Nadere regelgeving:
- Beschikking Uitvoerregime
Koolzaad, Raapzaad en Zonnebloemzaad 1982 (vervallen)
- Besluit afgifte oorsprongsverklaringen 1976 (vervallen)
- Besluit afgifte verklaringen strategische goederen
(vervallen)
- Besluit registratie invoer bepaalde soorten moeren
(vervallen)
- Heffingsbeschikking invoer agrarische alcohol 1984
(vervallen)
- In- en uitvoerbesluit industriële goederen 1963 (vervallen)
- In- en uitvoerbesluit
landbouwgoederen 1980 (vervallen)
- In- en uitvoerbesluit strategische goederen
(vervallen)
- In- en uitvoerbesluit tabak 1982 (vervallen)
- Invoerbesluit actieve veredelingsprodukten (vervallen)
- Invoerbesluit landbouwprodukten derde landen 1987 (vervallen)
- Invoerbesluit landen 1981
(vervallen)
- Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren In- en uitvoerwet
(vervallen)
- Regeling actief veredelingsverkeer landbouwgoederen 1986 (vervallen)
- Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen
(vervallen)
- Regeling passief veredelingsverkeer landbouwgoederen (vervallen)
- Regeling strafbaarstelling ongeoorloofde overdracht programmatuur
en technologie van strategische goederen door middel van
elektronische media, faxapparaten of telefoon
(vervallen)
- Regeling strafbaarstelling ongeoorloofde uitvoer producten en technologie
voor tweeërlei gebruik (vervallen)
- Uitvoeringsbesluit artikel 19 In- en
uitvoerwet (1) (vervallen)
- Uitvoeringsbesluit artikel 19 In- en uitvoerwet (2)
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling Verordeningen (EG) nr. 1236/2005 en 953/2003
inzake in- en uitvoer van goederen (vervallen)
- Voorzieningenregeling strategische goederen krachtens artikel 7
In- en uitvoerwet (vervallen)
- Vrijstellingsbeschikking klein grensverkeer landbouwgoederen 1981
(vervallen)
WET van 5 juli 1962, houdende een
regeling op het gebied van de invoer en de uitvoer van goederen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter
vervanging van bestaande wettelijke regelingen, een regeling op het
gebied van de invoer en de uitvoer van goederen vast te stellen in het
belang van de volkshuishouding, van de inwendige en uitwendige
veiligheid des lands en van de internationale rechtsorde, mede in
verband met daarop betrekking hebbende internationale afspraken of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
2, tweede lid, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen
verstaan onder:
goederen: roerende lichamelijke zaken, met uitzondering van
binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen;
Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot
vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302);
communautaire goederen: goederen die voldoen aan de voorwaarden van
artikel 4, onderdeel 7, van het Communautair douanewetboek;
invoer van goederen: de plaatsing van goederen onder enige
douaneregeling als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder a, d
en f, van het Communautair douanewetboek, alsmede iedere
handeling die daarop kennelijk rechtstreeks is gericht;
uitvoer van goederen: de plaatsing van communautaire goederen onder
een douaneregeling als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder c,
g en h, van het Communautair douanewetboek, alsmede iedere
handeling die daarop kennelijk rechtstreeks is gericht;
College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66,
vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
2. De artikelen van deze wet die betrekking hebben op goederen
hebben mede betrekking op programmatuur, op technologie en op andere
producten dan goederen, voor zover deze verband houden met goederen die
worden aangemerkt als strategische goederen in een krachtens deze wet
vastgesteld invoer- of uitvoerbesluit onderscheidenlijk een krachtens
artikel 2, vierde lid, of 7, eerste lid, vastgestelde ministeriële
regeling.
3. Deze wet verstaat onder internationale afspraak mede een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
4. Voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet ter zake
van invoer gestelde regelen worden goederen als bedoeld in de artikelen
202, eerste lid, en 203, eerste lid, alsmede goederen met betrekking tot
welke niet is voldaan aan enige verplichting of voorwaarde als bedoeld
in artikel 204, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, geacht
te zijn geplaatst onder de douaneregeling, bedoeld in artikel 4,
onderdeel 16, onder a, van dat wetboek.
Artikel 2
1. Indien het belang van de volkshuishouding, van de inwendige
of uitwendige veiligheid des lands of van de internationale rechtsorde
op zichzelf, dan wel een daarop betrekking hebbende internationale
afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij algemene maatregel
van bestuur, in deze wet verder genoemd invoerbesluit,
onderscheidenlijk uitvoerbesluit, regelen worden gesteld ten aanzien
van:
a. de invoer of de uitvoer van daarbij aangewezen goederen,
b. de invoer of de uitvoer van goederen, die bestemd zijn voor, of
van herkomst of oorsprong zijn uit daarbij aangewezen landen, dan wel
een onbekende bestemming, herkomst of oorsprong hebben, of
c. de invoer of de uitvoer van goederen, die op een daarbij
aangegeven wijze worden betaald.
2. In een invoer- of uitvoerbesluit kan worden bepaald dat bij of
krachtens dat besluit ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen
gestelde regelen slechts gelden met betrekking tot een of meer daarbij
aangewezen bestemmingen onderscheidenlijk gevallen als bedoeld in de in
artikel 1 opgenomen definitie van invoer onderscheidenlijk uitvoer van
goederen. Daarbij kan tevens worden bepaald, dat voor de toepassing van
die regelen en de daarop berustende bepalingen de definitie van invoer
onderscheidenlijk uitvoer slechts betrekking heeft op de aangewezen
bestemmingen onderscheidenlijk gevallen.
3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onder meer
inhouden:
a. een verbod van invoer, onderscheidenlijk uitvoer, zonder
vergunning van Onze bij het besluit aangewezen Minister;
b. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de
bevoegdheid tot het vaststellen van rechten bij invoer, andere dan
douanerechten, dan wel rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 1,
tweede, onderscheidenlijk derde lid, van de Douanewet, alsmede van
restituties of bijdragen, door hem op aanvrage te verlenen ter zake
van de invoer, dan wel de uitvoer van goederen;
c. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de
bevoegdheid van bij of krachtens het besluit gestelde regelen
vrijstelling en, op aanvrage, ontheffing te verlenen;
d. al hetgeen naar Ons oordeel overigens is vereist ter voldoening
aan een internationale afspraak als in het eerste lid bedoeld.
4. Indien de regelen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid,
uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien
uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties kan Onze Minister van Economische Zaken dan wel Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wat betreft
verplichtingen op zijn terrein, in overeenstemming met Onze Minister wie
het mede aangaat deze regelen vaststellen.
Artikel 2a
1. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of
internationale afspraak, ten behoeve waarvan in een invoer- of
uitvoerbesluit ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen
regelen worden gesteld, zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen die
regelen in dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard
op andere handelingen, welke worden verricht met betrekking tot
zodanige goederen, voor zover het, in de zin van het Communautair
douanewetboek, betreft:
a. goederen die op regelmatige wijze zijn aangebracht en aangegeven
of op regelmatige wijze zijn aangebracht onder geleide van een
document voor communautair douanevervoer en die nog niet zijn
vrijgegeven voor een van de douanebestemmingen als bedoeld in artikel
4, onderdeel 16, onder a, d of f, van het Communautair
douanewetboek;
b. communautaire goederen die zijn aangegeven voor de
douaneregeling uitvoer dan wel niet-communautaire goederen waarvoor
een aangifte tot wederuitvoer is gedaan.
Ter zake van die toepassing kunnen bij of krachtens het besluit
nadere regelen worden gesteld.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde toepassing van de in een
invoer- of uitvoerbesluit gestelde regelen worden onder krachtens dat
lid aangewezen handelingen mede verstaan handelingen, die kennelijk
rechtstreeks zijn gericht op het bewerkstelligen van een of meer van die
handelingen.
3. Indien het belang van de internationale rechtsorde of een
daarop betrekking hebbende internationale afspraak, ten behoeve waarvan
in een uitvoerbesluit ten aanzien van de uitvoer van goederen regelen
worden gesteld, zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen die regelen in
dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het doen
uitgaan van zodanige goederen uit Nederland met als bestemming een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen. Het eerste lid, tweede
volzin, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de in artikel 2, vierde lid, bedoelde
regelen.
5. Met betrekking tot goederen:
a. ten aanzien van welker uitvoer in een invoer- of uitvoerbesluit
regelen worden gesteld,
b. die behoren tot een in dat besluit aangegeven categorie van
strategische goederen en
c. waarvoor op grond van het bij of krachtens dit artikel bepaalde
geen verbod op de wederuitvoer zonder vergunning van Onze Minister van
Economische Zaken geldt,
kan Onze voornoemde minister, indien het belang van de internationale
rechtsorde of een daarop betrekking hebbende internationale afspraak
of van de uitwendige veiligheid van het land dat vereist, bij
beschikking bepalen dat het doen uitgaan van die goederen uit
Nederland zonder vergunning is verboden.
6. Voor zover dit strekt tot uitvoering van verdragen of van
bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, kan Onze Minister
van Economische Zaken regelen stellen ten aanzien van de uitvoer en de
wederuitvoer van goederen waarvoor geen verbod op de uitvoer zonder
vergunning van Onze Minister van Economische Zaken geldt op grond van
een uitvoerbesluit of een regeling als bedoeld in artikel 2, vierde lid,
of 7, eerste lid.
Artikel 2b
1. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of
internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld ten aanzien van
in het internationaal handelsverkeer omtrent goederen te bezigen
verklaringen, of kan bij algemene maatregel van bestuur aan Onze
daarbij aangewezen Ministers de bevoegdheid worden toegekend te dien
aanzien regelen te stellen een en ander onverminderd het in artikel 2
bepaalde. Bij of krachtens zodanige maatregel kan het orgaan worden
aangewezen, dat met het verstrekken van dergelijke verklaringen is
belast. Bij zodanige aanwijzing kan van het aangewezen orgaan de
medewerking worden gevorderd.
2. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of
internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld met betrekking tot
het doen van kennisgevingen in verband met het doen uitgaan van de
goederen, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid.
3. Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2c
1. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een invoer- of uitvoerbesluit of een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 2b wordt Ons gedaan door Onze Minister
van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister wie het
mede aangaat.
2. Een invoer- of uitvoerbesluit, zomede een besluit tot
wijziging of intrekking daarvan, treedt niet eerder in werking dan twee
maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het
wordt geplaatst.
3. Met betrekking tot een op grond van het belang van de
internationale rechtsorde op zichzelf, dan wel op grond van een daarop
betrekking hebbende internationale afspraak, anders dan ter voldoening
aan een verplichting die voortvloeit uit een verdrag of uit een bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vastgesteld invoer- of
uitvoerbesluit, waarin regelen worden gesteld ten aanzien van daarbij
aangewezen landen, zomede met betrekking tot een besluit tot intrekking
of wijziging daarvan, is het bepaalde in het vierde en vijfde lid van
toepassing.
4. Met betrekking tot een invoer- of uitvoerbesluit als bedoeld
in het derde lid kan, binnen één maand na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin het betrokken besluit wordt geplaatst, door
of namens één der Kamers der Staten-Generaal of door ten minste een
vijfde van één dier Kamers de wens te kennen worden gegeven, dat het
betrokken besluit bij de wet zal worden bekrachtigd. Indien zodanige
wens te kennen is gegeven, wordt zo spoedig mogelijk een desbetreffend
voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.
5. Indien een overeenkomstig het vierde lid ingediend wetsontwerp
door één der beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt
het desbetreffende besluit onverwijld ingetrokken.
6. Een invoer- of uitvoerbesluit vervalt, behoudens eerdere
intrekking, drie jaren na het in werking treden, tenzij bij nadere wet
anders wordt bepaald.
Artikel 3
Onze Minister van Economische Zaken kan in overeenstemming met Onze
Minister wie het mede aangaat regelen stellen ten aanzien van de
overdracht van programmatuur en technologie door middel van
elektronische media, faxapparaten of telefoon naar een bestemming buiten
de Europese Gemeenschappen. De artikelen 2, eerste, tweede en derde lid,
onder a en d, 2a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2b, 4, eerste en
tweede lid, 5, 9, eerste lid, 10, 10a, en 12b zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4
1. Bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit kunnen ter
verzekering van een goede toepassing van hetgeen op grond van artikel
2 of 2a bij of krachtens dat besluit wordt bepaald regelen
worden gesteld:
a. met betrekking tot het bij of in verband met de invoer of
uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a,
eerste of derde lid, doen van aangifte of van andere kennisgevingen;
b. met betrekking tot het bij of in verband met de invoer of
uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a,
eerste of derde lid, verstrekken van gegevens en overleggen van
bewijsstukken;
c. met het oog op het in verband met de invoer of uitvoer van
goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste
of derde lid, nemen van monsters en onderzoeken van die goederen;
d. met het oog op het in verband met de invoer of uitvoer van
goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste
of derde lid, op die goederen uit te oefenen toezicht;
e. met betrekking tot het in de uitoefening van een beroep of
bedrijf aantekening houden van de invoer of uitvoer van goederen of
gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid,
alsmede van de vervaardiging, de be- of verwerking, het bewaren dan
wel het aan derden afleveren van ingevoerde of uitgevoerde goederen,
en het bewaren van de desbetreffende aantekeningen en bescheiden.
2. Bij of krachtens een dergelijk besluit kan voorts worden
bepaald, dat ter zake van het aanvragen en ter zake van het verkrijgen
van een vergunning, een restitutie, een bijdrage of een ontheffing bij
dat besluit vastgestelde bedragen moeten worden betaald, en kunnen
regelen worden gesteld betreffende het tijdstip en de wijze van
betaling.
3. Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1. De vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder
beperkingen worden verleend. Aan de vergunningen, vrijstellingen en
ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Deze voorschriften kunnen inhouden al hetgeen is vereist ter
voldoening aan een internationale afspraak als in artikel 2, eerste lid,
bedoeld.
3. De voorschriften, verbonden aan op invoer van goederen
betrekking hebbende vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen, kunnen
de verplichting inhouden:
a. die goederen te leveren aan bij die voorschriften aangewezen
afnemers of aan afnemers, behorende tot een daarbij aangewezen groep;
b. die goederen of de daaruit of met behulp daarvan verkregen
goederen, indien die voorschriften tot uitvoer daarvan verplichten,
niet uit te voeren naar in die voorschriften aangewezen landen.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen, verleend ter zake van
gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid.
Artikel 5a
Indien bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit, dan wel bij
een regeling op grond van artikel 2, vierde lid, of artikel 7, eerste
lid, restituties of bijdragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder
b, worden vastgesteld, worden bij of krachtens dat besluit,
onderscheidenlijk bij die regeling, tevens regelen gesteld met
betrekking tot:
a. de gevallen waarin aanspraak kan worden gemaakt op een
restitutie of bijdrage, de grondslagen waarnaar de berekening van de
uit te keren bedragen plaatsvindt en de tarieven van de restituties
of bijdragen;
b. de aanspraak op en de voldoening van de toegekende bedragen.
Artikel 5b [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 6
De verlening van een restitutie of bijdrage geschiedt schriftelijk.
Artikel 7
1. Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met
Onze Minister wie het mede aangaat, kan, wanneer hij overweegt een
voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een invoer-
of uitvoerbesluit te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden
een onmiddellijke voorziening eist, bij ministeriële regeling
overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen en in
het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen.
2. De artikelen 2, tweede en derde lid, 2a, eerste tot en met
derde lid, 4, eerste en tweede lid, 5, 5a en 6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8
Een regeling op grond van artikel 7, eerste lid, blijft, behoudens
eerdere intrekking, van kracht, totdat een krachtens artikel 2, eerste
lid, getroffen maatregel, welke hetzelfde onderwerp betreft, in werking
treedt doch uiterlijk tot tien maanden na het in werking treden van de
regeling.
Artikel 9
1. Onze betrokken Minister kan een vergunning, een restitutie,
een bijdrage of een ontheffing intrekken, indien de te harer
verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken,
dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de
beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren
geweest.
2. Een bijdrage of een restitutie welke is verleend in het kader
van de uitvoering van een regeling, vastgesteld door een orgaan van de
Europese Gemeenschappen, kan eveneens worden ingetrokken indien
ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig
orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie of bijdrage.
Artikel 10
1. Onze betrokken Minister kan de vergunningen en ontheffingen,
behorende tot een door hem aangewezen groep, gezamenlijk intrekken,
indien een gewichtige reden dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
2. De bekendmaking van een krachtens het eerste lid vastgesteld
besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 10a
Indien ter uitvoering van regelen, die mede op grond van artikel 2,
derde lid, onder d, zijn gesteld, Onze bij die regelen aangewezen
Minister nadere regelen stelt, zijn ten aanzien van rechten en
aanspraken te verlenen krachtens die regelen, de artikelen 4, eerste en
tweede lid, 5, 6, 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. Onze betrokken Minister kan bevoegdheden, welke hem
ingevolge het bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit, een
algemene maatregel van bestuur als in artikel 2b bedoeld of een
krachtens artikel 2, vierde lid, 2b, derde lid, 4, derde lid,
of 7 vastgestelde ministeriële regeling bepaalde, dan wel
ingevolge artikel 9 toekomen, delegeren aan het bestuur van een
bedrijfslichaam of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als
bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie. De vorige
volzin geldt niet, voor zover de toepasselijkheid daarvan bij het
invoer- of uitvoerbesluit, bij de betrokken maatregel,
onderscheidenlijk bij de krachtens artikel 2, vierde lid, 2b, derde
lid, 4, derde lid, of 7 vastgestelde ministeriële regeling, is
uitgesloten. Onze Minister van Economische Zaken kan aan een delegatie
op grond van de eerste volzin beperkingen verbinden.
2. Besluiten van algemene strekking, vastgesteld met
gebruikmaking van een gedelegeerde bevoegdheid, behoeven de goedkeuring
van Onze betrokken Minister. Goedkeuring kan slechts worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Besluiten zonder algemene gelding, tot het nemen waarvan de
bevoegdheid is gedelegeerd, kunnen worden genomen ten aanzien van een
ieder.
4. De bekendmaking van een krachtens het eerste lid vastgesteld
besluit of van een besluit tot wijziging of intrekking daarvan,
geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
5. De besturen van de in het eerste lid bedoelde lichamen stellen
jaarlijks een begroting en een jaarrekening op met betrekking tot de
werkzaamheden voortvloeiend uit de gedelegeerde bevoegdheden, bedoeld in
het eerste lid. De begroting en de jaarrekening behoeven de goedkeuring
van Onze betrokken Minister. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen terzake nadere voorschriften worden gesteld.
Artikel 12 [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 12a [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 12b
1. Indien dit ingevolge een besluit,
vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, wordt
vereist om te kunnen beoordelen of ten aanzien van de invoer of uitvoer
van goederen maatregelen moeten worden getroffen, kan Onze Minister van
Economische Zaken bij door hem aangewezen ondernemers onderzoekingen
doen verrichten.
2. Deze onderzoekingen kunnen uitsluitend worden gericht op het
verzamelen van die gegevens, welker verkrijging naar het oordeel van
Onze Minister van Economische Zaken noodzakelijk is om te voldoen aan
hetgeen wordt vereist ingevolge een besluit als in het eerste lid
bedoeld.
3. Voor het verrichten van onderzoekingen als in het eerste lid
bedoeld geeft Onze Minister van Economische Zaken voor ieder
afzonderlijk geval schriftelijk opdracht. In zodanige opdracht worden de
daarmede belaste ambtenaren en de te verkrijgen gegevens vermeld.
4. Ten aanzien van de ambtenaren, bedoeld in het derde lid, zijn
de artikelen 5:12, 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Zo nodig oefenen zij
de in artikel 5:17 van die wet bedoelde bevoegdheid uit met behulp van
de sterke arm.
5. Onze Minister van Economische Zaken oefent de hem in dit
artikel toegekende bevoegdheden niet uit dan in overeenstemming met Onze
Ministers, wie het mede aangaat.
Artikel 13
1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de beschikking van
Onze Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid,
of de beschikking, genomen krachtens artikel 2a, zesde lid, voor zover
de in dat lid bedoelde regelen de bevoegdheid van Onze Minister van
Economische Zaken omvatten om bij beschikking te bepalen dat de uitvoer
van de in dat lid bedoelde goederen zonder vergunning verboden is,
beschouwd als een beslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene
wet bestuursrecht inzake de procedure ter voorbereiding van de
beslissing op de aanvraag van een ingevolge die beschikking vereiste
vergunning.
Artikel 14 [Vervallen per 14-04-1986]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 17
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 18
Het is verboden ter zake van een aanvrage om vergunning, ontheffing,
restitutie, bijdrage, een verklaring als in artikel 2b, eerste lid,
bedoeld, of een recht of aanspraak als in artikel 10a bedoeld onjuiste
of onvolledige gegevens te verstrekken.
Artikel 19
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister van
Economische Zaken en Onze Ministers wie het mede aangaat tezamen
aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 19a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19b [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19c [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19d [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19e [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19f [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 19g [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 21 [Vervallen per 01-06-1988]
Artikel 22 [Vervallen per 01-06-1988]
Artikel 23 [Vervallen per 01-06-1988]
Artikel 24 [Vervallen per 01-06-1988]
Artikel 25
Deze wet kan worden aangehaald als: In- en uitvoerwet.
Artikel 26
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1962
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus
De Minister van Financiën,
J. Zijlstra
De Minister van Defensie,
S.H. Visser
Uitgegeven de negende augustus 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|