Nadere regelgeving:
- Instructie voor de herinrichtingscommissie
(vervallen)
- Regeling herverkaveling
- Regeling inrichting landelijk gebied
WET van 23 november 1977, houdende
regelen met betrekking tot de herinrichting van Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen met betrekking tot de herinrichting van Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
"centrale commissie": de centrale cultuurtechnische
commissie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Ruilverkavelingswet
1954;
"herinrichtingscommissie": de commissie, genoemd in artikel
4, eerste lid;
"deelgebied": het gedeelte van Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën, bedoeld in artikel 8;
"deelgebiedscommissie": de commissie, bedoeld in artikel 4,
zesde lid;
"herinrichtingsplan": het plan, bedoeld in artikel 16,
eerste lid;
"blok": geheel van in een herverkaveling begrepen
onroerende zaken;
"Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën": het
gebied Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, zoals dit in
hoofdlijnen is aangegeven op de bij deze wet behorende kaart en door Ons
nader zal worden vastgesteld;
"stadsmeierrecht": elk altijddurend gebruiksrecht, dat
voortvloeit uit een overeenkomst tussen de gemeente Groningen en een
persoon aan wie daarbij door die gemeente een altijddurend gebruiksrecht
is toegekend op aan de gemeente toebehorende onroerende zaken gelegen in
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën;
"eigenaar": hij, die eigenaar is van een tot het blok
behorende onroerende zaak en hij aan wie een recht van opstal, erfpacht,
beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort dan wel
gerechtigd is tot een stadsmeierrecht, waaraan een in het blok begrepen
onroerende zaak is onderworpen, met dien verstande, dat onder het recht
van opstal niet wordt begrepen dat recht voor zover het betreft het
leggen en houden van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van
een ander;
"rechthebbende": de eigenaar en hij aan wie een niet onder
de omschrijving van eigenaar genoemd beperkt recht toebehoort, waaraan
een tot het blok behorende onroerende zaak is onderworpen, hij aan wie
met betrekking tot zulk een zaak een recht van huur toebehoort of hij
aan wie met betrekking tot zulk een zaak een recht als bedoeld in
artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek toebehoort;
"landbouw": akkerbouw, weidebouw, veehouderij,
pluimveehouderij, tuinbouw en bosbouw;
"openbare registers": de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2
1.Voor zover niet anders bepaald, wordt onder "gedeputeerde
staten" in deze wet verstaan het college, bedoeld in artikel 17,
tweede lid.
2.Het college, bedoeld in het eerste lid, neemt de besluiten,
bedoeld in de artikelen 4, zesde lid, 22, zevende lid, en 28, tweede
lid, niet dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere
provincie, waarin het gebied, waarop het herinrichtingsplan betrekking
heeft, of het deelgebied mede is gelegen.
Afdeling 2. Doelstelling
Artikel 3
1.Ter bevordering van een goed woon-, leef- en werkklimaat en de
economische en maatschappelijke ontwikkeling van Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën vindt van dit gebied een herinrichting
plaats op de voet van het bepaalde in deze wet.
2.De herinrichting omvat de gecoördineerde en waar mogelijk
geïntegreerde uitvoering van de volgende maatregelen en
voorzieningen:
a. verbetering van de infrastructuur en de landbouwkundige
structuur;
b. herverkaveling van de in Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën gelegen onroerende zaken;
c. opheffing van de stadsmeierrechten;
d. overdracht van wegen en kanalen van de gemeente Groningen
buiten haar grenzen gelegen;
e. het treffen van voorzieningen ten behoeve van het landschap
en de openluchtrecreatie;
f. veiligstelling en ontwikkeling van natuurgebieden en
cultuurhistorische elementen;
g. de opstelling en tenuitvoerlegging van een sociaal-cultureel
plan;
h. bijdragen aan de totstandkoming van de vernieuwing van
stads- en dorpskernen;
i. afbraak of vernieuwing van krotten en slechte woningen en
het verlenen van bijdragen daarin;
j. het treffen van voorzieningen in het openbaar belang voor de
afvoer en behandeling van afvalwater.
Afdeling 3. Organieke bepalingen
Artikel 4
1.Er is een herinrichtingscommissie, die belast is met de
uitvoering van de herinrichting van Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën.
2.De commissie bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste 31
leden. Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening benoemen in overeenstemming met Onze Ministers
van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat, van Economische
Zaken en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, gehoord
gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, de voorzitter en de
overige leden van de commissie.
Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening kunnen in overeenstemming met Onze in de tweede zin genoemde
Ministers adviserende leden benoemen.
3.De herinrichtingscommissie is bevoegd al dan niet uit haar midden
sub-commissies in te stellen.
4.De herinrichtingscommissie kan geen besluiten nemen, indien niet
tenminste drievijfde van het aantal leden aanwezig is. De voorzitter
en de secretaris voeren de besluiten uit; zij kunnen daartoe
rechtshandelingen verrichten en in rechte optreden.
5.De Staat garandeert de nakoming der uit de in het vorige lid
bedoelde rechtshandelingen voortvloeiende verplichtingen.
6.Gedeputeerde staten benoemen op voorstel van de
herinrichtingscommissie, gehoord de betrokken gemeenten en
waterschappen, voor elk deelgebied een deelgebiedscommissie van ten
hoogste elf leden. Gedeputeerde staten wijzen een der leden als
voorzitter aan. De deelgebiedscommissie dient de
herinrichtingscommissie van advies in zaken de herinrichting van het
deelgebied betreffende.
7.Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze in het tweede lid
genoemde Ministers een instructie voor de herinrichtingscommissie en
de deelgebiedscommissie vast.
8.De herinrichtingscommissie kan aan de deelgebiedscommissie onder
door haar te stellen voorwaarden een gedeelte van haar taken opdragen.
9.Het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers wijst in overeenstemming met Onze Minister een ingenieur van
het kadaster en één of meer plaatsvervangers aan, die de
herinrichtingscommissie bijstaan.
10.Onze Minister voegt aan de herinrichtingscommissie en aan de
deelgebiedscommissie een secretaris toe.
Artikel 5
1.Onze Minister zendt bericht van de benoeming van de
herinrichtingscommissie aan gedeputeerde staten van Groningen en van
Drenthe en aan de arrondissementsrechtbanken in Groningen en Assen.
2.De in het eerste lid bedoelde arrondissementsrechtbanken benoemen
elk na ontvangst van dit bericht een of meer rechter-commissarissen en
doen hiervan mededeling aan gedeputeerde staten van Groningen en van
Drenthe, aan de herinrichtingscommissie.
Hoofdstuk II. Onteigening
Artikel 6
1.Zonder voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut
onteigening vordert, kan onteigening plaatsvinden van onroerende zaken
en rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
onteigeningswet (Stb. 1922, 25) in Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën, waarover de beschikking moet worden
verkregen ter verwezenlijking van een herinrichtingsplan.
2.De in het eerste lid bedoelde onteigening mag ten behoeve van de
landschappelijke en recreatieve voorzieningen, alsmede ten behoeve van
de veiligstelling en ontwikkeling van natuurgebieden en
cultuurhistorische elementen niet meer dan 5600 hectare betreffen.
3.De onteigening geschiedt ten name van de Staat.
4.De onteigening heeft plaats uit kracht van een door Ons, de Raad
van State gehoord, genomen besluit.
Artikel 7
De bepalingen van de artikelen 62-64 van de onteigeningswet zijn
toepasselijk met dien verstande, dat, waar in de toepasselijk verklaarde
artikelen gesproken wordt van "plan van werk", daarvoor kan
worden gelezen "plan" en dat artikel 15, tweede lid, van de
onteigeningswet voor zoveel betreft de vermelding van de aard en de
strekking van het werk en artikel 61 van de onteigeningswet slechts in
zoverre toepassing vinden, als de onteigening dient teneinde uitvoering
te geven aan een werk.
Hoofdstuk III. De herinrichting
Afdeling 1. Het herinrichtingsprogramma
Artikel 8
Voor Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën wordt een
herinrichtingsprogramma vastgesteld, inhoudende de uitgangspunten voor
de herinrichting als bedoeld in artikel 3, de verdeling van
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën in deelgebieden, een
omschrijving van de voor de verwezenlijking van de herinrichting aan te
wenden middelen, alsmede uitgangspunten voor een verdeling van de kosten
van de herinrichting.
Artikel 9
1.De herinrichtingscommissie stelt een voorontwerp van het
herinrichtingsprogramma voorlopig vast en maakt dit alom in
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën bekend onder
vermelding van het adres, alwaar ter zake inlichtingen kunnen worden
ingewonnen.
2.De herinrichtingscommissie verschaft gedurende tenminste drie
maanden nadien gelegenheid zienswijze en denkbeelden over het
voorontwerp naar voren te brengen en daarover zowel onderling als met
vertegenwoordigers van de herinrichtingscommissie van gedachte te
wisselen. Van dit overleg en de uitkomsten daarvan wordt een rapport
opgemaakt.
3.Het rapport wordt uiterlijk negen maanden na de bekendmaking,
bedoeld in eerste lid, afgesloten. Het bevat onder meer een overzicht
van de naar voren gebrachte zienswijzen en denkbeelden en een
uiteenzetting, in hoeverre daarmede al dan niet rekening is gehouden
bij de vaststelling van het in het volgende lid bedoelde voorontwerp
van het herinrichtingsprogramma.
4.De herinrichtingscommissie stelt uiterlijk negen maanden na de
bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, het voorontwerp voor het
herinrichtingsprogramma vast en zendt het met het in het vorige lid
bedoelde rapport onverwijld aan de centrale commissie.
Artikel 10
1.De centrale commissie zendt het voorontwerp, vergezeld van haar
advies, aan gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe.
Gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe leggen een afschrift
daarvan gedurende twee maanden ter kosteloze inzage van een ieder
neder ter provinciale griffie en ter secretarie van de gemeenten,
welke geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in het gebied waarop het
voorontwerp betrekking heeft.
2.Gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe doen van de
nederlegging tevoren openbare kennisgeving in de Staatscourant, in ten
minste twee dagbladen die in de streek worden verspreid en in de
gemeenten op de aldaar gebruikelijke wijze.
Artikel 11
1.Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag, waarop het
voorontwerp ter inzage heeft gelegen, kan een ieder schriftelijk zijn
bedenkingen naar voren brengen bij provinciale staten van Groningen,
bij provinciale staten van Drenthe, dan wel bij beide.
2.Deze bevoegdheid wordt in de kennisgeving, bedoeld in artikel 10,
tweede lid, vermeld.
Artikel 12
1.Provinciale staten van Groningen en van Drenthe stellen het
herinrichtingsprogramma, voor zover dit betrekking heeft op hun
provincie, in ontwerp vast, waarbij zij zodanig acht slaan op de naar
voren gebrachte bedenkingen als zij menen te moeten doen. Indien
provinciale staten van Groningen of van Drenthe voornemens zijn af te
wijken van het voorontwerp, winnen zij advies in van de centrale
commissie. Zij leggen hun standpunt ten aanzien van de naar voren
gebrachte bedenkingen in een rapport vast.
2.Provinciale staten van Groningen en van Drenthe zenden het
ontwerpherinrichtingsprogramma, voor zover dit betrekking heeft op hun
provincie, alsmede afschriften van de naar voren gebrachte bedenkingen
en het daaromtrent opgemaakte rapport naar Onze Minister en Onze
Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Artikel 13
1.Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer stellen, in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Verkeer en
Waterstaat, van Economische Zaken, van Financiën en van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, het herinrichtingsprogramma vast binnen zes
maanden nadat zij het ontwerp herinrichtingsprogramma of het laatst
vastgestelde gedeelte daarvan hebben ontvangen. Indien en voor zover
Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer bij de vaststelling afwijken van het ontwerp,
zoals dit door provinciale staten is vastgesteld, geven zij de redenen
daarvoor aan. Onze Minister doet hiervan schriftelijk mededeling aan
gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, uiterlijk dertig
dagen nadat het in dit lid bedoelde besluit is genomen.
2.De vaststelling van het herinrichtingsprogramma vindt niet eerder
plaats dan nadat de structuurvisies voor Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën als bedoeld in artikel 2.2, eerste of
tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening zijn vastgesteld.
3.Onze Minister deelt zijn standpunt naar aanleiding van de
ingebrachte bedenkingen en het in eerste lid van artikel 12 bedoelde
rapport schriftelijk en met redenen omkleed aan degenen die
bedenkingen hebben ingebracht mede, uiterlijk dertig dagen nadat het
in het eerste lid bedoelde besluit is genomen.
4.Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen
uitsluitend provinciale staten van Groningen en van Drenthe beroep
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De werking van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt
opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
5.Zodra het herinrichtingsprogramma is vastgesteld, wordt het op de
provinciale griffie en op de secretarie van de gemeenten in
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën gedurende acht
weken voor een ieder ter inzage gelegd. Gedeputeerde staten van
Groningen en van Drenthe geven van de terinzageligging kennis in de
Staatscourant, in ten minste twee dagbladen die in de streek worden
verspreid en in de gemeente op de aldaar gebruikelijke manier.
Artikel 14
1.Het herinrichtingsprogramma kan worden gewijzigd. De artikelen
9-13 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Een in gang gezette procedure tot wijziging van het
herinrichtingsprogramma ontneemt aan het tot dan toe geldende
programma, voor zover niet tot voorwerp van wijziging gemaakt, niet de
betekenis van grondslag voor de herinrichtingsplannen.
3.Bij een herziening van het herinrichtingsprogramma wordt rekening
gehouden met een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of
tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, die betrekking heeft op
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.
Artikel 15
Het herinrichtingsprogramma dient als grondslag voor de
herinrichtingsplannen.
Afdeling 2. Het herinrichtingsplan
Artikel 16
1.De herinrichtingscommissie stelt, gehoord de betrokken gemeenten
en waterschappen, voor elk deelgebied een voorontwerp van een of meer
herinrichtingsplannen op.
2.Het herinrichtingsplan bevat:
a. een beschrijving van de ruimtelijke, economische en
maatschappelijke toestand in het deelgebied;
b. een beschrijving van de algemene landbouwkundige toestand in
de te herverkavelen blokken;
c. het plan van voorzieningen met bijbehorende kaarten;
d. de overige maatregelen en voorzieningen als bedoeld in
artikel 3, tweede lid;
e. een raming van de totale kosten en de verdeling daarvan.
3.In het plan van voorzieningen kunnen worden opgenomen:
a. wijzigingen in het stelsel van wegen, waterlopen, dijken en
kaden met de daartoe behorende kunstwerken;
b. veiligstelling en ontwikkeling van natuurgebieden en
landschappelijke, recreatieve en cultuurhistorische elementen;
c. de uitvoering van andere werken in het belang van de
herinrichting.
4.Op de kaarten worden zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. de begrenzing van het deelgebied;
b. de begrenzing van de te herverkavelen blokken;
c. de te handhaven natuurgebieden en landschappelijke en
cultuurhistorische elementen;
d. de in het derde lid bedoelde voorzieningen, onderscheiden
in:
1. voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan hoofdstuk
II zal worden toegepast;
2. voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan artikel
55, tweede lid, zal worden toegepast.
5.Voor zover in het deelgebied stadsmeierrechten voorkomen, rustend
op onroerende zaken die niet deel uitmaken van een blok, houdt het
herinrichtingsplan mede in de aanwijzing door de
herinrichtingscommissie van een blok op de lijst van rechthebbenden
waarvan de gerechtigden tot deze stadsmeierrechten worden vermeld.
6.In afwijking van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder b ,
vindt in gebieden, waarin ten tijde van de verzending, bedoeld in het
zevende lid, een ruilverkaveling uit kracht van de wet in uitvoering
is, geen herverkaveling plaats; de herinrichtingscommissie kan in het
herinrichtingsplan aangeven, dat in andere dan de in de eerste zin
bedoelde gebieden geen herverkaveling zal plaatsvinden.
7.De herinrichtingscommissie zendt het in het eerste lid bedoelde
voorontwerp aan de centrale commissie.
Artikel 17
1.De centrale commissie stelt het herinrichtingsplan in ontwerp
vast.
2.De centrale commissie zendt het herinrichtingsplan, zoals dit
door haar in ontwerp is vastgesteld, aan gedeputeerde staten van de
provincie, waarin het betrokken deelgebied of het grootste gedeelte
daarvan is gelegen.
Artikel 18
1.Gedeputeerde staten leggen een afschrift van het ontwerp en de
daarbij behorende kaarten gedurende een maand ter kosteloze inzage van
een ieder neder ter provinciale griffie en ter secretarie van de
gemeenten, welke geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in het gebied,
waarop het herinrichtingsplan betrekking heeft.
2.Gedeputeerde staten doen van de nederlegging tevoren openbare
kennisgeving in de Staatscourant, in tenminste twee dagbladen die in
de streek worden verspreid en in de gemeenten op de aldaar
gebruikelijke wijze.
3.Indien het gebied, waarop het herinrichtingsplan betrekking
heeft, zowel in de provincie Groningen als in de provincie Drenthe is
gelegen, zijn het eerste en tweede lid van toepassing met dien
verstande, dat in plaats van "gedeputeerde staten" wordt
gelezen: gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe.
Artikel 19
1.Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag, waarop de in
artikel 18, eerste lid, bedoelde stukken ter inzage hebben gelegen,
kan een ieder zijn bedenkingen schriftelijk bij provinciale staten
naar voren brengen.
2.Deze bevoegdheid wordt in de kennisgeving bedoeld in artikel 18,
tweede lid, vermeld.
Artikel 20
1.Provinciale staten stellen het herinrichtingsplan of een gedeelte
hiervan vast, waarbij zij zodanig acht slaan op de naar voren
gebrachte bedenkingen als zij menen te moeten doen.
2.Indien provinciale staten voornemens zijn af te wijken van het
ontwerp, bedoeld in artikel 17, winnen zij advies in bij de centrale
commissie. Vaststelling in afwijking van dit advies geschiedt niet dan
nadat Onze in artikel 4 genoemde Ministers daarin hebben toegestemd.
3.De toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
4.Voor zover het deelgebied, waarop het herinrichtingsplan
betrekking heeft, in meer dan één provincie is gelegen, nemen
provinciale staten het besluit tot vaststelling niet dan in
overeenstemming met provinciale staten van die andere provincie.
5.Indien in het in het derde lid bedoelde geval provinciale staten
van Groningen en van Drenthe niet tot overeenstemming kunnen komen,
wordt het herinrichtingsplan vastgesteld bij koninklijk besluit.
6.Gedeputeerde staten delen het standpunt van provinciale staten
naar aanleiding van de naar voren gebrachte bedenkingen schriftelijk
en met redenen omkleed aan de belanghebbende mede, uiterlijk dertig
dagen nadat provinciale staten het in het eerste lid bedoelde besluit
tot vaststelling hebben genomen.
7.Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
1.Het herinrichtingsplan of een gedeelte hiervan kan worden
gewijzigd tot het tijdstip waarop het in artikel 72, eerste lid,
bedoelde besluit wordt genomen.
2.De artikelen 16-20 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1.Bij het herinrichtingsplan kan worden bepaald, dat, indien het
belang der herverkaveling zulks vordert, gedeputeerde staten bevoegd
zijn op voorstel van de herinrichtingscommissie, met instemming van
Onze Minister en met inachtneming van in het plan vervatte regelen het
herinrichtingsplan uit te werken en de in artikel 16, derde lid onder
a , bedoelde voorzieningen uit te breiden.
2.De in het eerste lid bedoelde uitwerking, onderscheidenlijk
uitbreiding, wordt geacht deel uit te maken van het
herinrichtingsplan.
3.Alvorens de uitwerking, onderscheidenlijk de uitbreiding, bedoeld
in het eerste lid, vast te stellen, leggen gedeputeerde staten een
afschrift van het ontwerp daartoe gedurende veertien dagen ter
kosteloze inzage van een ieder neder ter provinciale griffie en ter
secretarie van de gemeenten, welke geheel of gedeeltelijk gelegen zijn
in het gebied, waarop het herinrichtingsplan betrekking heeft.
4.Van de nederlegging geschiedt openbare kennisgeving op de wijze
in artikel 18, tweede lid, voorgeschreven.
5.Indien het gebied, waarop het uit te werken dan wel uit te
breiden herinrichtingsplan betrekking heeft, zowel in de provincie
Groningen als in de provincie Drenthe is gelegen, zijn het derde en
vierde lid van toepassing met dien verstande, dat in plaats van
"gedeputeerde staten" wordt gelezen: gedeputeerde staten van
Groningen en van Drenthe.
6.Belanghebbenden kunnen hun bedenkingen binnen dertig dagen na de
in het vierde lid bedoelde openbare kennisgeving schriftelijk bij
gedeputeerde staten naar voren brengen.
7.Gedeputeerde staten stellen het plan tot uitwerking dan wel
uitbreiding vast, waarbij zij zodanig acht slaan op de naar voren
gebrachte bedenkingen als zij menen te moeten doen.
8.Indien in het in het vijfde lid bedoelde geval gedeputeerde
staten van Groningen en van Drenthe niet tot overeenstemming kunnen
komen, wordt het plan tot uitwerking dan wel uitbreiding vastgesteld
bij koninklijk besluit.
9.Gedeputeerde staten delen hun standpunt naar aanleiding van de op
grond van het zesde lid naar voren gebrachte bedenkingen schriftelijk
en met redenen omkleed aan belanghebbenden mede.
10.Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. Wanneer de herinrichtingscommissie het ten behoeve van de
voorbereiding van het herinrichtingsprogramma of van een
herinrichtingsplan nodig acht, dat op iemands grond gravingen of
opmetingen worden verricht of tekens gesteld, moet hij, die de
eigendom van de grond heeft of hij, aan wie een beperkt recht
toebehoort, waaraan de grond is onderworpen dan wel de gebruiker van
de grond dit gedogen.
2. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de in het eerste lid bedoelde
gedoogplicht.
3. De schade, welke uit de toepassing van het eerste lid mocht
voortvloeien, wordt uit ’s Rijks kas betaald. Het verzoek om
schadevergoeding wordt ingediend bij de herinrichtingscommissie. Bij
geschil over het beloop der schade wordt dit op verzoek van de meest
gerede partij, nadat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar
belangen te verdedigen, door de kantonrechter bij beschikking
vastgesteld. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 24
1.Nadat een herinrichtingsplan is vastgesteld, mogen eigenaren en
gebruiksgerechtigden van tot het blok behorende onroerende zaken geen
handelingen verrichten noch die handelingen, welke door een normale
bedrijfsvoering worden geëist, achterwege laten, indien daardoor de
waarde van hun onroerende zaken zou veranderen, tenzij hun daartoe
door de herinrichtingscommissie toestemming is verleend.
2.Overtreding van het bepaalde in het vorige lid wordt gestraft met
geldboete van de tweede categorie.
3.Het strafbare feit wordt als een overtreding beschouwd.
Artikel 25
Waardevermeerdering van tot een blok behorende onroerende zaken,
ontstaan nadat het herinrichtingsplan is vastgesteld, behoeft niet te
worden vergoed tenzij deze waardevermeerdering het gevolg is van
handelingen, waarvoor de herinrichtingscommissie toestemming heeft
verleend.
Artikel 26
Aan een werknemer wordt door de herinrichtingscommissie uit ’s
Rijks kas een geldelijke bijdrage verleend, in door Onze Minister te
bepalen gevallen en volgens door hem te stellen regelen, indien het
bedrijf waarin de werknemer werkzaam is ten gevolge van de toepassing
van hoofdstuk II of artikel 58 wordt beëindigd.
Artikel 27
Indien en voor zover voor de doeleinden van de herinrichting
beperkingen aan de uitoefening van de landbouw worden gesteld, kan op
voorstel van de herinrichtingscommissie Onze Minister volgens door hem
in overeenstemming met Onze Ministers van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te
stellen regelen subsidie verlenen.
Afdeling 3. De uitvoering van werken
Artikel 28
1.Zodra provinciale staten een herinrichtingsplan of een gedeelte
hiervan hebben vastgesteld, kan de herinrichtingscommissie de
uitvoering hiervan ter hand nemen.
2.Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met de
herinrichtingscommissie bepalen, dat met name genoemde werken worden
uitgevoerd door de door hen aan te wijzen openbare lichamen of andere
rechtspersonen.
3.Op de terreinen kunnen tekens worden gesteld en kan houtgewas
worden geplant en gekapt; zoden, aarde, grind en andere specie kunnen
aan de terreinen worden onttrokken of daarop worden neergelegd.
4.Gronden kunnen worden drooggelegd, ontgonnen, herontgonnen,
begreppeld of gedraineerd, ontwikkeld tot natuurterrein, tijdelijk
geëxploiteerd en tijdelijk in gebruik gegeven, in welk laatste geval
de ter zake van pacht geldende wettelijke bepalingen niet toepasselijk
zijn.
5.Opstallen kunnen worden afgebroken, verbouwd, verplaatst, gebouwd
of herbouwd, indien naar het oordeel der herinrichtingscommissie het
belang der herinrichting zulks vordert.
6.Hij die de eigendom heeft van een onroerende zaak of hij, aan wie
een beperkt recht toebehoort, waaraan een onroerende zaak is
onderworpen dan wel de gebruiker van een onroerende zaak, moet
gedogen, dat het bepaalde in de voorgaande leden wordt uitgevoerd en
dat daartoe zijn gebouwen en terreinen worden betreden. Artikel 23,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.De schade, welke uit de toepassing van de vorige leden mocht
voortvloeien, wordt uit ’s Rijks kas betaald. Het verzoek om
schadevergoeding wordt ingediend bij de herinrichtingscommissie. Bij
geschil over het beloop der schade wordt dit op verzoek van de meest
gerede partij, nadat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar
belangen te verdedigen, door de arrondissementsrechtbank bij
beschikking vastgesteld. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel
open.
8.Aan de belanghebbende, bedoeld in het zesde lid, wordt op zijn
verzoek een voorschot op de schadevergoeding toegekend. Het bedrag van
het voorschot wordt op verzoek van de belanghebbende door de
rechter-commissaris vastgesteld, gehoord de herinrichtingscommissie.
9.De uitvoering der werken, bedoeld in de leden 1-5 mag niet ter
hand worden genomen, alvorens door de zorg van de
herinrichtingscommissie een beschrijving is gemaakt van de betrokken
onroerende zaak, waarvan de toestand tevens moet zijn vastgelegd door
middel van tekeningen, foto’s of andere daartoe geschikte middelen.
10.Met uitzondering van de ontgrondingen, welke geschieden ter
verkrijging van het voor de werken nodige bodemmateriaal, zijn de
bepalingen van de Ontgrondingenwet niet van toepassing op de
uitvoering van het herinrichtingsplan.
Artikel 29 [Vervallen per 01-03-1986]
Afdeling 4. De vaststelling van de rechten en van de schatting
Artikel 30
1.De herinrichtingscommissie stelt voor elk blok een zo volledig
mogelijke lijst samen van de rechthebbenden, met de omschrijving van
de aard en de omvang van ieders recht.
2.Ten aanzien van een natuurlijk persoon, die gerechtigde is tot
een stadsmeierrecht, houdt de in het eerste lid bedoelde omschrijving
mede in de hoegrootheid van de jaarlijkse vaste huur of pacht of de
vermelding dat het gebruik gratis is.
3.Ten aanzien van een rechtspersoon, die gerechtigde is tot een
stadsmeierrecht, houdt de in het eerste lid bedoelde omschrijving mede
in:
a. of de 20e of 30e penning, dan wel een andere of geen
vergoeding bij overgang is verschuldigd;
b. de eerstvolgende vaste vervaldag van het overgangsrecht.
Artikel 31
Voor zover in een deelgebied stadsmeierrechten voorkomen, rustend op
onroerende zaken die niet deel uitmaken van een blok, vermeldt de
herinrichtingscommissie op de lijst van rechthebbenden van het daartoe
ingevolge artikel 16, vijfde lid, aangewezen blok alle gerechtigden tot
op zodanige onroerende zaken rustende stadsmeierrechten. Artikel 30,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
1.De herinrichtingscommissie benoemt de schatters, die onder haar
leiding de waarde van de in een blok gelegen onroerende zaken zullen
schatten.
2.De herinrichtingscommissie verdeelt het werk der schatters; deze
treden steeds in oneven getale op.
Artikel 33
1.Bij regeling van Onze Minister wordt het stelsel van
classificatie vastgesteld, waarbij regels worden gesteld betreffende
de classificatie van de grond, de waarde per hectare binnen elke
klasse, welke als grondslag voor de toedeling zal dienen, alsmede de
grondslagen voor de bepaling van de verandering in waarde als gevolg
van de herinrichting. Andere dan agrarische factoren blijven bij de
schatting buiten beschouwing.
2.De schatters delen de grond aan de hand van het stelsel van
classificatie in klassen in.
Artikel 34
1.De door de herinrichtingscommissie samengestelde lijst van
rechthebbenden, een register van uitkomsten der schattingen en een
kaart, waarop de klassengrenzen staan aangegeven, worden door de
herinrichtingscommissie gedurende een maand voor een ieder ter
kosteloze inzage gelegd op een door de herinrichtingscommissie te
bepalen plaats.
2.Van de nederlegging geschiedt tevoren openbare kennisgeving door
de herinrichtingscommissie in tenminste twee dagbladen die in de
streek worden verspreid en in de gemeenten op de aldaar gebruikelijke
wijze, alsmede bijzondere kennisgeving bij aangetekende brief aan de
bekende belanghebbenden.
3.De kennisgeving houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het
indienen van bezwaren.
4.Op het niet-ontvangen zijn van de bijzondere kennisgeving kan
geen beroep worden gedaan.
5.De lijst van rechthebbenden wordt in haar geheel of in uittreksel
tegen betaling der kosten verkrijgbaar gesteld.
Artikel 35
Na de nederlegging, bedoeld in artikel 34, eerste lid, kunnen de
grenzen van een blok niet meer worden gewijzigd.
Artikel 36
1.Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag, waarop de in
artikel 34 bedoelde stukken ter inzage hebben gelegen, kan iedere
belanghebbende zijn bezwaren tegen de toekenning en omschrijving van
rechten op de lijst van rechthebbenden en tegen de schatting
schriftelijk bij de herinrichtingscommissie indienen.
2.Na verloop van de in het eerste lid bepaalde termijn kunnen
slechts zij als rechthebbenden worden erkend, die voorkomen op de
lijst van rechthebbenden of die tegen de daarop voorkomende toekenning
of omschrijving van rechten bezwaren hebben ingediend of hun
rechtverkrijgenden.
Artikel 37
Voor zover daartegen binnen de termijn en op de wijze in artikel 36
bepaald geen bezwaren zijn ingediend, staan de rechten, zoals zij op de
lijst van rechthebbenden zijn omschreven en toegekend, en de uitkomsten
van de schattingen vast. Daarvan maakt de herinrichtingscommissie
proces-verbaal op.
Artikel 38
1.Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 36 bepaald
bezwaren zijn ingediend, onderzoekt de herinrichtingscommissie de
bezwaren en tracht zij overeenstemming te bereiken.
2.Voor zover overeenstemming is verkregen, vinden de bepalingen van
artikel 37 overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
Voor zover geen overeenstemming is verkregen of voor zover de
herinrichtingscommissie van oordeel is, dat de bezwaren niet tijdig zijn
ingediend, maakt zij omtrent die bezwaren en het daaromtrent verhandelde
proces-verbaal op.
Artikel 40
De herinrichtingscommissie zendt zo spoedig mogelijk een afschrift
van de lijst van rechthebbenden, van het register van uitkomsten der
schattingen, van de ingediende bezwaarschriften en van de krachtens de
artikelen 37, 38 en 39 opgemaakte processen-verbaal aan de
rechter-commissaris van de arrondissementsrechtbank binnen welker
rechtsgebied het blok of het grootste gedeelte daarvan is gelegen en aan
Onze Minister.
Artikel 41
1.Indien geen overeenstemming is verkregen, bepaalt de
rechter-commissaris terstond tijd en plaats der bijeenkomst, waarop de
belanghebbenden bij de in het proces-verbaal vermelde bezwaren voor
hem kunnen verschijnen. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling
aan de herinrichtingscommissie en aan Onze Minister.
2.Zij, die bezwaren hebben ingediend, en de op de lijst van
rechthebbenden voorkomende bekende belanghebbenden bij die bezwaren
worden door de rechter-commissaris bij aangetekende brief opgeroepen
om in persoon of bij schriftelijk gemachtigde de bijeenkomst bij te
wonen.
3.In de oproeping wordt opmerkzaam gemaakt op het rechtsgevolg door
de wet aan het niet-bijwonen der bijeenkomst en aan het vaststellen
van de lijst van rechthebbenden verbonden.
4.De bijeenkomst wordt niet gehouden dan nadat tenminste veertien
dagen na het verzenden der oproepingen zijn verstreken.
5.Op het niet-ontvangen zijn van de oproeping kan geen beroep
worden gedaan.
Artikel 42
1.Op de bepaalde tijd wordt de bijeenkomst gehouden onder
voorzitterschap van de rechter-commissaris, bijgestaan door de
griffier der arrondissementsrechtbank.
2.De bijeenkomst wordt bijgewoond door een vertegenwoordiger van
Onze Minister, één of meer vertegenwoordigers van de
herinrichtingscommissie en de aan deze toegevoegde ingenieur van het
kadaster of diens plaatsvervanger.
3.Indien de werkzaamheden niet op één dag kunnen aflopen,
verdaagt de rechter-commissaris de bijeenkomst zonder dat een nadere
oproeping zal worden gezonden.
4.Tijdens de bijeenkomst worden eerst de toekenningen en de
vaststelling van de rechten en daarna de schattingen behandeld. Van
het verhandelde omtrent elk van beide onderwerpen maakt de
rechter-commissaris een afzonderlijk proces-verbaal op waarvan hij
afschrift zendt aan de herinrichtingscommissie en Onze Minister.
5.Zij, die niet in persoon noch bij schriftelijk gemachtigde op de
bijeenkomst aanwezig zijn, wanneer hun bezwaren behandeld worden,
worden geacht die bezwaren te hebben ingetrokken.
6.Het vijfde lid is niet van toepassing ten aanzien van hen, die
binnen een week na de dag der bijeenkomst bij aangetekende brief,
gericht aan de rechter-commissaris, het niet-verschijnen op de
bijeenkomst verklaren met een beroep op overmacht en de gegrondheid
van deze bewering binnen een door de rechter-commissaris te bepalen
termijn aan deze aannemelijk maken.
7.Indien de rechter-commissaris het beroep op overmacht gegrond
acht, stelt hij een nadere dag van de behandeling van de bezwaren
vast.
Artikel 43
1.Voor zover omtrent de toekenning, de aard en de omvang der
rechten overeenstemming is verkregen, dan wel het in het vijfde lid
van het vorige artikel bedoelde geval zich voordoet, staan de rechten
vast.
2.Partijen tussen wie geen overeenstemming is verkregen worden,
voor zover haar geschil niet reeds aanhangig is, door de
rechter-commissaris naar een door hem te bepalen zitting van de
arrondissementsrechtbank verwezen. Deze verwijzing vervangt de
dagvaarding.
Artikel 44
1.Voor zover overeenstemming is verkregen omtrent de schattingen,
staan deze vast.
2.Voor zover geschillen blijven bestaan, verwijst de
rechter-commissaris de zaak naar een nader te bepalen zitting van de
arrondissementsrechtbank. Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
3.De arrondissementsrechtbank behandelt de zaken betreffende de
toekenning en de vaststelling van de rechten en de schattingen vóór
elke andere met uitzondering van die betreffende onteigening.
Artikel 45
1.Op de dienende dag geven zij, wier zaken ingevolge het bepaalde
in artikel 43, tweede lid, verwezen zijn, de gronden hunner beweringen
en de middelen tot staving daarvan op bij conclusie, door een advocaat
getekend. Afschrift der conclusie wordt ter terechtzitting aan de
advocaat der wederpartij gegeven.
2.Op een uiterlijk veertien dagen hierna te stellen, door de
arrondissementsrechtbank te bepalen, dag kunnen partijen haar
conclusies bij pleidooi door een advocaat doen toelichten.
Artikel 46
1.Uiterlijk dertig dagen na de dienende dag of, indien een dag voor
pleidooi werd vastgesteld, na de daarvoor bepaalde dag, doet de
arrondissementsrechtbank uitspraak over de rechten.
2.Tegen de uitspraak staat behalve cassatie geen rechtsmiddel open.
Artikel 47
1.Met betrekking tot het rechtsmiddel van cassatie zijn de
artikelen 52 en 53 der onteigeningswet van toepassing.
2.De Hoge Raad zendt een afschrift van de uitspraak aan de
rechter-commissaris.
Artikel 48
Zodra omtrent alle geschillen over de rechten betreffende de in het
blok gelegen onroerende zaken onherroepelijk is beslist, wordt de lijst
van rechthebbenden door de arrondissementsrechtbank gesloten.
Artikel 49
Nadat alle rechten betreffende de bij de herverkaveling betrokken
onroerende zaken zijn komen vast te staan, worden zij met wie geen
overeenstemming omtrent de schattingen is verkregen, Onze Minister,
alsmede de herinrichtingscommissie en de aan deze toegevoegde ingenieur
van het kadaster of diens plaatsvervanger door de griffier der
arrondissementsrechtbank opgeroepen om te verschijnen op een door de
arrondissementsrechtbank bepaalde zitting.
Artikel 50
1.Op de dienende dag lichten zij, wier zaken ingevolge het bepaalde
in artikel 44, tweede lid, verwezen zijn, hun standpunt hetzij in
persoon, hetzij bij schriftelijk gemachtigde mondeling toe.
2.De arrondissementsrechtbank hoort de vertegenwoordiger van Onze
Minister, de vertegenwoordigers van de herinrichtingscommissie en de
aan deze toegevoegde ingenieur van het kadaster of diens
plaatsvervanger.
3.Uiterlijk dertig dagen na het horen doet de
arrondissementsrechtbank uitspraak.
4.Indien deze uitspraak van invloed is op de uitkomsten van andere
schattingen, is de arrondissementsrechtbank bevoegd die uitkomsten te
wijzigen na de bij de wijziging betrokken belanghebbenden daarover te
hebben gehoord.
5.Het register van de uitkomsten der schattingen wordt door de
arrondissementsrechtbank gesloten.
Artikel 51
Tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank staat geen
rechtsmiddel open, onverminderd de bevoegdheid van de procureur-generaal
bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
Artikel 52
1.Voor een geding, voortvloeiende uit een verwijzing door de
rechter-commissaris als bedoeld in artikel 43, tweede lid, en in
artikel 44, tweede lid, is alleen door de belanghebbende, met wie geen
overeenstemming is verkregen, vast recht als bedoeld in de Wet
tarieven in burgerlijke zaken verschuldigd.
2.De kosten van het geding als bedoeld in het eerste lid komen ten
laste van de belanghebbende met wie geen overeenstemming is verkregen,
indien deze in het ongelijk is gesteld, ten laste van de staat, indien
hij in het gelijk wordt gesteld. Indien de rechter daartoe termen
vindt in de omstandigheden van het geding, kan hij de kosten geheel of
voor een deel compenseren.
Artikel 53
Zodra de lijst van rechthebbenden en het register van de uitkomsten
der schattingen zijn gesloten, geeft de rechter-commissaris hiervan
kennis aan de herinrichtingscommissie; hij zendt een afschrift van de
lijst van rechthebbenden aan de herinrichtingscommissie en aan de het
desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers.
Afdeling 5. Bepalingen omtrent het recht van de eigenaar
Artikel 54
1.Geen wijziging wordt gebracht in het recht van de eigenaar en in
de gebruikstoestand ten aanzien van:
a. begraafplaatsen, crematoria en bewaarplaatsen als bedoeld in
onderscheidenlijk de artikelen 23, 49 en 60, eerste lid, onder c,
van de Wet op de lijkbezorging;
b. gesloten begraafplaatsen dan wel graven of grafkelders als
bedoeld in artikel 85 van de Wet op de lijkbezorging, binnen de
termijnen en anders dan op de wijze, omschreven in artikel 46,
tweede lid en derde lid, van die wet.
2.Zonder toestemming van Onze Minister van Defensie wordt geen
wijziging gebracht in de rechten en de gebruikstoestand ten aanzien
van onroerende zaken, welke een militaire bestemming hebben.
3.Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II wordt
zonder toestemming van de eigenaar geen wijziging gebracht in diens
recht ten aanzien van:
a. gebouwen;
b. parken;
c. gedenktekenen met bijbehorende terreinen;
d. onroerende zaken van rechtspersonen, die bevordering van
natuurschoon ten doel hebben of die deze zaken in stand houden om
hun natuurwetenschappelijke waarde, indien en zolang zij als
zodanig door Ons erkend zijn.
4.De herinrichtingscommissie kan in overeenstemming met
gedeputeerde staten van de provincie, waarin de onroerende zaak is
gelegen, afwijken van het bepaalde in het derde lid in het belang van
de totstandkoming van een doelmatige herinrichting.
Artikel 55
1.Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II heeft
iedere eigenaar aanspraak op het verkrijgen van een recht van dezelfde
aard als hij had op in een blok gelegen onroerende zaken op de voet
van het in de volgende leden bepaalde.
2.De totale waarde van alle in een blok gelegen onroerende zaken
wordt tot een maximum van drie procent verminderd met de waarde der
onroerende zaken benodigd voor de in het belang der herverkaveling
noodzakelijke openbare wegen en waterlopen, alsmede met de waarde der
onroerende zaken benodigd voor de aanleg van de met die wegen en
waterlopen samenhangende voorzieningen.
3.De aan een eigenaar toe te delen waarde in kavels staat tot de na
toepassing van het tweede lid verkregen totale waarde als de waarde
van zijn in een blok gelegen onroerende zaken tot de waarde van alle
in dat blok gelegen onroerende zaken.
4.Van de bepaling van het derde lid mag worden afgeweken, indien
zij de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de weg zou
staan. Deze afwijking mag, tegen de wil van de eigenaar en van degene
die op de onroerende zaak een recht van hypotheek of van grondrente
heeft, niet meer bedragen dan vijf procent van de waarde, waarop de
eigenaar ingevolge het derde lid aanspraak heeft.
Artikel 56
Onder waarde wordt in artikel 55 verstaan de waarde bedoeld in
artikel 33, eerste lid, zoals deze op grond van de schatting is komen
vast te staan. Indien evenwel tengevolge van de in artikel 28 genoemde
werkzaamheden een waardeverandering ontstaat, kan de
herinrichtingscommissie hiermede bij de toedeling rekening houden. Op
verzoek van de eigenaar vindt echter verrekening in geld plaats op
grondslag van die waardeverandering, voor zover het belang van de
herinrichting zich hiertegen niet verzet.
Artikel 57
Het verschil tussen de waarde der van de eigenaar in een blok gelegen
onroerende zaken en de waarde van de hem toegedeelde onroerende zaken,
zoals deze overeenkomstig artikel 107 is vastgesteld, wordt in geld
verrekend.
Artikel 58
1.De herinrichtingscommissie is, nadat Onze Minister daarin heeft
toegestemd, bevoegd te bepalen dat een eigenaar, in afwijking van het
bepaalde in artikel 55, algehele vergoeding in geld zal ontvangen,
wanneer de waarde van de van hem in een blok gelegen onroerende zaken
zo gering is, dat de toepassing van artikel 55 zou leiden tot de
vorming van een niet behoorlijk te exploiteren kavel en hij geen
redelijk belang heeft bij het verkrijgen van een zodanige kavel.
2.De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3.De eigenaar, die zulks vóór een door Onze Minister te bepalen
tijdstip schriftelijk aan de herinrichtingscommissie verzoekt,
ontvangt, in afwijking van het bepaalde in artikel 55, algehele
vergoeding in geld.
4.De herinrichtingscommissie maakt het in het tweede lid bedoelde
tijdstip bekend in de Staatscourant, in tenminste twee dagbladen die
in de streek worden verspreid en in de gemeenten op de aldaar
gebruikelijke wijze.
5.Zodra de lijst van rechthebbenden te zijnen aanzien vaststaat,
ontvangt de in het tweede lid bedoelde eigenaar, die schriftelijk
afstand heeft gedaan van het gebruik van de hem toebehorende
onroerende zaak, op zijn verzoek een voorschot op de algehele
vergoeding in geld.
6.Het bedrag van het voorschot wordt op verzoek van de eigenaar
door de rechter-commissaris vastgesteld, gehoord de
herinrichtingscommissie.
Artikel 59
Elke kavel moet zo worden gevormd, dat hij:
1. uitweg heeft op een openbare land- of waterweg en zo mogelijk
daaraan belendt;
2. zo nodig en mogelijk de gelegenheid tot behoorlijke afwatering
en watervoorziening heeft.
Artikel 60
In afwijking van het bepaalde in artikel 55, eerste lid, verliest de
gemeente Groningen de bezwaarde eigendom van de van een blok deel
uitmakende onroerende zaken, waarop een stadsmeierrecht rust, en wordt
dat stadsmeierrecht opgeheven en voor de toepassing van artikel 55,
tweede tot en met vierde lid, en de artikelen 56-59 vervangen door een
recht van eigendom ten gunste van de gerechtigden tot het
stadsmeierrecht.
Afdeling 6. Bepalingen omtrent pacht
Artikel 61
1.Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II heeft
iedere pachter van in een blok gelegen onroerende zaken recht op het
in pacht verkrijgen van een waarde in kavels naar dezelfde maatstaven
als in artikel 55 voor de toedeling in eigendom bepaald.
2.De herinrichtingscommissie kan een bestaande pachtverhouding
opheffen en een nieuwe pachtverhouding vestigen in dier voege, dat aan
een verpachter een pachter uit de in het eerste lid bedoelde pachters
kan worden toegewezen.
3.De herinrichtingscommissie bepaalt tot welk tijdstip de uit een
nieuw gevestigde pachtverhouding voortvloeiende pachtovereenkomst zal
gelden en of deze overeenkomst, indien zij voor kortere dan de
wettelijke duur zal gelden, voor verlenging vatbaar zal zijn. Zij
draagt daarbij zorg, dat de pachter en de verpachter, wat het einde en
de verlengbaarheid der overeenkomst betreft, zoveel mogelijk dezelfde
aanspraken behouden als zij aan de opgeheven pachtverhouding konden
ontlenen.
4.Het bepaalde in artikel 58 is ten aanzien van de pachter van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 62
1.Op het recht, bedoeld in het eerste en vierde lid van artikel 61,
kan de pachter slechts aanspraak maken, indien de pachtovereenkomst
aan de herinrichtingscommissie ter registratie is ingezonden.
2.De inzending ter registratie dient plaats te vinden binnen dertig
dagen na een door de herinrichtingscommissie te bepalen tijdstip of,
indien de pachtovereenkomst na deze dag is aangegaan, binnen dertig
dagen na het aangaan van de overeenkomst, doch uiterlijk tot een door
de herinrichtingscommissie vast te stellen tijdstip. Deze tijdstippen
worden ter openbare kennis gebracht in tenminste twee dagbladen die in
de streek worden verspreid en in de gemeenten op de aldaar
gebruikelijke wijze.
3.Van de registratie wordt door de herinrichtingscommissie een
bewijs afgegeven.
Artikel 63
1.De herinrichtingscommissie zendt aan de wederpartij van degene,
die een pachtovereenkomst ter registratie heeft ingezonden, bij
aangetekende brief bericht van de inzending ter registratie.
2.De wederpartij kan zijn bezwaren tegen de registratie binnen
veertien dagen na de dagtekening van de in het vorige lid bedoelde
brief schriftelijk aan de herinrichtingscommissie kenbaar maken.
Artikel 64
1.Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel
63 bezwaren kenbaar zijn gemaakt, stelt de herinrichtingscommissie,
onder vastlegging van die bezwaren, bij aangetekende brief partijen
ervan in kennis, dat binnen dertig dagen na de dagtekening van deze
brief bij de herinrichtingscommissie dient te worden ingezonden,
hetzij een door beide partijen ondertekende akte, waaruit blijkt dat
overeenstemming is verkregen, hetzij een gewaarmerkt afschrift van het
verzoekschrift, waarbij de meest gerede partij de beslissing van de
pachtkamer van de rechtbank heeft ingeroepen. De waarmerking van het
afschrift geschiedt door de griffier van de rechtbank.
2.Indien de herinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot
de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst artikel 318, eerste
lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet in acht is genomen,
draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de
beslissing van de grondkamer in te roepen en binnen dertig dagen na de
dagtekening van deze brief een door de secretaris van de grondkamer
gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
3.Indien de herinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking tot
de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst artikel 317, eerste
lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet in acht is genomen,
draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende brief op de
beslissing van de pachtkamer van de rechtbank in te roepen en binnen
dertig dagen na de dagtekening van deze brief een door de griffier van
de rechtbank gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te
zenden.
4.Indien aan het bepaalde in de vorige leden geen gevolg is
gegeven, is de herinrichtingscommissie bevoegd met het bestaan der
pachtovereenkomst geen rekening te houden.
5.De grondkamer en de pachtkamer van de rechtbank en in beroep de
Centrale Grondkamer en de pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem
behandelen de verzoeken en vorderingen, bedoeld in deze wet vóór
alle andere zaken.
Artikel 65
De herinrichtingscommissie deelt binnen veertien dagen, nadat het
plan van toedeling is komen vast te staan, aan de grondkamer mede welke
pachtverhoudingen gehandhaafd, welke opgeheven en welke nieuw gevestigd
zijn onder vermelding van de namen en woonplaatsen van partijen in de
pachtverhoudingen, de onroerende zaken waarop deze betrekking hebben en
de bepalingen op grond van artikel 61 inzake de duur en de
verlengbaarheid der uit de gevestigde pachtverhoudingen voortvloeiende
pachtovereenkomsten.
Artikel 66
1.De grondkamer ontwerpt de pachtovereenkomsten, welke uit de
gevestigde pachtverhoudingen voortvloeien, en neemt daarin op de in
het derde lid van artikel 61 bedoelde bepalingen.
2.Indien ingevolge het bepaalde in artikel 61 een overeenkomst,
geldende voor kortere dan de wettelijke duur, verlengbaar zal zijn,
doet de grondkamer daarvan blijken door een op de ontwerp-overeenkomst
gestelde en door haar ondertekende verklaring.
3.De grondkamer zendt de ontwerp-pachtovereenkomst aan hen, die
daarbij partijen zullen zijn, en stelt hen in de gelegenheid binnen
dertig dagen na toezending de ondertekende overeenkomst aan de
grondkamer te doen toekomen. Betrokkenen kunnen de door hen
overeengekomen pachtprijs, alsmede bijzondere bepalingen in de
overeenkomst opnemen.
4.Op de in het vorige lid bedoelde pachtovereenkomsten vinden de
bepalingen van titel 7.5 van het Burgerlijk Wetboek toepassing, met
dien verstande dat de grondkamer niet treedt in de beoordeling van de
bepalingen der overeenkomst, welke voortvloeien uit de
pachtverhouding, zoals deze door het plan van toedeling is komen vast
te staan.
Artikel 67
Indien partijen niet binnen de in het derde lid van artikel 66
gestelde termijn tot inzending van de getekende pachtovereenkomst bij de
grondkamer zijn overgegaan, maakt de grondkamer een akte in drievoud op,
gelijkluidend aan de aan partijen gezonden ontwerp-pachtovereenkomst en
bepaalt daarin de pachtprijs. De grondkamer ondertekent de akte en zendt
een exemplaar daarvan bij aangetekende brief aan ieder der partijen toe.
Artikel 68
1.De akte heeft dezelfde kracht als een tussen partijen gesloten,
door de grondkamer goedgekeurde, pachtovereenkomst.
2.Het opmaken en ondertekenen van de akte is een beschikking van de
grondkamer, waartegen partijen beroep kunnen instellen. Het beroep
moet worden ingesteld binnen dertig dagen na de verzending van de in
artikel 67 bedoelde aangetekende brief.
3.De Centrale Grondkamer, beslissende op een beroep als bedoeld in
het tweede lid, kan de akte wijzigen met uitzondering van bepalingen,
welke voortvloeien uit de pachtverhouding, zoals deze door het plan
van toedeling is komen vast te staan.
Artikel 69
1.Partijen in een gehandhaafde pachtverhouding zenden, indien de
pachtovereenkomst tengevolge van de herinrichting gewijzigd of door
een nieuwe vervangen moet worden, binnen dertig dagen, nadat het plan
van toedeling is komen vast te staan, een desbetreffende overeenkomst
ter goedkeuring bij de grondkamer in.
2.De nieuwe overeenkomst eindigt op hetzelfde tijdstip als waarop
de overeenkomst, waarvoor zij in de plaats treedt, zou zijn
geëindigd. Indien laatstbedoelde overeenkomst voor de wettelijke duur
gold, tekent de grondkamer op de nieuwe overeenkomst aan, dat deze
verlengbaar zal zijn.
3.Indien aan het bepaalde in het eerste lid niet is voldaan, vinden
op verzoek van de meest gerede partij de artikelen 67 en 68
overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1.Alle pachtovereenkomsten, welke ingevolge de bepalingen van deze
afdeling tot stand komen, treden van rechtswege in werking op het
tijdstip, waarop de in artikel 95 bedoelde akte in de openbare
registers wordt ingeschreven.
Op hetzelfde tijdstip eindigen de pachtovereenkomsten, voor welke
de eerstgenoemde pachtovereenkomsten in de plaats treden.
2.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de rechtsverhoudingen, geregeld bij een akte als
bedoeld in artikel 67.
Afdeling 7. Bepalingen omtrent andere rechten
Artikel 71
1.In elk blok worden de beperkte rechten, het recht van huur en
lasten welke met betrekking tot de onroerende zaken bestaan, geregeld
of opgeheven onder regeling van de geldelijke gevolgen daarvan;
ruilverkavelingsrenten worden afgekocht overeenkomstig de daaromtrent
geldende wettelijke bepalingen.
2.In het belang der herverkaveling kunnen beperkte rechten worden
gevestigd.
3.De hypotheken gaan met behoud van haar rang over op de kavels of
gedeelten van kavels, welke in de plaats van de onroerende zaak,
waarop zij rusten, worden toegedeeld. In de gevallen, voorzien in
artikel 58, oefenen de hypotheekhouder en degene, die op de zaak een
recht van grondrente had, hun rechten uit op de wijze als omschreven
in artikel 43 van de onteigeningswet.
4.Conservatoire en executoriale beslagen gaan over op de kavels of
gedeelten van kavels, welke in de plaats van de onroerende zaak,
waarop zij gelegd zijn, worden toegedeeld, alsmede op de geldsommen,
welke in de plaats van kavels of ter zake van onderbedeling worden
toegekend.
Afdeling 8. Vaststelling van het inventarisatieplan van openbare
wegen, waterlopen en dergelijke
Artikel 72
1.De herinrichtingscommissie stelt voor elk deelgebied in zijn
geheel of bij gedeelten het inventarisatieplan vast.
Zij vervaardigt daartoe één of meer kaarten, waarop zo nauwkeurig
mogelijk worden aangegeven:
a. de wijzigingen in het stelsel van wegen, waterlopen, dijken
en kaden met de daartoe behorende kunstwerken, alsmede de
voorzieningen samenhangende met de wegen en waterlopen, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, zoals deze zijn opgenomen in het
vastgestelde herinrichtingsplan;
b. de landschappelijke en recreatieve elementen, alsmede de
natuurgebieden en cultuurhistorische elementen, zoals deze
krachtens artikel 16, derde lid, zijn opgenomen in het
vastgestelde herinrichtingsplan;
c. de in elk blok gehandhaafde wegen, waterlopen, dijken,
kaden, met de daartoe behorende kunstwerken;
d. indien aanwezig de wegen en kanalen met de daartoe behorende
kunstwerken van de gemeente Groningen buiten haar grenzen gelegen
voor zover niet begrepen onder a of c.
Bij de kaarten worden staten gevoegd waarop de afmetingen van de
onder a, c en d bedoelde voorzieningen zo nauwkeurig mogelijk zijn
aangegeven.
2.De herinrichtingscommissie zendt een afschrift van haar in het
eerste lid bedoelde besluit met de daarbij behorende kaart of kaarten,
vergezeld van een voorstel omtrent de toewijzing van de eigendom, het
beheer en het onderhoud van de openbare wegen, waterlopen, dijken en
kaden met de daartoe behorende kunstwerken aan gedeputeerde staten van
de provincie, waarin het betrokken deelgebied is gelegen,
onderscheidenlijk aan gedeputeerde staten van Groningen en van
Drenthe, indien het betrokken deelgebied is gelegen in beide
provincies.
3.De herinrichtingscommissie zendt een afschrift van haar in het
eerste lid bedoelde besluit met de daarbij behorende kaart of kaarten
aan de belanghebbende openbare lichamen en, voor zover in het
inventarisatieplan wegen en kanalen met de daartoe behorende
kunstwerken als bedoeld in artikel 74, vijfde lid, zijn opgenomen,
eveneens aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van
Financiën en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 73
1.In elk blok worden de wegen met de daartoe behorende kunstwerken,
welke voorheen voor het openbaar verkeer waren opengesteld en niet in
het inventarisatieplan zijn opgenomen, in afwijking van het bepaalde
in de artikelen 8en 9 van de Wegenwet door het enkele feit van de
niet-opneming aan het openbaar verkeer onttrokken. In elk blok wordt
aan wegen met de daartoe behorende kunstwerken, welke in het
inventarisatieplan zijn opgenomen, maar die voorheen niet voor het
openbaar verkeer waren opengesteld, in afwijking van het bepaalde in
de artikelen 4 en 5 van de Wegenwet door het enkele feit van de
opneming in het inventarisatieplan de bestemming van openbare weg
gegeven.
2.Aan wegen met de daartoe behorende kunstwerken gelegen buiten een
blok wordt in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van de
Wegenwet door het enkele feit van de opneming in het
inventarisatieplan de bestemming van openbare weg gegeven.
Artikel 74
1.Na ontvangst van de in artikel 72, tweede lid, bedoelde stukken
wijzen gedeputeerde staten de eigendom van de openbare wegen,
waterlopen en dijken met de daartoe behorende kunstwerken en het
beheer en het onderhoud van de in het inventarisatieplan opgenomen
wegen toe aan de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende
openbare lichamen of andere rechtspersonen met dien verstande, dat de
toewijzing aan andere rechtspersonen dan openbare lichamen slechts op
hun verzoek kan geschieden en dat de gemeente Groningen de eigendom,
het beheer en het onderhoud van de aan haar toebehorende en buiten de
gemeente gelegen wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken
verliest.
2.Gedeputeerde staten regelen het beheer en het onderhoud van de in
het inventarisatieplan opgenomen waterlopen, dijken en kaden met de
daartoe behorende kunstwerken.
3.Gelijktijdig met de toewijzing, bedoeld in het eerste lid, wijzen
gedeputeerde staten op voorstel van de herinrichtingscommissie de
eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken bestemd voor
landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van
onroerende zaken met cultuurhistorische waarde toe aan de naar hun
oordeel daarvoor in aanmerking komende openbare lichamen of andere
rechtspersonen met dien verstande, dat de toewijzing aan andere
rechtspersonen dan openbare lichamen slechts op hun verzoek kan
geschieden.
4.Alvorens te besluiten horen gedeputeerde staten de in het eerste
en derde lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen.
5.Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt in overeenstemming met
Onze Ministers van Financiën en van Verkeer en Waterstaat ter zake
van de overgang van de eigendom, het beheer en het onderhoud van aan
de gemeente Groningen toebehorende en buiten deze gemeente gelegen
wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken een financiële
regeling vast, welke ten laste komt van de gemeente Groningen, voor
zover de gemeente Groningen door de overgang een financiële last
kwijt raakt, en welke ten goede komt aan de openbare lichamen, voor
zover zij de lasten, samenhangend met de overgegane wegen en kanalen
met de daartoe behorende kunstwerken, overnemen.
6.De eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare wegen,
waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken, de
eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken, bestemd voor
landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van
onroerende zaken met cultuurhistorische waarde kunnen niet aan de
Staat worden toegewezen of onttrokken dan nadat Onze betrokken
Minister daarin heeft toegestemd.
7.De toestemming, bedoeld in het zesde lid, kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
8.De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde besluiten worden
genomen door gedeputeerde staten van de provincie, waarin het
betrokken deelgebied is gelegen, onderscheidenlijk indien het
betrokken deelgebied is gelegen in meer dan één provincie door
gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, ieder afzonderlijk
voor het gedeelte van het deelgebied dat in hun provincie is gelegen.
9.Bij het besluit, bedoeld in het vijfde lid, worden de wijzigingen
die zijn opgetreden krachtens de Wet herverdeling wegenbeheer (Stb.
1992, 563), buiten beschouwing gelaten.
Artikel 75
1.Op door Ons, op voordracht van Onze Minister, te bepalen
tijdstippen zijn geheel of gedeeltelijk en in de mate waarin dat in
het besluit wordt bepaald ontbonden:
a. het "Convenant voor de inlating in de Kanalen der stad
Groningen en over den afvoer langs dezelve, van de producten der
na te meldene Veenen" op 17 mei 1817 gesloten tussen de
"stad Groningen" en de "Drentsche veengenoten der
markten Eext, Gieten, Bonnen, Gasselter Boereveen, Gasselter
Nieuwveen, Drouwen, Buinen, Exelo en Valthe;
b. het Contract van 7 maart 1872 tussen de gemeente Groningen
en de marktgenoten van Weerdinge "ter inlating van de
Weerdinger veenen in de stadskanalen";
c. het Contract van 20 februari 1875 tussen de gemeente
Groningen en de eigenaren van de Muntersche stukken en de naamloze
vennootschap Het Emmer Compascuum "nopens de doortrekking van
het Stads Ter Apelerkanaal naar het Emmer Compascuum en den inlaat
der aldaar gelegen Veenen".
2.Op de in het eerste lid vermelde wijze wordt het Contract van 9
september 1871 tussen de gemeente Groningen en de geïnteresseerden
van het Kielsterverlaat met den aankleve van dien, ontbonden.
3.De herinrichtingscommissie doet door tussenkomst van gedeputeerde
staten van Groningen en van Drenthe aan Onze Minister voorstellen
omtrent de in het eerste lid bedoelde tijdstippen.
4.Een ingevolge het eerste en tweede lid door Ons genomen besluit
wordt door Onze Minister bekend gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant alsmede in tenminste twee dagbladen die in de streek
worden verspreid.
Artikel 76
Aan degene die in de kwaliteit van opvolgende gerechtigde tot een
stadsmeierrecht rechtsopvolger is van een in artikel 75, tweede lid,
bedoelde geïnteresseerde, kent de herinrichtingscommissie op diens
verzoek een in de lijst der geldelijke regelingen op te nemen en uit ’s
Rijks kas te betalen schadevergoeding toe, voor zover hij schade lijdt
ten gevolge van de toepassing van de artikelen 74 en 75.
Artikel 77
1.Gedeputeerde staten doen van een besluit als bedoeld in artikel
74, eerste, tweede en derde lid, mededeling door toezending van een
afschrift aan de herinrichtingscommissie alsmede, voor zover het
besluit betrekking heeft op wegen en kanalen met de daartoe behorende
kunstwerken als bedoeld in artikel 74, vijfde lid, aan Onze Ministers
van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Verkeer en Waterstaat.
2.Van de besluiten van gedeputeerde staten inzake de toewijzing van
de eigendom van de openbare wegen, waterlopen en dijken met de daartoe
behorende kunstwerken, van natuurgebieden, van onroerende zaken
bestemd voor landschappelijke en recreatieve doeleinden en van
onroerende zaken met cultuurhistorische waarde, een en ander voor
zover zij gelegen zijn buiten een blok, wordt een akte opgemaakt door
een door de herinrichtingscommissie aan te wijzen notaris en
ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
herinrichtingscommissie.
3.Door de inschrijving van de akte wordt de daarin omschreven
eigendom verkregen.
4.Tegen een besluit als bedoeld in artikel 74, eerste, tweede of
derde lid, kunnen uitsluitend de aldaar bedoelde openbare lichamen en
andere rechtspersonen beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Gedeputeerde staten doen van de uitspraak in beroep mededeling
door toezending van een afschrift ervan:
a. in geval van beroep tegen de toewijzing van de eigendom, het
beheer of het onderhoud van de in het tweede lid bedoelde
onroerende zaken, aan de herinrichtingscommissie en, indien door
de uitspraak in beroep de eigendom aan een ander openbaar lichaam
of rechtspersoon wordt toegewezen dan in de in het tweede lid
bedoelde akte is vermeld, ter inschrijving in de openbare
registers aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het
kadaster en de openbare registers;
b. in geval van beroep tegen de toewijzing van de eigendom, het
beheer of het onderhoud van de in artikel 95, derde lid, onderdeel
b , bedoelde onroerende zaken, aan de herinrichtingscommissie en,
indien de in artikel 95, eerste lid, bedoelde akte is ingeschreven
in de openbare registers en door de uitspraak in beroep de
eigendom aan een ander openbaar lichaam of rechtspersoon dan in
die akte is vermeld wordt toegewezen, ter inschrijving in de
openbare registers aan het desbetreffende kantoor van de Dienst
voor het kadaster en de openbare registers.
6.Door de inschrijving van de uitspraak in beroep in de openbare
registers wordt de in die uitspraak omschreven eigendom verkregen door
de in die uitspraak genoemde openbare lichamen.
Artikel 78
Tegen een besluit als bedoeld in artikel 74, vijfde lid, kunnen
uitsluitend belanghebbende openbare lichamen beroep instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 79
Voor zover het openbare lichaam voorheen niet was belast met het
beheer en het onderhoud van wegen, waterlopen, dijken en kaden met de
daartoe behorende kunstwerken gaan in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 1en 2 van de Waterstaatswet 1900 en de artikelen 18a , 19 en
20 van de Wegenwet het beheer en het onderhoud over door het enkele feit
van de aanwijzing in beheer en onderhoud.
Afdeling 9. Het plan van toedeling
Artikel 80
1.Zodra met betrekking tot een blok
a. de processen-verbaal, bedoeld in de artikelen 37, 38 en 39,
zijn opgemaakt en
b. het inventarisatieplan voor het blok geheel is vastgesteld
en
c. het in het tweede lid van artikel 62 laatstbedoelde tijdstip
is verstreken gaat de herinrichtingscommissie over tot het opmaken
van het plan van toedeling.
2.De herinrichtingscommissie stelt op de door haar te bepalen
plaats en tijd de bekende belanghebbenden in de gelegenheid hun wensen
ten aanzien van het plan van toedeling kenbaar te maken.
Artikel 81
Het plan van toedeling houdt in:
1. de kavelindeling;
2. de toedeling van de op grond van artikel 74, eerste en derde
lid, toegewezen, binnen het blok gelegen kavels, bestemd voor
voorzieningen als bedoeld in artikel 16, vierde lid onder d sub 1;
3. de toedeling der overige kavels;
4. de ingevolge artikel 61 gehandhaafde, opgeheven en gevestigde
pachtverhoudingen, onder vermelding van de in het derde lid van
artikel 61 bedoelde bepalingen inzake de duur en de verlengbaarheid
der pachtovereenkomst;
5. de in artikel 71 bedoelde regeling, opheffing of vestiging van
beperkte rechten, het recht van huur en de lasten welke met
betrekking tot de onroerende zaken bestaan;
6. bepalingen omtrent de ingebruikneming.
Artikel 82
In het plan van toedeling kunnen met toestemming van hen, die bevoegd
zijn te beschikken ten aanzien van niet in het blok gelegen onroerende
zaken, regelingen worden opgenomen betreffende grenswijziging,
burenrechten en erfdienstbaarheden.
Artikel 83
1.De herinrichtingscommissie zet overeenkomstig het plan van
toedeling de grenzen der kavels uit op het terrein.
2.De herinrichtingscommissie legt het plan van toedeling gedurende
een maand voor een ieder ter kosteloze inzage op een door de
herinrichtingscommissie te bepalen plaats.
3.De herinrichtingscommissie doet van de nederlegging tevoren
openbare kennisgeving in twee dagbladen die in de streek worden
verspreid en in de gemeenten op de aldaar gebruikelijke wijze, alsmede
bijzondere kennisgeving bij aangetekende brief aan de bekende
belanghebbenden.
4.De kennisgeving houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het
indienen van bezwaren.
5.Op het niet-ontvangen zijn van de bijzondere kennisgeving kan
geen beroep worden gedaan.
Artikel 84
Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag, waarop het in artikel
83 bedoelde plan van toedeling ter inzage heeft gelegen, kan iedere
belanghebbende schriftelijk zijn bezwaren bij de herinrichtingscommissie
indienen met dien verstande, dat tegen de toedeling, bedoeld in artikel
81, onder 2, geen bezwaren kunnen worden ingediend.
Artikel 85
1.Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 84 bepaald
geen bezwaren zijn ingediend, staat het plan van toedeling vast.
Daarvan maakt de herinrichtingscommissie proces-verbaal op.
2.Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 84 bepaald
bezwaren zijn ingediend, onderzoekt de herinrichtingscommissie de
bezwaren en tracht zij overeenstemming te bereiken; voor zover
overeenstemming is verkregen, vinden de bepalingen van het eerste lid
overeenkomstige toepassing.
3.Voor zover geen overeenstemming is verkregen of voor zover de
herinrichtingscommissie van oordeel is, dat de bezwaren niet tijdig
zijn ingediend, maakt zij omtrent die bezwaren en het daaromtrent
verhandelde proces-verbaal op.
4.De herinrichtingscommissie zendt zo spoedig mogelijk een
afschrift van de processen-verbaal en van de ingediende
bezwaarschriften aan de rechter-commissaris van de
arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied het blok of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen en aan Onze Minister.
Artikel 86
1.Indien geen overeenstemming is verkregen, bepaalt de
rechter-commissaris de tijd en plaats der bijeenkomst, waarop de
belanghebbenden bij de in het proces-verbaal vermelde bezwaren voor
hem kunnen verschijnen. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling
aan de herinrichtingscommissie en aan Onze Minister.
2.Zij, die bezwaren hebben ingediend, en de bekende belanghebbenden
bij die bezwaren worden door de rechter-commissaris bij aangetekende
brief opgeroepen om in persoon of bij schriftelijk gemachtigde de
bijeenkomst bij te wonen.
3.In de oproeping wordt opmerkzaam gemaakt op het rechtsgevolg door
de wet aan het niet-bijwonen der bijeenkomst verbonden.
4.De bijeenkomst wordt niet gehouden dan nadat tenminste veertien
dagen na het verzenden der oproepingen zijn verstreken.
5.Op het niet-ontvangen zijn van de oproeping kan geen beroep
worden gedaan.
Artikel 87
1.Op de bepaalde tijd wordt de bijeenkomst gehouden onder
voorzitterschap van de rechter-commissaris, bijgestaan door de
griffier der arrondissementsrechtbank.
2.De bijeenkomst wordt bijgewoond door een vertegenwoordiger van
Onze Minister, één of meer vertegenwoordigers van de
herinrichtingscommissie en de aan deze toegevoegde ingenieur van het
kadaster of diens plaatsvervanger.
3.Indien de werkzaamheden niet op één dag kunnen aflopen,
verdaagt de rechter-commissaris de bijeenkomst zonder dat een nadere
oproeping zal worden gezonden.
4.Zij, die niet in persoon noch bij schriftelijk gemachtigde op de
bijeenkomst aanwezig zijn, wanneer hun bezwaren worden behandeld,
worden geacht die bezwaren te hebben ingetrokken.
5.Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van hen, die
binnen een week na de dag der bijeenkomst bij aangetekende brief,
gericht aan de rechter-commissaris, het niet-verschijnen op de
bijeenkomst verklaren met een beroep op overmacht en de gegrondheid
van deze bewering binnen een door de rechter-commissaris te bepalen
termijn aan deze aannemelijk maken.
6.Indien de rechter-commissaris het beroep op overmacht gegrond
acht, stelt hij een nadere dag voor de behandeling van de bezwaren
vast.
7.Van het verhandelde maakt de rechter-commissaris proces-verbaal
op waarvan hij afschrift zendt aan de herinrichtingscommissie.
Artikel 88
1.Voor zover geschillen blijven bestaan, verwijst de
rechter-commissaris de zaak naar een door hem te bepalen zitting van
de arrondissementsrechtbank. Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
2.De arrondissementsrechtbank behandelt de zaken betreffende het
plan van toedeling vóór elke andere met uitzondering van die
betreffende onteigening.
Artikel 89
1.Op de dienende dag lichten zij, wier zaken verwezen zijn, hun
standpunt hetzij in persoon, hetzij bij schriftelijk gemachtigde
mondeling toe.
2.De arrondissementsrechtbank hoort de vertegenwoordiger van Onze
Minister, de vertegenwoordigers van de herinrichtingscommissie en de
aan deze toegevoegde ingenieur van het kadaster of diens
plaatsvervanger.
3.Uiterlijk dertig dagen na het horen doet de
arrondissementsrechtbank uitspraak.
4.Indien deze uitspraak van invloed is op het plan van toedeling,
is de arrondissementsrechtbank bevoegd dit plan te wijzigen na de bij
de wijziging betrokken belanghebbenden daarover te hebben gehoord.
5.Ten aanzien van de kosten van het geding vindt het bepaalde in
artikel 52 overeenkomstige toepassing.
Artikel 90
Tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank staat geen
rechtsmiddel open, onverminderd de bevoegdheid van de procureur-generaal
bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
Artikel 91
Wanneer tengevolge van de behandeling van de bezwaren tegen de lijst
van rechthebbenden door de rechter wijzigingen in die lijst worden
aangebracht, alsmede wanneer ingevolge het bepaalde in artikel 64
wijzigingen worden aangebracht in de registratie, bedoeld in artikel 62,
brengt de rechter de daardoor noodzakelijk geworden wijzigingen in het
plan van toedeling aan.
Artikel 92
Indien de herinrichtingscommissie zulks verzoekt, wordt degene, aan
wie krachtens het plan van toedeling enige onroerende zaak in eigendom
of in gebruik toekomt, op bevelschrift van de rechter-commissaris
desnoods door middel van de sterke arm bij voorraad in de macht daarvan
gesteld.
Afdeling 10. Gelijktijdige opmaking van de lijst van rechthebbenden,
het register van uitkomsten der schattingen en het plan van toedeling en
gelijktijdige tervisielegging daarvan
Artikel 93
1.De herinrichtingscommissie kan in afwijking van het bepaalde in
artikel 80, eerste lid onder a , bepalen, dat de lijst van
rechthebbenden, het register van uitkomsten der schattingen en het
plan van toedeling gelijktijdig zullen worden opgemaakt en ter visie
gelegd.
2.In het in het eerste lid bedoelde geval worden eerst de bezwaren
tegen de lijst van rechthebbenden en tegen het register van uitkomsten
der schattingen en vervolgens die tegen het plan van toedeling
behandeld.
Artikel 94
1.Indien de behandeling van de bezwaren tegen de lijst van
rechthebbenden en tegen het register van uitkomsten der schattingen
wijzigingen in het ter visie gelegde plan van toedeling noodzakelijk
maakt, brengt de herinrichtingscommissie die wijzigingen in dat plan
aan zodra de arrondissementsrechtbank over de bezwaren tegen de lijst
van rechthebbenden en het register van uitkomsten der schattingen
uitspraak heeft gedaan.
2.De herinrichtingscommissie doet aan de betrokken belanghebbenden
schriftelijk mededeling van de door haar in het plan van toedeling
aangebrachte wijzigingen. Zij stelt de betrokken belanghebbenden in de
gelegenheid schriftelijk bezwaren tegen de aangebrachte wijzigingen in
te dienen.
3.Voor zover in het geval, bedoeld in het tweede lid, bezwaren zijn
ingediend, worden deze bezwaren tezamen met de eerder tegen het plan
van toedeling ingediende bezwaren behandeld.
Afdeling 11. De akte van toedeling
Artikel 95
1.Zodra het plan van toedeling vaststaat en de lijst van
rechthebbenden door de arrondissementsrechtbank is gesloten, maakt een
door de herinrichtingscommissie aangewezen notaris de akte van
toedeling op.
2.In de akte wordt opgenomen een kaart van het blok met aanwijzing
van de kavels en de wegen en waterlopen.
3.In de akte worden voorts opgenomen:
a. de in artikel 71 bedoelde regeling, opheffing of vestiging
van beperkte rechten en van de lasten welke met betrekking tot de
onroerende zaken bestaan, met uitzondering van de bepalingen
betreffende geldelijke verrekeningen;
b. het in artikel 74, eerste lid, bedoelde besluit inzake de
toewijzing van de eigendom van openbare wegen, waterlopen en
dijken met de daartoe behorende kunstwerken, voor zover zij binnen
het blok zijn gelegen, met uitzondering van het gedeelte dat
betrekking heeft op voorzieningen als bedoeld in artikel 16,
vierde lid onder dsub 1 .
4.De omschrijving van de kavels, de wegen en de waterlopen, die op
de in het tweede lid bedoelde kaart zijn afgebeeld en die daarop
voorzien zijn van een nummer, geschiedt door vermelding van het nummer
waarmee zij op die kaart voorkomen. Artikel 20, eerste lid, van de
Kadasterwet is niet van toepassing voor zover het betreft het
vermelden van de aard en de plaatselijke aanduiding zo deze er is, van
onroerende zaken.
5.In de akte van toedeling worden tevens vermeld de hypotheken en
de beslagen die door de inschrijving van de akte van toedeling niet
meer blijven bestaan.
6.Het bepaalde in de artikelen 18, eerste en vijfde lid, en 24,
tweede lid onder b, en vierde lid, tweede volzin, van de Kadasterwet,
is van overeenkomstige toepassing op de akte van toedeling.
Artikel 96
Indien op de in artikel 31 bedoelde lijst een stadsmeierrecht vermeld
staat rustende op een onroerende zaak, dat niet deel uitmaakt van het in
dat artikel bedoelde blok, wordt in de akte van toedeling van dat blok
het stadsmeierrecht vervangen door een recht van eigendom ten gunste van
de gerechtigde tot dat stadsmeierrecht en verliest de gemeente Groningen
de bezwaarde eigendom van die onroerende zaak.
Artikel 97
1.De akte van toedeling wordt ondertekend door de
rechter-commissaris en de voorzitter en de secretaris van de
herinrichtingscommissie.
2.Zij geldt als titel voor de daarin omschreven rechten. Door de
inschrijving van de akte in de openbare registers worden de daarin
omschreven onroerende zaken en beperkte rechten verkregen.
3.De bewaarder van het kadaster en de openbare registers tekent op
grond van de akte bij elke hypothecaire inschrijving,
onderscheidenlijk bij elke inschrijving van een beslag aan, dat de
hypotheek onderscheidenlijk het beslag in het vervolg zal rusten op de
in de akte aangewezen kavels, of gedeelten daarvan, dan wel op de
rechten waaraan die kavels of gedeelten daarvan zijn onderworpen.
4.De bewaarder van het kadaster en de openbare registers haalt
ambtshalve door de door de inschrijving van de akte van toedeling niet
meer bestaande inschrijvingen van de in artikel 95, vijfde lid,
bedoelde hypotheken en beslagen.
5.De bewaarder van het kadaster en de openbare registers zendt zo
spoedig mogelijk per brief aan elke eigenaar van, alsmede aan elk
beperkt gerechtigde met betrekking tot de onroerende zaak een
kennisgeving van het resultaat van de bijhouding van de
basisregistratie kadaster die op grond van de inschrijving van de akte
plaatsvindt. De brief vermeldt de dag van de verzending alsmede de in
de basisregistratie kadaster vermeld staande gegevens omtrent de
rechten, de rechthebbenden, als bedoeld in de Kadasterwet, de grootte
en de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak, waarop de
kennisgeving betrekking heeft. De artikelen 60 tot en met 63 van de
Kadasterwet zijn niet van toepassing op de in de eerste zin bedoelde
bijhouding.
Artikel 98
De rechten en verplichtingen voortvloeiend uit een overeenkomst,
waarbij een stadsmeierrecht is gevestigd, vervallen van rechtswege op
het tijdstip waarop de in artikel 95 bedoelde akte in de openbare
registers wordt ingeschreven.
Artikel 99
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 82 blijven in afwijking van
het bepaalde in artikel 97, tweede lid eerste zin, en artikel 97,
derde lid, de beperkte rechten ten laste van de in artikel 96 bedoelde
stadsmeierrechten dan wel ten laste van de onroerende zaken, waarop
die stadsmeierrechten rusten, gehandhaafd.
Deze beperkte rechten rusten na de inschrijving van de akte van
toedeling in de openbare registers op de onroerende zaken, waarop de
stadsmeierrechten betrekking hadden.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 97, vierde lid, rusten
de conservatoire en executoriale beslagen ten laste van de in artikel
96 bedoelde stadsmeierrechten na de inschrijving van de akte van
toedeling in de openbare registers op de onroerende zaken, waarop de
stadsmeierrechten betrekking hadden.
3.In afwijking van het in artikel 98 bepaalde blijven ten aanzien
van onroerende zaken, die niet deel uitmaken van een blok, gehandhaafd
de uit een overeenkomst, waarbij een stadsmeierrecht is gevestigd,
voortvloeiende rechten en verplichtingen betrekking hebbende op
achtvoetspaden, voet- en kruipaden, wegen, uitzicht, verbod van
bebouwing of van opslag, waterafvoer, rioolrecht en andere door Ons
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen rechten en
verplichtingen van soortgelijke strekking.
Artikel 100
Na de inschrijving van de in artikel 95 bedoelde akte wordt hij, aan
wie daarbij enige onroerende zaak in eigendom of gebruik is toegedeeld,
desnoods op bevelschrift van de rechter-commissaris door middel van de
sterke arm in de macht daarvan gesteld.
Afdeling 12. De financiële gevolgen van de opheffing van de
stadsmeierrechten, de schatting van de verkoopwaarde van het
stadsmeierrecht, de tweede schatting en de lijst der geldelijke
regelingen
Artikel 101
1.De gemeente Groningen ontvangt van de Staat voor het verlies van
de bezwaarde eigendom van de onroerende zaken als bedoeld in de
artikelen 60 en 96 de gekapitaliseerde waarde van de jaarlijkse
inkomsten voortvloeiende uit die onroerende zaken.
2.Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse inkomsten
wordt vastgesteld door de herinrichtingscommissie. Bij de vaststelling
van de jaarlijkse inkomsten wordt rekening gehouden met de invloed die
de opheffing van de stadsmeierrechten heeft gehad op het aantal
overdrachten en de overdrachtsprijs van de stadsmeierrechten.
3.Bij de berekening van de in het eerste lid genoemde
gekapitaliseerde waarde wordt uitgegaan van een rentevoet, vastgesteld
door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, gehoord de gemeente Groningen. Bij de
vaststelling van de rentevoet wordt rekening gehouden met de in de
toekomst te verwachten toeneming van het aantal overdrachten van de
stadsmeierrechten en reële waardestijging van de stadsmeierrechten.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt een afschrift van het
in het derde lid bedoelde besluit aan de herinrichtingscommissie en de
gemeente Groningen.
Artikel 102
Op degene die krachtens de inschrijving van de akte van toedeling de
eigendom van onroerende zaken heeft verkregen en krachtens zodanige
inschrijving niet langer gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, rust
een schuldplichtigheid ten behoeve van de Staat, die op de voet van de
artikelen 103-106 wordt vastgesteld.
Artikel 103
1.De in artikel 102 bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een
natuurlijk persoon voor iedere onroerende zaak, met betrekking waartoe
hij krachtens de inschrijving van de akte van toedeling niet langer
gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, uit het 50-voud van de
jaarlijks ter zake van die onroerende zaak verschuldigde huur of
pacht.
2.De in artikel 102 bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een
rechtspersoon voor iedere onroerende zaak, met betrekking waartoe hij
krachtens de inschrijving van de akte van toedeling niet langer
gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, uit de op het tijdstip van die
inschrijving contante waarde van het overgangsrecht, dat bij
voortbestaan van het stadsmeierrecht ter zake van die onroerende zaak
verschuldigd zou zijn geweest op de eerstvolgende vaste vervaldag na
de dag van inschrijving van de akte van toedeling.
3.De in artikel 102 bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een
rechtspersoon, die krachtens de inschrijving van de akte van toedeling
de eigendom van onroerende zaken heeft verkregen, niet, voor zover het
betreft gebouwen:
a. in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst;
b. bestemd voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
in de zin van de artikelen 13 en 14 van de Wet Premie Kerkenbouw;
c. behorende tot een klooster;
d. behorende tot een diaconie;
e. behorende tot een weldadigheidsinstelling;
f. behorende tot een ziekenhuis;
g. in hoofdzaak bestemd voor het geven van onderwijs;
en andere daarmede vergelijkbare door Ons bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen gebouwen.
4.Voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde contante
waarde worden de grondslagen gevormd door:
a. de met inachtneming van de artikelen 104-106 bepaalde
verkoopwaarde van het stadsmeierrecht;
b. de in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde wettelijke rente, ten tijde van de in artikel 104
bedoelde schatting.
Artikel 104
1.Op verzoek van de herinrichtingscommissie benoemt de
voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen voor elk deelgebied
waarvan onroerende zaken deel uitmaken, met betrekking waartoe een
rechtspersoon gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, een
schattingscommissie om met inachtneming van het bepaalde in artikel
105 de verkoopwaarde te schatten van het stadsmeierrecht dat rust op
de onroerende zaak, met inbegrip van de zich daarop bevindende
opstallen en beplantingen, en met betrekking waartoe een rechtspersoon
gerechtigd is. De schattingen vinden plaats onderscheidenlijk naar
stadsmeierrecht, waarvoor de 20e of 30e penning, dan wel een andere
vergoeding bij overgang is verschuldigd.
De voorzieningenrechter wijst uit de leden van de
schattingscommissie een voorzitter aan en regelt de aan de leden van
de schattingscommissie toe te kennen vergoedingen.
2.De in het eerste lid bedoelde schatting vindt plaats voor elk
blok afzonderlijk. De schatting van de verkoopwaarde van
stadsmeierrechten rustend op niet van een blok deel uitmakende
onroerende zaken vindt plaats tegelijkertijd met de schatting van de
verkoopwaarde van de stadsmeierrechten rustend op onroerende zaken
deel uitmakende van het in artikel 16, vijfde lid, bedoelde blok.
3.De herinrichtingscommissie voegt een secretaris aan de
schattingscommissie toe.
4.De voorzitter van de schattingscommissie kan aan de
voorzieningenrechter van de rechtbank benoeming van nog een of meer
andere leden verzoeken, indien de schatting van een bepaald object of
van bepaalde objecten bijzondere deskundigheid vereist, welke de reeds
benoemde leden niet bezitten.
5.De voorzitter van de schattingscommissie regelt de werkzaamheden
van de schattingscommissie.
6.Iedere schatting geschiedt door drie leden van de
schattingscommissie.
Artikel 105
1.Bij de schatting van de verkoopwaarde van de stadsmeierrechten,
welke rusten op niet van een blok deel uitmakende onroerende zaken,
wordt uitgegaan van de toestand ten tijde van de inschrijving van de
akte van toedeling van het in artikel 31 bedoelde blok. Bij de
schatting van de verkoopwaarde van de stadsmeierrechten, welke rusten
op van een blok deel uitmakende onroerende zaken, wordt uitgegaan van
de toestand ten tijde van de inschrijving van de akte van toedeling
van dat blok.
2.Bij de schatting bedoeld in lid 1 worden mede in aanmerking
genomen de zaken die vóór het in werking treden van de Boeken 3, 5
en 6 van het Burgerlijk Wetboek onroerend waren door bestemming. Ten
aanzien van deze zaken wordt in aanmerking genomen de waarde welke zij
ontlenen aan hun gebruiksmogelijkheden ter plaatse.
3.Waardeveranderingen tengevolge van de herinrichting blijven bij
het schatten van de verkoopwaarde buiten beschouwing.
Artikel 106
1.De schattingscommissie geeft de gerechtigde tot een
stadsmeierrecht en de gemeente Groningen gelegenheid om haar alle
feiten en omstandigheden mede te delen, die van belang zijn voor een
juiste schatting. Zij roept hen daartoe met inachtneming van een
termijn van tenminste een week op.
2.Zij verstrekken aan de schattingscommissie alle door deze nodig
geachte gegevens om tot schatting te komen.
3.De schattingscommissie doet haar schatting niet dan na de
onroerende zaken in ogenschouw te hebben genomen. De gerechtigden tot
een stadsmeierrecht en de eventuele gebruikers zijn verplicht de
schattingscommissie toegang tot de onroerende zaken te verlenen.
Artikel 107
1.De herinrichtingscommissie geeft op een door haar te bepalen
tijdstip aan de schatters, bedoeld in artikel 32, opdracht tot het
schatten van:
a. de waardeveranderingen, bedoeld in de artikelen 24 en 25,
voor zover deze voor verrekening in aanmerking komen en daarmede
bij de schatting, bedoeld in artikel 33, nog geen rekening is
gehouden;
b. de verandering van de ingevolge artikel 33 vastgestelde
waarde van iedere kavel als gevolg van de herinrichting;
c. zo nodig de gebouwen, werken en beplantingen;
d. zo nodig de waarde, voor zover deze bepaald wordt door
andere dan agrarische factoren.
2.Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de
wijze waarop de schatting wordt verricht.
Artikel 108
1.De herinrichtingscommissie gaat daarna zo spoedig mogelijk over
tot het opmaken van de lijst der geldelijke regelingen.
2.De lijst der geldelijke regelingen van het in artikel 31 bedoelde
blok houdt mede de vermelding in van de in artikel 109, onder 6 en 7,
bedoelde gegevens, voor zover verband houdende met onroerende zaken,
die niet deel uitmaken van een blok.
Artikel 109
De lijst der geldelijke regelingen houdt in:
1. de uitkomsten der schattingen volgens artikel 107, alsmede de
daaruit voortvloeiende geldelijke verrekeningen ten aanzien van de
daarbij betrokken eigenaren;
2. de geldelijke verrekeningen, voortvloeiende uit de toepassing
van de artikelen 57 en 58;
3. de geldelijke verrekeningen, voortvloeiende uit de toepassing
van artikel 61;
4. de bepaling der geldelijke gevolgen, bedoeld in artikel 71,
eerste lid;
5. de afkoopsom van de ruilverkavelingsrenten;
6. de uitkomsten van de schattingen, bedoeld in artikel 104,
alsmede de op grond van artikel 102 te betalen bedragen;
7. toe te kennen schadevergoedingen;
8. de vergoedingen voor zaken, welke in verband met de overgang
der onroerende zaken moeten worden verrekend.
Artikel 110
De herinrichtingscommissie wijst in elk deelgebied een blok aan op de
lijst der geldelijke regelingen waarvan de in artikel 101, eerste lid,
bedoelde gekapitaliseerde waarde wordt vermeld van de jaarlijkse
inkomsten van de gemeente Groningen, voortvloeiende uit de aan haar in
bezwaarde eigendom toebehorende en in het deelgebied gelegen onroerende
zaken.
Artikel 111
1.De lijst der geldelijke regelingen wordt door de
herinrichtingscommissie gedurende een maand voor een ieder ter
kosteloze inzage gelegd op een door haar te bepalen plaats.
2.Het derde tot en met het vijfde lid van artikel 83 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De lijst der geldelijke regelingen wordt in haar geheel of in
uittreksel tegen betaling der kosten verkrijgbaar gesteld.
Artikel 112
Uiterlijk de dertigste dag na de laatste dag, waarop de in artikel
111 bedoelde lijst der geldelijke regelingen ter inzage heeft gelegen,
kan iedere belanghebbende schriftelijk zijn bezwaren bij de
herinrichtingscommissie indienen.
Artikel 113
Voor zover binnen de termijn en op de wijze in artikel 112 bepaald
geen bezwaren zijn ingediend, staat de lijst der geldelijke regelingen
vast. Daarvan maakt de herinrichtingscommissie proces-verbaal op.
Artikel 114
1.Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 112 bepaald
bezwaren zijn ingediend, onderzoekt de herinrichtingscommissie de
bezwaren en tracht zij overeenstemming te bereiken.
2.Voor zover overeenstemming is verkregen, vinden de bepalingen van
artikel 113 overeenkomstige toepassing.
Artikel 115
Voor zover geen overeenstemming is verkregen, maakt de
herinrichtingscommissie van het omtrent die bezwaren verhandelde
proces-verbaal op.
Artikel 116
De herinrichtingscommissie zendt zo spoedig mogelijk een afschrift
van de lijst der geldelijke regelingen en van de in de artikelen 113,
114 en 115 bedoelde processen-verbaal aan de rechter-commissaris van de
arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied het blok of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen en aan Onze Minister.
Artikel 117
1.Indien geen overeenstemming is verkregen, bepaalt de
rechter-commissaris terstond tijd en plaats der bijeenkomst, waarop de
belanghebbenden bij de in het proces-verbaal vermelde bezwaren voor
hem kunnen verschijnen. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling
aan de herinrichtingscommissie en aan Onze Minister.
2.Artikel 86, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 87 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 118
1.Voor zover overeenstemming is verkregen omtrent de lijst der
geldelijke regelingen dan wel het in het vierde lid van artikel 87
bedoelde geval zich voordoet, staat de lijst vast.
2.Voor zover geschillen blijven bestaan, verwijst de
rechter-commissaris de zaak naar een door hem te bepalen zitting van
de arrondissementsrechtbank. Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
De arrondissementsrechtbank behandelt zaken betreffende de lijst
der geldelijke regelingen vóór elke andere met uitzondering van die
betreffende onteigening.
Artikel 119
1.Op de dienende dag lichten zij, wier zaken verwezen zijn, hun
standpunt hetzij in persoon, hetzij bij schriftelijke gemachtigde
mondeling toe.
2.De arrondissementsrechtbank hoort de vertegenwoordiger van Onze
Minister, de vertegenwoordigers van de herinrichtingscommissie en de
aan deze toegevoegde ingenieur van het kadaster of diens
plaatsvervanger.
3.Uiterlijk dertig dagen na het horen doet de
arrondissementsrechtbank uitspraak.
4.Indien deze uitspraak van invloed is op de lijst der geldelijke
regelingen, is de arrondissementsrechtbank bevoegd deze lijst te
wijzigen na de bij de wijziging betrokken belanghebbenden daarover te
hebben gehoord.
5.Ten aanzien van de kosten van het geding vindt het in artikel 52
bepaalde overeenkomstige toepassing.
Artikel 120
Tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank staat behalve
cassatie geen rechtsmiddel open. Artikel 47 is van toepassing.
Artikel 121
1.Nadat zij omtrent alle geschillen betreffende de lijst der
geldelijke regelingen heeft beslist, sluit de arrondissementsrechtbank
zo spoedig mogelijk de lijst der geldelijke regelingen, behoudens voor
zover omtrent een geschil nog niet onherroepelijk is beslist.
2.Indien artikel 120 is toegepast, sluit de
arrondissementsrechtbank de lijst der geldelijke regelingen ten
aanzien van de betrokken onderdelen zodra omtrent een geschil over een
zodanig onderdeel onherroepelijk is beslist.
3.Indien ten gevolge van de toepassing van artikel 120 wijziging
van een in het tweede lid bedoeld onderdeel leidt tot een vermindering
van de schuldplichtigheid, worden de geldelijke gevolgen daarvan door
de Staat gedragen.
Artikel 122
De lijst der geldelijke regelingen, zoals zij door de
arrondissementsrechtbank is gesloten, geldt als titel voor de daarin
omschreven vorderingen.
Afdeling 13. Gelijktijdige opmaking van het plan van toedeling en de
lijst der geldelijke regelingen en gelijktijdige tervisielegging daarvan
Artikel 123
1.De herinrichtingscommissie kan bepalen dat het plan van toedeling
en de lijst der geldelijke regelingen gelijktijdig zullen worden
opgemaakt en ter visie gelegd. Alsdan worden eerst de bezwaren tegen
het plan van toedeling en vervolgens die tegen de lijst der geldelijke
regelingen behandeld.
2.In de lijst der geldelijke regelingen dienen te worden opgenomen
de geldelijke gevolgen van de behandeling van de bezwaren tegen het
plan van toedeling.
Artikel 124
1.Indien de gelijktijdige tervisielegging van het plan van
toedeling en de lijst der geldelijke regelingen gepaard gaat met
toepassing van artikel 93, doet de herinrichtingscommissie de
betrokken belanghebbenden schriftelijk mededeling van de geldelijke
gevolgen, welke de behandeling van de bezwaren tegen het plan van
toedeling heeft voor de lijst der geldelijke regelingen.
2.De herinrichtingscommissie stelt in dat geval de betrokken
belanghebbenden in de gelegenheid schriftelijk bezwaren tegen die
geldelijke gevolgen in te dienen.
3.Voor zover in het geval, bedoeld in het tweede lid, bezwaren zijn
ingediend, worden deze bezwaren tezamen met de eerder tegen de lijst
der geldelijke regelingen ingediende bezwaren behandeld.
Afdeling 13a. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 124a
De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet
van toepassing ten aanzien van de bezwaren, bedoeld in de artikelen 36,
eerste lid, 63, tweede lid, 84, 93, tweede lid, 112 en 123, eerste lid,
noch ten aanzien van het beroep, bedoeld in artikel 68, tweede lid.
Afdeling 14. De kosten
Artikel 125
Ten laste van de Staat komen alle kosten der herinrichting, voor
zover deze niet ingevolge de bepalingen van deze wet of krachtens
overeenkomst door anderen worden gedragen.
Artikel 126
1.Ter zake van de op grond van de lijst der geldelijke regelingen,
zoals zij door de arrondissementsrechtbank is gesloten, door de
eigenaren andere dan op grond van artikel 102 verschuldigde bedragen,
rust op de hun toegedeelde kavels onder de naam van "herinrichtingsrente"
een schuldplichtigheid ten behoeve van de Staat.
2.Op zijn verzoek kan een eigenaar de door hem verschuldigde, in
het eerste lid bedoelde, bedragen ineens voldoen.
Artikel 127
De rente bedraagt zes procent van de volgens artikel 126
verschuldigde bedragen.
Artikel 128 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 129
De rente is verschuldigd over zes en twintig achtereenvolgende jaren,
te beginnen met het jaar volgende op dat, waarin de herinrichtingsrente
ter opneming in de basisregistratie kadaster door het desbetreffende
kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers is
ontvangen.
Artikel 130
1.Bij splitsing van een perceel wordt de rente van de nog niet
ingetreden jaren verdeeld naar verhouding van de grootte van die
percelen volgens de basisregistratie kadaster.
2.Wordt een perceel of een gedeelte van een perceel met andere
grond samengevoegd dan gaat de rente of het betreffende gedeelte van
de rente voor de nog niet ingetreden jaren op het door die
samenvoeging gevormde perceel over.
Artikel 131
1.De rente is verschuldigd door hem, die het genot heeft van het
perceel als bezitter, eigenaar of beperkt gerechtigde.
2.In geval van vruchtgebruik is degene aan wie de bezwaarde
eigendom toebehoort verplicht de vruchtgebruiker bij het eindigen van
zijn vruchtgebruik te vergoeden, hetgeen deze in verband met de
vermindering van de waarde van de rente, berekend volgens artikel 134,
geacht moet worden voor aflossing te hebben betaald.
3.In geval van het recht van opstal is de rente slechts
verschuldigd, voor zover zodanig recht niet betreft het leggen en
houden van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van een ander.
Artikel 132
Het bedrag van de rente wordt door de zorg van het bestuur van de
Dienst voor het kadaster en de openbare registers bij ieder daaraan
onderworpen perceel in de basisregistratie kadaster opgenomen.
Artikel 133
1.De rente wordt geheven en ingevorderd door of vanwege Onze
Minister van Financiën.
2.De heffing en de invordering van de rente geschieden met
toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959,
301) en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) als ware die rente een
rijksbelasting.
3.De rente wordt geheven bij wege van aanslag. Indien met
betrekking tot een zelfde perceel twee of meer personen renteplichtig
zijn kan de rente bij wege van één aanslag worden geheven ten name
van één van hen.
4.Bezwaar en beroep bedoeld in Hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen kunnen niet zijn gegrond op de stelling dat de
op grond van artikel 126 verschuldigde bedragen ten onrechte of te
hoog zijn vastgesteld.
5.Indien met toepassing van de tweede volzin van het derde lid de
aanslag ten name van één renteplichtige is gesteld kan:
a. de ontvanger de aanslag op het gehele perceel verhalen ten
name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder
rekening te houden met de rechten van de overige renteplichtigen;
b. de renteplichtige die de aanslag heeft voldaan hetgeen hij
meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn renteplicht verhalen
op de overige renteplichtigen naar evenredigheid van ieders
renteplicht.
6.Van het vijfde lid, aanhef en onderdeel b, kan bij overeenkomst
worden afgeweken.
Artikel 134
1.Vóór of op 1 juli van elk jaar kan de rente over de nog niet
ingetreden jaren worden afgekocht voor haar waarde op genoemde dag.
2.Ter berekening van die waarde wordt het over een jaar
verschuldigde bedrag geacht op de eerste juli van dat jaar te
verschijnen. De berekening geschiedt voorts naar de rentevoet van 3
5/8 procent.
3.De verdere bepalingen omtrent de afkoop worden door Onze Minister
van Financiën vastgesteld.
Artikel 135
1. Zodra en voor zover de lijst der geldelijke regelingen door de
rechtbank is gesloten, wordt de schuldplichtigheid, bedoeld in artikel
102, vastgesteld door een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar.
2. Indien de schuldplichtige na de aanmaning in gebreke blijft, kan
de invordering van het verschuldigde bedrag geschieden bij een door de
ambtenaar uit te vaardigen dwangbevel.
3. De betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel
geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en door de
belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j,
van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.
4. Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast,
kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de
Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van
die wet.
5. Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in dat artikel voor
"de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd"
telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel belaste ontvanger.
6. Met betrekking tot de kosten van aanmaning en verdere
invordering zijn de artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 136
Onze Minister is belast met de uitvoering van deze wet.
Artikel 137
De medewerking van de bewaarder van het kadaster en de openbare
registers bij de uitvoering van deze wet geschiedt kosteloos.
Artikel 138
1.Na beëindiging der werkzaamheden draagt de
herinrichtingscommissie alle stukken, op de herinrichting betrekking
hebbende, over aan Onze Minister.
2.Na overdracht van de in het eerste lid bedoelde stukken wordt de
herinrichtingscommissie door Ons ontbonden op voordracht van Onze
Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening.
Artikel 139
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 140
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 141
1.Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.
2.Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 november 1977
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Gruijters
De Minister van Economische Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
H.W. van Doorn
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Westerterp
De Minister van Justitie,
De Gaay Fortman
De Minister van Binnenlandse Zaken,
De Gaay Fortman
Uitgegeven de derde januari 197
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Bijlage
[Raadpleeg voor de kaart het gedrukte Staatsblad 1977, 694]
|