Nadere regelgeving:
- Besluit op de huurtoeslag
- Huisvestingsbesluit
- Regeling
huurtoeslaggrenzen 2009'
WET van 1 oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot
woonruimte
WIJ BEATRIX, bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van
een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte en
met het oog op de doorzichtigheid van de wetgeving wenselijk is nieuwe
regelen te stellen met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de
samenstelling van de woonruimtevoorraad;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;
b. woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet te zamen met een of meer
andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een
huishouden;
c. woonschip: schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of
bestemd is voor bewoning;
d. ligplaats: plaats in het water, bestemd of aangewezen om door een
woonschip bij verblijf te worden ingenomen;
e. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen,
waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare
nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
aangesloten;
f. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
g. huisvestingsverordening: de verordening, bedoeld in artikel 2;
h. huisvestingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 7,
eerste lid;
i. leegstaan; het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk
recht in gebruik zijn, alsmede een gebruik dat de kennelijke strekking
heeft afbreuk te doen aan de werking van deze wet;
j. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het
enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand,
dan wel, indien het betreft een standplaats voor een woonwagen of een
ligplaats van een woonschip, het bedrag dat is verschuldigd voor het
innemen van die standplaats, onderscheidenlijk ligplaats, uitgedrukt in
een bedrag per maand;
k. koopprijs: de prijs die voor de enkele koop van een woonruimte
daadwerkelijk is of zal worden betaald;
l. economische binding aan een gebied: de binding van een persoon aan
een gebied, daarin gelegen dat die persoon, met het oog op de
voorziening in het bestaan, een redelijk belang heeft zich in dat gebied
te vestigen, met dien verstande dat een economische binding in elk geval
wordt aangenomen ten aanzien van personen die voor de voorziening in het
bestaan zijn aangewezen op het duurzaam verrichten van arbeid binnen of
vanuit dat gebied;
m. maatschappelijke binding aan een gebied: de binding van een persoon
aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon een redelijk, met de
plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied
te vestigen, met dien verstande dat een maatschappelijke binding in elk
geval wordt aangenomen ten aanzien van personen die ten minste zes jaar
onafgebroken ingezetene zijn, dan wel gedurende de voorafgaande tien
jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene zijn geweest van dat
gebied;
n. regio: een gebied dat uit een oogpunt van het functioneren van de
woonruimtemarkt als een samenhangend geheel kan worden beschouwd.
2.Voor zover niet anders is bepaald, wordt in deze wet en de daarop
berustende bepalingen onder eigenaar van een woonruimte of een gebouw
verstaan: degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van die
woonruimte of dat gebouw. Onder "eigenaar in de zin van het
Burgerlijk Wetboek" wordt in deze wet en de daarop berustende
bepalingen mede verstaan: de erfpachter, vruchtgebruiker, gerechtigde
tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het
Burgerlijk Wetboek, of degene aan wie door een rechtspersoon het
gebruiksrecht van een woonruimte is verleend.
3.In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder woonruimte
mede begrepen:
a. een standplaats,
b. een ligplaats.
4.Indien de huurprijs hoger is dan de maximale huurprijsgrens voor de
desbetreffende woonruimte, vastgesteld overeenkomstig het bij of
krachtens de onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek daaromtrent bepaalde, dan wel indien een
woonruimte niet verhuurd is en evenmin te huur wordt aangeboden, geldt
voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als
huurprijs: de maximale huurprijsgrens, ongeacht of onderafdeling 2 van
afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op de
betrokken overeenkomst van huur en verhuur wel of niet van toepassing
is.
5.Indien voor een woonruimte die niet verhuurd is en evenmin te huur
wordt aangeboden, niet een maximale huurprijsgrens kan worden bepaald
als bedoeld in het vierde lid, geldt voor de toepassing van deze wet en
de daarop berustende bepalingen als huurprijs: de huurprijs die bij huur
en verhuur als woonruimte redelijkerwijs zou kunnen worden
overeengekomen, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer voor
vergelijkbare woonruimten wordt overeengekomen.
§ 2. De huisvestingsverordening
Artikel 2
1.Indien het naar het oordeel van de gemeenteraad noodzakelijk is
regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van
woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot
wijzigingen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III,
stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast.
2.Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid gaat de gemeenteraad
in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld, kan worden
bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een
verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan
woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die
woonruimten zijn aangewezen. Tevens gaat de gemeenteraad na op welke
wijze kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik nemen of geven
van een standplaats voorrang wordt verleend aan woningzoekenden, die in
een woonwagen wonen of hebben gewoond.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid treedt het algemeen bestuur
van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de
plaats van de gemeenteraad.
Artikel 3
1.Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling of wijziging van
een huisvestingsverordening plegen burgemeester en wethouders overleg
met de in de gemeente werkzame, ingevolge artikel 70, eerste lid, of
artikel 70j, eerste lid, van de Woningwet (Stb. 1991, 439) toegelaten
instellingen en met andere daarvoor naar hun oordeel in aanmerking
komende organisaties die binnen de gemeente op het gebied van de
woonruimteverdeling werkzaam zijn.
2.Burgemeester en wethouders zenden een besluit tot vaststelling of
wijziging van een huisvestingsverordening toe aan gedeputeerde staten.
Zij zenden een afschrift van een zodanig besluit toe aan de inspecteur,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid treedt het dagelijks bestuur
van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de
plaats van burgemeester en wethouders.
§ 3. Overeenkomsten inzake het in gebruik geven van woonruimte
Artikel 4
1.Indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een
overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, is artikel 2,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige
overeenkomst op te nemen bepalingen.
2.Indien een gemeente een of meer overeenkomsten sluit, als bedoeld in
het eerste lid, draagt zij er zorg voor, dat een belanghebbende bij een
besluit ter uitvoering van zodanige overeenkomst, daarover zijn beklag
kan doen bij een daartoe door burgemeester en wethouders ingestelde
commissie, die haar taak onafhankelijk van de gemeente en van de
betrokken eigenaar of eigenaren van woonruimte verricht. Een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dient een bepaling te
bevatten, er toe strekkende dat de uitspraken van de in de eerste volzin
bedoelde commissie, voor zover zij betrekking hebben op de uitvoering
van die overeenkomst, partijen bij de overeenkomst tot bindend advies
strekken.
3.Bij de uitvoering van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid
worden de ingevolge artikel 61 ter zake van de woonruimteverdeling
vastgestelde richtlijnen en de ingevolge artikel 67 of artikel 68 ter
zake van de woonruimteverdeling gegeven aanwijzingen in acht genomen. Op
de criteria die worden toegepast bij het in gebruik geven van
woonruimten waarop de overeenkomst betrekking heeft, zijn de krachtens
artikel 13 en in de artikelen 13a tot en met 13c gestelde regels van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk II. De huisvestingsvergunning
§ 1. Aanwijzing van vergunningplichtige woonruimte
Artikel 5
De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de
huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in
gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen
daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend. In afwijking van de
eerste volzin is tot 1 januari 2003 in de in de bijlage genoemde
betrokken gemeenten, alsmede in de krachtens artikel 2, vierde lid,
aangewezen gemeenten, voor het in gebruik nemen of geven van een
woonwagen op een standplaats een huisvestingsvergunning voor een
standplaats vereist.
Artikel 6
1.Een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, kan niet betreffen:
a. woonruimten, bestemd voor inwoning;
b. woonwagens;
c. woonschepen.
2.Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan, indien de koopprijs
onderscheidenlijk de huurprijs daarvan de ter zake in het derde lid
gestelde grens te boven gaat, een aanwijzing evenmin betreffen:
a. woonruimten die in gebruik zullen worden genomen door de eigenaar
ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en die hetzij niet eerder
bewoond zijn geweest, hetzij sedert de eerste ingebruikname, dan wel
gedurende ten minste de zes maanden waarin zij laatstelijk bewoond zijn
geweest, bewoond werden door de eigenaar ervan in de zin van het
Burgerlijk Wetboek, en
b. andere woonruimten dan bedoeld onder a.
3.De grenzen bedoeld in het tweede lid, bedragen:
a. voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder a:
het in de betrokken gemeente geldende hoogste bedrag voor de koopsom van
een woonruimte, voor het verkrijgen in eigendom waarvan aan degene die
zodanige woonruimte als eigenaar zal bewonen, afhankelijk van de hoogte
van diens inkomen, krachtens wettelijk voorschrift van overheidswege
subsidie kan worden verstrekt;
b. voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder b:
een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de aanwijzing
genoemd in artikel 16 van de Wet individuele huursubsidie (Stb. 1990,
394), dan wel het bedrag op het tijdstip van de aanwijzing genoemd in
artikel 13, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet dan wel de Wet
op de huurtoeslag.
4.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kunnen woonruimten
als daar bedoeld worden aangewezen, voor zover zodanige aanwijzing in
het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van
woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk
ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding
van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer
kernen, behorend tot die gemeente. Zodanige aanwijzing behoeft de
goedkeuring van gedeputeerde staten.
Artikel 7
1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een
woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen
voor bewoning.
2.Het is verboden een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5,
voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over
een huisvestingsvergunning.
3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, wordt het in gebruik
nemen of geven van een woonwagen die op een standplaats staat, of van
een woonschip dat op een ligplaats ligt, aangemerkt als het in gebruik
nemen of geven van die standplaats onderscheidenlijk ligplaats.
§ 2. Melding van leegstand
Artikel 8
De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de
huisvestingsverordening bepalen dat de leegstand van woonruimten in
daarbij aangegeven gevallen door de eigenaar aan burgemeester en
wethouders dient te worden gemeld, zodra die leegstand langer duurt dan
een daarbij aangegeven termijn van ten minste twee maanden.
§ 3. Criteria voor vergunningverlening
Artikel 9
1.De gemeenteraad wijst in de huisvestingsverordening de categorieën
van woningzoekenden aan die met het oog op een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van de woonruimte, aangewezen overeenkomstig
artikel 5, voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in
aanmerking komen.
2.Een huisvestingsvergunning wordt uitsluitend verleend aan personen
die:
a. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke
bepaling als Nederlander worden behandeld, of
b. vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden als bedoeld in artikel
8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 10
De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening voorts bepalen dat een
of meer daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen
overeenkomstig artikel 5, met het oog op een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte, in verband met de aard, grootte
of prijs van die woonruimte, slechts passend is voor een daarbij
aangewezen gedeelte van de ingevolge artikel 9 aangewezen categorieën
van woningzoekenden.
Artikel 11
1.De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de
huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen
categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij
het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan
woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte
dringend noodzakelijk is.
2.Bij toepassing van het eerste lid stelt de gemeenteraad in de
huisvestingsverordening tevens criteria vast volgens welke de
woningzoekenden, bedoeld in artikel 9, worden ingedeeld in
urgentiecategorieën.
3.Tot de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan mede behoren dat aan
de woonruimte welke de woningzoekende verlaat, met het oog op een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte dringend behoefte
bestaat.
Artikel 12
1.De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de
huisvestingsverordening bovendien bepalen dat voor daarbij aan te wijzen
categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij
het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan
personen die zijn geplaatst op een door burgemeester en wethouders aan
de eigenaar van de betrokken woonruimte gedane voordracht.
2.Bij toepassing van het eerste lid stelt de gemeenteraad in de
huisvestingsverordening tevens vast welke categorieën woningzoekenden
in aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in het eerste lid
te worden geplaatst en volgens welke criteria binnen die categorieën
van woningzoekenden de rangorde naar urgentie wordt bepaald.
3.Tot de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan mede behoren dat aan
de woonruimte welke de woningzoekende verlaat, met het oog op een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte dringend behoefte
bestaat.
Artikel 13
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de bescherming
van daarbij aan te geven categorieën van woningzoekenden regels worden
gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 9, eerste lid, en
de artikelen 10 tot en met 12.
Artikel 13a
1.De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de
huisvestingsverordening criteria vaststellen voor de verlening van
huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen
woningzoekenden die al of niet een economische of maatschappelijke
binding hebben aan een in die verordening aangeduide regio.
2.Indien de gemeenteraad toepassing geeft aan het eerste lid behoeft de
vaststelling van die criteria voorafgaande toestemming van gedeputeerde
staten.
3.Gedeputeerde staten kunnen hun toestemming slechts onthouden indien
naar hun oordeel:
a. het aangeduide gebied niet kan worden aangemerkt als een regio in de
zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel n;
b. het beoogde onderscheid onnodig belemmerend zou zijn voor de
huisvestingsmogelijkheden van woningzoekenden die geen economische of
maatschappelijke binding hebben met de regio, mede gelet op de
huisvestingsmogelijkheden voor deze woningzoekenden in andere delen van
de betrokken regio, of
c. het beoogde onderscheid onvoldoende is afgestemd op het
bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of op het huisvestingsbeleid van
andere gemeenten.
4.Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een onderscheid als
bedoeld in het eerste lid, is voorgeschreven in, dan wel uitdrukkelijk
is toegelaten bij een beleidsregel als bedoeld in artikel 61.
Artikel 13b
1.De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in verband met
uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe
mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken
gemeente of kern, in de huisvestingsverordening criteria vaststellen
voor de verlening van huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan
worden gemaakt tussen woningzoekenden die al of niet een economische of
maatschappelijke binding hebben aan de gemeente of aan een tot de
gemeente behorende kern.
2.Indien de gemeenteraad toepassing geeft aan het eerste lid, behoeft de
vaststelling van die criteria voorafgaande toestemming van gedeputeerde
staten.
3.Gedeputeerde staten kunnen hun toestemming slechts onthouden, indien
het beoogde onderscheid naar hun oordeel:
a. onnodig belemmerend zou zijn voor de huisvestingsmogelijkheden van
woningzoekenden die geen economische of maatschappelijke binding hebben
met de gemeente of kern, mede gelet op de huisvestingsmogelijkheden voor
deze woningzoekenden in andere delen van de betrokken regio, of
b. onvoldoende is afgestemd op het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid
of op het huisvestingsbeleid van andere gemeenten.
4.Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een onderscheid als
bedoeld in het eerste lid is voorgeschreven in, dan wel uitdrukkelijk is
toegelaten bij een beleidsregel als bedoeld in artikel 61.
Artikel 13c
1.Behoudens het bepaalde in het tweede lid, wordt geen onderscheid naar
economische of maatschappelijke binding gemaakt ten aanzien van
woningzoekenden:
a. waarvan redelijkerwijs niet of niet meer verwacht kan worden dat zij
door het duurzaam verrichten van arbeid in hun bestaan voorzien, zoals
gepensioneerden, ernstig invaliden en langdurig werklozen;
b. die als remigrant wensen terug te keren naar Nederland of zijn
teruggekeerd, doch nog niet over passende huisvesting beschikken;
c. aan wie op grond van een asielverzoek een van de
verblijfsvergunningen, bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d,
van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, indien zij na die verlening
voor de eerste maal woonruimte zoeken;
d. die na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van
het huwelijk na scheiding van tafel en bed, in verband met die
omstandigheid dringend woonruimte behoeven, of
e. die een procedure tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed aanhangig
hebben gemaakt en een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 822
en 823 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hebben verkregen,
indien zij in verband met die omstandigheid dringend woonruimte
behoeven.
2.Voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit
bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden
tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de gemeente of in een of
meer kernen, behorend tot de gemeente, kunnen gedeputeerde staten bij
het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 13b, tweede lid,
onderscheidenlijk provinciale staten bij een beleidsregel als bedoeld in
artikel 61, toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste
lid, onder a, b, d en e.
§ 4. Registratie van woningzoekenden
Artikel 14
1.De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening
bepalen dat door burgemeester en wethouders een register van
woningzoekenden wordt bijgehouden.
2.Ingeval toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in de
huisvestingsverordening tevens bepaald:
a. welke woningzoekenden voor inschrijving in het register in aanmerking
komen;
b. welke gegevens met het oog op een goede toepassing van de verordening
bij een verzoek om inschrijving moeten worden overgelegd;
c. hoe lang een inschrijving geldig blijft;
d. welke gegevens op het bewijs van inschrijving moeten worden vermeld;
e. in welke gevallen een inschrijving door burgemeester en wethouders
kan worden doorgehaald.
3.Bij de bepaling welke woningzoekenden voor inschrijving in het
register in aanmerking komen, worden slechts criteria vastgesteld, die
ingevolge de huisvestingsverordening bij de verlening van de
huisvestingsvergunning overeenkomstig artikel 25 worden toegepast.
Artikel 15
Ingeval de gemeenteraad toepassing geeft aan artikel 11 of 12, geeft hij
tevens toepassing aan artikel 14. In dat geval worden als
woningzoekenden die voor inschrijving in het register in aanmerking
komen, in elk geval aangewezen:
a. bij toepassing van artikel 11: de woningzoekenden die kunnen worden
ingedeeld in een andere dan de laagste urgentiecategorie;
b. bij toepassing van artikel 12: de categorieën woningzoekenden die in
aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in artikel 12, eerste
lid, te worden geplaatst.
Artikel 16 [Vervallen per 01-09-2001]
Artikel 17
1.De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening regels stellen met
betrekking tot centrale registratie van woningzoekenden die daartegen
geen bedenkingen hebben. De eigenaars van woonruimte die zelf een
registratie van woningzoekenden bijhouden, zijn verplicht aan die
centrale registratie medewerking te verlenen.
2.Tenzij de huisvestingsverordening anders bepaalt, kunnen burgemeester
en wethouders eigenaren van woonruimte machtigen een of meer van hun
bevoegdheden krachtens deze paragraaf uit te oefenen.
§ 5. Voordracht
Artikel 18
1.De eigenaar van een woonruimte die is aangewezen overeenkomstig
artikel 12, eerste lid, is verplicht het ter beschikking komen van die
woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden.
2.Gelijktijdig met de melding, bedoeld in het eerste lid, kan de
eigenaar aan burgemeester en wethouders een woningzoekende voordragen.
3.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woonruimte zal worden
bewoond door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en
de woonruimte gedurende ten minste de zes maanden waarin deze
laatstelijk bewoond is geweest, bewoond werd door de eigenaar ervan in
de zin van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 19
1.Tot uiterlijk twee weken nadat het ter beschikking komen van een
woonruimte ingevolge artikel 18, eerste lid, is gemeld, kunnen
burgemeester en wethouders aan de eigenaar een of meer woningzoekenden
voordragen die behoren tot de ingevolge artikel 12, tweede lid,
aangewezen categorieën.
2.Bij het opstellen van de voordracht slaan burgemeester en wethouders
acht op de rangorde naar urgentie, zoals die ingevolge artikel 12,
tweede lid, is vastgesteld.
Artikel 20
In afwijking van artikel 19, eerste lid, doen burgemeester en wethouders
geen voordracht, indien aan de door de eigenaar voorgedragen
woningzoekende op grond van de ingevolge de artikelen 9, 10 en 11
geldende eisen een huisvestingsvergunning kan worden verleend en er voor
het doen van een voordracht geen in aanmerking komende woningzoekenden
zijn ingeschreven wier behoefte aan woonruimte urgenter is dan die van
de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende.
Artikel 21
1.Burgemeester en wethouders kunnen de voordracht intrekken, indien de
voordracht niet leidt tot de totstandkoming van een overeenkomst tussen
de eigenaar en een der voorgedragen woningzoekenden, uit kracht waarvan
die woningzoekende gerechtigd is de betrokken woonruimte voor bewoning
in gebruik te nemen.
2.Gelijktijdig met de intrekking van een voordracht overeenkomstig het
eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar opnieuw
een of meer woningzoekenden voordragen die behoren tot de ingevolge
artikel 12, tweede lid, aangewezen categorieën. Artikel 19, tweede lid,
artikel 20 en het eerste lid van dit artikel zijn van toepassing.
3.In afwijking van het tweede lid kan geen nieuwe voordracht meer worden
gedaan, zodra 10 weken zijn verstreken nadat het ter beschikking komen
van de woonruimte ingevolge artikel 18, eerste lid, is gemeld.
Artikel 22
De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening nadere regels met
betrekking tot de toepassing van deze paragraaf. Daarbij regelt hij in
ieder geval de wijze waarop een woningzoekende, behorende tot een
krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen categorie, desverzocht op
de hoogte wordt gesteld van de toepassing die te zijnen aanzien is
gegeven aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften.
§ 6. Vergunningverlening
Artikel 23
1.De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met
betrekking tot:
a. de wijze waarop een huisvestingsvergunning kan worden aangevraagd;
b. de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog
op de beoordeling van de aanvraag;
c. de termijn waarbinnen door burgemeester en wethouders op de aanvraag
moet worden beslist;
d. de gegevens die ten minste in de beschikking op de aanvraag moeten
worden vermeld.
2.De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een
aanvraag slechts in behandeling wordt genomen, indien de aanvrager
aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een huisvestingsvergunning
voor de in de aanvraag aangegeven woonruimte krijgt, die woonruimte ook
daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen.
3.Een bepaling als bedoeld in het tweede lid, blijft buiten toepassing,
indien de aanvraag is gedaan met het oog op het bepaalde in de artikelen
267 lid 6, 268 lid 3 of 270 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 24
Indien de vergunning wordt verleend, vermelden burgemeester en
wethouders in hun beschikking ten minste de termijn waarbinnen van de
vergunning gebruik kan worden gemaakt.
Artikel 25
1.Een huisvestingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager behoort
tot een van de ingevolge artikel 9, eerste lid, aangewezen categorieën
van woningzoekenden, voor zover wordt voldaan aan artikel 9, tweede lid.
2.Ingeval voor de betrokken woonruimte toepassing is gegeven aan artikel
10, dient de woonruimte voor de aanvrager tevens passend te zijn, gelet
op de ingevolge dat artikel gestelde regels.
3.Ingeval voor de betrokken woonruimte toepassing is gegeven aan artikel
11, kan de vergunning worden geweigerd, indien er in het register van
woningzoekenden voldoende voor de betrokken woonruimte in aanmerking
komende woningzoekenden zijn ingeschreven, die behoren tot een hogere
urgentiecategorie dan de aanvrager.
4.Ingeval voor de betrokken woonruimte een voordracht is gedaan
krachtens artikel 19, eerste lid, of artikel 21, tweede lid, en die
voordracht niet is ingetrokken overeenkomstig artikel 21, eerste lid,
dient de aanvrager voorts te zijn vermeld op die voordracht. Ingeval een
voordracht ingevolge artikel 20 achterwege is gebleven, wordt de
vergunning verleend aan de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende.
5.Het bepaalde in het derde en vierde lid is niet van toepassing, indien
de woonruimte zal worden bewoond door de eigenaar ervan in de zin van
het Burgerlijk Wetboek en de woonruimte gedurende ten minste de zes
maanden waarin deze laatstelijk bewoond is geweest, bewoond werd door de
eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 26
1.Onverminderd artikel 9, tweede lid, wordt een huisvestingsvergunning
voorts aan iedere aanvrager verleend, indien de woonruimte door de
eigenaar gedurende een door de gemeenteraad in de
huisvestingsverordening te bepalen termijn van ten hoogste dertien weken
vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het
bepaalde krachtens de artikelen 9, 10, 11 en 12 voor die woonruimte in
aanmerking komen.
2.Het eerste lid is slechts van toepassing:
a. ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en onderafdeling 2 van
afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op die
woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger
is dan de voor de betrokken woonruimte ingevolge die onderafdeling
geldende maximale huurprijsgrens;
b. ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en onderafdeling 2 van
afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet op die
woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger
is dan redelijk is, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer
voor vergelijkbare woonruimten wordt overeengekomen;
c. ingeval de woonruimte te koop wordt aangeboden: indien de koopprijs
niet hoger is dan redelijk is gelet op de waarde van de woonruimte in
het economisch verkeer.
3.De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met
betrekking tot de wijze waarop de aanbieding dient plaats te vinden. De
raad kan daarbij tevens regels stellen omtrent de wijze waarop aan
burgemeester en wethouders moet worden aangetoond dat de aanbieding in
overeenstemming met het bij en krachtens de wet bepaalde heeft
plaatsgevonden, alsmede met betrekking tot de wijze waarop aan
burgemeester en wethouders verslag moet worden uitgebracht over het
verloop van de aanbiedingsprocedure.
4.Het eerste lid is tot 1 januari 2003 niet van toepassing ten aanzien
van een standplaats die is bestemd voor een woningzoekende die met een
woonwagen op een standplaats staat die is gelegen op een van de in de
bijlage genoemde regionale woonwagencentra.
Artikel 27
In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een
huisvestingsvergunning verlenen aan andere woningzoekenden dan bedoeld
in artikel 9, eerste lid, voor zover wordt voldaan aan artikel 9, tweede
lid, zonder dat de betrokken woonruimte overeenkomstig het bij en
krachtens artikel 26, eerste en derde lid, bepaalde vruchteloos is
aangeboden.
Artikel 28
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
indien:
a. de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen de door
burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde
termijn in gebruik heeft genomen;
b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder
verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden
dat zij onjuist of onvolledig waren.
Artikel 29
Van de bevoegdheden krachtens deze paragraaf kunnen burgemeester en
wethouders mandaat verlenen aan eigenaren van woonruimte, voor zover het
die woonruimte betreft.
Hoofdstuk III. Wijzigingen van de woonruimtevoorraad
§ 1. Onttrekking, samenvoeging en omzetting
Artikel 30
1.Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de
gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het
behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen
categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig
gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor
niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde
omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;
b. met andere woonruimte samen te voegen;
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.
2.Onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c,
wordt verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke
door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij
afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
3.Woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, wordt tevens
aangewezen overeenkomstig het eerste lid, tenzij een zodanige aanwijzing
naar het oordeel van de gemeenteraad met het oog op het behoud of de
samenstelling van de woonruimtevoorraad niet noodzakelijk is.
Artikel 31
Een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt verleend,
tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de
woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de
bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of
de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van
voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.
Artikel 32
De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste de
voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het
belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de
vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden.
§ 2. Splitsing
Artikel 33
1.Het is verboden een recht op een gebouw dat behoort tot een door de
gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe aangewezen categorie,
zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in
appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid,
van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer
appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of
meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van
deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis
daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 34
1.De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste:
a. de gronden die tot weigering van een vergunning als bedoeld in
artikel 33 kunnen leiden;
b. de categorieën van gevallen waarin de beslissing op de aanvraag om
een vergunning door burgemeester en wethouders wordt aangehouden;
c. de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders aan de
vergunning kunnen verbinden.
2.De gronden en regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts
betrekking hebben op:
a. de samenstelling van de woonruimtevoorraad;
b. het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing;
c. het voorkomen van splitsing van rechten op gebouwen waarvan de
toestand uit oogpunt van indeling of staat van onderhoud zich geheel of
ten dele tegen splitsing in appartementsrechten of de verlening van
deelnemings- of lidmaatschapsrechten verzet.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de
toepassing van het eerste lid nadere regels worden gesteld.
§ 3. Vergunningverlening
Artikel 35
1.De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met
betrekking tot:
a. de wijze waarop een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid,
of 33, kan worden aangevraagd;
b. de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog
op de beoordeling van de aanvraag;
c. de termijn waarbinnen door burgemeester en wethouders op de aanvraag
moet worden beslist;
d. de gegevens die ten minste in de beschikking op de aanvraag moeten
worden vermeld.
2.Indien van de vergunning slechts gebruik kan worden gemaakt na
ontheffing van een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke
ordening, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een verzoek om zodanige
ontheffing.
Artikel 36
1.Indien de aanvraag niet is gedaan door de gebruiker, onderscheidenlijk
de eigenaar van de woonruimte of het gebouw, zenden burgemeester en
wethouders onverwijld aan deze een afschrift van de aanvraag.
2.Burgemeester en wethouders stellen de gebruiker, onderscheidenlijk de
eigenaar op diens verzoek, voor zover zulks nodig is voor de beoordeling
van de aanvraag, in de gelegenheid de bij de aanvraag overgelegde
gegevens in te zien, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.
Zij verschaffen hem desgevraagd een afschrift daarvan tegen betaling van
de kosten.
Artikel 37
1.Gedurende vier weken nadat hem overeenkomstig artikel 36, eerste lid,
mededeling is gedaan, kan de gebruiker, onderscheidenlijk de eigenaar
zijn zienswijze kenbaar maken aan burgemeester en wethouders.
2.Burgemeester en wethouders doen aan de aanvrager onverwijld mededeling
van de kenbaar gemaakte zienswijzen.
Artikel 38
Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien:
a. niet binnen een jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden,
is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of omzetting,
onderscheidenlijk tot overschrijving in de openbare registers van de
akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van
Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings-
of lidmaatschapsrechten;
b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder
verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden
dat zij onjuist of onvolledig waren.
Artikel 39
Inschrijving in de openbare registers van een akte als bedoeld in
artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek vindt alleen plaats,
indien onder de akte een notariële verklaring is opgenomen, dat ten
tijde van het verlijden van de akte een vergunning als bedoeld in
artikel 33 niet is vereist, dan wel onherroepelijk is geworden.
Hoofdstuk IV. Vordering en toewijzing van woonruimte
§ 1. Vordering
Artikel 40
1.Burgemeester en wethouders kunnen, indien dat voor een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, van de eigenaar
van een in de gemeente aanwezige leegstaande woonruimte, een leegstaand
gebouw, niet zijnde een of meer woonruimten, of een leegstaand gedeelte
van een zodanig gebouw, dan wel van een woonruimte die in strijd met de
bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zonder
huisvestingsvergunning of vergunning ingevolge artikel 30 in gebruik
genomen is, het gebruik daarvan als woonruimte vorderen. De vordering
vindt niet plaats dan na overleg met de eigenaar. De vordering kan mede
betrekking hebben op het gebruik van bij de woonruimte of het gebouw
behorende of voor de toegang daartoe noodzakelijke andere ruimten en van
de daarbij behorende centrale en nutsvoorzieningen.
2.Ten aanzien van leegstaande woonruimte die laatstelijk door de
eigenaar gedurende een termijn van ten minste een jaar onafgebroken als
eigenaar is bewoond geweest, maken burgemeester en wethouders gedurende
een termijn van een jaar na het tijdstip waarop de bewoning door de
eigenaar een einde heeft genomen, geen gebruik van hun in het eerste lid
omschreven bevoegdheid, tenzij er gewichtige redenen zijn om niettemin
tot vordering over te gaan. Onder eigenaar wordt in dit lid degene
verstaan, die eigenaar is in de zin van het Burgerlijk Wetboek.
3.Ten aanzien van leegstaande woonruimte die nimmer is bewoond geweest,
maken burgemeester en wethouders gedurende een termijn van een jaar na
het tijdstip waarop de woonruimte voor bewoning is gereedgekomen, geen
gebruik van hun in het eerste lid omschreven bevoegdheid, tenzij er
gewichtige redenen zijn om niettemin tot vordering over te gaan.
Artikel 41
Een vordering als bedoeld in artikel 40, eerste lid, vindt plaats voor
een door burgemeester en wethouders bij hun besluit tot vordering
bepaalde tijdsduur van ten hoogste tien jaar.
Artikel 42
Tegelijkertijd met de bekendmaking van een last tot vordering wordt
daarvan mededeling gedaan door aanplakking van een afschrift op of nabij
de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
vordering betrekking heeft.
Artikel 43
De last bevat ten minste:
a. een omschrijving van de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van
een gebouw waarvan het gebruik wordt gevorderd, en van de ruimten of
voorzieningen op het gebruik waarvan de vordering mede betrekking heeft;
b. de datum waarop de last is gegeven;
c. de termijn waarbinnen aan de vordering moet worden voldaan;
d. de tijdsduur waarvoor gevorderd wordt.
Artikel 44
1.Tegen een besluit tot vordering als bedoeld in artikel 40, eerste lid,
kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Artikel 7:1 en titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht blijven
buiten toepassing.
3.De werking van het in het eerste lid bedoelde besluit wordt opgeschort
totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
op het beroep is beslist.
4.De Afdeling behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de
Algemene wet bestuursrecht en doet uiterlijk acht weken na de dag waarop
het beroepschrift is ontvangen, uitspraak. Blijkt aan de Afdeling dat de
zaak een gewone behandeling vordert, dan doet zij binnen dertien weken
uitspraak.
Artikel 45
1.De eigenaar van een woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een
gebouw, met betrekking waartoe toepassing is gegeven aan artikel 40,
eerste lid, is verplicht het gevorderde binnen de in de last aangegeven
termijn ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen. Voor
zover het gevorderde bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte,
wordt het, tenzij het in de voorafgaande periode eveneens gevorderd was,
leeg aan burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld.
2.Het is een ieder verboden de uitvoering van de vordering van een
woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een gebouw te belemmeren.
Indien de vordering betrekking heeft op een woonwagen of woonschip, is
het een ieder verboden die woonwagen of dat woonschip te verplaatsen.
3.Waar in het vervolg van dit hoofdstuk sprake is van de eigenaar van
een overeenkomstig het eerste lid aan burgemeester en wethouders ter
beschikking gestelde woonruimte of ter beschikking gesteld gebouw of
gedeelte van een gebouw, wordt daaronder verstaan: degene die bevoegd
zou zijn geweest tot het in gebruik geven van die woonruimte, dat gebouw
of gedeelte van een gebouw, indien de vordering niet zou hebben plaats
gevonden.
Artikel 46
1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd aan het gevorderde de
voorzieningen uit te voeren die noodzakelijk zijn met het oog op het
beoogde gebruik ervan als woonruimte.
2.Zij plegen tevoren zo mogelijk overleg met de eigenaar.
Artikel 47
1.Bij hun besluit tot vordering bepalen burgemeester en wethouders de
door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde
vorderingsvergoeding.
2.De vorderingsvergoeding wordt, met inachtneming van de geldende
prijsvoorschriften, vastgesteld op een bedrag dat in het economisch
verkeer redelijk is.
3.Indien aan het gevorderde voorzieningen zijn uitgevoerd als bedoeld in
artikel 46, worden deze bij het vaststellen van de vorderingsvergoeding
buiten beschouwing gelaten.
4.De gemeente vergoedt de eigenaar de kosten die deze redelijkerwijs
heeft moeten maken met het oog op het leeg ter beschikking stellen van
het gevorderde.
Artikel 48
Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, dan wel op een daartoe
strekkend verzoek van de eigenaar het bedrag van de vorderingsvergoeding
wijzigen, teneinde de vergoeding in overeenstemming te brengen met een
voor het in gebruik geven van het gevorderde redelijke prijs. Artikel
47, tweede en derde lid, is met betrekking tot het in de eerste volzin
bedoelde besluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 49
1.Een vordering ten behoeve van een of meer verblijfsgerechtigden als
bedoeld in artikel 60a, onder a, of een of meer woningzoekenden als
bedoeld in artikel 68, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 40,
eerste lid, eerste volzin, betrekking hebben op een bij het
vorderingsbesluit te bepalen aantal woonruimten, gebouwen, niet zijnde
woonruimte, of gedeelten van zodanige gebouwen van dezelfde eigenaar,
dat na het tijdstip waarop de vordering is gedaan, ter beschikking komt.
2.Met betrekking tot een vordering als bedoeld in het eerste lid zijn de
artikelen 40, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en derde lid,
41, 43, aanhef en onder b en d, 44 en 45, eerste lid, tweede volzin,
tweede en derde lid, 46 , 47, tweede tot en met vierde lid, en 48 van
toepassing.
3.Tegelijkertijd met de bekendmaking van de last tot vordering wordt
hiervan mededeling gedaan in een of meer in de gemeente verspreide dag-,
nieuws- of huis-aan-huisbladen.
4.De eigenaar is verplicht elke woonruimte, elk gebouw als bedoeld in
het eerste lid of elk gedeelte daarvan op het tijdstip waarop het ter
beschikking komt, ter beschikking van burgemeester en wethouders te
stellen, totdat het gevorderde aantal is bereikt.
5.Zodra een terbeschikkingstelling als bedoeld in het derde lid heeft
plaatsgevonden, bepalen burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk
de door de gemeente aan de eigenaar maandelijks verschuldigde
vorderingsvergoeding voor het ter beschikking gestelde.
§ 2. Toewijzing
Artikel 50
1.Zo spoedig mogelijk nadat het gevorderde ter beschikking van
burgemeester en wethouders is gekomen, wijzen zij het ter bewoning toe
aan een of meer met name te noemen personen.
2.Bij de toewijzing wijzen burgemeester en wethouders de gebruiker op
zijn verplichting ingevolge artikel 59.
Artikel 51
1.Bij de toepassing van artikel 50, eerste lid, stellen burgemeester en
wethouders de gebruiksvergoeding vast, die de gebruiker voor het enkele
gebruik van de gevorderde woonruimte, het gevorderde gebouw of het
gevorderde gedeelte van een gebouw, met de daarbij behorende onroerende
aanhorigheden, aan de gemeente maandelijks is verschuldigd.
2.De gebruiksvergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen
krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte met betrekking tot de redelijkheid
van huurprijzen is bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, wordt de
gebruiksvergoeding vastgesteld op een bedrag dat in het economisch
verkeer redelijk is.
3.Indien de vordering meer omvat dan het enkele gebruik van de
woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw, met de daarbij
behorende onroerende aanhorigheden, kunnen burgemeester en wethouders
bij hun besluit als bedoeld in het eerste lid tevens bepalen dat de
gebruiker aan de gemeente een aanvullende vergoeding verschuldigd is ter
dekking van de aan dat meerdere verbonden kosten.
4.De artikelen 259 tot en met 262 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
zijn op een aanvullende vergoeding als bedoeld in het derde lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor huurder steeds
gebruiker en voor verhuurder steeds burgemeester en wethouders wordt
gelezen.
5.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de gebruiker het door
deze krachtens het eerste en derde lid verschuldigde bedrag, of een
gedeelte daarvan, maandelijks betaalt aan de eigenaar van het
gevorderde, ter gehele of gedeeltelijke betaling van de geldsommen die
de gemeente krachtens artikel 47, eerste lid, aan de eigenaar
verschuldigd wordt.
6.Tegelijkertijd met de bekendmaking doen burgemeester en wethouders aan
de eigenaar van het gevorderde mededeling van een besluit als bedoeld in
het vijfde lid.
Artikel 52
1.Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, dan wel op daartoe
strekkend verzoek van de gebruiker het bedrag van de gebruiksvergoeding
of van de aanvullende vergoeding wijzigen teneinde die vergoeding in
overeenstemming te brengen met een voor het betrokken gebruik redelijke
prijs.
2.Op een besluit tot wijziging van de gebruiksvergoeding is artikel 51,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Op een besluit tot wijziging
van de aanvullende vergoeding is artikel 51, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.Op een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn het vijfde en zesde
lid van artikel 51 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53
1.De gebruiker is verplicht zich met betrekking tot het gevorderde te
gedragen als ware hij een goed huurder.
2.Indien de eigenaar van het gevorderde schade lijdt, doordat de
gebruiker de ingevolge het eerste lid geldende verplichting niet nakomt,
kan de eigenaar deze schade op de gemeente verhalen. Voor zover de
schade het gevolg is van aan het gevorderde aangebrachte beschadigingen,
kan de gemeente deze schade vergoeden door het ongedaan maken van die
beschadigingen.
3.De gebruiker is gehouden aan de gemeente de kosten te vergoeden die de
gemeente heeft moeten maken voor de vergoeding van schade als bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 54
1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de toewijzing te
beëindigen, indien de gebruiker de gebruiksvergoeding niet of niet
tijdig betaalt of indien de gebruiker de ingevolge artikel 53 geldende
verplichtingen niet nakomt.
2.De gebruiker is verplicht het gevorderde te ontruimen binnen één
maand na de bekendmaking van het besluit tot beëindiging van de
toewijzing.
§ 3. Beëindiging van de vordering
Artikel 55
1.Burgemeester en wethouders beëindigen de vordering:
a. indien tussen de gebruiker en de eigenaar een huurovereenkomst tot
stand komt;
b. indien naar hun oordeel het belang van een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte het voortzetten van de vordering
niet langer noodzakelijk maakt.
2.Burgemeester en wethouders kunnen de vordering op verzoek van de
eigenaar tevens beëindigen, indien de eigenaar het gevorderde zo
dringend voor eigen gebruik - vervreemding niet daaronder begrepen -
nodig heeft, dat bij afweging van zijn belang tegen het belang van een
evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte handhaving van de
vordering redelijkerwijs niet aanvaardbaar is.
3.Burgemeester en wethouders geven niet eerder toepassing aan het eerste
of tweede lid, dan vier weken nadat zij de gebruiker van hun voornemen
daartoe op de hoogte hebben gesteld. Zij stellen de gebruiker in de
gelegenheid zijn zienswijze op het voornemen kenbaar te maken.
Artikel 56
1.Burgemeester en wethouders stellen in hun besluit tot beëindiging van
de vordering het tijdstip vast waarop de vordering eindigt.
2.Bij het bepalen van het tijdstip van beëindiging houden burgemeester
en wethouders rekening met de tijd die de gebruiker redelijkerwijs nodig
heeft om het gevorderde te ontruimen.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 58
1.Behoudens het bepaalde in het derde lid, eindigt de vordering van
rechtswege door het verstrijken van de overeenkomstig artikel 41
vastgestelde tijdsduur.
2.De eigenaar van het gevorderde stelt de gebruiker ten minste drie
maanden voor het verstrijken van de overeenkomstig artikel 41
vastgestelde tijdsduur schriftelijk daarvan op de hoogte.
3.Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in het tweede lid niet
of niet tijdig voor het verstrijken van de daar genoemde tijdsduur is
gedaan, eindigt de vordering met ingang van een door de eigenaar vast te
stellen tijdstip, doch niet eerder dan drie maanden nadat hij dat
tijdstip schriftelijk aan de gebruiker heeft medegedeeld.
Artikel 59
De gebruiker is verplicht het gevorderde onverwijld te ontruimen:
a. zodra de vordering ingevolge het bepaalde in artikel 58 is
geëindigd, tenzij voordien een nieuw besluit tot vordering als bedoeld
in artikel 40 onherroepelijk is geworden;
b. zodra de vordering ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 55,
eerste lid, onder b, of tweede lid, is geëindigd.
Artikel 60
1.Ingeval de vordering wordt beëindigd met toepassing van artikel 55,
eerste lid, onder a, of tweede lid, is de eigenaar gehouden aan de
gemeente de kosten te vergoeden van de overeenkomstig artikel 46
uitgevoerde voorzieningen, voor zover daarin niet reeds door
afschrijving of op andere wijze is voorzien.
2.Ingeval de vordering is geëindigd ingevolge het bepaalde in artikel
58 en voordien niet een nieuw besluit tot vordering als bedoeld in
artikel 40 onherroepelijk is geworden, dan wel ingeval de vordering
wordt beëindigd met toepassing van artikel 55, eerste lid, onder b, is
de gemeente gehouden op verzoek van de eigenaar aan deze de kosten te
vergoeden die hij redelijkerwijs moest maken met het oog op het herstel
in de oude toestand en die hij ook daadwerkelijk heeft gemaakt.
Hoofdstuk V. Bovengemeentelijke voorschriften
§ 1. Voorziening in de huisvesting van bepaalde categorieën
verblijfsgerechtigden
Artikel 60a
Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan
onder:
a. verblijfsgerechtigden: vreemdelingen die in Nederland op grond van
een asielverzoek rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8,
onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000;
b. taakstelling: het aantal in opvangcentra of op gemeentelijke
opvangplaatsen verkerende verblijfsgerechtigden in wier huisvesting per
gemeente per kalenderhalfjaar dient te worden voorzien.
Artikel 60b
1.Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de voorziening in de
huisvesting van verblijfsgerechtigden in de gemeente overeenkomstig de
voor de gemeente geldende taakstelling.
2.Behoudens toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 60c,
eerste lid, geldt als taakstelling de uitkomst van de toepassing van de
formule (a:b) * c, waarin wordt voorgesteld:
- met de letter a:
het aantal inwoners van een gemeente volgens de door het Centraal Bureau
voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van
het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar,
bedoeld bij de letter c, behoort, dan wel het in plaats daarvan op grond
van het derde lid vastgestelde aantal;
- met de letter b:
het aantal inwoners van Nederland volgens de door het Centraal Bureau
voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari van
het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het kalenderhalfjaar,
bedoeld bij de letter c, behoort;
- met de letter c:
het door Onze Minister van Justitie in de Staatscourant bekendgemaakte
totale aantal verblijfsgerechtigden in wier huisvesting in het bij die
bekendmaking aan te geven kalenderhalfjaar naar verwachting zal dienen
te worden voorzien.
3.Gedeputeerde staten van de betrokken provincie of de betrokken
provincies zijn bevoegd het aantal inwoners van een gemeente per 1
januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waartoe het
kalenderhalfjaar, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, behoort,
vast te stellen voor de gemeenten die zijn betrokken bij een wijziging
van de gemeentelijke indeling en waarvoor de datum van herindeling is
gelegen op 1 januari van laatstbedoeld jaar. Bij deze vaststelling wordt
zo veel mogelijk rekening gehouden met de inwonertallen van de
samenstellende delen van de bij een wijziging van de gemeentelijke
indeling betrokken gemeenten. Een vaststelling per 1 januari van het in
de eerste volzin eerstbedoelde jaar wordt vóór 1 oktober van dat jaar
bekendgemaakt in de Staatscourant.
4.De bekendmaking, bedoeld in het tweede lid bij de letter c, geschiedt
ten minste dertien weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarop
zij betrekking heeft.
5.De met toepassing van de formule, bedoeld in het tweede lid, verkregen
uitkomst wordt naar boven afgerond op een geheel getal.
Artikel 60c
Gedeputeerde staten zijn bevoegd taakstellingen die volgen uit de
toepassing van de formule, bedoeld in artikel 60b, tweede lid, te
wijzigen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke
ruimtelijke beleid of volkshuisvestingsbeleid of de samenhang tussen het
door gemeenten gevoerde volkshuisvestingsbeleid dat vordert, met dien
verstande dat de som van de aantallen verblijfsgerechtigden in wier
huisvesting na die wijziging in de betrokken gemeenten te zamen dient te
worden voorzien, niet afwijkt van de som van de aantallen die worden
verkregen met toepassing van de formule, bedoeld in artikel 60b, tweede
lid.
Artikel 60d [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 60e
1.Indien burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk nalaten
uitvoering te geven aan de verplichting, bedoeld in artikel 60b, eerste
lid, voorzien gedeputeerde staten in de uitvoering namens burgemeester
en wethouders en ten laste van de gemeente.
2.Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen gedeputeerde
staten overleg met burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente
en stellen zij burgemeester en wethouders een termijn, waarbinnen zij
alsnog zelf in de uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel
60b, eerste lid, kunnen voorzien, tenzij de geboden spoed zich daartegen
verzet. De termijn, bedoeld in de eerste volzin, bedraagt ten hoogste
zes maanden gerekend vanaf het einde van het kalenderhalfjaar waarop die
verplichting van toepassing was.
3.Indien gedeputeerde staten geheel of gedeeltelijk nalaten uitvoering
te geven aan de verplichting, bedoeld in artikel 60b, eerste lid,
voorziet Onze Minister in de uitvoering van die verplichting namens
gedeputeerde staten en ten laste van de provincie.
4.Alvorens toepassing te geven aan het derde lid pleegt Onze Minister
overleg met gedeputeerde staten en stelt hij gedeputeerde staten een
termijn, waarbinnen zij alsnog in de uitvoering van die verplichting
kunnen voorzien, tenzij de geboden spoed zich daartegen verzet. Het
tweede lid is niet van toepassing.
Artikel 60f
1.Burgemeester en wethouders brengen binnen vier weken na afloop van het
kalenderhalfjaar aan gedeputeerde staten verslag uit over de voortgang
van de uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 60b, eerste
lid, met toezending van een afschrift van dat verslag aan Onze Minister
van Justitie. Burgemeester en wethouders verstrekken daarbij tevens
inzicht in de maatregelen die worden voorbereid of zijn genomen teneinde
geheel uitvoering te geven aan de bedoelde verplichting.
2.Gedeputeerde staten brengen binnen acht weken na afloop van het
kalenderhalfjaar aan Onze Minister gemotiveerd verslag uit over het al
dan niet toepassen van artikel 60c of artikel 60e, eerste en tweede lid,
met toezending van een afschrift van dat verslag aan Onze Minister van
Justitie.
Artikel 60g
1.Het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van
de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten
Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en
Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, treedt voor de
toepassing van de artikelen 60c, 60e en 60f in de plaats van
gedeputeerde staten.
2.De artikelen 116 en 117 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn
niet van toepassing.
§ 2. Provinciale beleidsregels en aanwijzingen
Artikel 61
Provinciale staten kunnen, voor zover de verwezenlijking van het
bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of het gebrek aan samenhang tussen
het door de gemeenten gevoerde huisvestingsbeleid dat vordert,
beleidsregels vaststellen met betrekking tot de in de hoofdstukken I, II
en III geregelde onderwerpen.
Artikel 62
Bij de voorbereiding van een beleidsregel als bedoeld in artikel 61
plegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de gemeenten
waarop de beleidsregel betrekking heeft.
Artikel 63
Tegelijkertijd met de bekendmaking van een beleidsregel doen
gedeputeerde staten daarvan mededeling aan Onze Minister.
Artikel 64
1.Voor zover zulks ter verwezenlijking van een beleidsregel noodzakelijk
is, kunnen gedeputeerde staten de gemeenteraad respectievelijk het
college van burgemeester en wethouders waarop de beleidsregel betrekking
heeft, een aanwijzing geven.
2.Alvorens een aanwijzing te geven plegen gedeputeerde staten overleg
met burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.
Artikel 65
Tegelijkertijd met de bekendmaking van een aanwijzing doen gedeputeerde
staten daarvan mededeling aan provinciale staten en aan Onze Minister.
Artikel 66
De gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en
wethouders is verplicht aan een aanwijzing gevolg te geven.
§ 3. Ministeriële aanwijzingen
Artikel 67
Indien in een gemeente bij het in gebruik geven van in die gemeente
gelegen woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs naar het
oordeel van Onze Minister met het oog op een evenwichtige en
rechtvaardige verdeling van woonruimte in onvoldoende mate voorrang
wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het
bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen, kan hij het bestuur van
die gemeente, zo nodig in afwijking van een beleidsregel als bedoeld in
artikel 61, een aanwijzing geven met betrekking tot de in de
hoofdstukken I, II en III geregelde onderwerpen.
Artikel 68
1.Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van woningzoekenden
worden aangewezen, wier huisvesting bijzondere zorg van rijkswege
behoeft.
2.Voor zover zulks met het oog op de huisvesting van een of meer
personen, behorende tot een krachtens het eerste lid aangewezen
categorie, noodzakelijk is, kan Onze Minister aan burgemeester en
wethouders van een gemeente een aanwijzing geven met betrekking tot de
voorziening in de huisvesting van die persoon of personen.
3.Onze Minister stelt een regeling als bedoeld in het eerste lid slechts
vast, indien omstandigheden van bijzondere aard daartoe naar zijn
oordeel aanleiding geven. De regeling geldt voor een daarbij aangegeven
periode van ten hoogste twee jaar.
Artikel 69
Alvorens een aanwijzing te geven pleegt Onze Minister overleg met
burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. Indien een
aanwijzing als bedoeld in artikel 67 afwijkt van een beleidsregel als
bedoeld in artikel 61, pleegt hij tevens vooraf overleg met gedeputeerde
staten van de betrokken provincie.
Artikel 70
De gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en
wethouders is verplicht aan een aanwijzing gevolg te geven.
Hoofdstuk VI. Beroep
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 72
1. Binnen zes weken na verzending van een besluit tot vaststelling van
een gebruiksvergoeding als bedoeld in artikel 51, eerste lid, of tot
wijziging van de gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 52, kan degene
aan wie de woonruimte in gebruik is gegeven, een uitspraak over de
redelijkheid van dat besluit vragen aan de huurcommissie, bedoeld in
artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk
ingediend. Onze Minister bepaalt aan welke voorwaarden het verzoek moet
voldoen en welke gegevens daarbij moeten worden verstrekt of overgelegd.
3. De huurcommissie doet binnen vier maanden na ontvangst van het
verzoek bedoeld in het eerste lid, schriftelijk uitspraak. Zij kan deze
termijn met ten hoogste twee maanden verlengen. Zij stelt partijen van
de duur van de verlenging in kennis.
4. De uitspraak van de huurcommissie is met redenen omkleed. De
huurcommissie vermeldt in haar uitspraak de gebruiksvergoeding die zij
redelijk acht.
5. De huurcommissie zendt bij aangetekend schrijven een afschrift van
haar uitspraak aan de verzoeker en aan burgemeester en wethouders. Zij
wijst daarbij op de in artikel 74, eerste lid, bedoelde mogelijkheid om
de kantonrechter te verzoeken de gebruiksvergoeding vast te stellen,
alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht moeten worden
genomen.
Artikel 73
1.Indien noch de gebruiker, noch het college van burgemeester en
wethouders binnen twee maanden na verzending van het in artikel 72,
vijfde lid, bedoelde afschrift een verzoek richt tot de kantonrechter,
overeenkomstig artikel 74, eerste lid, geldt als gebruiksvergoeding de
vergoeding die de huurcommissie blijkens haar uitspraak redelijk acht.
2.Een ingevolge het eerste lid verschuldigde gebruiksvergoeding mag in
rekening worden gebracht met ingang van de datum die was vermeld in het
besluit van burgemeester en wethouders tot vaststelling of tot wijziging
van de gebruiksvergoeding, of, indien de huurcommissie in haar uitspraak
een latere datum heeft vermeld, met ingang van die latere datum.
Artikel 74
1.Gedurende twee maanden na verzending van een uitspraak van de
huurcommissie als bedoeld in artikel 72, eerste lid, kunnen de gebruiker
en burgemeester en wethouders de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de woonruimte is gelegen, schriftelijk en met
redenen omkleed verzoeken de gebruiksvergoeding vast te stellen. Indien
het verzoek niet met redenen is omkleed, stelt de kantonrechter de
verzoeker in de gelegenheid het verzuim binnen een door hem te bepalen
termijn te herstellen.
2.Een afschrift van de uitspraak van de huurcommissie, bedoeld in het
eerste lid, wordt bij het verzoek gevoegd.
3.De kantonrechter beschikt op het verzoek met inachtneming van het
bepaalde in artikel 51, tweede lid.
4.De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. De griffier zendt
een afschrift van de beschikking aan de huurcommissie.
5.Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie
open, met uitzondering van cassatie in het belang van de wet.
6.Artikel 73, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de door
de kantonrechter vastgestelde gebruiksvergoeding.
Hoofdstuk VII. Toezicht
Artikel 75
1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders
aangewezen ambtenaren.
2.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn tevens belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 77
De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
Artikel 78
1.Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren.
2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip
waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden
verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij
gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen
§ 1. Verslaglegging
Artikel 79
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de toegelaten instellingen
als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet, die eigenaar
zijn van in de gemeente gelegen woonruimten, alsmede andere eigenaren
van in de gemeente gelegen woonruimten, aan hen verslag uitbrengen over
de huisvesting in die woonruimten van personen, behorende tot daarbij
aangegeven categorieën van woningzoekenden die door andere
omstandigheden dan hun inkomen moeilijkheden ondervinden bij het vinden
van hun passende huisvesting.
Artikel 80
1.Onze Minister zendt telkens om de vijf jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de wijze waarop deze wet is toegepast.
2.In afwijking van het eerste lid zendt Onze Minister binnen twee jaar
na de inwerkingtreding van de artikelen 60a tot en met 60g aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
die artikelen in de praktijk.
§ 2. Overige bepalingen
Artikel 81
Een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens deze wet,
treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte
van het Staatsblad, waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt
onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 82 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 83
1.Een gedraging in strijd met een voorschrift, verbonden aan een
vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, of 33, is verboden.
2.Het is verboden een afschrift van een last die overeenkomstig artikel
42 is aangeplakt, te verwijderen of onleesbaar te maken.
Hoofdstuk IX. Strafbepalingen
Artikel 84
1. Hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
45, 49, vierde lid, of 59, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
8, 17, 18, 33 of 83 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier
maanden of geldboete van de derde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 85
Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de
bij of krachtens artikel 75 aangewezen ambtenaren, voor zover zij tevens
buitengewoon opsporingsambtenaar zijn. Deze ambtenaren zijn tevens
belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen
179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover
deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling,
gedaan of ondernomen door henzelf.
Artikel 85a
1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de artikelen
7, eerste en tweede lid, en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders
zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
2. De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:
a. € 18 500 voor overtreding van de artikelen 7, tweede lid, en 30,
eerste lid, en
b. € 340 voor overtreding van artikel 7, eerste lid.
3. De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de
bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden
opgelegd.
4. In afwijking van het eerste en derde lid treedt het algemeen bestuur
van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de
plaats van de gemeenteraad.
Hoofdstuk X. Wijziging van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 86
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk XI. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 87
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk XII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 88
De gemeenteraad stelt geen regels die leiden tot een algeheel verbod van
het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats.
Artikel 89
1.De Woonruimtewet 1947 (Stb. H 291) wordt ingetrokken. In de Woningwet
1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en met 56i.
2.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
3.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
4.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
5.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
6.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 90
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 91
1.Artikel 4, tweede lid, tweede volzin, is niet van toepassing op
overeenkomsten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover zij zijn
totstandgekomen voor het tijdstip van in werking treden van de
desbetreffende bepaling. Uiterlijk drie maanden na dat tijdstip
verstrekken burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad een overzicht
van voor de gemeente verbindende overeenkomsten waarop het bepaalde in
de vorige volzin van toepassing is, en van de wijze waarop zij
voornemens zijn te bevorderen dat die overeenkomsten worden aangevuld
met een bepaling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, tweede volzin.
2.Een vergunning, voor het tijdstip van in werking treden van hoofdstuk
II van deze wet verleend op grond van artikel 1, eerste lid, van de
Woonruimtewet 1947 (Stb. H 291), wordt gelijkgesteld met een
huisvestingsvergunning.
3.Een woonruimte of gebouw of gedeelte daarvan, op het tijdstip van in
werking treden van hoofdstuk IV van deze wet gevorderd op grond van
artikel 7, eerste lid, van de Woonruimtewet 1947 (Stb. H 291), wordt
gelijkgesteld met een woonruimte of gebouw of gedeelte daarvan,
gevorderd op grond van artikel 40, met dien verstande dat in plaats van
de artikelen 46 tot en met 51 de artikelen 13 en 14 van de Woonruimtewet
1947 (Stb. H 291) van toepassing blijven. Een vordering als bedoeld in
de eerste volzin, die voor onbepaalde tijd is gedaan, wordt
gelijkgesteld met een vordering, gedaan op het tijdstip van in werking
treden van hoofdstuk IV van deze wet voor een tijdsduur van tien jaar.
Een vordering als bedoeld in de eerste volzin, die voor bepaalde tijd is
gedaan, eindigt op het tijdstip dat in het besluit tot vordering is
bepaald.
4.Een vergunning, voor het tijdstip van in werking treden van hoofdstuk
III van deze wet verleend krachtens artikel 56 of 56a van de Woningwet
1962 (Stb. 1964, 222), wordt voor zover nodig gelijkgesteld met een
vergunning, verleend ingevolge artikel 30, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 33.
5.Aanvragen om vergunning, ingediend voor het in werking treden van de
desbetreffende hoofdstukken van deze wet, worden voor zover nodig
behandeld volgens het voordien geldende recht.
6.Artikel 86 is niet van toepassing op woningen en gebouwen waarvan de
wederrechtelijke ingebruikneming heeft plaatsgevonden voor het tijdstip
waarop dat artikel in werking treedt.
7.In hetgeen overigens met het oog op het in werking treden van deze wet
regeling behoeft, wordt voorzien bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 92
1.De verschillende bepalingen van deze wet of onderdelen daarvan treden
in werking op bij koninklijk besluit te bepalen tijdstippen.
2.Deze wet kan worden aangehaald als: Huisvestingswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 1 oktober 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de twintigste oktober 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij artikel 2, derde lid,
artikel 5, artikel 26 en artikel 82 van de Huisvestingswet
|
Regionaal
woonwagencentrum |
Gemeenten
betrokken bij de afbouw of sanering van het regionale
woonwagencentrum |
|
DE HAERE, gelegen in Apeldoorn |
APELDOORN |
| |
BRUMMEN |
| |
EPE |
| |
HATTEM |
| |
HEERDE |
| |
VOORST |
|
VLIJMENSEWEG, gelegen in Den
Bosch |
DEN BOSCH |
|
ESCAMPLAAN, LEIJWEG |
|
|
beide gelegen in Den Haag |
DEN HAAG |
| |
LEIDSCHENDAM |
| |
RIJSWIJK |
| |
ZOETERMEER |
|
WIELDRECHTSE ZEEDIJK, gelegen
in Dordrecht |
DORDRECHT |
|
WINTERWEG, gelegen in Enschede |
ENSCHEDE |
|
DE KRING, gelegen in Groningen |
GRONINGEN |
|
DE WAARDERVELDWEG, gelegen in
Haarlem |
HAARLEM |
|
DE EGELSHOEK, gelegen in
Hilversum |
HILVERSUM |
| |
's-GRAVELAND |
| |
HUIZEN |
| |
LAREN |
| |
LOOSDRECHT |
| |
MUIDEN |
| |
NAARDEN |
| |
NEDERHORST DEN BERG |
|
DE RAPE, gelegen in Hulst |
HULST |
| |
AXEL |
| |
OOSTBURG |
| |
SAS VAN GENT |
| |
SLUIS-AARDENBURG |
| |
TERNEUZEN |
|
TREKVAARTPLEIN, gelegen in
Leiden |
LEIDEN |
| |
HILLEGOM |
| |
KATWIJK |
| |
LEIDERDORP |
| |
LISSE |
| |
NOORDWIJK |
| |
OEGSTGEEST |
| |
RIJNSBURG |
| |
VOORSCHOTEN |
|
DE VINKENSLAG, gelegen in
Maastricht |
MAASTRICHT |
|
TEERSDIJK, gelegen in Nijmegen |
NIJMEGEN |
| |
BEMMEL |
| |
BEUNINGEN |
| |
GENDT |
| |
GROESBEEK |
| |
HEUMEN |
| |
MILLINGEN AAN DE RIJN |
| |
MOOK EN MIDDELAAR |
| |
UBBERGEN |
| |
VALBURG |
| |
WIJCHEN |
|
TUDDERENDERWEG, gelegen in
Sittard |
SITTARD |
| |
BEEK |
| |
BORN |
| |
GELEEN |
| |
SCHINNEN |
| |
STEIN |
| |
SUSTEREN |
|
OUDE PONTWEG, gelegen in Velsen |
VELSEN |
|
BEUKBERGEN, gelegen in Zeist |
ZEIST |
| |
DE BILT |
| |
DRIEBERGEN |
| |
MAARN |
| |
WIJK BIJ DUURSTEDE |
|