Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren
- Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding
besmettelijke dierziekten
- Besluit biotechnologie bij
dieren
- Besluit doden van dieren
- Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra
- Besluit gebruik sera en entstoffen
- Besluit identificatie en registratie van dieren
- Besluit ritueel slachten
- Besluit scheiden van dieren
- Besluit verdachte dieren
- Besluit welzijn productiedieren
- Dierentuinenbesluit
- Fokkerijbesluit
- Honden- en kattenbesluit 1999
- Ingrepenbesluit
- Kalverenbesluit
- Legkippenbesluit 2003
- Regeling agressieve dieren
(vervallen)
- Regeling
aquacultuur
- Regeling
doden van dieren 2012
- Regeling handel levende dieren en levende producten
- Regeling identificatie en registratie van dieren
- Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke
dierziekten en zoönosen en TSE’s
- Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten
- Regeling
vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
- Varkensbesluit
- Vleeskuikenbesluit
2010
- Vrijstellingsregeling dierenwelzijn
WET van 24 september 1992, houdende
vaststelling van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uit een
oogpunt van gezondheid en welzijn van dieren, uit ethische overwegingen
en uit een oogpunt van bescherming van veiligheid van mens en dier
regelen te geven ten aanzien van dieren en handelingen met dieren en dat
het voorts wenselijk is regelen te geven terzake van de uitvoer van
dieren en dierlijke produkten alsmede met het oog op de raszuiverheid
van produkten van de Nederlandse fokkerij;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
bedrijfslichaam: een produktschap of bedrijfschap bedoeld in
artikel 66 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
samenwerkingslichaam: rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als
bedoeld in artikel 110 Wet op de bedrijfsorganisatie;
dier: dier dat wordt gehouden, voor zover niet uitdrukkelijk anders
is bepaald en met dien verstande dat artikel 36 tevens van toepassing
is op dieren die niet worden gehouden;
vee: herkauwende en eenhoevige dieren en varkens;
pluimvee: dieren zijnde hoenderachtigen, eenden of ganzen;
besmettelijke dierziekte: elke aantasting van de gezondheid van een
dier die gevaar kan opleveren voor de gezondheid van andere dieren of
van de mens;
smetstof: elk micro-organisme of virus dat, of elke andere
biologische eenheid die, een infectieziekte en elke parasiet, die een
parasitaire ziekte bij dieren kan veroorzaken;
schadelijke stoffen: stoffen die de gezondheid van mens of dier
kunnen aantasten;
zieke dieren: dieren die zijn aangetast door een krachtens artikel
15, eerste lid, aangewezen dierziekte;
verdachte dieren: dieren die overeenkomstig artikel 15, vierde lid,
verdacht worden gevaar op te leveren voor verspreiding van een
krachtens artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke dierziekte;
produkten van dierlijke oorsprong: van dier afkomstige produkten al
dan niet be- of verwerkt;
houder: eigenaar, houder of hoeder;
Diergezondheidsfonds: fonds als bedoeld in artikel 95a.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens de artikelen 91a tot
en met 93a en 96a bepaalde wordt verstaan onder bedrijf: bedrijf als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet.
3. Voor de toepassing van artikel 91e wordt verstaan onder
vestiging: op één plaats gelegen bedrijf of deel van een bedrijf,
bestaande uit alle aldaar gelegen aangrenzende percelen grond,
gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan dat, naar de feitelijke
omstandigheden beoordeeld, als functionele eenheid voor het houden van
varkens in gebruik is of daartoe bestemd is.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld waaraan
percelen grond, gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan moeten
voldoen om als aangrenzend in de zin van het derde lid te worden
aangemerkt.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk van
toepassing is op handelingen met embryo’s voor zover deze zich
buiten de baarmoeder van het dier bevinden.
Artikel 2
1.Er is een Raad voor dierenaangelegenheden waarin overleg
plaatsvindt over vraagstukken betreffende het nationaal en
internationaal beleid op het gebied van:
a. de gezondheid van dieren,
b. het welzijn van dieren en
c. de biotechnologische toepassingen bij dieren, de ethische
aspecten daaronder begrepen.
2.De Raad bestaat uit een Afdeling gezondheidsvraagstukken, een
Afdeling welzijnsvraagstukken en een Afdeling biotechnologische
vraagstukken, ethische vraagstukken daaronder begrepen.
3.Onze Minister benoemt in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport de leden van de Raad.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld ter
zake van de samenstelling en de werkwijze van de Raad.
Hoofdstuk II. De zorg voor de gezondheid van dieren
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 3
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor bij
die maatregel aangewezen categorieën van houders van dieren of
levende dierlijke producten van bij die maatregel aangewezen soorten
of categorieën van dieren dan wel van levende dierlijke producten
regelen gesteld omtrent:
a. de inrichting van de bedrijven waarop dieren of levende
dierlijke producten worden gehouden;
b. het toevoegen van dieren aan bedrijven of vestigingen,
daaronder begrepen het aantal bedrijven of vestigingen waarvan de
toe te voegen dieren ten hoogste afkomstig zijn;
c. de wijze waarop dieren worden gehouden en hun huisvesting;
d. de hygiënische eisen waaraan moet worden voldaan;
e. de voedering, drenking, verzorging en behandeling van
dieren;
f. het gebruik van sera, entstoffen, antibiotica en
chemotherapeutica;
g. de bestrijding van insecten en ratten alsmede van andere
organismen voor zover zij schadelijk zijn voor de gezondheid van
dieren;
h. bedrijfsbegeleiding door een dierenarts;
i. het vervoer en het verzamelen van dieren of van levende
dierlijke producten;
j. het afvoeren van dieren van bedrijven of vestigingen,
daaronder begrepen het aantal bedrijven of vestigingen waaraan die
dieren ten hoogste worden toegevoegd;
k. het winnen, bewerken en gebruiken van levende dierlijke
producten;
l. de behandeling en aanbieding voor onderzoek van doodgeboren
of gestorven dieren dan wel levende dierlijke producten,
onvoldragen vruchten en nageboorten;
m. het houden van aantekeningen omtrent bezoekers en
vervoermiddelen.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan het begrip
bedrijf en vestiging worden omschreven waarbij voor de verschillende
soorten of categorieën van dieren dan wel van levende dierlijke
producten verschillende omschrijvingen kunnen worden gegeven.
Artikel 4
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aan de houder
van één of meer dieren, behorende tot een daarbij te bepalen
diersoort, de verplichting worden opgelegd om:
a. zich als zodanig voor een bij of krachtens de maatregel
genoemd tijdstip schriftelijk te melden bij Onze Minister onder
vermelding van het aantal dieren dat hij van de onderscheiden
soorten houdt;
b. indien de dieren bedrijfsmatig worden gehouden, aantekening
te houden van het aantal op zijn bedrijf aanwezige dieren van deze
soort, van de geboorte op, onderscheidenlijk toevoeging van dieren
van deze soort aan zijn bedrijf, alsmede van de afvoer van dieren
van deze soort van zijn bedrijf, één en ander onder vermelding
van de gegevens waardoor de dieren kunnen worden geïdentificeerd
en onder vermelding van naam en adres van degene van wie de dieren
afkomstig zijn onderscheidenlijk aan wie de dieren zijn
afgeleverd.
2.De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde aantekeningen dienen
gedurende ten minste drie maanden te worden bewaard.
Artikel 5 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent het houden van markten, verkopingen, keuringen en
tentoonstellingen alsmede ten aanzien van het bijeenbrengen van dieren
op andere plaatsen waar dieren worden verzameld. Deze regelen kunnen
verschillen naar gelang het gaat om markten, verkopingen, keuringen,
tentoonstellingen of andere plaatsen waar dieren worden verzameld,
terwijl tevens onderscheid kan worden gemaakt naar diersoorten.
2.Het is verboden op plaatsen als bedoeld in het eerste lid dieren
die zijn aangetast door een besmettelijke ziekte of daarvan worden
verdacht, bijeen te brengen.
Artikel 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming
van verspreiding van smetstof regelen worden gesteld waaraan markten en
andere verzamelplaatsen van dieren, slachterijen, inrichtingen waarin
producten van dierlijke oorsprong worden gewonnen, be- of verwerkt,
inrichtingen waarin diervoeder wordt bereid en plaatsen waar
vervoermiddelen worden ontsmet moeten voldoen.
Artikel 7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming
van verspreiding van smetstof regelen worden gesteld ten aanzien van:
a. de reiniging en ontsmetting van stallen, kooien,
vervoermiddelen, de daarbij behorende voorwerpen en andere plaatsen
en voorwerpen waar of waarin dieren, produkten van dierlijke
oorsprong, diervoeder alsmede andere produkten of voorwerpen die
dragers van smetstof kunnen zijn, hebben verbleven;
b. het behandelen van de in onderdeel a bedoelde produkten
waardoor zij geen gevaar meer kunnen opleveren voor de verspreiding
van smetstof dan wel het vernietigen van deze produkten en de in
onderdeel a bedoelde voorwerpen.
Artikel 8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter voorkoming
van verspreiding van smetstof regelen worden gesteld ten aanzien van de
aflevering, de opslag, het in voorraad en voorhanden hebben en het
vervoeren van materialen van dierlijke herkomst.
Artikel 9
1.Het is verboden vee of pluimvee en andere dieren van door Onze
Minister aangewezen soorten of categorieën van dieren te doen
verblijven of dit te gedogen op een terrein of plaats waarop zich
vuilnis of mest bevindt of waarop vuilnis of mest pleegt te worden
gestort of opgeslagen en op een daaraan grenzend terrein, indien de
dieren zich vrijelijk van het ene terrein naar het andere kunnen
begeven.
2.Het is verboden vuilnis of mest te storten of op te slaan op, dan
wel te verspreiden over een terrein of plaats waarop dieren, als
bedoeld in het eerste lid, vrijelijk toegang hebben.
3.In het eerste en tweede lid wordt onder "mest" niet
begrepen mest verkregen in het bedrijf, waar de dieren worden
gehouden.
Afdeling 2. Het weren van besmettelijke dierziekten
Artikel 10
1.Onze Minister kan het brengen in Nederland van dieren, produkten
van dierlijke oorsprong, alsmede van andere produkten en voorwerpen
die dragers van smetstof kunnen zijn, verbieden dan wel verbieden,
indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.
2.De in het eerste lid bedoelde regelen hebben in elk geval
betrekking op:
a. de eisen waaraan de in het eerste lid bedoelde dieren,
produkten of voorwerpen moeten voldoen;
b. de eisen waaraan de vervoermiddelen en de verpakkingen
moeten voldoen;
c. het aanmelden van het voornemen om dieren, produkten of
voorwerpen binnen te brengen;
d. het in overleg met Onze Minister van Financiën aanwijzen
van douanekantoren in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld
in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet,
waar de dieren, produkten of voorwerpen, die anders dan over de
Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden
binnengebracht, moeten worden aangebracht;
e. het aanwijzen van de plaatsen waar dieren, produkten of
voorwerpen, die via de Belgisch-Nederlandse of de
Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, ter onderzoek
moeten worden aangeboden;
f. de verklaringen welke op het douanekantoor, dan wel op een
plaats als bedoeld in onderdeel e, moeten worden overgelegd en de
eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen en
g. het onderzoek na het binnenbrengen in Nederland.
Artikel 11
1.Onze Minister kan ten aanzien van in artikel 10, eerste lid,
bedoelde, in Nederland gebrachte dieren, produkten en voorwerpen onder
meer regelen stellen betreffende:
a. met betrekking tot dieren:
1°. een nader onderzoek, voorbehoedende behandeling of een
tijdelijke afzondering;
2°. het vervoer naar de plaats van onderzoek,
voorbehoedende behandeling of tijdelijke afzondering;
3°. de bestemming;
4°. het vervoer naar de plaats van bestemming in Nederland
dan wel naar de plaats waar de dieren weer buiten Nederland
worden gebracht;
5°. het doden of slachten en het toezicht daarop en de
bestemming van de gedode of geslachte dieren;
b. met betrekking tot produkten en voorwerpen:
1°. een nader onderzoek;
2°. de bestemming;
3°. het vervoer naar de plaats van onderzoek of de plaats
van bestemming dan wel naar de plaats waar de zaken weer
buiten Nederland worden gebracht.
2.Regelen omtrent de in het eerste lid, onderdeel a, sub 5,
genoemde onderwerpen, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 12
Onze Minister kan voorts regelen stellen met betrekking tot de
reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen waarin en plaatsen waarop,
alsmede met betrekking tot de reiniging, ontsmetting dan wel
vernietiging van verpakkingsmateriaal waarin de in artikel 10, eerste
lid, bedoelde, in Nederland gebrachte dieren, produkten en voorwerpen
hebben verbleven.
Artikel 13
1.Onze Minister kan bepalen, dat dieren die op grond van het
bepaalde krachtens artikel 10 niet in Nederland hadden mogen worden
gebracht zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening van de
importeur of diens gemachtigde binnen een door hem te bepalen termijn
hetzij buiten Nederland moeten worden gebracht, hetzij onder door hem
te stellen regelen naar een door hem aangewezen plaats moeten worden
vervoerd en aldaar worden geslacht, onderscheidenlijk worden gedood en
vernietigd.
2.Onze Minister kan bepalen, dat produkten en voorwerpen die op
grond van het bepaalde krachtens artikel 10 niet in Nederland hadden
mogen worden gebracht, binnen een door hem te bepalen termijn voor
rekening van de importeur of diens gemachtigde hetzij buiten Nederland
moeten worden gebracht, hetzij onder door hem te stellen regelen naar
een door hem te bepalen plaats worden gebracht om aldaar voor rekening
van de importeur of diens gemachtigde een behandeling te ondergaan
waardoor zij geen gevaar meer opleveren voor de verspreiding van
smetstof, hetzij zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening van
de importeur of diens gemachtigde worden vernietigd.
Artikel 14
De in deze afdeling bedoelde regelen kunnen onder meer verschillen
naar gelang van het land van herkomst en naar gelang van de bestemming
der dieren, produkten en voorwerpen.
Afdeling 3. De preventie en de bestrijding van besmettelijke
dierziekten
Artikel 15
1.Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen
besmettelijke dierziekten bij:
a. vee;
b. pluimvee;
c. bijen;
d. nertsen;
e. andere dieren behorende tot bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren;
f. andere dieren van door Onze Minister voor een termijn van
ten hoogste acht maanden aangewezen soorten of categorieën van
dieren.
2.Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:
a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan
berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan
worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;
b. een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie zulks met zich brengt of
c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de
volksgezondheid oplevert.
3.In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vindt de
aanwijzing plaats in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren
als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.
Artikel 16
1.Een aanwijzing als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel
f, kan alleen plaatsvinden in spoedeisende gevallen.
2.Indien de aanwijzing tevens in het belang is van de
volksgezondheid, vindt zij plaats in overeenstemming met Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 17
1.Bij ministeriële regeling kunnen hetzij voor geheel Nederland,
hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, regels worden gesteld ter
voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte,
waaronder in ieder geval regels omtrent:
a. het voorbehoedend behandelen, merken, opsluiten, aanlijnen
van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden
aangetast of drager van smetstof kunnen zijn;
b. het behandelen of onschadelijk maken van producten van
dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede van
andere producten of voorwerpen die drager van smetstof kunnen
zijn;
c. het betreden van bedrijven of vestigingen waar dieren worden
gehouden, waaronder het opleggen van de verplichting aan personen,
die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf
bedrijven of vestigingen betreden, tot het houden van
aantekeningen omtrent het betreden van desbetreffende bedrijven of
vestigingen;
d. het insemineren of laten bevruchten van dieren die door een
besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast.
2.Onder de in het eerste lid bedoelde regels worden mede verstaan
regels met betrekking tot:
a. het aanvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong,
diervoeder, vervoermiddelen alsmede van andere producten of
voorwerpen aan bedrijven of vestigingen;
b. het ontvangen van dieren, producten van dierlijke oorsprong,
diervoeder, vervoermiddelen alsmede van andere producten of
voorwerpen op bedrijven of vestigingen;
c. het afvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong,
diervoeder, vervoermiddelen, alsmede van andere producten of
voorwerpen van bedrijven of vestigingen;
d. de aanwezigheid van dieren, producten van dierlijke
oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede andere producten of
voorwerpen op bedrijven of vestigingen.
3.Indien een besmettelijke dierziekte is aangewezen in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport worden de in het eerste lid bedoelde regels in overeenstemming
met die minister gesteld.
Artikel 18
1.Onze Minister kan, hetzij voor Nederland, hetzij voor bepaalde
gedeelten daarvan:
a. schorsing van markten waarop dieren van door hem aangewezen
soorten of categorieën van dieren worden verhandeld en sluiting
van diergaarden en daarmede vergelijkbare inrichtingen bevelen,
dan wel markten, diergaarden of vergelijkbare inrichtingen
verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen
regelen;
b. het op een plaats bijeenbrengen van dieren van door hem
aangewezen soorten of categorieën van dieren afkomstig van
verschillende plaatsen verbieden of daaromtrent regelen stellen.
2.De regelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer
betrekking hebben op de aanvoer van dieren naar en de afvoer van
dieren van bedrijven of vestigingen waar dieren worden gehouden,
markten en andere plaatsen waarop dieren afkomstig van verschillende
plaatsen bijeen worden gebracht alsmede op de controle daarop,
daaronder begrepen de verzegeling van vervoermiddelen en de afgifte
van bewijsstukken.
3.Indien een bevel of verbod, als bedoeld in het eerste lid, van
kracht is, is het verboden dieren ten aanzien waarvan het bevel of
verbod geldt, op de aldaar genoemde plaatsen aanwezig te hebben
onderscheidenlijk aldaar aanwezig te hebben in strijd met de regelen
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19
1.Indien een dier verschijnselen van een besmettelijke dierziekte
vertoont of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dier
in de gelegenheid is geweest om te worden besmet of drager van
smetstof is, geeft de houder hiervan terstond kennis aan een ambtenaar
als bedoeld in artikel 114, tweede lid.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de wijze van kennis geven, bedoeld in het eerste lid, die voor iedere
besmettelijke dierziekte kunnen verschillen.
3.Indien een besmettelijke dierziekte is aangewezen in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, worden de in het tweede lid bedoelde regels in overeenstemming
met die minister gesteld.
Artikel 20
1.De houder, bedoeld in artikel 19, eerste lid, verstrekt naar
waarheid alle inlichtingen en verleent alle medewerking aan een
ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid, die deze
redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft en doet al
datgene dat in zijn vermogen ligt om de aard van de besmettelijke
dierziekte zo spoedig mogelijk te doen vaststellen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een houder
van een dier die door een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, op
de hoogte is gesteld van het vermoeden dat dat dier door een
besmettelijke dierziekte is aangetast of drager van smetstof is.
Artikel 21
1.Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de
door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een
besmettelijke dierziekte.
2.Onze Minister stelt de burgemeester van de gemeente, waarop de
maatregelen betrekking hebben, onmiddellijk hiervan in kennis.
3.Indien de situatie, in verband met het voorkomen van overbrenging
van besmetting, dermate spoedeisend is dat Onze Minister het besluit
tot het nemen van maatregelen niet tevoren op schrift kan stellen,
zorgt Onze Minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de
opschriftstelling en de bekendmaking.
Artikel 22
1.De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:
a. het afzonderen van zieke en verdachte dieren;
b. opstallen, ophokken of op een plaats houden van zieke en
verdachte dieren;
c. het plaatsen van waarschuwingsborden;
d. het door het plaatsen van kentekenen besmet of van
besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen;
e. het merken van zieke, verdachte en herstelde dieren;
f. het doden van zieke en verdachte dieren;
g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en
verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn
of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding
van smetstof;
h. het reinigen en ontsmetten van gebouwen, terreinen,
bewaarplaatsen van mest en voorwerpen;
i. het vastleggen, opsluiten of afzonderen van dieren;
j. het behandelen van dieren of producten op een door Onze
Minister aangegeven wijze;
k. het verbieden van het vervoeren van de op grond van artikel
25, eerste lid, aangewezen soorten of categorieën van dieren,
producten of voorwerpen van of naar gebouwen en terreinen waar
geen kenteken als bedoeld onderdeel d, is geplaatst;
l. het verbieden van de toegang aan anderen dan de op grond van
artikel 25, tweede lid, aangewezen personen of groepen van
personen tot gebouwen en terreinen waar geen kenteken als bedoeld
in onderdeel d, is geplaatst;
m. het verbieden van het verlaten van gebouwen en terreinen
waar geen kenteken als bedoeld in onderdeel d, is geplaatst,
tenzij de door Onze Minister voorgeschreven maatregelen van
ontsmetting zijn toegepast;
n. het nemen van andere maatregelen, voorzover een verdrag of
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zulks met zich
brengt.
2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen bedoelde
maatregelen met betrekking tot bijen bestaan uit:
a. het ontsmetten van de bijenwoning en de naaste omgeving
daarvan;
b. het verbieden van het verplaatsen van een bijenwoning;
c. het hechten van een kenteken aan de bijenwoning, waaruit
blijkt dat deze niet mag worden verplaatst;
d. het verbieden van het laten uitvliegen der bijen gedurende
een bepaalde tijd;
e. het plaatsen van geneesmiddelen in de bijenwoning;
f. het vernietigen of het onschadelijk maken van producten en
voorwerpen die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te
leveren voor verspreiding van smetstof;
g. het doden en vernietigen van zieke of verdachte bijenvolken;
h. het behandelen van de bijen op een wijze die door wetenschap
of praktijk als doeltreffend is aangewezen.
Artikel 23
1.Onze Minister stelt het model van de in artikel 22 bedoelde
waarschuwingsborden en kentekenen vast en stelt nadere regelen vast
omtrent de wijze waarop de in dat artikel genoemde maatregelen worden
uitgevoerd.
2.De burgemeester van de betrokken gemeente verleent zijn
medewerking bij het plaatsen en weer verwijderen van de
waarschuwingsborden en kentekenen.
Artikel 24
Onze Minister stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is
ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het
tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast
welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de
verdenking is ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip
van de ziekte verdacht waren.
Artikel 25
1.Het is verboden dieren van bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren, danwel bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen produkten of
voorwerpen te vervoeren van of naar gebouwen en terreinen, waar een
kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst.
2.De toegang tot gebouwen of terreinen, waar een kenteken, als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst of door Onze Minister
aangewezen gedeelten daarvan, is aan anderen dan door Onze Minister
aan te wijzen personen of groepen van personen verboden.
Artikel 26
1.Het is verboden gebouwen of terreinen, waar een kenteken, als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst te verlaten, tenzij na
toepassing van de door Onze Minister voorgeschreven maatregelen van
ontsmetting.
2.De ambtenaar, bedoeld in artikel 114, tweede lid, stelt de
middelen tot de in het eerste lid bedoelde ontsmetting ter
beschikking.
Artikel 27
[Vervallen.]
Artikel 28
[Vervallen.]
Artikel 29
1.Iedere houder van een ziek of verdacht dier is verplicht ervoor
zorg te dragen, dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat, tenzij
met toestemming of krachtens bevel van Onze Minister.
2.De toestemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 30
1.Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te
bepalen soort, van deze diersoort afkomstige producten, diervoeder,
vervoermiddelen alsmede andere producten en voorwerpen welke dragers
van smetstof kunnen zijn, uit, naar of binnen Nederland of bepaalde
gedeelten van Nederland verbieden dan wel verbieden indien niet wordt
voldaan aan door hem te stellen regels.
2.Rondom het op grond van het eerste lid aangewezen gebied kunnen
waarschuwingsborden worden geplaatst.
3.Onze Minister kan voor het krachtens het eerste lid aangewezen
gebied het bij artikel 29 bepaalde van overeenkomstige toepassing
verklaren ten aanzien van gezonde dieren.
Artikel 31
Indien in het belang van het weren, de preventie of de bestrijding
van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een
onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem
krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun
bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling,
in afwijking van artikel 4 van de Bekendmakingswet, op andere dan de
daar genoemde wijze bekend maken.
Artikel 31a
1.Onze Minister kan mandaat verlenen:
a. tot het stellen van het in artikel 30, eerste lid, bedoelde
vervoersverbod en de in dat artikellid bedoelde regels, voorzover
het toepassingsbereik van het vervoersverbod is beperkt tot een
gebied met een straal van 10 kilometer of minder rondom een gebouw
of terrein, dat door het plaatsen van een kenteken als bedoeld in
artikel 22, eerste lid, onderdeel d, besmet of van besmetting
verdacht is verklaard;
b. tot het stellen van de regels, bedoeld in artikel 17 en 18,
indien in het belang van bestrijding van besmettelijke dierziekten
een onverwijlde voorziening noodzakelijk is.
2.Het in het eerste lid bedoelde mandaat kan tevens de bevoegdheid
betreffen tot inwerkingtreding en bekendmaking van het vervoersverbod
en de regels overeenkomstig artikel 31.
Artikel 31b
1.Onze Minister kan besluiten de maatregelen, bedoeld in artikel
22, eerste lid, onderdelen a, b, e, i , j of n toe te passen op dieren
die niet lijden aan een besmettelijke dierziekte, of niet van
besmetting met een dergelijke dierziekte worden verdacht, maar die
zodanige ziekteverschijnselen vertonen dat naar het oordeel van Onze
Minister die dieren of de van die dieren afkomstige producten een
gevaar voor de diergezondheid kunnen opleveren, danwel naar het
oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport die dieren of die producten een gevaar voor de
volksgezondheid kunnen opleveren.
2.Bij ministeriële regeling kan de verplichting, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, en de verplichting, bedoeld in artikel 20,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten
aanzien van dieren die niet lijden aan een besmettelijke dierziekte,
of van een besmetting met een dergelijke ziekte niet worden verdacht,
maar die door Onze Minister aangewezen andere ziekteverschijnselen
vertonen.
3.Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen regels worden
gesteld omtrent de wijze van kennis geven als bedoeld in dat lid.
Artikel 32
Bij het stellen van regelen en het voorschrijven van maatregelen
krachtens dit hoofdstuk kan worden afgeweken van het bepaalde bij of
krachtens de Meststoffenwet en de Flora- en faunawet.
Hoofdstuk III. De zorg voor het welzijn van dieren
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 33 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het is verboden dieren te houden, tenzij deze behoren tot bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van
dieren.
2.Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
bepaald dat het houden slechts onder bepaalde voorwaarden is
toegestaan.
Artikel 34
1.Het is verboden dieren met het oog op de produktie van van die
dieren afkomstige produkten te houden, tenzij deze behoren tot bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën
daarvan.
Artikel 35
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent
de wijze waarop dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of
categorieën van dieren mogen worden gehouden.
2.De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. het vastleggen of aangebonden houden van dieren;
b. het gescheiden houden van dieren van verschillende leeftijd,
geslacht of soort;
c. de ruimte waarover dieren moeten kunnen beschikken.
Artikel 36
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding
van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een
dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het
welzijn van een dier te benadelen.
2. Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder
geval gerekend:
a. een dier arbeid doen verrichten, welke kennelijk zijn
krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand
ongeschikt is;
b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of
openbare verkoping ten verkoop houden;
c. bij de verlossing van een koe gebruik te maken van dierlijke
trekkracht of van een niet door Onze Minister daarvoor toegelaten
krachttoestel;
d. een hond als trekkracht gebruiken.
3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te
verlenen.
Artikel 37
Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige
verzorging te onthouden.
Artikel 38
Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel
aangewezen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel
aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen gesteld omtrent de
verzorging, voedering, drenking, behandeling en het africhten van
dieren.
Artikel 39
Het is verboden dieren van bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen soorten of categorieën van dieren van het ouderdier te
scheiden voordat die dieren een bij die maatregel vastgestelde leeftijd
hebben bereikt.
Afdeling 2. Lichamelijke ingrepen bij dieren
Artikel 40
1.Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te
verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden
verwijderd of beschadigd.
2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
a. ingrepen betreffende het onvruchtbaar maken van een dier;
b. ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen;
d. overige bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
verplichte dan wel toegestane ingrepen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de wijze waarop en de gevallen waarin de lichamelijke
ingrepen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, slechts mogen
worden verricht.
Artikel 41
1.Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of
wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is
verricht.
2.Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 40 verboden
ingreep is verricht, tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe
te laten.
3.Het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden,
verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden
ingreep is verricht, is verboden.
Artikel 42
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent
embryotransplantatie bij dieren van bij die maatregel aangewezen soorten
of categorieën van dieren.
Afdeling 3. Het doden van dieren
Artikel 43 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het is verboden om dieren te doden in andere dan bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Artikel 44
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld omtrent het doden van dieren van bij die maatregel aangewezen
soorten of categorieën van dieren.
2.De krachtens het eerste lid gestelde regelen hebben in ieder
geval betrekking op:
- de wijze waarop, de situaties waarin en de personen door wie
dieren mogen worden gedood;
- de bedwelming van slachtdieren;
- de bedrijfsuitrusting en installatie in slachterijen.
3.Het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de
israëlitische of de islamitische ritus is toegestaan.
4.Het slachten, bedoeld in het derde lid, mag slechts geschieden in
door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen inrichtingen.
5.Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt plaats:
a. indien het betreft het slachten volgens de israëlitische
ritus: op verzoek van de Permanente Commissie tot de Algemene
Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap;
b. indien het betreft het slachten volgens de islamitische
ritus: op verzoek van één of meer organisaties die geacht kunnen
worden alle of een bepaalde groep islamieten in Nederland te
vertegenwoordigen;
een en ander voor zover uit het desbetreffende verzoek blijkt dat
in het deel van het land dat vanuit de aan te wijzen inrichtingen
pleegt te worden bediend behoefte bestaat aan vlees, afkomstig van
volgens de desbetreffende ritus geslachte dieren.
6.Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid vindt voorts plaats
op verzoek van een israëlitische of islamitische groepering in een
ander land, waarmee wordt ingestemd door de in het vijfde lid,
onderdeel a, genoemde commissie, onderscheidenlijk de in onderdeel b
bedoelde organisaties indien in het verzoek wordt aangetoond dat bij
die israëlitische of islamitische groepering behoefte bestaat aan de
import van vlees afkomstig van volgens de desbetreffende ritus
geslachte dieren.
7.Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in overleg met de aangewezen
inrichting en
a. voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van
volgens de israëlitische ritus geslachte dieren: in overleg met
de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het
Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, of
b. voor zover het betreft de behoefte aan vlees, afkomstig van
volgens de islamitische ritus geslachte dieren: in overleg met de
in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde organisaties,
het aantal in een bepaald tijdvak per inrichting ritueel te
slachten dieren vast, waarmede in de bedoelde behoefte aan vlees kan
worden voorzien.
8.Het slachten zonder voorafgaande bedwelming mag slechts
geschieden:
a. voor zover het betreft het slachten volgens de
israëlitische ritus: door personen die daartoe door het
Opperrabbinaat voor Nederland zijn gemachtigd, en
b. voor zover het betreft het slachten volgens de islamitische
ritus: door personen die daartoe door de in het vijfde lid,
onderdeel b, bedoelde organisaties zijn aangewezen, mits die
personen daarvan door een schriftelijk bewijs aan de
keuringsdierenarts hebben doen blijken.
Deze personen voegen zich ten aanzien van het aantal door hen
ritueel te slachten dieren naar de voor elke inrichting aangewezen
hoeveelheid; zij volgen ter zake de aanwijzingen van de
keuringsdierenarts op, die toeziet, dat het vastgestelde aantal niet
wordt overschreden.
9.Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de
bescherming van het slachtdier regelen gesteld omtrent het slachten
volgens de israëlitische of de islamitische ritus.
10.Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het negende lid wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Afdeling 4. De huisvesting van dieren
Artikel 45
1.Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 35 kunnen bij
algemene maatregel van bestuur voor daarbij aan te wijzen categorieën
van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of
categorieën van dieren regelen worden gesteld omtrent de huisvesting
van dieren.
2.De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer
betrekking hebben op:
- de afmetingen en uitvoeringen van kooien, hokken en stallen
alsmede hun vormgeving;
- de aard van de wanden en van het vloer- en grondoppervlak van
kooien, hokken en stallen, in het bijzonder de daarvoor te
gebruiken materialen;
- de inrichting van kooien, hokken en stallen, in het bijzonder
de daarin aan te brengen voeder- en drinkwatervoorzieningen alsook
voorzieningen die het voor de dieren mogelijk maken om soorteigen
gedrag te ontplooien;
- de verlichting, luchtverversing en verwarming van kooien,
hokken en stallen;
- de aanwezigheid en de aard van afrasteringen;
- de voorzieningen binnen huisvestingssystemen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan het ten verkoop in
voorraad hebben, verkopen en afleveren van daarbij aan te wijzen
huisvestingssystemen, onderdelen daarvan of voorzieningen binnen
huisvestingssystemen worden verboden dan wel slechts worden toegestaan
voor zover die systemen, onderdelen of voorzieningen voldoen aan bij
die maatregel gestelde eisen.
4.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste of derde lid kan hij, indien het
belang van het welzijn van dieren naar zijn oordeel een onmiddellijke
voorziening vereist regelen stellen overeenkomstig de in overweging
zijnde maatregel.
5.Een regeling als bedoeld in het vierde lid blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene
maatregel van bestuur in werking treedt, doch uiterlijk tot acht
maanden na het in werking treden van de regeling.
6.Tenzij bij een maatregel als bedoeld in het eerste of derde lid
of een regeling als bedoeld in het vierde lid anders wordt bepaald, is
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 46 tot en met 54 niet van
toepassing in het geval voor de dieren van de aangewezen soort of
categorie van dieren bij die maatregel of regeling, regelen zijn
gesteld omtrent de huisvesting.
Artikel 46 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het is verboden een seriematig vervaardigd huisvestingssysteem
voor dieren van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten
of categorieën van dieren, voorhanden te hebben, ten verkoop in
voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren of te gebruiken.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien een
huisvestingssysteem is toegelaten.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens niet ten
aanzien van huisvestingssystemen die worden doorgevoerd of kennelijk
bestemd zijn voor uitvoer.
Artikel 47 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Een huisvestingssysteem wordt slechts toegelaten indien op grond
van de door de aanvrager overgelegde gegevens met redelijke zekerheid
mag worden aangenomen dat het systeem geen schadelijke effecten heeft
op het welzijn van dieren waarvoor het bestemd is, in een mate die
niet aanvaardbaar is. Bij het bepalen van de mate van aanvaardbaarheid
wordt mede rekening gehouden met de uit het betrokken
huisvestingssysteem voortvloeiende gevolgen voor andere belangen dan
het welzijn van dieren.
2.Over de toelating van een huisvestingssysteem beslist Onze
Minister op aanvraag van de fabrikant, de importeur of een handelaar,
gehoord de Commissie toelating huisvestingssystemen
landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 50.
3.Een aanvraag voor een toelating dient in ieder geval vergezeld te
gaan van een door of vanwege de aanvrager opgestelde rapportage ter
zake van dat huisvestingssysteem over de effecten op het welzijn van
dieren waarvoor het bestemd is.
4.Een rapportage als bedoeld in het derde lid dient te zijn
opgesteld in de Nederlandse taal en bevat in ieder geval:
a. een specifieke beschrijving van het huisvestingssysteem,
waarvan onder meer deel uitmaakt een beschrijving van:
- de afmetingen en uitvoeringen van kooien, hokken en
stallen alsmede hun vormgeving;
- de aard van de wanden en van het vloer- en grondoppervlak
van kooien, hokken en stallen, in het bijzonder de daarvoor te
gebruiken materialen;
- de inrichting van kooien, hokken en stallen, in het
bijzonder de daarin aan te brengen voeder- en
drinkwatervoorzieningen alsook voorzieningen die het voor het
dier mogelijk maken soorteigen gedrag te ontplooien;
- de verlichting, luchtverversing en verwarming van kooien,
hokken en stallen;
- de aanwezigheid en de aard van afrasteringen;
b. een specifieke beschrijving van de gevolgen van het
huisvestingssysteem voor het welzijn van dieren waarvoor het
bestemd is.
5.Onze Minister stelt regelen omtrent de behandeling van een
aanvraag. Daarbij kan onder meer worden bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat
een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
b. welke kosten van het onderzoek, voortvloeiend uit een
aanvraag, ten laste van de aanvrager worden gebracht;
c. welke gegevens naast die als bedoeld in het vierde lid
dienen te worden overgelegd;
d. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating niet
ontvankelijk wordt verklaard.
6.Aan een toelating kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan
onder beperkingen worden verleend.
Artikel 48 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Huisvestingssystemen waarvan kan worden aangetoond dat zij vóór
de inwerkingtreding van een maatregel als bedoeld in artikel 46,
eerste lid, voorhanden zijn, ten verkoop in voorraad zijn gehouden,
zijn verkocht, zijn afgeleverd dan wel in gebruik zijn, zijn
toegelaten voor een door Onze Minister vastgestelde termijn. Deze
termijn kan verschillen naar gelang het huisvestingssysteem en naar
gelang de in de eerste volzin genoemde handeling.
2.Onze Minister stelt regelen omtrent de wijze waarop dient te
worden aangetoond dat huisvestingssystemen vóór de inwerkingtreding
van een maatregel als bedoeld in artikel 46, eerste lid, voorhanden
zijn, ten verkoop in voorraad zijn gehouden, zijn verkocht, zijn
afgeleverd dan wel in gebruik zijn.
Artikel 49 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan een toelating intrekken, indien ter zake
daarvan:
a. bij de aanvraag zodanig onjuiste gegevens zijn verstrekt
dat, indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn
geweest, de aanvraag zou zijn afgewezen;
b. blijkt dat zich zodanig schadelijke effecten voordoen dat,
indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn geweest,
de aanvraag zou zijn afgewezen;
c. een ander huisvestingssysteem is toegelaten dat uit een
oogpunt van welzijn van dieren de voorkeur heeft en waarvan
overigens het gebruik redelijkerwijs kan worden gevergd.
2.Onze Minister kan bepalen dat een huisvestingssysteem waarvan de
toelating ingevolge het eerste lid is ingetrokken, nog gedurende een
daarbij vast te stellen termijn voorhanden mag worden gehouden, ten
verkoop in voorraad mag worden gehouden, mag worden verkocht, mag
worden afgeleverd of mag worden gebruikt. Deze termijn kan verschillen
naar gelang de in de eerste volzin genoemde handeling.
Artikel 50 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Er is een Commissie toelating huisvestingssystemen
landbouwhuisdieren die is belast met de advisering van Onze Minister
over de toelating van huisvestingssystemen en de intrekking daarvan.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent
onder meer de samenstelling en de werkwijze van de commissie, bedoeld
in het eerste lid. Deze regelen hebben mede betrekking op de
zittingsduur, de schorsing en het ontslag van de leden van de
commissie.
Artikel 51 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Van een toelating of intrekking daarvan wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 52 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld betreffende het voorhanden hebben, ten verkoop in
voorraad hebben, verkopen, afleveren of gebruiken van
huisvestingssystemen die kennelijk in een proefstadium verkeren.
Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens deze
wet.
2.Voor zover krachtens het eerste lid wordt bepaald dat
proefnemingen slechts na daartoe gedane aanvraag kunnen worden
toegestaan, kunnen de kosten voortvloeiende uit deze aanvraag ten
laste van de aanvrager worden gebracht volgens door Onze Minister
gestelde regelen.
Artikel 53 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 46 tot en met
49.
Artikel 54 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 46 tot en met 53 geheel of
gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing is voor bij die maatregel
aangewezen seriematig vervaardigde onderdelen van dan wel aangewezen
seriematig vervaardigde voorzieningen binnen huisvestingssystemen.
Afdeling 5. Het fokken met dieren
Artikel 55
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld omtrent het fokken met dieren van bij die maatregel aangewezen
soorten of categorieën van dieren. Deze regelen kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. de methode van fokken;
b. het registreren, identificeren en certificeren van dieren;
c. het voorafgaand aan het fokken door de fokker te verrichten
of te doen verrichten onderzoek bij een dier waarmee wordt gefokt
naar de aanwezigheid van aandoeningen die de gezondheid of het
welzijn van het dier of de nakomelingen van het dier kunnen
aantasten, alsmede de methoden die daarbij worden gebruikt.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan het worden verboden een
dier dat beschikt over één of meer aangewezen aandoeningen of
uiterlijke kenmerken die de gezondheid of het welzijn van het dier of
de nakomelingen van het dier kunnen aantasten te fokken of voor de fok
te gebruiken.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan het worden verboden een
dier dat beschikt over één of meer aangewezen aandoeningen of
uiterlijke kenmerken waarvoor krachtens het tweede lid een fokverbod
is ingesteld, ten verkoop in voorraad te hebben, ten verkoop aan te
bieden, te verkopen, te kopen, toe te laten tot een tentoonstelling,
keuring of wedstrijd dan wel om met een dergelijk dier deel te nemen
aan een tentoonstelling, keuring of wedstrijd.
Afdeling 6. Het verkopen, verhuren en verloten van dieren
Artikel 56
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent het
bedrijfsmatig verkopen, ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop
aanbieden, verhuren en afleveren van dieren van bij die maatregel
aangewezen soorten of categorieën van dieren.
Artikel 57
Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of
uit te reiken bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere
dergelijke evenementen.
Afdeling 7. Het vervoeren van dieren
Artikel 58
1.In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. EG-verordening: verordening van de Raad van de Europese Unie
of van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 37
of 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
en waarin voorschriften zijn neergelegd inzake de bescherming van
dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten;
b. EG-richtlijn: richtlijn van de Raad van de Europese Unie of
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
gezamenlijk, die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 37
of 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
en waarin voorschriften zijn neergelegd inzake de bescherming van
dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten;
c. EG-beschikking: beschikking die gebaseerd is op een
EG-verordening of een EG-richtlijn.
2.Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende
bepalingen gelden de begripsomschrijvingen zoals die zijn neergelegd
in EG-verordeningen. Daar waar deze begripsbepalingen afwijken van de
in artikel 1 van deze wet opgenomen begripsbepalingen, gelden de
begripsbepalingen zoals die zijn neergelegd in de EG-verordening.
Artikel 59
Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling
aan te wijzen voorschriften van EG-verordeningen.
Artikel 59a
1.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor een
goede uitvoering van EG-verordeningen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter implementatie van EG-richtlijnen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter
implementatie van EG-beschikkingen.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ter implementatie van een overeenkomst betreffende de
bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende
activiteiten tussen de Europese Gemeenschap en een derde land of een
internationale organisatie.
5.De regels bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kunnen
betrekking hebben op:
a. het aanwijzen van een bevoegde autoriteit;
b. het aanwijzen van officiële dierenartsen;
c. het verlenen, schorsen en intrekken van certificaten,
erkenningen, vergunningen en getuigschriften van vakbekwaamheid;
d. het erkennen van examens;
e. het uitvoeren van controles en inspecties die relevant zijn
voor de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee
samenhangende activiteiten;
f. de vervoermiddelen die ten behoeve van het vervoeren van
dieren worden gebruikt, alsmede hun uitrusting en inrichting;
g. kooien, kisten, kratten, dozen en dergelijke voorwerpen die
ten behoeve van het vervoer van dieren worden gebruikt en daartoe
kennelijk bestemd zijn;
h. de beladingsdichtheid van vervoermiddelen als bedoeld in
onderdeel f;
i. het in- en uitladen van dieren, of
j. de duur en de afstand van vervoer.
Artikel 59b
1.Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op de krachtens
artikel 59a, eerste lid, gestelde regels, nadere voorschriften worden
gesteld over de onderwerpen die zijn geregeld in de EG-verordening,
voor een goede uitvoering waarvan die regels zijn gesteld.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in
aanvulling op de krachtens artikel 59a, tweede en vierde lid, gestelde
regels, nadere voorschriften worden gesteld over de onderwerpen waarop
die regels betrekking hebben.
3.Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op de
krachtensartikel 59a, derde lid, gestelde regels, nadere voorschriften
worden gesteld over de onderwerpen waarop die regels betrekking
hebben.
4.De krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels hebben
slechts betrekking op ander vervoer dan vervoer dat geschiedt in de
uitoefening van of ten behoeve van een beroep, onderneming of bedrijf,
voor zover dat bij die regels is bepaald.
Artikel 60 [Vervallen per 05-01-2007]
Afdeling 8. Het gebruik van dieren bij wedstrijden
Artikel 61
1.Het is verboden om dierengevechten te organiseren of dieren aan
dierengevechten te doen deelnemen.
2.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
Artikel 62
1.Onze Minister kan substanties aanwijzen die het kunstmatig
beïnvloeden van het prestatievermogen van dieren in wedstrijden tot
gevolg kunnen hebben.
2.Het is verboden een dier ingeschreven te hebben voor een
wedstrijd of met een dier deel te nemen aan een wedstrijd, indien bij
een onderzoek blijkt dat in het lichaam van dat dier een hoeveelheid
van een of meer van de krachtens het eerste lid aangewezen
substanties, bestanddelen daarvan of omzettingsprodukten aanwezig is,
welke groter is dan een door Onze Minister vastgestelde hoogst
toelaatbare hoeveelheid. Deze hoeveelheid kan op nul worden gesteld.
3.In de krachtens het tweede lid vastgestelde hoeveelheid is mede
begrepen de in voorkomend geval uit anderen hoofde in het lichaam van
het dier aanwezige hoeveelheid van dezelfde substantie, bestanddeel
daarvan of omzettingsprodukt.
4.Onze Minister kan de aard en de wijze van uitvoering van het in
het tweede lid bedoelde onderzoek voorschrijven.
Artikel 63
1.Het is verboden een of meer van de krachtens artikel 62, eerste
lid, aangewezen substanties toe te passen op dieren die zijn
ingeschreven voor een wedstrijd.
2.Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op
dierenartsen die ten genoegen van de ambtenaren die door Onze Minister
met het toezicht op de naleving van deze afdeling zijn belast,
aantonen dat die dieren niet aan de wedstrijd zullen deelnemen.
3.Het is verboden op wedstrijdterreinen of op nader door Onze
Minister aangewezen plaatsen een of meer van de krachtens artikel 62,
eerste lid, aangewezen substanties aanwezig te hebben.
4.Het derde lid is niet van toepassing op dierenartsen die ten
genoegen van de in het tweede lid bedoelde ambtenaren aantonen dat de
substanties niet zijn of worden gebruikt bij dieren die nog moeten
deelnemen aan de wedstrijd.
Artikel 64
In het belang van een doelmatige handhaving van deze afdeling kan
Onze Minister regelen stellen met betrekking tot de organisatie van
wedstrijden en de inrichting van wedstrijdterreinen. Daarbij kan worden
bepaald dat de organisatie van nader aan te wijzen wedstrijden slechts
is toegestaan aan instellingen die:
a. in hun statuten hebben bepaald dat overtreding van het
bepaalde in deze afdeling aan intern tuchtrecht is onderworpen,
tenzij de officier van justitie beslist dat een overtreding
strafrechtelijk zal worden afgedaan;
b. met betrekking tot de onder hun verantwoordelijkheid
georganiseerde wedstrijden nader aan te wijzen werkzaamheden in het
kader van het verlenen van bijstand aan het toezicht op de naleving
van deze afdeling verrichten.
Afdeling 9. Overige bepalingen
Artikel 65
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent het houden van keuringen, markten, verkopingen,
tentoonstellingen en andere gelegenheden of inrichtingen waar dieren
worden gehouden of aan het publiek getoond wegens recreatieve, sportieve
of opvoedkundige doeleinden dan wel waar dieren al dan niet tijdelijk in
bewaring worden genomen.
Hoofdstuk IV. Biotechnologie
Artikel 66
1.Het is zonder vergunning verboden:
a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze
die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke
voortplanting en van recombinatie;
b. biotechnologische technieken bij een dier of een embryo toe
te passen.
2.Op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid
beslist Onze Minister, gehoord de Commissie biotechnologie bij dieren,
bedoeld in artikel 69.
3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts
verleend indien naar het oordeel van Onze Minister:
a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de
gezondheid of het welzijn van dieren en
b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
4.In de vergunning wordt bepaald voor welke handelingen zij is
bedoeld.
5.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Een
vergunning kan onder beperkingen worden verleend.
Artikel 67
1.Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 66
dient in ieder geval te worden overgelegd:
a. een overzicht van de handelingen welke de aanvrager
voornemens is te verrichten dan wel te laten verrichten;
b. een door of vanwege de aanvrager opgestelde rapportage ter
zake van de effecten van de handelingen op dieren, waaronder
begrepen de gezondheid en het welzijn van dieren.
2.Onze Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag
en omtrent de behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden
bepaald:
a. welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd
alvorens een aanvraag in behandeling kan worden genomen;
b. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat
een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
c. welke kosten van het onderzoek, voortvloeiend uit een
aanvraag, ten laste van de aanvrager worden gebracht;
d. in welke gevallen een aanvraag voor een vergunning niet
ontvankelijk wordt verklaard.
Artikel 68
1.Het bepaalde in artikel 66, eerste lid, is niet van toepassing op
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelingen voor zover
deze handelingen worden uitgevoerd overeenkomstig bij die maatregel
gestelde regelen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat geen
vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt verleend voor
bij die maatregel aangewezen handelingen met betrekking tot dieren van
bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren
indien:
a. de handelingen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de
gezondheid of het welzijn van dieren of
b. tegen die handelingen ethische bezwaren bestaan.
Artikel 69
1.Er is een Commissie biotechnologie bij dieren die is belast met
de advisering van Onze Minister over de verlening van vergunning als
bedoeld in artikel 66 en de intrekking daarvan.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent
onder meer de samenstelling en de werkwijze van de commissie, bedoeld
in het eerste lid. Deze regelen hebben mede betrekking op de
zittingsduur, de schorsing en het ontslag van de leden van de
commissie.
Artikel 70
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld
omtrent de procedure van voorbereiding van beslissingen omtrent de
verlening, wijziging of intrekking van vergunningen als bedoeld in
artikel 66.
Artikel 71
Van een verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 66 of de
intrekking daarvan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 72
Onze Minister kan in ieder geval een vergunning met onmiddellijke
ingang schorsen, wijzigen dan wel intrekken indien:
a. de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of
onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing
zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste
gegevens bekend waren geweest;
b. na de verlening van de vergunning is gebleken van feiten en
omstandigheden die, waren zij bekend op het moment van de verlening
van de vergunning, aanleiding zouden zijn geweest om de aanvraag te
wijzigen dan wel af te wijzen;
c. de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is
verleend of
d. in strijd wordt gehandeld met de aan de vergunning verbonden
voorschriften of met de beperkingen waaronder de vergunning is
verleend.
Hoofdstuk V. Regelen met betrekking tot agressieve dieren
Artikel 73
1.Het is verboden dieren, behorende tot door Onze Minister
aangewezen soorten of categorieën van dieren te fokken, in Nederland
te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen.
2.Het is verboden dieren behorende tot ingevolge het eerste lid
aangewezen soorten of categorieën van dieren voorhanden te hebben.
3.Ingevolge het eerste lid worden slechts aangewezen soorten of
categorieën, waarvan de dieren een gevaar kunnen opleveren voor de
veiligheid van mens of dier.
Artikel 74
1.De burgemeester van de gemeente waar een dier dat in strijd met
het bepaalde in artikel 73 is gefokt of voorhanden wordt gehouden,
zich bevindt, kan bepalen dat dat dier naar een nader door hem
aangewezen plaats moet worden vervoerd en aldaar moet worden gedood.
2.De burgemeester legt een maatregel als bedoeld in het eerste lid,
voor zover het betreft het doden van het dier, niet ten uitvoer indien
binnen zes weken, nadat de desbetreffende beschikking aan de houder
van het dier is bekendgemaakt, de houder een verzoek als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend en op
dat verzoek niet afwijzend is beslist.
Hoofdstuk VI. Regelen met betrekking tot het fokken van vee
Artikel 75 [Vervallen per 23-12-1998]
Artikel 76
1.Onverminderd het bepaalde bij artikel 55 worden ter bevordering
van de raszuiverheid of ter verbetering van de raskenmerken bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gesteld omtrent het
fokken met dieren van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
veesoorten.
2.De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben
op:
a. de voorwaarden voor de erkenning door Onze Minister van
instellingen, die stamboeken bijhouden;
b. de eisen, waaraan dieren moeten voldoen om voor inschrijving
in een stamboek in aanmerking te komen;
c. de certificaten, die worden afgegeven ten bewijze van de
inschrijving van dieren in een stamboek;
d. het keuren van dieren;
e. de methoden, die worden gebruikt bij onderzoek naar en de
beoordeling van de prestaties en de genetische waarde van dieren;
f. de handel in sperma, eicellen en embryo's;
g. de voorwaarden voor toelating van fokdieren tot de
voortplanting.
Hoofdstuk VII. Het brengen van dieren en produkten van dierlijke
oorsprong buiten Nederland
Artikel 77
1.Het anders dan in doorvoer brengen van vee of pluimvee buiten
Nederland is verboden.
2.Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet indien de dieren
overeenkomstig door Onze Minister gestelde regelen zijn voorzien van
een of meer merken en vergezeld gaan van een of meer bewijsstukken
aangebracht onderscheidenlijk afgegeven op grond van een van Rijkswege
ingesteld onderzoek ten bewijze dat voldaan is aan de met het oog op
deze uitvoer door hem gestelde eisen met betrekking tot:
a. de identificatie der dieren;
b. de gezondheidstoestand der dieren;
c. de voorbehoedende behandeling der dieren;
d. de bedrijven waarop de dieren hebben verbleven en de
gezondheidstoestand der dieren op die bedrijven;
e. de markten waarop de dieren zijn aangekocht en de plaatsen
waarop de dieren zijn verzameld;
f. de vervoermiddelen alsmede de inlading en het vervoer der
dieren;
g. andere onderwerpen, voor zover de nakoming van
internationale overeenkomsten of van volkenrechtelijke
organisaties zulks met zich brengt.
3.Ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid kan Onze
Minister voorts regelen stellen met betrekking tot:
a. de plaatsen waar, alsmede de tijdruimten waarbinnen vee en
pluimvee ter onderzoek kunnen worden aangeboden;
b. de wijze waarop de dieren voor het onderzoek bedoeld in
onderdeel c moeten worden aangeboden;
c. het onderzoek;
d. de wijze waarop het in het tweede lid bedoelde bewijsstuk
kan worden verkregen;
e. het toezicht dan wel de douanecontrole.
Artikel 78
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan het anders dan in
doorvoer buiten Nederland brengen van andere dan in artikel 77, eerste
lid, bedoelde dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of
categorieën van dieren en bij die maatregel aangewezen produkten van
dierlijke oorsprong worden verboden, tenzij de zending overeenkomstig
daartoe gestelde regelen voorzien is van een of meer merken en vergezeld
gaat van een of meer bewijsstukken aangebracht onderscheidenlijk
afgegeven op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek, ten
bewijze dat voldaan is aan de met het oog op de uitvoer bij of krachtens
die maatregel gestelde eisen.
Artikel 79
1.In verband met door landen van bestemming gestelde eisen op
veterinair gebied kan degene die dieren en produkten van dierlijke
oorsprong anders dan in doorvoer buiten Nederland wil brengen,
verzoeken een onderzoek van Rijkswege in te stellen, alsmede merken
aan te brengen of bewijsstukken af te geven, ten bewijze dat voldaan
is aan door die andere landen gestelde eisen.
2.Onze Minister kan omtrent de uitvoering van de in het eerste lid
bedoelde onderzoeken nadere regelen stellen.
Artikel 80
Indien er gevaar bestaat voor overbrenging van een in Nederland
opgetreden besmettelijke dierziekte kan Onze Minister het buiten
Nederland brengen van dieren en dierlijke produkten afkomstig uit
Nederland of een door hem te bepalen gedeelte daarvan verbieden dan wel
verbieden indien niet voldaan wordt aan door hem te stellen regelen.
Artikel 81
1.De eisen en regelen, bedoeld in de artikelen 77 tot en met 80,
kunnen onder meer verschillen naar gelang van de diersoort of
categorie van dieren of de produkten en naar gelang van het land van
bestemming.
2.Indien ter uitvoering van het bepaalde in artikel 77 wordt
voorzien in een officiële erkenning van de in het tweede lid van
artikel 77 bedoelde bedrijven, markten en verzamelplaatsen van vee of
pluimvee wordt een zodanige erkenning verleend voor iedere markt en
verzamelplaats en ieder bedrijf, dat aan de daarvoor door Onze
Minister gestelde eisen voldoet en wordt de erkenning ingetrokken,
indien het bedrijf de markt of de verzamelplaats niet langer aan deze
eisen blijkt te voldoen, doch niet dan nadat gedurende een redelijke
termijn gelegenheid is gegeven, de voor het behoud van de erkenning
noodzakelijke voorzieningen te treffen.
3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister een
officiële erkenning als bedoeld in het tweede lid voor bepaalde tijd
intrekken indien:
a. de bedrijfsvoering niet voldoet aan nader door Onze Minister
gestelde regelen;
b. de ondernemer ten behoeve van wiens bedrijf de officiële
erkenning is verleend, in strijd handelt met het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 77, 78 of 79.
4.Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige
toepassing indien op grond van de artikelen 78 of 79 wordt voorzien in
een officiële erkenning van bedrijven, markten of verzamelplaatsen.
Hoofdstuk VIIa [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81a [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81b [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81c [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81d [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81e [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81f [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81g [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81h [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81i [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81j [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81k [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk VIIb [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81l [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81m [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81n [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 81o [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk VIII. Financiële bepalingen
Afdeling 1. Rijksbijdragen
Artikel 82 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld ten aanzien van het verlenen van geldelijke bijdragen uit ’s
Rijks kas aan de Stichting Gezondheidszorg voor dieren, opgericht op 22
december 1970 in de kosten van bij of krachtens die maatregel te bepalen
werkzaamheden op het gebied van de gezondheidszorg voor dieren.
Artikel 83
Uit het Diergezondheidsfonds worden betaald:
a. de kosten van de uitvoering van de in artikel 22, eerste lid,
onderdeel c, d en h, genoemde maatregelen, met uitzondering van die
van het reinigen van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en
voorwerpen alsmede van het reinigen en ontsmetten van markten en
andere plaatsen waarop dieren afkomstig van verschillende plaatsen
bijeen worden gebracht;
b. de kosten van het ter beschikking stellen van de middelen ter
ontsmetting, als bedoeld in artikel 26.
Artikel 84
Onze Minister kan bepalen, dat de kosten van het in artikel 17,
eerste lid, bedoelde behandelen en merken geheel of gedeeltelijk worden
betaald uit ’s Rijks kas.
Afdeling 2. Tegemoetkomingen in de schade
Artikel 85
1.Deze afdeling is van toepassing op maatregelen als bedoeld in
afdeling 3 van hoofdstuk II ter voorkoming en bestrijding van
ingevolge artikel 15 aangewezen besmettelijke dierziekten bij vee,
pluimvee, bijen en nertsen.
2.Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, onderdeel e, onderscheidenlijk een aanwijzing als bedoeld
in artikel 15, eerste lid, onderdeel f, kan deze afdeling geheel of
gedeeltelijk van toepassing worden verklaard.
Artikel 86
1.Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een
tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:
a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid,
onderdeel f, worden gedood;
b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel
22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;
c. maatregelen krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede
lid, onderdeel f en g, zijn toegepast.
2.De tegemoetkoming in de schade bedraagt:
a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,
b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand,
c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de
maatregel,
met dien verstande dat indien voor de vaststelling van de waarde
van bepaalde dieren, producten of voorwerpen bij of krachtens de
artikelen 87a, 87b en 87c regels zijn gesteld, de waarde van die
dieren, producten of voorwerpen overeenkomstig die regels wordt
vastgesteld.
3.Aan de toekenning van een tegemoetkoming kunnen door Onze
Minister voorwaarden worden verbonden welke betrekking kunnen hebben
op:
a. de inrichting van het bedrijf;
b. de hygiëne op het bedrijf;
c. de herbevolking van het bedrijf;
d. de bedrijfsbegeleiding door een dierenarts;
e. op het bedrijf te nemen preventieve maatregelen;
en voor zover, de eigenaar niet bedrijfsmatig dieren houdt:
a. de inrichting van de verblijfsruimten voor dieren;
b. de hygiëne in de verblijfsruimten voor dieren;
c. de herbevolking van de verblijfsruimten voor dieren;
d. de te nemen preventieve maatregelen.
4.Onze Minister kan de uitbetaling van de tegemoetkoming opschorten
totdat aan de ingevolge het derde lid gestelde voorwaarden is voldaan,
dan wel aan degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend, de
verplichting opleggen zekerheid te stellen voor de juiste nakoming van
de krachtens dat lid gestelde voorwaarden.
5.Onze Minister kan bepalen, dat in afwijking van het bepaalde in
het eerste en tweede lid, geen tegemoetkoming wordt toegekend, dan wel
dat de tegemoetkoming op een geringer bedrag wordt bepaald, voor zover
het optreden van de besmettelijke ziekte mede aan betrokkene te wijten
is.
6.Een zelfde bevoegdheid heeft Onze Minister indien wordt
vastgesteld dat de eigenaar aan zijn krachtens artikel 4 of krachtens
artikel 92 opgelegde verplichtingen niet of niet volledig heeft
voldaan.
7.Onze Minister kan het bedrag van de tegemoetkoming geheel of
gedeeltelijk terugvorderen, indien aan de aan deze tegemoetkoming
krachtens het derde lid gestelde voorwaarden niet of niet ten volle is
voldaan.
Artikel 87
Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f,
worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste
lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt, danwel producten en
voorwerpen op grond van artikel 22, tweede lid, onderdeel f, worden
vernietigd of onschadelijk gemaakt of bijenvolken op grond van artikel
22, tweede lid, onderdeel g, worden vernietigd, wordt de waarde daarvan
vastgesteld.
Artikel 87a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De waardevaststelling geschiedt door een door Onze Minister
aangewezen deskundige, die voldoet aan de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgestelde vakbekwaamheidseisen.
2.De vakbekwaamheidseisen, bedoeld in het eerste lid, omvatten in
ieder geval algemene kennis op het gebied van waardevaststellingen
alsmede praktijkvaardigheden.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
vergoeding van de deskundige, bedoeld in het eerste lid.
4.De vergoeding, bedoeld in het derde lid, wordt vergoed uit het
Diergezondheidsfonds.
Artikel 87b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
uitvoering van de waardevaststelling van bij die maatregel aangewezen
soorten of categorieën van dieren, danwel producten of voorwerpen,
regels gesteld.
2.De in het eerste lid bedoelde regels hebben betrekking op:
a. het tijdstip waarop de waardevaststelling plaatsvindt;
b. de kwalificatie van de dieren, producten en voorwerpen
waarvan de waarde moet worden vastgesteld;
c. de wijze van waardevaststelling, en
d. de herwaardering van de waardevaststelling.
Artikel 87c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister stelt een formulier vast voor de onderbouwing van
de waardevaststelling ten behoeve van de belanghebbenden.
2.Het formulier bevat in ieder geval de aanduiding van hetgeen
waarvan de waarde wordt vastgesteld, de voor de waardevaststelling
relevante gegevens, de waarde en de motivering daarvan.
Artikel 88
1.Dit artikel is van toepassing op de waardevaststelling van
dieren, producten en voorwerpen ten aanzien waarvan geen regels zijn
gesteld bij of krachtens de artikelen 87a, 87b en 87c.
2.De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een
beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.
3.Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen
genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de
kantonrechter in het kanton waar de dieren, bedoeld in artikel 87,
zijn gedood of de producten en voorwerpen, bedoeld in dat artikel,
onschadelijk zijn gemaakt of bijenvolken als bedoeld in dat artikel
zijn vernietigd, drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de
krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.
4.Indien over de waardevaststelling geen overeenstemming wordt
bereikt, geldt het bedrag dat het gemiddelde is van de verschillende
waarderingen.
5.De kosten van de in het tweede en derde lid bedoelde deskundigen
worden uit het Diergezondheidsfonds betaald.
Artikel 89
Terstond nadat de waarde is vastgesteld deelt Onze Minister aan de
eigenaar het bedrag van de waardevaststelling mede.
Artikel 90
Indien door het onschadelijk maken van dieren, produkten of
voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22 schade wordt toegebracht
aan gebouwen, terreinen of voorwerpen, wordt aan de eigenaar of
gebruiker van deze gebouwen, terreinen of voorwerpen uit het
Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.
Artikel 91
Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in
artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen
86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te
bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het
Diergezondheidsfonds worden vergoed.
Afdeling 3. Heffingen
Artikel 91a
1.Terzake van het houden van varkens wordt van de persoon of
rechtspersoon die, of het samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen dat een bedrijf voert onder de naam varkensheffing een
heffing geheven ter bestrijding van de kosten:
a. bedoeld in artikel 83 en 88, vijfde lid, voor zover die
kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van voor
varkens op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen
besmettelijke ziekten;
b. van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 86, eerste lid,
aanhef en onderdelen a en b, en artikel 90, alsmede de
vergoedingen bedoeld in artikel 91, voor zover die
tegemoetkomingen, respectievelijk vergoedingen, voortvloeien uit
de bestrijding van voor varkens op grond van artikel 15, eerste
lid, aangewezen besmettelijke ziekten;
c. van door Onze Minister getroffen maatregelen en
voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, voor zover
die kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van
voor varkens op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen
besmettelijke ziekten, waartoe tevens gerekend worden de kosten
van door Onze Minister getroffen maatregelen en voorzieningen die
noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van het welzijn
van dieren dan wel met het oog op onderzoek naar de mate van
verspreiding van die ziekten in Nederland, en
d. die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en
invordering van de varkensheffing.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
varkensheffing, met ingang van 1 januari van een op de datum van
inwerkingtreding van die maatregel volgend kalenderjaar, tevens wordt
geheven ter bestrijding van de kosten van het Diergezondheidsfonds,
voor zover noodzakelijk met het oog op het weren van voor varkens op
grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten.
3.De heffing wordt geheven per bedrijf per kalenderjaar.
Artikel 91b
1.De varkensheffing wordt geheven naar het aantal varkens,
uitgedrukt in heffingseenheden, dat gemiddeld in een kalenderjaar op
het bedrijf wordt gehouden. De omrekening van varkens in
heffingseenheden geschiedt overeenkomstig de bij deze wet behorende
bijlage.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de wijze waarop het gemiddelde aantal varkens wordt bepaald.
Artikel 91c
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat over de bij
die maatregel vast te stellen categorieën varkens geheel of ten dele
geen varkensheffing verschuldigd is.
Artikel 91d
1.Het tarief van de varkensheffing bedraagt € 5,22 per
heffingseenheid.
2.Telkens met ingang van 1 januari van het kalenderjaar, volgende
op een periode van drie kalenderjaren, te rekenen vanaf 1 januari
1998, kan het tarief van de varkensheffing voor de op die periode
volgende periode van drie kalenderjaren worden gewijzigd. Een
wijziging als bedoeld in de vorige volzin geschiedt bij algemene
maatregel van bestuur die in werking treedt voor het tijdstip waarop
de periode aanvangt waarop de wijziging van het tarief betrekking
heeft.
3.Wijziging van het tarief op grond van het tweede lid geschiedt op
basis van het saldo van:
a. een raming van de kosten, bedoeld in artikel 91a, eerste
lid, en, voor zover van toepassing, artikel 91a, tweede lid, over
een periode van drie kalenderjaren, te rekenen vanaf 1 januari van
het kalenderjaar met ingang waarvan het tarief uit hoofde van het
tweede lid kan worden gewijzigd, bij welke raming rekening wordt
gehouden met het totaal van de kosten, bedoeld in artikel 91a,
eerste lid, over een periode van drie jaar die eindigt op 1 juli
van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de periode waarop de
raming betrekking heeft;
b. ten hoogste 50% van de door het Diergezondheidsfonds
gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91a, eerste lid, over de
periode vanaf de datum van invoering van de varkensheffing tot 1
januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar
met ingang waarvan het tarief uit hoofde van het tweede lid kan
worden gewijzigd, voor zover die kosten meer bedragen dan de
totale som van de varkensheffing, bestemd voor de bestrijding van
die kosten, zoals geheven over de tot laatstbedoelde datum
verstreken kalenderjaren, en, voor zover van toepassing,
c. ten hoogste 50% van de door het Diergezondheidsfonds
gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91a, tweede lid, over de
periode vanaf de in dat artikellid genoemde datum tot 1 januari
van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar met
ingang waarvan het tarief uit hoofde van het tweede lid kan worden
gewijzigd, voor zover die kosten meer bedragen dan de totale som
van de varkensheffing, bestemd voor de bestrijding van die kosten,
zoals geheven over de tot laatstbedoelde datum verstreken
kalenderjaren.
4.In geval van toepassing van artikel 91a, tweede lid, wordt bij de
in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur het tarief
van de varkensheffing verhoogd met ingang van 1 januari van het in
artikel 91a, tweede lid, bedoelde kalenderjaar. De tariefsverhoging
wordt gebaseerd op een raming van de kosten, bedoeld in artikel 95c,
onderdeel c, over de kalenderjaren, te rekenen vanaf de in de vorige
volzin bedoelde datum tot de datum met ingang waarvan uit hoofde van
het tweede lid het tarief van de varkensheffing kan worden gewijzigd,
voor zover die kosten betrekking hebben op de diersoort varken.
Artikel 91e
1.Het tarief van de varkensheffing wordt verminderd met:
a. het aantal procentpunten dat overeenkomt met de uitkomst van
de vermenigvuldiging van het aantal tot het bedrijf behorende
vestigingen waarvan elke opstal of elk perceel grond op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar is gelegen buiten een
concentratiegebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Meststoffenwet en de deling van het cijfer 15 door het totaal
aantal vestigingen van het desbetreffende bedrijf;
b. 40 procentpunten indien in het desbetreffende kalenderjaar
ten aanzien van elke tot het bedrijf behorende vestiging noch
sprake is van aanvoer van varkens, noch sprake is van afvoer van
varkens aan enige andere vestiging van dat bedrijf of van enig
ander bedrijf;
c. 30 procentpunten indien in het desbetreffende kalenderjaar
ten aanzien van één of meer tot het bedrijf behorende
vestigingen de som van het aantal vestigingen van dat bedrijf of
enig ander bedrijf waaraan vanaf de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd en het aantal vestigingen van dat bedrijf
of enig ander bedrijf van waar aan de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd gelijk is aan 1, met dien verstande dat
ten aanzien van geen van de tot het bedrijf behorende vestigingen
die som groter is dan 1;
d. 20 procentpunten indien in het desbetreffende kalenderjaar
ten aanzien van één of meer tot het bedrijf behorende
vestigingen de som van het aantal vestigingen van dat bedrijf of
enig ander bedrijf waaraan vanaf de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd en het aantal vestigingen van dat bedrijf
of enig ander bedrijf van waar aan de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd gelijk is aan 2, met dien verstande dat
ten aanzien van geen van de tot het bedrijf behorende vestigingen
die som groter is dan 2;
e. 10 procentpunten indien in het desbetreffende kalenderjaar
ten aanzien van één of meer tot het bedrijf behorende
vestigingen de som van het aantal vestigingen van dat bedrijf of
enig ander bedrijf waaraan vanaf de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd en het aantal vestigingen van dat bedrijf
of enig ander bedrijf waarvandaan aan de desbetreffende vestiging
varkens worden geleverd gelijk is aan 3, met dien verstande dat
ten aanzien van geen van de tot het bedrijf behorende vestigingen
die som groter is dan 3 en vanaf geen van de tot het bedrijf
behorende vestigingen aan meer dan 2 vestigingen van dat bedrijf
of enig ander bedrijf varkens worden geleverd, en
f. een bij algemene maatregel van bestuur, op ten minste 5 en
ten hoogste 25, vastgesteld aantal procentpunten, indien het
bedrijf deelneemt aan een samenhangend stelsel van voorwaarden met
betrekking tot de gezondheid van varkens dat is gericht op de
verschillende, bij de productie van varkens en varkensvlees,
betrokken ondernemingen en dat voldoet aan bij algemene maatregel
van bestuur te stellen voorwaarden.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, met ingang van 1
januari van het kalenderjaar dat volgt op de datum van
inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur, het in het
eerste lid, onderdeel a, genoemde cijfer en de in het eerste lid,
onderdelen b tot en met e, genoemde aantallen procentpunten worden
vervangen door een ander cijfer, onderscheidenlijk andere aantallen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, met ingang van 1
januari van het kalenderjaar dat volgt op de datum van
inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur, met het oog
op de bestrijding of het weren van voor varkens besmettelijke ziekten,
andere gevallen worden bepaald op basis waarvan het tarief van de
varkensheffing wordt verminderd.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
tarief van de varkensheffing wordt verminderd met een bij die
maatregel, op ten minste 5 en ten hoogste 25, vastgesteld aantal
procentpunten, indien het bedrijf op een bij die maatregel te bepalen
tijdstip voldoet aan bij die maatregel te bepalen voorschriften met
betrekking tot één of meer onderdelen waarover krachtens hoofdstuk
III van deze wet regels zijn gesteld.
5.De toepassing van het eerste, tweede, derde of vierde lid,
geschiedt zodanig dat in geen geval meer dan 70% korting op het tarief
van de varkensheffing wordt verkregen.
Artikel 91f
De varkensheffing wordt geheven bij wege van aanslag.
Artikel 91g
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien
van de door de in artikel 91a, eerste lid, bedoelde heffingplichtigen te
voeren administratie met het oog op de vaststelling van het aantal en de
categorieën varkens waarover de varkensheffing verschuldigd is en de
toepassing van het bij of krachtens artikel 91e bepaalde.
Artikel 91h
1.Terzake van het houden van dieren, behorende tot enige andere
diersoort dan de diersoort varken, kunnen bij algemene maatregel van
bestuur, met ingang van een datum die volgt op de datum van
inwerkingtreding van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur,
heffingen worden ingevoerd die worden geheven van de persoon of
rechtspersoon die of het samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen dat een bedrijf voert, welke heffingen dienen ter
bestrijding van de kosten:
a. bedoeld in artikel 83 en 88, vijfde lid, voor zover die
kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van voor
andere diersoorten dan de diersoort varken op grond van artikel
15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten;
b. van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 86, eerste lid,
aanhef en onderdelen a en b, en artikel 90, alsmede de
vergoedingen bedoeld in artikel 91, voor zover die
tegemoetkomingen, onderscheidenlijk vergoedingen, voortvloeien uit
de bestrijding van voor andere diersoorten dan de diersoort varken
op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke
ziekten;
c. van door Onze Minister getroffen maatregelen en
voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, voor zover
die kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van
voor andere diersoorten dan de diersoort varken op grond van
artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten, waartoe
tevens gerekend worden de kosten van door Onze Minister getroffen
maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn met het oog op
de bescherming van het welzijn van dieren dan wel met het oog op
onderzoek naar de mate van verspreiding van die ziekten in
Nederland, en
d. die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en
invordering van de heffingen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een
heffing als bedoeld in het eerste lid, met ingang van 1 januari van
een op de datum van inwerkingtreding van die maatregel volgend
kalenderjaar, tevens wordt geheven ter bestrijding van de kosten van
het Diergezondheidsfonds, voor zover noodzakelijk met het oog op het
weren van voor andere diersoorten dan de diersoort varken op grond van
artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten.
3.Een krachtens het eerste lid ingevoerde heffing wordt geheven per
bedrijf per kalenderjaar naar het aantal dieren van de bij de
desbetreffende heffing betrokken diersoort dat gemiddeld in een
kalenderjaar op het bedrijf wordt gehouden, met dien verstande dat, in
geval de betrokken heffing wordt ingevoerd gedurende het kalenderjaar,
de heffing in dat kalenderjaar wordt geheven over het nog niet
verstreken deel van dat jaar.
4.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
kan gevallen bepalen waarin korting op het tarief van de
desbetreffende heffing wordt verkregen. Daarbij wordt in ieder geval
rekening gehouden met de mate waarin het bedrijf of de bedrijfsvoering
van de heffingplichtige een risico vormt voor de verspreiding van op
grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen en voor de bij de
desbetreffende heffing betrokken diersoort besmettelijke ziekten. Bij
de in de eerste volzin bedoelde maatregel kan op de bij die maatregel
aangegeven wijze rekening worden gehouden met de mate waarin en het
tijdstip waarop voldaan is aan bij die maatregel voor de
desbetreffende soort of categorie dieren te bepalen voorschriften met
betrekking tot één of meer onderwerpen waarover krachtens hoofdstuk
III van de wet regels zijn gesteld.
5.De toepassing van het vierde lid geschiedt zodanig dat in geen
geval meer dan 70% korting op het tarief wordt verkregen.
6.Een krachtens het eerste lid ingevoerde heffing wordt geheven bij
wege van aanslag.
Artikel 91i
1.Het tarief van een krachtens artikel 91h, eerste lid, ingevoerde
heffing wordt vastgesteld op basis van een raming van de ten aanzien
van de, bij de desbetreffende heffing betrokken diersoort, kosten,
bedoeld in artikel 91h, eerste lid, over een periode van drie jaar, te
rekenen vanaf het tijdstip waarop de heffing wordt ingevoerd. Bij de
raming wordt rekening gehouden met het totaal van de ten aanzien van
die diersoort gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91h, eerste lid,
over de periode van drie jaar die eindigt zes maanden voor het in de
vorige volzin bedoelde tijdstip.
2.Telkens na een periode van drie kalenderjaren, te rekenen vanaf 1
januari van het kalenderjaar waarin een heffing als bedoeld in artikel
91h, eerste lid, wordt ingevoerd, kan het tarief van de betrokken
heffing voor de op die periode volgende periode van drie kalenderjaren
worden gewijzigd. Een wijziging als bedoeld in de vorige volzin
geschiedt bij algemene maatregel van bestuur die in werking treedt
voor het tijdstip waarop de periode aanvangt waarop de wijziging van
het tarief betrekking heeft.
3.Wijziging van het tarief op grond van het tweede lid geschiedt op
basis van het saldo van:
a. een raming van de terzake van de bij de desbetreffende
heffing betrokken diersoort te maken kosten, bedoeld in artikel
91h, eerste lid, en, voor zover van toepassing, artikel 91h,
tweede lid, over een periode van drie kalenderjaren, te rekenen
vanaf 1 januari van het kalenderjaar met ingang waarvan het tarief
uit hoofde van het tweede lid kan worden gewijzigd, bij welke
raming rekening wordt gehouden met het totaal van de, terzake van
die diersoort gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91h, eerste lid,
over een periode van drie jaar die eindigt op 1 juli van het
kalenderjaar dat voorafgaat aan de periode waarop de raming
betrekking heeft;
b. ten hoogste 50% van de door het Diergezondheidsfonds terzake
van de, bij de desbetreffende heffing betrokken diersoort,
gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91h, eerste lid, over de
periode vanaf de datum van invoering van die heffing tot 1 januari
van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar met
ingang waarvan het tarief uit hoofde van het tweede lid kan worden
gewijzigd, voor zover die kosten meer bedragen dan de totale som
van die heffing, bestemd voor de bestrijding van die kosten, zoals
geheven over de tot laatstbedoelde datum verstreken kalenderjaren,
en, voor zover van toepassing,
c. ten hoogste 50% van de door het Diergezondheidsfonds terzake
van de, bij de desbetreffende heffing betrokken diersoort,
gemaakte kosten, bedoeld in artikel 91h, tweede lid, over de
periode vanaf de in dat artikellid genoemde datum tot 1 januari
van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar met
ingang waarvan het tarief uit hoofde van het tweede lid kan worden
gewijzigd, voor zover die kosten meer bedragen dan de totale som
van die heffing, bestemd voor de bestrijding van die kosten, zoals
geheven over de tot laatstbedoelde datum verstreken kalenderjaren.
4.In geval van toepassing van artikel 91h, tweede lid, wordt bij de
in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur het tarief
van de desbetreffende heffing verhoogd met ingang van 1 januari van
het in artikel 91h, tweede lid, bedoelde kalenderjaar. De verhoging
wordt gebaseerd op een raming van de kosten, bedoeld in artikel 95c,
onderdeel c, voor zover die kosten betrekking hebben op de bij de
desbetreffende heffing betrokken diersoort, over de kalenderjaren, te
rekenen vanaf de in de vorige volzin bedoelde datum tot de datum met
ingang waarvan uit hoofde van het tweede lid het tarief van de
desbetreffende heffing kan worden gewijzigd.
Artikel 92
1.Ter bestrijding van de kosten van de tegemoetkomingen als bedoeld
in artikel 86, eerste lid, alsmede de kosten als bedoeld in artikel
82, artikel 88, vijfde lid, artikel 90, en artikel 91, kan bij
algemene maatregel van bestuur de verplichting worden opgelegd tot het
betalen van een geldsom ten behoeve van ’s Rijks kas aan degenen die
dieren houden, verhandelen of slachten, die dierlijke produkten
produceren of verhandelen of diervoeder bereiden.
2.De hoogte van de in het eerste lid bedoelde geldsom, welke voor
de verschillende in dat lid bedoelde categorieën van personen
verschillend kan worden bepaald, wordt vastgesteld aan de hand van de
in het voorafgaande jaar gemaakte kosten, als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 92a
1.Het tarief van een krachtens artikel 92, eerste lid, ingevoerde
heffing wordt vastgesteld aan de hand van een raming van de kosten,
bedoeld in artikel 92, eerste lid, over een periode van drie jaar, te
rekenen vanaf het tijdstip waarop de heffing wordt ingevoerd, waarbij
rekening wordt gehouden met de over die periode geraamde som van de
varkensheffing en krachtens artikel 91h ingevoerde heffingen.
2.Telkens na een periode van drie kalenderjaren, te rekenen vanaf 1
januari van het kalenderjaar waarin een heffing als bedoeld in artikel
92, eerste lid, wordt ingevoerd, kan het tarief van de betrokken
heffing voor de op die periode volgende periode van drie kalenderjaren
worden gewijzigd. Een wijziging als bedoeld in de vorige volzin
geschiedt bij algemene maatregel van bestuur die in werking treedt
voor het tijdstip waarop de periode aanvangt waarop de wijziging van
het tarief betrekking heeft.
3.Wijziging van het tarief op grond van het tweede lid geschiedt op
basis van het saldo van:
a. een raming van de kosten, bedoeld in artikel 92, eerste lid,
en, voor zover van toepassing, artikel 92, tweede lid, over een
periode van drie kalenderjaren, te rekenen vanaf 1 januari van het
kalenderjaar met ingang waarvan het tarief uit hoofde van het
tweede lid kan worden gewijzigd, bij welke raming rekening wordt
gehouden met de over die periode geraamde som van de
varkensheffing en krachtens artikel 91h ingevoerde heffingen;
b. ten hoogste 50% van het totaal van de door het
Diergezondheidsfonds tot 1 januari van het kalenderjaar,
voorafgaande aan het kalenderjaar met ingang waarvan het tarief
uit hoofde van het tweede lid kan worden gewijzigd, gemaakte
kosten, bedoeld in artikel 92, eerste lid, voor zover die kosten
meer bedragen dan de totale som van de varkensheffing, bestemd
voor de bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 91a, eerste
lid, de totale som van de krachtens artikel 91h, eerste lid,
ingevoerde heffingen, bestemd voor de bestrijding van de in dat
artikellid bedoelde kosten, alsmede de totale som van krachtens
artikel 92, eerste lid, ingevoerde heffingen, bestemd voor de
bestrijding van de in dat artikellid bedoelde kosten, zoals
geheven over de tot laatstbedoelde datum verstreken kalenderjaren,
en, voor zover van toepassing,
c. ten hoogste 50% van het totaal van de door het
Diergezondheidsfonds tot 1 januari van het kalenderjaar,
voorafgaande aan het kalenderjaar met ingang waarvan het tarief
uit hoofde van het tweede lid kan worden gewijzigd, gemaakte
kosten, bedoeld in artikel 92, tweede lid, voor zover die kosten
meer bedragen dan de totale som van de varkensheffing, bestemd
voor de bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 91a, tweede
lid, de totale som van krachtens artikel 91h, eerste lid,
ingevoerde heffingen, bestemd voor de bestrijding van de in
artikel 91h, tweede lid, bedoelde kosten, alsmede de totale som
van krachtens artikel 92, eerste lid, ingevoerde heffingen,
bestemd voor de bestrijding van de in artikel 92, tweede lid
bedoelde kosten, zoals geheven over de tot laatstbedoelde datum
verstreken kalenderjaren.
4.In geval van toepassing van artikel 92, tweede lid, wordt bij de
in dat artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur het tarief
van de desbetreffende heffing verhoogd met ingang van 1 januari van
het in artikel 92, tweede lid, bedoelde kalenderjaar. De verhoging
wordt gebaseerd op een raming van de kosten, bedoeld in artikel 95c,
onderdeel c, voor zover die kosten betrekking hebben op de
kalenderjaren, te rekenen vanaf de in de vorige volzin bedoelde datum
tot de datum met ingang waarvan uit hoofde van het tweede lid het
tarief van de desbetreffende heffing kan worden gewijzigd en rekening
houdend met de over die periode geraamde som van de varkensheffing en
krachtens artikel 91h, eerste lid, ingevoerde heffingen.
Artikel 93
1.De heffing, bedoeld in artikel 91a, alsmede bij algemene
maatregel van bestuur op grond van de artikelen 91h en 92 ingevoerde
heffingen worden door Onze Minister geheven.
2.Onverminderd het overigens bij of krachtens deze afdeling
bepaalde worden de in het eerste lid bedoelde heffingen geheven met
overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met dien verstande dat van die wet buiten toepassing
blijven de artikelen 2, vierde lid, 37 tot en met 39, 47a, 53, tweede
en derde lid, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87.
3.Voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
treedt Onze Minister in de plaats van Onze Minister van Financiën.
Voor de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde
functionarissen treden in de plaats de door Onze Minister aangewezen
functionarissen.
4.Voor de toepassing van artikel 18, derde lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen wordt met een onherroepelijke veroordeling
gelijk gesteld het vervallen van het recht op strafvordering op de
voet van de artikelen 74 en 74a van het Wetboek van Strafrecht.
5.Voor de toepassing van het bij of krachtens de artikelen 91a tot
en met 92a bepaalde wordt artikel 52, tweede lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen als volgt gelezen:
Administratieplichtigen zijn: de personen, rechtspersonen en
samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 91a, respectievelijk de
personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden, bedoeld in de
artikelen 91h en 92.
6.Voor de toepassing van artikel 66 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen zijn de bij regeling van Onze Minister van Financiën
gestelde regels van toepassing. Door Onze Minister worden de
afwijkingen daarop vastgesteld die voor de juiste toepassing van het
bij of krachtens de artikelen 91a tot en met 92a bepaalde noodzakelijk
zijn.
Artikel 93a
1. De heffing, bedoeld in artikel 91a, alsmede bij algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 91h of artikel 92
ingevoerde heffingen, worden ingevorderd door de door Onze Minister
aangewezen functionaris en door de ontvanger, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990.
2. Onverminderd het overigens bij of krachtens deze afdeling
bepaalde worden de heffingen ingevorderd met overeenkomstige
toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen, met dien verstande dat van de Invorderingswet 1990
buiten toepassing blijven artikel 17, tweede lid, tweede volzin,
alsmede de artikelen 59 en 62. Voorts blijven bij de toepassing van
artikel 66 van die wet de artikelen 76, 80, tweede, derde en vierde
lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
buiten toepassing.
3. Behoudens voor zover de invordering is opgedragen aan de
ontvanger, bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van de
Invorderingswet 1990 Onze Minister in de plaats van Onze Minister van
Financiën.
4. Met betrekking tot de invordering geldt dat:
a. voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de
Invorderingswet 1990 uitsluitend bevoegd is de door Onze Minister
aangewezen functionaris;
b. de in de artikelen 10, eerste lid, 11, 12, en 26 van de
Invorderingswet 1990 bedoelde bevoegdheden uitsluitend toekomen
aan de door Onze Minister aangewezen functionaris, met dien
verstande dat voor de toepassing van artikel 26 van die wet de bij
regeling van Onze Minister van Financiën gestelde regels van
toepassing zijn;
c. de overige bij invordering van toepassing zijnde
bevoegdheden, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 24,
25, en 58 van de Invorderingswet 1990, uitsluitend toekomen aan de
ontvanger, bedoeld in het eerste lid;
d. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 24 van de Invorderingswet
1990, zowel toekomt aan de door Onze Minister aangewezen
functionaris als aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid;
e. de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 25 en 58 van de
Invorderingswet 1990, toekomen aan de door Onze Minister
aangewezen functionaris indien hij met de invordering is belast,
en toekomen aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, indien
deze laatste met de invordering is belast.
5. In het kader van het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel wordt voor de toepassing van artikel 17 van de
Invorderingswet 1990 voor «de ontvanger die het dwangbevel heeft
uitgevaardigd» telkens gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel belaste ontvanger.
6. Na de betekening van het dwangbevel dient te worden betaald aan
de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, die is vermeld op het
dwangbevel.
Artikel 94
1.Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig
een door hem vastgesteld tarief ter zake van:
a. een krachtens artikel 10 voorgeschreven onderzoek;
b. een krachtens artikel 11 voorgeschreven nader onderzoek,
voorbehoedende behandeling of tijdelijke afzondering alsmede het
toezicht, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten
vijfde;
c. de controle, bedoeld in artikel 18, tweede lid;
d. de afgifte van een certificaat, erkenning of vergunning als
bedoeld in artikel 59a, vijfde lid, onderdeel c;
e. een krachtensartikel 59a, vijfde lid, onderdeel e,
uitgevoerde controle of inspectie;
f. een krachtens artikel 59a, vijfde lid, onderdeel f,
voorgeschreven onderzoek naar vervoermiddelen;
g. een krachtens de artikelen 77 of 78 voorgeschreven
onderzoek;
h. een onderzoek als bedoeld in artikel 79;
i. de identificatie en registratie, bedoeld in artikel 96;
j. de behandeling van een aanvraag om een bij of krachtens deze
wet voorgeschreven vergunning, toelating, aanwijzing, erkenning of
registratie danwel een aanvraag tot wijziging daarvan;
k. de instandhouding van de bij of krachtens deze wet verleende
vergunning, toelating, aanwijzing, erkenning of registratie;
l. andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot
dieren, producten van dierlijke oorsprong en andere producten en
voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, voorzover de
onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij besluit
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
danwel op verzoek van betrokkenen plaatsvinden.
2.Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot betaling van
de vergoeding.
Artikel 94a
1.Onverminderd artikel 94 kan Onze Minister bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur een vergoeding van kosten heffen
overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van bij die
maatregel benoemde onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot
dieren, producten van dierlijke oorsprong en andere producten en
voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, voorzover de
onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven krachtens deze wet.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de betaling van de vergoeding.
Artikel 94b
Een tarief als bedoeld in de artikelen 94 en 94a wordt zodanig
vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten
die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor het
tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij besluit krachtens
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde
verplichtingen.
Artikel 95 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De kosten die zijn verbonden aan het toezicht bij een wedstrijd op de
naleving van afdeling 8 van hoofdstuk III kunnen ten laste worden
gebracht van de organiserende instelling. Onze Minister kan regelen
stellen met betrekking tot de wijze van betaling van de kosten.
Afdeling 4. Het Diergezondheidsfonds
Artikel 95a
1.Er is een Diergezondheidsfonds, hierna te noemen: het fonds.
2.Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
3.Onze Minister beheert de begroting van het fonds.
Artikel 95b
De ontvangsten van het fonds worden gevormd door:
a. een jaarlijkse bijdrage vanuit de begroting van het Ministerie
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, welke bijdrage in
omvang ten hoogste overeenkomt met de op deze begroting in het
desbetreffende begrotingsjaar binnenkomende som van de
varkensheffing;
b. het aantal jaarlijkse bijdragen vanuit de begroting van het
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat
overeenkomt met het aantal krachtens artikel 91h ingevoerde
heffingen, welke bijdragen onderscheidenlijk ten hoogste
overeenkomen met de op de genoemde begroting in het desbetreffende
begrotingsjaar binnenkomende som van de onderscheiden heffingen;
c. het aantal jaarlijkse bijdragen vanuit de begroting van het
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat
overeenkomt met het aantal krachtens artikel 92 ingevoerde
heffingen, welke bijdragen onderscheidenlijk ten hoogste
overeenkomen met de op de genoemde begroting in het desbetreffende
begrotingsjaar binnenkomende som van de onderscheiden heffingen;
d. overige bijdragen vanuit de begroting van het Ministerie van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
e. de door de Europese Unie ter beschikking gestelde middelen,
verband houdende met het weren en de bestrijding van op grond van
artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke dierziekten;
f. andere ontvangsten.
Artikel 95c
Uit het fonds kunnen betalingen worden verricht:
a. ter uitvoering van artikel 83 en 88, vijfde lid, artikel 86,
eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, artikel 90, en artikel 91;
b. terzake van door Onze Minister getroffen maatregelen en
voorzieningen bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, waartoe tevens
gerekend worden de met de bestrijding van op grond van artikel 15,
eerste lid, aangewezen besmettelijke dierziekten verband houdende
door Onze Minister getroffen maatregelen en voorzieningen met het
oog op de bescherming van het welzijn van dieren dan wel met het oog
op onderzoek naar de mate van verspreiding van dierziekten in
Nederland;
c. terzake van door Onze Minister, met het oog op het weren van
krachtens artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke
dierziekten, gemaakte kosten;
d. terzake van de heffing en invordering van de varkensheffing en
krachtens artikel 91h of 92 ingevoerde heffingen, en
e. terzake van andere uitgaven.
Artikel 95d
1.Ten gunste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt het
gerealiseerde batig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar
gebracht.
2.Het fonds sluit het begrotingsjaar niet af met een negatief
saldo.
Artikel 95e
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de voorwaarden
waaronder betalingen worden verricht, alsmede met betrekking tot de
informatieverstrekking over de besteding van de verkregen bijdragen.
Hoofdstuk IX. Overige bepalingen
Artikel 96
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve
van de algemene gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren, ter
voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van
schadelijke stoffen in dieren en produkten van dierlijke oorsprong dan
wel ter bescherming van de veiligheid van mens of dier regelen worden
gesteld omtrent de identificatie en registratie van dieren alsmede van
levende dierlijke producten.
Artikel 96a
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 3,
35, 45 en 96 kan worden bepaald dat op een bedrijf waarnaar een
varkensrecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Meststoffenwet, of een gedeelte daarvan, is overgegaan, of op een
bedrijf dat tezamen met het daarop rustende varkensrecht is overgedragen
aan een andere persoon of rechtspersoon, vanaf het tijdstip van
registratie van de kennisgeving van overgang overeenkomstig hoofdstuk V,
titel 4, van de Meststoffenwet, onderscheidenlijk het tijdstip van de
bedrijfsoverdracht, het bij of krachtens de maatregel geregelde
overgangsrecht niet van toepassing is ten aanzien van de op dat tijdstip
gestelde regels, voor zover deze betrekking hebben op varkens.
Artikel 97 [Vervallen per 18-10-2004]
Artikel 98
1.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat dieren die aan
te wijzen schadelijke stoffen hebben opgenomen of waarvan wordt
vermoed dat zij die stoffen hebben opgenomen, totdat het tegendeel is
gebleken, danwel totdat van overheidswege is vastgesteld dat het dier
weer vrij is van deze stoffen, op het bedrijf waar zij worden gehouden
worden opgestald of opgehokt danwel slechts met toestemming van Onze
Minister het bedrijf mogen verlaten.
2.Bij ministeriële regeling kan ter voorkoming van de opname van
aan te wijzen schadelijke stoffen door dieren worden bepaald dat
dieren op het bedrijf waar zij worden gehouden worden opgestald of
opgehokt danwel slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf
mogen verlaten.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde aanwijzing van
schadelijke stoffen geschiedt door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het
eerste en tweede lid bedoelde dieren op door hem voorgeschreven wijze
worden gemerkt, gevoederd of gedrenkt en dat de van die dieren
afkomstige producten, voorzover aanwezig op het bedrijf waar de dieren
worden gehouden, slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf
mogen verlaten.
5.De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, kan
onder beperkingen worden verleend en aan een toestemming kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 99
1.Onze Minister kan het brengen in Nederland van dieren, waarin
zich schadelijke stoffen bevinden, verbieden dan wel verbieden, indien
niet voldaan wordt aan door hem te stellen regelen.
2.Een regeling krachtens het eerste lid wordt vastgesteld in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
Artikel 99a
Indien naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening
noodzakelijk is, kan Onze Minister bepalen dat de op grond de artikelen
80, 97, 98 of 99 gestelde regels onmiddellijk na hun bekendmaking in
werking treden. In dat geval kan hij zodanige regels, in afwijking van
artikel 4 van de Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze
bekend maken.
Artikel 100
1.Indien een dierenarts weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat
een dier verschijnselen vertoont van een besmettelijke dierziekte
waarop afdeling 3 van hoofdstuk II van toepassing is, danwel van een
andere door Onze Minister aangewezen dierziekte, of indien een
dierenarts weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier is
aangetast door een dergelijke besmettelijke dierziekte of drager van
smetstof is, danwel weet dat een dier de krachtens artikel 31b, tweede
lid, door Onze Minister aangewezen ziekteverschijnselen vertoont,
geeft hij hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in
artikel 114, tweede lid.
2.Een ieder die in het kader van werkzaamheden die in een
onderzoeksinstelling worden verricht, gevallen van besmettelijke
dierziekten opmerkt waarop afdeling 3 van hoofdstuk II van toepassing
is, danwel van een andere door Onze Minister aangewezen dierziekte,
danwel bij een dier de krachtens artikel 31b, tweede lid, door Onze
Minister aangewezen ziekteverschijnselen opmerkt, geeft hiervan
terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede
lid.
3.De artikelen 19, tweede lid, en artikel 31b, derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de wijze van kennis geven, bedoeld in
het eerste en het tweede lid.
Artikel 101
1.Het is verboden dieren opzettelijk in een zodanige toestand te
brengen dat zij als ziek onderscheidenlijk verdacht moeten worden
aangemerkt.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien Onze Minister
het in zieke of verdachte toestand brengen in het belang van de
algemene gezondheidstoestand van de betrokken diersoort uitdrukkelijk
heeft goedgekeurd.
Artikel 101a
1.De houder van één of meer dieren die weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met danwel
de verspreiding van een krachtens artikel 15 aangewezen besmettelijke
dierziekte kan worden veroorzaakt, is verplicht dergelijk handelen
achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden
gevergd, danwel alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen
worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te
voorkomen, danwel indien zodanige besmetting zich voordoet, de omvang
en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te
maken.
2.De in het eerste lid bedoelde houder handelt in ieder geval in
strijd met dat lid indien deze een of meer handelingen verricht
waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die achterwege zouden
zijn gebleven indien geen sprake zou zijn geweest van een uitbraak van
een besmettelijke dierziekte, danwel een kennelijke dreiging daarvan,
en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die handelingen het gevaar
van een zodanige verspreiding kunnen vergroten.
Artikel 102
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
voorkoming van de verspreiding van smetstof door dieren die niet
worden gehouden regelen worden gesteld.
2.De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer
betrekking hebben op het behandelen en voorbehoedend behandelen van
die dieren.
Artikel 103
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter wering en
bestrijding van ziekten die door dieren op de mens kunnen worden
overgebracht en die alleen de gezondheid van de mens aantasten de
bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige
toepassing worden verklaard.
2.Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 104
1.Een ieder wie zulks aangaat is verplicht te handelen
overeenkomstig dan wel zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering
van een krachtens deze wet gegeven bevel of genomen maatregel.
2.Het is verboden krachtens deze wet aangebrachte merken te
verwijderen, te vernietigen, te beschadigen of onleesbaar te maken,
tenzij toestemming is verleend door Onze Minister.
3.Het is verboden, tenzij met toestemming van Onze Minister ten
aanzien van krachtens deze wet geplaatste of aangebrachte
waarschuwingsborden en kentekenen enige handeling te verrichten.
Artikel 105
1.Indien krachtens enige bepaling van deze wet regelen zijn
vastgesteld ten aanzien van het voorzien zijn van dieren en produkten
van dierlijke oorsprong van merken of kentekenen kan Onze Minister
regelen stellen ten aanzien van het vervaardigen, vervoeren, te koop
aanbieden, verkopen, voorhanden en in voorraad hebben, afleveren en
gebruiken van zodanige merken of kentekenen en van stempels en andere
werktuigen, waarmede merken en kentekenen kunnen worden vervaardigd of
aangebracht.
2.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing
indien krachtens enige bepaling van deze wet regelen zijn gesteld ten
aanzien van het vergezeld gaan van dieren of produkten van dierlijke
oorsprong door bewijsstukken.
Artikel 106
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen.
Artikel 107
1. Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of
het welzijn van dieren dan wel, voor zover het verband houdt met niet
voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, het belang
van de gezondheid van mensen zich daartegen niet verzet, van het bij
of krachtens deze wet bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.
2. Een vrijstelling of ontheffing van het bij of krachtens de
artikelen 97 tot en met 99 bepaalde alsmede van een voorschrift dat
tevens in het belang is van de bestrijding van een dierziekte die is
aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport wordt in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport verleend.
3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of
voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden
verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 108
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij
ministeriële regeling, ter uitvoering van deze wet gegeven, kan
medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam
of een samenwerkingslichaam. Hierbij kunnen de, ingevolge het bepaalde
bij of krachtens deze wet aan de Minister toekomende bevoegdheden tot
het nemen van besluiten, waaronder het vaststellen van nadere regels,
aan het bestuur van een bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam worden
overgedragen.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat in het
stellen van nadere regelen bij verordening, behoeft zodanige
verordening de goedkeuring van Onze Minister. Krachtens de verordening
genomen besluiten behoeven, voor zover zulks bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur is bepaald, de goedkeuring van de
daarbij aangewezen autoriteit.
Artikel 108a
1.Bij toepassing van artikel 108, eerste en tweede lid, kan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële
regeling worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld op overtreding van de bij die maatregel of regeling genoemde
nadere regelen die door het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam
of samenwerkingslichaam krachtens artikel 108, eerste lid, bij
verordening als bedoeld in artikel 108, tweede lid, zijn of worden
gesteld, voorzover handelen in strijd met deze nadere regelen als
overtreding strafbaar is gesteld.
2.De artikelen 1, onderdeel b, 2, 3 tot en met 6, 15 tot en met 44,
eerste lid en 46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in
artikel 46 genoemde instemming dient te worden verkregen van Onze
Minister.
3.Onverminderd artikel 114, eerste lid, kan bij algemene maatregel
van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, worden bepaald dat
met het toezicht op de naleving van de nadere regels waarvoor
tuchtrechtelijke maatregelen zijn of worden opgelegd, de bij besluit
van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam aangewezen
personen zijn belast. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze
Minister. Onze Minister kan het betrokken bedrijfslichaam of
samenwerkingslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van
toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.
Artikel 109 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 110
1.De algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 1,
tweede lid; 15, eerste lid, onderdeel e; 33, eerste lid; 34, eerste en
tweede lid; 35, eerste lid; 38; 39; 40, tweede lid, onderdeel c, en
derde lid; 42; 43; 44, eerste en negende lid; 45, eerste en derde lid;
46, eerste lid; 50, tweede lid; 52, eerste lid; 53; 54; 55, eerste,
tweede en derde lid; 56; 59a, tweede en vierde lid;59b, tweede lid;
61, tweede en derde lid; 65; 68; 69, tweede lid; 70; 76, eerste lid,
91a, tweede lid, 91d, tweede lid, 91e, tweede en derde lid, 91h,
tweede lid, 91i, tweede lid, 92, tweede lid, 92a, tweede lid, alsmede
96 worden aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30
dagen na de overlegging kan door ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te kennen
worden gegeven dat de inwerkingtreding bij wet zal worden geregeld.
Indien zodanige wens te kennen wordt gegeven, dienen Wij zo spoedig
mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
2.Indien de algemene maatregel van bestuur tevens in het belang is
van de volksgezondheid, wordt de voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van de algemene maatregel van bestuur gedaan
door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3.Indien het wetsvoorstel wordt ingetrokken of één van beide
Kamers der Staten-Generaal tot niet-aanneming daarvan besluit, wordt
de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
Artikel 110a
Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 91h, eerste lid, dan wel
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 92, eerste
lid, in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van
de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van
het voorstel besluit, wordt de betrokken maatregel ingetrokken bij
algemene maatregel van bestuur, met ingang van het tijdstip waarop
eerstbedoelde maatregel in werking trad.
Artikel 111
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering
van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze
wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden
afgeweken van bepalingen van deze wet.
Artikel 111a
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op:
a. een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in artikel 66;
b. een aanvraag tot een vaststelling van een werkgebied als
bedoeld in artikel 81f, en
c. een aanvraag tot een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in
artikel 107, eerste lid.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 113
Deze wet treedt niet in hetgeen bij of krachtens de Wet op de
dierproeven (Stb. 1977, 67) is geregeld, met dien verstande dat
onverminderd van kracht blijft hetgeen is of wordt bepaald bij of
krachtens de artikelen 35, 38, 42, 45 tot en met 54, 55, 66 en 76.
Hoofdstuk X. Toezicht en opsporing
Artikel 114
1.Onverminderd artikel 108a, derde lid, zijn met het toezicht op de
naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet de bij besluit van
Onze Minister aangewezen ambtenaren belast.
2.Onze Minister wijst ambtenaren aan die zijn belast met onderzoek
naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten.
3.Met de opsporing van de bij artikel 121 strafbaar gestelde feiten
zijn, onverminderd artikel 141 Wetboek van Strafvordering, belast de
daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren
zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld
in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van
Strafrecht voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling gedaan of ondernomen door henzelf.
4.Van een besluit als bedoeld in dit artikel wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 115
1.De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
in artikel 114, tweede en derde lid, bedoelde ambtenaren.
2.De in artikel 114 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 116 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 117 [Vervallen per 05-01-2007]
Artikel 118
1.In het in artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde geval verpakken en verzegelen de in artikel 114
bedoelde ambtenaren het monster ter plaatse.
2.In het in artikel 5:18, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde geval laten de in artikel 114 bedoelde
ambtenaren een tweede monster verpakt en verzegeld in het bezit van de
belanghebbende.
Artikel 119
1.De in artikel 114 bedoelde ambtenaren die een monster hebben
genomen, stellen dit in handen van die instelling die voor onderzoek
daarvan door Onze Minister is aangewezen.
2.Het monster wordt zo spoedig mogelijk door de aangewezen
instelling onderzocht.
Artikel 120
Een ieder ten aanzien van wie een der in artikel 115 van deze wet
omschreven bevoegdheden wordt uitgeoefend met het oog op de opsporing
van besmettelijke dierziekten, dan wel een ieder die werkzaam is op het
gebied van het voorkomen en bestrijden van dierziekten, is verplicht aan
de in artikel 114 bedoelde ambtenaren alle medewerking te verlenen,
welke deze voor de opsporing van besmettelijke dierziekten
redelijkerwijs behoeven.
Hoofdstuk Xa. Bestuurlijke boetes
Afdeling 1. Bevoegdheden
Artikel 120a
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 3, eerste lid, onderdelen b tot en met
e, i en j, 4, 6, voor zover deze gedragingen in strijd zijn met de
voorschriften met betrekking tot markten of andere
verzamelplaatsen van dieren, slachterijen of het ontsmetten van
vervoermiddelen, 7, 10, 11, eerste lid, onderdeel a, 12,13, eerste
lid, 17, 18, 44, eerste, achtste en negende lid, 59, 59a, 59b, 77,
78, 80, 96, 98, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 99,
eerste lid;
b. overtreder: degene die een overtreding pleegt of mede
pleegt.
2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op
gedragingen die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de in
het eerste lid, onderdeel a, genoemde artikelen voor zover deze
betrekking hebben op producten of dieren anders dan vee of pluimvee.
3. Indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, een
vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een maatschap, wordt
onder overtreder mede verstaan: degene die tot de overtreding opdracht
heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.
Artikel 120b
1. Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete
opleggen.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de hoogte van de boete die wegens een overtreding kan worden
opgelegd.
Artikel 120c
Mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete van meer dan €
340 wordt niet verleend aan degene die van de overtreding een rapport of
proces-verbaal heeft opgemaakt.
Artikel 120d [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120e [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120f [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120g
1. Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden
waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het
openbaar ministerie voorgelegd.
2. Indien ter zake van een overtreding aan de overtreder een
bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in
artikel 5.4.2.3, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht, is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een
kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 246,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 120h [Vervallen per 18-08-2010]
Afdeling 2. Hoogte bestuurlijke boete
Artikel 120i [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120j
De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald
voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke
persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een
vennootschap.
Afdeling 3. De procedure
Artikel 120k [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120l [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120m [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120n [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120o [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120p [Vervallen per 18-08-2010]
Afdeling 4. Betaling
Artikel 120q [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120r [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120s [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120t [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120u
Bij gebreke van volledige betaling binnen de gestelde termijn kan
Onze Minister de verschuldigde bestuurlijke boete invorderen bij
dwangbevel.
Artikel 120v [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120w [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120x [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120y [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120z [Vervallen per 18-08-2010]
Artikel 120aa
[Wijzigt deze wet]
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 121
1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 36, eerste lid, 37, 40, 43, 61, eerste lid, en
73, tweede lid, zijn misdrijven.
2. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 33, 35, 36, derde lid, 41, eerste en tweede
lid, 59b, derde lid, 61, tweede en derde lid, 62, 63 en 64 zijn
overtredingen.
Artikel 122
1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 36, eerste lid, 37, 40, 43, 61, eerste lid, en
73, tweede lid, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.
2. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 33 en 35, voorzover deze gedragingen
plaatsvinden anders dan in de uitoefening van een bedrijf waarop
voorschriften gesteld op grond van artikel 45 van toepassing zijn, 36,
derde lid, 41, eerste en tweede lid, 59b, derde lid, 61, tweede en
derde lid, 62, 63 en 64 worden gestraft met een hechtenis van ten
hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
3. Indien een strafbaar feit als omschreven in artikel 62, tweede
lid, of artikel 63, eerste lid, wordt gepleegd in verband met een
paardenren of harddraverij met betrekking tot welke een totalisator
als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet op de kansspelen
(Stb. 1964, 483) is georganiseerd, worden de ingevolge het tweede lid
geldende strafmaxima met een derde verhoogd.
4. Indien een der misdrijven omschreven in artikel 36, eerste lid,
en 37 in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een
geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie.
Artikel 122a
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de
artikelen 91a tot en met 93a, alsmede de artikelen 95a tot en met 95e,
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten in de praktijk van het in die artikelen bepaalde.
Artikel 123
In hetgeen bij of krachtens de Visserijwet 1963 (Stb. 312) is of
wordt voorzien, wordt niet voorzien krachtens deze wet.
Artikel 124
[Wijzigt de Veewet]
Artikel 125
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 126 [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 127
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht]
Artikel 128 [Vervallen per 01-07-1994]
Artikel 129
De volgende wetten worden ingetrokken:
a. de Paardenwet 1939 (Stb. 620);
b. de Bijenwet 1947 (Stb. H 13);
c. de Vogelziektenwet (Stb. 1949, J 585);
d. de Runderhorzelwet (Stb. 1953, 189);
e. de Wet tot wering van besmettelijke ziekten bij knaagdieren
(Stb. 1953, 416);
f. de Nertsen-Ziektenwet (Stb. 1960, 102);
g. [dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
h. de Wet dierenvervoer (Stb. 1977, 338);
i. de Wet houdende vaststelling van minimumeisen voor het houden
van legkippen (Stb. 1984, 272).
Artikel 130
1.Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen van artikelen
verschillend kan worden vastgesteld.
2.Het gestelde in artikel 41 is niet van toepassing ten aanzien van
dieren die geboren zijn voor de eerste dag van de maand volgend op de
datum van inwerkingtreding van dat artikel.
3.Ten aanzien van zaken betreffende overtredingen van ingevolge
artikel 124 vervallen en ingevolge artikel 129 ingetrokken
voorschriften die op het tijdstip van vervallen en intrekking bij de
tot dat tijdstip bevoegde rechter aanhangig waren blijft deze rechter
bevoegd. Ook in hoger beroep dat in de zaken bedoeld in de vorige
volzin wordt ingesteld, blijft de rechter bevoegd die tot het daar
bedoelde tijdstip bevoegd was van dat beroep kennis te nemen.
4.De in het derde lid bedoelde zaken worden, onverminderd artikel
1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, afgedaan volgens de tot
het in het derde lid bedoelde tijdstip geldende regelen.
Artikel 130a
1. De verschillende artikelen van deze wet, of onderdelen daarvan,
komen te vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend
kan worden bepaald.
2. Op het in het eerste lid bedoelde tijdstip vervallen in de
artikelen 1 en 1a van de Wet op de economische delicten de
verwijzingen naar de betrokken artikelen of onderdelen.
Artikel 131
Deze wet kan worden aangehaald als: Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 september 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.D. Gabor
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de twaalfde november 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorende bij Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren
|
Onderscheiden
categorieën dieren binnen de diersoort varkens |
Aantal
heffingseenheden per dier van de onderscheiden
diercategorieën |
|
Fokkerij/vermeerdering |
|
| |
|
|
1. Fokzeugen (ten minste
eenmaal gedekt of geïnsemineerd; guste zeugen, gedekte maar
nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met
biggen, zeugen waarvan de biggen gespeend zijn): |
|
|
a. waarvan de biggen aan een
ander bedrijf worden geleverd ca. 6 weken na hun geboorte (ook
fokzeugen die nog geen biggen hebben) |
3,6 |
|
b. waarvan de biggen worden
gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg (ook fokzeugen waarvan
de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden) |
5,5 |
|
2. Opfokzeugen (jonge zeugen,
nooit gedekt of geïnsemineerd, gehouden voor de fokkerij): |
|
|
a. van ca. 25 kg tot ca. 7
maanden (aangeleverde opfokzeugen van ca. 25 kg die worden
afgeleverd op ca. 7 maanden of iets ouder, ook opfokzeugen
afkomstig van het eigen bedrijf van exact 25 kg die worden
afgeleverd op ca. 7 maanden) |
1 |
|
b. van ca. 7 maanden tot de
eerste dekking (opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 7
maanden of iets jonger, tot de eerste dekking). |
1 |
|
c. van ca. 25 kg tot de eerste
dekking (opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 25 kg, die
niet op 7 maanden worden afgeleverd, maar worden aangehouden
tot de eerste dekking; ook opfokzeugen afkomstig van het eigen
bedrijf die worden aangehouden van exact 25 kg tot de eerste
dekking) |
1 |
|
3. Opfokberen van ca. 25 kg tot
ca. 7 maanden (jonge nog niet dekrijpe beren, die worden
aangehouden voor de fokkerij, van ca. 25 kg tot ca. 7 maanden
of iets ouder; ook beren afkomstig van het eigen bedrijf vanaf
exact 25 kg) |
1 |
|
4. Dekberen, van ca. 7 maanden
en ouder (dekrijpe beren – ook zoekberen – van ca. 7
maanden en ouder; ook aangeleverde beren van iets jonger dan 7
maanden; beren afkomstig van het eigen bedrijf te rekenen
vanaf exact 7 maanden) |
1 |
|
5. Biggen, aangeleverd op ca. 6
weken, tot ca. 25 kg (gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn
aangeleverd, die worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6
weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden
aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg) |
1 |
| |
|
|
Mesterij |
|
| |
|
|
6. Slachtzeugen (zeugen die
niet meer gebruikt worden voor fokkerij, maar worden afgemest) |
1 |
|
7. Vleesvarkens (varkens die
doorgaans worden gemest vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot
ca. 110 kg; ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten
bedrijf vanaf exact 25 kg) |
1 |
|