Nadere regelgeving:
- Ambtsinstructie commissaris van
de Koning
- Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
- Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen
- Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding
- Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en
waterschapsbelastingen
- Rechtspositiebesluit
burgemeesters
- Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
- Rechtspositiebesluit wethouders
- Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
WET van 14 februari 1992, houdende nieuwe
bepalingen met betrekking tot gemeenten
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
bepalingen vast te stellen met betrekking tot de inrichting van
gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder het aantal inwoners van een
gemeente: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor
de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari.
2. Voor de vaststelling van het inwonertal, bedoeld in artikel 8, geldt
als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de
verkiezing van de raad. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kan op
schriftelijk verzoek van de raad het inwonertal per de eerste dag van de
vierde maand voorafgaande aan de maand van de kandidaatstelling
vaststellen, indien aannemelijk is dat een in dat artikel genoemd
inwonertal op genoemde datum is overschreden. In dat geval geldt dit
tijdstip als peildatum.
Artikel 2
In deze wet wordt verstaan onder ingezetenen: zij die hun werkelijke
woonplaats in de gemeente hebben.
Artikel 3
Zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente,
worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het
tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.
Artikel 4
In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is.
Artikel 5
In deze wet wordt verstaan onder:
a. gemeentebestuur: ieder bevoegd orgaan van de gemeente;
b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
c. college: college van burgemeester en wethouders.
Titel II. De inrichting en samenstelling van het gemeentebestuur
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 6
In elke gemeente is een raad, een college en een burgemeester.
Hoofdstuk II. De raad
Artikel 7
De raad vertegenwoordigt de gehele bevolking van de gemeente.
Artikel 8
1. De raad bestaat uit:
9 leden in een gemeente beneden de 3 001 inwoners;
11 leden in een gemeente van 3 001- 6 000 inwoners;
13 leden in een gemeente van 6 001- 10 000 inwoners;
15 leden in een gemeente van 10 001- 15 000 inwoners;
17 leden in een gemeente van 15 001- 20 000 inwoners;
19 leden in een gemeente van 20 001- 25 000 inwoners;
21 leden in een gemeente van 25 001- 30 000 inwoners;
23 leden in een gemeente van 30 001- 35 000 inwoners;
25 leden in een gemeente van 35 001- 40 000 inwoners;
27 leden in een gemeente van 40 001- 45 000 inwoners;
29 leden in een gemeente van 45 001- 50 000 inwoners;
31 leden in een gemeente van 50 001- 60 000 inwoners;
33 leden in een gemeente van 60 001- 70 000 inwoners;
35 leden in een gemeente van 70 001- 80 000 inwoners;
37 leden in een gemeente van 80 001-100 000 inwoners;
39 leden in een gemeente van 100 001-200 000 inwoners;
45 leden in een gemeente boven de 200 000 inwoners.
2. Vermeerdering of vermindering van het aantal leden van de raad,
voortvloeiende uit wijziging van het aantal inwoners van de gemeente,
treedt eerst in bij de eerstvolgende periodieke verkiezing van de raad.
Artikel 9
De burgemeester is voorzitter van de raad.
Artikel 10
1. Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van
de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is
uitgesloten van het kiesrecht.
2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn,
dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat:
a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder
a, b, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een
overeenkomst tussen een internationale organisatie en de Staat der
Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en
b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad
beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een
onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland
waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel
rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c, van
de Vreemdelingenwet 2000.
3. Geen lid van de raad kunnen zijn zij die geen Nederlander zijn, en
als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire
vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun
niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen
en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding
voeren.
Artikel 11
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet
benoembaar tot lid van de raad hij die na de laatstgehouden periodieke
verkiezing van de leden van de raad wegens handelen in strijd met
artikel 15 van het lidmaatschap van de raad is vervallen verklaard.
Artikel 12
1. De leden van de raad maken openbaar welke andere functies dan het
lidmaatschap van de raad zij vervullen.
2. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging van een opgave van de
in het eerste lid bedoelde functies op het gemeentehuis.
Artikel 13
1. Een lid van de raad is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. secretaris van de provincie;
j. griffier van de provincie;
k. burgemeester;
l. wethouder;
m. lid van de rekenkamer;
n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
o. lid van een deelraad;
p. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
q. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een lid van
de raad tevens wethouder zijn van de gemeente waar hij lid van de raad
is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden
van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge
artikel 42, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt
op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn
opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het
centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd.
Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het
tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6
van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, kan een lid van
de raad tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke
verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 14
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de
raad in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed
(verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de raad benoemd te
worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de
wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de raad naar eer
en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"
(Dat verklaar en beloof ik!")
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in
de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en
belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rie beneamd te wurden,
streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker
jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of
te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ūnthjit
dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rie yn alle
oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 15
1. Een lid van de raad mag niet:
a. als advocaat of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van
de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de
wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de
wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van
derden tot het met de gemeente aangaan van:
1e. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2e. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:
1e. het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente;
2e. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van de gemeente;
3e. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente;
4e. het verhuren van roerende zaken aan de gemeente;
5e. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente;
6e. het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of
beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
7e. het onderhands huren of pachten van de gemeente.
2. Van het eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gedeputeerde staten
ontheffing verlenen.
3. De raad stelt voor zijn leden een gedragscode vast.
Artikel 16
De raad stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere
werkzaamheden vast.
Artikel 17
1. De raad vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten.
2. Voorts vergadert de raad indien de burgemeester het nodig oordeelt of
indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad
bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.
Artikel 18
De raad vergadert na de periodieke verkiezing van zijn leden voor de
eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan de
leden van de raad in oude samenstelling aftreden.
Artikel 19
1. De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip
en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de
daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 25,
tweede lid, bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en
op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage
gelegd.
Artikel 20
1. De vergadering van de raad wordt niet geopend voordat blijkens de
presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden
tegenwoordig is.
2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden
geopend, belegt de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel,
opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig
uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet
van toepassing. De raad kan echter over andere aangelegenheden dan die
waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was
belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de
presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden
tegenwoordig is.
Artikel 21
1. De burgemeester heeft het recht in de vergadering aan de
beraadslaging deel te nemen.
2. Een wethouder heeft toegang tot de vergaderingen en kan aan de
beraadslaging deelnemen.
3. Een wethouder kan door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering
aanwezig te zijn.
Artikel 22
De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de
beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor
dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel
165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over
hetgeen zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad
schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 23
1. De vergadering van de raad wordt in het openbaar gehouden.
2. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het
aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de
voorzitter het nodig oordeelt.
3. De raad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden
vergaderd.
4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk
verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad anders
beslist.
5. De raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de
gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De raad laat de openbaarmaking
achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op
grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan
openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 24
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten
over:
a. de toelating van nieuw benoemde leden;
b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van
de jaarrekening;
c. de invoering, wijziging en afschaffing van gemeentelijke belastingen,
en
d. de benoeming en het ontslag van wethouders.
Artikel 25
1. De raad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703), omtrent het in een besloten
vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de
raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent
het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd
door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien
van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen.
Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.
3. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding
met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de
oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die
blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting
hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.
4. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding
met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in
acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan
wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad
is voorgelegd, totdat de raad haar opheft. De raad kan deze beslissing
alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer
dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.
Artikel 26
1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering
en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders
wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.
2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de
vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de
vergadering te ontzeggen.
3. Hij kan de raad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de
geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de
vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na
aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig
doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan
het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de
vergadering worden ontzegd.
Artikel 27
De leden van de raad stemmen zonder last.
Artikel 28
1. Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over:
a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk
aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;
b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan
hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de
stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.
3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de
personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is
beperkt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de
toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden.
Artikel 29
1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het
aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de
stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een
benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten
aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat
lid niet geldig was;
b. in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover
het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge
artikel 20, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren
gesteld.
Artikel 30
1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de
volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.
2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een
stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
Artikel 31
1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten
of aanbevelingen is geheim.
2. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een
voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde
vergadering een herstemming gehouden.
3. Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het
lot.
Artikel 32
1. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de
voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij
mondeling.
2. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat
zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn
stem voor of tegen uit te brengen.
3. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het
aangenomen.
4. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het
nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin
de beraadslagingen kunnen worden heropend.
5. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een
ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel
niet aangenomen.
6. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering
waarin alle leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van
deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben
uitgebracht.
Artikel 32a
De stukken die van de raad uitgaan, worden door de burgemeester
ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij verhindering of
ontstentenis van de burgemeester worden de stukken die van de raad
uitgaan ondertekend door degene die krachtens artikel 77 de burgemeester
als voorzitter van de raad vervangt.
Artikel 33
1. De raad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.
2. De in de raad vertegenwoordigde groeperingen hebben recht op
ondersteuning.
3. De raad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de
ondersteuning van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen een
verordening vast. De verordening bevat ten aanzien van de ondersteuning
regels over de besteding en de verantwoording.
Hoofdstuk III. Het college van burgemeester en wethouders
Artikel 34
1. De burgemeester en de wethouders vormen te zamen het college van
burgemeester en wethouders.
2. De burgemeester is voorzitter van het college.
Artikel 35
1. De raad benoemt de wethouders.
2. De burgemeester wordt geļnformeerd over de uitkomsten van de
college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld
zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma
kenbaar te maken.
Artikel 36
1. Het aantal wethouders bedraagt ten hoogste twintig procent van het
aantal raadsleden, met dien verstande dat er niet minder dan twee
wethouders zullen zijn.
2. De raad kan besluiten dat het wethouderschap in deeltijd wordt
uitgeoefend.
3. Indien het tweede lid toepassing vindt bedraagt, in afwijking van het
eerste lid, het aantal wethouders ten hoogste vijfentwintig procent van
het aantal raadsleden, met dien verstande dat de tijdsbestedingsnorm van
de wethouders gezamenlijk ten hoogste tien procent meer bedraagt dan de
tijdsbestedingsnorm van de wethouders gezamenlijk zou hebben bedragen
indien het tweede lid geen toepassing had gevonden.
4. De raad stelt bij de benoeming van de wethouders de
tijdsbestedingsnorm van elke wethouder vast.
5. Bij de berekening van het maximale aantal wethouders, bedoeld in het
eerste en het derde lid, wordt afgerond tot het dichtstbijgelegen gehele
getal.
Artikel 36a
1. Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van
de raad, bedoeld in artikel 10, met dien verstande dat in artikel 10,
tweede lid, onder b, voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over
de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop
zij tot wethouder worden benoemd.
2. De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het
vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen,
telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.
3. Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn.
Artikel 36b
1. Een wethouder is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. secretaris van de provincie;
j. griffier van de provincie;
k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij
wethouder is, is gelegen;
l. lid van de raad van een gemeente;
m. burgemeester;
n. lid van de rekenkamer;
o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
p. lid van een deelraad;
q. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt;
s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot
wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de gemeente;
t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van
bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een wethouder
tevens lid zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is
gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden
van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge
artikel 42, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt
op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn
opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het
centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd.
Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het
tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6
van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een wethouder
tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke
verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 37
De benoeming van wethouders na de verkiezing van de leden van de raad
vindt plaats in een vergadering van de raad in nieuwe samenstelling.
Artikel 38
In het geval van artikel 37 gaat de benoeming van degene die zijn
benoeming tot wethouder heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten
minste de helft van het met inachtneming van artikel 36 bepaalde aantal
wethouders zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van
de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
Artikel 39
De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt,
geschiedt zo spoedig mogelijk, tenzij de raad besluit het aantal
wethouders te verminderen.
Artikel 40
De benoemde wethouder deelt de raad uiterlijk op de tiende dag na de
kennisgeving van zijn benoeming mee of hij de benoeming aanneemt. Indien
deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de benoemde wethouder
geacht de benoeming niet aan te nemen.
Artikel 41
Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk
een nieuwe benoeming.
Artikel 41a
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen de wethouders, in de
vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed
(verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot wethouder benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook,
enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de
wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als wethouder naar eer en
geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in
de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en
belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta wethālder beneamd te wurden,
streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker
jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of
te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ūnthjit
dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as wethālder yn alle
oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 41b
1. Een wethouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn
wethouderschap.
2. Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een
nevenfunctie aan de raad.
3. Een wethouder maakt zijn nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking
geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis.
4. Een wethouder die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de
inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door
terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het
kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de
Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen
bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 41c
1. Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de wethouders.
2. De raad stelt voor de wethouders een gedragscode vast.
Artikel 42
1. Na de verkiezing van de leden van de raad treden de wethouders af op
het moment dat de raad ten minste de helft van het met inachtneming van
artikel 36 bepaalde aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen
zijn aangenomen.
2. Indien zoveel wethouders hun ontslag indienen of worden ontslagen dat
niet ten minste de helft van het met inachtneming van artikel 36
bepaalde aantal wethouders in functie is, treedt de burgemeester in de
plaats van het college totdat dit wel het geval is.
Artikel 43
1. Een wethouder kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan
schriftelijk mededeling aan de raad.
2. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de
dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn
opvolger de benoeming heeft aangenomen.
Artikel 44
1. De wethouders genieten ten laste van de gemeente een bezoldiging, die
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.
2. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld betreffende
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende
andere financiėle voorzieningen die verband houden met de vervulling
van het wethoudersambt.
3. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van
de gemeente.
4. De wethouders genieten geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor
werkzaamheden, verricht in nevenfuncties die zij vervullen uit hoofde
van het wethoudersambt ongeacht of die vergoedingen ten laste van de
gemeente komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd,
worden zij gestort in de gemeentekas.
5. Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren inkomsten,
onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de wethouder neerlegt
bij beėindiging van het ambt.
6. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
7. Ten aanzien van de wethouders die hun ambt in deeltijd vervullen,
vindt onverminderd het vierde lid geen verrekening plaats van de
inkomsten, bedoeld in het zesde lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de wethouder gegevens over de inkomsten, bedoeld in het
zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze
gegevens.
Artikel 45
1. Het college verleent aan een wethouder op diens verzoek verlof wegens
zwangerschap en bevalling. Het verlof gaat in op de in het verzoek
vermelde dag die ligt tussen ten hoogste zes en ten minste vier weken
voor de vermoedelijke datum van de bevalling die blijkt uit een bij het
verzoek gevoegde verklaring van een arts of verloskundige.
2. Het college verleent aan een wethouder op diens verzoek verlof wegens
ziekte, indien uit een bij het verzoek gevoegde verklaring van een arts
blijkt dat niet aannemelijk is dat hij de uitoefening van zijn functie
binnen acht weken zal kunnen hervatten.
3. In het geval een wethouder vanwege zijn ziekte niet in staat is zelf
het verzoek te doen, kan de burgemeester namens hem het verzoek doen
indien de continuļteit van het gemeentelijk bestuur dringend vereist
dat in vervanging van de wethouder wordt voorzien.
4. Het verlof eindigt op de dag waarop zestien weken zijn verstreken
sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.
5. Aan een wethouder wordt gedurende de zittingsperiode van de raad ten
hoogste drie maal verlof verleend.
Artikel 45a
1. Het college beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek tot verlof,
doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het verzoek.
2. De beslissing geschiedt in overeenstemming met de verklaring van de
arts of verloskundige en bevat de dag waarop het verlof ingaat.
Artikel 45b
1. De raad kan een vervanger benoemen voor de wethouder die met verlof
is gegaan.Artikel 36, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
2. De vervanger is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop
zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is
ingegaan.
3. Indien de vervanger voor het einde van het verlof ontslag neemt of
door de raad wordt ontslagen, kan de raad voor de resterende duur van
het verlof een vervanger benoemen.
Artikel 46
1. Indien degene wiens benoeming tot wethouder is ingegaan, een functie
bekleedt als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, en het tweede of derde
lid van dat artikel niet van toepassing zijn, draagt hij er onverwijld
zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven.
2. De raad verleent hem ontslag indien hij dit nalaat.
3. Het ontslag gaat in terstond na de bekendmaking van het
ontslagbesluit.
4. In het geval, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4:8 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 47
1. Indien een wethouder niet langer voldoet aan de vereisten voor het
wethouderschap, bedoeld in artikel 36a, eerste en tweede lid, of een
functie gaat bekleden als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, en het
tweede of derde lid van dat artikel niet van toepassing zijn, neemt hij
onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de
raad.
2. Artikel 46, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 48 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 49
Indien een uitspraak van de raad inhoudende de opzegging van zijn
vertrouwen in een wethouder er niet toe leidt dat de betrokken wethouder
onmiddellijk ontslag neemt, kan de raad besluiten tot ontslag. Op het
ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Artikel 50
De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop de raad
tot ontslag van een wethouder heeft besloten.
Artikel 51 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 52
Het college stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en
andere werkzaamheden vast, dat aan de raad wordt toegezonden.
Artikel 53
1. De burgemeester stelt, met inachtneming van hetgeen het college heeft
bepaald, dag en plaats van de vergadering van het college en het
tijdstip van de opening vast.
2. De burgemeester maakt dag en plaats van te houden openbare
vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend.
Artikel 53a
1. De burgemeester bevordert de eenheid van het collegebeleid.
2. De burgemeester kan onderwerpen aan de agenda voor een vergadering
van het college toevoegen.
3. De burgemeester kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een
eigen voorstel aan het college voorleggen.
Artikel 54
1. De vergaderingen van het college worden met gesloten deuren gehouden,
voor zover het college niet anders heeft bepaald.
2. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent
de openbaarheid van de vergaderingen van het college.
Artikel 55
1. Het college kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de
Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering
behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het college
worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in
een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
dragen, in acht genomen totdat het college haar opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd
door de burgemeester of een commissie, ten aanzien van de stukken die
zij aan het college overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding
gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de
verplichting heeft opgelegd, dan wel de raad haar opheft.
3. Indien het college zich ter zake van het behandelde waarvoor een
verplichting tot geheimhouding geldt tot de raad heeft gericht, wordt de
geheimhouding in acht genomen totdat de raad haar opheft.
Artikel 56
1. In de vergadering van het college kan slechts worden beraadslaagd of
besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende
leden tegenwoordig is.
2. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een
vergadering.
3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet
van toepassing. Het college kan echter over andere aangelegenheden dan
die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of
besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende
leden tegenwoordig is.
Artikel 57
De leden van het college en andere personen die deelnemen aan de
beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor
hetgeen zij in de vergadering van het college hebben gezegd of aan het
college schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 58
De artikelen 28, eerste tot en met derde lid, 29 en 30 zijn ten aanzien
van de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
1. Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van
benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt
opnieuw gestemd.
2. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de
stem van de voorzitter.
Artikel 59a
1. De stukken die van het college uitgaan, worden door de burgemeester
ondertekend en door de secretaris medeondertekend.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan hem toestaan de
ondertekening op te dragen aan een ander lid van het college, aan de
secretaris of aan een of meer andere gemeenteambtenaren.
3. De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing indien
de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het
tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een of meer andere
gemeenteambtenaren.
Artikel 60
1. De raad kan regelen van welke beslissingen van het college aan de
leden van de raad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de raad de
gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
2. Het college laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor
zover deze in strijd is met het openbaar belang.
3. Het college maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in
de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat de
openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten
aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten
aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
Hoofdstuk IV. De burgemeester
Artikel 61
1. De burgemeester wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
2. De commissaris van de Koning overlegt met de raad over de eisen die
aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de
vervulling van het ambt.
3. Na het overleg met de commissaris stelt de raad uit zijn midden een
vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. De
raad kan bepalen dat één of meer wethouders als adviseur aan de
vertrouwenscommissie worden toegevoegd. De commissaris verschaft de
vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van
burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over
kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de
vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten
die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij
daarvan onverwijld mededeling aan de commissaris. Deze brengt zijn
oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de
vertrouwenscommissie.
4. De vertrouwenscommissie verschaft zich door tussenkomst van de
commissaris de door haar nodig geachte informatie over de kandidaten.
Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken.
De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de
raad en aan de commissaris.
5. De raad zendt Onze Minister binnen vier maanden nadat de gelegenheid
tot sollicitatie voor de functie is gegeven een aanbeveling inzake de
benoeming. Deze aanbeveling omvat twee personen.
6. In een bijzonder, door de raad te motiveren geval, kan worden
volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. Onze
Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling, indien naar
zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval.
7. Onze Minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling,
met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde, tenzij zwaarwegende
gronden aanleiding tot afwijking geven. Een afwijking wordt gemotiveerd.
Artikel 61a
1. De burgemeester kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes jaar.
2. De raad zendt een aanbeveling inzake de herbenoeming van de
burgemeester tenminste vier maanden voor de eerste dag van de maand
waarin de herbenoeming dient in te gaan, aan Onze Minister door
tussenkomst van de commissaris van de Koning.
3. Voordat de raad een aanbeveling opstelt, overlegt hij met de
commissaris over het functioneren van de burgemeester.
4. De commissaris brengt advies uit aan Onze Minister over de
aanbeveling van de raad.
5. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling
op gronden ontleend aan het advies van de commissaris dan wel op andere
zwaarwegende gronden.
Artikel 61b
1. De burgemeester kan te allen tijde bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
2. Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester
en de raad, kan de raad, door tussenkomst van de commissaris van de
Koning, een aanbeveling tot ontslag zenden aan Onze Minister.
3. Voordat de raad verklaart dat van een verstoorde verhouding tussen de
burgemeester en de raad sprake is, overlegt hij met de commissaris over
de aanleiding tot die verklaring.
4. Een aanbeveling vormt geen onderwerp van beraadslagingen en wordt
niet vastgesteld dan nadat de raad tenminste twee weken en ten hoogste
drie maanden tevoren heeft verklaard, dat tussen de burgemeester en de
raad sprake is van een verstoorde verhouding.
5. De oproeping tot de vergadering waarin over de aanbeveling wordt
beraadslaagd of besloten, wordt tenminste achtenveertig uur voor de
aanvang of zoveel eerder als de raad heeft bepaald, bij de leden van de
raad bezorgd. Zij vermeldt het voorstel tot de aanbeveling.
6. De commissaris brengt advies uit aan Onze Minister over de
aanbeveling.
7. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling
op gronden ontleend aan het advies van de commissaris dan wel op andere
zwaarwegende gronden.
Artikel 61c
1. De beraadslagingen, bedoeld in de artikelen 61, derde en vierde lid,
61a, derde lid, en 61b, derde lid, vinden plaats met gesloten deuren.
Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat
niet openbaar wordt gemaakt.
2. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan de raad
worden gezonden dan wel die door de raad aan Onze Minister worden
gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.
3. De aanbevelingen van de raad, bedoeld in artikel 61, vijfde en zesde
lid, 61a, tweede lid, en 61b, tweede lid, zijn openbaar met dien
verstande dat ten aanzien van de aanbeveling inzake de benoeming,
bedoeld in artikel 61, vijfde lid, de openbaarheid uitsluitend de als
eerste aanbevolen persoon geldt.
Artikel 61d
1. De commissaris verricht de werkzaamheden, genoemd in de artikelen 61,
61a en 61b, volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de
burgemeester te volgen procedure.
Artikel 61e [Vervallen per 19-12-2008]
Artikel 62
1. De burgemeester kan bij koninklijk besluit worden geschorst.
2. Onze Minister kan, in afwachting van een besluit omtrent schorsing,
bepalen dat de burgemeester zijn functie niet uitoefent.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet binnen
een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 63
Voor de benoembaarheid tot burgemeester is het Nederlanderschap vereist.
Artikel 64
Dezelfde persoon kan in meer dan een gemeente tot burgemeester worden
benoemd, mits op het tijdstip van benoeming het gezamenlijk aantal
inwoners het getal van 10 000 niet te boven gaat.
Artikel 65
1. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de burgemeester in handen van
de commissaris van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot burgemeester benoemd te worden,
rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook,
enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de
wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als burgemeester naar eer en
geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"
(Dat verklaar en beloof ik!")
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in
de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en
belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta boargemaster beneamd te wurden,
streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker
jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of
te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ūnthjit
dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as boargemaster yn alle
oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 66
1. De burgemeester geniet ten laste van de gemeente een bezoldiging, die
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.
2. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld betreffende
tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende
andere financiėle voorzieningen die verband houden met de vervulling
van het burgemeestersambt.
3. Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet de
burgemeester als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste
van de gemeente.
4. De burgemeester geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor
werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde
van het burgemeestersambt, ongeacht of die vergoedingen ten laste van de
gemeente komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd,
worden zij gestort in de gemeentekas.
5. Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren inkomsten,
onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de burgemeester neerlegt
bij beėindiging van het ambt.
6. Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de
bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
wijze waarop de burgemeester gegevens over de inkomsten, bedoeld in het
zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze
gegevens.
Artikel 67
1. De burgemeester vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn
burgemeestersambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en
onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. De burgemeester meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een
nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn burgemeestersambt, aan de
raad.
3. De burgemeester maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van zijn
burgemeestersambt, en de inkomsten uit die functies openbaar.
Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis
uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn
genoten.
4. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de
Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen
bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 68
1. De burgemeester is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. secretaris van de provincie;
j. griffier van de provincie;
k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij
burgemeester is, is gelegen;
l. lid van een raad;
m. wethouder;
n. lid van de rekenkamer;
o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
p. lid van een deelraad;
q. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt;
s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot
wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de gemeente;
t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van
bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een
burgemeester tevens ambtenaar van de burgerlijke stand zijn.
Artikel 69
1. Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
op de burgemeester met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het
tweede lid van dat artikel, wordt verleend door de commissaris van de
Koning.
2. De raad stelt voor de burgemeester een gedragscode vast.
Artikel 70
Het ambt van burgemeester ontheft van alle bij of krachtens de wet
opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
Artikel 71
1. De burgemeester heeft zijn werkelijke woonplaats in de gemeente of,
indien hij burgemeester is van meer dan een gemeente, in een van die
gemeenten.
2. De raad kan voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van de
verplichting om de werkelijke woonplaats in de gemeente te hebben.
Artikel 72
1. Indien de burgemeester langer dan zes weken buiten de gemeente wenst
te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van de commissaris. De
toestemming mag alleen worden verleend, indien het belang van de
gemeente zich daartegen niet verzet.
2. De Algemene Termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op
de termijn genoemd in het eerste lid.
Artikel 73
1. Voor zover dit niet bij de wet is geschied, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de burgemeester regels
vastgesteld betreffende:
a. benoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie en
ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
c. aanspraken in geval van ziekte;
d. bescherming bij de arbeid;
e. georganiseerd overleg over aangelegenheden zijn rechtspositie
betreffende;
f. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die regeling
behoeven.
2. Bij de regels betreffende de in het eerste lid bedoelde
aangelegenheden kunnen financiėle voorzieningen worden getroffen die
ten laste van de gemeente komen.
Artikel 74
1. Alle aan de raad of aan het college gerichte stukken worden door of
namens de burgemeester geopend.
2. Van de ontvangst van aan de raad gerichte stukken die niet terstond
in de vergadering van de raad aan de orde worden gesteld, doet hij in de
eerstvolgende vergadering van de raad mededeling.
Artikel 75 [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 76
Bij koninklijk besluit wordt bepaald, welke de onderscheidingstekenen
van de burgemeester zijn en bij welke gelegenheden hij deze zal dragen.
Artikel 77
1. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt zijn ambt
waargenomen door een door het college aan te wijzen wethouder. Het
voorzitterschap van de raad wordt in dat geval waargenomen door het
langstzittende lid van de raad. Indien meer leden van de raad even lang
zitting hebben, vindt de waarneming plaats door het oudste lid in jaren
van hen. De raad kan een ander lid van de raad met de waarneming
belasten.
2. Bij verhindering of ontstentenis van alle wethouders wordt het ambt
waargenomen door het langstzittende lid van de raad. Indien meer leden
van de raad even lang zitting hebben, vindt de waarneming plaats door
het oudste lid in jaren van hen. De raad kan een ander lid van de raad
met de waarneming belasten.
Artikel 78
1. Indien de commissaris van de Koning het in het belang van de gemeente
nodig oordeelt, voorziet hij in afwijking van artikel 77 in de
waarneming. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij de raad, tenzij
gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
2. Hij die door de commissaris met de waarneming van het ambt van
burgemeester is belast, legt in handen van de commissaris een
overeenkomstig artikel 65 luidende eed (verklaring en belofte) af.
Artikel 79
De toekenning van een vergoeding ten laste van de gemeente aan degene
die met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, wordt
geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 80
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van
burgemeester is belast, zijn de artikelen 68 en 69 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 81
1. De raad kan regelen van welke beslissingen van de burgemeester aan de
leden van de raad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de raad de
gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
2. De burgemeester laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege
voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
Hoofdstuk IVa. De rekenkamer
Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer
Artikel 81a
1. De raad kan een rekenkamer instellen.
2. Indien de raad een rekenkamer instelt, zijn de navolgende artikelen
van dit hoofdstuk alsmede hoofdstuk XIa van toepassing.
3. Indien de raad geen rekenkamer instelt, is hoofdstuk IVb van
toepassing.
Artikel 81b
De raad stelt het aantal leden van de rekenkamer vast.
Artikel 81c
1. De raad benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.
2. Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt de raad
uit de leden de voorzitter.
3. De raad kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer
uit één lid bestaat, benoemt de raad in ieder geval een
plaatsvervangend lid. Deze paragraaf is op plaatsvervangende leden van
overeenkomstige toepassing.
4. De raad kan een lid herbenoemen.
5. Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het
vierde lid, pleegt de raad overleg met de rekenkamer.
6. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het
lidmaatschap;
c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder
curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance
van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan
het in hem gestelde vertrouwen.
7. Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen:
a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn
functie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 81h.
Artikel 81d
1. De raad stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is
gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak.
2. De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen,
indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf
wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het
bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op
gronden vermeld in artikel 81c, zesde lid, onder a, en zevende lid,
onder a, zouden kunnen leiden.
3. De raad beėindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel
is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het
tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In
dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden
verlengen.
Artikel 81e
Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de
rekenkamer.
Artikel 81f
1. Een lid van de rekenkamer is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning van de provincie waarin de gemeente waar
hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
h. gedeputeerde van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de
rekenkamer is, is gelegen;
i. secretaris van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de
rekenkamer is, is gelegen;
j. griffier van de provincie waarin de gemeente waar hij lid van de
rekenkamer is, is gelegen;
k. lid van de raad;
l. burgemeester van de betrokken gemeente;
m. wethouder van de betrokken gemeente;
n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
o. lid van een deelraad van de betrokken gemeente;
p. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente van de betrokken
gemeente;
q. lid van een commissie van de betrokken gemeente;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt;
s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot
wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het
toezicht op de gemeente;
t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van
bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een lid van
de rekenkamer tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke
verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
Artikel 81g
1. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de
rekenkamer in de vergadering van de raad, in handen van de voorzitter,
de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te
worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de
wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de rekenkamer
naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in
de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en
belofte) als volgt:
«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rekkenkeamer beneamd te
wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat ferlechje ek,
hokker jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw.
Ik swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of
te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ūnthjit
dan ek oannommen haw of oannimme sil.
Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze sil oan 'e Grūnwet, dat ik de
wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rekkenkeamer yn
alle oprjochtens ferfolje sil.
Sa wier helpe my God Almachtich!»
(«Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 81h
Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
de leden van de rekenkamer.
Artikel 81i
1. De rekenkamer stelt een reglement van orde voor haar werkzaamheden
vast en, indien zij uit twee of meer personen bestaat, tevens voor haar
vergaderingen.
2. De rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan de raad en
maakt het bekend op de in artikel 139, tweede lid, bedoelde wijze.
Artikel 81j
1. De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige
middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar
werkzaamheden.
2. Op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer
benoemt het college zoveel ambtenaren van de rekenkamer als nodig zijn
voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
3. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer,
verrichten niet tevens werkzaamheden voor een ander orgaan van de
gemeente.
4. De ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn
ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan
de rekenkamer.
Artikel 81k
De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van de raad
vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in
de kosten.
Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer
Artikel 81l
In afwijking van artikel 81a kan de raad met de raad of de raden van een
of meer andere gemeenten met toepassing van de artikelen 1, en 8, tweede
lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of met provinciale staten
van één of meer provincies, al dan niet met de raad of de raden van
een of meer andere gemeenten tezamen, met toepassing van artikel 51 en
52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, een gemeenschappelijke rekenkamer
instellen. De artikelen 10, tweede en derde lid, 10a, 11, 15, 16, 17,
20, derde lid, 21, 22, 23, 30 en 54 van die wet zijn niet van
toepassing.
Artikel 81m
1. De artikelen 81b tot en met 81f, 81h, 81i en 81j, eerste, derde en
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke
rekenkamer, met dien verstande dat in de artikelen 81b tot en met 81d,
81i, tweede lid, en 81j, eerste lid, voor «de raad» telkens wordt
gelezen «de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk» of, indien
de rekenkamer mede is ingesteld door provincies, «provinciale staten en
de raden van de deelnemende provincies en gemeenten gezamenlijk».
2. Artikel 81g is op de gemeenschappelijke rekenkamer van toepassing,
met dien verstande dat voor «de raad» wordt gelezen «de raad van de
gemeente die daartoe in de regeling waarbij de gemeenschappelijke
rekenkamer is ingesteld, is aangewezen» of, indien de rekenkamer mede
is ingesteld door provincies, «provinciale staten van de provincie of
de raad van de gemeente die daartoe in de regeling waarbij de
gemeenschappelijke regeling is ingesteld zijn of is aangewezen».
Artikel 81n
Indien de raad of de raden van een of meer gemeenten met provinciale
staten van een of meer provincies een gemeenschappelijke rekenkamer
instellen, is, onverminderd artikel 81m, eerste lid, juncto artikel 81f,
een lid van de rekenkamer niet tevens:
a. lid van provinciale staten van een deelnemende provincie;
b. ambtenaar, door of vanwege het provinciebestuur van een deelnemende
provincie aangesteld of daaraan ondergeschikt;
c. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak het
behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht
op de provincie;
d. functionaris, krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur
geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.
Artikel 81o
In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt ingesteld,
worden ten minste regels gesteld over:
a. de benoeming, op voordracht van de voorzitter of het enige lid van de
rekenkamer, van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening
van de werkzaamheden van de rekenkamer;
b. de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun werkzaamheden
ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.
Hoofdstuk IVb. De rekenkamerfunctie
Artikel 81oa
1. Als geen rekenkamer is ingesteld als bedoeld in hoofdstuk IVa, stelt
de raad bij verordening regels vast voor de uitoefening van de
rekenkamerfunctie.
2. De artikelen 182, 184a en 185 zijn voor de uitoefening van de
rekenkamerfunctie van overeenkomstige toepassing.
3. Op personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, is artikel 81f,
behoudens het eerste lid, onder k en q, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IVc. De ombudsman
Paragraaf 1. Algemene bepaling
Artikel 81p
1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de raad de
behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, opdragen aan een gemeentelijke
ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of
ombudscommissie.
2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan
slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de raad
hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot instelling aan de Nationale
ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de
instelling ingaat.
3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het
eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beėindigd.
Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot beėindiging
van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar
voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
Paragraaf 2. De gemeentelijke ombudsman
Artikel 81q
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een
gemeentelijke ombudsman, benoemt hij deze voor de duur van zes jaar.
2. De raad benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op
de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.
3. De ombudsman wordt door de raad ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn
functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 81r,
eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder
curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan
het in hem gestelde vertrouwen.
4. De raad stelt de ombudsman op non-activiteit indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard,
ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 81r
1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de
handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
2. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
Artikel 81s
1. Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de
vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed
(verklaring en belofte) af: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot
ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke
naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet,
dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar
eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2. Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in
de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en
belofte) als volgt: «Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta ombudsman
beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ūnder wat namme of wat
ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jūn of ūnthjitten haw. Ik
swar (ferklearje en ūnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te
litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ūnthjit dan
ek oannommen haw of oannimme sil. Ik swar (ūnthjit) dat ik trou wźze
sil oan 'e Grūnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn
plichten as ombudsman yn alle oprjochtens ferfolje sil. Sa wier helpe my
God Almachtich!» («Dat ferklearje en ūnthjit ik!»).
Artikel 81t
1. Op voordracht van de ombudsman benoemt het college het personeel van
de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn
werkzaamheden.
2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn
werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een
enkel geval.
3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een
bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan
instellen.
4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die
het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig.
Artikel 81u
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de
raad.
Artikel 81v
De ombudsman ontvangt een bij verordening van de raad vastgestelde
vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
Paragraaf 3. De gemeentelijke ombudscommissie
Artikel 81w
1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een
gemeentelijke ombudscommissie, stelt de raad het aantal leden van de
ombudscommissie vast.
2. De raad benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes
jaar.
3. De raad benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend
voorzitter van de ombudscommissie.
Artikel 81x
1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden
aan de raad.
2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen
81q, derde en vierde lid, 81r, 81s, 81t en 81v van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke
ombudscommissie
Artikel 81y
1. De raad kan voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke
ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of
raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten
van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of
meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer
openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij
gemeenschappelijke regeling.
2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van
zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende
rechtspersonen.
3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie
zijn de artikelen 81q tot en met 81t, 81v en 81w van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 81z
Indien de raad een ombudsman of een ombudscommissie instelt met
toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet
ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts
van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de
ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
Hoofdstuk V. De commissies
Paragraaf 1. Commissies
Artikel 82
1. De raad kan raadscommissies instellen die besluitvorming van de raad
kunnen voorbereiden en met het college of de burgemeester kunnen
overleggen. Hij regelt daarbij de taken, de bevoegdheden, de
samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop de
leden van de raad inzage hebben in stukken waaromtrent door een
raadscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden
geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
2. De burgemeester en de wethouders zijn geen lid van een
raadscommissie.
3. Bij de samenstelling van een raadscommissie zorgt de raad, voor zover
het de benoeming betreft van leden van de raad, voor een evenwichtige
vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen.
4. Een lid van de raad is voorzitter van een raadscommissie.
5. Deartikelen 19 en 21 tot en met 23 zijn van overeenkomstige
toepassing op een vergadering van een raadscommissie, met dien verstande
dat in artikel 19 voor «burgemeester» wordt gelezen «voorzitter van
de raadscommissie» en in artikel 23, vijfde lid, voor«artikel 25»
wordt gelezen «artikel 86».
Artikel 83
1. De raad, het college of de burgemeester kan bestuurscommissies
instellen die bevoegdheden uitoefenen die hun door de raad, het college,
onderscheidenlijk de burgemeester zijn overgedragen. Hij regelt daarbij
de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder
begrepen de wijze waarop hij inzage heeft in de stukken waaromtrent door
een bestuurscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts
worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
2. De burgemeester en de wethouders zijn geen lid van een door de raad
ingestelde bestuurscommissie. Leden van de raad zijn geen lid van een
door het college of de burgemeester ingestelde bestuurscommissie.
3. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot instelling van een bestuurscommissie.
4. De artikelen 19, tweede lid, 22 en 23, eerste tot en met vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergadering van
een door de raad ingestelde bestuurscommissie, met dien verstande dat in
artikel 19, tweede lid, voor «de burgemeester» wordt gelezen: de
voorzitter van een bestuurscommissie.
5. Voor zover zulks in verband met de aard en omvang van de overgedragen
bevoegdheden nodig is, regelt het college of de burgemeester de
openbaarheid van vergaderingen van een door hem ingestelde
bestuurscommissie.
Artikel 84
1. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan
bedoeld in de artikelen 82, eerste lid, en 83, eerste lid, instellen.
2. Artikel 83, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een
andere commissie, met uitzondering van een commissie die is ingesteld om
te adviseren over de beslissing op ingediende bezwaarschriften en een
commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
3. De raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester regelt ten
aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van
de vergaderingen.
4. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
Artikel 85
1. De raad, het college of de burgemeester regelt ten aanzien van een
door hem ingestelde bestuurscommissie de verantwoording aan de raad, het
college, onderscheidenlijk de burgemeester.
2. De raad, het college of de burgemeester kan besluiten en andere,
niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een
door hem ingestelde bestuurscommissie vernietigen. De raad kan zijn
bevoegdheid tot schorsing overdragen aan het college. Ten aanzien van de
vernietiging van niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig
rechtsgevolg zijn de afdelingen 10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
3. Voor zover zulks in verband met de aard en de omvang van de
overgedragen bevoegdheden nodig is, regelt de raad, het college of de
burgemeester het overige toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden
door een door hem ingestelde bestuurscommissie. Dit overige toezicht kan
mede de goedkeuring omvatten van de beslissingen van een
bestuurscommissie. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang. Ten aanzien van de
goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is afdeling 10.2.1 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 86
1. Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een
belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent
de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd,
geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten
vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De
geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en
allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht
genomen totdat de commissie haar opheft.
2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd
door de voorzitter van een commissie, het college en de burgemeester,
ieder ten aanzien van stukken die hij aan een commissie overlegt.
Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in
acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan
wel de raad haar opheft.
3. Indien een commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een
verplichting tot geheimhouding geldt tot de raad heeft gericht, wordt de
geheimhouding in acht genomen totdat de raad haar opheft.
Paragraaf 2. Deelgemeenten
Artikel 87
1. De raad, het college en de burgemeester kunnen gezamenlijk één of
meer deelgemeenten instellen.
2. De raad, het college en de burgemeester kunnen gezamenlijk bij
verordening voor een deelgemeente een deelgemeentebestuur instellen,
bestaande uit een deelraad en een dagelijks bestuur, waaraan de
behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van deze
deelgemeente wordt opgedragen, en waarbij de raad aan de deelraad de
bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften
ten aanzien van die deelgemeente geheel of gedeeltelijk overdraagt.
3. In de verordening worden bevoegdheden van de raad ten aanzien van de
deelgemeente uitsluitend overgedragen aan de deelraad en worden
bevoegdheden van het college ten aanzien van de deelgemeente uitsluitend
overgedragen aan het dagelijks bestuur. Bevoegdheden van de burgemeester
ten aanzien van een deelgemeente kunnen in de verordening uitsluitend
worden overgedragen aan de voorzitter van het dagelijks bestuur. In de
verordening kan worden bepaald dat de deelraad aan hem toegekende
bevoegdheden kan overdragen aan het dagelijks bestuur van de
deelgemeente.
4. In de verordening kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur van
een deelgemeente bevoegd is de uitoefening van een of meer aan hem
overgedragen bevoegdheden uit naam en onder verantwoordelijkheid van dit
bestuur op te dragen aan een of meer leden van dit bestuur, tenzij de
regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
5. De leden van de deelraad worden rechtstreeks gekozen door de
ingezetenen van de betrokken deelgemeente die kiesgerechtigd zijn voor
de verkiezing van de leden van de raad.
6. In de verordening wordt de verkiezing van de leden van de deelraad
zoveel mogelijk geregeld overeenkomstig de bepalingen van de Kieswet
voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad. De artikelen Z 1
tot en met Z 11 van de Kieswet zijn op de verkiezing van overeenkomstige
toepassing.
7. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige
toepassing op de verordening.
Artikel 87a
1. De raad, het college of de burgemeester kan besluiten en andere,
niet-schriftelijke, beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een
deelraad, een dagelijks bestuur van een deelgemeente, onderscheidenlijk
een voorzitter van het dagelijks bestuur, vernietigen. De raad kan zijn
bevoegdheid tot schorsing overdragen aan het college. Ten aanzien van de
vernietiging van niet-schriftelijke beslissingen van een deelraad of een
dagelijks bestuur gericht op enig rechtsgevolg zijn de afdelingen
10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
2. De in artikel 87, tweede lid, bedoelde verordening bevat een regeling
over het overig toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door een
deelraad of het dagelijks bestuur van een deelgemeente. Dit overig
toezicht kan de goedkeuring van de raad of het college bevatten van
beslissingen van een deelraad, onderscheidenlijk dagelijks bestuur. De
goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of
het algemeen belang. Ten aanzien van de goedkeuring van andere
beslissingen dan besluiten is afdeling 10.2.1. van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 88
Om lid te kunnen zijn van een deelraad is vereist dat men ingezetene is
van het betreffende deel van de gemeente en overigens voldoet aan de
vereisten voor het lidmaatschap van de raad.
Artikel 89
1. Een lid van een deelraad is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. secretaris van de provincie;
j. griffier van de provincie;
k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij
lid van de deelraad is, is gelegen;
l. lid van de raad;
m. burgemeester;
n. wethouder;
o. lid van de rekenkamer;
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
q. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een lid van
een deelraad tevens zijn:
a. ambtenaar, aangesteld of ondergeschikt aan het deelgemeentebestuur
van een andere deelgemeente;
b. ambtenaar van de burgerlijke stand;
c. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke
verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
d. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
3. In de in artikel 87, tweede lid, bedoelde verordening kan worden
bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid
van een deelraad tevens lid van het dagelijks bestuur van de betrokken
deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden
van de deelraad en eindigt op het tijdstip waarop de leden van het
dagelijks bestuur van een deelgemeente aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot lid van het dagelijks
bestuur van een deelgemeente en eindigt op het tijdstip waarop zijn
opvolger als lid van de deelraad de eed of de verklaring en belofte
heeft afgelegd of waarop vaststaat dat geen opvolger kan worden benoemd.
In dat geval bepaalt de verordening tevens dat hij geacht wordt ontslag
te nemen als lid van de deelraad met ingang van het tijdstip waarop hij
zijn benoeming tot lid van het dagelijks bestuur aanvaardt en dat
artikel X 6 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 89a
De deelraad benoemt de leden van het dagelijks bestuur.
Artikel 90
1. Een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente is niet
tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. gedeputeerde;
i. secretaris van de provincie;
j. griffier van de provincie;
k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij
lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente is, is gelegen;
l. lid van de raad;
m. burgemeester;
n. wethouder;
o. lid van de rekenkamer;
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p,
eerste lid;
q. lid van een deelraad;
r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een lid van
het dagelijks bestuur tevens zijn:
a. ambtenaar, aangesteld of ondergeschikt aan een deelgemeentebestuur
van een andere deelgemeente;
b. ambtenaar van de burgerlijke stand;
c. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke
verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
d. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
3. In de in artikel 87, tweede lid, bedoelde verordening kan worden
bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder q, een lid
van het dagelijks bestuur van een deelgemeente tevens lid van een
deelraad van de betrokken deelgemeente kan zijn gedurende het tijdvak
dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden
van de deelraad en eindigt op het tijdstip waarop de leden van het
dagelijks bestuur van een deelgemeente aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot lid van het dagelijks
bestuur van een deelgemeente en eindigt op het tijdstip waarop zijn
opvolger als lid van de deelraad de eed of de verklaring en belofte
heeft afgelegd of waarop vaststaat dat geen opvolger kan worden benoemd.
In dat geval bepaalt de verordening tevens dat hij geacht wordt ontslag
te nemen als lid van de deelraad met ingang van het tijdstip waarop hij
zijn benoeming tot lid van het dagelijks bestuur aanvaardt en dat
artikel X 6 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing is.
4. Artikel 36a is van overeenkomstige toepassing op de leden van het
dagelijks bestuur van een deelgemeente.
Artikel 91
De artikelen 12, 14, 15, 41a tot en met 52 en 53a tot en met 60zijn van
overeenkomstige toepassing op het deelgemeentebestuur, met dien
verstande dat in artikel 15, eerste lid, voor«gemeente» zowel de
gemeente als de deelgemeente wordt gelezen en voor «gemeentebestuur»
zowel het gemeentebestuur als het deelgemeentebestuur.
Artikel 92
1. Een deelraad brengt dag, tijdstip en plaats van zijn vergadering ter
openbare kennis. De agenda en de daarbij horende voorstellen, met
uitzondering van de in artikel 86, tweede lid, bedoelde stukken, worden
gelijktijdig met de oproeping voor de vergadering en op een bij de
openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
2. De artikelen 22, 23, 24 en 86 zijn van overeenkomstige toepassing op
een deelraad.
Artikel 93 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 94 [Vervallen per 07-03-2002]
Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de
raad en de commissies
Artikel 95
1. De leden van de raad en de deelraad en de leden van de raad en de
deelraad aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet ontslag is
verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een bij
verordening van de raad vast te stellen vergoeding voor hun
werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
2. De raad kan bij verordening regels stellen over de tegemoetkoming in
of vergoeding van bijzondere kosten en over andere financiėle
voorzieningen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap
van de raad of de deelraad.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de
raad of de deelraad dat met inachtneming van artikel 13, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 89, derde lid, tevens wethouder
onderscheidenlijk lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente is.
4. De verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels.
Artikel 96
1. De leden van een door de raad, het college of de burgemeester
ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van de raad
of het college, een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding:
a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en
b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.
2. In bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat de
leden van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of een andere
commissie als bedoeld in artikel 84 een vaste vergoeding voor hun
werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
3. Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
worden gesteld.
Artikel 97
Aan de leden van de raad en de personen genoemd in artikel 96, eerste
lid, vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband
met reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een
beslissing van het gemeentebestuur, slechts plaats overeenkomstig door
de raad bij verordening vastgestelde regels.
Artikel 98
De verordeningen bedoeld in de artikelen 95 tot en met 97 worden aan
gedeputeerde staten gezonden.
Artikel 99
1. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de
leden van de raad, van een door de raad, het college of de burgemeester
ingestelde commissie, van een deelraad en van het dagelijks bestuur van
een deelgemeente als zodanig geen andere vergoedingen en
tegemoetkomingen ten laste van de gemeente.
2. Voordelen ten laste van de gemeente, anders dan in de vorm van
vergoedingen en tegemoetkoming, genieten zij slechts voor zover de raad
dit bij verordening bepaalt. De verordening behoeft de goedkeuring van
gedeputeerde staten.
Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 100
1. In iedere gemeente is een secretaris en een griffier.
2. Een secretaris is niet tevens griffier.
Artikel 101
Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
de secretaris en de griffier.
Paragraaf 2. De secretaris
Artikel 102
Het college benoemt de secretaris. Hij is tevens bevoegd de secretaris
te schorsen en te ontslaan.
Artikel 103
1. De secretaris staat het college, de burgemeester en de door hen
ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2. Het college stelt in een instructie nadere regels over de taak en de
bevoegdheden van de secretaris.
Artikel 104
De secretaris is in de vergadering van het college aanwezig.
Artikel 105 [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 106
1. Het college regelt de vervanging van de secretaris.
2. De artikelen 100, tweede lid, tot en met 105 zijn van overeenkomstige
toepassing op degene die de secretaris vervangt.
Paragraaf 3. De griffier
Artikel 107
De raad benoemt de griffier. Hij is tevens bevoegd de griffier te
schorsen en te ontslaan.
Artikel 107a
1. De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies
bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2. De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de
bevoegdheden van de griffier.
Artikel 107b
De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig.
Artikel 107c [Vervallen per 02-11-2005]
Artikel 107d
1. De raad regelt de vervanging van de griffier.
2. De artikelen 100, tweede lid, 101 en107 tot en met 107c zijn van
overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt.
Artikel 107e
1. De raad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.
2. De raad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen,
te schorsen en te ontslaan.
Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur
Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 108
1. De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de
gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.
2. Regeling en bestuur kunnen van het gemeentebestuur worden gevorderd
bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van de
uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen
aan het gemeentebestuur en het aan het gemeentebestuur opleggen of in
zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan geschieden indien
de bevoegdheid daartoe bij de wet of krachtens de wet bij provinciale
verordening is toegekend.
3. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 110, vijfde lid, 119,
vierde lid en 120, tweede lid, worden de kosten, verbonden aan de
uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken
gemeenten blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
Artikel 109
Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen
gemeenten.
Artikel 110
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. plan: een beslissing die een samenhangend geheel van op elkaar
afgestemde keuzes bevat omtrent door het gemeentebestuur te nemen
besluiten of te verrichten andere handelingen, ten einde een of meer
doelstellingen te bereiken;
b. beleidsverslag: een schriftelijke rapportage betreffende het door het
gemeentebestuur gevoerde beleid op een of meer beleidsterreinen dan wel
op onderdelen daarvan en de samenhang daarbinnen of daartussen.
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk van het gemeentebestuur slechts worden gevorderd in bij
de wet te bepalen gevallen.
3. Een verplichting als bedoeld in het tweede lid geldt voor ten hoogste
vier jaren, tenzij de wet anders bepaalt.
4. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan
vanwege het Rijk in andere dan bij de wet bepaalde gevallen voor een
termijn van ten hoogste vier jaar van het gemeentebestuur worden
gevraagd als onderdeel van de regeling van een tijdelijke specifieke
uitkering als bedoeld in artikel 17 van de Financiėle-verhoudingswet.
5. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter
voorbereiding daarvan volgen van de voorgeschreven procedure wordt van
een gemeentebestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is aangegeven
hoe de financiėle gevolgen ervan voor de gemeente worden gecompenseerd.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de begroting, bedoeld in
artikel 190, en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in
artikel 197.
Artikel 111
1. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in
artikel 110 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen
gemeentelijk beleid en het beleid van de betrokken provincie of het
Rijk, of
b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit
noodzakelijk maakt.
2. Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in
artikel 110 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een
voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
a. het gemeentebestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in zijn
inhoudelijke of financiėle beleidsruimte;
b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de te
verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor het
betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
c. integratie met een bestaand plan of een bestaand beleidsverslag dan
wel met de begroting, bedoeld in artikel 190, of de jaarrekening en het
jaarverslag, bedoeld in artikel 197, mogelijk is;
d. het bevorderen van de samenhang in het gemeentelijk beleid door
onderlinge afstemming van onderdelen daarvan onmogelijk wordt;
e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
3. Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van
bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag
als bedoeld in artikel 110 en het ter voorbereiding daarvan volgen van
een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens artikel 110 en dit artikel, wordt die
afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk
Artikel 112
Onze Minister wie het aangaat en het provinciebestuur doen het college
desgevraagd mededeling van hun standpunten en voornemens met betrekking
tot aangelegenheden die voor de gemeente van belang zijn, tenzij het
openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 113
Onze Minister wie het aangaat en het provinciebestuur bieden het college
desgevraagd de gelegenheid tot het plegen van overleg met betrekking tot
aangelegenheden die voor de gemeente van belang zijn, tenzij het
openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 114
1. Onze Minister wie het aangaat, onderscheidenlijk het
provinciebestuur, stelt de betrokken colleges of een instantie die voor
deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen
termijn, in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent voorstellen van
wet, ontwerpen van algemene maatregel van bestuur, ontwerpen van
ministeriėle regeling, of ontwerpen van provinciale verordening
waarbij:
a. van de gemeentebesturen regeling of bestuur wordt gevorderd, of
b. in betekenende mate wijziging wordt gebracht in de taken en
bevoegdheden van de gemeentebesturen.
2. Voorstellen als bedoeld in het eerste lid bevatten in de bijbehorende
toelichting een weergave van de gevolgen voor de inrichting en werking
van de gemeenten en een weergave van het in het eerste lid bedoelde
oordeel van de betrokken colleges of representatieve instantie.
3. Onze Minister wie het aangaat, onderscheidenlijk het
provinciebestuur, is niet verplicht vooraf het in het eerste lid
bedoelde oordeel in te winnen indien zulks ten gevolge van dringende
omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval wordt het oordeel zo
spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt.
Artikel 115
1. Een wet waarbij van gemeentebesturen regeling of bestuur wordt
gevorderd of waarbij in betekenende mate wijziging wordt gebracht in
taken en bevoegdheden van gemeentebesturen, wijkt van het bepaalde in
deze wet niet af dan wanneer dat bijzonder aangewezen moet worden geacht
voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2. Het voorstel voor een wet als bedoeld in het eerste lid bevat in de
bijbehorende toelichting de gronden voor de voorgestelde afwijking.
Artikel 116
1. Onze Minister is belast met de coördinatie van het rijksbeleid dat
de gemeenten raakt. Hij bevordert voorts de beleidsvrijheid van het
gemeentebestuur.
2. Over maatregelen en voornemens die van betekenis zijn voor het
rijksbeleid inzake de gemeenten treden Onze Ministers onder wier
verantwoordelijkheid die maatregelen en voornemens tot stand komen in
een vroegtijdig stadium in overleg met Onze Minister.
3. Onze Minister maakt bedenkingen kenbaar tegen een maatregel of een
voornemen voor zover hem die maatregel of dat voornemen met het oog op
het door de regering gevoerde decentralisatiebeleid niet toelaatbaar
voorkomt.
Artikel 117
1. Onze Minister bevordert de decentralisatie ten behoeve van de
gemeenten.
2. Voorstellen van maatregelen waarbij bepaalde aangelegenheden tot
rijks- of provinciaal beleid worden gerekend, worden slechts gedaan
indien het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze
door de gemeentebesturen kan worden behartigd.
Artikel 118
Over al hetgeen de gemeente betreft dient het college Onze Ministers en
het provinciebestuur desgevraagd van bericht en raad, tenzij dit
uitdrukkelijk van de burgemeester wordt verlangd.
Artikel 119
1. Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur
worden de gevallen geregeld waarin het college verplicht is tot het
verstrekken van systematische informatie aan Onze Ministers wie het
aangaat. Daarbij kan worden bepaald dat bij ministeriėle regeling
nadere voorschriften worden gegeven ten behoeve van de toepassing van de
wet of de algemene maatregel van bestuur.
2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister
van Economische Zaken, na overleg met Onze Minister, kan worden bepaald
dat in die maatregel te omschrijven gegevens ten behoeve van
statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek
worden verstrekt.
3. Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan worden bij algemene maatregel van
bestuur nadere algemene regels gesteld.
4. Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van
informatie en de inwinning daarvan, alsmede omtrent de verstrekking en
inwinning van incidentele informatie, wordt, voorzover dat niet bij wet
geschiedt, bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoe de
financiėle gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking
worden gecompenseerd.
5. De voordrachten voor de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in
het derde en het vierde lid, worden gedaan door Onze Minister.
Artikel 120
1. Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of
bij provinciale verordening worden de gevallen geregeld waarin het
college verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie
aan het provinciaal bestuur. Daarbij kan worden bepaald dat bij
ministeriėle regeling of bij besluit van gedeputeerde staten nadere
voorschriften worden gegeven ten behoeve van de toepassing van de wet,
de algemene maatregel van bestuur of de provinciale verordening.
2. In de regelingen, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid,
wordt tevens aangegeven hoe de financiėle gevolgen van de
informatieverstrekking voor de gemeente worden gecompenseerd.
3. Het provinciebestuur doet mededeling aan Onze Minister van de
inwinning van systematische informatie ingevolge een provinciale
verordening.
Artikel 121
De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten
aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van
bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor
zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur
en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.
Artikel 122
De bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door een
wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening
wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen.
§ 3. Bijzondere voorzieningen
Artikel 123
1. Wanneer aan een bestuurscommissie of een deelraad bevoegdheden van de
raad zijn overgedragen en deze commissie of die deelraad een bij of
krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissing niet of niet
naar behoren neemt, voorziet de raad daarin.
2. Wanneer aan een bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een
deelgemeente bevoegdheden van het college zijn overgedragen en deze
commissie of dat dagelijks bestuur een bij of krachtens een andere dan
deze wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, voorziet
het college daarin.
3. Wanneer aan een bestuurscommissie of de voorzitter van het dagelijks
bestuur van een deelgemeente bevoegdheden van de burgemeester zijn
overgedragen en die commissie of die voorzitter bij of krachtens een
andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren
neemt, voorziet de burgemeester daarin.
Artikel 124
1. Wanneer de raad, het college of de burgemeester een bij of krachtens
een andere dan deze wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren
neemt dan wel bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde
handeling niet of niet naar behoren verricht, of anderszins een bij of
krachtens een andere dan deze wet gevorderd resultaat niet, niet tijdig
of niet naar behoren tot stand brengt, besluiten gedeputeerde staten
onderscheidenlijk de commissaris van de Koning als het de burgemeester
betreft daarin namens de raad, het college of de burgemeester te
voorzien ten laste van de gemeente.
2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, voeren gedeputeerde staten of de
commissaris van de Koning het besluit tot indeplaatsstelling niet uit
dan nadat een in het besluit genoemde termijn is verstreken, waarbinnen
de raad, het college of de burgemeester de gelegenheid heeft alsnog te
voorzien in hetgeen het besluit vordert. Indien de situatie dermate
spoedeisend is dat gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning
de beslissing om over te gaan tot indeplaatsstelling niet tevoren op
schrift kan stellen, zorgen zij alsnog zo spoedig mogelijk voor de
opschriftstelling en voor de bekendmaking.
3. Indien het besluit tot indeplaatsstelling een bij of krachtens een
andere dan deze wet gevorderd resultaat betreft dat niet tijdig tot
stand zal worden gebracht, geven gedeputeerde staten of de commissaris
van de Koning in het besluit tot indeplaatsstelling aan welke
beslissingen, handelingen of resultaten moeten zijn uitgevoerd binnen de
in het tweede lid bedoelde termijn. Gedeputeerde staten of de
commissaris van de Koning kunnen voor verschillende beslissingen,
handelingen of resultaten een verschillende termijn stellen. Indien de
raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester niet binnen die
termijn heeft voorzien in hetgeen het besluit van hem vordert, voorzien
gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning verder in het tot
stand brengen van het gevorderde resultaat.
4. Van een besluit tot indeplaatsstelling, alsmede van het voornemen tot
het nemen van een dergelijk besluit, wordt mededeling gedaan in een dag-,
nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Een
afschrift van het besluit en van het voornemen wordt gezonden aan de
raad.
Artikel 124a
1. In overeenstemming met Onze Minister, kan Onze Minister wie het
aangaat, indien hij van oordeel is dat toepassing van artikel 124,
eerste lid, uit oogpunt van een zwaarwegend algemeen belang gewenst is,
gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning
verzoeken toepassing te geven aan artikel 124, eerste lid. Een afschrift
van het verzoek wordt gezonden aan de raad en provinciale staten. Indien
gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning niet
binnen een door Onze Minister wie het aangaat gestelde termijn
toepassing hebben gegeven aan artikel 124, eerste lid, gaat de
bevoegdheid van artikel 124, eerste lid, over op Onze Minister wie het
aangaat.
2. De artikelen 124, tweede tot en met vierde lid,124c, 124d, en 124f
zijn van overeenkomstige toepassing bij toepassing van artikel 124,
eerste lid, door Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 124b
1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet opgenomen wetten worden de
bevoegdheden die in de artikelen 124, 124c, 124d en artikel 124f aan
gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning zijn
toegekend, in zoverre in afwijking van die artikelen uitgeoefend door
Onze Minister wie het aangaat.
2. Voorafgaand aan het nemen van een besluit tot indeplaatsstelling,
informeert Onze Minister wie het aangaat gedeputeerde staten.
Artikel 124c
1. Bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling beschikken
gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning over
de bevoegdheden waarover de raad, het college of de burgemeester bij of
krachtens deze wet of de andere wet, bedoeld in artikel 124, eerste lid,
beschikt. In afwijking van artikel 171, eerste lid, vertegenwoordigt de
commissaris van de Koning de gemeente zonodig in en buiten rechte.
2. Voor zover het gemeentebestuur, had hij de bevoegdheden, bedoeld in
het eerste lid, zelf uitgeoefend, de kosten van de uitvoering in
rekening kan brengen bij derden, heeft hij bij die derden verhaal voor
de door gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de
Koning ten laste van de gemeente gebrachte kosten. Het gemeentebestuur
kan het bedrag invorderen bij dwangbevel.
Artikel 124d
Gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning,
kunnen een besluit tot indeplaatsstelling intrekken, indien de raad, het
college of de burgemeester voldoende aannemelijk maakt dat hij zonder
voorbehoud zal voorzien in hetgeen het besluit van hem vordert.
Artikel 124e
Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze
Minister wie het aangaat, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, kunnen
ambtenaren aanwijzen ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van
de aan het gemeentebestuur bij of krachtens andere wet dan deze
opgedragen taken. Deze ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van de
artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De
artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 124f
1. Indien gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de
Koning bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling namens
de raad, het college of de burgemeester een besluit nemen, kan voor de
toepassing van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar
worden gemaakt bij gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris
van de Koning. Gedeputeerde staten beslissen onderscheidenlijk de
commissaris van de Koning beslist op het bezwaar.
2. Gedeputeerde staten zijn onderscheidenlijk de commissaris van de
Koning is de verwerende partij inzake een beroep tegen een namens de
raad, het college of de burgemeester genomen besluit als bedoeld in het
eerste lid.
3. Het gemeentebestuur kan geen beroep instellen tegen een besluit als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 124g
1. Het gemeentebestuur werkt mee met de uitvoering van een besluit tot
indeplaatsstelling. Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning
onderscheidenlijk Onze Minister wie het aangaat kunnen ter zake van de
uitvoering van het besluit aanwijzingen geven. Het gemeentebestuur stelt
op eerste vordering van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de
commissaris van de Koning, de voor de uitvoering van het besluit
benodigde gemeenteambtenaren ter beschikking en verschaft op eerste
vordering van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van
de Koning, alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het
besluit tot indeplaatsstelling.
2. Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning onderscheidenlijk
Onze Minister wie het aangaat kunnen ambtenaren aanwijzen die ten
behoeve van de uitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling
beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17
van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Het
gemeentebestuur verschaft de aangewezen ambtenaren desgevraagd de
faciliteiten die zij nodig hebben.
Artikel 124h
Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister,
kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van systematische
informatie aan het provinciebestuur of, in het geval artikel 124b,
eerste lid, van toepassing is, Onze Minister wie het aangaat,
betreffende de uitvoering door het gemeentebestuur van de andere wet,
bedoeld in artikel 124, eerste lid. Bij ministeriėle regeling of bij
provinciale verordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
toepassing.
Artikel 124i [Vervallen per 01-01-2013]
§ 4. Bestuursdwang
Artikel 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt
uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van
regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt
uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving
van regels welke hij uitvoert.
4. Een bestuurscommissie, een deelraad, het dagelijks bestuur van een
deelgemeente of de voorzitter van het dagelijks bestuur van een
deelgemeente waaraan bevoegdheden van de raad, het college of de
burgemeester zijn overgedragen, bezit de bevoegdheid tot oplegging van
een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een
machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die
bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 127 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 128 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 129 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 130 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 131 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 132 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 133 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 134 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 135 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 136 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 137 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 138 [Vervallen per 01-12-1998]
§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen
verbindende voorschriften inhouden
Artikel 139
1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende
voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn
bekendgemaakt.
2. De bekendmaking geschiedt:
a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
geven gemeenteblad;
b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd
van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college
te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.
3. Het gemeenteblad kan elektronisch worden uitgegeven. Na de uitgifte
blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze
beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk
onmogelijk is, voorziet het gemeentebestuur in een vervangende uitgave.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het
bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld.
4. Voor het inzien van een overeenkomstig het tweede lid bekendgemaakt
besluit worden geen kosten in rekening gebracht.
5. Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is
onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die
goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de
omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn
genomen.
Artikel 140
1. De teksten van besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
verbindende voorschriften inhouden, zijn in geconsolideerde vorm voor
een ieder beschikbaar door middel van een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium.
2. Een geconsolideerde tekst van een besluit die op grond van het eerste
lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien het besluit na de
beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3. Onze Minister kan regels stellen over de wijze waarop de in het
eerste lid bedoelde teksten beschikbaar worden gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieėn
van besluiten worden aangewezen, waarop het eerste lid niet van
toepassing is.
Artikel 141
Een ieder kan op verzoek een papieren afschrift verkrijgen van de
besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
inhouden. Het afschrift wordt verstrekt tegen ten hoogste de kosten van
het maken van het afschrift.
Artikel 142
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste
dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een
ander tijdstip is aangewezen.
Artikel 143
Een besluit als bedoeld in artikel 139 op overtreding waarvan straf is
gesteld, wordt na de bekendmaking medegedeeld aan het parket van het
arrondissement waarin de gemeente is gelegen.
Artikel 144
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende
voorschriften inhouden, is het bepaalde in de artikelen 139, 142 en 143
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling aan
het arrondissementsparket geschiedt binnen een week.
§ 6. Termijnen
Artikel 145
Op termijnen gesteld in een gemeentelijke verordening zijn de artikelen
1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige
toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.
Artikel 146 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad
Artikel 147
1. Gemeentelijke verordeningen worden door de raad vastgesteld voor
zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens
de wet aan het college of de burgemeester is toegekend.
2. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, eerste lid, berusten
bij de raad.
3. De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, tweede lid, berusten
bij het college, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de
raad of de burgemeester zijn toegekend.
Artikel 147a
1. Een lid van de raad kan een voorstel voor een verordening of een
ander voorstel ter behandeling in de raad indienen.
2. De raad regelt op welke wijze een voorstel voor een verordening wordt
ingediend en behandeld.
3. De raad regelt op welke wijze en onder welke voorwaarden een ander
voorstel wordt ingediend en behandeld.
Artikel 147b
1. Een lid van de raad kan een voorstel tot wijziging van een voor de
vergadering van de raad geagendeerde ontwerp-verordening of
ontwerp-beslissing indienen.
2. Het tweede lid van artikel 147a is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 148 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 149
De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente
nodig oordeelt.
Artikel 149a
Indien het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding
van een voorschrift van een verordening, dat strekt tot handhaving van
de openbare orde of veiligheid of tot bescherming van het leven of de
gezondheid van personen vereist dat de met het toezicht op de naleving
of de opsporing belaste personen bevoegd zijn binnen te treden in een
woning zonder toestemming van de bewoner, kan de raad deze bevoegdheid
bij verordening verlenen.
Artikel 150
1. De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.
2. De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de
verordening niet anders is bepaald.
Artikel 151 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 151a
1. De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden
gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot
het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen
betaling.
2. Bij de uitoefening van het toezicht op de naleving van de in het
eerste lid bedoelde voorschriften geldt de in artikel 2 van de Wet op de
identificatieplicht bedoelde verplichting ook voor een persoon die de
leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt. Deze toonplicht
betreft een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, onderdelen 1°
tot en met 3°, van die wet.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening
van het toezicht op de naleving van gemeentelijke voorschriften met
betrekking tot het, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
andere wijze, passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel
aanlokken.
Artikel 151b
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen
om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met
inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en
daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In
een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en
52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen.
2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als
veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in
het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012.
3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een
bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is
dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat
een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de
geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de
burgemeester de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift
kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de
opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter
kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het
tweede lid.
6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in
het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing
in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 151c
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen
om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde
noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste cameras voor
een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats
als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij
verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
De burgemeester bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare
plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de
verordening is bepaald.
2. De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het
overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012, de
periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde
daadwerkelijk gebruik van de cameras plaatsvindt en de met de cameras
gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
3. De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste
lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
4. De aanwezigheid van cameras als bedoeld in het eerste lid is op
duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare
plaats betreedt.
5. Met de cameras worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare
plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en
andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder
toegankelijk zijn.
6. De met de cameras gemaakte beelden mogen in het belang van de
handhaving van de openbare orde worden vastgelegd.
7. De verwerking van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, is een
verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens, met dien verstande
dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de
vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de
gegevens, bedoeld in het zesde lid, indien er concrete aanleiding
bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de
opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat
strafbare feit kunnen worden verwerkt.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op
de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels
worden gesteld omtrent:
a. de vaste cameras en andere technische hulpmiddelen benodigd voor
het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze
hulpmiddelen worden aangebracht;
b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de
uitvoering van het toezicht; en
c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht
vastgelegde beelden plaatsvindt.
Artikel 152 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 153 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 154
1. De raad kan op overtreding van zijn verordeningen en van die van
organen waaraan ingevolge artikel 156 verordenende bevoegdheid is
gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al
dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. Op de krachtens het eerste lid strafbaar gestelde overtreding van
voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten staan van
motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten bedoeld in artikel
225 zijn de artikelen 181 en 182 van de Wegenverkeerswet 1994 van
overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Artikel 154a
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen
om door de burgemeester aangewezen groepen van personen, op een door de
burgemeester aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding
kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
slechts uit:
a. jegens personen die een door de raad bij verordening vastgesteld en
daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van
de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld
in artikel 175, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting
of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op
andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
3. De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De
schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie dermate
spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot ophouding niet
tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk
voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
4. De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
5. De burgemeester laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet
overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep
in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beschikking
tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het
vierde lid, na te leven.
6. De burgemeester draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een
verslag van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de ophouding
wordt opgesteld.
7. De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter
voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een
maximum van twaalf uren.
8. De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de
op te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels hieromtrent worden gesteld.
9. De burgemeester draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de
opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe
door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten
bewijze dat zij zijn opgehouden.
10. Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, de verzoeker die is opgehouden zo mogelijk nog tijdens
zijn ophouding door de voorzieningenrechter gehoord;
b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van artikel 8:84, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk na het horen van
partijen uitspraak, en
c. wordt, in afwijking van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, geen griffierecht geheven.
11. Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de voorzieningenrechter
tevens de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot
ophouding jegens verzoeker.
12. Indien de voorzieningenrechter een of meer verzoeken toewijst op de
grond dat de beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig oordeel
onrechtmatig is, kan hij bepalen dat alle personen die op basis van de
betrokken beschikking zijn opgehouden, onverwijld in vrijheid worden
gesteld.
13. Het elfde lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling
van een beroep tegen de beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel
8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 154b
1. De raad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd voor overtreding van:
a. voorschriften uit zijn verordeningen betreffende gedragingen die
kunnen leiden tot overlast in de openbare ruimte en die tevens krachtens
artikel 154 strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van de bij algemene
maatregel van bestuur bepaalde voorschriften, en
b. de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde voorschriften die op
grond van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer zijn vastgesteld in een
verordening en die strafbaar zijn gesteld.
De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
2. De verordening, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op alle
overtredingen, genoemd in het eerste lid.
3. Een besluit van de raad tot intrekking van de verordening, bedoeld in
het eerste lid, treedt niet eerder in werking dan na twaalf maanden na
de bekendmaking van het besluit.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt
uitgeoefend door het college. Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de
burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving
van regels welke hij uitvoert.
5. In het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet
2012, vindt afstemming plaats over de inzet en werkwijze met betrekking
tot de aanpak van overlast in de openbare ruimte door de politie en de
ondergeschikten, bedoeld in artikel 154c, tweede lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden de verschillende
boetecategorieėn en de hoogte van de bestuurlijke boete bepaald. Voor
zover voor een voorschrift de boetecategorie en de hoogte van de boete
niet bij algemene maatregel van bestuur zijn bepaald, stelt de raad deze
vast in de verordening, bedoeld in het eerste lid. De bestuurlijke boete
kan voor natuurlijke personen per gedraging niet hoger zijn dan het
bedrag van de geldboete van de eerste categorie en voor rechtspersonen
per gedraging niet hoger zijn dan 2250.
7. Een bestuurlijke boete kan slechts worden opgelegd aan personen die
ten tijde van de overtreding 12 jaar of ouder waren. De bestuurlijke
boete wordt voor personen die ten tijde van de overtreding nog geen
zestien jaar oud waren, gehalveerd.
Artikel 154c
1. Zo mogelijk maakt het bestuursorgaan of de ondergeschikte, bedoeld in
het tweede lid, terstond na constatering van de overtreding daarvan een
rapport op en reikt een afschrift van dat rapport uit aan de overtreder.
2. Tot het opmaken van een rapport kan slechts worden gemachtigd een
ondergeschikte van het bestuursorgaan, die tevens buitengewoon
opsporingsambtenaar is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere eisen gesteld worden aan de ondergeschikte.
3. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, vermeldt het rapport het bestuursorgaan dat de
bestuurlijke boete zal opleggen.
Artikel 154d
Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op
een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 154b, eerste lid.
Artikel 154e
De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete wordt gezonden
naar het adres dat de overtreder heeft opgegeven. Indien de beschikking
onbestelbaar blijkt te zijn, wordt deze gezonden naar het in de
basisregistratie laatst vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als het
opgegeven adres. Indien de beschikking op het in de basisadministratie
persoonsgegevens vermelde adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de
beschikking geacht aan de overtreder bekend te zijn.
Artikel 154f [Vervallen per 23-02-2011]
Artikel 154g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 154h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 154i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 154j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 154k
1. Tegen een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 154b, eerste lid, kan een belanghebbende beroep
instellen bij de rechtbank. Het beroep wordt behandeld en beslist door
de kantonrechter. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet
van toepassing.
2. De artikelen 6, tweede lid, 10 en 12 tot en met 20d van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat telkens voor
«officier van justitie» wordt gelezen: de burgemeester of het college.
Artikel 154l
De bestuurlijke boete wordt betaald aan het bestuursorgaan binnen zes
weken nadat deze onherroepelijk is geworden.
Artikel 154m
1. De invordering vindt plaats met overeenkomstige toepassing van de
wettelijke bepalingen inzake invordering van gemeentelijke belastingen.
2. In afwijking van het eerste lid:
a. vindt kwijtschelding wegens onvermogen tot betalen niet plaats; en
b. verjaart de bevoegdheid tot invordering van de geldsom twee jaren
nadat de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.
Artikel 154n
1. De behandeling van het beroep vindt plaats binnen zes weken nadat de
indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, ter
hoogte van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete, dan wel nadat
de termijn daarvoor is verstreken.
2. Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van
het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de in het eerste lid bedoelde
termijn zonodig met vier weken worden verlengd.
3. De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij het bestuursorgaan
dat de bestuurlijke boete heeft opgelegd, hetzij door middel van een aan
betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de
rekening van de het bestuursorgaan. De griffie van de rechtbank wijst de
indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting
tot zekerheidsstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsstelling dient
te geschieden binnen twee weken na de dag van zijn mededeling. Indien de
zekerheidsstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het
beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest.
4. De verplichting tot zekerheidsstelling vervalt nadat ten aanzien van
de opgelegde bestuurlijke boete een onherroepelijke beslissing is
genomen.
5. Indien de in het vierde lid bedoelde beslissing inhoudt dat de
opgelegde bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk blijft gehandhaafd,
wordt de verschuldigde bestuurlijke boete op de zekerheidsstelling
verhaald.
Artikel 155
1. Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of
schriftelijk vragen stellen.
2. Een lid van de raad kan de raad verlof vragen tot het houden van een
interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda,
bedoeld in artikel 19, tweede lid, om het college of de burgemeester
hierover inlichtingen te vragen. De raad stelt hierover nadere regels.
Artikel 155a
1. De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek
naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen.
2. Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een
omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting.
Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de raad worden
gewijzigd.
3. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raad in te stellen
onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie leden en bestaat
uitsluitend uit leden van de raad.
4. De artikelen 22, 82, derde lid, en 86, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
5. De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden
uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig
zijn.
6. De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden
niet geschorst door het aftreden van de raad.
7. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van
een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de
omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 139,
tweede lid, 140 en 141 van overeenkomstige toepassing.
8. Alvorens de raad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij verordening
nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden
daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt
verleend aan de commissie.
Artikel 155b
1. Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden
van de door de raad of de deelraad ingestelde rekenkamer, personen die
de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van de deelraad,
leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de
burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt,
zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie
tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het
anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken
en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage,
afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als
bedoeld in artikel 155a nodig is.
2. Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft
op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie
of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de
vordering voldaan.
3. Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in artikel
155a alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te
verlenen.
Artikel 155c
1. Personen als bedoeld in artikel 155b, eerste lid, zijn verplicht te
voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of
deskundige te worden gehoord.
2. Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
3. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
4. De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
weten als zodanig te verlenen.
5. De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de
vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de
eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid
zullen zeggen.
6. De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting
worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.
7. De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De
leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding
over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.
8. Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan.
Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder
bijstand wordt gehoord.
9. Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen,
behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.
Artikel 155d
1. Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief,
houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
ontvangstbewijs uitgereikt.
2. De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn
verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun
verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of
deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het
eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de
belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn
verplichting te voldoen.
Artikel 155e
1. Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te
openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel
aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij
werkzaam is of is geweest.
2. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te
leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
3. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen
wethouders, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een
deelgemeente, leden en gewezen leden van een door het college of de
burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren,
door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn
niet verplicht aan artikel 155b, eerste en derde lid, en artikel 155c,
derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in
strijd is met het openbaar belang.
4. De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in
het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het
college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de
burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.
Artikel 155f
Het college neemt de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in
een bepaald jaar op in de ontwerp-begroting.
Artikel 156
1. De raad kan aan het college, een door hem ingestelde
bestuurscommissie en een deelraad bevoegdheden overdragen, tenzij de
aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. De raad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:
a. de instelling van een rekenkamer, bedoeld in artikel 81a, of het bij
verordening stellen van regels voor de uitoefening van de
rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 81oa;
b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in artikel 155a, eerste lid;
c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in artikel
189;
d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 198;
e. het stellen van straf op overtreding van de gemeentelijke
verordeningen;
f. de vaststelling van de verordeningen, bedoeld in de artikelen 212,
eerste lid, 213, eerste lid, en 213a, eerste lid;
g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213,
tweede lid;
h. de heffing van andere belastingen dan de belastingen, genoemd in
artikel 225, de precariobelasting, de rioolheffing, bedoeld in artikel
228a, de rechten, genoemd in artikel 229, de rechten waarvan de heffing
geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de heffing, bedoeld in
artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
3. De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen, door
strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de raad slechts
overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met
betrekking tot bepaalde door hem in zijn verordeningen aangewezen
onderwerpen.
4. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
5. Het tweede lid, aanhef en onder a, e en f, en het derde lid zijn niet
van toepassing op de overdracht van bevoegdheden aan een deelraad.
Artikel 157
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de raad, de
uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de
ingevolge artikel 156 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige
toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen
die betreffende vergaderingen.
Artikel 158
1. De raad kan de naam van de gemeente wijzigen.
2. Het besluit van de raad wordt ter kennis gebracht van Onze Minister
en het provinciebestuur.
3. Het besluit vermeldt de datum van ingang, die is gelegen ten minste
een jaar na de datum van het besluit.
Artikel 159 [Vervallen per 07-03-2002]
Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en
wethouders
Artikel 160
1. Het college is in ieder geval bevoegd:
a. het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover niet bij
of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee is belast;
b. beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij
bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast;
c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de
gemeente, met uitzondering van de organisatie van de griffie;
d. ambtenaren, niet zijnde de griffier en de op de griffie werkzame
ambtenaren, te benoemen, te schorsen en te ontslaan;
e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te
besluiten;
f. te besluiten namens de gemeente, het college of de raad
rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te
voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de
raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders
beslist;
g. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging;
h. jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te
veranderen.
2. Het college besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in
stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties
en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder
aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te
dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad
een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn
wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid behoeft de goedkeuring van
gedeputeerde staten. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens
strijd met het recht of het algemeen belang.
4. Het college neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een
rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter
voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
Artikel 161 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 162 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 163 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 164 [Vervallen per 07-03-2002]
Artikel 165
1. Het college kan aan een door hem ingestelde bestuurscommissie en aan
het dagelijks bestuur van een deelgemeente bevoegdheden overdragen,
tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
3. Het college neemt geen besluit op grond van het eerste lid dan nadat
de raad een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is
gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te
brengen.
Artikel 166
Het college kan een in de gemeente dienstdoende ambtenaar van politie
machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te
verrichten.
Artikel 167
1. De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van het college,
de uitoefening daarvan en het toezicht daarop, zijn ten aanzien van de
ingevolge artikel 165 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige
toepassing.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen
die betreffende vergaderingen.
Artikel 168
1. Het college kan een of meer leden van het college machtigen tot
uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling
waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
2. Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en
onder verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend.
3. Het college kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig
acht.
Artikel 169
1. Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad
verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur.
2. Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening
van zijn taak nodig heeft.
3. Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met
het openbaar belang.
4. Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h,
indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende
gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het
college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn
wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 160,
eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van
het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de
uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester
Artikel 170
1. De burgemeester ziet toe op:
a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het
gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede
op een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding,
vaststelling en uitvoering zijn betrokken;
b. een goede samenwerking van de gemeente met andere gemeenten en andere
overheden;
c. de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie;
d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur.
2. De burgemeester brengt tegelijk met de in artikel 197 bedoelde
stukken een burgerjaarverslag uit, waarin hij in ieder geval rapporteert
over:
a. de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening;
b. zijn bevindingen over het eerste lid, onder c.
3. De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de
gemeentelijke aangelegenheden.
Artikel 171
1. De burgemeester vertegenwoordigt de gemeente in en buiten rechte.
2. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging
opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
Artikel 172
1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.
2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften
die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te
beėindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande
politie.
3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij
ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die
noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.
4. De commissaris van de Koning geeft, indien een ordeverstoring van
meer dan plaatselijke betekenis dan wel ernstige vrees voor het ontstaan
van zodanige ordeverstoring zulks noodzakelijk maakt, de burgemeesters
in de provincie zoveel mogelijk na overleg met hen, de nodige
aanwijzingen met betrekking tot het door hen ter handhaving van de
openbare orde te voeren beleid. De aanwijzingen worden zo enigszins
mogelijk schriftelijk gegeven.
Artikel 172a
1. Onverminderdartikel 172, derde lid, en hetgeen bij gemeentelijke
verordening is bepaald omtrent de bevoegdheid van de burgemeester om
bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, kan de
burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel of
groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze
verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij
ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel
geven:
a. zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde
objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van
de gemeente;
b. zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor
het publiek toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meer dan drie
andere personen in groepsverband op te houden; of
c. zich op bepaalde tijdstippen te melden op bepaalde plaatsen, al dan
niet in een andere gemeente.
2. Een bevel zich te melden in een andere gemeente, wordt slechts
gegeven in overeenstemming met de burgemeester van die gemeente.
3. Indien de officier van justitie een persoon als bedoeld in het eerste
lid een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh,
tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, geeft de
burgemeester aan deze persoon niet een bevel als bedoeld in het eerste
lid, onder a of b, voor hetzelfde gebied.
4. Het bevel geldt voor een door de burgemeester vast te stellen periode
van ten hoogste drie maanden. Het bevel kan ten hoogste driemaal worden
verlengd met een door de burgemeester vast te stellen periode van
telkens ten hoogste drie maanden.
5. Op grond van nieuwe feiten of omstandigheden kan de burgemeester het
bevel wijzigen ten nadele van betrokkene.
6. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van de
verboden of geboden die voortvloeien uit het bevel, dan wel van een of
meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden.
7. Indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven,
wijzigt de burgemeester het bevel ten gunste van betrokkene. Het bevel
wordt ingetrokken zodra het niet langer nodig is ter voorkoming van
verdere verstoringen van de openbare orde.
Artikel 172b
1. De burgemeester kan aan een persoon die het gezag uitoefent over een
minderjarige die herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde heeft
verstoord en de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, bij
ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel
geven zorg te dragen:
a. dat de minderjarige zich niet bevindt in of in de omgeving van een of
meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer
bepaalde delen van de gemeente, tenzij de minderjarige wordt begeleid
door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere
meerderjarige als bedoeld in het derde lid; of
b. dat de minderjarige zich op bepaalde dagen gedurende een aangegeven
tijdvak tussen 8 uur s avonds en 6 uur s ochtends niet bevindt op
voor het publiek toegankelijke plaatsen, tenzij de minderjarige wordt
begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een
andere meerderjarige als bedoeld in het derde lid.
2. Het bevel geldt voor een door de burgemeester vast te stellen periode
van ten hoogste drie maanden.
3. De burgemeester kan voor de toepassing van het eerste lid ten hoogste
twee andere meerderjarigen naast de persoon of personen die het gezag
uitoefenen over een minderjarige aanwijzen ter begeleiding van de
minderjarige.
4. Artikel 172a, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 173 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 174
1. De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare
samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek
openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
2. De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht,
bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de
bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
3. De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor
zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.
Artikel 174a
1. De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek
toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het
erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt
verstoord.
2. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid komt de burgemeester
eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare
orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het
erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of
een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze
heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf
op grond van het eerste lid is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat
betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij
rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen
gebruiken.
3. De burgemeester bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In
geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de
openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem
te bepalen tijdstip te verlengen.
4. Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de
gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen
waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beėindigd. De eerste
volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in
spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
5. De artikelen 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing. De burgemeester kan van de
overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht
verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel.
Artikel 175
1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden
of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is
de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van
de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van
andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.
2. De burgemeester laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na
het doen van de nodige waarschuwing.
Artikel 176
1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid,
zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften
geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van
gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde
voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op
een door hem te bepalen wijze.
2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter
kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van het hoofd
van het arrondissementsparket.
3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de raad in zijn
eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan
de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, worden
bekrachtigd.
4. Indien de raad de voorschriften niet bekrachtigt, kan de burgemeester
binnen vierentwintig uren administratief beroep instellen bij de
commissaris van de Koning. Deze beslist binnen twee dagen. Gedurende de
beroepstermijn en de behandeling van het administratief beroep blijven
de voorschriften van kracht.
5. Hoofdstuk 6 en afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
niet van toepassing op het administratief beroep, bedoeld in het vierde
lid.
6. De commissaris kan de werking van de voorschriften opschorten zolang
zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit onmiddellijk de werking
van de voorschriften.
7. Zodra een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, zich
niet langer voordoet, trekt de burgemeester de voorschriften in. Het
tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 176a
1. De burgemeester is bevoegd door hem aangewezen groepen van personen
op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De
ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die
plaats.
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
slechts uit:
a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen
van een bevel als bedoeld in artikel 175 of van een algemeen verbindend
voorschrift als bedoeld in artikel 176, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting
of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op
andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
3. Artikel 154a, derde tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 177
1. De burgemeester kan een in de gemeente dienstdoende ambtenaar van
politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen
te verrichten.
2. Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten ingevolge
de artikelen 151b, 154a, 172, 172a, 172b, 174, tweede lid, 174a, 175,
176 en 176a.
Artikel 178
1. De burgemeester kan aan een door hem ingestelde bestuurscommissie en
aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente
bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen
overdracht verzet.
2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 151b, 154a en 172 tot en met
176a, kunnen in ieder geval niet worden overgedragen.
3. Ten aanzien van een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste
lid zijn de artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 van overeenkomstige
toepassing.
4. De burgemeester neemt geen besluit op grond van het eerste lid dan
nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden en in de gelegenheid is
gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de burgemeester te
brengen.
Artikel 179
De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de burgemeester,
de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de
ingevolge artikel 178 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 180
1. De burgemeester is aan de raad verantwoording schuldig over het door
hem gevoerde bestuur.
2. Hij geeft de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening
van zijn taak nodig heeft.
3. Hij geeft de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met
het openbaar belang.
Artikel 181 [Vervallen per 07-03-2002]
Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer
Artikel 182
1. De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de
rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Een
door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het
door het gemeentebestuur gevoerde bestuur bevat geen controle van de
jaarrekening als bedoeld in artikel 213, tweede lid.
2. Op verzoek van de raad kan de rekenkamer een onderzoek instellen.
Artikel 183
1. De rekenkamer is bevoegd alle documenten die berusten bij het
gemeentebestuur te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van
haar taak nodig acht.
2. Het gemeentebestuur verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de
rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.
3. Indien de zorg voor een administratie aan een derde is uitbesteed, is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de administratie van de
betrokken derde dan wel van degene die de administratie in opdracht van
die derde voert.
Artikel 184
1. De rekenkamer heeft de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten
aanzien van de volgende instellingen en over de volgende periode:
a. openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens
de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan de gemeente deelneemt,
over de jaren dat de gemeente deelneemt in de regeling;
b. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid waarvan de gemeente meer dan vijftig procent van het
geplaatste aandelenkapitaal houdt, over de jaren dat de gemeente meer
dan vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
c. andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente of een
derde voor rekening en risico van de gemeente rechtstreeks of middellijk
een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt ten bedrage van ten
minste vijftig procent van de baten van deze instelling, over de jaren
waarop deze subsidie, lening of garantie betrekking heeft.
2. De rekenkamer is bevoegd bij de betrokken instelling nadere
inlichtingen in te winnen over de jaarrekeningen, daarop betrekking
hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd
en overige documenten met betrekking tot die instelling die bij het
gemeentebestuur berusten. Indien een of meer documenten ontbreken, kan
de rekenkamer van de betrokken instelling de overlegging daarvan
vorderen.
3. De rekenkamer kan, indien de documenten, bedoeld in het tweede lid,
daartoe aanleiding geven, bij de betrokken instelling dan wel bij de
derde die de administratie in opdracht van de instelling voert, een
onderzoek instellen. De rekenkamer stelt de raad en het college van haar
voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis.
Artikel 184a
De rekenkamer is belast met het toezicht op de naleving van artikel 213,
achtste lid.
Artikel 185
1. De rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel vast in
rapporten, met dien verstande dat hierin niet worden opgenomen gegevens
en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
2. De rekenkamer deelt aan de raad, het college en, indien van
toepassing, aan de betrokken instelling, de opmerkingen en bedenkingen
mee die zij naar aanleiding van haar bevindingen van belang acht. Aan de
raad of het college kan zij ter zake voorstellen doen.
3. De rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een verslag op van haar
werkzaamheden over het voorgaande jaar.
4. De rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten en haar verslag
aan de raad en het college. Indien zij met toepassing van artikel 184
een onderzoek heeft ingesteld, zendt de rekenkamer tevens een afschrift
van het rapport aan de betrokken instelling.
5. De rapporten en de verslagen van de rekenkamer zijn openbaar.
Titel IV. De financiėn van de gemeente
Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen
Artikel 186
1. De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de
jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, kunnen tevens regels gesteld worden ten aanzien van:
a. door het college vast te stellen documenten ten behoeve van de
uitvoering van de begroting en de jaarrekening;
b. door het college aan derden te verstrekken informatie op basis van de
begroting en de jaarrekening en de controle van deze informatie.
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
periodiek verstrekken van informatie voor derden. In overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken kan worden bepaald dat de informatie
voor derden wordt gezonden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.
4. De informatie voor derden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
wordt gezonden aan Onze Minister binnen de termijnen, bedoeld in de
artikelen 191, tweede lid, en 200. Artikel 17a, vierde lid, van de
Financiėle-verhoudingswet is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien Onze Minister vaststelt dat de informatie, bedoeld in het
tweede lid, onder b, of de informatie, bedoeld in het derde lid, voor
zover die verstrekt moet worden aan Onze Minister, niet of niet tijdig
wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van die informatie tekort schiet,
doet hij daarvan mededeling aan het betrokken college.
6. Het college kan tot twee weken voor het verstrijken van de termijnen,
bedoeld in het vierde lid, schriftelijk en met redenen omkleed, aan Onze
Minister verzoeken om uitstel voor de toezending van de informatie. Onze
Minister beslist binnen twee weken op dat verzoek.
7. Indien de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder b, of de
informatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die verstrekt moet
worden aan Onze Minister, niet of niet tijdig wordt verstrekt, dan wel
de kwaliteit van die informatie tekort schiet, geeft Onze Minister een
aanwijzing aan het college om binnen een maand alsnog informatie van
voldoende kwaliteit te leveren.
8. Indien het college nalaat de aanwijzing, bedoeld in het zevende lid,
op te volgen, kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Financiėn besluiten de betalingen op grond
van artikel 15, eerste lid, van de Financiėle-verhoudingswet aan de
betreffende gemeente geheel of gedeeltelijk op te schorten gedurende ten
hoogste zesentwintig weken. Artikel 17b, vierde, vijfde en zesde lid,
van de Financiėle-verhoudingswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 187
Aan de gemeenten kunnen slechts bij of krachtens de wet uitgaven worden
opgelegd.
Artikel 188 [Vervallen per 07-03-2002]
Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening
§ 1. De begroting
Artikel 189
1. Voor alle taken en activiteiten brengt de raad jaarlijks op de
begroting de bedragen die hij daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de
financiėle middelen die hij naar verwachting kan aanwenden.
2. De raad ziet erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hiervan kan
hij afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in
de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.
3. Behoudens het bepaalde in de artikelen 208 en 209 kunnen ten laste
van de gemeente slechts lasten en daarmee overeenstemmende
balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de
begroting zijn gebracht.
4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
Artikel 190
1. Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in artikel 191, eerste
lid, bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting
met toelichting van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting
voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
2. De ontwerp-begroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken
liggen, zodra zij aan de raad zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage
en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de
verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.
3. De raad beraadslaagt over de ontwerp-begroting niet eerder dan twee
weken na de openbare kennisgeving.
Artikel 191
1. De raad stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat
waarvoor zij dient.
2. Het college zendt de door de raad vastgestelde begroting vergezeld
van de in artikel 190, eerste lid, bedoelde stukken, binnen twee weken
na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar
voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde
staten.
Artikel 192
1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het
eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2. De artikelen 190, tweede lid, en 191, tweede lid, alsmede, behoudens
in gevallen van dringende spoed, het bepaalde in artikel 190, derde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 193
Verplichte uitgaven van de gemeente zijn:
a. de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane
geldleningen en alle overige opeisbare schulden;
b. de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn
opgelegd;
c. de uitgaven die voortvloeien uit de van het gemeentebestuur
gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen
van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn
gebracht.
Artikel 194
1. Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te
brengen, doen gedeputeerde staten dit.
2. Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het
eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde
staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij
indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.
Artikel 195
Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de
betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf
op de begroting is gebracht.
Artikel 196 [Vervallen per 01-08-1996]
Paragraaf 2. De jaarrekening
Artikel 197
1. Het college legt aan de raad over elk begrotingsjaar verantwoording
af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de
jaarrekening en het jaarverslag.
2. Het college voegt daarbij de verslagen, bedoeld in artikel 213a,
tweede lid.
3. De raad legt de in het eerste en tweede lid, alsmede de in artikel
213, derde en vierde lid, bedoelde stukken, wanneer de bespreking
daarvan geagendeerd is op de in artikel 19, tweede lid, bedoelde wijze,
voor een ieder ter inzage en stelt ze algemeen verkrijgbaar. Van de
terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis
gegeven. De raad beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag
niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
Artikel 198
1. De raad stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar
volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en
lasten van de gemeente.
2. Indien de raad tot het standpunt komt dat in de jaarrekening
opgenomen baten, lasten of balansmutaties, die niet rechtmatig tot stand
zijn gekomen, aan de vaststelling van de jaarrekening in de weg staan,
brengt hij dit terstond ter kennis van het college met vermelding van de
gerezen bedenkingen.
3. Het college zendt de raad binnen twee maanden na ontvangst van het
standpunt, bedoeld in het tweede lid, een voorstel voor een
indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij de raad gerezen
bedenkingen.
4. Indien het college een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft
gedaan, stelt de raad de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft
besloten over het voorstel.
Artikel 199
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de
vaststelling van de jaarrekening de leden van het college ten aanzien
van het daarin verantwoorde financieel beheer.
Artikel 200
Het college zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag,
vergezeld van de overige in artikel 197 bedoelde stukken binnen twee
weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar,
volgend op het begrotingsjaar, aan gedeputeerde staten. Het college
voegt daarbij, indien van toepassing, het besluit van de raad over een
voorstel voor een indemniteitsbesluit met de reactie, bedoeld in artikel
198, derde lid.
Artikel 201
Indien de raad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of
niet naar behoren vaststelt, zendt het college de jaarrekening,
vergezeld van de overige in artikel 197 bedoelde stukken,
respectievelijk het indemniteitsbesluit ter vaststelling aan
gedeputeerde staten.
Artikel 202 [Vervallen per 07-03-2002]
§ 3. Goedkeuring van de begroting
Artikel 203
1. De begroting, bedoeld in artikel 189, van het eerstvolgende
begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende
begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten,
indien naar hun oordeel de begroting, bedoeld in artikel 189, niet in
evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 190,
niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot
stand zal worden gebracht. Gedeputeerde staten doen hiervan vóór de
aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het gemeentebestuur.
2. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de begroting, bedoeld in
artikel 189, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop
betrekking hebbende begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven,
indien:
a. de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande
jaar niet in evenwicht is, of
b. de begroting, bedoeld in artikel 189, niet tijdig is ingezonden aan
gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 191, of
c. de jaarrekening, bedoeld in artikel 197, eerste lid, van het tweede
aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is ingezonden aan
gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 200, eerste
lid.
3. Gedeputeerde staten maken een besluit als bedoeld in het tweede lid
vóór de aanvang van het begrotingsjaar aan het gemeentebestuur bekend.
4. De begroting behoeft geen goedkeuring indien gedeputeerde staten geen
mededeling doen als bedoeld in het eerste lid of geen besluit bekend
maken als bedoeld in het tweede lid binnen de in het eerste
respectievelijk derde lid genoemde termijn.
Artikel 204 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 205
1. Gedeputeerde staten stellen Onze Minister uiterlijk een maand na de
aanvang van het begrotingsjaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van
de mededelingen en besluiten, bedoeld in artikel 203, eerste en tweede
lid.
2. Gedeputeerde staten maken bij de aanvang van het desbetreffende
begrotingsjaar door publicatie in de Staatscourant bekend van welke
gemeenten de begrotingen en begrotingswijzigingen hun goedkeuring
behoeven.
Artikel 206
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht
of met het algemene financiėle belang.
Artikel 207
1. Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de begroting
aan gedeputeerde staten wordt aangeboden, de begroting nog niet is
goedgekeurd, vangt de in artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring van de
begroting.
2. Gedeputeerde staten kunnen bij hun besluit omtrent goedkeuring van de
begroting ten aanzien van door hen aan te geven soorten van wijzigingen
daarvan bepalen dat die hun goedkeuring niet behoeven.
Artikel 208
1. Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is
goedgekeurd, behoeft het gemeentebestuur tot het aangaan van
verplichtingen de toestemming van gedeputeerde staten.
2. Een aanvraag van het gemeentebestuur om toepassing van het eerste lid
kan door gedeputeerde staten slechts worden afgewezen wegens strijd met
het recht of met het algemene financiėle belang.
3. Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twee maanden na
de verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming
wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit
aan het gemeentebestuur is verzonden.
4. Gedeputeerde staten kunnen aan de toestemming voorschriften
verbinden.
5. Gedeputeerde staten kunnen bepalen voor welke posten en tot welk
bedrag het gemeentebestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid,
niet behoeft.
Artikel 209
1. In gevallen van dringende spoed kan, indien de raad daartoe besluit,
verplichting worden aangegaan voordat de desbetreffende begroting of
begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt gedeputeerde
staten terstond toegezonden. Is de aangegane verplichting geraamd bij
een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden,
dan wordt deze begrotingswijziging te zamen met het besluit toegezonden.
2. Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemt de raad bij
hoofdelijke oproeping.
Artikel 210
1. Indien de raad artikel 209 heeft toegepast en gedeputeerde staten hun
goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging
onthouden, kunnen zij binnen een maand nadat hun besluit onherroepelijk
is geworden, de leden van de raad die hun stem vóór het in artikel 209
bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel,
persoonlijk voor deze verplichting aansprakelijk stellen tegenover de
gemeente.
2. De werking van het besluit tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort
totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
op het beroep is beslist.
3. De commissaris van de Koning stelt zo nodig namens en ten laste van
de gemeente een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het
besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.
Artikel 211
Indien de begroting van een gemeente ingevolge artikel 203, eerste of
tweede lid, is onderworpen aan goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten
bepalen dat door hen aan te wijzen beslissingen van het gemeentebestuur
die financiėle gevolgen voor de gemeente hebben of kunnen hebben, door
het college binnen twee weken aan gedeputeerde staten worden
toegezonden.
Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle
Artikel 212
1. De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiėle
beleid, alsmede voor het financiėle beheer en voor de inrichting van de
financiėle organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de
eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.
2. De verordening bevat in ieder geval:
a. regels voor waardering en afschrijving van activa;
b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in
rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in
artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing
bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.
Artikel 213
1. De raad stelt bij verordening regels vast voor de controle op het
financiėle beheer en op de inrichting van de financiėle organisatie.
Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiėle
beheer en van de inrichting van de financiėle organisatie wordt
getoetst.
2. De raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de
controle van de in artikel 197 bedoelde jaarrekening en het daarbij
verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een
verslag van bevindingen.
3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle
aan of:
a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten
als de grootte en samenstelling van het vermogen;
b. de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot stand
zijn gekomen;
c. de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in
artikel 186 en
d. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is.
4. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over:
a. de vraag of de inrichting van het financiėle beheer en van de
financiėle organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording
mogelijk maken en
b. onrechtmatigheden in de jaarrekening.
5. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van
bevindingen aan de raad en een afschrift daarvan aan het college.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging
omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.
7. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke
dienst worden aangesteld en worden in dat geval door de raad benoemd,
geschorst en ontslagen.
8. Indien de raad op grond van het tweede lid accountants heeft
aangewezen die in gemeentelijke dienst zijn aangesteld, is:
a. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van de Wet
toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op deze
accountants;
b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van
de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing
op de gemeente; en
c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet
toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de
personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de
gemeente waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn.
9. Indien een gemeente wordt aangewezen als organisatie van openbaar
belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet
toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van
die wet van overeenkomstige toepassing op deze gemeente.
Artikel 213a
1. Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de
doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij
verordening regels hierover.
2. Het college brengt schriftelijk verslag uit aan de raad van de
resultaten van de onderzoeken.
3. Het college stelt de rekenkamer of, indien geen rekenkamer is
ingesteld, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, tijdig op de
hoogte van de onderzoeken die hij doet instellen en zendt haar,
onderscheidenlijk hen, een afschrift van een verslag als bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 214
Het college zendt de verordeningen, bedoeld in de artikelen 212, 213 en
213a, binnen twee weken na vaststelling door de raad aan gedeputeerde
staten.
Artikel 215
Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar
het beheer en de inrichting van de financiėle organisatie, bedoeld in
artikel 212, eerste lid.
Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 216
De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een
gemeentelijke belasting door het vaststellen van een
belastingverordening.
Artikel 217
Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de
belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit,
de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing,
het tijdstip van beėindiging van de heffing en hetgeen overigens voor
de heffing en de invordering van belang is.
Artikel 218 [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 218a [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 218b [Vervallen per 01-07-1996]
Artikel 219
1. Behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens
andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven
dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk.
2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede en
derde paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de gemeentelijke belastingen
worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen
heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een
gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het
inkomen, de winst of het vermogen.
§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
Artikel 220
Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kunnen onder de
naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven:
a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar
onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet
krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht,
gebruiken;
b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van
onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt
recht.
Artikel 220a
1. Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen wordt als onroerende
zaak aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet
waardering onroerende zaken.
2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 220b
1. Voor de toepassing van artikel 220, onderdeel a, wordt:
a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
in gebruik is gegeven;
b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
2. Voor de toepassing van artikel 220, onderdeel b, wordt als
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt
degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de
basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat
tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
is.
Artikel 220c
De heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is de op de voet
van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de
onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in
artikel 220.
Artikel 220d
1. In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de
heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking
gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in
dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geėxploiteerde
cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de
kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
voedingsbodem te gebruiken;
b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
onderdeel a bedoelde grond;
c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met
uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
worden;
f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
zodanige werken die dienen als woning;
i. een onroerende zaak of een deel daarvan waarvan de waarde ingevolge
de gemeentelijke belastingverordening bij de bepaling van de
heffingsmaatstaf buiten aanmerking blijft;
j. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
merken.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt het
begrip landbouw opgevat als in artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek.
3. Bij de toepassing van het eerste lid is het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende
zaken van overeenkomstige toepassing.
4. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
toepassing van het eerste en het tweede lid, alsmede met overeenkomstige
toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 220e
In afwijking van artikel 220c wordt bij de bepaling van de
heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting bedoeld in artikel 220,
onderdeel a, buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de
onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 220f
De belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het
percentage wordt gelijkelijk vastgesteld voor onderscheidenlijk:
a. de belasting, bedoeld in artikel 220, onderdeel a;
b. de belasting, bedoeld in artikel 220, onderdeel b, voor zover het
onroerende zaken betreft die in hoofdzaak tot woning dienen;
c. de belasting, bedoeld in artikel 220, onderdeel b, voor zover het
onroerende zaken betreft die niet in hoofdzaak tot woning dienen.
Artikel 220g [Vervallen per 29-12-2007]
Artikel 220h
1. In de belastingverordening kan worden bepaald dat geen belasting
wordt geheven indien de heffingsmaatstaf blijft beneden 12 000 dan
wel een in de belastingverordening te bepalen lager bedrag.
2. In de belastingverordening kunnen belastingbedragen tot maximaal
10 worden opgenomen waarvoor geen invordering zal plaatsvinden. Voor de
toepassing van de vorige volzin kan in de belastingverordening worden
bepaald dat het totaal van op één aanslagbiljet of kennisgeving
verenigde verschuldigde bedragen wordt aangemerkt als één
belastingbedrag.
Artikel 220i [Vervallen per 01-01-2007]
§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de
onroerende-zaakbelastingen
Artikel 221
1. Ter zake van binnen de gemeente gelegen woon-en bedrijfsruimten,
welke duurzaam aan een plaats gebonden zijn en dienen tot permanente
bewoning of permanent gebruik, doch niet onroerend zijn, kunnen de
volgende belastingen worden geheven, te weten:
a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar de
ruimten die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens
eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;
b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van
de ruimten het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
2. Bij de toepassing van het eerste lid zijn de artikelen 220a, tweede
lid, 220b,220d tot en met 220f en 220h alsmede het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 17 en 18 van de Wet waardering onroerende zaken
van overeenkomstige toepassing.
3. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen is gelijk
aan het binnen de gemeente geldende tarief voor de
onroerendezaakbelastingen.
Artikel 222
1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen
onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of
zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van
degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan
de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden
omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van
een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, of
met toepassing van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet ruimtelijke
ordening zijn of behoren te worden voldaan, wordt de baatbelasting ter
zake van die onroerende zaak niet geheven.
2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt
door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden
lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een
besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het
gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit
wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139.
3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op
een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen
uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren
nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.
5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de
belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een
jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren,
een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen.
Artikel 223
1. Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke
personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er
gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf
houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot
verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van
hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat
jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2. Degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of
ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend
orgaan, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of
bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf
vertoeft, is op die grond niet belastingplichtig.
3. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
Artikel 224
1. Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen
die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden
geheven.
2. Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot
verblijf biedt, is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op
degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.
Artikel 225
1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen
worden geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij
de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de
daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip
en wijze;
b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning
voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven
plaats en wijze.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan
het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een
voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het
onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen
voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop
dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
verboden.
3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt geheven
van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
4. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt
degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven
de belasting te willen voldoen.
5. Zolang geen voldoening van de in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde belasting heeft plaatsgevonden wordt de houder van het voertuig
aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Met betrekking
tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het kentekenregister,
bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, wordt als houder aangemerkt degene
op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van
het parkeren in het register was ingeschreven. De tweede volzin vindt
geen toepassing indien:
a. blijkt dat ten tijde van het parkeren een ander in het
kentekenregister had moeten staan ingeschreven, in welk geval die ander
wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
b. een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt
overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze
overeenkomst de huurder van het voertuig was, in welk geval de huurder
wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.
6. De belasting wordt niet geheven van degene die ingevolge het vijfde
lid is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien
deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen
zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik
redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
7. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geheven
van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan
afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van
de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of
weggedeelten.
Artikel 226
1. Ter zake van het houden van een hond kan van de houder een
hondenbelasting worden geheven.
2. De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het houden van een hond
door een lid van een huishouden aangemerkt als het houden van een hond
door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
Artikel 227
Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan
een reclamebelasting worden geheven.
Artikel 227a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 228
Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de
openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden
geheven.
Artikel 228a
1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter
bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en
bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het
ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde
structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de
grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven.
3. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de
omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds
recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.
Artikel 229
1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst
bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde
werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud
zijn;
b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte
diensten;
c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door
of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in
stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de
vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur
getroffen wordt.
2. Geen rechten kunnen worden geheven ter zake van het gebruik van
voorzieningen en het genot van diensten waarvan de kosten kunnen worden
bestreden door het heffen van een belasting als bedoeld in artikel 228a,
zulks met uitzondering van het aanbrengen van een aansluiting op een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als
bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer of op een
systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van die wet.
3. Voor de toepassing van deze paragraaf en de eerste en vierde
paragraaf van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten
aangemerkt als gemeentelijke belastingen.
Artikel 229a
De rechten, bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, kunnen
worden geheven door de gemeente die het gebruik van de bezittingen,
werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het
belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de gemeente
voordoet.
Artikel 229b
1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229,
eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig
vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de
geraamde lasten ter zake.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:
a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke
vervanging van de betrokken activa;
b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds
recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
Artikel 229c
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de
belastingen, bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk,
nadere regels worden gegeven.
Artikel 229d [Vervallen per 05-02-2005]
§ 4. Heffing en invordering
Artikel 230
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;
b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van
aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.
Artikel 231
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de
heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing
van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de
bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene
wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de
gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of
functionarissen:
a. Onze Minister van Financiėn, het bestuur van s Rijksbelastingen
en de directeur: het college;
b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van
gemeentelijke belastingen;
c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de
gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke
belastingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren
belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar;
f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met
betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene wet en in de
Invorderingswet 1990 voor «algemene maatregel van bestuur» en voor
«ministeriėle regeling» gelezen: besluit van het college.
4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in artikel 24 van
de Invorderingswet 1990 voor «de Staat» gelezen: de gemeente.
Artikel 232
1. Het college kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van
aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet
1990 voor de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar
een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.
2. De colleges van twee of meer gemeenten kunnen met betrekking tot een
of meer gemeentelijke belastingen bepalen dat ambtenaren van een van die
gemeenten worden aangewezen als:
a. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van
die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
betreffende de heffing van gemeentelijke belastingen;
b. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van
die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen;
c. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaren van
die gemeenten voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
d. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar van
die gemeenten, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
betreffende de invordering van gemeentelijke belastingen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
college van de gemeente waarvan de ambtenaar, belast met de invordering
van gemeentelijke belastingen op grond van het tweede lid, onderdeel b,
wordt aangewezen.
4. Indien voor de heffing of de invordering van gemeentelijke
belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die
regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die
regeling worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat
openbare lichaam wordt aangewezen als:
a. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van de
gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de
heffing van gemeentelijke belastingen;
b. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar van de
gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de
invordering van gemeentelijke belastingen;
c. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaren van
de gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende
de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
d. de in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar van de
gemeente voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de
invordering van gemeentelijke belastingen.
5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam waarvan een ambtenaar op
grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
Artikel 233
Gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag,
bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij
wege van afdracht op aangifte.
Artikel 233a
1. Indien de gemeentelijke belastingen op andere wijze worden geheven,
bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de
wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt
bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het
college omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.
2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van
de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als bij wege van
aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan
onder:
a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het
gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde
bedrag;
b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde
bedrag;
c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de
schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of
bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het
bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.
Artikel 234
1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt
geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.
2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:
a. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een
parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met
inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;
b. indien ingevolge artikel 235, eerste lid, een wielklem is
aangebracht, de voldoening op aangifte op de door het college bepaalde
wijze.
3. Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend
over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig
langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.
4. De artikelen 67b, 67c en 67f van de Algemene wet blijven buiten
toepassing.
5. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in
rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de
naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.
Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de
kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in
het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het
bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
7. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
kan, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de
belastingschuldige uit te reiken, worden volstaan met het aanbrengen van
het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het
aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken
van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het
aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het
geparkeerde voertuig.
8. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.
Artikel 234a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 234b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 235
1. Bij de belastingverordening, bedoeld in artikel 225, eerste lid,
onder a, kan worden bepaald dat terstond nadat het aanslagbiljet aan de
belastingschuldige is uitgereikt dan wel terstond nadat het
aanslagbiljet, overeenkomstig artikel 234, zevende lid, aan het voertuig
is aangebracht, de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar bevoegd is tot zekerheid van de betaling van de
naheffingsaanslag, bedoeld in artikel 234, derde lid, aan het voertuig
een mechanisch hulpmiddel, hierna te noemen: wielklem, te doen
aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden.
2. Bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening
in de daarin aangewezen gevallen door het college worden de terreinen of
weggedeelten aangewezen waar de wielklem wordt toegepast.
3. Ter zake van het aanbrengen alsmede van het verwijderen van de
wielklem worden kosten in rekening gebracht.
4. De wielklem wordt niet verwijderd dan nadat de naheffingsaanslag
alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de
wielklem zijn voldaan. Na deze voldoening vindt de verwijdering van de
wielklem zo spoedig mogelijk plaats.
5. Na afloop van een in de belastingverordening te bepalen termijn, die
ten minste 24 uren bedraagt na aanbrenging van de wielklem, is de in
artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd
het voertuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en
in bewaring te doen stellen. Ter zake van de in de eerste volzin
bedoelde overbrenging en bewaring wordt procesverbaal opgemaakt en
worden kosten in rekening gebracht.
6. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar draagt er zorg voor dat in een daartoe aangelegd
register aantekening wordt gemaakt van de gevallen waarin de in het
vijfde lid bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.
7. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar draagt zorg voor de bewaring van de ingevolge het
vijfde lid in bewaring gestelde voertuigen.
8. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar geeft het voertuig terug aan de rechthebbende, nadat
de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen van de
wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring zijn voldaan.
9. Wanneer het voertuig binnen 48 uren na het in bewaring stellen niet
is afgehaald, geeft de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar zo mogelijk binnen zeven dagen van de overbrenging en
bewaring kennis:
a. indien het voertuig een motorrijtuig is, dat een kenteken voert als
bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aan
degene aan wie dat kenteken is opgegeven;
b. indien blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van vermissing
is gedaan, aan degene die aangifte heeft gedaan;
c. in nader door Onze Minister te bepalen gevallen op de daarbij
aangegeven wijze.
10. De kosten van opsporing van degene aan wie de kennisgeving wordt
gezonden en die van het doen van de kennisgeving worden voor de
toepassing van dit artikel gerekend tot de kosten van overbrenging en
bewaring.
11. Wanneer het voertuig binnen drie maanden na het in bewaring stellen
niet is afgehaald, is de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde gemeenteambtenaar bevoegd het te verkopen of, indien verkoop
naar hun oordeel niet mogelijk is, het voertuig om niet aan een derde in
eigendom over te dragen of te laten vernietigen. Gelijke bevoegdheid
heeft de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar ook binnen die termijn, zodra het gezamenlijke bedrag
van de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen en verwijderen
van de wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd
met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de
vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het
voertuig naar zijn mening onevenredig hoog zou worden. Verkoop,
eigendomsoverdracht om niet of vernietiging vindt niet plaats binnen
twee weken nadat de kennisgeving als bedoeld in het negende lid is
uitgegaan. Voor de toepassing van de volgende leden worden de kosten van
verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging gerekend tot de
kosten van overbrenging en bewaring.
12. Gedurende drie jaren na het tijdstip van de verkoop heeft degene,
die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het
voertuig, met dien verstande dat eerst de kosten van het aanbrengen en
verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het
voertuig en vervolgens de naheffingsaanslag met die opbrengst worden
verrekend. Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventueel
batige saldo aan de gemeente.
13. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de wijze van berekening van de kosten van het aanbrengen
en verwijderen van de wielklem en van het overbrengen en bewaren van het
voertuig. In de belastingverordening wordt bepaald tot welke bedragen de
kosten in rekening worden gebracht.
14. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar stelt het bedrag van de in rekening te brengen kosten
vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
15. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, verkoop, eigendomsoverdracht
om niet en vernietiging, het inrichten en aanhouden van het in het zesde
lid bedoelde register, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering
van dit artikel noodzakelijk is.
16. Indien aantoonbaar is dat door het aanbrengen of het verwijderen van
de wielklem dan wel tijdens de overbrenging en bewaring schade aan het
voertuig is toegebracht, is de gemeente gehouden deze schade te
vergoeden.
Artikel 236
1. Bij de heffing van gemeentelijke belastingen blijven de artikelen 2,
vierde lid, 3, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 71, 76,
80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95 van
de Algemene wet buiten toepassing. Bij de heffing van gemeentelijke
belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de
artikelen 5, 6 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten
toepassing.
2. Op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken
van een kalenderjaar, doet de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
bedoelde gemeenteambtenaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, uitspraak in het kalenderjaar waarin
het bezwaarschrift is ontvangen.
Artikel 237
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 6 van de
Algemene wet, geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.
2. Het doen van aangifte, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet,
geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte
aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in artikel 231,
tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar vorderen dat een
verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een
verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het
mondeling doen van aangifte. Daarbij:
a. worden de door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
b. kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt
relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de
aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 231, tweede
lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar voor de termijnen, genoemd
in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede
lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet of
voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 238, eerste of tweede lid,
kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene
wet niet van toepassing.
5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden
afgeweken.
Artikel 238
1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven gemeentelijke
belastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9, eerste
en derde lid, van de Algemene wet genoemde termijn van ten minste een
maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven
gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn
van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste,
derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere termijn in de
plaats worden gesteld.
Artikel 239
1. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar is bevoegd voor eenzelfde belastingplichtige bestemde
belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op
verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting
op andere wijze wordt geheven.
Artikel 240 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 241 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 242
1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op
een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of
teruggaaf, kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die
aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een
belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat
tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden, binnen
zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het
verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf
indienen bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting
op andere wijze wordt geheven.
3. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 243
In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze
Minister en Onze Minister van Financiėn, het internationale gebruik
daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van gemeentelijke belastingen
verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere
regels stellen.
Artikel 244
Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing
of teruggaaf kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
gemeenteambtenaar ook een in de belastingverordening voorziene
vrijstelling ambtshalve verlenen.
Artikel 245 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 246 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 246a
1. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur:
a. regels worden gesteld waarbij de artikelen 48, 52, 53, eerste en
vierde lid, 54 of 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
alsmede de artikelen 59 of 62 van de Invorderingswet 1990 geheel of
gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel a
genoemde artikelen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een
omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de
belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden
deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van
de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van
de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel
waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers
kan geschieden.
Artikel 247 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 248 [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 249
Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de
Invorderingswet 1990 buiten toepassing de artikelen 5, 20, 21 59, 62 en
69. Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze
worden geheven, blijft bovendien artikel 8, eerste lid, van die wet
buiten toepassing.
Artikel 250
1. De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990
afwijkende voorschriften inhouden.
2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet
worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening
van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.
Artikel 250a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 251
Met betrekking tot het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19,
vierde lid, van de Invorderingswet 1990 zijn de krachtens het tiende lid
van dat artikel door Onze minister van Financiėn gestelde regels van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 251a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 252
De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem
te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van
artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in
artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de
krachtens artikel 250, eerste lid, gestelde termijn nog niet is
verstreken.
Artikel 253
1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de
belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.
2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit
het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt
recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is
gesteld, kan de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste
gemeenteambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak
verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder
rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan
hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht
verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders
belastingplicht.
4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde
belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door
de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat
vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van
overeenkomstige toepassing.
5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 254
Voor de toepassing van artikel 66 van de Invorderingswet 1990 met
betrekking tot gemeentelijke belastingen blijven de artikelen 76, 80,
tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet buiten
toepassing.
Artikel 255
1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding
wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in
artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar.
2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990
door Onze Minister van Financiėn bij ministeriėle regeling gestelde
regels van toepassing.
3. De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid
bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding
wordt verleend.
4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiėn, te stellen regels kan de raad met betrekking
tot de wijze waarop de kosten van bestaan en de wijze waarop het
vermogen in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er
toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend.
5. Het college kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar
verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar
belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de
verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.
Artikel 255a [Vervallen per 05-02-2005]
Artikel 256
Indien ter zake van een gemeentelijke belasting exploot moet worden
gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer
gelegd in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
dan wel in een andere gemeente dan die waaraan belasting verschuldigd
is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde gemeente
mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde gemeente respectievelijk
van het desbetreffende openbaar lichaam bevoegd en desgevraagd
verplicht.
Artikel 257
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de
belastingen, bedoeld in artikel 220, nadere regels worden gegeven inzake
de heffing en de invordering, alsmede inzake alle gemeentelijke
belastingen andere in het kader van deze paragraaf passende nadere
regels ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.
Artikel 258 [Vervallen per 01-07-1997]
Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het
gemeentebestuur
Hoofdstuk XVI. Goedkeuring
Artikel 259
1. Beslissingen van gemeentebesturen kunnen slechts aan goedkeuring
worden onderworpen in bij de wet of krachtens de wet bij provinciale
verordening bepaalde gevallen.
2. Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten
zijn artikel 266 alsmede afdeling 10.2.1 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 260 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 261 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 262 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 263 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 264 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 265 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 266
1. Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is
onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of
mede door Onze Minister.
3. Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van
State is gehoord. De toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht vindt in dat geval plaats voordat het
ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht.
Artikel 27d van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 267 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging
Artikel 268
1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig
rechtsgevolg van het gemeentebestuur kan bij koninklijk besluit worden
vernietigd.
2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing
gericht op enig rechtsgevolg zijn de artikelen 273 tot en met 281a
alsmede de afdelingen 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 269 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 270 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 271 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 272 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 273
1. Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor
vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen
nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde
staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan
tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig
aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2. Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies,
binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester
toe aan Onze Minister wie het aangaat.
3. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing
of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen
vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is
geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
Artikel 273a
1. Indien een besluit van de raad of het college naar het oordeel van
gedeputeerde staten of indien een besluit van de burgemeester naar het
oordeel van de commissaris van de Koning voor vernietiging in aanmerking
komt, doen zij daarvan binnen tien dagen nadat het te hunner kennis is
gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Zij geven hiervan
tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig
aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast en aan de
geadresseerde van het besluit.
2. Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing
of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen
vier weken na de dagtekening van de mededeling van gedeputeerde staten
of de commissaris van de Koning is geschorst of vernietigd, wordt het
uitgevoerd.
3. In geval de bevoegdheid tot het nemen van een besluit aan de raad,
het college of de burgemeester is verleend bij andere wet dan deze en
het besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met het
recht, kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van
de Koning mededeling doen dat zij overwegen toepassing te geven aan het
eerste lid. De mededeling wordt gedaan aan het orgaan dat het besluit
heeft genomen, het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is
belast en de geadresseerde van het besluit. Nadat gedeputeerde staten
onderscheidenlijk de commissaris van de Koning, mededeling hebben
gedaan, wordt het besluit niet of niet verder uitgevoerd. Indien niet
binnen tien dagen toepassing is gegeven aan het eerste lid, dan wel
indien gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de
Koning mededelen dat geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid,
wordt het besluit uitgevoerd.
Artikel 274
1. Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het
aangaat.
2. Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met
Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de
voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
Artikel 275
In het koninklijk besluit kan voor de duur van de schorsing een
voorziening worden getroffen.
Artikel 276 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 277
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd
waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het gemeentebestuur
openbaar kennis gegeven.
Artikel 278
1. De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze
Minister.
2. Artikel 17, derde lid, van de Wet op de Raad van State is niet van
toepassing.
Artikel 278a
1. In het koninklijk besluit kan een voorziening worden getroffen voor
de periode tussen de inwerkingtreding en het tijdstip dat het op grond
van artikel 281 genomen besluit in werking is getreden.
2. Indien, gelet op het koninklijk besluit, het gemeentebestuur bij de
toepassing van artikel 281 niet over beleidsvrijheid beschikt, kan het
koninklijk besluit bepalen dat het in de plaats treedt van het
vernietigde besluit.
3. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat ter zake van het
vernietigde besluit geen nieuw besluit wordt genomen.
4. In het koninklijk besluit kan het gemeentebestuur een aanwijzing
worden gegeven over de uitvoering van het koninklijk besluit. De
artikelen 124 tot en met 124i zijn van overeenkomstige toepassing
ingeval de aanwijzing niet wordt opgevolgd.
5. Indien het koninklijk besluit betrekking heeft op de vernietiging van
een algemeen verbindend voorschrift of een ander besluit van algemene
strekking, kan worden bepaald dat de vernietiging tevens betrekking
heeft op besluiten die zijn genomen op grond van of ter uitvoering van
het algemeen verbindend voorschrift of het andere besluit van algemene
strekking.
Artikel 279
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de
schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 280 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 281
1. Het gemeentebestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp
van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt
rekening gehouden, tenzij in het koninklijk besluit toepassing is
gegeven aan artikel 278a, tweede of derde lid.
2. In het koninklijk besluit kan een termijn worden gesteld waarbinnen
toepassing wordt gegeven aan het eerste lid. De artikelen 124 tot en met
124i zijn van overeenkomstige toepassing ingeval niet binnen de termijn
toepassing is gegeven aan het eerste lid.
Artikel 281a
In afwijking van artikel 8:4, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene
wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit
als bedoeld in artikel 268, eerste lid, dan wel tegen een
vernietigingsbesluit als bedoeld in de artikelen 85, tweede lid, en 87a,
eerste lid, beroep instellen.
Titel VI
Artikel 282 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 283 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 284 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 285 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 286 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 287 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 288 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 288a [Vervallen per 01-01-1994]
Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 289 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 290
1. De intrekking van de gemeentewet heeft geen gevolgen voor de
geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet
geldende besluiten.
2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende
voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet,
worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet
daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten, of
onderdelen daarvan, die bij het verstrijken van de in de vorige volzin
genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of
zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
3. Besluiten van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 100, eerste lid
van de gemeentewet vervallen van rechtswege op de dag waarop deze wet in
werking treedt.
4. Niettemin blijven gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze
wet bevoegd de jaarwedde van wethouders over de periode voorafgaand aan
de inwerkingtreding van deze wet vast te stellen overeenkomstig artikel
100, eerste lid, van de gemeentewet.
5. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
jaarwedden van gemeentesecretarissen, bedoeld in artikel 111, eerste
lid, van de gemeentewet.
Artikel 291
Artikel 44, vijfde tot en met achtste lid, onderscheidenlijk artikel 66,
vijfde tot en met zevende lid, is niet van toepassing op de bij
inwerkingtreding van die bepalingen zittende wethouder onderscheidenlijk
burgemeester, zolang deze zonder onderbreking zijn ambt vervult in
dezelfde gemeente.
Artikel 292 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 293 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 294 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 295 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 296 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 297 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 298 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 299 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 299a [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 299b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 300 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 300a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 300b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 301 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 302 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 303 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 304 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 305 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 305a [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 306 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 307 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 308 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 309 [Vervallen per 15-04-2009]
Artikel 310
Deze wet kan worden aangehaald als: Gemeentewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 14 februari 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de twaalfde maart 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I, bedoeld in artikel 124b,
eerste lid, van de Gemeentewet
A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
1. Ambtenarenwet.
2. Paspoortwet.
3. Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer.
4. Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens.
5. Kieswet.
B. Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
1. Wet werk en bijstand.
2. Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
3. Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
4. Wet werk en inkomen kunstenaars.
5. Wet sociale werkvoorziening.
6. Wet investeren in jongeren.
7. Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
C. Ministerie van Infrastructuur en
Milieu
1. Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
2. Havenbeveiligingswet.
3. Wet basisregistraties adressen en
gebouwen.
4. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer.
D. Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
1. Drank- en Horecawet.
2. Wet publieke gezondheid.
3. Wet maatschappelijke
ondersteuning.
E. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap
1. Wet op het primair onderwijs.
2. Wet op het voortgezet onderwijs.
3. Wet op de expertisecentra.
4. Wet educatie en beroepsonderwijs.
F. Ministerie van Financiėn
1. Wet waardering onroerende zaken
G. Ministerie van Veiligheid en
Justitie
1. Wet veiligheidsregios.
|