Nadere regelgeving:
- Reclasseringsregeling 1995
- Uitvoeringsregeling
reclassering 2005'
WET van 23 december 1987, houdende
regelen voor de indiening en behandeling van en de beschikking op
verzoekschriften om gratie
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 122,
eerste lid, van de herziene Grondwet een wettelijke regeling dient te
voorzien in de aanwijzing van gerechten welke over verzoekschriften om
gratie advies uitbrengen en in voorschriften omtrent de behandeling van
en beschikking op zulke verzoekschriften, en dat het in dat verband
wenselijk is de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering die
betrekking hebben op de indiening van verzoekschriften om gratie te
wijzigen opdat het mogelijk zij ook gratie te verzoeken en te verkrijgen
van bepaalde door de Nederlandse strafrechter opgelegde strafrechtelijke
maatregelen, en voorts enkele andere wetten daaraan aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
openbaar ministerie: het openbaar ministerie dat is belast met de
tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, waarop het verzoek
om gratie betrekking heeft;
verzoekschrift: een schriftelijk verzoek om gratie van een
veroordeelde of een derde, ingediend op het formulier, bedoeld in
artikel 3, eerste lid;
veroordeelde: degene op wie het verzoekschrift betrekking heeft.
2. In deze wet wordt mede verstaan onder: openbaar ministerie: het
openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; in Nederland:
in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; een
Nederlandse strafrechter: een strafrechter in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Indien het verzoek om gratie betrekking heeft op een
rechterlijke beslissing waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde
staat is overgedragen, wordt onder het openbaar ministerie verstaan
het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft
gegeven en indien het betrekking heeft op een buitenlandse
rechterlijke beslissing waarvan de tenuitvoerlegging met toepassing
van artikel 43 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
of artikel 593 van het Wetboek van Strafvordering BES in Nederland is
gelast, het openbaar ministerie dat met deze tenuitvoerlegging is
belast.
Artikel 2
Gratie kan worden verleend
a. op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het
tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft
gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of
voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het
opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien
daarvan; dan wel
b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging
van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met
de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt
gediend.
Artikel 3
1. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. de aanduiding van het vonnis of arrest, waarvan gratie wordt
verzocht;
d. de redenen om welke gratie wordt verzocht.
Het verzoekschrift wordt ingediend op een bij ministeriële
regeling vast te stellen formulier.
2. Indien het verzoek op grond van artikel 560 van het Wetboek van
Strafvordering of artikel 614 van het Wetboek van Strafvordering BES
door een derde wordt ingediend, geeft degene op wie het verzoek
betrekking heeft, op het in het eerste lid bedoelde formulier tevens
aan of hij met het verzoek instemt.
3. Indien het formulier niet volledig is ingevuld, wordt de
verzoeker in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
vullen binnen een termijn van zes weken, ingaande op de dag nadat het
verzoek om aanvulling van die gegevens door Onze Minister is
verzonden.
4. Indien de termijn voor aanvulling verstrijkt zonder dat de
gevraagde gegevens worden ontvangen, en de ontbrekende gegevens
essentieel zijn voor de beoordeling van het verzoek of de
voorbereiding van de beslissing daarop, kan Onze Minister besluiten
het verzoekschrift buiten behandeling te laten.
Artikel 4
1. Omtrent verzoekschriften, overeenkomstig de wettelijke
voorschriften ingediend, om vermindering, verandering of
kwijtschelding van straffen of maatregelen, bij beslissing van een
Nederlandse strafrechter opgelegd, wordt door Onze Minister, voordat
daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van het gerecht dat de
straf of maatregel heeft opgelegd. Indien het verzoekschrift
betrekking heeft op een straf waarvan de gehele of gedeeltelijke
tenuitvoerlegging is gelast door een ander gerecht dan hetwelk deze
heeft opgelegd, wordt, in afwijking van het voorgaande, het advies
ingewonnen van het gerecht dat die tenuitvoerlegging heeft gelast.
Verzoekschriften die niet bij Ons zijn ingediend worden onverwijld aan
Ons voorgelegd.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gerecht dat de
straf of maatregel heeft opgelegd mede aangemerkt:
a. het gerecht dat in hoger beroep een rechterlijke beslissing
ten aanzien van de oplegging van straf of van een maatregel heeft
bevestigd;
b. het gerecht dat een bezwaar, hem voorgelegd ingevolge
artikel 35 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
of artikel 592b van het Wetboek van Strafvordering BES, ongegrond
heeft verklaard.
3. Omtrent verzoekschriften om vermindering of kwijtschelding van
straffen bij rechterlijke beslissing van een buitenlandse rechter
opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging met toepassing van artikel 43
van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen of artikel 593
van het Wetboek van Strafvordering BES in Nederland is gelast, dan wel
van gevangenisstraffen die door het Internationaal Strafhof zijn
opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het
Strafhof en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland geschiedt
overeenkomstig artikel 67 of 68 van de Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof, wordt door Onze Minister, voordat daarop wordt beschikt, het
advies ingewonnen van het in genoemd artikel 43 respectievelijk
artikel 593 bedoelde gerecht. Omtrent verzoekschriften om vermindering
of kwijtschelding van straffen bij rechterlijke beslissing van een
buitenlandse rechter opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging met
toepassing van artikel 2:15 of artikel 3:14 van de Wet wederzijdse
erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke
sancties in Nederland geschiedt, wordt door Onze Minister, voordat
daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van het gerecht, bedoeld
in artikel 2:11, tweede lid, respectievelijk artikel 3:14, vijfde,
zesde of achtste lid van die wet.
4. Het eerste, tweede en derde lid blijven buiten toepassing indien
het verzoekschrift:
a. wordt ingediend binnen drie maanden nadat het vonnis of
arrest waarvan gratie wordt verzocht, onherroepelijk is geworden,
en geen nieuwe, na dit tijdstip opgekomen omstandigheid wordt
vermeld waarvan de rechter bij diens beslissing niet reeds kennis
heeft kunnen nemen, of
b. is voorafgegaan door een eerder verzoekschrift betreffende
dezelfde straf of maatregel, waarop binnen een jaar voor de
indiening van het tweede verzoekschrift is beschikt, tenzij in het
tweede verzoekschrift een nieuwe omstandigheid wordt aangevoerd.
5. In de gevallen waarin geen toepassing wordt gegeven aan het
vierde lid, onder a of b, omdat blijkt van een nieuwe omstandigheid,
wordt het verzoekschrift in behandeling genomen.
6. Een verzoek om gratie terzake van door de Nederlandse
strafrechter onherroepelijk opgelegde taakstraffen blijft buiten
behandeling indien het is ingediend gedurende de periode dat de
rechter nog niet heeft beslist op een beroepschrift van de
veroordeelde tegen de beslissing van het openbaar ministerie om met
toepassing van artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht de
vervangende hechtenis te bevelen.
7. Indien het gerecht waarvan de rechterlijke beslissing afkomstig
is, ontbonden of opgeheven is, wordt het advies ingewonnen van het
gerecht waaraan de rechtsmacht is opgedragen, tevoren door dat gerecht
uitgeoefend.
Artikel 5
1.Naar aanleiding van een verzoekschrift kan Onze Minister omtrent
de veroordeelde inlichtingen inwinnen bij de daarvoor in aanmerking
komende autoriteiten, instellingen of personen. Deze verlenen daaraan
hun medewerking.
2.Onze Minister kan, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding
bestaat, de veroordeelde horen.
3.Onze Minister stelt op basis van de door de verzoeker verstrekte
gegevens en de ingevolge het eerste en tweede lid ingewonnen
informatie een verslag van bevindingen op.
4.In de gevallen waarin het verzoekschrift betrekking heeft op een
vonnis of arrest dat is gewezen door de meervoudige kamer of waarbij
het openbaar ministerie de aantekening heeft geplaatst dat het wil
adviseren over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van
te verlenen vrijheden aan de gedetineerde, zendt Onze Minister het
verzoekschrift en zijn verslag van bevindingen naar het openbaar
ministerie voor advies. Het openbaar ministerie legt zijn advies neer
in een verslag en zendt de stukken vervolgens aan het in artikel 4
aangewezen gerecht.
5.In de overige gevallen zendt Onze Minister het verzoekschrift met
zijn verslag van bevindingen rechtstreeks aan het in artikel 4
aangewezen gerecht.
Artikel 6
1.Het gerecht kan naar aanleiding van de in artikel 5, vierde of
vijfde lid, ontvangen stukken inlichtingen inwinnen bij de daarvoor in
aanmerking komende autoriteiten, instellingen of personen. Het gerecht
zendt zijn advies, met het op grond van artikel 5, vierde lid,
uitgebrachte verslag van het openbaar ministerie, aan Onze Minister.
2.Indien het uitgebrachte advies daartoe aanleiding geeft, kan Onze
Minister aan het openbaar ministerie en het gerecht nader advies
vragen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden
gegeven omtrent de inrichting van het rechterlijk advies en dat van
het openbaar ministerie.
Artikel 7
1.Het rechterlijk advies is met redenen omkleed en ondertekend.
2.Zo het rechterlijk advies niet met eenparigheid van stemmen is
vastgesteld, wordt het gevoelen van de minderheid met de daarvoor
aangevoerde gronden en de verhouding van de stemmen in het advies
medegedeeld.
Artikel 8
1.Verzoekschriften die met toepassing van artikel 3, vierde lid,
buiten behandeling zijn gelaten, worden niet aan Ons voorgelegd.
2.Tenzij Wij anders hebben bepaald, is Onze Minister gemachtigd
afwijzend op een verzoekschrift om gratie te beschikken, indien hij
meent dat het niet voor inwilliging in aanmerking komt en tevens
a. het rechterlijk advies afwijzend luidt, dan wel
b. de inwinning van het rechterlijk advies op grond van artikel
4, vierde lid, achterwege is gebleven.
3.Het tweede lid, aanhef en onder a, blijft buiten toepassing
indien het verzoekschrift een of meer vrijheidsstraffen betreft met
een gezamenlijke duur van zes jaar of langer dan wel indien het
rechterlijk advies niet met eenparigheid van stemmen is vastgesteld.
Het bepaalde in het tweede lid blijft tevens buiten toepassing indien
overeenkomstig artikel 10, eerste volzin, het gevoelen van een andere
Minister is ingewonnen, en deze blijk geeft van een van Onze Minister
afwijkend gevoelen over de op het verzoekschrift te nemen beslissing.
Artikel 9
Onze Minister zendt de verzoekschriften die niet overeenkomstig het
eerste lid van het vorige artikel zijn afgedaan aan Ons toe met zijn
voordracht omtrent het op het verzoek te nemen besluit. Bijgevoegd
worden het rechterlijk advies en het verslag van het openbaar ministerie
met de daarbij behorende bescheiden en opgaven.
Artikel 10
Indien Wij of Onze Minister het wenselijk achten dat enige andere
Minister wordt gehoord voordat op het verzoekschrift wordt beschikt,
wint Onze Minister diens gevoelen in. Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid van artikel 8, wordt de ambtsbrief van die Minister bij de
aan Ons toe te zenden stukken gevoegd ofwel wordt door Onze Minister en
die Minister aan Ons een gemeenschappelijke voordracht gedaan.
Artikel 11
Indien Wij of Onze Minister dit wenselijk achten wordt, behalve het
advies van het in artikel 4 aangewezen gerecht, ook het advies
ingewonnen van de Hoge Raad der Nederlanden. Dit advies wordt bij de in
artikel 9 bedoelde stukken gevoegd.
Artikel 12 [Vervallen per 01-06-2003]
Artikel 13
1. Gratie kan worden verleend onder voorwaarden die het gedrag van
de veroordeelde betreffen.
2. Als voorwaarde kan worden gesteld dat de veroordeelde
overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde wettelijke voorschriften
bepaalde onbetaalde arbeid verricht of een leerproject volgt of,
indien de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren niet heeft
bereikt, arbeid tot herstel van de door het strafbare feit aangerichte
schade verricht.
3. Een andere voorwaarde kan zijn de betaling van een bepaalde
geldsom aan de Staat. Mede kan de voorwaarde worden gesteld, dat de
veroordeelde de door het strafbare feit veroorzaakte schade geheel of
voor een bepaald gedeelte zal vergoeden.
4. Bij de toepassing van het derde lid bepaalt Onze Minister de
plaats waar en de termijn waarbinnen de geldsom moet worden betaald,
onderscheidenlijk de schade moet worden vergoed. Hij kan betaling in
termijnen toestaan. Hij kan de gestelde termijn of termijnen verlengen
met dien verstande dat de totale tijdsduur een tijdvak van twee jaren
niet mag overschrijden. De termijn of eerste termijn vangt aan zodra
de in artikel 18, derde lid, bedoelde betekening is geschied.
5. Voor zover dit bij het besluit waarbij gratie is verleend is
bepaald, houdt het openbaar ministerie, onderscheidenlijk - indien het
vonnis is uitgesproken met toepassing van de bijzondere
strafbepalingen voor jeugdige personen - de raad voor de
kinderbescherming, toezicht op de naleving van de gestelde
voorwaarden.
Artikel 14
1.Tenzij geen andere voorwaarden zijn gesteld dan die bedoeld in
artikel 13, derde lid, zijn de voorwaarden van kracht tot het tijdstip
waarop een door Onze Minister te bepalen proeftijd verstrijkt. De
proeftijd bedraagt ten hoogste twee jaren. Onze Minister kan deze
proeftijd verkorten of verlengen.
2.De proeftijd gaat in zodra de in artikel 18, derde lid, bedoelde
betekening is geschied. Hij loopt niet gedurende de tijd dat de
veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 15
1. Onze Minister kan aan een krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan bijzondere,
door hem aangewezen ambtenaren opdracht geven de veroordeelde bij de
naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Een dergelijke
opdracht kan, indien de veroordeling is uitgesproken met toepassing
van de bijzondere strafbepalingen voor jeugdige personen ook worden
gegeven aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg, een door Onze Minister aan te wijzen voorziening
of aan een particulier persoon.
2. Indien de veroordeelde buiten Nederland verblijft, kan de
opdracht ook gegeven worden aan een andere instelling of persoon die
zich tot aanvaarding van die opdracht bereid heeft verklaard.
Artikel 16
Bij koninklijk besluit kunnen, op voorstel van Onze Minister, de
voorwaarden gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is
geschorst worden aangevuld, gewijzigd of opgeheven.
Artikel 17
1.Indien de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk
besluit waarbij gratie is verleend bij koninklijk besluit worden
herroepen. Deze herroeping vindt niet plaats dan nadat de
veroordeelde, alsmede, zo de veroordeling is uitgesproken met
toepassing van de bijzondere strafbepalingen voor jeugdige personen,
degenen die het gezag over hem uitoefenen, zo enigszins mogelijk door
of vanwege het openbaar ministerie zijn gehoord en het van dat verhoor
opgemaakte proces-verbaal aan Ons is overgelegd.
2.De verleende gratie kan worden herroepen tot uiterlijk drie
maanden na het einde van de proeftijd of tot uiterlijk vier maanden na
het verstrijken van de krachtens artikel 13, vierde lid, gestelde
termijn of laatste termijn.
Niettemin kan, indien de veroordeelde terzake van een voor het
einde van de proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en
onherroepelijk is strafbaar verklaard, alsnog terzake van het begaan
van dat feit binnen drie maanden, nadat de strafbaarverklaring
onherroepelijk is geworden, tot herroeping van de verleende gratie
worden besloten.
3.Indien de in artikel 13, tweede lid, bedoelde voorwaarde slechts
gedeeltelijk is nageleefd kan in geval van herroeping naar bevind van
omstandigheden worden bepaald dat een deel van de straf zal worden
tenuitvoergelegd.
4.In geval van herroeping wordt de geldsom teruggegeven, die ter
voldoening aan een bij het herroepen besluit gestelde voorwaarde aan
de Staat was betaald. Indien gedeeltelijke betaling heeft plaats
gehad, kan nochtans bij de herroeping worden bepaald dat het gestorte
bedrag niet wordt teruggeven, onder vermindering van de duur van de te
ondergane vrijheidsstraf naar evenredigheid.
Artikel 18
1.Wanneer gunstig op een verzoek om gratie is beschikt wordt een
afschrift van het daartoe strekkende koninklijk besluit aan degene aan
wie de straf of maatregel werd opgelegd uitgereikt en de verzoeker, zo
deze een ander is, van de gratieverlening in kennis gesteld.
2.Wanneer het verzoek wordt afgewezen stelt Onze Minister degene
aan wie de straf of maatregel werd opgelegd en de verzoeker, zo deze
een ander is, daarvan onder opgaaf van redenen in kennis.
3.Wanneer gratie is verleend onder voorwaarden, wordt de inhoud van
die voorwaarden aan de veroordeelde in persoon betekend en aan degene
die met het verlenen van hulp en steun is belast schriftelijk
medegedeeld. De inhoud van voorwaarden, gesteld ingevolge artikel 13,
tweede lid, wordt tevens schriftelijk medegedeeld aan degene die zorg
draagt voor de begeleiding van de tewerkgestelde veroordeelde.
Indien de voorwaardelijke gratieverlening een veroordeling betreft
welke is uitgesproken met toepassing van de bijzondere strafbepalingen
voor jeugdige personen, wordt de inhoud van de voorwaarden tevens ter
kennis gebracht van degenen die het gezag over de veroordeelde
uitoefenen alsmede van de raad voor de kinderbescherming. Van iedere
aanvulling, wijziging of opheffing van de voorwaarden, dan wel van de
herroeping van een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend,
wordt eveneens op deze wijze kennis gegeven.
4.Van de in de drie voorgaande leden van dit artikel bedoelde
beschikkingen wordt een kennisgeving gezonden aan het gerecht dat
omtrent het verzoekschrift heeft geadviseerd.
5.Van de in het eerste en derde lid bedoelde beschikkingen, die
betrekking hebben op verzoekschriften om gratie terzake van straffen
of maatregelen opgelegd bij:
a. rechterlijke beslissingen gegeven door een Nederlandse
strafrechter, waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat
is overgedragen, of
b. rechterlijke beslissingen gegeven in een vreemde staat,
waarvan de tenuitvoerlegging aan Nederland is overgedragen,
zendt Onze Minister tevens een kennisgeving aan de bevoegde
autoriteit van die vreemde staat.
Artikel 19
1. Indien bijzondere omstandigheden Onze Minister aanleiding geven
om, zonder dat een daartoe strekkend verzoekschrift is ingediend, een
voorstel tot gratieverlening in overweging te nemen, wordt het advies
ingewonnen van het in artikel 4 aangewezen gerecht. Tenzij, met Onze
machtiging, Onze Minister anders bepaalt, zijn de artikelen 559a van
het Wetboek van Strafvordering en 5 tot en met 7 en 9 tot en met 11
van deze wet van overeenkomstige toepassing.
2. Wanneer in zodanig geval gratie wordt verleend, zijn de
artikelen 13 tot en met 17 en 18, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
van toepassing.
Artikel 20
De artikelen 2 tot en met 19 blijven van toepassing, indien een straf
of maatregel bij wege van gratie is verminderd of veranderd en daarvan
alsnog vermindering of kwijtschelding wordt verzocht.
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 24
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 26
1. Deze Wet en artikel 122, eerste lid, van de Grondwet treden in
werking op 1 januari 1988 of op een eerder bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Verzoekschriften om gratie, die voordien zijn ingediend, doch
waarover op dat tijdstip nog niet is beslist, worden met inachtneming
van de bepalingen van deze Wet afgehandeld.
Artikel 26a
Een verzoekschrift om gratie dat voor het tijdstip van transitie,
bedoeld in artikel 1, onder a, van de Invoeringswet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is ingediend bij de griffie van het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
en waarover op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt geacht te zijn
ingediend bij het Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en wordt met inachtneming van de
bepalingen van deze wet afgehandeld.
Artikel 27
Deze wet kan worden aangehaald als: Gratiewet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 1987
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Staatssecretaris van Justitie,
V.N.M. Korte-van Hemel
Uitgegeven de negenentwintigste december 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|