Nadere
regelgeving:
- Besluit
leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998
- Besluit leveringszekerheid Gaswet
- Besluit milieutaak gasbedrijven Gaswet
- Regeling
afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet
- Regeling
afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas
- Regeling
afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers (vervallen)
- Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden gas
- Regeling
kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas
WET van 22 juni 2000, houdende regels
omtrent het transport en de levering van gas (Gaswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter
uitvoering van richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke
regels voor de interne markt voor aardgas (PbEG 1998, L 204), de
mogelijkheden voor levering en in- en uitvoer van gas en voor het
gebruik van infrastructuur voor gastransport te verruimen en daarvoor
met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, duurzaam,
milieuhygiënisch verantwoord en doelmatig functioneren van de
gasvoorziening een regeling tot stand te brengen met betrekking tot het
transport en de levering van gas;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie;
b. gas:
1°. aardgas dat bij een temperatuur van 15° Celsius en
bij een druk van 1,01325 bar in gasvormige toestand verkeert
en in hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die
vanwege haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is en
2°. stof die:
– is opgewekt in een productie-installatie die
uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare energiebronnen of
– is opgewekt in een hybride productie-installatie die
gebruik maakt van zowel hernieuwbare als fossiele
energiebronnen en
– bij een temperatuur van 15° Celsius en bij een druk
van 1,01325 bar in gasvormige toestand verkeert en in
hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die vanwege
haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is voor zover het
mogelijk en veilig is deze stof overeenkomstig hoofdstuk 2 te
transporteren;
c. gasproductienet: een of meer pijpleidingen die onderdeel
uitmaken van een olie- of gaswinningsproject of die worden
gebruikt voor het transport van gas rechtstreeks van een
gaswinningsproject naar een verwerkingsinstallatie, een
opslagplaats of een aanlandingsplaats;
d. gastransportnet: niet tot een gasproductienet behorende, met
elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt
voor het transport van gas, met inbegrip van hulpmiddelen en
installaties waarmee ondersteunende diensten voor dat transport
worden verricht, behoudens voor zover deze leidingen en
hulpmiddelen onderdeel uitmaken van een directe lijn of gelegen
zijn binnen de installatie van de afnemer;
e. netbeheerder: een vennootschap die op grond van artikel 2 is
aangewezen voor het beheer van een of meer gastransportnetten,
f. gasopslaginstallatie: een installatie voor de opslag van
gas, met inbegrip van het gedeelte van een LNG-installatie dat
voor opslag wordt gebruikt, maar met uitzondering van het gedeelte
dat wordt gebruikt voor gasproductie, en met uitzondering van
installaties die uitsluitend ten dienste staan van de netbeheerder
van het landelijk gastransportnet bij de uitvoering van zijn
taken;
g. gasopslagbedrijf: een ieder die een gasopslaginstallatie
beheert;
h. LNG-installatie: een installatie die gebruikt wordt voor het
vloeibaar maken van gas, of voor de invoer, de verlading, of de
hervergassing van vloeibaar gas, met inbegrip van ondersteunende
diensten en tijdelijke opslag die nodig zijn voor het proces van
hervergassing en de daaropvolgende levering aan het
transportsysteem, met uitzondering van de gedeeltes van de
installatie die gebruikt worden voor opslag;
i. LNG-bedrijf: een ieder die een LNG-installatie beheert;
j. gasbedrijf: een netbeheerder, een gasopslagbedrijf, een
LNG-bedrijf of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de
productie, de aankoop of de levering van gas verricht, maar geen
eindafnemer van dit gas is;
k. verwant bedrijf: verbonden onderneming in de zin van artikel
41 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van 13 juni
1983 op de grondslag van artikel 54, derde lid, sub g, van het
Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening of een
geassocieerde onderneming in de zin van artikel 33, eerste lid,
daarvan of een onderneming die aan dezelfde aandeelhouders
toebehoort;
l. netgebruiker: degene voor wie met behulp van een
gastransportnet het transport van gas wordt verricht;
m. aansluiting: één of meer verbindingen tussen een
gastransportnet en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16,
onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken;
n. landelijk gastransportnet: een gastransportnet dat
uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd of wordt gebruikt voor het
op landelijk niveau transporteren van gas;
o. afnemer: een persoon met een aansluiting op een
gastransportnet;
p. vergunninghouder: een houder van een leveringsvergunning als
bedoeld in artikel 43;
q. richtlijn: richtlijn nr. 2009/73/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en
tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (Pb EU 2009, L 211);
r. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit, genoemd in artikel 2 van de
Mededingingswet;
s. [vervallen;]
t. ondersteunende diensten: de diensten die nodig zijn voor de
toegang tot of de werking van gastransportnetten, LNG-installaties
of opslaginstallaties, met inbegrip van het opvangen van
fluctuaties in de belasting van het gastransportnet en menging,
maar met uitzondering van de installaties die uitsluitend ten
dienste staan van de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet bij de uitvoering van zijn taken;
u. economische eigendom: het krachtens een rechtsverhouding
gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van
een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het
gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor
zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van
waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat
het goed geleverd is;
v. [vervallen;]
w. programmaverantwoordelijkheid: de verantwoordelijkheid voor
het opstellen van een programma als bedoeld in artikel 17b, eerste
of tweede lid;
x. programmaverantwoordelijke: degene op wie
programmaverantwoordelijkheid rust;
y. continentaal plat: het onder de Noordzee gelegen deel van de
zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede
overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten
Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine
rechten heeft en welke is gelegen aan de zeezijde van de in
artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale
zee bedoelde lijn;
z. landsgrensoverschrijdend gastransportnet: een
gastransportnet dat de grens van tenminste twee landen
overschrijdt en dat uitsluitend als doel heeft de
gastransportnetten van die landen onderling te koppelen;
aa. aansluitpunt: het deel van de aansluiting vanaf het
gastransportnet tot en met de eerste afsluiter;
ab. meetinrichting: het gehele samenstel van apparatuur dat ten
minste tot doel heeft het uitgewisselde gas te meten;
ac. meetbedrijf: een organisatorische eenheid die zich
bezighoudt met het collecteren, valideren en vaststellen van
meetgegevens betreffende gas;
ad. verordening 715/2009: verordening nr. 715/2009 van het
Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de
toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 1775/2005 (Pb EU 2009, L 211);
ae. verordening 713/2009: verordening nr. 713/2009 van het
Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van
een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (Pb
EU 2009, L 211);
af. Agentschap: het agentschap, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de verordening 713/2009;
ag. producent: een organisatorische eenheid die zich bezig
houdt met het produceren van gas;
ah. leverancier: een organisatorische eenheid die zich bezig
houdt met het leveren van gas;
ai. handelaar: een organisatorische eenheid die zich bezighoudt
met het sluiten van overeenkomsten betreffende de koop en verkoop
van gas;
aj. producent van elektriciteit: een producent als bedoeld in
artikel 1, onderdeel g, van de Elektriciteitswet 1998;
ak. leverancier van elektriciteit: een leverancier als bedoeld
in artikel 1, onderdeel f, van de Elektriciteitswet 1998;
al. handelaar in elektriciteit: een handelaar als bedoeld in
artikel 1, onderdeel h, van de Elektriciteitswet 1998;
am. gesloten distributiesysteem: een net, niet zijnde het
landelijk gastransportnet:
1°. dat ligt binnen een geografisch afgebakende
industriële locatie, commerciële locatie of locatie met
gedeelde diensten,
2°. waarop minder dan 500 afnemers zijn aangesloten en
3°. dat alleen niet-huishoudelijke afnemers van gas
voorziet, tenzij er sprake is van incidenteel gebruik door een
klein aantal huishoudelijke afnemers die werkzaam is bij of
vergelijkbare betrekkingen heeft met de eigenaar van het
gesloten distributiesysteem;
an. directe lijn: één of meer gasleidingen die geen
gastransportnet zijn en die:
1°. een geïsoleerde producent rechtstreeks verbinden met
een geïsoleerde verbruiker van gas; of
2°. een producent met tussenkomst van een leverancier
rechtstreeks verbinden met één of meer verbruikers van gas,
niet zijnde in hoofdzaak huishoudelijke verbruikers, teneinde
te voorzien in de gasbehoefte van deze verbruikers;
ao. hernieuwbare energiebronnen: hernieuwbare energiebronnen
als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn 2009/28/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering
van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende
wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn
2003/30/EG (Pb EU 2009, L 140);
bb. verordening 994/2010: verordening (EU) nr. 994/2010 van het
Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende
maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende
intrekking van Richtlijn 2004/67/EG (PbEU 2010, L 295).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze wet geheel of
gedeeltelijk van toepassing worden verklaard op andere gasvormige
stoffen dan de stof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van
toepassing op gasopslaginstallaties, LNG-installaties en
landsgrensoverschrijdende gastransportnetten die zijn gelegen binnen
de Nederlandse exclusieve economische zone of op het continentaal
plat.
Paragraaf 1.1a. Uitvoering en toezicht
Artikel 1a
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is belast met
taken ter uitvoering van deze wet, verordening 713/2009, verordening
715/2009 en verordening 994/2010. Ook is de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit belast met het toezicht op de naleving van deze
wet, verordening 713/2009, verordening 715/2009 en verordening
994/2010, met uitzondering van artikel 8, tenzij het gaat om
investeringen, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel f tot en
met i, en met uitzondering van de artikelen 8a, 35a en 54 tot en met
57.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is de
regulerende instantie, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de
richtlijn en in verordening 715/2009 en is de bevoegde instantie als
bedoeld in verordening 715/2009.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit houdt bij de
uitoefening van de hem op grond van deze wet toegekende taken en
bevoegdheden rekening met artikel 40 van de richtlijn.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit werkt, onder
meer teneinde de nationale markten op één of meer geografische
gebieden als bedoeld in artikel 12, derde lid, van verordening
715/2009 te integreren en samenwerking tussen de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet en buitenlandse instelling die op grond van
nationale wettelijke regels belast zijn met het beheer van een
transmissiesysteem als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, van de
richtlijn in deze gebieden aan te moedigen, samen met:
a. instellingen in andere lidstaten van de Europese Unie die op
grond van nationale wettelijke regels zijn belast met de
toepassing van de regels op het gebied van gas;
b. het Agentschap.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit draagt bij aan
de compatibiliteit van gegevensuitwisselingsprocessen voor de
belangrijkste marktprocessen in één of meer geografische gebieden
als bedoeld in artikel 12, derde lid, van verordening 715/2009.
6. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit beslist over
de goedkeuring van de door de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet gehanteerde congestiebeheersprocedures voor
landsgrensoverschrijdende netten.
Artikel 1b
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, met uitzondering van artikel 8, tenzij het gaat om
investeringen, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel f tot en
met i, en met uitzondering van de artikelen 8a, 35a en 54 tot en met
57, verordening 713/2009, verordening 715/2009 en verordening 994/2010
zijn belast de bij besluit van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan bindende
aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, verordening 713/2009, verordening 715/2009 en
verordening 994/2010. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
4. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van artikel 19
worden verricht door personen die niet betrokken zijn bij
werkzaamheden op grond van hoofdstuk 2, paragrafen 2.2 en 2.3.
Artikel 1c
1. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens artikel 8, met uitzondering van het tweede
lid, onderdeel f tot en met i, en de artikelen 8a, 35a en 54 tot en
met 57.
2. Met het toezicht op de naleving van artikel 8, met uitzondering
van het tweede lid, onderdeel f tot en met i, en de artikelen 8a, 35a
en 54 tot en met 57 zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. Onze Minister kan bindende aanwijzingen geven in verband met de
naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 8, met uitzondering
van het tweede lid, onderdeel f tot en met i, en de artikelen 35a en
54 tot en met 57.
Artikel 1d
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit volgt nauwlettend
in welke mate de gasmarkt aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 40
van de richtlijn, voldoet. Tevens volgt hij:
a. de samenhang tussen de voorgenomen investeringen, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet en de netontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel
8, derde lid, onderdeel b, van verordening 715/2009;
b. het niveau van transparantie, met inbegrip van de
groothandelsprijzen;
c. het niveau en de doeltreffendheid van openstelling van de
markt en de mededinging op groot- en kleinverbruikersniveau;
d. het bestaan van praktijken gericht op het aangaan van
overeenkomsten die afnemers, niet zijnde afnemers als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, kunnen weerhouden van of hen beperkingen
kunnen opleggen met betrekking tot een keuze voor het gelijktijdig
sluiten van overeenkomsten met meer dan een leverancier.
Artikel 1e
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit brengt
jaarlijks verslag uit over de uitvoering van zijn taken. Het verslag
bevat een overzicht van de behaalde resultaten en de genomen
maatregelen.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit zendt het
verslag toe aan Onze Minister, het Agentschap en de Europese
Commissie.
Artikel 1f
1. Onze Minister onthoudt zich van instructies die op een
individuele zaak betrekking hebben.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit en het ter
beschikking van de raad gestelde personeel verlangen of ontvangen geen
instructies die op een individuele zaak betrekking hebben.
Artikel 1g
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan van een
gasbedrijf, een gasbeurs, een netgebruiker of een afnemer de gegevens
en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de uitvoering van
de hem in deze wet, verordening 713/2009, verordening 715/2009 en
verordening 994/2010 opgedragen taken.
2. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen
te verstrekken, is verplicht binnen de door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit gestelde redelijke termijn alle medewerking te
verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van
zijn bevoegdheden.
3. Gegevens of inlichtingen omtrent een gasbedrijf, een gasbeurs,
een netgebruiker of een afnemer, welke in verband met enige
werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet, verordening
715/2009 of verordening 994/2010 zijn verkregen, mogen uitsluitend
voor de toepassing van deze wet, verordening 713/2009, verordening
715/2009, verordening 994/2010, de Mededingingswet, de
Elektriciteitswet 1998, de Warmtewet en de artikelen 4.4 en 4.5 van de
Wet handhaving consumentenbescherming worden gebruikt.
4. In afwijking van het derde lid is de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit bevoegd bescheiden, gegevens of inlichtingen,
bedoeld in het derde lid, te verstrekken aan:
a. een buitenlandse instelling, die op grond van nationale
wettelijke regels is belast met de toepassing van de regels op het
gebied van gas, voor zover die bescheiden, gegevens en
inlichtingen van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening
van de taak van die instelling;
b. een bestuursorgaan dat op grond van deze wet of van een
andere wettelijke regeling dan deze wet is belast met taken die de
toepassing of mede de toepassing van bepalingen op het gebied van
gas betreffen, voor zover die bescheiden, gegevens of inlichtingen
van betekenis kunnen zijn voor de uitoefening van de taak van dat
bestuursorgaan;
c. het Agentschap, voor zover die bescheiden, gegevens of
inlichtingen van betekenis kunnen zijn voor de uitoefening van de
taak van het Agentschap.
5. Op basis van het vierde lid kunnen uitsluitend bescheiden,
gegevens of inlichtingen worden verstrekt indien:
a. de geheimhouding van de bescheiden, gegevens of inlichtingen
in voldoende mate is gewaarborgd en
b. voldoende is gewaarborgd dat de bescheiden, gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
Artikel 1h
1. Artikel 1g is van overeenkomstige toepassing op Onze Minister
voor zover hij inlichtingen en gegevens nodig heeft voor de uitvoering
van zijn taken op grond van deze wet, verordening 715/2009 of
verordening 994/2010.
2. Indien Onze Minister op grond van artikel 10a, eerste lid,
onderdeel f, de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
opdraagt werkzaamheden te verrichten ter uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 52a, zijn artikel 1g, eerste tot en met derde lid,
van overeenkomstige toepassing op die netbeheerder.
Paragraaf 1.1.b. Duurzame decentrale experimenten
Artikel 1i
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van
bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie, bij
wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens
deze wet.
2. Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid
indien het experiment bijdraagt aan ontwikkelingen op het gebied van
de decentrale productie, het transport en de levering van gas dat
decentraal is opgewekt in een installatie die uitsluitend gebruik
maakt van hernieuwbare energiebronnen en past binnen verantwoorde
financiële kaders van het Rijk.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, worden regels gesteld over experimenten, als bedoeld in het
eerste lid, waarbij in elk geval wordt bepaald:
a. welke afwijking of afwijkingen van deze wet zijn toegestaan,
b. voor welke categorieën afnemers de afwijkingen gelden en de
omvang van de groep afnemers waarvoor een afwijking geldt,
c. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of
afwijkingen,
d. het aantal situaties waarin een afwijking is toegestaan en
e. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar
doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.
4. Onze Minister zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging
van een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
ervan, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan
als experiment, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
5. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Paragraaf 1.2. Aanwijzing van netbeheerders
Artikel 2
1. Onze Minister wijst op verzoek een naamloze of een besloten
vennootschap voor tien jaar als netbeheerder van het landelijk
gastransportnet aan. Bij het verzoek wordt een besluit van de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit overgelegd waaruit blijkt dat is
voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2c en 3b, vierde
lid.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit besluit op
verzoek van degene die wenst te worden aangewezen als netbeheerder van
het landelijk gastransportnet of naar aanleiding van een situatie,
bedoeld in het zevende lid, of is voldaan aan het bepaalde bij of
krachtens artikel 2c en 3b, vierde lid.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit neemt de
beschikking, bedoeld in het tweede lid, overeenkomstig de procedure
van artikel 10, vijfde en zesde lid, van de richtlijn en artikel 3 van
verordening 715/2009 .
4. De Europese Commissie kan van een producent, een leverancier of
de netbeheerder van het landelijk gastransportnet de gegevens en
inlichtingen verlangen die zij nodig heeft voor de uitvoering van
artikel 10 van de richtlijn.
5. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen
te verstrekken als bedoeld in het vierde lid, is verplicht binnen de
door de Europese Commissie gestelde redelijke termijn alle medewerking
te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening
van haar bevoegdheden.
6. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet meldt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit omstandigheden die
aanleiding kunnen geven tot herziening van de beschikking, bedoeld in
het tweede lid.
7. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de
beschikking, bedoeld in het tweede lid, wijzigen of intrekken:
a. naar aanleiding van een melding als bedoeld in het zesde
lid;
b. naar aanleiding van gewijzigde omstandigheden;
c. op verzoek van de Europese Commissie.
8. Degene aan wie een ander net toebehoort dan het landelijk
gastransportnet, wijst voor het beheer van dat net een of meer
naamloze of besloten vennootschappen als netbeheerder aan.
9. Een aanwijzing als bedoeld in het achtste lid geldt voor een
periode van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop Onze Minister
heeft ingestemd met de aanwijzing op grond van artikel 4, tweede lid.
Artikel 2a
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan op diens
aanvraag ontheffing verlenen aan een eigenaar van een gesloten
distributiesysteem van het gebod van artikel 2, achtste lid, indien:
a. de bedrijfs- of productieproces van de gebruikers van een
gesloten distributiesysteem om specifieke technische of
veiligheidsredenen geïntegreerd is of
b. het gesloten distributiesysteem primair gas transporteert
voor de eigenaar van dat systeem of de daarmee verwante bedrijven
en
c. de aanvrager geen netbeheerder is en niet in een
groepsmaatschappij met een netbeheerder verbonden is.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit neemt het
besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst
van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden
worden verlengd. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan
aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan een
ontheffing intrekken indien degene aan wie de ontheffing is verleend:
a. niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het
eerste lid;
b. in strijd handelt met de voorschriften en beperkingen als
bedoeld in het tweede lid en het bepaalde bij of krachtens het
vierde tot en met het zevende lid;
c. bij de aanvraag om een ontheffing onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou
hebben geleid.
4. Indien een ontheffing is verleend, zijn uitsluitend het vijfde
en zesde lid van toepassing op de eigenaar van een gesloten
distributiesysteem.
5. De eigenaar van een gesloten distributiesysteem beheert het
gesloten distributiesysteem.
6. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1g, 1h, 10, eerste
lid, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vijfde en zesde
lid, 14, 17a, 19, 35d, 35e, eerste lid, 42, 42b, 42c, 52b, negende
lid, en 81d, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing
voor de eigenaar van een gesloten distributiesysteem, met dien
verstande dat:
a. artikel 10, zesde lid, uitsluitend geldt voor zover er na
aansluiting sprake is van een afnemer binnen het geografisch
gebied waarbinnen het gesloten distributiesysteem ligt en deze
aansluiting past bij het karakter van het gesloten
distributiesysteem,
b. niet aan de verplichtingen, bedoeld in de in artikel 14,
eerste lid, genoemde artikelen behoeft te worden voldaan;
c. dat in de artikelen 1g en 1h in plaats van «gasbedrijf»
wordt gelezen «eigenaar van een gesloten distributiesysteem».
7. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit keurt op
verzoek van een aangeslotene op een gesloten distributiesysteem de van
kracht zijnde methode voor de berekening van de tarieven goed.
8. Indien een verzoek als bedoeld in het zevende lid is ontvangen,
overlegt de eigenaar van een gesloten distributiesysteem binnen drie
maanden na de datum waarop de raad van bestuur de eigenaar van een
gesloten distributiesysteem over het verzoek heeft geïnformeerd, aan
de raad van bestuur informatie over het aan het verzoek voorafgaande
kalenderjaar die relevant is voor de beoordeling van het verzoek, met
daarbij een toerekening van de kosten en opbrengsten aan activiteiten
die verband houden met de aanleg en het beheer van het gesloten
distributiesysteem in overeenstemming met het daadwerkelijk gebruik
van financiële of andere middelen voor die activiteiten.
9. Een besluit als bedoeld in het zevende lid, wordt genomen binnen
zes maanden nadat de informatie, bedoeld in het achtste lid door de
raad van bestuur is ontvangen. Deze termijn kan eenmaal met ten
hoogste zes maanden worden verlengd.
Artikel 2b
1. Artikel 2, eerste, tweede, derde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing voor de aanwijzing van een
interconnector-beheerder, met dien verstande dat in afwijking van
artikel 2, eerste lid, de interconnector-beheerder geen naamloze of
besloten vennootschap behoeft te zijn. Voor een
interconnector-beheerder zijn het vijfde en zesde lid van
overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 6, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de interconnector-beheerder geen
naamloze of besloten vennootschap behoeft te zijn.
3. Artikel, 3, eerste en vijfde lid, 3c,10, eerste, tweede, vierde
en zevende lid, 10a, eerste lid, onderdeel m, en achtste lid, 12 tot
en met 13 en 14 tot en met 16, 19, 20, 37 en 39a zijn van
overeenkomstige toepassing. Artikel 82 is van overeenkomstige
toepassing, rekening houdend met het grensoverschrijdende karakter en
de regulering van de andere lidstaat.
4. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet is
aangewezen als interconnector-beheerder zijn, in afwijking van het
vierde en vijfde lid, de bij of krachtens de Gaswet voor de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet geldende bepalingen van
overeenkomstige toepassing, rekening houdend met het
grensoverschrijdende karakter en de regulering van de andere lidstaat.
5. Indien een persoon uit een derde land zeggenschap heeft over een
eigenaar van een landsgrensoverschrijdend net of een
interconnector-beheerder, besluit de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit in het besluit, bedoeld in artikel 2, tweede
lid, op verzoek en volgens de procedure van artikel 11 van de
richtlijn of is voldaan aan artikel 11, derde lid, van de richtlijn.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden ter implementatie van
artikel 9 van de richtlijn nadere regels gesteld voor
interconnector-beheerders.
Artikel 2c
1. Een netbeheerder maakt geen deel uit van een groep als bedoeld
in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe ook een
rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland gas produceert
of levert of daarin handelt.
2. Rechtspersonen en vennootschappen die deel uitmaken van een
groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
waartoe ook een rechtspersoon of vennootschap behoort die in Nederland
gas produceert of levert of daarin handelt, houden geen aandelen in
een netbeheerder of in een rechtspersoon die deel uitmaakt van een
groep waartoe ook een netbeheerder behoort en nemen niet deel in een
vennootschap die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een
netbeheerder behoort.
3. Een netbeheerder en met de netbeheerder verbonden
groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek:
a. houden geen aandelen in een rechtspersoon die in Nederland
gas produceert of levert of daarin handelt of in een rechtspersoon
die deel uitmaakt van een groep waartoe ook een rechtspersoon
behoort die in Nederland gas produceert of levert of daarin
handelt;
b. nemen niet deel in een vennootschap die in Nederland gas
produceert of levert of daarin handelt of in een vennootschap die
deel uitmaakt van een groep waartoe ook een rechtspersoon of
vennootschap behoort die in Nederland gas produceert of levert of
daarin handelt.
4. In aanvulling op het eerste tot en met het derde lid:
a. maakt de netbeheerder van het landelijk gastransportnet geen
deel uit van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek waartoe ook een rechtspersoon of
vennootschap behoort die elektriciteit produceert of levert of
daarin handelt;
b. maakt de netbeheerder van het landelijk gastransportnet geen
deel uit van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek waartoe een rechtspersoon of vennootschap
behoort die activiteiten als bedoeld in het eerste lid of
onderdeel a verricht buiten Nederland;
c. oefent de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
geen directe of indirecte zeggenschap uit over een producent, een
leverancier, een producent van elektriciteit of een leverancier
van elektriciteit.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden ter implementatie van
artikel 9 van de richtlijn nadere regels gesteld.
Artikel 3
1. Een rechtspersoon die de productie, de aankoop of de levering
van gas verricht wordt niet aangewezen als netbeheerder.
2. De statuten van de netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet, bevatten in ieder geval:
a. de instelling van een raad van commissarissen,
b. de bepaling dat de leden van het bestuur en de meerderheid
van de leden van de raad van commissarissen direct noch indirect
een binding hebben met een rechtspersoon die de productie, aankoop
of levering van gas verricht,
c. in afwijking van artikel 129, derde lid, of artikel 239,
derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling dat
aan de goedkeuring van de raad van commissarissen ten minste zijn
onderworpen de besluiten van het bestuur van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 274, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
d. de bepaling dat de aandeelhouders het kader vaststellen voor
het bezoldigingsbeleid van de bestuurders;
e. de bepaling dat het reserveren en uitkeren van de jaarlijkse
winst geschiedt met de instemming van de aandeelhouders en met
inachtneming van de uitvoering van de aan de netbeheerder bij wet
opgedragen taken en verplichtingen om zijn netten in werking te
hebben, te vernieuwen, te onderhouden en uit te breiden.
3. Indien een netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, een afhankelijke maatschappij is in de zin
van artikel 152 of artikel 262 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
behoeven de statuten van die netbeheerder, in afwijking van het tweede
lid, onderdeel a, niet te voorzien in de instelling van een raad van
commissarissen.
4. In het in het derde lid bedoelde geval:
a. voldoet een rechtspersoon waarvan de netbeheerder een
afhankelijke maatschappij is aan de in het tweede lid, aanhef en
onderdelen a en b, genoemde eisen;
b. beschikt de raad van commissarissen van de rechtspersoon,
bedoeld in onderdeel a, waarvan de netbeheerder een afhankelijke
maatschappij is over de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel c, ten aanzien van het bestuur van de netbeheerder.
5. Een netbeheerder mag een activiteit als bedoeld in het eerste
lid uitoefenen indien die activiteit een dat transport ondersteunende
dienst is.
Artikel 3a
1.De statuten van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
bevatten in ieder geval:
a. de instelling van een raad van commissarissen,
b. de bepaling dat de leden van het bestuur en de meerderheid
van de leden van de raad van commissarissen direct noch indirect
een binding hebben met een rechtspersoon die de productie, aankoop
of levering van gas of elektriciteit verricht of met een
aandeelhouder van die rechtspersoon,
c. de bepaling dat aan de goedkeuring van de raad van
commissarissen ten minste zijn onderworpen de besluiten van het
bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 164, eerste lid,
of 274, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet een
afhankelijke maatschappij is in de zin van artikel 152 of artikel 262
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, behoeven de statuten, in
afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet te voorzien in de
instelling van een raad van commissarissen.
3.In het in het tweede lid bedoelde geval:
a. voldoet een rechtspersoon waarvan de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet een afhankelijke maatschappij is aan de
in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, genoemde eisen;
b. beschikt de raad van commissarissen van de rechtspersoon,
bedoeld in onderdeel a, waarvan de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet een afhankelijke maatschappij is over de
bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten aanzien
van het bestuur van de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet.
4.De netbeheerder van het landelijk gastransportnet mag een
activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid uitoefenen indien die
activiteit noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn wettelijke
taken.
Artikel 3b
1. Een netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, beschikt over de economische eigendom van
het door hem beheerde gastransportnet.
2. Bij gelegenheid van een aanwijzing als bedoeld in artikel 2,
achtste lid, vindt voor zover nodig overdracht van de economische
eigendom aan de aangewezen netbeheerder plaats.
3. De overdracht geschiedt tegen verrichting van een tegenprestatie
waarvan de waarde ten hoogste de opbrengst vertegenwoordigt van de
exploitatie van het gastransportnet, zoals deze op basis van algemene
bedrijfseconomische uitgangspunten kan worden afgeleid van de in de
daaraan voorafgaande periode van vijf jaar geldende tarieven met
betrekking tot het netbeheer. Deze tegenprestatie kan zowel bestaan
uit een periodieke uitkering als uit een contant bedrag ineens.
4. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet of een tot de
groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
waarvan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet deel
uitmaakt behorende vennootschap beschikt over de eigendom van het
landelijk gastransportnet.
Artikel 3c
1.Een netbeheerder die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in
artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt een reglement
vast, waarin regels worden gesteld die beogen discriminatie bij de
uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet te
voorkomen. Het reglement bevat in ieder geval regels ten aanzien van
het gedrag van werknemers die ertoe strekken dat discriminatie als
bedoeld in de vorige volzin wordt voorkomen.
2.De netbeheerder draagt er zorg voor dat elke werknemer is
gebonden aan het reglement en ziet er op toe dat het reglement
nauwgezet wordt nageleefd.
3.De netbeheerder stelt jaarlijks een verslag op over de wijze
waarop uitvoering is gegeven aan het reglement, en welke maatregelen
in dat kader zijn genomen. Hij zendt het verslag naar de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit en draagt zorg voor publicatie
ervan op een geschikte wijze.
Artikel 4
1. De netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet, meldt aan Onze Minister onverwijld na zijn aanwijzing
zijn naam en adres en de naam en het adres van zijn aandeelhouders en
zendt aan Onze Minister een beschrijving van het gastransportnet dat
door hem wordt beheerd. Tenminste eenmaal per jaar meldt hij Onze
Minister iedere wijziging van de namen of adressen en zendt hij hem
een beschrijving van de wijziging van het gastransportnet dat door hem
wordt beheerd.
2. De aanwijzing behoeft de instemming van Onze Minister. Hij
onthoudt zijn instemming of kan voorschriften verbinden aan de
instemming indien niet is voldaan aan de artikelen 2c, 3, 3a, 3b of3c
of indien de aangewezen netbeheerder in onvoldoende mate in staat is
of zal zijn om aan een verplichting als bedoeld in de artikelen 1g, 1h
en 10e te voldoen, om een taak als bedoeld in de artikelen 7a, 10,
10a, 42 of 54a uit te voeren, aan hoofdstuk 2 te voldoen of indien hij
niet voldoet aan een verbod als bedoeld in de artikelen 10b, 10c
of10d.
3. Indien Onze Minister voorschriften verbindt aan zijn instemming,
strekken deze er slechts toe de geconstateerde tekortkomingen, bedoeld
in het tweede lid, weg te nemen.
Artikel 5
1. Indien het aanwijzen van een netbeheerder als bedoeld in artikel
2, achtste lid, niet is geschied binnen vier weken na de aanleg van
een gastransportnet dan wel onverwijld na het intrekken of vervallen
van een eerdere aanwijzing of indien er sprake is van een
gastransportnet waarvoor ten onrechte geen netbeheerder is aangewezen
dan wel instemming van Onze Minister met een aanwijzing ontbreekt, kan
Onze Minister door aanwijzing van een naamloze of besloten
vennootschap een netbeheerder van dat gastransportnet aanwijzen.
2. Indien Onze Minister vaststelt dat niet meer voldaan wordt aan
de artikelen 2c, 3, 3b of 3c of dat een netbeheerder in onvoldoende
mate in staat is of zal zijn om aan een verplichting als bedoeld in de
artikelen 1g, 1h en 10e te voldoen, om een taak als bedoeld in de
artikelen 7a, 10 of 42 uit te voeren, aan hoofdstuk 2 te voldoen of
indien hij niet voldoet aan een verbod als bedoeld in de artikelen 10b
of 10d, kan hij de desbetreffende netbeheerder opdragen door hem
noodzakelijk geachte voorzieningen te treffen.
3. Indien de netbeheerder niet voldoet aan een opdracht als bedoeld
in het tweede lid, opdrachten als bedoeld in artikel 5a, eerste lid,
niet uitvoert of indien naar het oordeel van Onze Minister door de
bedrijfsvoering van deze netbeheerder de continuïteit of de
betrouwbaarheid van de gasvoorziening voor afnemers in gevaar komt en
onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan Onze Minister:
a. de aanwijzing van de desbetreffende netbeheerder vervallen
verklaren en uiterlijk op de dag waarop die aanwijzing vervalt een
andere naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder
aanwijzen, of
b. artikel 5a toepassen.
4. In een beschikking als bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
bepaalt Onze Minister de termijn waarop de aanwijzing vervalt en kan
hij degene die de netbeheerder, bedoeld in de aanhef van het derde
lid, heeft aangewezen in de gelegenheid stellen binnen een door Onze
Minister te bepalen termijn een andere netbeheerder aan hem ter
aanwijzing voor te dragen. Onze Minister kan deze termijn eenmaal
verlengen.
5. Onze Minister kan voor de periode totdat een beschikking als
bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in werking treedt, artikel 5a
toepassen.
6. Uiterlijk op de dag waarop een beschikking tot aanwijzing van
Onze Minister in werking treedt, draagt de netbeheerder of, indien van
toepassing, degene aan wie een gastransportnet toebehoort, de
economische eigendom van het gastransportnet over aan de aangewezen
nieuwe netbeheerder. Degene die de netbeheerder, bedoeld in de aanhef
van het derde lid, heeft aangewezen, verleent daaraan voor zover nodig
zijn medewerking.
7. De overdracht van de economische eigendom, bedoeld in het zesde
lid, geschiedt tegen verrichting van een tegenprestatie waarvan de
waarde uiterlijk op de in dat lid bedoelde dag is vastgesteld en die
ten hoogste de opbrengst vertegenwoordigt van de exploitatie van het
gastransportnet, zoals deze op basis van algemene bedrijfseconomische
uitgangspunten kan worden afgeleid van de in de daaraan voorafgaande
periode van vijf jaar geldende tarieven met betrekking tot het
netbeheer. Deze tegenprestatie kan zowel bestaan uit een periodieke
uitkering als uit een contant bedrag in eens.
8. Indien de tegenprestatie, bedoeld in het zevende lid, niet kan
worden afgeleid uit de vastgestelde tarieven, kan de tegenprestatie
worden vastgesteld volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen regels.
9. Aan de vaststelling van de tegenprestatie, bedoeld in het
zevende en achtste lid, verlenen degene die de economische eigendom
van het net overdraagt en degene die deze eigendom overneemt, voor
zover nodig hun medewerking.
10. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 5a
1.Onze Minister kan de netbeheerder aanzeggen dat hij vanaf een
bepaald tijdstip de opdrachten dient op te volgen die aan hem worden
verstrekt door een door Onze Minister aangewezen persoon. Bij de
aanzegging geeft Onze Minister aan ter bescherming van welk belang de
aanzegging geschiedt. Bij de aanzegging kunnen voorschriften en
beperkingen worden gesteld aan de te geven opdrachten. De aangewezen
persoon verstrekt uitsluitend opdrachten ter bescherming van het
belang, bedoeld in de tweede volzin.
2.De netbeheerder verschaft de door Onze Minister aangewezen
persoon desgevraagd alle medewerking.
3.Onze Minister kan te allen tijde de door hem aangewezen persoon
vervangen door een andere persoon.
4.De door Onze Minister aangewezen persoon oefent zijn bevoegdheid
uit gedurende een door Onze Minister in de aanzegging bepaalde
termijn. Deze termijn bedraagt ten hoogste zes maanden indien het
betreft een aanzegging als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel
b. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden
verlengd.
5.Voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in
strijd met een opdracht als bedoeld in het eerste lid, zijn
bestuurders persoonlijk aansprakelijk tegenover de netbeheerder.
Artikel 6
1. Degenen, bedoeld in artikel 2, eerste of achtste lid, kunnen met
inachtneming van een redelijke termijn de aanwijzing van een
netbeheerder vervangen door de aanwijzing van een andere naamloze of
besloten vennootschap als netbeheerder.
2. Ingeval van fusie, splitsing, ontbinding of faillissement van de
vennootschap die als netbeheerder is aangewezen, vervalt de aanwijzing
als netbeheerder van rechtswege en wijzen degenen, bedoeld in artikel
2, eerste of achtste lid, volgens de procedure van artikel 2 een
naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder aan. Deze
vennootschap kan dezelfde zijn als de vennootschap die daarvoor als
netbeheerder was aangewezen.
3. Degenen, bedoeld in artikel 2, eerste of achtste lid, wijzen
voor afloop van de periode, bedoeld in artikel 2, eerste of negende
lid, een naamloze of besloten vennootschap als netbeheerder aan voor
de daarop aansluitende periode. Deze vennootschap kan dezelfde zijn
als die daarvoor als netbeheerder was aangewezen.
4. De artikelen 2 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing
op de aanwijzing als netbeheerder, bedoeld in het eerste, tweede of
derde lid.
Artikel 7
Een ieder die de productie, de aankoop of de levering van gas
verricht, onthoudt zich van iedere bemoeiing met de uitvoering van de
taken die een netbeheerder heeft ingevolge de artikelen 10, 10a, 42 en
54a, alsmedehoofdstuk 2, tenzij de netbeheerder hem als verwant bedrijf
uitdrukkelijk verzoekt een dat transport ondersteunende dienst te
verrichten.
Artikel 7a
1. Een netbeheerder verricht de werkzaamheden ter uitvoering van de
taken, bedoeld in de artikelen 10 en 10a, in eigen beheer of tezamen
met een of meer andere netbeheerders.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen de navolgende
werkzaamheden worden uitbesteed:
a. feitelijke werkzaamheden in verband met de aanleg, het
onderhoud en de reparatie van het net;
b. inspecties van netten met het oog op de veiligheid;
c. speur- en ontwikkelingswerk ten behoeve van de aanleg, het
onderhoud en de veiligheid van netten;
d. de werkzaamheden ter uitvoering van artikel 10, vijfde lid,
en 10a, eerste lid, onderdelen c, d en f.
3. Ingeval van uitbesteding van werkzaamheden als bedoeld in het
tweede lid:
a. behoudt de netbeheerder de verantwoordelijkheid voor de
volledige en juiste uitvoering van de desbetreffende taken,
b. draagt de netbeheerder er zorg voor dat de regels die
krachtens artikel 3c, eerste lid, zijn gesteld met betrekking tot
het voorkomen van discriminatie bij de uitoefening van zijn taken
en bevoegdheden, van overeenkomstige toepassing zijn bij het
verrichten van de uitbestede werkzaamheden en
c. draagt de netbeheerder er zorg voor dat in de overeenkomst
tot uitbesteding de wijze waarop de kosten voor de desbetreffende
werkzaamheden worden berekend, wordt vastgelegd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het derde lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 8
1. Een netbeheerder beschikt over een doeltreffend systeem voor de
beheersing van de kwaliteit van zijn transportdienst, waaronder in elk
geval te verstaan de betrouwbaarheid en de veiligheid van die
transportdienst, en over voldoende capaciteit voor het transport van
gas om te voorzien in de totale behoefte.
2. Een netbeheerder dient om het jaar bij de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit een door hem vastgesteld document in waarin
hij:
a. aangeeft welk kwaliteitsniveau hij nastreeft,
b. aangeeft welke veiligheidsindicatoren hij toepast,
c. aannemelijk maakt dat hij beschikt over een doeltreffend
kwaliteitsbeheerssysteem voor zijn transportdienst,
d. aannemelijk maakt dat hij over voldoende capaciteit beschikt
om te voorzien in de totale behoefte aan het transport van gas,
e. aangeeft welke capaciteitsknelpunten in de door hem beheerde
netten bestaan en welke maatregelen hij zal nemen om deze op te
heffen,
f. aangeeft welke investeringen hij zal doen om de
capaciteitsknelpunten op te heffen,
g. aangeeft welke investeringen hij zal doen voor de vervanging
en uitbreiding van de door hem beheerde netten,
h. aangeeft binnen welke termijnen hij voornoemde investeringen
zal doen, en
i. aangeeft welke investeringen ter uitbreiding van zijn
gastransportnet naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om te voorzien
in de totale behoefte aan het transport van gas.
3. Bij ministeriële regeling worden regels, die kunnen verschillen
per drukniveau, gesteld over:
a. de eisen aan het kwaliteitsbeheersingssysteem;
b. de veiligheidsindicatoren;
c. de te verschaffen informatie over het nagestreefde
kwaliteitsniveau en over het kwaliteitsbeheersingssysteem;
d. de wijze van ramen van de totale behoefte aan capaciteit
voor het transport van gas;
e. de te verschaffen gegevens over de totale behoefte aan
capaciteit voor het transport van gas en over de wijze waarop de
netbeheerder voornemens is te voorzien in de totale behoefte aan
capaciteit voor het transport van gas;
f. investeringen met betrekking tot een gastransportnet;
g. de periode waarop het document of onderdelen daarvan
betrekking hebben.
4. De netbeheerder maakt het document op een geschikte wijze
openbaar.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een door een
geaccrediteerde instelling aan een netbeheerder verstrekt certificaat
van conformiteit aan het bepaalde bij of krachtens dit artikel, ten
behoeve van het toezicht op de naleving van dit artikel, het vermoeden
oplevert dat de netbeheerder een kwaliteitsbeheersingssyteem heeft en
daaraan uitvoering geeft overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
dit artikel.
6. De netbeheerder handelt naar zijn voornemens, opgenomen in het
document, bedoeld in het tweede lid. Hij meldt de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit indien hij hiervan heeft afgeweken.
Artikel 8a
1. Indien zich met betrekking tot een gastransportnet een voorval
voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de mens
of het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt de
netbeheerder dat voorval zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de door de netbeheerder te nemen maatregelen
ten aanzien van de veiligheid en betrouwbaarheid van zijn netten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de meldplicht, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9
1. Indien naar het oordeel van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit uit het document, bedoeld in artikel 8, of uit
de overzichten, bedoeld in artikel 35b, of anderszins, blijkt dat een
netbeheerder in onvoldoende mate of op een ondoelmatige wijze kan of
zal kunnen voorzien in het door hem te bereiken niveau van de
kwaliteit van zijn transportdienst of in de totale behoefte aan
capaciteit voor het transport van gas over de door hem beheerde
netten, meldt hij zulks na overleg met de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet en de netbeheerder van het desbetreffende
net aan Onze Minister.
2. Nadat hij een melding heeft ontvangen, kan Onze Minister aan de
desbetreffende netbeheerder opdragen voorzieningen te treffen teneinde
zeker te stellen dat het transport van gas in voldoende mate of op een
doelmatige wijze plaatsvindt.
3. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de opdracht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 9a
1. Degene aan wie een gasopslaginstallatie of een LNG-installatie
toebehoort, wijst ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld
in artikel 10, een beheerder van die installatie aan.
2. Met betrekking tot de aanwijzing van een beheerder als bedoeld
in het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 2, negende lid met dien verstande dat de periode van
tien jaar wordt gerekend vanaf de dag waarop overeenkomstig
artikel 4, eerste lid, de aanwijzing aan Onze Minister is gemeld,
b. artikel 4, eerste lid,
c. artikel 5, eerste lid, met dien verstande dat de beheerder
geen naamloze of besloten vennootschap hoeft te zijn, en
d. artikel 6, eerste tot en met derde lid, met dien verstande
dat de beheerder geen naamloze of besloten vennootschap hoeft te
zijn.
Artikel 9b
1. Een gasopslagbedrijf is onafhankelijk wat betreft de rechtsvorm,
organisatie en besluitvorming van andere, niet met gastransport of
gasopslag samenhangende activiteiten indien:
a. een gasopslagbedrijf tevens producent of leverancier is of
een producent of leverancier deel uitmaakt van de groep als
bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
waarvan ook een gasopslagbedrijf deel uitmaakt en
b. op een gasopslagbedrijf de verplichting, bedoeld in artikel
18g, eerste lid, van toepassing is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden, ter implementatie van
de richtlijn,nadere eisen gesteld aan de onafhankelijkheid van een
gasopslagbedrijf.
Paragraaf 1.3. Beheerstaken op het gebied van gastransport, gasopslag
en LNG
Artikel 10
1. Een netbeheerder, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf heeft
tot taak zijn gastransportnet, onderscheidenlijk zijn
gasopslaginstallatie of zijn LNG-installatie op economische
voorwaarden in werking te hebben, te onderhouden en te ontwikkelen op
een wijze die de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van dat
gastransportnet of die installatie en van het transport van gas
waarborgt en het milieu ontziet.
2. Een netbeheerder, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf
verstrekt aan:
a. andere netbeheerders, gasopslagbedrijven en LNG-bedrijven
voldoende informatie om te waarborgen dat het transport en de
opslag van gas met behulp van zijn gastransportnet,
onderscheidenlijk zijn gasopslaginstallatie of zijn
LNG-installatie, en de daarmee verbonden gastransportnetten op een
veilige en doelmatige wijze kan plaatsvinden,
b. gebruikers van het gastransportnet of de installatie alle
gegevens die zij nodig hebben voor een efficiënte toegang tot het
net of de installatie en
c. de netbeheerder van het landelijk gastransportnet informatie
over de actuele gasstromen op zijn net.
3. Een netbeheerder heeft, in aanvulling op de taken, genoemd in
het eerste lid, tevens tot taak:
a. koppelingen met andere gastransportnetten te realiseren en
reparaties aan zijn gastransportnet uit te voeren, en
b. onverminderd artikel 37, op geschikte wijze gegevens te
publiceren over koppelingen tussen gastransportnetten, het gebruik
van die netten en de toewijzing van transportcapaciteit;
c. voorzieningen te treffen in geval van faillissement van een
leverancier van gas aan afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste
lid.
4. Bij de toepassing van het eerste tot en met het derde lid
onthouden gasbedrijven als bedoeld in het eerste lid zich van iedere
vorm van discriminatie tussen gebruikers van de gastransportnetten of
de installaties.
5. Een netbeheerder heeft met betrekking tot zijn netten, in
aanvulling op de in het eerste en derde lid genoemde taken, tevens tot
taak:
a. ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel
43, eerste lid, voor elke aansluiting beschikt over een
geïnstalleerde meetinrichting, tenzij die afnemer blijkens de
voorwaarden, bedoeld inartikel 12b, eerste lid, onderdelen a of b,
beschikt over een onbemeten aansluiting;
b. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een
afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, geïnstalleerde
meetinrichting.
6. Een netbeheerder heeft, in aanvulling op de in het eerste, derde
en vijfde lid genoemde taken, in het voor hem krachtens artikel 12f
vastgestelde gebied tevens tot taak om:
a. een ieder die verzoekt om een aansluiting die een
doorlaatwaarde heeft van ten hoogste 40 m3(n) per uur te voorzien
van deze aansluiting;
b. een ieder die verzoekt om een aansluitpunt ten behoeve van
een aansluiting die een doorlaatwaarde heeft groter dan 40 m3(n)
per uur te voorzien van een aansluitpunt op het dichtstbijzijnde
punt van het gastransportnet met een voor die aansluiting
geschikte druk en voldoende capaciteit.
7. Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een
taak uit te voeren als bedoeld in het vijfde en zesde lid.
8. Onverminderd artikel 37, eerste lid, maakt de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf
informatie die nodig is voor doeltreffende mededinging en een
efficiënte werking van de markt openbaar.
Artikel 10a
1. Onverminderd de artikelen 10, 42 en 54a, en hoofdstuk 2 heeft de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet tevens tot taak:
a. voorzieningen te treffen in verband met de
leveringszekerheid,
b. het in evenwicht houden van het door hem beheerde
gastransportnet,
c. ten behoeve van gebruikers van het door hem beheerde
gastransportnet:
1°. indien noodzakelijk gelet op het verschil tussen de
kwaliteit van het op het gastransportnet ingevoede gas en het
aan het gastransportnet onttrokken gas, gas met een hogere
energie-inhoud naar een lagere energie-inhoud administratief
of fysiek om te zetten;
2°. indien noodzakelijk gelet op het verschil tussen de
kwaliteit van het op het gastransportnet ingevoede gas en het
aan het gastransportnet onttrokken gas, gas met een lagere
energie-inhoud naar een hogere energie-inhoud administratief
om te zetten, voor zover er gas met een hogere energie-inhoud
voor omzetting beschikbaar is;
3°. gas in de gewenste samenstelling te brengen, tenzij
deze taken redelijkerwijs niet van de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet kunnen worden gevergd;
d. het aanbieden van flexibiliteitsdiensten aan een ieder die
daarom verzoekt, voor zover de in artikel 54, eerste lid, bedoelde
rechtspersoon een economische machtspositie heeft op de markt voor
flexibiliteitsdiensten;
e. een programmaverantwoordelijke actuele en zo correct en
volledig mogelijke informatie te verschaffen over:
1°. de mate waarin hij zich overeenkomstig zijn programma
als bedoeld inartikel 17b, eerste en tweede lid, gedraagt;
2°. de mate waarin het landelijk gastransportnet in
evenwicht is;
f. indien Onze Minister hem dit opdraagt, werkzaamheden te
verrichten ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 52a, en
g. voorzieningen te treffen, gericht op de beschikbaarheid van
voldoende transportcapaciteit met het oog op voldoende
transportzekerheid;
h. indien Onze Minister hem dit opdraagt, werkzaamheden te
verrichten ter uitvoering van verordening 994/2010;
i. samen te werken met buitenlandse instellingen die op grond
van nationale wettelijke regels belast zijn met het beheer van een
transmissiesysteem als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, van de
richtlijn in geografische gebieden als bedoeld in artikel 12,
derde lid, van verordening 715/2009 teneinde een concurrerende
interne markt voor gas tot stand te brengen;
j. te beschikken over één of meer geïntegreerde systemen in
geografische gebieden als bedoeld in artikel 12, derde lid, van
verordening 715/2009 waaraan twee of meer lidstaten meewerken voor
de toewijzing van capaciteit en voor de controle op de beveiliging
van het net;
k. het voorzien in voldoende grensoverschrijdende capaciteit om
te komen tot een geïntegreerde Europese infrastructuur die
voldoet aan de economisch redelijke en technisch haalbare vraag
naar capaciteit, rekening houdend met de leverings- en
voorzieningszekerheid van gas;
l. de taken te vervullen die voortvloeien uit verordening
715/2009;
m. samen te werken met het Agentschap.
2. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet bij de
uitvoering van zijn wettelijke taken energie inkoopt, doet hij dit op
basis van een transparante, niet-discriminatoire en marktconforme
procedure.
3. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 54, eerste lid, is
verplicht de netbeheerder van het landelijk gastransportnet een aanbod
met redelijke tarieven en voorwaarden te doen tot levering aan de door
de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ter uitvoering van
zijn wettelijke taken benodigde hoeveelheden gas in de door hem
gevraagde hoeveelheden en op de door hem gewenste tijdstippen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter
uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en
artikel 10, derde lid, onderdeel c. Deze regels hebben mede betrekking
op de wijze waarop enerzijds de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet, en anderzijds gasproductiebedrijven,
gasopslagbedrijven, LNG-bedrijven, andere netbeheerders, leveranciers
en afnemers zich jegens elkaar gedragen.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit brengt advies
uit over het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het vierde lid. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het
ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
6. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt
gepubliceerd in de Staatscourant.
7. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
deelneemt aan een gemeenschappelijke onderneming waaraan ook een
verticaal geïntegreerde buitenlandse instelling die op grond van
nationale wettelijke regels belast is met het beheer van een
transmissiesysteem als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, van de
richtlijn deelneemt, draagt de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet er zorg voor dat de gemeenschappelijke onderneming een
nalevingsprogramma ontwerpt, door het Agentschap laat goedkeuren en
implementeert met maatregelen die moeten worden genomen om
discriminerend en concurrentieverstorend gedrag uit te sluiten.
8. Voordat de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
congestiebeheersprocedures hanteert voor landsgrensoverschrijdende
netten, legt hij deze procedures ter goedkeuring voor aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit.
Paragraaf 1.4. Overige verplichtingen voor netbeheerders
Artikel 10b
1. Het is de netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, of een rechtspersoon waarin de netbeheerder
een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, niet toegestaan goederen of diensten waarmee zij
in concurrentie treden te leveren, tenzij het betreft het verrichten
van werkzaamheden ten behoeve van:
a. de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 10, 10a,
42 en54a en hoofdstuk 2 voor zichzelf, voor andere netbeheerders
of voor anderen die een recht van gebruik op een gastransportnet
hebben,
b. de aanleg, het beheer of het onderhoud van leidingen buiten
gebouwen voor het transport van elektriciteit of
c. het ter beschikking stellen en houden van netten ten behoeve
van het gebruik van daarmee verbonden zaken door derden,
d. de aanleg, het beheer of het onderhoud van aansluitingen met
een doorlaatwaarde groter dan 40 m3(n) per uur.
2. Indien een netbeheerder, niet zijnde de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, deel uitmaakt van een groep als bedoeld in
artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is het deze groep
niet toegestaan om handelingen of activiteiten te verrichten die
strijdig kunnen zijn met het belang van het beheer van het
desbetreffende net.
3. Onder handelingen en activiteiten als bedoeld in het tweede lid
worden in ieder geval verstaan:
a. handelingen en activiteiten die niet op enigerlei wijze
betrekking hebben op of verband houden met infrastructurele
voorzieningen of aanverwante activiteiten,
b. het door de netbeheerder verstrekken van zekerheden ten
behoeve van de financiering van activiteiten van tot de groep
behorende rechtspersonen of vennootschappen en
c. het zich aansprakelijk stellen door de netbeheerder voor
schulden van tot de groep behorende rechtspersonen of
vennootschappen,
tenzij het verstrekken van zekerheden of het zich aansprakelijk
stellen voor schulden door de netbeheerder:
1°. geschiedt ten behoeve van handelingen of activiteiten die
de netbeheerder zelf zou mogen verrichten,
2°. anderszins verband houdt met het netbeheer of
3°. geschiedt om te voldoen aan voorwaarden in verband met de
toepassing van wettelijke bepalingen.
4. De statuten van de rechtspersonen die met een netbeheerder, niet
zijnde de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, in een groep
zijn verbonden, behoeven de goedkeuring van Onze Minister voor zover
het betreft de daarin opgenomen doelstellingen van die rechtspersonen.
Artikel 10c
1. Het is de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, of een
rechtspersoon waarin de netbeheerder een deelneming heeft als bedoeld
in artikel 24c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet toegestaan
goederen of diensten waarmee zij in concurrentie treedt te leveren,
tenzij het betreft het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van:
a. de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 10, 10a,
42 en54a en hoofdstuk 2 voor zichzelf, voor andere netbeheerders
of voor anderen die een recht van gebruik op een gastransportnet
hebben,
b. de aanleg, het beheer of het onderhoud van leidingen buiten
gebouwen voor het transport van elektriciteit,
c. het ter beschikking stellen en houden van netten ten behoeve
van het gebruik van daarmee verbonden zaken door derden of
d. de aanleg, het beheer of het onderhoud van aansluitingen met
een doorlaatwaarde groter dan 40 m3(n) per uur.
2. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
onderdeel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, is het deze groep niet toegestaan om
handelingen of activiteiten te verrichten die strijdig kunnen zijn met
het belang van het beheer van het landelijk gastransportnet.
3. De statuten van de rechtspersonen die met de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet in een groep zijn verbonden, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister, voor zover het betreft de daarin
opgenomen doelstelling van die rechtspersonen.
4. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet verstrekt
binnen zes maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit een overzicht van de financiële
middelen waarover hij beschikt ten behoeve van de uitvoering van zijn
wettelijke taken, waaruit blijkt welke financiële middelen voor de
afzonderlijke taken beschikbaar zijn.
Artikel 10d
1.Indien een met de netbeheerder in een groep verbonden
groepsmaatschappij in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek activiteiten verricht die de netbeheerder op grond
van artikel 10b en 10c niet zelf mag verrichten, mag de netbeheerder
of een rechtspersoon waarin de netbeheerder een deelneming heeft als
bedoeld in artikel 10b en 10c een dergelijke groepsmaatschappij niet
bevoordelen boven anderen waarmee een dergelijke groepsmaatschappij in
concurrentie treedt, of anderszins voordelen toekennen die verder gaan
dan in het normaal handelsverkeer gebruikelijk is.
2.Als bevoordelen van een groepsmaatschappij als bedoeld in het
eerste lid of het toekennen van voordelen die verder gaan dan in het
normaal handelsverkeer gebruikelijk is, worden in ieder geval
aangemerkt:
a. het verstrekken van gegevens aan een groepsmaatschappij over
afnemers, niet zijnde afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste
lid, die een verzoek om aansluiting of transport als bedoeld in
hoofdstuk 2 hebben gedaan;
b. het leveren van goederen of diensten aan een
groepsmaatschappij tegen een vergoeding die lager is dan de
redelijkerwijs daaraan toe te rekenen kosten, of
c. het toestaan van het gebruik door een groepsmaatschappij van
de naam en het beeldmerk van de netbeheerder op een wijze waardoor
verwarring bij het publiek te duchten is over de herkomst van
goederen of diensten.
3.De netbeheerder voegt bij zijn jaarrekening een verklaring
waaruit blijkt dat de financiële verhouding tussen de netbeheerder en
de groepsmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in
het eerste lid gestelde eisen. De netbeheerder legt een exemplaar van
zijn jaarrekening, de daartoe behorende toelichting en de daarbij
gevoegde verklaring voor een ieder ter inzage in al zijn kantoren en
zendt een exemplaar daarvan aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit.
Artikel 10e
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent een goed financieel beheer van de netbeheerder.
2. De in het eerste lid bedoelde regels houden in ieder geval in
dat
a. de netbeheerder voldoet aan bij of krachtens die maatregel
gestelde eisen aan zijn kredietwaardigheid waaronder de verhouding
tussen vreemd vermogen en totaal vermogen, of dat
b. de netbeheerder beschikt over een verklaring van een
onafhankelijke deskundige ten aanzien van zijn kredietwaardigheid.
3. In de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen tevens
a. regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening van
vermogensonderdelen;
b. eisen worden gesteld met betrekking tot de in het tweede
lid, onderdeel b, bedoelde verklaring en de daar bedoelde
deskundige.
4. Indien de netbeheerder niet voldoet aan de regels, bedoeld in
het eerste lid:
a. stelt de netbeheerder de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit hiervan onverwijld schriftelijk op de
hoogte,
b. stelt de netbeheerder binnen vier weken na de melding een
herstelplan op waarin wordt beschreven op welke wijze hij het
financieel beheer gaat verbeteren en zendt hij dit plan aan de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, en
c. keert de netbeheerder geen dividend uit aan zijn
aandeelhouders.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de
netbeheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de verbetering van
het financieel beheer.
Hoofdstuk 2. Transport van gas
Paragraaf 2.1. Technische eisen voor aansluiting op een
gastransportnet
Artikel 11 [Vervallen per 14-07-2004]
Paragraaf 2.2. De tarieven en voorwaarden voor transport
Artikel 12
1.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de tariefstructuren en voorwaarden als bedoeld in de artikelen 12a
en 12b.
2.De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit brengt advies
uit over het ontwerp van de in het eerste lid bedoelde regels.
3.Een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling
wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt
in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die
termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde
van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de ministeriële regeling
bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend
voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel
van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
ministeriële regeling ingetrokken.
Artikel 12a
Met inachtneming van de in artikel 12 bedoelde regels en de in
artikel 6 van verordening 715/2009 bedoelde netcodes zenden de
gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een voorstel met betrekking tot de door hen
jegens netgebruikers te hanteren tariefstructuren dat de elementen en
wijze van berekening beschrijft van:
a. het tarief voor transport van gas, met inbegrip van invoer,
uitvoer en doorvoer van gas en de het transport ondersteunende
diensten ten behoeve van netgebruikers en met inbegrip van de in
artikel 10a, eerste lid, met uitzondering van onderdeel d,
omschreven wettelijke taken,
b. het tarief waarvoor de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet uitvoering zal geven aan zijn in artikel 10a, eerste
lid, onderdeel d, omschreven taak en
c. de tarieven voor meting van gas bij afnemers als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, voor het verzorgen van een aansluiting als
bedoeld in artikel 10, zesde lid, onder a, of een aansluitpunt als
bedoeld in artikel 10, zesde lid, onderdeel b.
Artikel 12b
1. Met inachtneming van de in artikel 12 bedoelde regels en de in
artikel 6 van verordening 715/2009 bedoelde netcodes zenden de
gezamenlijke netbeheerders aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een voorstel voor de door hen jegens
netgebruikers te hanteren voorwaarden met betrekking tot:
a. de wijze waarop netbeheerders en netgebruikers alsmede
netbeheerders zich jegens elkaar gedragen ten aanzien van het in
werking hebben van de gastransportnetten, het voorzien van een
aansluiting op het net en het uitvoeren van transport van gas over
het gastransportnet;
b. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede
netbeheerders zich jegens elkaar gedragen ten aanzien van het
meten van gegevens betreffende het transport van gas;
c. de kwaliteitscriteria waaraan netbeheerders moeten voldoen
met betrekking tot hun dienstverlening;
d. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet uitvoering geeft aan de hem op grond van artikel
10a, eerste lid, opgedragen taken, met uitzondering van de taken
die door Onze Minister aan de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet zijn opgedragen;
e. de regeling van samenwerking tussen de netbeheerders ten
aanzien van de uitvoering van de taken als opgenomen in de
artikelen 10 en 10a alsmede het waarborgen van het netbeheer van
alle netten en het transport van gas in buitengewone
omstandigheden;
f. de gebiedsindeling van de netbeheerders ten behoeve van de
uitvoering van de taak, genoemd in artikel 10, zesde lid, waarbij
bepaalde gebieden kunnen worden uitgezonderd indien zich in dat
gebied een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
Warmtewet bevindt of gaat bevinden of indien het een gebied
betreft waar een netbeheerder niet op economische voorwaarden een
gastransportnet in werking kan hebben, onderhouden of ontwikkelen.
2. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de eisen, met inbegrip van veiligheidseisen, waaraan het
technisch ontwerp en de exploitatie van leidingen en installaties
tenminste moet voldoen voor aansluiting van die leidingen en
installaties op het gastransportnet van een netbeheerder en de
installaties van een verwant bedrijf dat diensten levert die
noodzakelijk zijn voor uitvoering van het transport van gas;
b. toedeling van de transportcapaciteit, de bepaling van de
omvang van de capaciteit voor het transport van gas over een
landsgrensoverschrijdend gastransportnet, het toewijzen van de
beschikbare capaciteit daarop en de wijze van toewijzen van
capaciteit op een landsgrensoverschrijdend gastransportnet die een
netgebruiker niet gebruikt, welke wijze kan inhouden het veilen of
het op een andere marktconforme methode toewijzen van die
capaciteit;
c. de door een netbeheerder aan te houden reservecapaciteit
beschikbaar voor transport van gas.
2a. In de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt
in ieder geval vastgelegd dat:
a. het transport van gas door het landelijk gastransportnet
plaats vindt op basis van een systematiek uitgaande van entry- en
exitpunten, waarbij de capaciteit op de entry- en exitpunten door
afnemers met een aansluiting op het landelijke gastransportnet en
netgebruikers afzonderlijk kan worden gecontracteerd;
b. de entry- en exitpunten door de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet worden vastgesteld op grond van
objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden en
met inachtneming van de belangen van netgebruikers;
c. de vastgestelde exitpunten worden door de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet op een voor netgebruikers geschikte
wijze gepubliceerd;
d. de capaciteit op een exitpunt bij voorrang kan worden
gecontracteerd door een afnemer die een aansluiting op het
landelijke gastransportnet heeft die is gekoppeld aan het
desbetreffende exitpunt.
3. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
worden in ieder geval regels gesteld omtrent:
a. de technische specificaties waaraan de netbeheerder
tenminste moet voldoen;
b. het binnen een redelijke termijn verhelpen van storingen in
het transport van gas
c. de klantenservice
d. het voorzien in compensatie bij ernstige storingen;
e. de betalingsvoorwaarden, die in elk geval inhouden dat een
vordering tot betaling van een schuld van een afnemer ter zake van
geleverde diensten als bedoeld in artikel 12a wordt gedaan binnen
twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden en dat bij
gebreke daarvan de vordering vervalt. Een vordering vervalt niet
binnen twee jaren, indien het uitblijven van bedoelde vordering,
een onjuiste vordering daaronder begrepen, het rechtstreekse
gevolg is van een daartoe gerichte opzettelijke gedraging van de
afnemer.
4. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en d,
worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot:
a. de programmaverantwoordelijkheid;
b. de programma’s, bedoeld in artikel 17b, eerste en tweede
lid;
c. de omgang met afwijkingen van de programma’s;
d. de voorwaarden waaronder de programmaverantwoordelijkheid
kan worden overgedragen;
e. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet een ernstige verstoring van het evenwicht van het
door hem beheerde gastransportnet voorkomt of herstelt.
5. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
worden regels gesteld omtrent de technische eisen waaraan een
aansluiting van een gesloten distributiesysteem en een directe lijn
moet voldoen.
Artikel 12c
1.De netbeheerder van het landelijk gastransportnet of ten minste
een derde van het aantal overige netbeheerders kan de gezamenlijke
netbeheerders verzoeken met inachtneming van de in artikel 12 bedoelde
regels een voorstel te doen tot wijziging van de tariefstructuren of
de voorwaarden bedoeld in de artikelen 12a en 12b onder opgave van de
redenen die naar zijn oordeel een dergelijke wijziging noodzakelijk
maken.
2.Indien naar zijn oordeel wijziging van de tariefstructuren of de
voorwaarden bedoeld in de artikelen 12a en 12b noodzakelijk is, zendt
de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit met inachtneming van
de in artikel 12 bedoelde regels een ontwerp van het besluit tot
wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden aan de
gezamenlijke netbeheerders en de representatieve organisaties van
netgebruikers.
3.In een voorstel of een ontwerp van een besluit tot wijziging van
de tariefstructuren of de voorwaarden worden die onderdelen bedoeld in
artikel 12a of 12b opgenomen waarvan wijziging wordt verzocht.
Artikel 12d
1.De gezamenlijke netbeheerders voeren overleg met representatieve
organisaties van netgebruikers op de gasmarkt over de voorstellen met
betrekking tot de tariefstructuren en de voorwaarden, bedoeld in de
artikelen 12a, 12b en 12c, eerste lid.
2.In de voorstellen die aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit worden gezonden, geven de gezamenlijke
netbeheerders aan welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de
zienswijzen die de organisaties, bedoeld in het eerste lid, naar voren
hebben gebracht.
Artikel 12e
1.De eerste maal na inwerkingtreding van dit artikel zenden de
gezamenlijke netbeheerders de voorstellen met betrekking tot de
tariefstructuren of de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 12a en
12b, aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit binnen zes
kalendermaanden na inwerkingtreding van dit artikel.
2.De gezamenlijke netbeheerders zenden een voorstel met betrekking
tot de wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden aan de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit binnen 12 weken na het
tijdstip waarop een verzoek als bedoeld in artikel 12c, eerste lid,
wordt gedaan.
3.De gezamenlijke netbeheerders en de representatieve organisaties
van netgebruikers op de gasmarkt kunnen hun zienswijze op een ontwerp
van een besluit tot wijziging van de tariefstructuren of de
voorwaarden aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
kenbaar maken binnen twaalf weken na het tijdstip waarop het ontwerp
van het besluit op grond vanartikel 12c, tweede lid, aan hen is
gezonden.
Artikel 12f
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de
tariefstructuren en de voorwaarden vast met inachtneming van:
a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld
in artikel 12a, 12b of 12c en de resultaten van het overleg,
bedoeld in artikel 12d;
b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en
milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de gasvoorziening;
c. het belang van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de
gasmarkt;
d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van
netgebruikers;
e. het belang van een goede kwaliteit van dienstverlening van
netbeheerders, en
f. het belang van het op een objectieve, transparante en
niet-discriminatoire wijze in evenwicht houden van het landelijk
gastransportnet en op een wijze die de kosten weerspiegelt;
g. de in artikel 12 bedoelde regels;
h. verordening 715/2009;
i. de richtlijn.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de
voorwaarden niet vast dan nadat hij zich ervan vergewist heeft dat de
voorwaarden de interoperabiliteit van de netten garanderen en
objectief, evenredig en niet-discriminatoir zijn, alsmede voor zover
dat op grond van de notificatierichtlijn noodzakelijk is, aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen in ontwerp zijn meegedeeld en
de van toepassing zijnde termijnen, bedoeld in artikel 9 van richtlijn
98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van
normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten
van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zijn verstreken.
3. Indien een voorstel als bedoeld in artikel 12a, 12b of12c naar
het oordeel van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit in
strijd is met het belang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c,
d, e of f, met de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen g, h
en i, of met de eisen, bedoeld in het tweede lid, draagt de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de gezamenlijke netbeheerders op
het voorstel onverwijld zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt
opgeheven. Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen vier weken het
voorstel wijzigen overeenkomstig de opdracht van de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit, bedoeld in het derde lid, stelt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit de tariefstructuren of de
voorwaarden vast onder het aanbrengen van zodanige wijzigingen dat
deze in overeenstemming zijn met de belangen, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen b tot en met f, met de regels, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen g, h en i, en met de eisen, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 12g
1.Nadat de termijn, bedoeld in artikel 12e, derde lid, is
verstreken, stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de
tariefstructuren of de voorwaarden vast met inachtneming van de
voorstellen van de gezamenlijke netbeheerders en van artikel 12f,
eerste, tweede en derde lid. Indien een voorstel als bedoeld in
artikel 12e niet binnen de daarbij aangegeven termijn aan de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit is gezonden, stelt deze de
tariefstructuren of de voorwaarden uit eigen beweging vast met
inachtneming van artikel 12f, eerste, tweede en derde lid.
2.Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen de termijn,
bedoeld inartikel 12e, derde lid, hun zienswijze op een ontwerp van
een besluit als bedoeld in dat artikel aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit kenbaar maken, stelt deze het besluit tot
wijziging van de tariefstructuren of de voorwaarden uit eigen beweging
vast met inachtneming van artikel 12f, eerste en tweede lid.
Artikel 12h
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan op
aanvraag bij beschikking een ontheffing verlenen van de
tariefstructuren en de voorwaarden. Bij zijn beslissing neemt de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit de belangen als bedoeld in
artikel 12f, eerste lid, onderdelen b tot en met f, en de regels,
bedoeld in artikel 12f, eerste lid, onderdelen g, h en i, in acht.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt
beleidsregels op met betrekking tot de procedure voor aanvraag van een
ontheffing.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan
voorschriften en beperkingen verbinden aan de ontheffing. De raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit kan de voorschriften en
opgelegde beperkingen wijzigen.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit trekt de
ontheffing in op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de
houder van de ontheffing.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de
ontheffing intrekken, indien:
a. de houder van de ontheffing de aan de ontheffing verbonden
voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;
b. de houder van de ontheffing bij de aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
zou hebben geleid;
c. de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, gelet op
de belangen bedoeld in artikel 12f, eerste lid, onderdelen b tot
en met f, en de regels, bedoeld in artikel 12f, eerste lid,
onderdelen g, h en i, van oordeel is dat intrekking van de
ontheffing noodzakelijk is.
6. Een op grond van dit artikel genomen beschikking wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 12i
1. De tariefstructuren en de voorwaarden treden in werking op een
door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit te bepalen
datum en gelden voor onbepaalde tijd.
2. Van de besluiten betreffende de vaststelling van de
tariefstructuren en de voorwaarden alsmede de wijziging daarvan wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de tariefstructuren
en de voorwaarden voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
4. Na de vaststelling van de voorwaarden gelden deze als
minimumeisen voor de technische veiligheid en voor het technisch
ontwerp en de exploitatie van de installaties en netten, bedoeld in
artikel 8 van de richtlijn.
Artikel 13
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de berekeningsmethodiek van de tarieven en voorwaarden voor
toegang tot LNG-installaties. In de voorwaarden worden in ieder geval
regels gesteld omtrent:
a. het voorzien van een aansluiting op de LNG-installatie;
b. het uitvoeren van LNG-activiteiten ten behoeve van een
derde;
c. het meten van gegevens betreffende LNG-activiteiten, de
uitwisseling van gegevens en de erkenning van meetbedrijven;
d. de dienstverlening van LNG-bedrijven aan derden
e. de door het LNG-bedrijf te hanteren technische
specificaties.
2. Een LNG-bedrijf stelt jaarlijks voor 1 juli de
berekeningsmethodiek van de tarieven en de voorwaarden vast die het in
het volgende kalenderjaar wil hanteren voor het sluiten van
overeenkomsten over het verlenen van toegang tot de LNG-installatie,
alsmede voor het verrichten van die toegang ondersteunende diensten.
De voorwaarden van een LNG-bedrijf zijn redelijk, transparant en
niet-discriminatoir.
3. Het LNG-bedrijf zendt de door hem vastgestelde
berekeningsmethodiek van de tarieven en de voorwaarden onverwijld ter
goedkeuring aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit beslist binnen
een termijn van drie maanden na ontvangst omtrent de goedkeuring van
de berekeningsmethodiek en de voorwaarden. De raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit onthoudt zijn goedkeuring aan de
berekeningsmethodiek en de voorwaarden als zij naar zijn oordeel niet
in overeenstemming zijn met de bij of krachtens het eerste en tweede
lid gestelde eisen.
5. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit niet
binnen een termijn, genoemd in het vierde lid, omtrent de goedkeuring
heeft beslist, worden zij geacht te zijn goedgekeurd.
6. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit zijn
goedkeuring aan de berekeningsmethodiek van de tarieven en de
voorwaarden heeft onthouden, stelt het LNG-bedrijf de
berekeningsmethodiek van de tarieven en voorwaarden zo spoedig
mogelijk opnieuw vast, met inachtneming van de aanwijzingen die de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit hem heeft gegeven in
zijn beslissing tot onthouding van goedkeuring, en zendt het de
berekeningsmethodiek van de tarieven en de voorwaarden wederom
onverwijld ter goedkeuring aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit. Het vierde, vijfde en zesde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
7. De berekeningsmethodiek van de tarieven en voorwaarden treden in
werking op 1 januari van het kalenderjaar waarop zij betrekking
hebben. Indien zij op die datum nog niet zijn goedgekeurd, treden zij
in werking op de dag waarop het besluit tot goedkeuring in werking is
getreden. In het geval, bedoeld in de vorige volzin, gelden tot de dag
waarop het besluit tot goedkeuring in werking treedt, de
berekeningsmethodiek van de tarieven en voorwaarden die golden in het
voorafgaande kalenderjaar.
8. Het LNG-bedrijf publiceert op een geschikte wijze de
goedgekeurde berekeningsmethodiek van de tarieven, de voorwaarden en
de tarieven, voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan. Het
LNG-bedrijf legt een exemplaar van de goedgekeurde
berekeningsmethodiek van de tarieven, de voorwaarden en de tarieven
voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
Paragraaf 2.2a. Meetinrichtingen en meetgegevens
Artikel 13a
Een afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, verleent de nodige
medewerking aan de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10,
vijfde lid.
Artikel 13b
1. Een netbeheerder verzamelt uitsluitend meetgegevens betreffende
afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid, indien:
a. dit noodzakelijk is voor de taken van de leverancier met
betrekking tot:
1°. het verstrekken van informatie inzake het verbruik van
gas op grond vanartikel 42b,
2°. facturering,
3°. verhuizingen,
4°. wisselingen van leverancier,
b. dit noodzakelijk is voor de taken van de netbeheerder,
genoemd in artikel 10, eerste tot en met derde en vijfde lidof
c. deze gegevens op basis van het tweede tot en met vijfde lid
verstrekt worden.
2. Een netbeheerder verleent een leverancier toegang tot
meetgegevens betreffende afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste
lid, voorzover het gaat om meetgegevens betreffende afnemers van die
leverancier.
3. In afwijking van het tweede lid verleent een netbeheerder een
leverancier uitsluitend toegang tot meetgegevens die betrekking hebben
op een kleiner tijdsbestek dan een dag, voor zover die leverancier de
desbetreffende meetgegevens op basis van artikel 8, onderdeel a, van
de Wet bescherming persoonsgegevens mag verwerken.
4. Een netbeheerder verleent een derde uitsluitend toegang tot
meetgegevens betreffende afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste
lid, voorzover deze derde de desbetreffende meetgegevens op basis van
artikel 8, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens mag
verwerken.
5. Meetgegevens per uur en per dag worden dagelijks door de
netbeheerder om niet beschikbaar gesteld. Overige meetgegevens worden
door de netbeheerder tegen een vergoeding van de daaraan verbonden
kosten beschikbaar gesteld.
Artikel 13c
1. Een netbeheerder brengt op verzoek van een leverancier
wijzigingen aan in de besturings- en toepassingsprogramma’s van
meetinrichtingen die ter beschikking zijn gesteld aan afnemers als
bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de betreffende leverancier,
tenzij een meetinrichting door inwilliging van het verzoek niet langer
zou voldoen aan de voor die meetinrichting gestelde eisen of op andere
wijze afbreuk gedaan zou worden aan de integriteit van de
meetinrichting.
2. Een netbeheerder leest meetgegevens van een afnemer als bedoeld
in artikel 43, eerste lid, die beschikt over een geïnstalleerde
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a,
eerste lid, gestelde eisen, niet op afstand uit indien de afnemer
hierom verzoekt.
Artikel 13d
1. Een netbeheerder heeft in het kader van het beheer van zijn
netten tot taak ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, binnen een redelijke termijn een
meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet
aan de krachtens artikel 42a, eerste lid, gestelde eisen, wanneer:
a. de afnemer hierom vraagt, tenzij het ter beschikking stellen
technisch onmogelijk is, financieel niet redelijk is of dit niet
in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen;
b. een bestaande meetinrichting wordt vervangen, tenzij het ter
beschikking stellen technisch onmogelijk is of niet
kostenefficiënt is in verhouding tot de geraamde potentiële
energiebesparingen op lange termijn;
c. een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw;
d. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op het
eerste lid andere situaties worden bepaald waarin een netbeheerder tot
taak heeft ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, binnen een redelijke termijn een
meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet
aan de krachtens artikel 42a, eerste lid, gestelde eisen.
3. In aanvulling op het eerste en tweede lid kan een netbeheerder
ervoor zorg dragen dat een afnemer een meetinrichting ter beschikking
wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a,
eerste lid, gestelde eisen.
4. Indien een meetinrichting door de netbeheerder ter beschikking
is gesteld ingevolge het eerste lid, onderdeel a of het tweede lid en
deze meetinrichting is geïnstalleerd, is de desbetreffende afnemer
aan de desbetreffende netbeheerder een vergoeding verschuldigd in
verband met de meerkosten.
5. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding
vastgesteld die voor verschillende situaties verschillend kan worden
vastgesteld.
6. Een ander dan een netbeheerder kan op verzoek van een afnemer
als bedoeld in artikel 43, eerste lid, er na voorafgaande melding aan
de betreffende netbeheerder voor zorgdragen dat die afnemer voor een
of meer aansluitingen beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting
die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a, eerste lid,
gestelde eisen.
7. Indien een ander dan een netbeheerder er zorg voor draagt dat
een afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, beschikt over een
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a
gestelde eisen, betaalt de betreffende netbeheerder aan die ander een
overnamevergoeding.
8. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
9. Het is anderen dan de netbeheerder niet toegestaan bij afnemers
als bedoeld in artikel 43, eerste lid, geïnstalleerde, op afstand
uitleesbare meetinrichtingen te vervangen die zijn geïnstalleerd na
31 december 2005.
10. Indien een op afstand uitleesbare meetinrichting door de
netbeheerder ter beschikking wordt gesteld, kan een afnemer als
bedoeld in artikel 43, eerste lid, deze meetinrichting weigeren. In
dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare
meetinrichting ter beschikking gesteld.
Artikel 13e [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een netbeheerder heeft in het kader van het beheer van zijn
netten tot taak ervoor zorg te dragen dat in een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen periode, een bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen percentage afnemers als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, de beschikking krijgt over een geïnstalleerde
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a,
eerste lid, gestelde eisen, tenzij die afnemer blijkens de
voorwaarden, bedoeld in artikel 12b, eerste lid, onderdelen a of b,
beschikt over een onbemeten aansluiting.
2. In aanvulling op het eerste lid heeft een netbeheerder tot taak
ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, binnen een redelijke termijn een meetinrichting ter
beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet aan de krachtens
artikel 42a gestelde eisen, wanneer:
a. een bestaande meetinrichting wordt vervangen, tenzij dit
technisch onmogelijk is of niet efficiënt is in verhouding tot de
geraamde potentiële energiebesparingen op lange termijn;
b. een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw;
c. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op het
tweede lid andere situaties worden bepaald waarin een netbeheerder tot
taak heeft ervoor zorg te dragen dat een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, binnen een redelijke termijn een
meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoet
aan de krachtens artikel 42a, eerste lid, gestelde eisen.
4. Een netbeheerder draagt er zorg voor dat een afnemer als bedoeld
in artikel 43, eerste lid, op een eerder tijdstip dan het door de
netbeheerder op grond van het eerste lid voorziene tijdstip, voor een
of meer aansluitingen op verzoek van een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die daarbij belang heeft, binnen een redelijke termijn
een meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste
voldoet aan de krachtens artikel 42a, eerste lid, gestelde eisen,
tenzij dit ertoe leidt dat de planning die de netbeheerder hanteert om
te voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, niet wordt
gehaald.
5. Indien een meetinrichting door de netbeheerder ter beschikking
is gesteld ingevolge het derde of vierde lid en de ter beschikking
gestelde meetinrichting is geïnstalleerd, is de desbetreffende
afnemer aan de desbetreffende netbeheerder een vergoeding verschuldigd
in verband met de meerkosten.
6. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding
vastgesteld die voor verschillende situaties verschillend kan worden
vastgesteld.
7. Gedurende de in het eerste lid bedoelde periode kan een ander
dan een netbeheerder op verzoek van een afnemer als bedoeld in artikel
43, eerste lid, er na voorafgaande melding aan de betreffende
netbeheerder voor zorgdragen dat die afnemer voor een of meer
aansluitingen beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting die ten
minste voldoet aan de krachtens artikel 42a, eerste lid, gestelde
eisen die gelden op het tijdstip van terbeschikkingstelling.
8. Indien een ander dan een netbeheerder er zorg voor draagt dat
een afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, beschikt over een
meetinrichting die ten minste voldoet aan de krachtens artikel 42a
gestelde eisen, betaalt de betreffende netbeheerder aan die ander een
vergoeding.
9. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding als
bedoeld in het achtste lid vastgesteld, die voor verschillende
situaties verschillend kan worden vastgesteld.
10. Het is anderen dan de netbeheerder niet toegestaan bij afnemers
als bedoeld in artikel 43, eerste lid, geïnstalleerde, op afstand
uitleesbare meetinrichtingen te vervangen die geïnstalleerd zijn
tussen 31 december 2005 en het tijdstip waarop de in het eerste lid
bedoelde periode aanvangt.
11. Indien een op afstand uitleesbare meetinrichting door de
netbeheerder ter beschikking wordt gesteld, kan een afnemer als
bedoeld in artikel 43, eerste lid, deze meetinrichting weigeren. In
dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare
meetinrichting ter beschikking gesteld.
12. In aanvulling op artikel 81e, eerste lid, kan het tarief voor
de meting van gas mede betrekking hebben op de mate waarin een
netbeheerder voortgang boekt bij de uitvoering van de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, en alsdan verschillen per netbeheerder.
13. Een netbeheerder zendt jaarlijks vóór 1 juni een rapportage
aan Onze Minister en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
waarin hij aangeeft welke voortgang is geboekt met de uitvoering van
de taak, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13f
Een op afstand uitleesbare meetinrichting, die aan een afnemer als
bedoeld in artikel 43, eerste lid, ter beschikking is gesteld tussen 31
december 2005 en 1 januari 2012, wordt voor 15 jaren, te rekenen vanaf
de datum van terbeschikkingstelling aan die afnemer, aangemerkt als een
meetinrichting die voldoet aan de krachtensartikel 42a, eerste lid,
gestelde eisen.
Artikel 13g [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Vervallen]
Artikel 13h
De artikelen 13b en 13c, eerste lid, zijn niet van toepassing met
betrekking tot afnemers die niet beschikken over een op afstand
uitleesbare meetinrichting of die beschikken over een op afstand
uitleesbare meetinrichting die niet op afstand wordt uitgelezen.
Paragraaf 2.3. Verrichten van transport van gas
Artikel 14
1.Behoudens artikel 15 is een netbeheerder verplicht, in voorkomend
geval tezamen met een verwant bedrijf, degene die daarom verzoekt een
aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde
gastransportnet en van een of meer installaties van het verwante
bedrijf ten behoeve van de verzoeker transport van gas en de dat
transport ondersteunende diensten te verrichten tegen een tarief
alsmede tegen voorwaarden die in overeenstemming zijn met de artikelen
12f of 12g, 81c of 82.
2.[Vervallen.]
3.Een netbeheerder hanteert voorwaarden die redelijk, transparant
en niet-discriminatoir zijn.
4.Voorwaarden als bedoeld in de artikelen 236 en 237 van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek worden vermoed niet redelijk te zijn.
5.Een voorwaarde is redelijk, wanneer dit blijkt uit de aard,
inhoud en wijze van totstandkoming van de betrokken voorwaarde.
6.Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op een afnemer,
als bedoeld in artikel 43, eerste lid.
7.De artikelen 236 en 237 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
zijn mede van toepassing op voorwaarden in overeenkomsten met afnemers
als bedoeld in artikel 43, eerste lid, die rechtspersoon zijn of
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 14a
1.Behoudens artikel 15 is een LNG-bedrijf verplicht, in voorkomend
geval tezamen met een verwant bedrijf, aan degene die daarom verzoekt
een aanbod te doen met behulp van de door hem beheerde LNG-installatie
en van één of meer installaties van het verwante bedrijf, ten
behoeve van verzoeker LNG-activiteiten en de die activiteiten
ondersteunende diensten uit te voeren. Het aanbod bevat een tarief,
berekend op basis van een berekeningsmethodiek die, en tegen
voorwaarden die, in overeenstemming zijn met die welke overeenkomstig
artikel 13 door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit zijn
goedgekeurd.
2.Indien een LNG-bedrijf, een onjuiste toepassing geeft aan de
overeenkomstigartikel 13 goedgekeurde berekeningsmethodiek en de
voorwaarden, geeft de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
dat bedrijf een bindende aanwijzing met betrekking tot de wijze waarop
die berekeningsmethodiek en die voorwaarden behoren te worden
toegepast.
3.Een LNG-bedrijf hanteert voorwaarden die redelijk, transparant en
niet-discriminatoir zijn.
4.De artikelen 236 en 237 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
zijn mede van toepassing op voorwaarden in overeenkomsten met afnemers
als bedoeld inartikel 43, eerste lid, die rechtspersoon zijn of
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 15
1. Onverminderd artikel 16, eerste lid, van verordening 715/2009,
kan een netbeheerder, onderscheidenlijk een LNG-bedrijf, of in
voorkomend geval een verwant bedrijf, weigeren het transport van gas,
LNG-activiteiten of dat transport of die activiteiten ondersteunende
diensten te verrichten indien:
a. binnen zijn gastransportnet, onderscheidenlijk zijn
LNG-installaties onderscheidenlijk de installaties van het
verwante bedrijf, geen capaciteit beschikbaar is voor het
transport van de desbetreffende hoeveelheid gas onderscheidenlijk
de LNG-activiteiten dan wel in redelijkheid niet kan worden
gevergd dat hij alle capaciteit beschikbaar stelt;
b. het verrichten van het beoogde transport onderscheidenlijk
van die LNG-activiteiten of van de dat transport of die
activiteiten ondersteunende diensten hem of de netbeheerder voor
wie hij de LNG-activiteiten uitvoert zou verhinderen zijn in de
artikelen 10, 10a, 42 en 54a en hoofdstuk 2 bedoelde taken te
vervullen of
c. de netbeheerder beschikt over een daartoe strekkende
ontheffing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of het bedrijf
een aanvraag daartoe heeft ingediend en daarop nog niet is
beslist.
2. Een weigering als bedoeld in het eerste lid is met redenen
omkleed.
Artikel 16
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan op
aanvraag de netbeheerder van het landelijk gastransportnet tijdelijk
ontheffing verlenen van de in artikel 14, eerste lid, bedoelde
verplichting indien een verzoek om transport is gericht tot die
netbeheerder en die netbeheerder of een verwant bedrijf ernstige
economische en financiële moeilijkheden ondervindt of dreigt te
ondervinden in verband met één of meer reeds aangegane
overeenkomsten die een verplichting bevatten tot afname van een
bepaalde hoeveelheid gas of, bij gebreke daarvan, tot het betalen van
een vergoeding ter waarde van die hoeveelheid gas of van een deel
daarvan.
2. In een verzoek om ontheffing worden de aard en de omvang van de
verwachte moeilijkheden aangegeven, alsmede de inspanningen die de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet onderscheidenlijk het
verwant bedrijf heeft geleverd om die moeilijkheden op te lossen.
3. Bij het beoordelen van de aanvraag houdt de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit rekening met artikel 48, eerste lid, tweede
alinea, en derde lid, van de richtlijn.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit beslist zo
spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier maanden na
ontvangst van de aanvraag.
5. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een
ontheffing als bedoeld in het eerste lid heeft verleend, stelt hij de
Commissie van de Europese Gemeenschappen daarvan onverwijld in kennis,
onder overlegging van de daarvoor van belang zijnde gegevens.
6. Indien een definitief besluit van de Commissie als bedoeld in
artikel 48, tweede lid, van de richtlijn strekt tot wijziging of
intrekking van de ontheffing is de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit verplicht daaraan onverwijld gevolg te geven.
7. Van een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Artikel 16a [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 17
1. De Mededingingswet is mede van toepassing ten aanzien van het
verrichten van transport van gas met behulp van een gasproductienet op
het continentaal plat.
2. Ten aanzien van het transport van gas, bedoeld in het eerste
lid, wordt onder gasproductienet niet verstaan de pijpleidingen die
ter plaatse binnen een olie- of gaswinningsproject worden gebruikt.
Artikel 17a
1. Indien een afnemer van leverancier wisselt, wordt die wisseling
uitgevoerd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen
regels, welke regels kunnen verschillen voor verschillende
netbeheerders en beheerders van netten als bedoeld in artikel 2a.
2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden
in ieder geval regels gesteld over de termijn waarbinnen de wisseling
moet zijn uitgevoerd en over de bij een verzoek om wisseling te
verstrekken gegevens.
Artikel 17b
1. Degene die gas op het gastransportnet invoedt is tot een
virtueel punt op het gastransportnet verantwoordelijk voor het
opstellen van een programma, waarin is opgenomen:
a. hoeveel gas waar op het gastransportnet wordt ingevoed en
b. ten aanzien van hoeveel gas netto op het virtuele punt op
het gastransportnet de programmaverantwoordelijkheid overgaat en
op wie.
2. Degene die gas aan het gastransportnet onttrekt is vanaf een
virtueel punt op het gastransportnet verantwoordelijk voor het
opstellen van een programma, waarin is opgenomen:
a. ten aanzien van hoeveel gas netto op het virtuele punt op
het gastransportnet de programmaverantwoordelijkheid overgaat en
van wie en
b. hoeveel gas waar aan het gastransportnet wordt onttrokken.
3. Een programmaverantwoordelijke is verantwoordelijk voor een
afwijking van zijn programma.
4. Voor de onttrekking van gas door een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, draagt een vergunninghouder
programmaverantwoordelijkheid.
5. De programmaverantwoordelijkheid kan worden overgedragen.
6. Een programmaverantwoordelijke stuurt zijn programma naar de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet.
7. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet kan, in het
belang van de doelmatige uitvoering van zijn wettelijke taken,
instructies geven over een ingediend programma.
Paragraaf 2.4. Opslag
Artikel 18 [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18a [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18b [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18c [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18d [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18e [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18f [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 18g
1. Een gasopslagbedrijf is verplicht met degene die daarom verzoekt
te onderhandelen over toegang tot zijn gasopslaginstallatie of de door
hem aangeboden ondersteunende diensten indien toegang tot deze
gasopslaginstallatie of tot deze ondersteunende diensten voor degene
die daarom verzoekt in technische of economische zin noodzakelijk is
voor een efficiënte toegang tot het systeem voor de levering aan
netgebruikers.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
technische of economische noodzakelijkheid voor een efficiënte
toegang tot het systeem voor de levering aan netgebruikers.
3. Voor een gasopslagbedrijf waarop de verplichting, bedoeld in het
eerste lid, van toepassing is, gelden het vierde tot en met het zesde
lid.
4. De tarieven en de voorwaarden die het gasopslagbedrijf hanteert
voor gasopslag en ondersteunende diensten zijn objectief, transparant
en niet discriminatoir.
5. Het gasopslagbedrijf publiceert jaarlijks voor 1 oktober op een
geschikte wijze een indicatie van de tarieven en voorwaarden die het
bedrijf voornemens is in het volgende kalenderjaar te hanteren voor
het verrichten van gasopslag en ondersteunende diensten.
6. Een gasopslagbedrijf voert voorafgaand aan de bekendmaking,
bedoeld in het vijfde lid, overleg met representatieve organisaties
van netgebruikers over de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het
vijfde lid.
Artikel 18ga
1. Onverminderd artikel 17, eerste lid, van verordening 715/2009
kan een gasopslagbedrijf waarop de verplichting, bedoeld in artikel
18g, eerste lid, van toepassing is, weigeren gasopslag en
ondersteunende diensten te verrichten indien binnen zijn
gasopslaginstallatie geen capaciteit beschikbaar is voor de opslag van
de desbetreffende hoeveelheid gas dan wel in redelijkheid niet van het
gasopslagbedrijf kan worden gevergd dat het de gevraagde capaciteit
beschikbaar stelt.
2. Een weigering als bedoeld in het eerste lid is met redenen
omkleed.
Paragraaf 2.4a. Ontheffing voor nieuwe gasinfrastructuur en
grensoverschrijdende infrastructuur
Artikel 18h
1. Onze Minister kan voor grote, nieuwe landsgrensoverschrijdende
gastransportnetten, LNG-installaties en opslaginstallaties op verzoek
voor een in de ontheffing bepaalde periode ontheffing verlenen van de
artikelen 2c, 3b, vierde lid, de paragrafen 2.2,2.3, 2.4 en 2.5 en de
artikelen 80 tot en met 82, indien wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. de aanleg van het net of de installatie versterkt de
mededinging bij de levering van gas en de leveringszekerheid,
b. het risico van de investering nodig voor de aanleg van het
net of de installatie is zo groot dat de aanleg niet zal
plaatsvinden als geen ontheffing wordt verleend,
c. de eigendom van het net of de installatie berust bij een
ander dan de beheerder van het net of de installatie waarop het
nieuwe net of de nieuwe installatie zal worden aangesloten,
d. de gebruikers van het net of de installatie wordt een tarief
in rekening gebracht, en
e. de ontheffing belemmert niet de mededinging op of de
doelmatige werking van de interne gasmarkt of de doelmatige
werking van het net of de installatie waarop het nieuwe net of de
nieuwe installatie wordt aangesloten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
aanmerkelijke uitbreidingen van de capaciteit van bestaande netten of
installaties en op wijzigingen van de bestaande netten of installaties
die de ontwikkeling van nieuwe bronnen van gasvoorziening bevorderen.
3. De ontheffing kan betrekking hebben op het gehele nieuwe net of
de gehele nieuwe installatie onderscheidenlijk de aanmerkelijke
uitbreiding of wijziging van een bestaand net of een bestaande
installatie dan wel op gedeelten daarvan.
4. [Vervallen.]
5. Alvorens Onze Minister beslist op een verzoek om een ontheffing
brengt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit of, indien
dit voortvloeit uit artikel 36, vierde en zevende lid, van de
richtlijn, het Agentschap advies uit. Van het advies wordt uiterlijk
tegelijk met de bekendmaking van het besluit op de aanvraag kennis
gegeven.
6. Indien sprake is van de aanleg van een landsgrensoverschrijdend
gastransportnet, overlegt Onze Minister met de bevoegde instantie in
de andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie.
7. Onze Minister verbindt voorschriften aan de ontheffing met
betrekking tot de niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur,
onder andere over de mechanismen voor het beheer of de toewijzing van
capaciteit. Deze voorschriften bevatten in elk geval:
a. het voorschrift dat alle potentiële gebruikers van
infrastructuur hun belangstelling aangeven alvorens de toewijzing
van capaciteit in nieuwe infrastructuur, inclusief eigen gebruik,
plaatsvindt;
b. de bepaling dat ongebruikte capaciteit op de markt moet
worden aangeboden en dat gebruikers van de infrastructuur het
recht krijgen door hen ingekochte capaciteit te verhandelen op de
secundaire markt.
8. Onze Minister kan voorschriften aan de ontheffing verbinden die
betrekking hebben op het beheer en de toedeling van capaciteit, met
dien verstande dat deze voorschriften de uitvoering van overeenkomsten
voor een lange termijn niet mogen belemmeren.
9. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op een aanvraag om een
ontheffing als bedoeld in het eerste lid, doch uiterlijk binnen zes
maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag voor een
ontheffing betrekking heeft op een landsgrensoverschrijdend net, wordt
de termijn voor het nemen van een besluit gerekend vanaf de datum
waarop de laatste van de uit de lidstaten betrokken regulerende
instantie een verzoek om ontheffing heeft ontvangen.
10. Indien Onze Minister een ontheffing als bedoeld in het eerste
lid heeft verleend, stelt hij daarvan onverwijld de Europese Commissie
in kennis, onder overlegging van alle van belang zijnde gegevens. Deze
gegevens omvatten in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 36,
achtste lid, van de richtlijn.
11. Indien de termijn waarbinnen de Europese Commissie kan
reageren, bedoeld in artikel 36, negende lid, van de richtlijn is
verstreken zonder een besluit van de Europese Commissie, treedt een
besluit als bedoeld in het eerste lid in werking op de dag na het
verstrijken van deze termijn.
12. Indien de Europese Commissie binnen de termijn waarbinnen de
Europese Commissie kan reageren, bedoeld in artikel 36, negende lid,
van de richtlijn een besluit neemt, treedt het besluit na aanpassing
aan dit besluit in werking. Onze Minister past een besluit als bedoeld
in het eerste lid aan binnen een maand na het besluit.
13. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt bekendgemaakt
in de Staatscourant. Van een beslissing bedoeld in het twaalfde lid
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
14. In afwijking van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift aan op de dag van inwerkingtreding van een besluit als
bedoeld in het eerste lid.
15. Indien twee jaar na inwerkingtreding van het besluit, bedoeld
in het eerste lid, de bouw van de infrastructuur nog niet van start is
gegaan of wanneer vijf jaar na inwerkingtreding van het besluit,
bedoeld in het eerste lid, de infrastructuur nog niet operationeel is
geworden, vervalt de ontheffing.
16. Het eerste lid is niet van toepassing indien Onze Minister op
verzoek van de houder van de ontheffing vaststelt dat vertraging het
gevolg is van grote hindernissen die buiten de macht liggen van de
persoon aan wie ontheffing is verleend. Onze Minister raadpleegt over
dit besluit de Europese Commissie.
17. Onze Minister kan het nemen van een besluit op een aanvraag als
bedoeld in het negende lid, laatste volzin, ten hoogste eenmaal met
een periode van drie maanden verlengen indien het Agentschap met de
verlenging heeft ingestemd.
Artikel 18i
Indien ingevolge artikel 8, eerste lid, van de verordening 713/2009
het Agentschap bevoegd is een besluit te nemen over grensoverschrijdende
infrastructuur, is de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
hiertoe niet bevoegd.
Paragraaf 2.5. Geschillenbeslechting
Artikel 19
1. Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder, een
gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf over de wijze waarop deze zijn
taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefent, dan wel aan
zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een klacht bij
de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit indienen.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit beslist op een
klacht binnen twee maanden na ontvangst ervan. Deze termijn kan met
twee maanden worden verlengd als de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit om aanvullende gegevens verzoekt. Met
instemming van de klager is verdere verlenging mogelijk.
3. De beslissing van de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit is bindend.
4. Het indienen van een klacht als bedoeld in het eerste lid laat
onverlet elke mogelijkheid voor de desbetreffende partij een hem ter
beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.
Artikel 20
In het geval van een landsgrensoverschrijdend geschil is de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit onbevoegd te beslissen op een
klacht als bedoeld in artikel 19, als de netbeheerder, het
gasopslagbedrijf of het LNG-bedrijf waartegen de klacht is gericht onder
de rechtsmacht van een andere lidstaat van de Europese Unie valt.
Hoofdstuk 3. Voorwaarden wijze van gegevensverwerking
Artikel 21
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
een of meer voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste lid, waaronder in
ieder geval regels over de verantwoording in de toelichting op de
jaarrekening over het voldoen aan de voorwaarden die krachtens dit
hoofdstuk zijn vastgesteld.
Artikel 22
1. Met inachtneming van de krachtens artikel 21 vastgestelde regels
zendt een representatief deel van de ondernemingen die zich
bezighouden met het transporteren, leveren of meten van gas aan de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel voor de
door hen jegens elkaar en afnemers in het kader van administratieve
processen te hanteren voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop
de met die administratieve processen samenhangende gegevens worden
vastgelegd, uitgewisseld of gebruikt of met betrekking tot de wijze
waarop en de termijn waarbinnen die gegevens worden bewaard, waaronder
in ieder geval voorwaarden die bepalen dat:
a. bij een wisseling van leverancier, de beoogde leverancier,
en
b. bij een verhuizing, de leverancier van de afnemer
verantwoordelijk is voor het verzamelen van de meetgegevens van de
afnemer.
2. Ondernemingen die een voorstel doen, voeren overleg over dit
voorstel met representatieve organisaties van partijen op de gasmarkt.
3. In het voorstel dat aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit wordt gezonden, geven de ondernemingen aan
welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de zienswijzen die de
organisaties, bedoeld in het tweede lid, naar voren hebben gebracht.
Artikel 23
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt de
voorwaarden vast met inachtneming van:
a. het voorstel als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
b. de resultaten van het overleg, bedoeld in artikel 22, tweede
lid,
c. de regels, bedoeld in artikel 21, en
d. artikel 12f, eerste lid, onderdelen b tot en met f, en tweede
lid.
Artikel 24
1. Na ontvangst van een voorstel als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, kan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de in
artikel 22, eerste lid, bedoelde ondernemingen die het voorstel hebben
ingediend, opdragen binnen vier weken en met inachtneming van zijn
bevindingen, waaronder zijn bevindingen omtrent de belangen, bedoeld
in artikel 12f, eerste lid, onderdelen b tot en met f, de regels,
bedoeld in artikel 21, of het bepaalde, bedoeld in artikel 12f, tweede
lid, het voorstel te wijzigen. Indien de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit van deze bevoegdheid gebruik maakt is artikel
4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen
vier weken het voorstel wijzigen overeenkomstig de opdracht van de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, stelt de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de voorwaarden vast onder het
aanbrengen van zodanige wijzigingen dat deze in overeenstemming zijn
met de belangen, bedoeld in artikel 12f, eerste lid, onderdelen b tot
en met f, met artikel 12f, tweede lid, of met de regels, bedoeld in
artikel 21.
Artikel 25
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan uit eigen
beweging een ontwerp van een besluit maken tot wijziging van de
voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste lid, of kan een
representatief deel van de in artikel 22, eerste lid, bedoelde
ondernemingen opdragen een daartoe strekkend voorstel voor te bereiden
en aan haar toe te zenden.
2. Ondernemingen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en de
representatieve organisaties, bedoeld in artikel 22, tweede lid,
kunnen hun zienswijze op een dergelijk ontwerp van een besluit aan de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kenbaar maken binnen
twaalf weken na het tijdstip waarop het ontwerp van het besluit is
bekendgemaakt.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde ondernemingen en
representatieve organisaties niet binnen de in het tweede lid genoemde
termijn hun zienswijze op het ontwerp van het besluit kenbaar maken,
stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit het besluit
vast met inachtneming van de belangen, bedoeld in artikel 12f, eerste
lid, onderdelen b tot en met f, met artikel 12f, tweede lid, en met de
regels, bedoeld in artikel 21.
4. Indien de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen
twaalf weken na toezending van de in het eerste lid bedoelde opdracht,
een voorstel aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
zenden, stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de
voorwaarden vast met inachtneming van de belangen, bedoeld in artikel
12f, eerste lid, onderdelen b tot en met f, met artikel 12f, tweede
lid, en met de regels, bedoeld in artikel 21.
Artikel 26
Ten aanzien van de overeenkomstig dit hoofdstuk door de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit vastgestelde voorwaarden zijn de
artikelen 12h en 12i, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 27
1. De door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit op
basis van artikel 12b, eerste lid, op 6 maart 2007 vastgestelde
informatiecode (Stcrt. 2007, 49) wordt op het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen aangemerkt als voorwaarden die
overeenkomstig dit hoofdstuk zijn vastgesteld.
2. Uiterlijk 12 weken na inwerkingtreding van dit hoofdstuk
ontvangt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een
voorstel als bedoeld inartikel 22, eerste lid, dat tot doel heeft de
in het eerste lid bedoelde informatiecode uit te breiden tot
voorwaarden voor alle soorten ondernemingen, genoemd in artikel 22,
eerste lid.
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2004]
Hoofdstuk 4. Boekhouding, informatieverstrekking en geheimhouding
Paragraaf 4.1. Boekhouding
Artikel 32
1. Een gasbedrijf is verplicht een afzonderlijke boekhouding te
voeren voor onderscheidenlijk
a. het transport van gas met behulp van de hogedrukleidingen en
-installaties van het door hem beheerde gastransportnet,
b. het transport van gas met behulp van een door hem beheerd
gastransportnet, voor zover niet vallend onder a,
c. de opslag van gas, en
d. LNG-activiteiten.
2. Indien het gasbedrijf andere, al dan niet met gas verband
houdende, activiteiten verricht dan de in het eerste lid genoemde,
wordt daarvoor eveneens, al dan niet op geconsolideerde basis, een
afzonderlijke boekhouding gevoerd.
3. De afzonderlijke boekhouding bevat:
a. een balans en een winst- en verliesrekening;
b. een specificatie van de toerekening van de activa en de
passiva en de lasten en baten aan activiteiten als bedoeld in het
eerste en tweede lid,
c. een specificatie van de inkomsten verkregen uit de eigendom
van het door hem beheerde gastransportnet, en
d. een toelichting op de gebruikte regels voor de afschrijving.
4. Het gasbedrijf geeft in de boekhouding aan welke methoden en
criteria bij het opstellen daarvan zijn gehanteerd.
5. Het toerekenen van kosten aan activiteiten als bedoeld in het
eerste en tweede lid geschiedt in overeenstemming met het gebruik van
financiële of andere middelen voor die activiteiten.
6. Wijzigingen in de in het derde lid bedoelde regels voor de
afschrijving worden met redenen omkleed in de boekhouding vermeld.
7. In de toelichting op de jaarrekening wordt elk verwant bedrijf
waarmee een gasbedrijf een overeenkomst heeft gesloten waarvan de
opbrengst of de kosten een bedrag van € 4 500 000 te boven gaat,
vermeld. Daarbij wordt tevens per bedrijf het aantal van die
overeenkomsten vermeld.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de inrichting van de boekhouding voor de in het
eerste lid bedoelde activiteiten.
9. Het eerste tot en met het achtste lid zijn niet van toepassing
op gasbedrijven die uitsluitend
a. gas winnen uit biomassa of uit andere niet-fossiele bronnen
en de hoeveelheid gewonnen gas per jaar niet meer bedraagt dan 10
000 000 m3 of
b. anders dan bedrijfsmatig gas leveren overeenkomstig de in
artikel 43, tweede lid, onderdeel b, bedoelde regels.
10. Indien een gasbedrijf niet reeds uit hoofde van een wettelijke
verplichting zijn jaarrekening of een daarmee overeenkomend financieel
overzicht openbaar maakt, legt het zijn jaarrekening of dat overzicht
voor een ieder ter inzage op het kantoor van zijn hoofdvestiging.
11. Een netbeheerder publiceert jaarlijks op geschikte wijze een
verslag van de afzonderlijke boekhouding, bedoeld in het derde lid, en
de gegevens waaruit blijkt dat de netbeheerder voldoet aan de regels
omtrent een goed financieel beheer, bedoeld in artikel 10e, eerste
lid.
12. Een leverancier houdt de boekhouding, bedoeld in het eerste
lid, gedurende vijf jaar ter beschikking van de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit en de Europese Commissie.
13. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan
informatie uit de boekhouding van de leverancier ter beschikking te
stellen aan marktpartijen indien is voldaan aan artikel 44, derde lid,
van de richtlijn.
Artikel 33 [Vervallen per 14-07-2004]
Paragraaf 4.2. Informatieverstrekking en geheimhouding
Artikel 34 [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 35 [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 35a
1. Een netbeheerder houdt een registratie bij van
kwaliteitsindicatoren betreffende het transport van gas.
2. De netbeheerder zendt de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit voor 1 maart van elk jaar een afschrift van de
registratie van het voorafgaande jaar tezamen met een rapportage
waarin de wijzigingen ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar
en de afwijkingen ten opzichte van het kwaliteitsniveau, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, onder a, dat de netbeheerder nastreeft, zijn
toegelicht. De netbeheerder maakt eveneens voor het tijdstip, bedoeld
in de eerste volzin, de rapportage op een geschikte wijze openbaar.
3. De netbeheerder bewaart de registratiegegevens ten minste tien
jaar.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan onderzoek
doen naar de deugdelijkheid van de registratie, in het bijzonder doch
niet uitsluitend door in het gastransportnet van de desbetreffende
netbeheerder metingen te verrichten of te doen verrichten. De
netbeheerder gedoogt dat de metingen in zijn net worden verricht.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de inhoud van de registratie en de wijze van registreren;
b. de kwaliteitsindicatoren die in de registratie zijn
opgenomen;
c. de rapportage.
6. De in het vijfde lid bedoelde ministeriële regeling kan, ten
behoeve van het toezicht op de naleving van dit artikel, mede inhouden
dat een door een geaccrediteerde instelling aan een netbeheerder
verstrekt certificaat van conformiteit aan het bepaalde bij of
krachtens dit artikel, het vermoeden oplevert dat de netbeheerder
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit artikel uitvoering
geeft aan de verplichting tot registratie.
Artikel 35b
1.De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, verstrekt binnen zes maanden na afloop van
ieder kalenderjaar aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit:
a. een overzicht van de door hem gesloten overeenkomsten met
betrekking tot het verrichten van diensten ten behoeve van het
netbeheer, vergezeld van afschriften van die overeenkomsten,
voorzover de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
daarover niet reeds beschikt,
b. een overzicht van het aantal personen dat bij de
netbeheerder werkzaam is ter uitvoering van de in artikelen 10, 42
en hoofdstuk 2 genoemde taken,
c. een overzicht van in het afgelopen jaar gerealiseerde
investeringen in het gastransportnet,
d. een overzicht van de financiële middelen waarover hij
beschikt ten behoeve van de uitvoering van zijn wettelijke taken,
waaruit blijkt welke financiële middelen voor de afzonderlijke
taken beschikbaar zijn, en
e. een verklaring van een onafhankelijke deskundige omtrent het
in onderdeel d bedoelde overzicht.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de overzichten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
tot en met d, en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
e.
Artikel 35c
De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet, draagt er zorg voor dat de afnemers die op
zijn gastransportnet zijn aangesloten een overzicht ontvangen waarop de
kosten in verband met die aansluiting overzichtelijk en begrijpelijk
zijn gespecificeerd.
Artikel 35d
1. Een netbeheerder voorziet in een transparante, eenvoudige en
goedkope procedure voor de behandeling van klachten van afnemers als
bedoeld inartikel 43, eerste lid, over het netbeheer.
2. De in het eerste lid bedoelde procedure voorziet er voorts in
dat:
a. de behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die
niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken
is geweest,
b. de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis wordt
gesteld van de bevindingen naar aanleiding van de klacht en van de
conclusies die daaraan worden verbonden, en
c. de klacht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht
weken wordt afgehandeld.
Artikel 35e
1.Een netbeheerder draagt er, al dan niet samen met een of meer
andere netbeheerders, zorg voor dat onderbrekingen in het transport
van gas en waarnemingen van gaslucht door afnemers op een eenvoudige
wijze gemeld kunnen worden en maakt aan afnemers bekend op welke wijze
deze meldingen kunnen geschieden.
2.Een netbeheerder registreert, al dan niet samen met andere
netbeheerders, van de gemelde onderbrekingen en waarnemingen, de datum
en het tijdstip en, met betrekking tot onderbrekingen, het begin van
de onderbrekingen, de duur van de onderbrekingen, de locatie, aard en
oorzaak van de onderbrekingen alsmede het aantal getroffen afnemers.
3.Een netbeheerder maakt de actuele stand van zaken betreffende de
geregistreerde onderbrekingen en waarnemingen in zijn net op geschikte
wijze openbaar en vermeldt daarbij de datum en het tijdstip en, met
betrekking tot onderbrekingen, het begin van de onderbrekingen, de
duur van de onderbrekingen, de locatie, aard en oorzaak van de
onderbrekingen alsmede het aantal getroffen afnemers.
Artikel 36 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 37
1.Een netbeheerder, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf dat bij
de uitvoering van zijn taak de beschikking krijgt over gegevens
waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet
vermoeden, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens
voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of
uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
2.Indien een netbeheerder, een gasopslagbedrijf of een LNG-bedrijf
gegevens over zijn bedrijfsvoering die commercieel voordeel kunnen
opleveren ter beschikking stelt aan anderen, doet hij dit op
niet-discriminatoire wijze.
3.Een netbeheerder maakt bij de aankoop of de verkoop van gas door
een verwant bedrijf geen misbruik van commercieel gevoelige gegevens
van anderen die hij heeft verkregen bij onderhandelingen over
transport of bij het verrichten van transport.
4.Een netbeheerder gebruikt aan hem verstrekte gegevens over
afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid, uitsluitend voor het
uitvoeren van zijn taken op grond van deze wet, met dien verstande dat
deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het ten behoeve van de
vergunninghouder innen van de vergoeding voor het leveren van gas.
Artikel 38
Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet niet in
staat is de informatie te publiceren in overeenstemming met verordening
715/2009 stelt hij na overleg met de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een actieplan vast voor de uitvoering.
Artikel 38a [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 38b
Onze Minister en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
verstrekken de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd
overeenkomstig artikel 25 van verordening 715/2009 alle voor de
toepassing van artikel 23 van verordening 715/2009 noodzakelijke
informatie.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Paragraaf 5.1. Aanleg infrastructuur in grote nieuwe bouwlocaties
Artikel 39
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
daarbij aan te wijzen gebieden regels worden gesteld over de wijze
waarop, gelet op het belang van een betrouwbaar, duurzaam en doelmatig
functionerende energiehuishouding, een afweging wordt gemaakt met
betrekking tot de aanleg van een gastransportnet en de aanleg van
leidingen voor het transport van elektriciteit of warmte.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een
gastransportnet slechts wordt aangelegd als resultaat van een openbare
procedure waarin gegadigden op een te plaatsen opdracht kunnen
inschrijven met een aanbieding voor de aanleg van een gastransportnet
of van leidingen voor het transport van elektriciteit of warmte.
Artikel 39a
Een gastransportnet dat door een netbeheerder in het kader van de
uitoefening van zijn taak, bedoeld in artikel 10, in werking wordt
gehouden, onderhouden of ontwikkeld, wordt voor de toepassing van de
Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht
aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.
Paragraaf 5.1a. Coördinatie van de aanleg of uitbreiding van
gasinfrastructuur
Artikel 39b
1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:
a. een uitbreiding van het landelijk gastransportnet, voor
zover het betreft de van dat net deel uitmakende leidingen met een
druk van ten minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7
centimeter, met inbegrip van de aansluitingen op die leidingen;
b. de aanleg of uitbreiding van een landsgrensoverschrijdend
gastransportnet als bedoeld in artikel 18h, met inbegrip van de
aansluitingen op zo’n net;
c. de aanleg of uitbreiding van een LNG-installatie met een
capaciteit van ten minste 4 miljard m3, met inbegrip van de
aansluiting van de installatie op een net.
2. Een gasbedrijf meldt een voornemen tot aanleg of uitbreiding van
een net of installatie als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig
mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling
kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens
een formulier worden vastgesteld.
3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
net of een deel daarvan of een installatie als bedoeld in het eerste
lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net of
die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te
verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid,
de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan
anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister
bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste
lid, aanhef en onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet ruimtelijke
ordening, van toepassing zijn of is op de aanleg of uitbreiding
van dat net of die installatie. Onze Minister hoort de beheerder
van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen
toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste
volzin.
Artikel 39c
1. Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel
3.35, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.28, vierde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening treden, in afwijking van dat
artikellid, Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu gezamenlijk in de plaats van burgemeester en wethouders ten
aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in dat
artikellid.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad, bepalen dat Onze Minister en Onze Minister wie het mede
aangaat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid,
vierde volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer
besluiten nemen die nodig zijn voor de aanleg of uitbreiding van een
daarbij aangewezen net of installatie als bedoeld in artikel 39b,
eerste lid.
Artikel 39d
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de
besluiten aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een net of
installatie als bedoeld in artikel 39b, eerste lid, in ieder geval
besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet ruimtelijke ordening zijn.
2. Onze Minister kan, ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van
een net of installatie als bedoeld in artikel 39b, eerste lid, tevens
één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel
3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening.
3. Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel
39b, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat
het desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
ruimtelijke ordening wordt aangemerkt.
Paragraaf 5.1b. De doorwerking van de aanleg van nieuwe
infrastructuur in de tarieven
Artikel 39e
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent in de
tarieven de kosten van een investering waarvoor op grond van artikel
3.28 van de Wet ruimtelijke ordening een inpassingsplan is vastgesteld.
Artikel 39f
1. Een netbeheerder meldt een voornemen tot een bijzondere
investering in de aanleg of uitbreiding van het net, waarop de
procedure, bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening,
niet van toepassing is, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit of, indien het de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet betreft, eveneens aan
Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
omtrent de melding.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit besluit binnen
13 weken nadat de melding is gedaan, of een investering als bedoeld in
het eerste lid, van een netbeheerder niet zijnde de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet noodzakelijk is.
3. Onze Minister besluit of een investering als bedoeld in het
eerste lid van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet
noodzakelijk is, gelet op het belang van een duurzame, betrouwbare en
efficiënte energievoorziening. Alvorens Onze Minister besluit, brengt
de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit binnen vier weken
nadat de melding is gedaan advies uit over het te nemen besluit.
Indien de investering niet is opgenomen in een structuurvisie als
bedoeld in artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, stelt Onze
Minister het besluit niet eerder vast, dan na twee weken nadat het
ontwerp daarvan en het betrekkelijke advies aan beide kamers der
Staten-Generaal zijn overlegd.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent de
kosten van een investering waarvan de noodzaak is vastgesteld op grond
van het tweede of het derde lid, in de tarieven.
Artikel 39g
[Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken
door Stb. 2012/19.]
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een
beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid, bedoeld
in de artikelen 39e en 39f, vierde lid.
Paragraaf 5.1b*. Directe lijn
Artikel 39h
Een producent die gas levert met een directe lijn meldt zo spoedig
mogelijk na ingebruikname van een directe lijn aan de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit:
a. zijn naam en adres;
b. een globale beschrijving van de directe lijn;
c. een aanduiding van de locatie waar de directe lijn zich
bevindt.
Paragraaf 5.2. Energiebesparing en bevordering van duurzame energie
en van veiligheid
Artikel 40
1.Een gasbedrijf dat gas levert aan eindafnemers heeft tot taak,
mede gelet op het belang van bescherming van het milieu, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de richtlijn, te bevorderen dat gas door
hemzelf en door afnemers op een doelmatige en milieuhygiënisch
verantwoorde wijze wordt gebruikt.
2.Ieder gasbedrijf dat per jaar meer dan 10 000 000 m3 gas aan
eindafnemers levert, meldt eenmaal in elke twee jaar vóór 1 maart
aan Onze Minister op welke wijze hij in de twee jaar voorafgaande aan
het jaar, waarin de melding wordt verricht, uitvoering heeft gegeven
aan zijn taak, bedoeld in het eerste lid.
3.Bij het opstellen van de tariefstructuren en de voorwaarden,
bedoeld in artikel 12a of12b en bij het sluiten van overeenkomsten
voor het verrichten van transport van gas en dat transport
ondersteunende diensten neemt de netbeheerder het belang van een
duurzame, doelmatige en milieuhygiënische energievoorziening in acht.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de invulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, en
worden criteria gegeven waaraan de uitvoering van die taak door het
gasbedrijf zal worden getoetst.
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 42
De netbeheerder die de aansluiting verzorgt bij afnemers heeft in het
kader van het transport van gas naar die afnemers tot taak het
bevorderen van de veiligheid bij het gebruik van toestellen en
installaties die gas verbruiken.
Paragraaf 5.2a. Meetinrichtingeisen, facturering en
informatieverstrekking
Artikel 42a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de eisen waaraan een meetinrichting, die moet voldoen aan
dit artikel, ten minste voldoet, welke eisen kunnen verschillen per
categorie afnemers.
2. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
stelt ten minste eisen betreffende de functionaliteiten van de
meetinrichting.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels wordt gesteld over meetinrichtingen, waaronder in elk geval
regels over de installatie van meetinrichtingen en regels over de
administratie in verband met het vervangen, installeren of verwijderen
van meetinrichtingen.
4. De voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid
is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van
Economische Zaken te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt
het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 42b
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over:
a. de inrichting van facturen inzake het verbruik van gas,
b. de frequentie van facturen inzake het verbruik van gas,
c. het verstrekken van gegevens over het verbruik van gas en
d. degenen die de informatie, bedoeld in de onderdelen a, b en c,
verstrekken, welke regels kunnen verschillen per categorie van
ontvangers van de informatie, bedoeld in de onderdelen a, b en c.
Artikel 42c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de informatie die netbeheerders, leveranciers of handelaren
verstrekken in contracten, rekeningen of ontvangstbewijzen, welke regels
per categorie afnemers kunnen verschillen.
Paragraaf 5.3. Leveringszekerheid, energierapport en monitoring
Artikel 43
1. Het is verboden zonder vergunning gas te leveren aan afnemers
die beschikken over een aansluiting op een net met een totale maximale
capaciteit van ten hoogste 40 m3(n) per uur.
2. Het verbod geldt niet ten aanzien van het leveren van gas:
a. door een buiten Nederland gevestigde leverancier van gas aan
ten hoogste 500 afnemers, als bedoeld in het eerste lid, die wonen
in gebieden aan de Nederlandse landsgrens of
b. indien het gas anders dan bedrijfsmatig wordt geleverd
overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels;
c. indien het gas wordt geleverd in het kader van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 52c.
Artikel 44
1. Een houder van een vergunning heeft de plicht op een betrouwbare
wijze en tegen redelijke tarieven en voorwaarden zorg te dragen voor
de levering van gas aan iedere in artikel 43, eerste lid, bedoelde
afnemer die daarom verzoekt. De voorwaarden zijn in ieder geval niet
redelijk als zij niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of
krachtens artikel 52b. De artikelen 236 en 237 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek zijn mede van toepassing op voorwaarden in
overeenkomsten met afnemers die rechtspersoon zijn of handelen in de
uitoefening van een beroep en bedrijf. Artikel 14, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Een houder van een vergunning verschaft de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit ieder jaar en vier weken voor de wijziging
van de tarieven een opgave van de tarieven die hij berekent en de
voorwaarden die hij gebruikt bij de levering van gas aan de in artikel
43, eerste lid, bedoelde afnemers.
3. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit van
oordeel is dat de tarieven die houders van een vergunning berekenen
onredelijk zijn, omdat daarin de effecten van een doelmatige
bedrijfsvoering, die mede inhoudt de inkoop van gas, in onvoldoende
mate leiden tot kostenverlaging, kan hij een tarief vaststellen dat
leveranciers ten hoogste mogen berekenen voor de levering van gas aan
afnemers als bedoeld in artikel 43.
4. Na de vaststelling van het maximumtarief, bedoeld in het derde
lid, worden de tarieven voor de levering van gas aan afnemers als
bedoeld in artikel 43 die hoger zijn dan dat maximumtarief, van
rechtswege gesteld op dat maximumtarief.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de bepaling of de tarieven, bedoeld in het
tweede lid, onredelijk zijn en tot vaststelling van het maximumtarief,
bedoeld in het derde lid. De voordracht voor een krachtens dit lid
vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
6. Het tweede tot en met het zesde lid vervallen op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De voordracht voor een
krachtens dit lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
7. Een netbeheerder en een vergunninghouder voeren een beleid,
gericht op het voorkomen van het afsluiten van een afnemer als bedoeld
in artikel 43, eerste lid, in het bijzonder in de periode van 1
oktober tot 1 april van enig jaar.
8. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het
beëindigen van de levering van gas aan een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, alsmede over preventieve maatregelen om de
afsluiting van dergelijke afnemers zoveel mogelijk te voorkomen. Deze
regels houden in ieder geval in dat een afnemer niet wordt afgesloten
in de periode van 1 oktober tot 1 april van enig jaar, behoudens in
gevallen die in de regeling zijn aangegeven.
9. De in het achtste lid bedoelde preventieve maatregelen kunnen
tevens inhouden dat in daarbij omschreven gevallen met in die regeling
aangeduide instanties overleg wordt gepleegd alsmede dat in die
gevallen aan de desbetreffende instantie in die regeling omschreven
gegevens omtrent de afnemer worden verstrekt.
10. De ministeriële regeling, bedoeld in het achtste lid, wordt
niet eerder vastgesteld dan nadat de gezamenlijke netbeheerders en de
vergunninghouders alsmede de consumentenorganisaties in de gelegenheid
zijn gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van de regeling.
11. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit publiceert
jaarlijks, op basis van de informatie verkregen op grond van het
tweede lid, aanbevelingen over de conformiteit van de leveringsprijzen
met artikel 3 van de richtlijn.
Artikel 44a [Treedt in werking per 01-04-2013]
1. Een leverancier schakelt een meetbedrijf in voor het
collecteren, valideren en vaststellen van de meetgegevens die
betrekking hebben op afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid worden de meetgegevens die
betrekking hebben op:
a. een rechtspersoon of een natuurlijke persoon die handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, en
b. behalve één of meer aansluitingen met een capaciteit van
ten hoogste 40 m3(n) per uur ten minste één aansluiting heeft
met een capaciteit groter dan 40 m3(n) per uur, gecollecteerd,
gevalideerd en vastgesteld door het meetbedrijf dat die
rechtspersoon of natuurlijke persoon daartoe inschakelt.
3. Indien een leverancier voor de levering van gas aan afnemers als
bedoeld inartikel 43, eerste lid, factureert op basis van
meetgegevens, maakt hij gebruik van meetgegevens die het meetbedrijf
heeft gecollecteerd, gevalideerd en vastgesteld.
4. Een meetbedrijf verstrekt slechts meetgegevens aan anderen dan
de betrokken afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, of de
betrokken leverancier indien die ander de desbetreffende meetgegevens
op basis van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens mag
verwerken.
Artikel 44b [Treedt in werking per 01-04-2013]
1. Een leverancier heeft ten aanzien van een afnemer als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, tot taak de door deze afnemer verschuldigde
bedragen voor de uitvoering van de bij of krachtens deze wet aan de
netbeheerder opgedragen taken te factureren en innen. De leverancier
brengt hiervoor geen kosten in rekening aan de netbeheerder.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedragen die zijn
gebaseerd op tarieven met een eenmalig karakter.
3. De betaling door een afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste
lid, aan een leverancier van de overeenkomstig het eerste en tweede
lid gefactureerde bedragen geldt als bevrijdende betaling.
4. Rechtsvorderingen tot betaling van de door de leverancier
overeenkomstig het eerste en tweede lid gefactureerde bedragen
verjaren door verloop van twee jaren. Indien de leverancier een
vordering tot betaling van een schuld van een afnemer ter zake van de
uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, niet heeft gedaan
binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden, vervalt
het recht om betaling te vorderen.
5. Een leverancier draagt per periode de overeenkomstig het eerste
lid gefactureerde of te factureren bedragen af aan de desbetreffende
netbeheerder.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de omvang
en het moment van de afdracht, bedoeld in het vijfde lid, ten behoeve
van een gelijkmatige afdracht aan de netbeheerders.
Artikel 45
1.Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning indien de
aanvrager genoegzaam aantoont dat hij:
a. beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en
technische kwaliteiten voor een goede uitvoering van zijn taak;
b. redelijkerwijs in staat kan worden geacht de verplichtingen
als opgenomen in dit hoofdstuk na te komen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot de inhoud van en de procedure voor aanvraag van een
vergunning en de criteria, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 46
1.Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
vergunning.
2.Onze Minister kan de aan een vergunning verbonden voorschriften
of beperkingen wijzigen.
3.Een vergunning kan slechts worden overgedragen aan een andere
houder van een vergunning met toestemming van Onze Minister.
4.Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
verlenen van toestemming als bedoeld in het derde lid.
Artikel 47
1.Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien:
a. de houder van de vergunning dit verzoekt;
b. de houder van de vergunning in onvoldoende mate voldoet aan
de verplichting, bedoeld in artikel 44;
c. de houder van de vergunning de in de vergunning opgenomen
voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;
d. de houder van de vergunning bij de aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
zou hebben geleid;
e. de houder van de vergunning naar het oordeel van Onze
Minister om andere redenen niet langer in staat moet worden geacht
de vergunde activiteit of in de vergunning opgenomen voorschriften
na te komen;
f. de houder van de vergunning de voorschriften bij of
krachtensartikel 52b niet nakomt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen en de procedure
bij intrekking van een vergunning.
Artikel 48 [Vervallen per 16-01-2007]
Artikel 49 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 50 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Op overeenkomsten tot transport of levering van gas is Nederlands
recht van toepassing.
2.De Nederlandse rechter is bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen
van geschillen over overeenkomsten tot transport of levering van gas.
3.Een beding dat in strijd met het eerste of tweede lid in een
overeenkomst tot het transport of de levering van gas is opgenomen, is
nietig.
4.Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een
overeenkomst voor levering van gas die een leverancier of handelaar
sluit met een persoon die meer dan 10 000 000 m3 gas verbruikt.
5.De toepasselijkheid van dit artikel wordt beperkt door dwingende
bepalingen van internationaal recht.
Artikel 51
1. Een netbeheerder stelt iedere vijf jaar een calamiteitenplan
vast en zendt dit ter goedkeuring aan Onze Minister.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan het
calamiteitenplan.
3. Onze Minister beoordeelt of het calamiteitenplan voldoet aan de
eisen, bedoeld in het tweede lid, en kan de netbeheerder verzoeken het
calamiteitenplan aan te passen.
Artikel 51a [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 52
Het in artikel 2 van de Elektriciteitswet 1998 bedoelde
energierapport geeft mede richting aan van rijkswege te nemen
beslissingen in de periode, bedoeld in dat artikel, voor zover daarbij
het belang van het betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functioneren van
de gasvoorziening in beschouwing moet of kan worden genomen. Het
energierapport bevat tevens een prognose betreffende het nationaal en
internationaal gasreservebeleid voor een periode van 50 jaar.
Artikel 52a
1. Onze Minister verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch
inlichtingen en gegevens met betrekking tot de leverings- en
voorzieningzekerheid, in het bijzonder met betrekking tot:
a. het evenwicht van vraag en aanbod op de nationale markt,
b. het niveau van de verwachte toekomstige vraag en de
beschikbare voorraden,
c. de extra capaciteit aan geplande of in aanbouw zijnde
infrastructuur,
d. de kwaliteit en de staat van onderhoud van de netten,
e. de maatregelen in geval van piekbelasting of het in gebreke
blijven van een of meerdere leveranciers,
f. het concurrentie-effect van maatregelen die zijn genomen in
het kader van de voorzieningszekerheid,
g. de opslagcapaciteiten,
h. langlopende gasleveringscontracten,
i. de liquiditeit van de gasmarkt, en
j. de regelgevingskaders die moeten voorzien in adequate
stimulerende maatregelen voor nieuwe investeringen in exploratie
en productie, opslag, LNG en transport van gas.
2. Onze Minister publiceert jaarlijks uiterlijk op 31 juli op
geschikte wijze een verslag van zijn bevindingen die het verzamelen,
analyseren en bewerken van de inlichtingen en gegevens over de
onderwerpen, genoemd in het eerste lid, heeft opgeleverd, alsmede van
de getroffen of voorgenomen maatregelen met betrekking tot die
onderwerpen. Hij zendt het verslag onverwijld naar de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en doet mededeling ervan in de Staatscourant,
onder vermelding van de wijze waarop het verslag kan worden
geraadpleegd.
3. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kunnen
bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent:
a. de gegevens en inlichtingen waarvan Onze Minister kan
verlangen dat zij hem worden verstrekt,
b. degenen van wie Onze Minister, onverminderd artikel 1h, kan
verlangen dat zij hem gegevens en inlichtingen verstrekken, en
c. de termijn waarbinnen, de wijze waarop en de vorm waarin de
gegevens en inlichtingen aan Onze Minister worden verstrekt.
Artikel 52ab
1. Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in verordening
994/2010.
2. Onze Minister is belast met de taak, bedoeld in artikel 6,
eerste en zevende lid, van verordening 994/2010.
3. Een voorstel of verzoek als bedoeld in artikel 7, eerste en
zesde lid, van verordening 994/2010 wordt ingediend bij Onze Minister.
Paragraaf 5.3a. Consumentenbescherming
Artikel 52b
1. De voorwaarden, verbonden aan een leverings- of
transportovereenkomst met een afnemer als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, zijn transparant, eerlijk en vooraf bekend. De voorwaarden
worden in ieder geval voor het sluiten van de overeenkomst verstrekt
en zijn gesteld in duidelijke en begrijpelijke taal.
2. Leveranciers en netbeheerders zorgen ervoor dat afnemers als
bedoeld inartikel 43, eerste lid, te allen tijde transparante
informatie kunnen krijgen over de geldende tarieven en voorwaarden
voor levering en transport van gas.
3. Het is verboden voor de houder van een vergunning om op zodanige
wijze afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid, te benaderen dat
onduidelijkheid bestaat over het feit dat een contract is afgesloten,
de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en
beëindiging van het contract, het bestaan van een recht op opzegging
en de voorwaarden van opzegging.
4. Een contract, gesloten in strijd met het bepaalde bij of
krachtens dit artikel is vernietigbaar.
5. Een leverancier biedt een afnemer als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, ten minste een overeenkomst voor de levering van gas voor
een onbepaalde duur aan.
6. Indien de afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, geen
uitdrukkelijke keuze maakt voor een overeenkomst voor bepaalde duur,
wordt hij geacht gekozen te hebben voor een overeenkomst voor
onbepaalde duur.
7. Een afnemer als bedoeld in artikel 43, eerste lid, kan elke
overeenkomst tot levering van gas beëindigen met inachtneming van een
termijn van dertig dagen.
8. Indien sprake is van een overeenkomst voor bepaalde duur, kan de
leverancier in deze overeenkomst opnemen dat bij tussentijdse
beëindiging van de overeenkomst de afnemer een redelijke vergoeding
is verschuldigd. Indien sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde
duur, kan een dergelijke vergoeding niet in de overeenkomst worden
opgenomen.
9. Bij ministeriële regeling worden ter implementatie van de
richtlijn nadere regels gesteld over bescherming van afnemers als
bedoeld in artikel 43, eerste lid.
10. Leveranciers voorzien afnemers van een door de Europese
Commissie vastgesteld overzicht met praktische informatie inzake de
rechten van afnemers en stellen dit overzicht algemeen beschikbaar.
Artikel 52c
1. Van de artikelen 17b, vierde lid, 44 en 52b, tweede, derde en
achtste tot en met twaalfde lid, kan worden afgeweken indien er sprake
is van een overeenkomst tot levering van gas aan een groep afnemers,
waarbij:
a. de meerderheid van deze afnemers rechtspersoon is of handelt
in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. alle afnemers in de overeenkomst vertegenwoordigd worden;
c. deze vertegenwoordiger er zorg voor draagt dat hij ten
aanzien van alle aansluitingen met een capaciteit van ten hoogste
40 m3(n) per uur over toestemming tot vertegenwoordiging in het
kader van de overeenkomst beschikt.
Artikel 52ca
1. Leveranciers zijn verplicht om aan afnemers als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, naast eventuele andere vrije contractvormen,
levering volgens een modelcontract aan te bieden.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt het
modelcontract vast, na consultatie van organisaties van leveranciers,
netbeheerders en afnemers.
Artikel 52d
1. De leverancier voorziet in een transparante, eenvoudige en
goedkope procedure voor de behandeling van klachten van afnemers als
bedoeld inartikel 43, eerste lid, over de levering.
2. De in het eerste lid bedoelde procedure voorziet er voorts in
dat:
a. de behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die
niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken
is geweest,
b. de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis wordt
gesteld van de bevindingen naar aanleiding van de klacht en van de
conclusies die daaraan worden verbonden, en
c. de klacht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht
weken wordt afgehandeld.
3. Indien een leverancier van een afnemer als bedoeld in artikel
43, eerste lid, een klacht of vraag ontvangt over het netbeheer, zendt
de leverancier deze onverwijld door naar de netbeheerder op wie de
klacht of vraag betrekking heeft, onder gelijktijdige mededeling
daarvan aan de klager of de vrager.
Paragraaf 5.4. Planmatig beheer van gasvoorkomens
Artikel 53
Onze Minister wijst voor de in deze paragraaf omschreven taken een
rechtspersoon aan.
Artikel 54
1. In het belang van het planmatig beheer van voorkomens van gas,
ter verzekering op lange termijn van een behoedzaam en rationeel
gebruik van deze natuurlijke hulpbron, verricht de op grond van
artikel 53 aangewezen rechtspersoon de volgende taken:
a. het zorg dragen voor de afname van gas dat wordt gewonnen in
het gebied dat is aangewezen in de bij koninklijk besluit van 30
mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) verleende winningsvergunning, op een
wijze die ook mogelijk maakt het winnen van gas in andere gebieden
binnen Nederland en het in artikel 17 bedoelde gebied in het
planmatig beheer te betrekken;
b. het op verzoek van houders van een andere Nederlandse
winningsvergunning dan bedoeld in onderdeel a, dan wel van degene
met wie voor het gebruik van die vergunning een overeenkomst is
gesloten inzake het voor gezamenlijke rekening winnen van gas,
zorg dragen voor de afname van gas dat wordt gewonnen in het
gebied waarop de winningsvergunning betrekking heeft, onder
redelijke voorwaarden en tegen betaling van een op marktconforme
grondslag bepaalde vergoeding;
c. het jaarlijks aan Onze Minister overleggen van een overzicht
waarin ten aanzien van de eerstvolgende twintig jaar ramingen zijn
opgenomen met betrekking tot de uitoefening van de taken, bedoeld
in de onderdelen a en b, onder vermelding van daarbij gehanteerde
vooronderstellingen en relevante onderscheidingen.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon
tijdelijk ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b,
bedoelde verplichting, indien deze rechtspersoon door naleving van die
verplichting ernstige economische en financiële moeilijkheden
ondervindt of dreigt te ondervinden.
3. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet op
grond van artikel 54a, derde lid, geen uitvoering geeft aan artikel
54a, eerste lid, dan vervalt de verplichting, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b.
Artikel 54a
1. Onverminderd de artikelen 10 en 10a heeft de netbeheerder van
het landelijk gastransportnet, in het belang van het planmatig beheer
van voorkomens van gas, ter verzekering op lange termijn van een
behoedzaam en rationeel gebruik van deze natuurlijke hulpbron tot taak
zorg te dragen voor de inname en het transport van gas uit de
gasvoorkomens in gebieden binnen Nederland en op het continentaal
plat.
2. Indien de netbeheerder van het landelijk gastransportnet ter
uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak moet investeren in
de aanleg of uitbreiding van het net dan meldt hij dit voornemen aan
Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
omtrent de melding.
3. Onze Minister besluit binnen 13 weken nadat de melding is
gedaan, of een investering als bedoeld in het eerste lid, van de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet noodzakelijk is, gelet
op het belang, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister besluit
dat de investering niet noodzakelijk is, wordt de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet geacht te zijn ontheven van de in het eerste
lid bedoelde taak voor dat voorkomen.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent de
kosten van een investering waarvan de noodzaak is vastgesteld op grond
van het derde lid, in de tarieven.
5. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet overlegt
jaarlijks aan Onze Minister een overzicht, waarin ten aanzien van de
eerstvolgende twintig jaar ramingen zijn opgenomen met betrekking tot
de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder
vermelding van daarbij gehanteerde vooronderstellingen en relevante
onderscheiden.
Artikel 54b
1.De netbeheerder van het landelijk gastransportnet kan, ten einde
te waarborgen dat hij de taken, bedoeld in artikel 54a, zo doelmatig
mogelijk kan uitvoeren, voorwaarden stellen aan de wijze waarop het
gas van de houders van Nederlandse winningsvergunningen dan wel degene
met wie voor het gebruik van die vergunning een overeenkomst is
gesloten inzake het voor gezamenlijke rekening winnen van gas, wordt
ingenomen.
2.Gasbedrijven, netgebruikers en afnemers verstrekken de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet desgevraagd tijdig
voldoende inlichtingen en gegevens om te waarborgen dat hij de taken,
bedoeld in het eerste lid kan uitvoeren.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden en de in het
tweede lid genoemde gegevens en inlichtingen.
Artikel 55
1.Onze Minister stelt tenminste eenmaal in de vijf jaar vast van
welke hoeveelheid gas, dat wordt gewonnen uit het Groningen veld op
basis van de bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt.
126) verleende winningsvergunning, de op grond van artikel 53
aangewezen rechtspersoon uit mag gaan bij de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdelen a en b. Bij iedere
vaststelling geeft Onze Minister aan welke hoeveelheid de komende tien
jaar ten hoogste gemiddeld per jaar mag worden gewonnen. De
vaststelling maakt onderdeel uit van de voorschriften aan de houder
van bovengenoemde winningsvergunning als bedoeld in artikel 36, tweede
en derde lid, van de Mijnbouwwet.
2.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon
aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in
artikel 54, eerste lid, bedoelde taken.
3.Onze Minister kan de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet aanwijzingen geven in het belang van een goede
vervulling van de in artikel 54a, eerste lid, bedoelde taken.
4.Een aanwijzing als bedoeld in het tweede en derde lid wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 56
1.De op grond van artikel 53 aangewezen rechtspersoon verstrekt
Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig heeft voor de toepassing
van artikel 54, tweede lid, en artikel 55. Die inlichtingen omvatten
in ieder geval de voorwaarden en de vergoeding die deze rechtspersoon
hanteert voor de afname van gas als bedoeld in artikel 54, eerste lid,
onder b, alsmede wijzigingen daarin.
2.De netbeheerder van het landelijk gastransportnet verstrekt Onze
Minister alle inlichtingen die hij nodig heeft voor de toepassing van
artikel 54a, tweede lid, en artikel 55, derde lid.
Artikel 57
1. Onze Minister kan, ingeval de op grond van artikel 53 aangewezen
rechtspersoon nalaat een van haar taken, bedoeld in artikel 54, eerste
lid, te vervullen, of een aanwijzing van Onze Minister als bedoeld in
artikel 55, tweede lid, niet opvolgt, een last onder dwangsom
opleggen.
2. Onze Minister kan, ingeval de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet nalaat een van haar taken, bedoeld in artikel 54a,
eerste lid, te vervullen, of een aanwijzing van Onze Minister als
bedoeld in artikel 55, derde lid, niet opvolgt, een last onder
dwangsom opleggen.
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2003]
Paragraaf 5.5 [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 59 [Vervallen per 20-07-2012]
Artikel 60 [Vervallen per 20-07-2012]
Paragraaf 5.5a. Last onder dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 60a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60ab [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 60ac
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan in geval
van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met
uitzondering van de artikelen 5, 9, tweede lid, 13a, 13d, vijfde lid,
en 13e, tiende lid, 54, eerste lid, 54a, eerste lid, en artikel 55,
tweede en derde lid, van verordening 715/2009 en verordening 994/2010
de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding bestaat, gelet op
het voorschrift waarop de overtreding betrekking heeft, geeft de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit een bindende aanwijzing als
bedoeld in artikel 1b, derde lid, alvorens een last onder dwangsom op
te leggen.
3. Aan een last onder dwangsom kunnen voorschriften worden
verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom
vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
5. Indien de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
vaststelt dat een overtreding als bedoeld in het eerste lid is begaan,
doet hij daarvan een rapport opmaken.
6. Afdeling 5.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 60ad
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan in geval
van overtreding van het bepaalde bij of krachtens:
a. de artikelen 1g, tweede lid, 1h, 2, vijfde en zesde lid, 2a,
achtste lid, 3c, derde lid, 4, eerste en tweede lid, 7a, derde en
vierde lid, 10, tweede lid en derde lid, onderdeel b, 10b, vierde
lid, 10c, derde en vierde lid, 10d, derde lid, 12i, derde lid,
13e, twaalfde lid,17a, 18g, vijfde lid, 35b, 35c, 35d, 35e, 39h,
eerste lid, 40, tweede lid, 42, 44, tweede en achtste lid, 52a,
derde lid, 52d, 56, artikel 66d, eerste en derde lid, 82, eerste
en derde lid, en 83, alsmede artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht, de overtreder per overtreding een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is,
1% van de omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan
de beschikking, en
b. de artikelen, 2c, tweede en derde lid, 3, eerste lid, 3b,
eerste en tweede lid, 3c, eerste en tweede lid,7, 7a, eerste en
tweede lid, 8, 9a 9b, 10, eerste lid, derde lid, onderdeel a, en
vierde tot en met zesde lid, 10a, eerste, tweede en derde lid,
10b, eerste en tweede lid, 10c, eerste en tweede lid,10d, eerste
lid, 10e,12a, 12b, 12e, eerste lid, 12f, 12g, 13b, 13c, 13d,
eerste tot en met vierde lid, 13e, eerste tot en met vierde lid,
zesde, zevende en negende lid, 12f, 18g, eerste en derde lid, 23,
24, tweede lid, 25, derde en vierde lid,32, 35a, 37, 39, tweede
lid, 40, eerste, derde en vierde lid, 43, eerste lid, 44, eerste
en vijfde lid, 44a, 44b eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 47,
tweede lid, 51, 52b, 60, tweede lid, 63, 66a,66b, 66c, 72, 73,
vierde lid en 85b de overtreder per overtreding een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste 10% van de omzet van de overtreder
in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking.
2. Indien op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder
2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt de bestuurlijke boete
voor de daar bedoelde overtreder ten hoogste€ 450 000.
3. De berekening van de netto-omzet, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt op de voet van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 60ae [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60af [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60ag [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60ah [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60ai [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60aj
1. Een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom of een
bestuurlijke boete wordt, nadat zij bekend is gemaakt, ter inzage
gelegd bij de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 60ak [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60al
Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot
invordering van de bestuurlijke boete.
Artikel 60b [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 60c [Vervallen per 01-07-2005]
Paragraaf 5.6. Beroep
Artikel 61
Een representatieve organisatie van netgebruikers op de gasmarkt
wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van
deze wet.
Artikel 61a [Vervallen per 01-07-2005]
Paragraaf 5.7. Uitzondering verordeningsbevoegdheid
Artikel 62
Provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd het
transporteren en het leveren van gas in het belang van de
energievoorziening aan regels te binden.
Paragraaf 5.8. Nadere regelgeving ter uitvoering van EG-besluiten
Artikel 63
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een
besluit op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden die
door een gasbedrijf in het belang van de veiligheid en de doelmatigheid
worden gesteld voor het leveren van gas of voor het aansluiten van
toestellen of installaties die gas verbruiken, en de toepassing van
zodanige voorwaarden.
Paragraaf 5.9. Bijdragen
Artikel 64
1. Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te stellen regels is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding
verschuldigd voor een instemming als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
van een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, een ontheffing als
bedoeld in artikel 16 of artikel 18h of van een vergunning als bedoeld
in artikel 43, welke vergoeding verschuldigd is voor ten hoogste de
kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de instemming, de
aanwijzing, de ontheffing, de vergunning onderscheidenlijk het
certificaat.
2. Overeenkomstig de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan
netbeheerders, LNG-bedrijven, gasopslagbedrijven en vergunninghouders
tevens de kosten in rekening worden gebracht die gemaakt worden voor
de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 12f, 12g, 13 en 80 tot en met 82.
3. Onze Minister kan het verschuldigde bedrag invorderen bij
dwangbevel. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen
is, voor zover al niet van toepassing, titel 4.4 met uitzondering van
de artikelen 4:85 en 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 65 [Vervallen per 01-07-2009]
Paragraaf 5.10. Evaluatie
Artikel 66
1.Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk na een juli 2006, en
vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de inhoud van het verslag. Het verslag bevat in ieder geval een
evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de wet met
betrekking tot:
a. de voorzienings- en leveringszekerheid van gas;
b. de marktordening en de marktwerking;
c. mede gelet op de Mededingingswet, het toezicht en de
naleving.
3.De Nederlandse Mededingingsautoriteit is belast met de uitvoering
van de evaluatie.
Paragraaf 5.11. Transparantie en liquiditeit
Artikel 66a
Indien dat noodzakelijk is in het belang van een voldoende
transparante en liquide markt voor vraag en aanbod van gas,
transportcapaciteit, opslagcapaciteit of productiecapaciteit of in het
belang van de daarmee verband houdende leveringszekerheid, zullen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over:
a. de wijze waarop of de voorwaarden waaronder producenten,
gasopslagbedrijven, LNG-bedrijven, handelaren, leveranciers of
netbeheerders gas, transportcapaciteit, opslagcapaciteit of
productiecapaciteit waarover zij beschikken, aanbieden;
b. de informatie die producenten, gasopslagbedrijven,
LNG-bedrijven, handelaren, leveranciers of netbeheerders verstrekken
met betrekking tot de vraag en aanbod van gas, transportcapaciteit,
opslagcapaciteit of productiecapaciteit.
Artikel 66b
1.Onze Minister wijst een of meer rechtspersonen aan die tot taak
hebben een beurs tot stand te brengen en in stand te houden. Onze
Minister kan regels stellen met betrekking tot de procedure voor
aanwijzing van een beurs. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften en
beperkingen worden verbonden.
2.Een rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, stelt een
beursreglement op. Het beursreglement behoeft de goedkeuring van Onze
Minister. Van het besluit tot goedkeuring wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant.
3.De netbeheerder van het landelijk gastransportnet is verplicht
aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en aan de door deze
rechtspersoon ingeschakelde derden, voor zover het betreft de
afhandeling van de op de beurs op tot stand gekomen overeenkomsten, de
gevraagde medewerking te verlenen, voor zover deze medewerking
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de aan deze
rechtspersoon opgelegde taak. Onze Minister kan nadere regels stellen
over de door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet te
verlenen medewerking.
4.De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die bij de
uitvoering van zijn taak de beschikking krijgt over gegevens waarvan
hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden,
is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover
de artikelen van deze wet hem tot mededeling verplichten of uit zijn
taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
5.Producenten, leveranciers, handelaren, gasopslagbedrijven,
LNG-bedrijven, afnemers en aandeelhouders onthouden zich van elke
bemoeiing met de uitvoering van de taak die is opgedragen aan de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 66c
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
voorwaarden die leveranciers hanteren ten opzichte van
vergunninghouders. Deze regels kunnen betrekking hebben op de zekerheden
die worden gevraagd voor de levering van gas aan vergunninghouders.
Artikel 66d
1. Indien een verkoper van gas een overeenkomst aan een koper van
gas aanbiedt met betrekking tot gas, niet zijnde op het
gastransportnet in te voeden gas:
a. worden de overname van de programmaverantwoordelijkheid en
de verkoop van gas separaat aangeboden;
b. is het de verkoper van gas niet toegestaan te eisen dat de
koper van gas de programmaverantwoordelijkheid overdraagt;
c. is het de verkoper van gas niet toegestaan tarieven en
voorwaarden te stellen waardoor het aannemelijk is dat de koper
van gas, gelet op de voorwaarden en tarieven waaronder de koper
van gas een overeenkomst zou kunnen sluiten zonder de
programmaverantwoordelijkheid over te dragen, zal kiezen de
programmaverantwoordelijkheid aan de verkoper van gas over te
dragen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien de
koper van gas met de verkoper van gas is overeengekomen dat de
hoeveelheid te kopen gas bepaald wordt door de feitelijke onttrekking
van gas aan het gastransportnet op één of meer aansluitingen.
3. Indien een koper van gas een overeenkomst aan een verkoper van
gas aanbiedt met betrekking tot op het gastransportnet in te voeden
gas:
a. worden de overname van de programmaverantwoordelijkheid en
de koop van gas separaat aangeboden;
b. is het de koper van gas niet toegestaan te eisen dat de
verkoper van gas de programmaverantwoordelijkheid overdraagt;
c. is het de koper van gas niet toegestaan tarieven en
voorwaarden te hanteren waardoor het aannemelijk is dat de
verkoper van gas, gelet op de voorwaarden en tarieven waaronder de
verkoper van gas een overeenkomst zou kunnen sluiten zonder de
programmaverantwoordelijkheid over te dragen, zal kiezen de
programmaverantwoordelijkheid aan de koper van gas over te dragen.
4. Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien er
sprake is van afname van gas ter uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 54, eerste lid, onderdeel b.
Paragraaf 5.12. Meldingsplicht
Artikel 66e
1. Iedere wijziging met betrekking tot zeggenschap als bedoeld in
artikel 26 van de Mededingingswet in een LNG-installatie of een
LNG-bedrijf wordt door één van de bij de wijziging betrokken
partijen gemeld aan Onze Minister.
2. Onze Minister kan op grond van overwegingen van openbare
veiligheid, voorzieningszekerheid of leveringszekerheid de wijziging,
bedoeld in het eerste lid, verbieden of voorschriften hieraan
verbinden.
3. Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste lid zijn
door een rechtelijke uitspraak vernietigbaar.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de melding, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 5.13. Keuzevrijheid van leverancier
Artikel 66f
Iedere producent van gas en verbruiker van gas heeft daadwerkelijke
keuzevrijheid van leverancier.
Hoofdstuk 6. Wijziging andere wetten
Artikel 67
[Wijzigt de Wet energiedistributie.]
Artikel 68
[Wijzigt de Wet aardgasprijzen.]
Artikel 69
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.]
Artikel 70
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 71
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.]
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 72
1.Een netbeheerder meldt jaarlijks voor 1 februari aan Onze
Minister alle in het voorgaande kalenderjaar gesloten overeenkomsten
tot transport van gas die strekken tot landsgrensoverschrijdende
leveringen van gas.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde melding worden in ieder geval
vermeld het land of de landen waar naartoe of van waaruit het gas werd
of zal worden getransporteerd, de hoeveelheid gas die onderwerp was of
zal zijn van elk transport en de termijn waarvoor de overeenkomst is
gesloten.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de melding.
Artikel 73
1.Met inachtneming van artikel 23, tweede lid, van de richtlijn,
kunnen bij ministeriële regeling afnemers, handelaren, leveranciers,
overeenkomsten en landen worden aangewezen ten aanzien waarvan
toestemming van Onze Minister vereist is voor het transport van gas
vanuit een ander land naar Nederland.
2.De in het eerste lid bedoelde aanwijzing vindt slechts plaats
indien uit de in artikel 72 bedoelde meldingen blijkt dat een
verstoring van het evenwicht bij het openstellen van de gasmarkten
optreedt of dreigt op te treden.
3.Bij de toepassing van het bepaalde bij of krachtens dit artikel
houdt Onze Minister rekening met de vraag of een aanwijzing of een
weigering tot het geven van toestemming noodzakelijk en proportioneel
is in het licht van het doel ervan, alsmede met de vraag of de
aanwijzing of de weigering de ontwikkeling van het handelsverkeer zou
beïnvloeden in een mate die strijdig is met de belangen van de
Gemeenschap, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn.
4.Het is verboden zonder toestemming van Onze Minister het
transport van gas te verrichten in het kader van een overeenkomst tot
transport van gas die strekt tot de invoer van gas indien de
overeenkomst, het daarbij betrokken land, de betrokken afnemer of
leverancier in de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling is
aangewezen.
Artikel 74 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 75 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 76 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 77 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 78 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 79 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 80
De tarieven voor het transport van gas en voor de dat transport
ondersteunende diensten, alsmede de tarieven voor het verzorgen van een
aansluiting en aansluitpunt, worden vastgesteld overeenkomstig de
artikelen 81 tot en met 81c.
Artikel 80a
Het tarief voor meting van gas bij afnemers als bedoeld in artikel
43, eerste lid, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 81e.
Artikel 81
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt na
overleg met de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve
organisaties van partijen op de gasmarkt, met inachtneming van het
belang dat door middel van marktwerking ten behoeve van afnemers de
doelmatigheid van de bedrijfsvoering en de meest doelmatige kwaliteit
van het transport worden bevorderd, de methode tot vaststelling van de
korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering, van de
kwaliteitsterm en van het rekenvolume van elke tariefdrager van elke
dienst waarvoor een tarief wordt vastgesteld, vast. Het besluit tot
vaststelling van de methode geldt voor een periode van ten minste drie
en ten hoogste vijf jaar.
2. De korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering
heeft onder meer ten doel te bereiken dat de netbeheerder in ieder
geval geen rendement kan behalen dat hoger is dan in het economisch
verkeer gebruikelijk en dat de gelijkwaardigheid in de doelmatigheid
van de netbeheerders wordt bevorderd.
3. De kwaliteitsterm geeft de aanpassing van de tarieven in verband
met de geleverde kwaliteit aan en heeft ten doel netbeheerders te
stimuleren om de kwaliteit van hun transportdienst te optimaliseren.
4. De rekenvolumina die een netbeheerder gebruikt bij het voorstel,
bedoeld in artikel 81b, zijn gebaseerd op daadwerkelijk gefactureerde
volumina in eerdere jaren, of worden door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit geschat indien deze betrekking hebben op nieuwe
tarieven.
Artikel 81a
1. Ten behoeve van het voorstel, bedoeld in artikel 81b, stelt de
raad van bestuur van de mededingingsautoriteit voor iedere
netbeheerder afzonderlijk voor dezelfde periode als waarvoor het
besluit geldt op grond van artikel 81, eerste lid, vast:
a. de korting ter bevordering van de doelmatige
bedrijfsvoering,
b. de kwaliteitsterm, en
c. het rekenvolume van elke tariefdrager van elke dienst
waarvoor een tarief wordt vastgesteld.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan het in het
eerste lid, onderdeel c, bedoelde rekenvolume gedurende de in dat lid
bedoelde periode wijzigen.
3. Indien een besluit op grond van artikel 81, eerste lid, bij een
onherroepelijke rechterlijke uitspraak vernietigd is of bij een
onherroepelijk besluit op bezwaar herroepen is, herziet de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit de in het eerste lid vermelde
besluiten met toepassing van de met inachtneming van die uitspraak of
dat besluit op bezwaar gecorrigeerde methode.
Artikel 81b
1. Iedere netbeheerder die het transport van gas verricht dat
bestemd is voor levering aan afnemers zendt jaarlijks voor 1 oktober
aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit een voorstel
voor de tarieven die deze netbeheerder ten hoogste zal berekenen voor
het transport van gas aan die afnemers en de dat transport
ondersteunende diensten, met inachtneming van:
a. het uitgangspunt dat de kosten worden toegerekend aan de
tariefdragers betreffende de diensten die deze kosten veroorzaken,
b. de tariefstructuren vastgesteld op grond van artikel 12f of
12g,
c. het bepaalde bij of krachtens artikel 81a,
d. de formule:

waarbij
TIt = de totale inkomsten uit de tarieven uit het jaar t, te
weten de som van de vermenigvuldiging van elk tarief in het jaar t
en het op basis van artikel 81a, onderdeel c, vastgestelde
rekenvolume van elke tariefdrager waarvoor een tarief wordt
vastgesteld;
TIt-1 = de totale inkomsten uit de tarieven in het jaar
voorafgaande aan het jaar t, te weten de som van de
vermenigvuldiging van elk tarief in het jaar t-1 en het op basis
van artikel 81a, onderdeel c, vastgestelde rekenvolume van elke
tariefdrager waarvoor een tarief wordt vastgesteld;
cpi = de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex (alle
huishoudens), berekend uit het quotiënt van deze prijsindex,
gepubliceerd in de vierde maand voorafgaande aan het jaar t, en
van deze prijsindex, gepubliceerd in de zestiende maand
voorafgaande aan het jaar t, zoals deze maandelijks wordt
vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek;
x = de korting ter bevordering van de doelmatige
bedrijfsvoering;
q = de kwaliteitsterm, die de aanpassing van de tarieven in
verband met de geleverde kwaliteit aangeeft en
e. de gemaakte kosten voor investeringen, bedoeld in artikel
39e of 39f, tweede lid, voor zover deze kosten doelmatig zijn;
f. het totaal van de gemaakte kosten voor een verwerving van
een bestaand net waarvoor nog niet eerder een netbeheerder was
aangewezen door of met instemming van Onze Minister en voor de
investeringen tot aanpassing van dat verworven net waardoor aan de
bij en krachtens deze wet daaraan gestelde eisen wordt voldaan,
voor zover deze kosten doelmatig zijn.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een
beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid,
bedoeld in het eerste lid, onder e en f.
Artikel 81c
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt met
betrekking tot het transport van gas dat bestemd is voor levering aan
afnemers voor iedere netbeheerder de tarieven, die kunnen verschillen
voor de verschillende netbeheerders en voor de onderscheiden
tariefdragers en die deze ten hoogste mag berekenen voor het transport
van dat gas en de dat transport ondersteunende diensten, alsmede de
tarieven voor het verzorgen van een aansluiting en aansluitpunt,
jaarlijks vast.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan de
tarieven die zullen gelden in het jaar t corrigeren, indien de
tarieven die golden in het jaar of de jaren voorafgaand aan het jaar
t:
a. bij rechterlijke uitspraak of met toepassing van de artikel
6:19 of 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht zijn gewijzigd;
b. zijn vastgesteld met inachtneming van onjuiste of
onvolledige gegevens en de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit, indien hij de beschikking had over juiste
of volledige gegevens, tarieven zou hebben vastgesteld die in
aanmerkelijke mate zouden afwijken van de vastgestelde tarieven;
c. zijn vastgesteld met gebruikmaking van geschatte gegevens en
de feitelijk gegevens daarvan afwijken;
d. zijn vastgesteld met gebruikmaking van gegevens omtrent
kosten voor bepaalde diensten, terwijl netbeheerders die diensten
in het jaar t of een gedeelte van jaar t niet hebben geleverd of
voor die diensten geen of minder kosten hebben gemaakt.
3. Indien het voorstel niet binnen de termijn, bedoeld in artikel
81b, eerste lid, aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
is gezonden, stelt deze de tarieven voor de desbetreffende
netbeheerder uit eigen beweging vast met inachtneming van artikel 81b.
4. Indien de totale inkomsten aan het begin van de periode, bedoeld
in artikel 81, eerste lid, niet in overeenstemming zijn met het
efficiënte kostenniveau inclusief een rendement dat in het economisch
verkeer gebruikelijk is, kan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit bij de toepassing van de formule, genoemd in
artikel 81b, eerste lid, onderdeel d, in plaats van TIt-1, de totale
inkomsten vaststellen op het efficiënte kostenniveau, inclusief een
rendement dat in het economisch verkeer gebruikelijk is.
5. Indien een besluit op grond van artikel 81, eerste lid, of 81a,
eerste lid, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vernietigd
of bij een onherroepelijk besluit op bezwaar is herroepen, herberekent
de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de tarieven, bedoeld
in het eerste lid, met toepassing van de met inachtneming van die
uitspraak of dat besluit op bezwaar gecorrigeerde methode
onderscheidenlijk gecorrigeerde doelmatigheidskorting, kwaliteitsterm
of rekenvolume, en verdisconteert hij de uitkomsten van deze
herberekening in de eerstvolgende op grond van het eerste lid vast te
stellen tarieven. Daarbij worden deze herberekening en de wijze waarop
de uitkomsten daarvan in de tarieven zijn verdisconteerd separaat
weergegeven.
Artikel 81d
1.De tarieven treden in werking op een door de raad van bestuur van
de mededingingsautoriteit te bepalen datum en gelden tot 1 januari van
het jaar, volgend op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot
vaststelling van de tarieven.
2.Indien op 1 januari de tarieven voor het volgende jaar nog niet
zijn vastgesteld, gelden de tarieven tot de datum van inwerkingtreding
van het besluit tot vaststelling van de tarieven voor het volgende
jaar.
3.Iedere netbeheerder legt een exemplaar van de voor hem geldende
tarieven voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
Artikel 81e
1. Het tarief voor de meting van gas bij afnemers als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, heeft betrekking op:
a. het beheer van de meetinrichtingen;
b. het verschaffen van toegang tot meetgegevens als bedoeld in
artikel 13b, tweede en derde lid.
2. De tarieven voor de meting van gas bij afnemers als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, worden vastgesteld door de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit na overleg met de gezamenlijke
netbeheerders en met representatieve organisaties van partijen op de
gasmarkt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot procedure tot vaststelling van de tarieven
voor de meting van gas bij afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste
lid, en de wijze van berekening van deze tarieven.
Artikel 82
1. In afwijking van artikel 80 worden de tarieven ter uitvoering
van de taken door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet,
genoemd in deartikelen 10 en 10a, eerste lid, onderdeel b, c, d en e,
alsmede de tarieven voor de transport ondersteunende diensten
vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
2. Voor elke taak van de netbeheerder van het landelijk
gastransportnet, bedoeld in het eerste lid, stelt de raad van bestuur
van de mededingingsautoriteit de methode van regulering vast, voor een
periode van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar, na overleg met
de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve organisaties van
partijen op de gasmarkt en met inachtneming van het belang dat de
doelmatigheid van de bedrijfsvoering op de meest doelmatige kwaliteit
van de uitvoering van deze taken worden bevorderd.
3. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet zendt
jaarlijks voor 1 september aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit een voorstel voor de tarieven voor uitvoering
van de taken genoemd in de artikelen 10 en 10a, met inachtneming van
de tariefstructuren vastgesteld op grond van artikel 12f of 12g en met
inachtneming van de gemaakte kosten voor investeringen, bedoeld in
artikel 39e, 39f, derde lid, of 54a, derde lid, voor zover deze kosten
doelmatig zijn.
4. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt na
overleg met de gezamenlijke netbeheerders en met representatieve
organisaties een doelmatigheidskorting vast. Dit besluit geldt voor
dezelfde periode als het besluit op grond van het tweede lid. De
doelmatigheidskorting heeft tot doel om een doelmatige bedrijfsvoering
te bevorderen.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt
jaarlijks de tarieven vast die kunnen verschillen voor de
onderscheiden tariefdragers.
6. Indien een voorstel niet binnen de termijn, bedoeld in het derde
lid, aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is gezonden
stelt deze de tarieven uit eigen beweging vast met inachtneming van
dit artikel.
7. De vastgestelde tarieven treden in werking op een door de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit te bepalen datum en gelden
tot de datum van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van
de tarieven voor het volgende jaar.
8. Artikel 81c, tweede en vijfde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
9. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet publiceert de
voor hem geldende tarieven op een geschikte wijze. Tevens legt de
netbeheerder van het landelijk gastransportnet de voor hem geldende
tarieven voor een ieder ter inzage in al zijn vestigingen.
10. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een
beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid,
bedoeld in het derde lid.
10. Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op de
taak van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, voor zover:
a. die taak betrekking heeft op het transport van gas dat de
landsgrens overschrijdt, en
b. de toedeling van die transportcapaciteit plaatsvindt door
middel van een veiling of een andere marktconforme methode.
11. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit houdt bij het
vaststellen van de methode van regulering van de tarieven rekening met
de opbrengsten uit een veiling of een andere marktconforme methode.
Artikel 83
Netbeheerders zenden Onze Minister voor 1 maart van elk jaar een
rapportage omtrent de naleving door hen van de kwaliteitscriteria,
bedoeld in artikel 12b, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 84 [Vervallen per 13-12-2006]
Artikel 85
1. Indien zich in de periode tussen 1 juli 1996 en de datum van de
aanwijzing van de netbeheerder, bedoeld in artikel 2, een wijziging
heeft voorgedaan met betrekking tot de eigendom van de aandelen in de
rechtspersoon aan wie het desbetreffende gastransportnet toebehoort of
de eigendom van dat net, is voor de instemming met de aanwijzing van
de netbeheerder vereist, dat Onze Minister geen bedenkingen heeft
tegen die wijziging.
2. De eigendom van een gastransportnet of rechten op een
gastransportnet berusten direct of indirect bij de staat, provincies,
gemeenten of andere openbare lichamen.
3. De aandelen van een netbeheerder berusten direct of indirect bij
de staat, provincies, gemeenten of andere openbare lichamen.
4. Onder indirect berusten als bedoeld in het tweede en derde lid
wordt verstaan dat de eigendom van een gastransportnet of rechten op
een gastransportnet, dan wel aandelen in een netbeheerder, berusten
bij een of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden
door de staat, provincies, gemeenten of andere openbare lichamen of
bij een rechtspersoon die een volledige dochtermaatschappij is van een
of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de
staat, provincies, gemeenten of andere openbare lichamen.
Artikel 85a
Artikel 85 is niet van toepassing op de netbeheerder van het
landelijk gastransportnet.
Artikel 85b [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 86 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 87 [Vervallen per 14-07-2004]
Artikel 88
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. De artikelen 14, derde tot en met zesde lid, treden in werking
met ingang van 1 juli 2004.
3. De artikelen 43 tot en met 49 treden in werking met ingang van
het tijdstip waarop hoofdstuk 3 vervalt, dan wel op een eerder, bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 89 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Deze wet wordt aangehaald als: Gaswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 juni 2000
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de twintigste juli 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|