Nadere regelgeving:
- Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders
- Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders
- Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders
WET van 26 januari 2001 tot vaststelling
van de Gerechtsdeurwaarderswet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om bij
wet regels te stellen met betrekking tot de organisatie van het ambt van
gerechtsdeurwaarder en met betrekking tot de rechten en verplichtingen
van gerechtsdeurwaarders;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. ambtshandelingen: de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2;
c. gerechtsdeurwaarder: de ambtenaar, benoemd krachtens artikel 4,
eerste lid;
d. kandidaat-gerechtsdeurwaarder: hij die met goed gevolg de opleiding,
bedoeld in artikel 25, eerste lid, heeft doorlopen;
e. toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder: een als zodanig,
overeenkomstig artikel 26, aangewezen kandidaat-gerechtsdeurwaarder;
f. het Bureau: het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110
van de Wet op het notarisambt;
g. kamer voor gerechtsdeurwaarders: het college, bedoeld in artikel 34;
h. deeltijd: de werktijd die korter is dan de volledige werktijd die
geldt voor burgerlijke rijksambtenaren, werkzaam op de ministeries;
i. de KBvG: de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,
bedoeld in artikel 56.
Hoofdstuk II. De gerechtsdeurwaarder
Paragraaf 1. Ambt en bevoegdheid
Artikel 2
1.De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar, belast met de taken
die bij of krachtens de wet, al dan niet bij uitsluiting van ieder
ander, aan deurwaarders onderscheidenlijk gerechtsdeurwaarders zijn
opgedragen of voorbehouden. De gerechtsdeurwaarder is in het bijzonder
belast met:
a. het doen van dagvaardingen en andere betekeningen, behorende tot de
rechtsingang of de instructie van gedingen;
b. het doen van gerechtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en
verdere exploten;
c. ontruimingen, beslagen, executoriale verkopingen, gijzelingen en
andere handelingen, behorende tot of vereist voor de uitvoering van
executoriale titels dan wel voor de bewaring van rechten;
d. het doen van protesten van non-acceptatie of non-betaling van
wissels, orderbiljetten en dergelijke en het opmaken van een akte van
interventie aan de voet van het protest;
e. het ambtelijk toezicht bij vrijwillige openbare verkopingen van
roerende lichamelijke zaken bij opbod, bij opbod en afslag, of bij
afslag.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden de in het eerste lid
bedoelde ambtshandelingen omschreven.
3.Onder ambtshandelingen worden mede verstaan de werkzaamheden die
rechtstreeks daarmee samenhangen.
4.De hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
toepassing op ambtshandelingen en de weigering deze te verrichten.
Artikel 3
1.De gerechtsdeurwaarder is bevoegd tot het verrichten van
ambtshandelingen op het grondgebied van Nederland.
2.De gerechtsdeurwaarder is niet bevoegd tot het verrichten van
ambtshandelingen ten behoeve van of gericht tegen:
a. zichzelf, zijn echtgenoot, geregistreerde partner of een persoon met
wie hij een duurzame relatie onderhoudt en samenwoont;
b. zijn bloed- of aanverwanten, in rechte lijn onbepaald en in de
zijlijn tot en met de derde graad.
3.De gerechtsdeurwaarder is niet bevoegd tot het verrichten van
ambtshandelingen ten behoeve van of gericht tegen:
a. de bloed- en aanverwanten van een persoon met wie hij een duurzame
relatie onderhoudt en samenwoont, in rechte lijn onbepaald en in de
zijlijn tot en met de derde graad;
b. een rechtspersoon waarvan hij weet of had behoren te weten dat een
van de personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dan wel een van
hun bloed of aanverwanten in rechte lijn daarin een meerderheid van de
aandelen bezit of de functie van directeur vervult.
4.Ambtshandelingen, verricht in strijd met het tweede of derde lid, zijn
nietig.
Artikel 3a
1.De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van
een ambtshandeling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden
met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de
volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze Minister aanstonds
van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële
regeling is vastgesteld.
2.Onze Minister kan een gerechtsdeurwaarder aanzeggen dat een
ambtshandeling die aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem
reeds is verricht, in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen
van de Staat.
3.Een aanzegging kan uitsluitend ambtshalve geschieden. In verband met
de vereiste spoed kan een aanzegging mondeling geschieden, in welk geval
zij onverwijld schriftelijk wordt bevestigd.
4.Van de aanzegging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
5.Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging
ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling nog niet
verricht, dan heeft de aanzegging ten gevolge dat de gerechtsdeurwaarder
niet bevoegd is tot het verrichten van deze ambtshandeling. Een
ambtshandeling die is verricht in strijd met de eerste volzin is nietig.
6.Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging
ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling reeds verricht
en behelsde deze een beslagexploot, dan betekent hij deze aanzegging
aanstonds aan degene aan wie het exploot is gedaan, heft het beslag op
en maakt de gevolgen daarvan ongedaan. De kosten van de betekening van
de aanzegging komen ten laste van de Staat.
7.De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, de gevolgen
van de aanzegging, bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de
verplichtingen, bedoeld in het zesde lid, opheffen, onverminderd de
bevoegdheid van de gewone rechter. Indien de ambtshandeling een beslag
behelst is artikel 438, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
Paragraaf 2. Benoeming en beëdiging
Artikel 4
1.Een gerechtsdeurwaarder wordt benoemd bij koninklijk besluit. In het
besluit wordt de plaats van vestiging aangegeven. Hij mag zijn
werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder eerst aanvangen na overeenkomstig
artikel 9 te zijn beëdigd.
2.Tot het voeren van de titel van gerechtsdeurwaarder is uitsluitend
bevoegd degene die als zodanig is benoemd en beëdigd.
Artikel 5
1.Tot gerechtsdeurwaarder is slechts benoembaar degene die:
a. Nederlander is,
b. met goed gevolg een door Onze Minister erkende opleiding tot
kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft doorlopen, dan wel in het bezit is
van een ten aanzien van het beroep van gerechtsdeurwaarder afgegeven
EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties,
c. als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder ten minste gedurende
twee jaren, waaronder begrepen de stage, bedoeld in artikel 27, eerste
lid, werkzaam is geweest, met dien verstande dat, in geval van
werkzaamheid in deeltijd, deze termijn naar evenredigheid wordt
verlengd,
d. in het bezit is van een ondernemingsplan dat voldoet aan de
voorwaarden van artikel 6, eerste lid, alsmede van het advies, bedoeld
in artikel 6, tweede lid,
e. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, en
f. in het bezit is van een verklaring van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders, waaruit blijkt of hem een maatregel als bedoeld in
artikel 43 is opgelegd, en zo ja, welke.
2.In bijzondere gevallen en in geval van een persoon die reeds eerder
tot gerechtsdeurwaarder was benoemd, kan bij de benoeming van een
gerechtsdeurwaarder worden afgezien van het eerste lid, onderdeel c.
Artikel 6
1.Het ondernemingsplan, bedoeld in artikel 5, is zodanig opgesteld dat
daaruit in ieder geval blijkt:
a. dat de verzoeker over voldoende financiële middelen beschikt om een
kantoor te houden dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt;
en
b. dat op redelijke gronden mag worden verwacht dat na drie jaren de
praktijk kostendekkend kan worden uitgeoefend.
2.Over het ondernemingsplan wordt advies uitgebracht door een door Onze
Minister te benoemen Commissie van deskundigen. De Commissie is bevoegd
in verband met het onderzoek van het ondernemingsplan inlichtingen in te
winnen bij de KBvG en het Bureau. Het advies wordt als bijlage bij het
ondernemingsplan gevoegd.
3.Het secretariaat van de Commissie van deskundigen berust bij het
Bureau.
4.Voor de advisering over het ondernemingsplan door de Commissie van
deskundigen worden aan de verzoeker kosten in rekening gebracht.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent:
a. het ondernemingsplan;
b. de samenstelling en de werkwijze van de Commissie van deskundigen;
c. de wijze waarop de kosten van de advisering worden berekend.
Artikel 7
1.De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die voor benoeming tot
gerechtsdeurwaarder in aanmerking wenst te komen dient bij Onze Minister
een daartoe strekkend verzoek in, met opgave van de plaats waarin hij
voornemens is zich als gerechtsdeurwaarder te vestigen. Bij het verzoek
legt hij bewijsstukken over waaruit blijkt dat hij voldoet aan de
voorwaarden van artikel 5, daaronder begrepen het ondernemingsplan. In
het verzoek doet hij tevens opgave van het kantoor of de kantoren waar
hij als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest.
2.Onze Minister zendt een afschrift van het verzoek met de bijlagen aan
het bestuur van de KBvG met het verzoek hem uiterlijk binnen drie
maanden in kennis te stellen van eventuele aan haar bekende feiten of
omstandigheden, welke naar haar oordeel tot weigering van het verzoek
zouden kunnen leiden.
3.Een benoeming kan uitsluitend worden geweigerd indien aan één of
meer van de in artikel 5 genoemde voorwaarden niet is voldaan of wanneer
er, gelet op de antecedenten van de verzoeker, een gegronde vrees
bestaat dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder zal handelen of nalaten in
strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde of anderszins het
aanzien of de vervulling van het gerechtsdeurwaardersambt wordt geschaad
of belemmerd. Een beschikking tot weigering van een benoeming wordt
gegeven door Onze Minister.
4.Op het verzoek wordt beslist binnen vier maanden na ontvangst ervan.
Artikel 8
In afwijking van artikel 8:4, onderdeel d, van de Algemene wet
bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een besluit tot benoeming tot
gerechtsdeurwaarder beroep instellen.
Artikel 9
1.De gerechtsdeurwaarder legt binnen twee maanden na de dagtekening van
zijn benoeming ter openbare terechtzitting voor de rechtbank van het
arrondissement waarin de plaats van vestiging is gelegen de navolgende
eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning en de Grondwet.»
«Ik zweer (beloof), dat ik mij zal gedragen naar de wetten en
voorschriften op mijn ambt van toepassing en dat ik mijn taak eerlijk en
nauwgezet zal uitvoeren.»
«Voorts zweer (verklaar) ik, dat ik, om tot gerechtsdeurwaarder te
worden benoemd, direct of indirect aan niemand, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige giften of gaven beloofd of afgegeven heb, noch
beloven of afgeven zal».
2.Indien de eed of belofte niet binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn is afgelegd, vervalt de benoeming. Onze Minister kan de in het
eerste lid bedoelde termijn verlengen.
3.Alvorens de eed of belofte af te leggen, deponeert de
gerechtsdeurwaarder zijn handtekening en paraaf ter griffie van de in
het eerste lid bedoelde rechtbank. In geval van verandering van plaats
van vestiging buiten het arrondissement deponeert de gerechtsdeurwaarder
zo spoedig mogelijk na de benoeming op de nieuwe plaats van vestiging
zijn handtekening en paraaf ter griffie van de rechtbank in het
arrondissement waarin de nieuwe plaats van vestiging is gelegen.
Artikel 10
1.De plaats van vestiging van een gerechtsdeurwaarder kan, met
instemming van de betrokkene, door Onze Minister worden gewijzigd bij
een beschikking waarbij tevens de datum van ingang wordt bepaald.
2.De gerechtsdeurwaarder die zich in een andere plaats wenst te
vestigen, richt daartoe een verzoek tot Onze Minister. Hij doet daarbij
opgave van de gemeente waar hij voornemens is zich te vestigen. Bij dit
verzoek legt hij een ondernemingsplan over als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, betrekking hebbend op de plaats waar hij voornemens is zich
te vestigen, alsmede het advies, bedoeld in het tweede lid van dat
artikel. Artikel 7, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.Het verzoek kan uitsluitend worden geweigerd indien het bij het
verzoek overgelegde ondernemingsplan niet voldoet aan de voorwaarden van
artikel 6.
4.Indien de gerechtsdeurwaarder zich vestigt buiten het arrondissement
waarin zijn plaats van vestiging is gelegen, is hij niet bevoegd zijn
register en repertorium over te brengen naar de nieuwe plaats van
vestiging.
Paragraaf 3. Verplichtingen
Artikel 11
De gerechtsdeurwaarder is te allen tijde verplicht in het gehele
arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de
ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom
wordt verzocht, tenzij:
a. met het oog op zijn persoonlijke omstandigheden dit redelijkerwijs
niet van hem kan worden verlangd, of
b. de verzoeker niet bereid is het krachtens deze wet door de
gerechtsdeurwaarder aan hem gevraagde voorschot voor het verrichten van
ambtshandelingen te voldoen.
Artikel 12
1.Indien zich omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 11,
onderdeel a, treft de gerechtsdeurwaarder, voor zover dit in zijn
vermogen ligt, de nodige maatregelen om te verzekeren dat desverlangd in
het verrichten van de ambtshandelingen ter plaatse kan worden voorzien.
De gerechtsdeurwaarder kan daartoe Onze Minister verzoeken, een
waarnemer te benoemen. Hij kan daartoe een waarnemer aanbevelen.
2.Wanneer de gerechtsdeurwaarder gedurende meer dan dertig dagen
verhinderd is zijn ambt te vervullen, stelt hij Onze Minister hiervan in
kennis, onder mededeling van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid,
die hij heeft getroffen.
Artikel 13
Bij het verrichten van ambtshandelingen is de gerechtsdeurwaarder
verplicht zich desverlangd te legitimeren door middel van een door Onze
Minister afgegeven legitimatiebewijs.
Artikel 14
Alvorens over te gaan tot de executie van een executoriale titel tot
ontruiming van onroerende zaken, van een woonwagen of woonschip, geeft
de gerechtsdeurwaarder aan burgemeester en wethouders van de gemeente
waarbinnen de ontruiming zal plaats hebben, zo spoedig mogelijk kennis
van het tijdstip waarop hij tot executie zal overgaan.
Artikel 15
1.Het exploot van de gerechtsdeurwaarder dient duidelijk, in
onafgebroken samenhang, zonder afkortingen en in overeenstemming met de
terzake geldende wettelijke voorschriften te zijn opgesteld.
2.Een exploot is gedateerd en ondertekend door de gerechtsdeurwaarder.
De dagtekening geschiedt in letters.
3.Aan de voet van het exploot worden de kosten, bedoeld in de artikelen
240 en 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vermeld.
4.Een gerechtsdeurwaarder verstrekt desgevraagd het origineel van het
exploot aan degene op wiens verzoek hij de ambtshandeling heeft
verricht. Van ieder exploot bewaart hij een afschrift ten behoeve van
zijn administratie.
Artikel 16
1.De gerechtsdeurwaarder houdt een kantoor dat in zijn plaats van
vestiging is gelegen. Hij is verplicht aldaar zijn register en
repertorium te bewaren.
2.Op verzoek van een gerechtsdeurwaarder kan Onze Minister, gehoord de
Commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 6, hem toestaan om elders
een nevenkantoor te vestigen.
Paragraaf 4. Administratie en boekhouding
Artikel 17
1.De gerechtsdeurwaarder is verplicht zowel ten aanzien van zijn
werkzaamheden als zodanig als ten aanzien van zijn kantoorvermogen een
administratie te voeren, waaruit te allen tijde op eenvoudige wijze zijn
rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Hij is tevens verplicht
ten aanzien van zijn privé-vermogen, daaronder mede begrepen het
vermogen van een gemeenschap van goederen waarin hij is gehuwd of waarin
hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan, een administratie te
voeren. De gerechtsdeurwaarder moet jaarlijks zowel ten aanzien van zijn
kantoorvermogen als ten aanzien van zijn privé-vermogen een balans
opmaken en, voor wat betreft de kantoorwerkzaamheden, een staat van
baten en lasten.
2.De administratie ten aanzien van zijn werkzaamheden als zodanig,
bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op de ambtshandelingen
alsmede op de andere werkzaamheden, bedoeld in artikel 20, welke de
gerechtsdeurwaarder verricht. De administratie met betrekking tot de
ambtshandelingen omvat onder meer een register en een repertorium.
3.Het register omvat, in volgorde van dagtekening, de afschriften van de
door de gerechtsdeurwaarder opgemaakte of ondertekende exploten,
processen-verbaal, akten en verklaringen.
4.Het repertorium wordt van dag tot dag bijgehouden en bevat met
betrekking tot alle door de gerechtsdeurwaarder uitgebrachte exploten:
a. de dagtekening van het exploot,
b. de aard van het exploot,
c. de naam van ten minste een der betrokken partijen, en
d. de kosten van het exploot.
5.Bij verordening worden regels gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de kantoor- en privé-administratie worden ingericht en
bijgehouden.
Artikel 18
1.De gerechtsdeurwaarder is verplicht de stukken en afschriften
betreffende zijn kantooradministratie gedurende de in artikel 10, derde
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn te bewaren.
Artikel 10, vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van
toepassing.
2.De gerechtsdeurwaarder is verplicht van de tot zijn register behorende
stukken, tegen betaling van de bij ministeriële regeling vast te
stellen kosten, op hun verlangen expedities of uittreksels af te geven
aan hen die ten tijde van het opmaken van de akte of de betekening
daarvan, hetzij het origineel, hetzij een afschrift hebben ontvangen, of
aan hun rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel. In geval een
derde-beslagene een elektronisch afschrift heeft ontvangen, geschiedt
deze afgifte kosteloos. De expedities of uittreksels worden bij de
afgifte daarvan als zodanig gewaarmerkt en door de gerechtsdeurwaarder
die deze afgeeft gedagtekend en getekend.
3.In geval van overlijden, een wijziging van de plaats van vestiging als
bedoeld in artikel 10, vierde lid, dan wel ontslag, dragen de
gerechtsdeurwaarder of zijn erfgenamen de tot de administratie behorende
stukken die krachtens het eerste lid nog moeten worden bewaard, over aan
de waarnemend gerechtsdeurwaarder of aan een door Onze Minister aan te
wijzen bewaarder. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
degene aan wie de stukken zijn overgedragen.
4.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
privé-administratie van de gerechtsdeurwaarder.
Artikel 19
1.De gerechtsdeurwaarder is verplicht bij een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een of meer bijzondere
rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn
hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in
verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder
zich neemt. Gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn
werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd,
moeten op die rekening worden gestort. De bovenbedoelde
kredietinstelling voegt de over de gelden gekweekte rente toe aan het
saldo van de bijzondere rekening. Indien deze gelden abusievelijk op een
andere rekening van de gerechtsdeurwaarder zijn gestort of indien ten
onrechte gelden op de bijzondere rekening zijn gestort, is de
gerechtsdeurwaarder verplicht deze onverwijld op de juiste rekening te
storten. Hetzelfde geldt indien de gelden rechtstreeks in handen van de
gerechtsdeurwaarder zijn gesteld. Indien meer gerechtsdeurwaarders in
een maatschap samenwerken, kan de bijzondere rekening ten name van die
gerechtsdeurwaarders tezamen, de maatschap of de vennootschap worden
gesteld. De gerechtsdeurwaarder vermeldt het nummer van de bijzondere
rekening op zijn briefpapier.
2.De gerechtsdeurwaarder is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de
beschikking over de bijzondere rekening. De gerechtsdeurwaarder kan met
een rechthebbende overeenkomen om zijn aandeel in het saldo van de
bijzondere rekening periodiek uit te keren. Hij kan aan een onder zijn
verantwoordelijkheid werkzame persoon volmacht verlenen. Ten laste van
deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een
rechthebbende.
3.Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort
toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere
rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te
zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. De
gerechtsdeurwaarder of, indien het een gezamenlijke rekening als bedoeld
in het eerste lid, zesde volzin betreft, iedere gerechtsdeurwaarder, is
verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond
aan te vullen, en hij is ter zake daarvan aansprakelijk, tenzij hij
aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort
geen verwijt treft.
4.Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet
anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel
in het saldo van de bijzondere rekening. Is het saldo van de bijzondere
rekening niet toereikend om aan iedere rechthebbende het bedrag van zijn
aandeel uit te keren, dan mag de gerechtsdeurwaarder aan de
rechthebbende slechts zoveel uitkeren als in verband met de rechten van
de andere rechthebbenden mogelijk is. In dat geval wordt het saldo onder
de rechthebbenden verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel, met
dien verstande dat, indien een gerechtsdeurwaarder zelf rechthebbende
is, hem slechts wordt toegedeeld hetgeen overblijft, nadat de andere
rechthebbenden het hun toekomende hebben ontvangen.
5.Er kan geen derdenbeslag worden gelegd onder de in het eerste lid
bedoelde kredietinstelling op het aandeel van een rechthebbende in de
bijzondere rekening. Is onder de gerechtsdeurwaarder derdenbeslag gelegd
op het aandeel van een rechthebbende in de bijzondere rekening, dan kan
de gerechtsdeurwaarder die overeenkomstig de artikelen 476a en 477 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verklaring heeft gedaan of
die is veroordeeld overeenkomstig artikel 477a van dat wetboek, zonder
opdracht van de rechthebbende overeenkomstig de verklaring of
veroordeling betalen aan de executant.
6.Rechtshandelingen verricht in strijd met de bepalingen van dit artikel
zijn vernietigbaar. De vernietigingsgrond kan worden ingeroepen door
iedere rechtstreeks belanghebbende. Rechten, door derden te goeder trouw
anders dan om niet verkregen op gelden die het voorwerp waren van de
vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd.
7.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
wijze van berekening en uitkering van de rente van de op de bijzondere
rekening gestorte gelden. Beneden een bij de regeling te bepalen bedrag
is geen rente verschuldigd.
8.Van de bepalingen van dit artikel en van de in het zevende lid
bedoelde regels kan niet worden afgeweken.
Paragraaf 5. Nevenwerkzaamheden
Artikel 20
1.Andere werkzaamheden dan die, bedoeld in artikel 2, verricht de
gerechtsdeurwaarder slechts indien dit de goede en onafhankelijke
vervulling van zijn ambt, dan wel het aanzien daarvan, niet schaadt of
belemmert.
2.Met het oog op de belangen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het verrichten van
bepaalde werkzaamheden regels worden gesteld.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan het verrichten van bepaalde
werkzaamheden worden verboden, behoudens indien het betreft:
a. het optreden als proces- of rolgemachtigde en het verlenen van
rechtsbijstand in en buiten rechte, overeenkomstig hetgeen daaromtrent
bij of krachtens de wet is bepaald;
b. het optreden als curator of bewindvoerder;
c. het innen van gelden voor derden, waarbij artikel 19 van
overeenkomstige toepassing is;
d. het verrichten van inventarisaties en taxaties;
e. het opmaken van een schriftelijke verklaring betreffende door de
gerechtsdeurwaarder persoonlijk waargenomen feiten van stoffelijke aard;
f. de uitoefening van het veilinghoudersbedrijf, met dien verstande dat
de ambtshandelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e,
daarin niet mogen worden uitgeoefend.
Paragraaf 6. De declaratie
Artikel 21
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot het betalen van voorschotten op hetgeen door de opdrachtgever aan de
gerechtsdeurwaarder verschuldigd is.
Artikel 22
De gerechtsdeurwaarder is verplicht een rekening ter zake van een aan
hem toevertrouwde zaak op te maken, waaruit duidelijk blijkt op welke
wijze het in rekening gebrachte is berekend en of het betrekking heeft
op ambtshandelingen of op andere werkzaamheden, als bedoeld in artikel
20.
Hoofdstuk III. Waarnemend gerechtsdeurwaarders,
kandidaat-gerechtsdeurwaarders en toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarders
Paragraaf 1. De waarnemend gerechtsdeurwaarder
Artikel 23
1.Ingeval van ontslag dan wel indien de ter plaatse benoemde
gerechtsdeurwaarder door ziekte, afwezigheid of schorsing zijn ambt niet
kan vervullen, kan Onze Minister voor bepaalde of onbepaalde tijd een
waarnemend gerechtsdeurwaarder benoemen.
2.Tot waarnemend gerechtsdeurwaarder kunnen worden benoemd:
a. een gerechtsdeurwaarder;
b. een persoon die voldoet aan de vereisten voor benoeming tot
gerechtsdeurwaarder, met uitzondering van het vereiste van artikel 5,
eerste lid, onder d;
c. in geval van ontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 65
jaren, de ontslagene zelf, doch niet voor langer dan één jaar.
3.Een persoon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, die voor de
eerste maal tot waarnemend gerechtsdeurwaarder wordt benoemd, legt zo
spoedig mogelijk na zijn benoeming ter openbare terechtzitting voor de
rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van vestiging is
gelegen, de navolgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning en de Grondwet.»
«Ik zweer (beloof), dat ik mij zal gedragen naar de wetten en
voorschriften op mijn ambt van toepassing en dat ik mijn taak eerlijk en
nauwgezet zal uitvoeren.»
4.De waarneming eindigt:
a. door ontslag door Onze Minister;
b. doordat de waargenomen gerechtsdeurwaarder, na kennisgeving daarvan
aan Onze Minister, zijn ambtsvervulling hervat;
c. door verloop van de termijn waarvoor de waarnemend
gerechtsdeurwaarder werd benoemd.
Artikel 24
1.Een waarnemend gerechtsdeurwaarder heeft dezelfde rechten en
verplichtingen als een gerechtsdeurwaarder.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3, tweede tot en met vierde lid
en artikel 3a, is de waarnemend gerechtsdeurwaarder bevoegd een verzoek
tot het verrichten van ambtshandelingen dat was gericht tot de waar te
nemen gerechtsdeurwaarder of waarnemend gerechtsdeurwaarder, uit te
voeren. Hij stelt verzoeker op de hoogte van de waarneming.
3.Het tweede lid is na beëindiging van de waarneming van
overeenkomstige toepassing op de waargenomen gerechtsdeurwaarder met
betrekking tot aan de waarnemend gerechtsdeurwaarder gerichte verzoeken
tot het verrichten van ambtshandelingen.
4.De waar te nemen gerechtsdeurwaarder verschaft de waarnemend
gerechtsdeurwaarder toegang tot zijn administratie voor zover dit
noodzakelijk is voor het vervullen van de waarneming.
5.Bij waarneming in geval van ziekte of afwezigheid kan de waarnemend
gerechtsdeurwaarder, in afwijking van artikel 17, in overeenstemming met
de waar te nemen gerechtsdeurwaarder diens administratie voortzetten.
6.Na beëindiging van de waarneming is het vierde lid van
overeenkomstige toepassing op de gewezen waarnemend gerechtsdeurwaarder
ten opzichte van de waargenomen gerechtsdeurwaarder.
7.Bij het verrichten van ambtshandelingen vermeldt de waarnemend
gerechtsdeurwaarder zijn hoedanigheid. Behalve in geval van ontslag,
vermeldt hij naast zijn eigen naam en voornamen, de naam, voornamen en
plaats van vestiging van de gerechtsdeurwaarder waarvoor hij waarneemt.
Paragraaf 2. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder
Artikel 25
1.Kandidaat-gerechtsdeurwaarder is hij die met goed gevolg een door Onze
Minister erkende opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft
doorlopen, of die in het bezit is van een ten aanzien van het beroep van
gerechtsdeurwaarder afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
2.Een erkenning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien het
opleidingsplan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen voldoet. Deze eisen kunnen betrekking hebben op:
a. de duur en de inrichting van de opleiding;
b. de toelating tot de opleiding;
c. de organisatie en exploitatie van de opleiding;
d. de examens en de rechtsbescherming van de cursisten;
e. het in rekening brengen van een financiële bijdrage aan degene die
de opleiding volgt.
3.De erkenning kan worden ingetrokken indien:
a. de erkenning is verleend op grond van onjuiste gegevens,
b. de opleider geen of onvoldoende uitvoering geeft aan het
opleidingsplan;
c. de opleider niet voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde regels.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning en de
besluitvorming daarover. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kan een commissie worden ingesteld die belast is met de behandeling van
beroepschriften van cursisten en stagiairs en met advisering over de
opleiding.
Artikel 26
1.Een gerechtsdeurwaarder kan, met goedkeuring van Onze Minister, een
kandidaat-gerechtsdeurwaarder die op zijn kantoor werkzaam is, aanwijzen
als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder.
2.Het verzoek om goedkeuring wordt ingediend door de gerechtsdeurwaarder
en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder gezamenlijk en bevat:
a. naam, voornamen, jaar, dag en plaats van geboorte van de
kandidaat-gerechtsdeurwaarder;
b. naam, voornamen en plaats van vestiging van de gerechtsdeurwaarder;
c. indien de kandidaat-gerechtsdeurwaarder reeds eerder als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam was, het tijdvak van deze
werkzaamheden en de naam en de plaats van vestiging van de vorige
gerechtsdeurwaarders aan wie hij was toegevoegd.
3.Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan slechts worden aangewezen als
toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder indien hij in het bezit is van
een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de termijn waarvoor de goedkeuring geldt en het aantal
toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders dat gelijktijdig onder
verantwoordelijkheid van één gerechtsdeurwaarder werkzaam kan zijn.
5.De goedkeuring kan worden ingetrokken indien de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder in de uitoefening van zijn werkzaamheden
handelt in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde of indien het
aanzien of de vervulling van het gerechtsdeurwaardersambt daarbij wordt
geschaad of belemmerd.
6.Op verzoek van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder wordt de
goedkeuring ingetrokken.
Artikel 27
1.Een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder doorloopt een stage van
een jaar. In geval van werkzaamheid in deeltijd wordt die periode naar
evenredigheid verlengd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de inrichting van de stage, de beoordeling van het kennen
en kunnen van de stagiair, en de rechten en verplichtingen van de
stagiair en de gerechtsdeurwaarder op wiens kantoor hij werkzaam is.
3.Iedere gerechtsdeurwaarder is verplicht naar vermogen mee te werken
aan de opleiding van kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Indien een
kandidaat-gerechtsdeurwaarder geen gerechtsdeurwaarder vindt die hem,
met het oog op het doorlopen van een stage, als toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder wil aanwijzen, wijst het bestuur van de
KBvG een gerechtsdeurwaarder aan, tenzij dit voor de desbetreffende
gerechtsdeurwaarder een onredelijke last zou vormen.
Artikel 28
1.De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan namens en onder
verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder op wiens kantoor hij
werkzaam is, de ambtshandelingen verrichten waartoe deze bevoegd is, met
uitzondering van die waartoe de gerechtsdeurwaarder bevoegd is uit
hoofde van een benoeming tot waarnemend gerechtsdeurwaarder.
2.De artikelen 3, tweede en derde lid, 13, 15 en 20 zijn van
overeenkomstige toepassing op de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Artikel 23, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing op de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder, met dien verstande dat de navolgende eed
of belofte wordt afgelegd:
«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning en de Grondwet.»
«Ik zweer (beloof), dat ik mij zal gedragen naar de wetten en
voorschriften op het ambt van gerechtsdeurwaarder van toepassing en dat
ik mijn taak eerlijk en nauwgezet zal uitvoeren.»
3.Bij het verrichten van ambtshandelingen vermeldt de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder naast zijn naam, voornamen en
hoedanigheid, de naam, voornamen en plaats van vestiging van de
gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd.
4.De toegevoegde kandidaat-gerechtsdeurwaarder verricht geen
ambtshandelingen indien voor de gerechtsdeurwaarder een waarnemend
gerechtsdeurwaarder is benoemd, tenzij de waarnemend gerechtsdeurwaarder
hem, na kennisgeving aan Onze Minister, toestemming heeft verleend om
onder verantwoordelijkheid van de waarnemend gerechtsdeurwaarder zijn
werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder voort te
zetten.
Artikel 29
Het toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarderschap eindigt door:
a. schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister en aan de toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarder van de intrekking van de aanwijzing door
de gerechtsdeurwaarder die deze heeft gedaan;
b. ontslag of overlijden van de gerechtsdeurwaarder die de aanwijzing
heeft gedaan;
c. intrekking van de goedkeuring of het verstrijken van de termijn,
waarvoor de goedkeuring was verleend, bedoeld in artikel 26;
d. benoeming van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder tot
gerechtsdeurwaarder.
Hoofdstuk IV. Toezicht en tuchtrechtspraak
Paragraaf 1. Toezicht
Artikel 30
1. Het toezicht op de naleving door de gerechtsdeurwaarder van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 19, eerste lid, tweede lid,
derde volzin, en zevende lid, wordt uitgeoefend door het Bureau
Financieel Toezicht, bedoeld in artikel 110 van de Wet op het
notarisambt. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
2. De artikelen 110, tweede tot en met elfde lid, 111 en 112, zevende en
achtste lid en 113 van de Wet op het notarisambt zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
1.De gerechtsdeurwaarder is verplicht de in artikel 17, eerste lid,
bedoelde stukken, vergezeld van een verslag van het onderzoek daarover
van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, dat voor wat betreft de jaarrekening van het
kantoor ten minste een beoordelingskarakter draagt, binnen zes maanden
na afloop van elk boekjaar in te dienen bij het Bureau.
2.Het Bureau kan van de gerechtsdeurwaarder verlangen dat hij inzage
verschaft in zijn kantoor- en privé-administratie en de daarmee verband
houdende bescheiden, de balansen, de staten van baten en lasten, het
register en het repertorium. Het Bureau kan verlangen dat de
gerechtsdeurwaarder een afschrift van deze stukken verstrekt.
Artikel 32
1.Indien het Bureau bij de uitoefening van het toezicht van feiten of
omstandigheden blijkt die naar zijn oordeel grond opleveren tot het
opleggen van een tuchtmaatregel, brengt het zijn bevindingen, desgeraden
in de vorm van een klacht, ter kennis van de voorzitter van de kamer
voor gerechtsdeurwaarders.
2.Het Bureau is belast met het doen van elk onderzoek naar de kantoor-
en privé-administratie van de gerechtsdeurwaarder waartoe de voorzitter
van de kamer van gerechtsdeurwaarders overeenkomstig artikel 34, zesde
lid, opdracht geeft.
Artikel 33
1.Het Bureau verschaft aan de Commissie van deskundigen, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, desverlangd inlichtingen in verband met het
onderzoek van het ondernemingsplan.
2.Het bestuur van de KBvG is verplicht toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarders, in verband met het opstellen van een
ondernemingsplan als bedoeld in artikel 5, desverlangd inlichtingen te
verschaffen over door gerechtsdeurwaarders verrichte ambtshandelingen.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het Bureau het
bestuur van de KBvG de hiervoor benodigde gegevens verstrekt.
Paragraaf 2. Tuchtrechtspraak
Artikel 34
1.De gerechtsdeurwaarder is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake
van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze
wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een
behoorlijk gerechtsdeurwaarder onderscheidenlijk
kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.
2.De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door een kamer
voor gerechtsdeurwaarders. De kamer voor gerechtsdeurwaarders is
gevestigd te Amsterdam. Zij kan ook buiten de vestigingsplaats zitting
houden.
3.De tuchtrechtspraak wordt in hoger beroep uitgeoefend door het
gerechtshof te Amsterdam. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen
hogere voorziening toegelaten, behoudens cassatie in het belang der wet.
4.Een lid dan wel plaatsvervangend lid van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders die gerechtsdeurwaarder is, wordt ingeval tegen hem
een klacht is ingediend onderscheidenlijk een verzoek is gedaan als
bedoeld in artikel 37, tweede lid, vervangen door een door de president
van het gerechtshof te Amsterdam aan te wijzen ander lid dan wel
plaatsvervangend lid, door Onze Minister benoemd op grond van artikel
35, derde lid.
5.De gerechtsdeurwaarder blijft in geval van schorsing of ontslag aan de
tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten als
bedoeld in het eerste lid, gedurende de tijd dat hij als deurwaarder
werkzaam was.
6.De voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kan, indien hij
zulks in het belang van het onderzoek wenselijk acht, het Bureau
opdragen een onderzoek in te stellen en hem van zijn bevindingen verslag
uit te brengen.
Artikel 35
1.De kamer voor gerechtsdeurwaarders bestaat uit vijf leden, onder wie
de voorzitter, en tien plaatsvervangende leden, onder wie twee of meer
plaatsvervangend voorzitters.
2.Onze Minister benoemt drie leden, onder wie de voorzitter, alsmede zes
plaatsvervangende leden, onder wie de plaatsvervangend voorzitters, uit
voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht.
3.Onze Minister benoemt, de voorzitter van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders gehoord, twee leden en vier plaatsvervangende leden
uit de gerechtsdeurwaarders, op aanbeveling van de KBvG. De aanbeveling
omvat voor iedere benoeming ten minste drie namen.
4.De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor vier jaren;
zij zijn bij hun aftreden eenmaal herbenoembaar.
5.Het lidmaatschap van de kamer voor gerechtsdeurwaarders is
onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur van de KBvG.
6.De griffier van de rechtbank te Amsterdam is secretaris van de kamer.
Met toestemming van de voorzitter kan hij zich doen vervangen door een
waarnemend griffier.
7.De reis- en verblijfskosten van de voorzitter, de plaatsvervangend
voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de secretaris komen
ten laste van de Staat.
Artikel 36
1. Het is aan de voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de
secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen bekend te maken;
b. de gevoelens te openbaren, die in raadkamer over aanhangige zaken
zijn geuit;
c. met betrekking tot een voor hen aanhangige zaak of een zaak die naar
zij weten of vermoeden aanhangig zal worden, zich in te laten in enig
onderhoud of gesprek met belanghebbenden of van dezen enige bijzondere
inlichting of schriftelijk stuk aan te nemen.
2. Een gerechtsdeurwaarder die lid of plaatsvervangend lid is van de
kamer voor gerechtsdeurwaarders, kan niet tot waarnemend
gerechtsdeurwaarder worden benoemd.
3. Het bepaalde in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f,
46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste
en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden en
de plaatsvervangende leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.
4. Het lidmaatschap van de kamer voor gerechtsdeurwaarders van leden en
plaatsvervangend leden vervalt van rechtswege indien zij ophouden te
voldoen aan de vereisten voor benoeming.
Artikel 37
1.Aan de behandeling en de beslissing van tuchtzaken wordt op straffe
van nietigheid deelgenomen door ten minste twee leden of
plaatsvervangende leden, onder wie de voorzitter of de plaatsvervangend
voorzitter, door Onze Minister benoemd op grond van artikel 35, tweede
lid, en een lid of plaatsvervangend lid, door Onze Minister benoemd op
grond van artikel 35, derde lid.
2.De kamer voor gerechtsdeurwaarders neemt een tegen een
gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar in behandeling hetzij op verzoek van
Onze Minister, hetzij op een bij de kamer ingediende klacht. Een verzoek
van Onze Minister of een klacht wordt schriftelijk en met redenen
omkleed ingediend bij de voorzitter van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders. Indien de klager daarom verzoekt, is de secretaris
hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de klacht.
3.Indien de voorzitter van oordeel is dat een klacht onderscheidenlijk
een verzoek vatbaar is voor minnelijke schikking, roept hij de klager
onderscheidenlijk Onze Minister en de betrokken gerechtsdeurwaarder op
ten einde een zodanige schikking te beproeven. Hij brengt klachten
onderscheidenlijk verzoeken die niet in der minne worden opgelost ter
kennis van de kamer.
4.De leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kunnen zich verschonen
en kunnen worden gewraakt, indien er te hunnen aanzien feiten of
omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Titel IV van het Vierde Boek
van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat:
a. in plaats van het openbaar ministerie en de verdachte Onze Minister,
de gerechtsdeurwaarder en de klager een verzoek om wraking kunnen doen;
b. deze voordracht mondeling of schriftelijk uiterlijk bij de aanvang
van de behandeling moet worden gedaan, tenzij de feiten of
omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen eerst in de loop
van de behandeling ontstaan of bekend worden en
c. degene die met de andere leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders
over wraking zal beslissen, wordt aangewezen uit de niet met de
behandeling van de zaak belaste leden en plaatsvervangende leden van de
kamer.
Artikel 38
1.De kamer voor gerechtsdeurwaarders is bevoegd, al dan niet op verzoek
van Onze Minister, een gerechtsdeurwaarder tegen wie een ernstig
vermoeden is gerezen dat hij een van de in artikel 34, eerste lid,
bedoelde handelingen of verzuimen heeft gepleegd, in afwachting van een
beslissing hierover te schorsen voor een periode van ten hoogste zes
maanden. Zij kan deze periode eenmaal verlengen voor ten hoogste zes
maanden of totdat een beslissing tot voordracht tot ontslag
onherroepelijk is geworden. De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan
steeds de schorsing opheffen.
2.De secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders stelt Onze
Minister en de betrokken gerechtsdeurwaarder onverwijld in kennis van
een schorsing als bedoeld in het eerste lid en van een beslissing tot
verlenging dan wel de opheffing daarvan.
3.Over het voornemen tot schorsing wordt de betrokken
gerechtsdeurwaarder gehoord.
4.Ingeval de kamer voor gerechtsdeurwaarders naar aanleiding van de in
artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen beslist tot
het opleggen van een schorsing gedurende een bepaalde termijn, kan zij
de periode van schorsing ingevolge het eerste lid in mindering brengen
op die termijn.
5.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien tegen een
gerechtsdeurwaarder een strafrechtelijke vervolging ter zake van een
misdrijf is ingesteld en het misdrijf mede het uitoefenen van het ambt
van gerechtsdeurwaarder raakt.
6.Binnen dertig dagen na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kan
Onze Minister of de betrokken gerechtsdeurwaarder daartegen bij met
redenen omkleed beroepschrift beroep instellen bij het gerechtshof te
Amsterdam. Het beroep schorst de beslissing waartegen het is gericht
niet.
Artikel 39
1.De voorzitter kan zonder nader onderzoek door de kamer voor
gerechtsdeurwaarders kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk
ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van
onvoldoende gewicht zijn, bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Van de beschikking van de voorzitter doet de secretaris onverwijld
mededeling aan de klager en aan de betrokken gerechtsdeurwaarder. Het
afschrift van de beschikking gaat vergezeld van de mededeling van de
termijn waarbinnen en de wijze waarop verzet kan worden gedaan. Tegen de
terkennisbrenging van de klacht staat geen rechtsmiddel open.
2.Tegen de beschikking van de voorzitter tot afwijzing van een klacht
kan de klager binnen veertien dagen na verzending van de kennisgeving
schriftelijk verzet doen bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders.
3.Ten gevolge van het verzet vervalt de beschikking, tenzij de kamer
voor gerechtsdeurwaarders het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond
verklaart. De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan het verzet niet
niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren dan na de klager en, zo nodig,
de betrokken gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid te hebben gesteld te
worden gehoord.
4.De beslissing op het verzet is met redenen omkleed. Tegen de
beslissing staat geen rechtsmiddel open. Van de beslissing wordt
schriftelijk kennis gegeven aan de klager en aan de betrokken
gerechtsdeurwaarder.
Artikel 40
1.Indien artikel 39, eerste lid, geen toepassing vindt of het verzet
gegrond is verklaard, zendt de griffier zo spoedig mogelijk een
afschrift van het klaagschrift en de daarbij gevoegde bescheiden aan de
betrokken gerechtsdeurwaarder.
2.Binnen een maand na dagtekening van de verzending van de in het eerste
lid bedoelde bescheiden kan de betrokken gerechtsdeurwaarder een
verweerschrift indienen; de voorzitter kan deze termijn op verzoek
verlengen. De secretaris zendt afschrift van dit geschrift aan de
klager.
3.De voorzitter is bevoegd aan de betrokken gerechtsdeurwaarder te
vragen binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen
te verschaffen en onder hem berustende of te zijner beschikking staande
bescheiden, al dan niet in gewaarmerkt afschrift, en voorwerpen in te
zenden.
Artikel 41
1.De voorzitter bepaalt het tijdstip voor de behandeling ter zitting van
de zaak. De secretaris roept de betrokken gerechtsdeurwaarder en de
klager ten minste tien dagen van tevoren schriftelijk op voor het
tijdstip van behandeling.
2.Wordt op de zitting de behandeling van de zaak voor een bepaalde tijd
uitgesteld of geschorst, dan wordt geen nieuwe kennisgeving als bedoeld
in het eerste lid gedaan.
3.De behandeling ter zitting van de kamer voor gerechtsdeurwaarders
geschiedt in het openbaar. De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan om
gewichtige redenen bevelen, dat de behandeling geheel of gedeeltelijk
met gesloten deuren zal plaatsvinden.
4.De betrokken gerechtsdeurwaarder en de klager kunnen zich doen
bijstaan of zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde.
5.De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan weigeren bepaalde personen, die
geen advocaat zijn, als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering
houdt de kamer de zaak tot een volgende zitting aan.
6.De secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders stelt de
betrokken gerechtsdeurwaarder en de klager, alsmede hun gemachtigden dan
wel degenen die hen bijstaan, tijdig tevoren in de gelegenheid om van de
op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen. Met betrekking
tot de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening
te brengen vergoedingen en met betrekking tot kosteloze verstrekkingen
is het terzake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke
zaken van overeenkomstige toepassing.
7.Aan de betrokken gerechtsdeurwaarder en de klager of hun gemachtigden
en aan degenen die hen bijstaan wordt de gelegenheid gegeven het woord
te voeren en hun standpunt toe te lichten.
Artikel 42
1.De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan getuigen en deskundigen
oproepen en horen. Het horen van getuigen en deskundigen kan ook aan
één der leden van de kamer worden opgedragen. Ieder die als getuige of
deskundige is opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
Hij is voorts verplicht op de gestelde vragen te antwoorden,
onderscheidenlijk de van hem gevorderde diensten te verlenen.
2.Op verzoek van de kamer voor gerechtsdeurwaarders doet de officier van
justitie hen dagvaarden. De betrokkene is verplicht na dagvaarding te
verschijnen.
3.Verschijnt een getuige of een deskundige op de dagvaarding niet, dan
doet de officier van justitie op verzoek van de kamer hem andermaal
dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het
Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4.De artikelen 290 en 292, eerste en vierde lid, onderscheidenlijk 299
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot het horen van een getuige onderscheidenlijk een
deskundige.
5.Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en
met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
6.De getuigen en deskundigen ontvangen indien zij dit wensen op vertoon
van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling, door de voorzitter
van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te begroten overeenkomstig het
bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
Artikel 43
1.De beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders betreffende een
tegen een gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar strekt tot
niet-ontvankelijkverklaring, ongegrondverklaring of gegrondverklaring
van het bezwaar. De beslissing is met redenen omkleed en wordt in het
openbaar uitgesproken, alles op straffe van nietigheid.
2.Indien de kamer voor gerechtsdeurwaarders het bezwaar geheel of
gedeeltelijk gegrond verklaart, kan zij de navolgende maatregelen
opleggen:
a. een berisping;
b. een berisping met de aanzegging dat, indien andermaal door hem een
van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen
wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal
worden overwogen;
c. een geldboete van de derde categorie;
d. schorsing voor een periode van ten hoogste één jaar;
e. ontzetting uit het ambt.
3.Bij de beslissing tot oplegging van een maatregel als bedoeld in het
tweede lid kan worden bepaald dat deze wordt openbaar gemaakt op een
daarbij voorgeschreven wijze, indien enig door artikel 34, eerste lid,
beschermd belang dat vordert.
4.Tot de tenuitvoerlegging van een maatregel wordt eerst overgegaan na
het onherroepelijk worden van de beslissing of op een in de beslissing
bepaald later tijdstip.
5.Een beslissing tot oplegging van een geldboete bepaalt de termijn
waarbinnen deze moet zijn voldaan. Op verzoek van de gerechtsdeurwaarder
kan de voorzitter de termijn verlengen. Wordt de boete niet binnen de
gestelde termijn voldaan, dan kan de kamer voor gerechtsdeurwaarders
ambtshalve beslissen de gerechtsdeurwaarder, na hem in de gelegenheid te
hebben gesteld te worden gehoord, te ontzetten uit het ambt. De
opgelegde boete komt ten bate van de Staat.
6.De secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders zendt haar
beslissing onverwijld schriftelijk aan Onze Minister, de betrokken
gerechtsdeurwaarder en de klager. De kamer kan in haar beslissing
bepalen, dat aan de klager slechts kennis wordt gegeven van dat deel van
de beslissing dat voor hem van belang is.
Artikel 44
De artikelen 40 tot en met 43 zijn van overeenkomstige toepassing op de
behandeling van een bezwaar tegen een gerechtsdeurwaarder op verzoek van
Onze Minister.
Artikel 45
1.Tegen een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders inzake een
tegen een gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar kan door Onze Minister, de
betrokken gerechtsdeurwaarder of de klager binnen dertig dagen na
dagtekening van de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 43,
zesde lid, bij met redenen omkleed beroepschrift, hoger beroep worden
ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
2.Het beroepschrift wordt ingediend bij de griffier van het gerechtshof
tezamen met een authentiek afschrift van de beslissing waartegen het
beroep is gericht.
3.Het beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, belast
met de behandeling van burgerlijke zaken.
4.De leden van het gerechtshof kunnen zich verschonen en kunnen worden
gewraakt, indien er te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan,
waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou
kunnen lijden. Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. in plaats van het openbaar ministerie en de verdachte Onze Minister,
de gerechtsdeurwaarder en de klager een verzoek om wraking kunnen doen;
b. deze voordracht mondeling of schriftelijk uiterlijk bij de aanvang
van de behandeling moet worden gedaan, tenzij de feiten of
omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen eerst in de loop
van de behandeling ontstaan of bekend worden en
c. degene die met de andere leden van het gerechtshof over wraking zal
beslissen, wordt aangewezen uit de niet met de behandeling van de zaak
belaste leden en plaatsvervangende leden van het hof.
5.Door het beroep wordt de tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel
geschorst.
Artikel 46
1.De griffier geeft zo spoedig mogelijk kennis van het beroep onder
toezending van een afschrift van het beroepschrift, aan de kamer voor
gerechtsdeurwaarders alsmede aan Onze Minister onderscheidenlijk de
gerechtsdeurwaarder of de klager, voor zover het beroep niet door hem is
ingesteld.
2.De kamer voor gerechtsdeurwaarders doet binnen drie weken na ontvangst
van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, de stukken die op de
zaak betrekking hebben, toekomen aan het gerechtshof.
Artikel 47
Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 40, tweede en
derde lid, en 41 tot en met 43 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48
1.Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van
de gronden, of doet met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
beslissing, hetgeen de kamer voor gerechtsdeurwaarders had behoren te
doen. De beslissing van het gerechtshof is met redenen omkleed en wordt
in het openbaar uitgesproken, alles op straffe van nietigheid.
2.Indien het gerechtshof een beslissing van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders tot niet-ontvankelijkheid vernietigt, wordt de zaak
ter verdere behandeling teruggezonden aan de kamer voor
gerechtsdeurwaarders.
3.Indien alleen de betrokken gerechtsdeurwaarder hoger beroep heeft
ingesteld, kan het gerechtshof alleen met eenparigheid van stemmen de
opgelegde maatregel verzwaren.
4.De griffier zendt onverwijld afschrift van de beslissing van het
gerechtshof aan de kamer voor gerechtsdeurwaarders, aan Onze Minister,
de betrokken gerechtsdeurwaarder en aan de klager.
5.De griffier zendt zo spoedig mogelijk afschrift van een beslissing als
bedoeld in het tweede lid, aan de kamer voor gerechtsdeurwaarders, onder
medezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Artikel 49
Het bepaalde in dit hoofdstuk ten aanzien van een gerechtsdeurwaarder is
van overeenkomstige toepassing op een:
a. waarnemend gerechtsdeurwaarder met dien verstande dat, ingeval jegens
hem een bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, hij
tevens als waarnemer in de uitoefening van het ambt kan worden geschorst
voor bepaalde duur.
b. toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, met dien verstande dat,
ingeval jegens hem een bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond wordt
verklaard, aan hem de tuchtmaatregelen, bedoeld in artikel 43, tweede
lid, onderdelen a, b en c, kunnen worden opgelegd.
Hoofdstuk V. Schorsing en ontslag
Artikel 50
1.Een gerechtsdeurwaarder of waarnemend gerechtsdeurwaarder die is
geschorst, is niet bevoegd tot het verrichten van enige ambtshandeling,
uit welken hoofde ook. Het is hem gedurende de schorsing verboden zijn
ambtstitel te voeren of te vermelden bij enige werkzaamheid.
2.Schorsing kan grond opleveren voor ontslag uit een benoeming tot
waarnemend gerechtsdeurwaarder.
Artikel 51
Een gerechtsdeurwaarder of waarnemend gerechtsdeurwaarder is van
rechtswege geschorst:
a. wanneer hij rechtens van zijn vrijheid is beroofd;
b. indien hem surséance van betaling is verleend en gedurende zijn
faillissement;
c. indien hij onder curatele is gesteld;
d. indien zijn goederen onder bewind zijn gesteld;
e. indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard.
Artikel 52
1.De gerechtsdeurwaarder is met ingang van de eerstvolgende maand na het
bereiken van de 65-jarige leeftijd van rechtswege ontslagen.
2.De gerechtsdeurwaarder wordt bij koninklijk besluit ontslag verleend:
a. op zijn verzoek;
b. op een onherroepelijk geworden beslissing tot ontzetting uit het ambt
als bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel e;
c. bij verlies van het Nederlanderschap.
3.De gerechtsdeurwaarder kan ontslag worden verleend bij besluit van
Onze Minister op grond van:
a. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij hij onder
curatele is gesteld;
b. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak;
c. een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
misdrijf;
d. faillissement, surséance van betaling of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
e. blijvende ongeschiktheid voor de vervulling van het ambt van
gerechtsdeurwaarder, uit hoofde van ziekte of gebreken.
4.Het ontslag van een gerechtsdeurwaarder houdt tevens zijn ontslag in
als waarnemend gerechtsdeurwaarder.
Artikel 53
1.Tegen een besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 52, derde lid,
kan de gerechtsdeurwaarder binnen één maand na dagtekening van het
besluit, bij met redenen omkleed geschrift, in te dienen bij de
secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders, beroep instellen bij
de kamer voor gerechtsdeurwaarders, op grond dat dit onrechtmatig is
verleend.
2.De secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders doet Onze
Minister onverwijld een afschrift toekomen van het beroepschrift.
3.Op de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 40, tweede
en derde lid, 41 en 42 van toepassing. Hoofdstuk 6 van de Algemene wet
bestuursrecht vindt geen toepassing.
4.De kamer voor gerechtsdeurwaarders verklaart het beroep
niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. Bij gegrondverklaring
vernietigt zij het besluit waartegen het beroep was ingesteld. De
beslissing van de kamer is met redenen omkleed.
5.De secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders stelt Onze
Minister en de betrokken gerechtsdeurwaarder onverwijld in kennis van de
beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.
Artikel 54
1.Binnen een maand na dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in
artikel 53, vijfde lid, kunnen de betrokken gerechtsdeurwaarder en Onze
Minister bij met redenen omkleed geschrift, in te dienen bij de
griffier, tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders
hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.
2.Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 40, tweede en
derde lid, 41, 42, 45, tweede tot en met vierde lid, en 46 van
overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 6 van de Algemene wet
bestuursrecht vindt geen toepassing.
3.Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kamer voor
gerechtsdeurwaarders, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van
de gronden, of doet met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
beslissing, hetgeen de kamer voor gerechtsdeurwaarders had behoren te
doen. Artikel 48 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55
Een besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 52, derde lid, treedt
niet in werking voordat het onherroepelijk is geworden.
Hoofdstuk VI. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders
Paragraaf 1. De organisatie van de KBvG
Artikel 56
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders is een
openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Alle in
Nederland gevestigde gerechtsdeurwaarders, waarnemend
gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders zijn
leden van de KBvG. De KBvG is gevestigd te Utrecht.
Artikel 57
1.De KBvG heeft tot taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening
door de leden en van hun vakbekwaamheid.
2.Bij verordening worden beroeps- en gedragsregels van de leden van de
KBvG vastgesteld. Tevens kunnen bij verordening regels worden gesteld
betreffende de bevordering van de vakbekwaamheid van de leden.
Artikel 58
De KBvG heeft een bestuur, een ledenraad en een algemene
ledenvergadering.
Artikel 59
De KBvG houdt een bureau in stand, dat het bestuur bijstaat in de
uitoefening van zijn taken.
Paragraaf 2. Het bestuur van de KBvG
Artikel 60
1.Het bestuur is belast met de algemene leiding van de KBvG en met de
uitoefening van haar in artikel 57 omschreven taken, alsmede met het
beheer en de beschikking over haar vermogen. Het geeft voorts algemene
leiding aan het bureau van de KBvG en regelt zijn werkzaamheid.
2.De medewerkers van het bureau worden aangesteld op een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
3.Het bestuur kan nadere regelen stellen betreffende zijn werkwijze en
die van het bureau.
4.Het bestuur stelt jaarlijks een verslag op over zijn werkzaamheden ten
behoeve van de algemene ledenvergadering en zendt dit om advies aan de
ledenraad. Het brengt het verslag ter kennis van Onze Minister.
5.Het bestuur stelt jaarlijks een verantwoording op van zijn financieel
beleid alsmede een begroting voor het komende boekjaar, met toelichting,
en zendt deze stukken om advies aan de ledenraad.
Artikel 61
1.Het bestuur bestaat uit een oneven aantal van ten minste zeven leden.
De samenstelling van het bestuur weerspiegelt zoveel mogelijk de
verhouding binnen de algemene ledenvergadering tussen
gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders. De
voorzitter en zijn plaatsvervanger zijn gerechtsdeurwaarders.
2.De leden worden benoemd voor een termijn van drie jaren en kunnen na
aftreden terstond voor eenzelfde termijn eenmaal worden herbenoemd.
3.Het bestuur vertegenwoordigt de KBvG. Daartoe zijn ook gezamenlijk
bevoegd de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter en een van de
andere leden van het bestuur.
Artikel 62
De voorzitter van het bestuur van de KBvG is in die hoedanigheid belast
met de leiding van de vergadering van de algemene ledenvergadering.
Paragraaf 3. De ledenraad
Artikel 63
1.De ledenraad bestaat uit dertig leden, met dien verstande dat uit
ieder ressort zes leden in de ledenraad worden gekozen. De per ressort
gekozen leden vormen een afspiegeling van de in dat ressort bestaande
verhouding tussen gerechtsdeurwaarders en toegevoegd
kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.
2.De gewone leden en hun plaatsvervangers worden door de algemene
ledenvergadering gekozen voor een termijn van drie jaren en zij zijn
slechts eenmaal voor eenzelfde termijn herkiesbaar.
Artikel 64
De ledenraad heeft de zorg voor de vaststelling van het algemene beleid
van de KBvG en treedt daartoe zonodig in overleg met het bestuur. Het
bestuur stelt de ledenraad desgevraagd of eigener beweging in kennis van
alle gegevens die voor het algemeen beleid van de KBvG van belang kunnen
zijn, in het bijzonder gegevens betreffende zaken die het bestuur in
uitvoering of behandeling heeft of die het in voorbereiding of onderzoek
heeft genomen. De ledenraad is bevoegd het bestuur te allen tijde
inlichtingen te vragen of onderzoek op te dragen betreffende onderwerpen
die voor de bepaling van het beleid der KBvG van belang kunnen zijn.
Artikel 65
De ledenraad is belast met het vaststellen van verordeningen van de KBvG.
Artikel 66
De ledenraad overlegt met het bestuur over de voorstellen van
verordeningen van de KBvG, na daarover het advies van de algemene
ledenvergadering te hebben ingewonnen.
Artikel 67
1.De ledenraad benoemt het bestuur van de KBvG en kan, met inachtneming
van artikel 61, het aantal der leden daarvan bepalen. De ledenraad
benoemt de voorzitter en zijn plaatsvervanger uit de leden van het
bestuur voor een termijn van drie jaren.
2.Het lidmaatschap van het bestuur is niet verenigbaar met het
lidmaatschap van de ledenraad.
3.De ledenraad kan nadere regels vaststellen betreffende de benoeming en
het aftreden van de leden van het bestuur.
Artikel 68
De ledenraad oefent toezicht uit op het bestuur en hij kan de leden
daarvan in hun functie schorsen of ontslaan, indien hij het vertrouwen
in hun wijze van taakvervulling heeft verloren of wegens andere gegronde
redenen.
Artikel 69
De ledenraad brengt aan de jaarlijkse algemene ledenvergadering advies
uit over het verslag van de werkzaamheden van het bestuur alsmede over
de verantwoording van het financieel beleid, de ontwerp-begroting van de
KBvG voor het komende jaar en de daarbij behorende toelichtingen, na
deze stukken te hebben onderzocht.
Artikel 70
De leden van de ledenraad kunnen door de algemene vergadering worden
geschorst of ontslagen, indien zij het vertrouwen in hun wijze van
taakvervulling heeft verloren of wegens andere gegronde redenen.
Artikel 71
Het bestuur van de KBvG roept de ledenraad tenminste een maal per jaar
bijeen om te beraadslagen over de in artikel 69 bedoelde stukken. Andere
vergaderingen worden bijeen geroepen zo dikwijls als het bestuur zulks
nodig acht en voorts indien ten minste zes leden van de raad het bestuur
schriftelijk daarom verzoeken, met opgave van de te behandelen
onderwerpen.
Artikel 72
De vergaderingen van de ledenraad zijn openbaar. Er wordt met gesloten
deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te behandelen
onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of indien ten
minste acht leden van de raad daarom verzoeken. De leden van het bestuur
van de KBvG, de directeur van het bureau van de KBvG en de secretarissen
kunnen de besloten vergaderingen bijwonen, tenzij de ledenraad anders
beslist. Over de toelating van andere personen beslist de ledenraad. Van
de besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet
openbaar wordt gemaakt tenzij de ledenraad anders beslist.
Artikel 73
1.Bij verordening worden nadere regels gesteld betreffende de benoeming
en het aftreden van de leden, en voorts betreffende zijn werkzaamheid,
de wijze van vergaderen, de besluitvorming en de wijze waarop in de
vergadering wordt gestemd, alsmede de wijze waarop aan de leden van de
KBvG kennis wordt gegeven van zijn besluiten.
2.Bij verordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
inrichting van de KBvG.
Paragraaf 4. De algemene ledenvergadering
Artikel 74
Het bestuur van de KBvG roept jaarlijks een algemene ledenvergadering
bijeen. Buitengewone ledenvergaderingen worden bijeengeroepen zo
dikwijls het bestuur zulks nodig acht en voorts indien de ledenraad of
tenminste vijfentwintig leden van de KBvG het bestuur schriftelijk
daarom verzoeken met opgave van de te behandelen onderwerpen.
Artikel 75
De vergadering van de algemene ledenvergadering is openbaar. Er wordt
met gesloten deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te
behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of
indien tenminste dertig aanwezige leden daarom verzoeken. De leden van
het bestuur, de directeur van het bureau van de KBvG en de secretarissen
wonen de besloten vergadering bij, tenzij de vergadering anders beslist.
Over de toelating van andere personen beslist de vergadering. Van de
besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet
openbaar wordt gemaakt tenzij de vergadering anders beslist.
Artikel 76
De algemene ledenvergadering beraadslaagt en beslist zonodig over het
verslag van de werkzaamheden van het bestuur van de KBvG, alsmede over
de financiële verantwoording, het verslag van de accountant, bedoeld in
artikel 79, tweede lid, de ontwerp-begroting voor het komende jaar en de
daarbij behorende toelichtingen alsmede de over deze stukken door de
ledenraad uitgebrachte adviezen.
Artikel 77
Op voorstel van het bestuur van de KBvG stelt de algemene
ledenvergadering nadere regels vast betreffende haar werkwijze, de wijze
van vergaderen, de besluitvorming en de wijze waarop in de vergaderingen
wordt gestemd, de wijze waarop te behandelen stukken of onderwerpen ter
kennis worden gebracht van de leden, alsmede de wijze waarop haar
besluiten aan de leden van de KBvG ter kennis worden gebracht.
Paragraaf 5. De geldmiddelen van de KBvG
Artikel 78
De KBvG draagt alle kosten die uit de uitvoering van de haar door deze
wet opgedragen taken voortvloeien. Ter dekking van deze kosten kan zij
van de leden jaarlijks bijdragen heffen. De algemene ledenvergadering
stelt, op voorstel van het bestuur, de hoogte van de bijdragen voor het
boekjaar vast. Het bedrag daarvan kan voor verschillende categorieën
van leden verschillend zijn.
Artikel 79
1.Het boekjaar van de KBvG wordt vastgesteld door het bestuur.
2.Het bestuur wijst telkens voor elk boekjaar een accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan
die is belast met de controle op de financiële verantwoording,
bestaande uit een balans, een staat van baten en lasten en een
toelichting. Deze brengt binnen drie maanden na afloop van het boekjaar
daarover verslag uit aan het bestuur.
3.Binnen acht maanden na de afloop van het boekjaar legt het bestuur de
financiële verantwoording met het daarover door de accountant
uitgebrachte verslag, alsmede de begroting voor het komende boekjaar met
een toelichting aan de ledenraad over. De ledenraad brengt na onderzoek
van deze stukken daarover verslag uit aan de algemene ledenvergadering.
4.De vaststelling van de financiële verantwoording door de algemene
ledenvergadering houdt tevens in décharge van het bestuur terzake.
Paragraaf 6. De verordeningen en andere besluiten van de KBvG
Artikel 80
1.Verordeningen worden slechts vastgesteld met betrekking tot
onderwerpen waarvan deze wet regeling of nadere regeling bij verordening
voorschrijft.
2.Verordeningen bevatten geen verplichtingen of voorschriften die niet
strikt noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van het doel dat met de
verordening wordt beoogd en beperken niet onnodig de marktwerking.
3.Voorstellen van verordeningen worden aan de ledenraad gedaan door het
bestuur of door ten minste vijf leden van de ledenraad. Alvorens een
ontwerp-verordening bij de ledenraad in te dienen kan het bestuur de
kamer voor gerechtsdeurwaarders uitnodigen haar oordeel kenbaar te
maken.
4.De verordeningen van de KBvG zijn slechts verbindend voor haar leden
en haar organen.
5.Een verordening kan aan het bestuur van de KBvG de bevoegdheid
toekennen tot het geven van nadere regels betreffende het in de
verordening behandelde onderwerp.
Artikel 81
Het voorstel van een verordening, wordt met een toelichting ten minste
twee maanden vóór de dag waarop de ledenraad daarover beraadslaagt ter
kennis gebracht van de leden van de KBvG. De algemene ledenvergadering
brengt haar advies omtrent het voorstel ten minste drie weken vóór de
dag waarop daarover wordt beraadslaagd ter kennis van de ledenraad.
Artikel 82
1.Een verordening behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De
goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het
algemeen belang.
2.Een verordening wordt, nadat zij is goedgekeurd, door de zorg van het
bestuur van de KBvG bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
De verordening verbindt niet dan nadat zij is bekend gemaakt. Zij treedt
in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na die van
de dag van de bekendmaking of zoveel eerder als zij zelf bepaalt, met
dien verstande dat tussen de dag van de bekendmaking en die van de
inwerkingtreding ten minste een termijn van tien dagen moet liggen.
Artikel 83
Besluiten van de ledenraad, van het bestuur of van andere organen van de
KBvG, niet zijnde een verordening die op grond van artikel 82
rechtsgeldig tot stand is gekomen, kunnen bij koninklijk besluit worden
vernietigd. Onverminderd artikel 10:39 van de Algemene wet bestuursrecht
kan een besluit niet worden vernietigd, indien zes maanden zijn
verstreken nadat het is bekend gemaakt.
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Artikel 84
De KBvG verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 85
Onze Minister zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze
wet en vervolgens telkens na vier jaren aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van de KBvG.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 86
1.[Wijzigt de Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten.]
2.Aanstellingen tot gerechtsdeurwaarder, benoemingen tot waarnemend
gerechtsdeurwaarder alsmede goedkeuringen van een aanwijzing tot
toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, gedaan ingevolge het in het
eerste lid bedoelde artikel, worden beschouwd als onderscheidenlijk
benoemingen en goedkeuringen gedaan ingevolge deze wet.
Artikel 87
1.[Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken.]
2.Het bij of krachtens die titel bepaalde blijft echter van toepassing
met betrekking tot de vergoeding van ambtshandelingen welke voordien
zijn verricht.
Artikel 88
[Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften. ]
Artikel 89
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]
Artikel 90
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]
Artikel 91
[Wijzigt de Ambtenarenwet.]
Artikel 92
Onverminderd de mogelijkheid van ontslag om andere redenen worden
gerechtsdeurwaarders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet zijn benoemd, in afwijking van artikel 52, eerste lid, gedurende
tien jaren na inwerkingtreding van deze wet van rechtswege ontslag
verleend op de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de
leeftijd van 70 jaren hebben bereikt.
Artikel 93
1.De vereniging genaamd Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders
en gevestigd te Amsterdam wordt van rechtswege ontbonden op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet en wordt van rechtswege onder algemene
titel opgevolgd door de KBvG. Het bestuur van de KBvG is bevoegd tot het
nemen van alle maatregelen en beslissingen die uit de rechtsopvolging
voortvloeien.
2.Onze Minister wijst, na daarover het gevoelen van de Koninklijke
Vereniging van Gerechtsdeurwaarders te hebben ingewonnen, de personen
aan die na de inwerkingtreding van de wet als voorzitter of als lid
zitting hebben in het bestuur van de KBvG en de ledenraad voor een
termijn van ten hoogste negentig dagen. Binnen die termijn geeft de
ledenraad uitvoering aan artikel 67, eerste lid, en geeft de algemene
ledenvergadering uitvoering aan artikel 63, tweede lid.
Artikel 94
Onze Minister kan de verordeningen als bedoeld in de artikelen 17,
vijfde lid, 57, tweede lid, en 73, voor de eerste maal als ministeriële
regeling vaststellen, voor zover deze, naar het oordeel van Onze
Minister, op de datum van inwerkingtreding van deze artikelen, in
werking dienen te treden. Zij blijven, behoudens eerdere intrekking door
Onze Minister, van kracht totdat zij bij verordening zijn ingetrokken en
vervangen.
Artikel 95
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen en artikelen verschillend
kan zijn.
Artikel 96
Deze wet wordt aangehaald als: Gerechtsdeurwaarderswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 januari 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek
Uitgegeven de vijftiende februari 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|