten, aangewezen
krachtens het eerste lid, is verboden.
Paragraaf 3. Beheer en bestrijding van schade
Artikel 65
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden beschermde inheemse
diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd
of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten
die:
a. in het gehele land schade aanrichten;
b. in delen van het land schade aanrichten.
2.Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en
indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van
instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld in het eerste
lid worden gedaan ter voorkoming van:
a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige
visserij en wateren, of
b. schade aan de fauna.
3.Voorzover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, soorten
zijn aangewezen, kan bij ministeriële regeling worden toegestaan dat
de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12,
handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem
gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter
voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als
bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de
wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.
4.Voorzover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, soorten
zijn aangewezen, kan bij provinciale verordening worden toegestaan dat
de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12,
handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem
gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter
voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als
bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de
wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.
5.Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en
indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van
instandhouding van de soort, kan het krachtens het derde en vierde lid
worden toegestaan de in die leden bedoelde handelingen te verrichten.
6.De grondgebruiker kan bij schriftelijke toestemming het hem
ingevolge het derde of vierde lid toekomende recht door anderen doen
uitoefenen. Indien die toestemming wordt verleend aan een houder van
een jachtakte of valkeniersakte is deze gerechtigd, behalve de
middelen, bedoeld in artikel 72, eerste lid, tevens de middelen te
gebruiken waarvan hem het gebruik is toegestaan.
7.Voorzover krachtens het derde en vierde lid regels zijn gesteld,
is nietig elk beding dat de grondgebruiker de uitoefening belet van de
rechten die hem krachtens die regels toekomen.
8.Alvorens Ons een voordracht tot vaststelling, wijziging of
intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
eerste lid te doen, stelt Onze Minister het Faunafonds in de
gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven.
9.Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het derde lid
of een provinciale verordening als bedoeld in het vierde lid vast te
stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze Minister
onderscheidenlijk provinciale staten het Faunafonds in de gelegenheid
over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven.
10.De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid als
bedoeld in het derde en vierde lid, wordt door de desbetreffende
wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart. Het
werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een
gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid
uitstrekt. Door de tussenkomst van gedeputeerde staten van de
provincie of provincies waarin het desbetreffende gebied is gelegen
wordt de begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid
bekendgemaakt in het provinciaal blad.
Artikel 66
Het bepaalde in artikel 65 is van overeenkomstige toepassing voor de
gebruiker van opstallen, niet zijnde grondgebruiker, voorzover het de
door hem gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft.
Artikel 67
1.Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat, wanneer er geen andere
bevredigende oplossing bestaat, in afwijking van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 9, 11, 12, 50, 51, 53, 72, vijfde lid, en 74,
door door hen aan te wijzen personen of categorieën van personen de
stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse
diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren op door
gedeputeerde staten aan te wijzen gronden kan worden beperkt:
a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee,
bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of
d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.
2.Gedeputeerde staten kunnen bij het treffen van een bepaling als
bedoeld in het eerste lid niet afwijken van het bepaalde bij of
krachtens artikel 72, vijfde lid;
a. voorzover de bepaling ziet op het beperken van de stand van
bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling
aangewezen vogelsoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel b, of
b. voor het toestaan van middelen die onnodig lijden van dieren
veroorzaken.
3.Voorzover het beschermde inheemse diersoorten betreft, kan een
bepaling als bedoeld in het eerste lid slechts worden getroffen indien
geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding
van de soort.
4.Gedeputeerde staten kunnen hun besluit, bedoeld in het eerste
lid, afhankelijk stellen van een faunabeheerplan.
5.Gedeputeerde staten kunnen ten aanzien van één of meer van de
door hen krachtens het eerste lid aangewezen personen of categorieën
van personen bepalen dat zij toegang hebben tot alle krachtens het
eerste lid aangewezen gronden. In dat geval zijn deze personen
gerechtigd zich daartoe zonodig met behulp van de sterke arm toegang
te verschaffen.
6.Gedeputeerde staten kunnen bepalen hetgeen met de ingevolge het
eerste lid bemachtigde dieren dient te geschieden.
7.Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid, kan worden
bepaald dat het verboden is dieren behorende tot een krachtens dat lid
aangewezen soort onder zich te hebben.
8.Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid
vast te stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze Minister het
Faunafonds in de gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te
geven.
Artikel 68
1.Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien
geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding
van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of
krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan
worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het
Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in
samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c
en d, 72, vijfde lid, en 74:
a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee,
bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of
e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen, belangen.
2.Een ontheffing die betrekking heeft op vogels als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel b, of op soorten als bedoeld in
bijlage IV, onderdeel a, of, voorzover de ontheffing betrekking heeft
op artikel 15b, soorten als bedoeld in bijlage V, onderdeel a, van
richtlijn 92/43/EEG, wordt uitsluitend verleend voor zover de grond
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, overeenstemt
met een van de gronden, genoemd in artikel 9 van richtlijn 79/409/EEG
onderscheidenlijk artikel 16 van richtlijn 92/43/EEG.
3.Gedeputeerde staten kunnen bij verlening van een ontheffing als
bedoeld in het eerste lid niet afwijken van het bepaalde bij of
krachtens artikel 72, vijfde lid, voor het toestaan van middelen die
onnodig lijden van dieren veroorzaken.
4.De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend
aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.
5.Onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, worden
ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, verleend voor een periode
van ten hoogste vijf jaren.
6.In afwijking van het derde lid kan de ontheffing, bedoeld in het
eerste lid, ook aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend
indien:
a. de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de
soort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen;
b. de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen
worden verricht door tussenkomst van een faunabeheereenheid;
c. het gebied waar de handelingen worden verricht niet is
gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een
faunabeheereenheid uitstrekt.
7.Gedeputeerde staten doen tegelijkertijd met of zo spoedig
mogelijk na de bekendmaking van besluiten als bedoeld in het eerste en
vijfde lid mededeling van deze besluiten in één of meer dag-,
nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Van
besluiten als bedoeld in het eerste juncto derde lid wordt tevens
tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van deze
besluiten mededeling gedaan in de Staatscourant. Een afschrift van
deze besluiten sturen zij aan Onze Minister.
Artikel 69
1.Een faunabeheereenheid waaraan een ontheffing als bedoeld in
artikel 68, eerste lid, is verleend, brengt jaarlijks aan gedeputeerde
staten verslag uit van de wijze waarop zij van de ontheffing heeft
gebruik gemaakt en van de uitvoering van het faunabeheerplan.
2.Het verslag wordt door gedeputeerde staten voor een ieder ter
inzage gelegd op het provinciehuis.
3.Gedeputeerde staten doen mededeling van de terinzagelegging in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere
geschikte wijze.
Artikel 70
In afwijking van de artikelen 29, 30, 46, vijfde lid, 67, 68 en 74a,
tweede lid, neemt Onze Minister besluiten als bedoeld in die artikelen
voorzover het terreinen betreft waar het genot van de jacht berust bij
de Kroondrager.
Artikel 71
Gedeputeerde staten verschaffen Onze Minister desgevraagd alle
inlichtingen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in
de artikelen 65, 67 en 68.
Artikel 72
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden, voorzover noodzakelijk
in afwijking van artikel 15, de middelen aangewezen waarmee, met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en
met 70, dieren mogen worden gevangen of gedood. Als middelen worden
slechts aangewezen middelen die geen onnodig lijden van dieren
veroorzaken.
2.Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden tevens de
middelen aangewezen waarmede de zwarte rat, de bruine rat en de
huismuis mogen worden bestreden. Naast middelen als bedoeld in het
eerste lid zijn tevens toegelaten middelen die krachtens de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten.
3.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het
eerste en tweede lid bedoelde middelen. Deze regels betreffen in ieder
geval:
a. de soorten waarop de middelen betrekking hebben;
b. de afmetingen van de gronden waarop de middelen gebruikt
mogen worden en
c. de vaardigheden waarover bij het gebruik van de middelen
beschikt moet worden.
4.Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
kan tevens worden bepaald dat het gebruik van middelen afhankelijk kan
worden gesteld van de toestemming daartoe van gedeputeerde staten.
5.Het is verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in
het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de
toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van
het derde lid worden gesteld.
6.Voorzover het bij of krachtens het eerste tot en met het derde
lid is toegestaan gebruik te maken van het geweer, is het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 54 en 55 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 73
Bij de bestrijding van schade en overlast bij of krachtens de
artikelen 65 tot en met 70 dan wel krachtens een ontheffing als bedoeld
in artikel 75, dient onnodig lijden van dieren te worden voorkomen.
Artikel 74
1.Het is verboden bij de uitoefening van bevoegdheden toegekend bij
of krachtens de artikelen 65 tot en met 70, dieren te vangen of te
doden:
a. met een geweer of een jachtvogel in een veld dat niet
voldoet aan de krachtens artikel 49 gestelde eisen;
b. door middel van drijven, voorzover het edelherten,
damherten, reeën of wilde zwijnen betreft;
c. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en
pinksterdag, de beide kerstdagen en hemelvaartsdag;
d. op begraafplaatsen.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is het doden van
wilde zwijnen toegestaan, voorzover bepaald bij algemene maatregel van
bestuur, door middel van een methode, waarbij één persoon wilde
zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk bedoelde dieren binnen
het schootsveld van één geweerdrager te drijven opdat deze de dieren
kan doden en voorzover hierbij geen hond wordt ingezet.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan de uitoefening van de in
het eerste lid bedoelde bevoegdheden aan andere beperkingen dan
bepaald in het eerste lid, worden gebonden voorzover dit noodzakelijk
is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende
besluiten van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke
organisaties, of indien dit noodzakelijk is in verband met de
instandhouding van soorten of de veiligheid.
Artikel 74a
1.Het bevorderen van de stand van edelherten, damherten, reeën en
wilde zwijnen door middel van bijvoeren is verboden.
2.Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod,
bedoeld in het eerste lid, indien sprake is van:
a. bijzondere weersomstandigheden of
b. een tijdelijk natuurlijk voedseltekort en het welzijn van de
dieren in het geding is.
Afdeling 2. Overige vrijstellingen en ontheffingen
Artikel 75
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover
niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is
of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of
krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.
2.Indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid strekt tot
uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van
organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties,
kan de vrijstelling bij ministeriële regeling worden verleend.
3.Onze Minister kan, voorzover niet overeenkomstig artikel 68 van
deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden
verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 8 tot en met 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het
eerste lid, 16, 17, 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede
lid, en 72, vijfde lid.
4.Onze Minister kan bij verlening van een ontheffing als bedoeld in
het derde lid niet afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel
72, vijfde lid, voor het toestaan van middelen die onnodig lijden van
dieren veroorzaken.
5.Vrijstellingen en ontheffingen worden tenzij uitvoering van
internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot
het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts
verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van
instandhouding van de soort.
6.Onverminderd het vijfde lid, worden voor soorten genoemd in
bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten
vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere
bevredigende oplossing bestaat:
a. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en
herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met
inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
b. teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden
mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen
een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij
die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in
bezit te hebben of,
c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen, belangen.
7.Vrijstellingen kunnen in ieder geval verschillend worden
vastgesteld naar gelang de soorten of categorieën van soorten en
handelingen welke de vrijstelling betreffen. Voorts kan onderscheid
worden gemaakt naar wilde of gekweekte planten of producten van die
planten, en naar wilde of gefokte dieren dan wel eieren, nesten of
producten van die dieren.
Artikel 75a
1.Indien daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is
verzocht, geschiedt de behandeling van de aanvraag om de in artikel
75, derde lid, bedoelde ontheffing, tezamen met de voorbereiding en
vaststelling van het tracébesluit, bedoeld in artikel 15 van de
Tracéwet.
2.In de in het eerste lid bedoelde gevallen is op de voorbereiding
van de beschikking afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
3.Ten aanzien van het beroep tegen een met toepassing van het
eerste lid verleende ontheffing zijn de artikelen 25a en 25b van de
Tracéwet van toepassing.
Afdeling 3. Verdere bepalingen inzake vrijstellingen, ontheffingen en
vergunningen
Artikel 76
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld betreffende vrijstellingen, ontheffingen of
vergunningen, mede voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van
internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de
Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.
2. Tot deze regels kunnen behoren regels omtrent:
a. de documenten, gegevens of bewijsstukken die bij het
aanvragen van ontheffingen of vergunningen of in verband met een
vrijstelling dienen te worden verstrekt;
b. de aanwijzing van de ambtenaren aan wie de documenten
waarvan zendingen van planten of producten van planten of van
dieren, eieren, nesten of producten van dieren vergezeld gaan,
dienen te worden getoond of ter hand gesteld;
c. vakbekwaamheid ten aanzien van het vervoeren, houden of
verzorgen van planten of dieren;
d. de wijze waarop en de omstandigheden waaronder planten of
dieren worden vervoerd of gehouden;
e. het aanbrengen van merken of merktekens aan planten of
producten van planten of van ringen of merktekens aan dieren of
aan producten van dieren;
f. de registratie van planten, producten van planten, dieren,
eieren, nesten of producten van dieren;
g. de termijn waarbinnen een vergunning of ontheffing wordt
verleend.
Artikel 77
Bij algemene maatregel van bestuur kan het aantal ontheffingen voor
het onder zich hebben van jachtvogels alsmede het aantal vogels per
ontheffing, aan een maximum worden gebonden.
Artikel 78
Onze Minister kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een
door hem vast te stellen tarief voor de afgifte van:
a. ontheffingen als bedoeld in artikel 75;
b. vergunningen als bedoeld in artikel 63, vierde lid;
c. op grond van vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 63 en
75 benodigde documenten, ringen, merken of merktekens.
Artikel 79
1.Aan vrijstellingen, ontheffingen of vergunningen kunnen
voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden
verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd.
Vergunningen en ontheffingen kunnen worden ingetrokken.
2.Het is verboden te handelen in strijd met de bij een
vrijstelling, ontheffing of vergunning gestelde voorschriften en
beperkingen.
3.Vergunningen en ontheffingen kunnen aan een geldigheidsduur
worden gebonden.
Artikel 80
Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken indien:
a. de houder van een vergunning of ontheffing, nadat deze is
verleend onherroepelijk is veroordeeld wegens een bij deze wet
strafbaar gesteld feit of indien tegen hem deswege een
strafbeschikking is uitgevaardigd;
b. de houder van een vergunning of ontheffing, nadat deze is
verleend, onherroepelijk is veroordeeld wegens een feit strafbaar
gesteld bij de Wet op de dierenbescherming dan wel de Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren voorzover het gedragingen als bedoeld
hoofdstuk III van die wet, betreft, of indien tegen hem deswege een
strafbeschikking is uitgevaardigd;
c. de houder van een vergunning of ontheffing handelt in strijd
met de hem verleende vergunning of ontheffing of met daaraan
verbonden voorschriften;
d. de gegevens op grond waarvan de vergunning of ontheffing is
verleend zodanig onjuist blijken te zijn dat, waren de juiste
gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen of
e. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning of
ontheffing is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zouden
zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop zij
zijn verleend zouden hebben bestaan.
Artikel 81
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, voorzover
dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het bij of krachtens
deze wet bepaalde, ter uitvoering van internationale verplichtingen of
bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere
volkenrechtelijke organisaties, nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen.
2.Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval
behoren:
a. regels over het voeren van een administratie en verstrekken
van gegevens met betrekking tot het onder zich hebben, ontvangen,
verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden hebben en afleveren
van dieren of planten, behorende tot soorten waarop deze wet van
toepassing is, alsmede van producten van die planten of producten
of eieren van die dieren;
b. het aanwijzen van adviseurs die zijn belast met advisering
over de uitvoering van het beleid ten aanzien van vergunningen en
ontheffingen;
c. het aanwijzen van plaatsen waar planten behorende tot
beschermde inheemse of uitheemse plantensoorten of dieren
behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten alsmede
producten van die planten of producten of eieren van die dieren
het grondgebied van Nederland dienen te worden binnengebracht;
d. regels over voorzieningen voor de opvang van levende dieren
en planten.
Artikel 82
1.Er is een Commissie bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten,
verder te noemen commissie, die tot taak heeft de regering en de beide
kamers der Staten-Generaal te adviseren over het beleid inzake de
uitvoering van deze wet en de afstemming met de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren en de totstandkoming en uitvoering van
besluiten van organen van de Europese Unie verband houdende met in het
wild levende dier- en plantensoorten.
2.De commissie fungeert als wetenschappelijke autoriteit als
bedoeld in artikel IX van de op 3 maart te Washington tot stand
gekomen Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in
het wild levende dier- en plantesoorten (Trb. 1975, 23).
3.De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste negen
leden, de voorzitter daaronder begrepen, die ook deskundigheid
bezitten op het gebied van natuurbescherming, welzijn van dieren en de
opvang van dieren.
Hoofdstuk VI. Het faunafonds
Artikel 83
1.Er is een Faunafonds, dat tot taak heeft:
a. het bevorderen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding
van schade door dieren behorende tot bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen soorten;
b. het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen
van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren
behorende tot beschermde inheemse diersoorten;
c. gedeputeerde staten van de provincies van advies te dienen
over de uitvoering van taken, hen bij of krachtens deze wet
opgedragen en
d. Onze Minister van advies te dienen over het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 65, eerste
lid, en over het ontwerp van een ministeriële regeling als
bedoeld in de artikelen 65, derde lid, en 67, eerste lid.
2.Het Faunafonds tracht de in het eerste lid omschreven doelen te
bereiken door het ter hand nemen of bevorderen van wetenschappelijk
onderzoek, het bevorderen van voorlichting en opleiding en door het
treffen van andere maatregelen, die voor de verwezenlijking van de in
het eerste lid omschreven doelen van belang kunnen zijn.
3.Het Faunafonds bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel te
's-Gravenhage.
Artikel 84
1.Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid,
onderdeel b, wordt slechts verleend voorzover een belanghebbende
schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een
beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of
niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming
wordt naar billijkheid bepaald.
2.Voor de behandeling van een aanvraag voor een tegemoetkoming als
bedoeld in het eerste lid kan een vergoeding van kosten gevraagd
worden overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen
tarief.
3.Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de provincies, regels worden gesteld met
inachtneming waarvan het Faunafonds beslist over een aanvraag voor een
tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 85
1.Het bestuur van het Faunafonds bestaat uit negen leden, waaronder
de voorzitter.
2.De leden van het bestuur hebben op persoonlijke titel zitting in
het bestuur en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
3.De leden bezitten deskundigheid op het gebied van jacht,
landbouw, natuurbescherming en dierenwelzijn.
Artikel 86
1.Onze Minister benoemt in overeenstemming met gedeputeerde staten
van de provincies de leden van het bestuur.
2.Het bestuur bestaat uit ten minste zes leden die naar
evenredigheid afkomstig zijn uit de kringen van de jacht, de landbouw
en de natuurbescherming en die in het bijzonder deskundig zijn ten
aanzien van het beheer van soorten en de bestrijding van schade,
alsmede uit één lid uit de kringen van de wetenschap met
deskundigheid ten aanzien van dieroecologie en één lid uit de
kringen van de dierenbescherming met deskundigheid ten aanzien van
dierenwelzijn.
3.Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies
gezamenlijk kunnen ieder één adviseur benoemen die de vergaderingen
van het bestuur van het Faunafonds kan bijwonen.
Artikel 87
1.De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van vier
jaren. Zij kunnen tweemaal worden herbenoemd.
2.De leden van het bestuur worden op eigen verzoek ontslagen door
Onze Minister in overeenstemming met gedeputeerde staten van de
provincies. Zij kunnen voorts worden geschorst of ontslagen wegens
ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
3.Onze Minister kent aan de leden van het bestuur een vergoeding
toe volgens door hem in overeenstemming met gedeputeerde staten van de
provincies te stellen regels.
Artikel 88
1.Het Faunafonds stelt een bestuursreglement vast.
2.Het bestuursreglement voorziet in ieder geval in een regeling van
de openbaarheid van de vergaderingen van het Faunafonds.
3.Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister en
gedeputeerde staten van de provincies.
Artikel 89
Aan de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister zijn onderworpen
besluiten van het Faunafonds tot:
a. het doen van investeringen;
b. het verwerven van onroerende zaken;
c. het sluiten van huur- en lease-overeenkomsten;
d. het oprichten of mede-oprichten dan wel ontbinden van
privaatrechtelijke rechtspersonen of het deelnemen in een
vennootschap.
Artikel 90
1.Het Faunafonds stelt voor 1 september een begroting vast voor het
volgende boekjaar.
2.De begroting behoeft de goedkeuring van Onze Minister en
gedeputeerde staten van de provincies.
Artikel 91
1.Het Faunafonds brengt jaarlijks aan Onze Minister en gedeputeerde
staten van de provincies voor 1 mei een financieel verslag uit dat
vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en
rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel
393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Het Faunafonds stelt de in het eerste lid bedoelde stukken
algemeen verkrijgbaar.
3.Onze Minister zendt de stukken, bedoeld in het eerste lid, in
afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 92
Onze Minister kan, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de
provincies, regels stellen over de inrichting van de begroting, het
financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 93
1.Het Faunafonds stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van de
werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid
en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het
bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze
Minister en aan gedeputeerde staten van de provincies toegezonden.
2.Het Faunafonds stelt het in het eerste lid bedoelde verslag
algemeen verkrijgbaar.
3.Onze Minister zendt het verslag, bedoeld in het eerste lid, in
afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 94
1.Ten behoeve van het Faunafonds wordt van hen aan wie een
jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt uitgereikt, een door
Onze Minister, het Faunafonds gehoord, vastgestelde bijdrage geheven.
Zij geldt voor het tijdvak waarvoor de betreffende akte is verleend.
2.De bijdrage kan verschillend zijn per soort akte die wordt
uitgereikt.
3.De bijdrage dient te worden voldaan aan Onze Minister.
4.Uitreiking van de akte vindt niet plaats alvorens de bijdrage is
voldaan.
Artikel 95
De ingevolge artikel 94 ontvangen bijdragen worden met inachtneming
van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels verantwoord aan
en ter beschikking gesteld van het Faunafonds.
Artikel 96
1.Onze Minister verleent een bijdrage ten behoeve van het
Faunafonds.
2.Ten behoeve van het Faunafonds verlenen gedeputeerde staten van
de provincies een bijdrage volgens regels, gesteld bij algemene
maatregel van bestuur.
3.De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, strekt tot vergoeding van
de kosten van het Faunafonds voorzover de bijdrage van gedeputeerde
staten van de provincies, bedoeld in het tweede lid, daarop geen
betrekking heeft.
Artikel 97
Het Faunafonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister of aan
gedeputeerde staten de voor de uitoefening van hun taak benodigde
inlichtingen. Onze Minister en gedeputeerde staten kunnen inzage
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 98
Indien het Faunafonds zijn taken, voortvloeiend uit artikel 83, naar
het oordeel van Onze Minister of gedeputeerde staten van de provincies
verwaarloost, kan Onze Minister, na overleg met gedeputeerde staten van
de provincies, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
Artikel 99
Voorzover in dit hoofdstuk is voorzien in besluiten van Onze Minister
en gedeputeerde staten van de provincies, neemt Onze Minister die
besluiten indien niet binnen drie maanden overeenstemming is bereikt
over gelijkluidende besluiten.
Artikel 100
1.Onze Minister voegt aan het Faunafonds een secretariaat toe ten
behoeve van de werkzaamheden van het bestuur.
2.De leden van het secretariaat zijn voor de uitoefening van hun
taak uitsluitend verantwoording schuldig aan het bestuur van het
Faunafonds.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
Artikel 101
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ter
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet medewerking
worden gevorderd van het bestuur van een productschap of een
bedrijfschap.
2.Indien de van het bestuur van een productschap of een
bedrijfschap gevorderde medewerking bestaat uit het stellen van nadere
regels bij verordening, behoeft zodanige verordening de goedkeuring
van Onze Minister.
Artikel 102
1.Onze Minister kan door hem erkende rechtspersoonlijkheid
bezittende organisaties belasten met de taak overeenkomstig door hem
gestelde regels ringen of merktekens uit te reiken ten behoeve van het
onder zich hebben van jachtvogels of van beschermde inheemse
diersoorten.
2.Een organisatie als bedoeld in het eerste lid, kan voor het
verstrekken van ringen of merktekens een vergoeding van kosten vragen
waarvan de hoogte door Onze Minister wordt vastgesteld.
Artikel 103
Een krachtens de artikelen 15, 30, tweede lid, 37, derde lid, 48, 49,
50, tweede lid, 65, eerste lid, 68, eerste lid, onderdeel e, 72, eerste
lid, 75, eerste en zesde lid, onderdeel c, vast te stellen algemene
maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Hoofdstuk VIII. Toezicht, straf- en dwangbepalingen
Paragraaf 1. Toezicht
Artikel 104
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren, de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen
ambtenaren, alsmede de door Onze Minister van Justitie op grond van
artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van
de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste
ambtenaren.
2.Van een besluit van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid,
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 105 [Vervallen per 01-04-2002]
Artikel 106 [Vervallen per 01-04-2002]
Artikel 107 [Vervallen per 01-04-2002]
Artikel 108 [Vervallen per 01-04-2002]
Artikel 109 [Vervallen per 01-07-2002]
Artikel 110 [Vervallen per 01-04-2002]
Artikel 111 [Vervallen per 01-04-2002]
Paragraaf 2. Straf- en dwangbepalingen
Artikel 112
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en artikel 117 van
het Wetboek van Strafvordering kan Onze Minister bepalen, dat planten
of dieren of producten van planten of dieren die in strijd met het
bepaalde bij of krachtens deze wet binnen het grondgebied van
Nederland zijn gebracht, op kosten van de eigenaar, vervoerder,
importeur of diens gemachtigde, worden teruggezonden naar het land van
uitvoer of herkomst of naar enige andere plaats buiten Nederland
worden gebracht die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister
geschikt is en in overeenstemming is met de doeleinden van de
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild
levende dier- en plantesoorten.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan Onze Minister
bepalen dat levende dieren, behorend tot een beschermde inheemse
diersoort, waarvan kan worden aangenomen dat zij zich in de natuur
kunnen handhaven en die in strijd met het bepaalde bij of krachtens
deze wet worden gehouden, op kosten van de eigenaar of van degene die
deze dieren onder zich heeft, in hun natuurlijke leefomgeving in
vrijheid worden gesteld.
4. Onder de in het tweede en derde lid bedoelde kosten kunnen mede
zijn begrepen de kosten van bewaring in verband met het transport naar
de plaats van bestemming.
5. Indien niet tot terugzending of tot invrijheidstelling in de
natuurlijke leefomgeving als bedoeld in het tweede onderscheidenlijk
derde lid wordt besloten, kunnen de kosten van verzorging, huisvesting
of opslag binnen Nederland geheel of gedeeltelijk in rekening worden
gebracht bij de eigenaar, vervoerder, importeur of diens gemachtigde,
bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling kunnen terzake
nadere regels worden gesteld.
Artikel 113
Hetgeen krachtens het voorgaande artikel verschuldigd is, kan worden
ingevorderd bij dwangbevel.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
Artikel 114
1.Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Vogelwet 1936,
de Jachtwet, artikel 25 van de Natuurbeschermingswet of de Wet
bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten blijven van kracht voor de
tijd dat zij zijn verleend.
2.Op vergunningen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid is
het bepaalde in artikel 80 van toepassing.
Artikel 115
1.Ten aanzien van degene aan wie voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 44 te rekenen vanaf 1
januari 1977 in enig jaar een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet,
dan wel een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936
inzake haviken of slechtvalken is uitgereikt, is het bepaalde in
artikel 39, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing.
2.Gedurende een periode van twee jaar en zes maanden na
inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 44 van de wet is het
bepaalde in artikel 39, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing
indien een jachtexamen als erkend onder de Jachtwet met gunstig gevolg
is behaald.
3.Ten aanzien van degene aan wie op grond van het tweede lid een
jachtakte is uitgereikt, is het bepaalde in artikel 39, eerste lid,
onderdeel c, niet van toepassing.
Artikel 116
Ten aanzien van degene aan wie voor het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 62, op grond van artikel 15 van de Vogelwet 1936 vergunning
is verleend, ten behoeve van het prepareren van beschermde vogels, is
het bepaalde in artikel 62, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 117
[Wijzigt deze wet]
Artikel 118
[Wijzigt deze wet]
Artikel 119
[Wijzigt deze wet]
Paragraaf 2. Slotbepalingen
Artikel 120
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 121
[Wijzigt de Wet wapens en munitie]
Artikel 122
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 123
1.De artikelen van de Vogelwet 1936, de Jachtwet en de Wet
bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten vervallen op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen van genoemde wetten, of onderdelen daarvan, verschillend kan
worden gesteld.
2.De artikelen 22 tot en met 25 van de Natuurbeschermingswet
vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
3.De Vogelwet 1936, de Jachtwet, de Nuttige Dierenwet 1914 en de
Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten worden ingetrokken op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende wetten verschillend kan worden gesteld.
4.Ten aanzien van zaken betreffende overtredingen van ingevolge de
voorafgaande leden vervallen onderscheidenlijk ingetrokken
voorschriften die op het tijdstip van vervallen onderscheidenlijk
intrekking bij de tot dat tijdstip bevoegde rechter aanhangig waren,
blijft deze rechter bevoegd.
5.De in het vierde lid bedoelde zaken worden onverminderd artikel
1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, afgedaan volgens op het
in het derde lid bedoelde tijdstip geldende regels.
Artikel 124
[Wijzigt deze wet]
Artikel 125
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze
wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de beide kamers der
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
deze wet in de praktijk.
Artikel 126
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 127
Deze wet kan worden aangehaald als: Flora- en faunawet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de veertiende juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|