Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 8 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel
Indonesië
WET van 11 mei 1950 tot vaststelling van zekere waarborgen jegens
bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke
overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het
oog op de overgang naar een nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het
Rijk jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen
burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten
betrekkingen bij de wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan
onder:
I. "overheidsdienaren":
burgerlijke landsdienaren van Indonesië, en personen in dienst
van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de
artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling,
a. die op 5 Augustus 1949:
hetzij in vaste dienst waren,
hetzij waren aangenomen op een kortverband, waaraan recht op
vrije overtocht naar Nederland is verbonden, mits op die
aanneming een feitelijke indiensttreding is gevolgd,
hetzij in tijdelijke dienst waren sedert een aan 1 Maart 1942
voorafgaand tijdstip,
hetzij in tijdelijke dienst waren in aansluiting op een
dienstverband, dat door het Reglement betreffende de aanneming
en de dienstvoorwaarden van werkkrachten op maand-, dag- of
uurloon (M.D.R. 1939) of daarmede in aard overeenkomende
reglementen werd beheerst, of op een kortverband, dan wel op een
betrekking als bijzondere leerkracht in de zin van artikel 1
onder 2° van het Pensioenreglement voor bijzondere
leerkrachten, mits deze verbanden of deze betrekking bestonden
sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip,
hetzij in tijdelijke dienst waren en sedert een aan 1 Maart
1942 voorafgaand tijdstip tot aan dat van aanstelling in
tijdelijke dienst als dienst- of reserveplichtige onafgebroken
in militaire dienst zijn geweest;
b. die na 5 Augustus 1949, doch vóór de
souvereiniteitsoverdracht zijn aangesteld in vaste dienst, of
aangenomen op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht
naar Nederland is verbonden;
c. die voor de toepassing van deze wet door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën met een der
onder a of b bedoelde categorieën zijn gelijkgesteld;
voorzover de onder a, b en c bedoelde personen Nederlander zijn
en zolang zij deze status behouden, tenzij artikel 8a op hen van
toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in
artikel 5.
II. "gewezen overheidsdienaren":
a. personen, die na Augustus 1945 in overheidsdienst aan de
wederopbouw van Indonesië daadwerkelijk hebben medegewerkt dan
wel - ter beslissing van de commissie - daartoe wel bereid
zijnde, buiten eigen schuld of toedoen daartoe verhinderd zijn
geweest, wier dienstverband op een tijdstip vóór 5 Augustus
1949 is geëindigd en die op dat tijdstip een der
dienstverbanden hadden als omschreven onder I;
b. personen, die op of na 1 Maart 1942, doch vóór het
tijdstip van de souvereiniteitsoverdracht in tijdelijke dienst
van het Land of van een der onder I bedoelde zelfstandige
gemeenschappen zijn getreden en wegens in en door de dienst
bekomen letsel of gebreken zijn of zullen zijn ontslagen;
voorzover de onder a en b bedoelde personen Nederlander zijn en
zolang zij deze status behouden, tenzij artikel 8a op hen van
toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in
artikel 5.
III. "nagelaten betrekkingen":
betrekkingen van een overleden overheidsdienaar, een overleden
gewezen overheidsdienaar, zomede van een Nederlander, die nà 1
Maart 1942, doch vóór September 1945, dan wel wegens oorlogsletsel
in het tijdvak van 8 December 1941 tot en met 1 Maart 1942 is
overleden, en op het tijdstip van overlijden een der dienstverbanden
had als omschreven onder I, een en ander voor zover zij op grond van
dat overlijden gerechtigd zijn tot een uitkering van overheidswege
en voor zover zij Nederlander zijn en zolang zij deze status
behouden, tenzij artikel 8a op hen van toepassing is, dan wel
dispensatie is verleend als bedoeld in artikel 5.
IV. "afvloeiingsvoorwaarden":
de afvloeiingsvoorwaarden, behorende bij de Overeenkomst inzake
de positie van de Burgerlijke Overheidsdienaren in verband met de
souvereiniteitsoverdracht (Stb. J 570).
V. "normaal pensioen":
het pensioen, waarop recht wordt verkregen bij het bereiken van
een diensttijd van 20 en een leeftijd van 50 jaar, onderscheidenlijk
van een diensttijd van 25 en een leeftijd van 55 jaar, naar gelang
de door de betrokken overheidsdienaar beklede betrekking krachtens
de terzake op 5 Augustus 1949 voor hem van kracht zijnde
pensioenregeling is ingedeeld in de daarin bedoelde pensioengroep I,
onderscheidenlijk pensioengroep II.
VI. "de commissie":
de bevoegde commissie, als bedoeld in artikel 8.
VII. "Onze Minister":
Onze Minister, belast met de uitvoering van de Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië.
VIII. "Onze Ministers":
Onze Minister, belast met de uitvoering van de Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië en Onze Minister van
Financiën.
IX. "Pensioenstichting":
Stichting tot verzorging en afwikkeling van
pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van
Indonesië en hun nagelaten betrekkingen.
Artikel 2
1. Met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en in de
volgende artikelen garandeert het Rijk aan de overheidsdienaren, die
hun in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband vóór of op 31
December 1959 vrijwillig beëindigen, dan wel uit dat dienstverband
vóór of op 31 December 1959 worden ontslagen anders dan op eigen
verzoek, mits dit ontslag niet is te wijten aan eigen schuld, de
voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond van die
beëindiging bij toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van
kracht zijnde regelingen toekomen, en overigens de gevolgen, als
omschreven in de afvloeiingsvoorwaarden.
2. Voor de toepassing van deze wet:
a. wordt het in de afvloeiingsvoorwaarden onder B genoemde
bedrag van € 79,41 ’s maands gesteld op € 136,13 ’s maands
voor kostwinners en op € 102,10 ’s maands voor
niet-kostwinners, en vervalt de daarbij gestelde eis van tenminste
10 jaar;
b. wordt onder de in de afvloeiingsvoorwaarden onder A en B
bedoelde laatstelijk genoten activiteitswedde onderscheidenlijk
activiteitswedde verstaan de activiteitsbezoldiging, waarop
volgens de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen op het
tijdstip van de dienstbeëindiging rechtens aanspraak bestaat;
c. worden op de op basis van de afvloeiingsvoorwaarden
verleende uitkeringen in Indonesië duurte-, gezins- en
kindertoelagen toegekend volgens de ter plaatse geldende
regelingen, behoudens de bevoegdheid van Onze Ministers om van
deze regelingen af te wijken;
d. eindigt de wachtgeldperiode als bedoeld in de
afvloeiingsvoorwaarden uiterlijk 31 December 1961.
3. Voorzover recht of aanspraak op vrije overtocht naar Nederland
op de voet van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde
regelingen niet reeds bestaat of bij deze wet wordt gegarandeerd,
garandeert het Rijk - met inachtneming van het bepaalde bij de
volgende artikelen - aan de overheidsdienaren en hun gezinsleden in
verband met een beëindiging van een in artikel 1, onder I bedoeld
dienstverband, vrij vervoer naar Nederland op redelijke voorwaarden,
indien die overheidsdienaren:
a. op het tijdstip van beëindiging van dat dienstverband een
bezoldiging genoten van ten minste R 485 ’s maands en - ter
beslissing van de commissie - bijzondere belangen in Europa hebben
in de zin van artikel 3, tweede lid van het Buitenlands
verlofreglement 1937;
b. niet voldoen aan de onder a gestelde voorwaarden, doch -
zulks ter beslissing van de commissie - in omstandigheden zijn
komen te verkeren, welke van dien aard zijn, dat zij niet langer
in Indonesië kunnen verblijven, hetzij ten gevolge van dan wel in
samenhang met de uitoefening van hun functie, hetzij ten gevolge
van het uittreden uit die functie nadat doordienen ten gevolge van
dan wel in samenhang met de uitoefening van hun functie onmogelijk
was geworden.
Onder gezinsleden worden voor de toepassing van dit lid verstaan de
leden van een gezin, omschreven in artikel 2 van het Koninklijk
besluit van 22 Juni 1916 (Indisch Staatsblad 1916, no. 605), zoals dit
luidde op 5 Augustus 1949. In bijzondere gevallen kunnen door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ook
andere personen als gezinsleden worden aangemerkt.
4. Op verzoek van betrokkene kan Onze Minister beslissen, dat in de
gevallen, waarin recht bestaat op vrije overtocht naar Nederland ten
laste van het Rijk, in de plaats van die vrije overtocht ten laste van
het Rijk een geldelijke uitkering aan betrokkene wordt toegekend.
Artikel 2a
1. Met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen
garandeert het Rijk aan de overheidsdienaren, wier in artikel 1, onder
I bedoeld dienstverband na 31 December 1959 wordt voortgezet, gerekend
van dat tijdstip de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke
hun ingevolge het bepaalde in artikel 2, lid 1, zouden zijn
toegekomen, ingeval zij op 31 December 1959 de dienst zouden hebben
beëindigd, met dien verstande, dat zij, zolang zij hun dienstverband
met de Republiek Indonesië nog niet daadwerkelijk hebben beëindigd,
geen aanspraak kunnen doen gelden op uitkeringen uit hoofde van deze
wet.
2. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid en met inachtneming
van het bepaalde in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de
in dat lid bedoelde overheidsdienaren bij daadwerkelijke
dienstbeëindiging op een tijdstip na 31 December 1959 met recht op
pensioen of aanspraak op onderstand bij wijze van pensioen volgens de
op dat tijdstip bij de Republiek Indonesië van kracht zijnde
regelingen de voldoening van de eigen pensioenen en onderstanden bij
wijze van pensioen, waarop op dat tijdstip volgens de op 5 Augustus
1949 bestaande regelingen recht of aanspraak zou bestaan bij ontslag
wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken.
Artikel 3
Met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen garandeert
het Rijk aan de gewezen overheidsdienaren de voldoening van alle rechten
en aanspraken, welke hun op grond van het hun verleende ontslag volgens
de ten tijde van dat ontslag van kracht zijnde regelingen toekomen, met
dien verstande, dat de garantie voor hen, die op of nà 5 Augustus 1949
zijn of zullen zijn ontslagen, de voldoening van alle rechten en
aanspraken omvat, welke hun op grond van het hun verleende ontslag bij
toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde
regelingen toekomen.
Artikel 4
Onverminderd de verplichting tot toekenning en voldoening van
weduwenpensioenen en wezenonderstanden, waartoe het Rijk uit anderen
hoofde rechtstreeks gehouden is, garandeert het Rijk aan de nagelaten
betrekkingen, behoudens en met inachtneming van het bepaalde in de
volgende artikelen, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke
hun volgens de ten tijde van het overlijden van kracht zijnde regelingen
toekomen, met dien verstande, dat de garantie voor de nagelaten
betrekkingen van hem, die na 5 Augustus 1949 is of zal zijn overleden,
de voldoening van alle rechten en aanspraken omvat, welke hun bij
toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde
regelingen toekomen.
Artikel 4a
1. Bij beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een
uitkering krachtens artikel 2 of 2a behoudt de overheidsdienaar in
vaste dienst voor zijn weduwe en wezen recht op pensioen
onderscheidenlijk onderstand ten laste van de Pensioenstichting op de
voet van de rechten en verplichtingen, verbonden aan het verplichte
deelgenootschap in een der voormalige Weduwen- en Wezenfondsen of van
het voormalige Europees Locaal Pensioenfonds, zulks gerekend van de
datum van die beëindiging.
2. Wanneer de door een overheidsdienaar in vaste dienst terzake van
de dienstbeëindiging genoten inkomsten blijvend ophouden, is van dat
tijdstip af het bepaalde in het vorige lid alleen van toepassing,
indien door de Pensioenstichting van de betrokken overheidsdienaar het
verzoek daartoe wordt ontvangen binnen zes maanden nadat die inkomsten
hebben opgehouden dan wel, indien deze termijn bij de inwerkingtreding
van deze wet reeds geheel of ten dele is verstreken, binnen zes
maanden na die inwerkingtreding. In dit geval worden de door hem
verschuldigde bijdragen, behoudens het bepaalde in de volgende leden,
berekend over de laatstelijk terzake van die dienstbeëindiging
genoten inkomsten.
3. In het geval bedoeld in het vorige lid zijn de bepalingen inzake
het voldoen van de bijdragen, het bepalen van de bijdrage naar de
grondslag van een fictief pensioen, het ophouden of de opzegging van
het deelgenootschap, zoals die golden voor het vrijwillig
deelgenootschap in de voormalige in lid 1 genoemde fondsen, van
overeenkomstige toepassing.
4. De vaststelling van het bedrag van de ingevolge dit artikel
verschuldigde bijdragen, van de wijze van voldoening daarvan en
hetgeen overigens ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel nodig
is, geschiedt door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting. Over
bijdragen, welke ingevolge het in werking treden van deze wet alsnog
verschuldigd zijn, is geen rente verschuldigd.
5. In de gevallen, waarin in de regelingen op het gebied van
weduwen- en wezenuitkeringen bevoegdheden tot afwijking van die
regelingen of tot het treffen van een afzonderlijke voorziening waren
voorbehouden aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal, worden deze
bevoegdheden met betrekking tot de buiten het grondgebied van de
Republiek Indonesië gevestigde weduwen en wezen uitgeoefend door de
Raad van Beheer van de Pensioenstichting na voorafgaande goedkeuring
van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën.
Artikel 4b
In de gevallen, waarin in de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde
regelingen aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal de bevoegdheid was
voorbehouden om ter aanvulling of in afwijking van die regelingen
beslissingen te nemen of bijzondere voorzieningen te treffen, worden
deze bevoegdheden, behoudens het bepaalde in artikel 4a, lid 5, voor de
toepassing van deze wet uitgeoefend door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
Artikel 4c
1. Voor de toepassing van deze wet wordt aangenomen, dat bij
wijziging of intrekking van de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde
bezoldigingsregelingen deze ongewijzigd van kracht zijn gebleven.
2. Op pensioen of onderstand bij wijze van pensioen wordt, indien
bij de vaststelling van de grondslagen daarvan rekening is gehouden
met bezoldigingen, welke zijn toegekend op grond van na 31 December
1948 geldende bezoldigingregelingen, buiten Indonesië geen
duurtetoeslag en kindertoelage toegekend, tenzij het bedrag van dat
pensioen of die onderstand minder bedraagt dan het bedrag aan pensioen
of onderstand bij wijze van pensioen, dat zou zijn genoten, indien
voor de vaststelling van de grondslag uitsluitend rekening zou zijn
gehouden met bezoldigingen, toegekend op basis van de vóór 1 Januari
1949 bestaande bezoldigingsregelingen, vermeerderd met de toekomende
duurtetoeslag en kindertoelage, in welk geval het verschil tussen
beide bedoelde bedragen in de vorm van een duurtetoeslag wordt
toegekend.
Artikel 4d
1. De uitkeringen, waartoe het Rijk uit hoofde van of krachtens
deze wet gehouden is, worden, behoudens het bepaalde in lid 4,
vastgesteld en toegekend door of namens Onze Minister.
2. Over de in lid 1 bedoelde uitkeringen zijn door de betrokkene
volgens de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen
bijdragen verschuldigd voor de eigen pensioenen en op de voet van het
bepaalde in artikel 4a voor de weduwenpensioenen en wezenonderstanden.
3. De nominale bedragen van de onderstand bij wijze van pensioen,
bedoeld sub B van de afvloeiingsvoorwaarden, zomede van de blijvende
onderstand, bedoeld in artikel 12 van de wet van 21 December 1951
(Stb. 592), worden naar boven afgerond tot het naastbijliggende
veelvoud van een halve euro of halve rupiah. De nominale bedragen van
andere periodieke uitkeringen worden naar boven afgerond tot het
naastbijliggende veelvoud van één euro of één rupiah.
4. De periodieke uitkeringen aan buiten het grondgebied van de
Republiek Indonesië gevestigde weduwen en wezen, uit hoofde van of
krachtens de in artikel 4 van deze wet gegeven garantie, worden met
inachtneming van de door of namens Onze Minister te geven aanwijzingen
toegekend door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting ten laste
van die stichting.
Artikel 4e
1. Indien een overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar op grond
van de dienstbeëindiging rechten of aanspraken heeft op uitkeringen
ten laste van de Republiek Indonesië, kan hij door Onze Minister
worden verplicht het nodige te verrichten teneinde deze rechten en
aanspraken geldend te maken.
2. Bij niet-nakoming van de in het vorige lid bedoelde
verplichting, zomede indien door of vanwege de Republiek Indonesië op
grond van de dienstbeëindiging uitkeringen zijn of worden toegekend,
zullen de garanties volgens door Onze Minister te stellen regelen
slechts worden verwezenlijkt, voorzover en voorzolang de vanwege de
Republiek Indonesië toekomende dan wel toegekende uitkeringen minder
bedragen dan de uitkeringen, waarop uit hoofde van of krachtens deze
wet recht of aanspraak bestaat.
Artikel 5
Door Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid in bijzondere
gevallen worden bepaald, dat de garanties uit hoofde van of krachtens
deze wet blijven gelden bij verandering van nationaliteit.
Artikel 6
1. Het nominale bedrag van de periodieke uitkeringen, waartoe het
Rijk uit hoofde van of krachtens deze wet is gehouden, wordt
betaalbaar gesteld:
a. in euro's over het tijdvak, dat de rechthebbende is
gevestigd buiten het grondgebied van de Republiek Indonesië;
b. in Indonesisch courant over het tijdvak, dat de
rechthebbende is gevestigd binnen het grondgebied van de Republiek
Indonesië.
2. De betaalbaarstelling van duurtetoeslagen en kindertoelagen,
welke op de in het vorige lid bedoelde uitkeringen zijn toegekend,
geschiedt in dezelfde munteenheid als waarin die uitkeringen
betaalbaar worden gesteld.
3. Het nominale bedrag van de krachtens een kortverband
verschuldigde kortverbandtoelage en bonus, waartoe het Rijk uit hoofde
van of krachtens deze wet is gehouden, wordt uitbetaald:
hetzij in Indonesisch courant,
hetzij, indien de rechthebbende zich binnen een jaar na
beëindiging van het kortverband heeft gevestigd buiten het
grondgebied van de Republiek Indonesië, in euro's.
4. Terugbetaling van overtochts- en vervoerskosten, waartoe het
Rijk uit hoofde van of krachtens deze wet is gehouden, vindt plaats in
Nederland tot de tegenwaarde in euro's.
5. Indien betrokkene buiten Nederland en buiten het grondgebied van
de Republiek Indonesië is gevestigd, geschiedt de bij dit artikel
bedoelde betaalbaarstelling dan wel uitbetaling aan een door hem
daartoe aan te wijzen gemachtigde in Nederland.
6. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in dit artikel door
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ten
gunste van belanghebbende worden afgeweken.
Artikel 7
1. Een overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar, die uit hoofde
van of krachtens deze wet ten laste van het Rijk een periodieke
uitkering geniet, is, zolang hij de voor normaal pensioen vereiste
leeftijd nog niet heeft bereikt, verplicht:
1e. indien hij in de gelegenheid komt om in het land, waarin
hij is gevestigd, op een wijze, welke in verband met zijn
persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend kan worden
geacht, inkomsten uit arbeid te verkrijgen, van die gelegenheid
gebruik te maken;
2e. een hem aangeboden ambt of betrekking in het land, waarin
hij is gevestigd, welke hem in verband met zijn persoonlijkheid en
omstandigheden redelijkerwijze kan worden opgedragen, te
aanvaarden, met dien verstande, dat deze verplichting niet omvat
het treden in vreemde overheidsdienst.
3e. van het ter hand nemen van enige betaalde arbeid of van
enig bedrijf onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister;
4e. van de verworven inkomsten en van de eventuele wijzigingen
daarin tijdig opgave te doen aan Onze Minister.
2. Wanneer de in het vorige lid bedoelde persoon inkomsten uit
arbeid geniet, wordt, zolang hij de voor normaal pensioen vereiste
leeftijd nog niet heeft bereikt, op de in dat lid bedoelde uitkering,
na aftrek van de maandelijks verschuldigde pensioenbijdragen, een
korting toegepast ten bedrage van een percentage van de opbrengst van
arbeid, gelijk aan het percentage, dat de periodieke uitkering
uitmaakt van de grondslag, waarover die uitkering is berekend,
wordende voor de toepassing van dit artikel als opbrengst van arbeid
niet in aanmerking genomen:
a. voor ongehuwden een bedrag van € 22,69 ’s maands,
b. voor gehuwden een bedrag van € 45,38 ’s maands,
welke bedragen voor ieder minderjarig kind dat tot de betrokkene in
familierechtelijke betrekking staat, dan wel stiefkind, hetwelk geheel
ten laste van betrokkene komt, worden verhoogd met € 11,34 ’s
maands.
3. Onze Minister kan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, buiten
toepassing laten, of daarvan afwijken, zo nodig onder het stellen van
voorwaarden, voor zover toepassing ervan zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard, gelet op het uitgangspunt van het
bieden van waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen
overheidsdienaren, gewezen overheidsdienaren en hun nagelaten
betrekkingen.
4. Bij niet- of niet behoorlijke nakoming van de in lid 1 bedoelde
verplichtingen, alsmede indien de inkomsten zonder voldoende reden
vrijwillig worden prijs gegeven of door eigen schuld verloren gaan,
kan de commissie op daartoe van of vanwege Onze Minister ontvangen
verzoek beslissen, dat de uitkering gerekend van een door haar te
bepalen tijdstip geheel of gedeeltelijk, voor een bepaalde tijdsduur,
dan wel blijvend, wordt gestaakt.
5. In de gevallen, bedoeld in lid 4, kan Onze Minister bepalen, dat
in afwachting van de beslissing van de commissie de uitkering geheel
of gedeeltelijk wordt opgeschort.
6. Met de in lid 1 bedoelde personen kan een regeling worden
getroffen, krachtens welke het wachtgeld, de onderstand bij wijze van
wachtgeld of de aflopende onderstand geheel of ten dele wordt
vervangen door een afkoopsom. In dit geval telt als diensttijd, geldig
voor pensioen, mede de tijd, welke als zodanig zou zijn medegeteld,
indien geen afkoopregeling ware getroffen.
7. Ter uitvoering van dit artikel kunnen door Onze Minister nadere
voorschriften en aanwijzingen, hetzij in het algemeen hetzij voor enig
bijzonder geval, worden gegeven. Bij niet- of niet behoorlijke
naleving door de belanghebbende van deze voorschriften of
aanwijzingen, is het bepaalde in de leden 4 en 5 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7a
1. Indien een overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar een
periodieke uitkering ten laste van de Republiek Indonesië geniet, is
hij bevoegd zich voor de toepassing van deze wet tot de commissie te
wenden met het verzoek om te beslissen:
a. of hij een hem aangeboden ambt of betrekking mag weigeren -
dan wel al dan niet terecht heeft geweigerd - te aanvaarden;
b. of hij al dan niet terecht geen gebruik heeft gemaakt van
een gelegenheid om in het land, waarin hij is gevestigd, passende
arbeid te verkrijgen;
c. of door hem verworven inkomsten uit arbeid al dan niet
zonder voldoende reden zijn of kunnen worden prijsgegeven, dan wel
al dan niet door eigen schuld verloren zijn gegaan.
2. Ambten of betrekkingen buiten het land, waarin betrokkene is
gevestigd, behoeven niet te worden aanvaard.
3. Het bepaalde in artikel 7, leden 2 en 3, is op een
overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar, bedoeld in lid 1, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
1. Wij stellen een of meer commissies in, die - behalve de andere
bevoegdheden en werkzaamheden, welke haar bij of krachtens deze wet
zijn of zullen worden verleend of opgedragen - tot taak hebben voor de
toepassing van deze wet:
a. op verzoek van betrokkenen - in verband met het bepaalde in
artikel 1, onder II, sub b, - te beslissen, of het verkregen
ontslag ten rechte wegens in en door de dienst bekomen letsel of
gebreken had behoren te zijn verleend;
b. op verzoek van betrokkenen - in verband met het bepaalde in
artikel 2, lid 1, - te beslissen, of het verkregen ontslag terecht
is geoordeeld aan eigen schuld te wijten te zijn;
c. op verzoek van betrokkenen te beslissen, of al dan niet dan
wel in hoeverre rekening zal worden gehouden met na de
souvereiniteitsoverdracht ondergane verslechteringen in ambt of
betrekking en/of rang;
d. op verzoek van of vanwege Onze Minister te beslissen, of al
dan niet dan wel in hoeverre rekening zal worden gehouden met na
de souvereiniteitsoverdracht ingetreden verbeteringen in ambt of
betrekking en/of rang van de betrokken overheidsdienaar;
e. bij ontbreken van een ontslagbesluit, op verzoek van
betrokkenen te beslissen of zij voor de toepassing van deze wet
moeten worden aangemerkt als te hebben verkregen een ontslag
anders dan op eigen verzoek.
2. De commissie kan, nadat door of vanwege Onze Minister terzake
haar oordeel is gevraagd, beslissen, dat de garanties uit hoofde van
of krachtens deze wet tijdelijk of blijvend en geheel of gedeeltelijk
vervallen, indien zij van oordeel is, dat:
a. een ontslag, als bedoeld in artikel 1, onder II, sub b, ten
onrechte wegens in en door de dienst bekomen letsel of gebreken is
verleend;
b. een ontslag, als bedoeld in artikel 2, lid 1, terecht is
geoordeeld aan eigen schuld te wijten te zijn;
c. een overheidsdienaar zich vóór de beëindiging van het in
artikel 1, onder I, bedoelde dienstverband zodanig heeft
misdragen, dat, ware hij in dienst gebleven, hem op deze grond
ontslag had kunnen zijn verleend;
d. een overheidsdienaar, gewezen overheidsdienaar of nagelaten
betrekking onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt voor
de beoordeling van de aanspraak op de garanties uit hoofde van of
krachtens deze wet dan wel voor de toekenning en vaststelling van
de uitkeringen uit hoofde van of krachtens deze wet.
3. Aan de beslissingen van de commissie kunnen door haar
voorwaarden worden verbonden.
4. De samenstelling, standplaats, werkwijze en, voorzoveel nodig,
de onderlinge verdeling van bevoegdheden van commissies worden
geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij kunnen binnen het
kader van de doelstellingen van deze wet de taak en bevoegdheden der
commissie worden uitgebreid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens voorzien in de
mogelijkheid tot instelling van beroep tegen beslissingen van de
commissie.
Artikel 8a
1. Onverminderd het bepaalde in lid 5 en met inachtneming van het
bepaalde in de artikelen 4c tot en met 8, garandeert het Rijk bij
dienstbeëindiging vóór of op 27 December 1954 aan Indonesische
staatsburgers, gewezen Nederlanders, die, waren zij Nederlanders
gebleven, zouden hebben behoord tot de overheidsdienaren als bedoeld
in artikel 1, onder I:
a. indien hun in dat artikel bedoeld dienstverband is of wordt
beëindigd met recht op pensioen of aanspraak op onderstand bij
wijze van pensioen volgens de bij de Republiek Indonesië van
kracht zijnde regelingen, de voldoening van de eigen pensioenen en
onderstanden bij wijze van pensioen, waarop op het tijdstip van
dienstbeëindiging volgens de op 5 Augustus 1949 bestaande
regelingen recht of aanspraak zou bestaan bij ontslag wegens
welbewezen ziels- of lichaamsgebreken;
b. indien zij vóór het tijdstip, waarop recht op pensioen of
aanspraak op onderstand bij wijze van pensioen volgens de bij de
Republiek Indonesië van kracht zijnde regelingen is verkregen,
uit hun in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband worden
ontslagen, mits dat ontslag, zulks ter beslissing van de
commissie, is verleend anders dan op eigen verzoek en niet is te
wijten aan eigen schuld of toedoen, de voldoening van de rechten
en aanspraken als omschreven in artikel 2, lid 1, met uitzondering
van het recht op vrije overtocht naar Nederland.
2. Aan Indonesische staatsburgers, gewezen Nederlanders, die, waren
zij Nederlanders gebleven, zouden hebben behoord tot de gewezen
overheidsdienaren als bedoeld in artikel 1, onder II, garandeert het
Rijk de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond
van het verleende ontslag ingevolge het bepaalde in artikel 3 zouden
zijn toegekomen, indien zij Nederlanders waren gebleven, met
uitzondering van het recht op vrije overtocht naar Nederland.
3. Aan de weduwe en wezen van een overleden Indonesische
staatsburger als bedoeld in de leden 1 en 2 garandeert het Rijk de
voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond van dat
overlijden ingevolge het bepaalde in artikel 4 zouden toekomen, indien
de overledene Nederlander ware gebleven, met uitzondering van het
recht op vrije overtocht naar Nederland.
4. In bijzondere gevallen kan, ter beslissing van de commissie, aan
de in de vorige leden bedoelde personen, die, waren zij Nederlanders
gebleven, uit hoofde van of krachtens deze wet recht op vrije
overtocht naar Nederland zouden hebben, vrij vervoer naar Nederland op
redelijke voorwaarden worden verleend.
5. De Indonesische staatsburgers, die garanties genieten krachtens
het bepaalde in lid 2 van artikel 8a, zoals dat luidde ingevolge de
wet van 21 December 1951 (Stb. 591), behouden deze garanties, met dien
verstande, dat de artikelen 4a tot en met 8 van overeenkomstige
toepassing zijn.
Artikel 8b
Voor gevallen, waarin deze wet of de afvloeiingsvoorwaarden niet of
niet naar billijkheid voorzien, kunnen door Ons op voordracht van Onze
Ministers ten behoeve van de overheidsdienaren, gewezen
overheidsdienaren en nagelaten betrekkingen aanvullende garanties van
het Rijk worden vastgesteld.
Artikel 8c
De garanties strekken zich niet uit over het recht op kindertoelage
voor kinderen, voor wie aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, of
de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 10 van
laatstgenoemde wet, terwijl de kindertoelage voor die kinderen voor de
berekening van de in het tweede lid van artikel 4c bedoelde
duurtetoeslag buiten aanmerking wordt gelaten.
Artikel 9
1. Door Ons kunnen op voordracht van Onze Ministers overeenkomstige
garanties als bij de voorgaande artikelen van deze wet zijn verleend,
worden vastgesteld ten behoeve van andere Nederlanders, dan genoemd in
artikel 1, onder I of II, zomede in bijzondere gevallen ten behoeve
van niet-Nederlanders, voor zover betrokkenen een functie bekleden of
hebben bekleed, gelegen in de overheidssfeer van Indonesië.
2. Aan de vaststelling van de in het vorige lid bedoelde garanties
kunnen door Ons voorwaarden worden verbonden.
Artikel 9a
Tenzij bij of krachtens deze wet uitdrukkelijk anders is bepaald,
worden de ter uitvoering van deze wet te nemen beslissingen genomen door
Onze Minister.
Artikel 9b [Vervallen per 01-01-1971]
Artikel 9c [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van
haar afkondiging. Zij kan worden aangehaald als "Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 11 Mei 1950
JULIANA
De Minister-President,
W. Drees
De Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,
J.H. van Maarseveen
De Minister zonder Portefeuille,
Götzen
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Sociale Zaken,
A.M. Joekes
Uitgegeven de tweede Juni 1950
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
|