In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. hoofdinspecteur: de hoofdinspecteur van het desbetreffende
onderdeel van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
c. directeur: de directeur van de gemeentelijke gezondheidsdienst
of, indien deze geen arts is, een door de directeur aangewezen arts
die in dienst is van de gemeentelijke gezondheidsdienst;
d. laboratorium: een laboratorium waar van het menselijk lichaam
afgescheiden stoffen worden onderzocht ten behoeve van de
diagnostiek van infectieziekten;
e. gebouw: elk bouwwerk, vaar- of voertuig, dat een voor mensen
toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de
belijdenis van godsdienst of levensovertuiging;
f. waren: eetwaren, waaronder tevens worden begrepen
kauwpreparaten, drinkwaren alsmede andere roerende zaken, voorzover
gebruikt in de sfeer van de particuliere huishouding of van een
krachtens de Warenwet daarmee gelijkgestelde andere huishouding;
g. infectieziekten: de infectieziekten, genoemd in artikel 2;
h. groep A: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder a;
i. groep B: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder b;
j. groep C: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder c;
k. pokken: de ziekte bedoeld in artikel 2 van de Quarantainewet;
l. persoon in de eerste ring: persoon, niet zijnde een patiënt
lijdend aan een infectieziekte behorend tot groep A of groep B, die:
1º. gedurende twee of meer minuten gezichtscontact op een
afstand van minder dan twee meter met een zodanige patiënt heeft
gehad;
2º. gedurende twee of meer uren met een zodanige patiënt in
dezelfde ruimte heeft doorgebracht;
3º. is blootgesteld aan de opzettelijke verspreiding van een
infectieziekte behorend tot groep A of groep B;
4º. met de verzorging van een zodanige patiënt belast is
geweest;
m. persoon in de tweede ring: persoon, niet zijnde een zodanige
patiënt of een persoon in de eerste ring, met gezins- of daarmee
vergelijkbare contacten met een persoon in de eerste ring;
n. medisch toezicht: medisch toezicht op één of meer personen
in de eerste ring, met het doel om bij hen zo spoedig mogelijk de
eerste klinische symptomen van een infectieziekte behorend tot groep
A of groep B op te merken;
o. afzondering: verblijf van een persoon die mogelijk besmet is
met een infectieziekte behorend tot groep A of groep B in een door
de burgemeester aangewezen gebouw of in een aantal aangewezen
ruimten daarbinnen, in verband met de bestrijding van de gevaren van
die ziekte;
p. waarneming: medische beoordeling van een in afzondering
geplaatst persoon om te bezien of hij met een infectieziekte
behorend tot groep A of groep B is geïnfecteerd en dientengevolge
ziekteverschijnselen vertoont.
Artikel 2
Deze wet is van toepassing op de navolgende infectieziekten:
a. kinderverlamming; pokken; severe acute respiratory syndrome;
b. bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera; de
ziekte van Creutzfeldt-Jakob; difterie; febris recurrens; hepatitis
A, B en C; hondsdolheid; kinkhoest; legionellose; mazelen;
meningokokkose; paratyfus A, B en C; pest; tuberculose; virale
hemorrhagische koorts; vlektyfus; acute voedselvergiftiging of
voedselinfectie, voor zover vastgesteld:
1°. bij een persoon, werkzaam in de levensmiddelen- of
horecasector, dan wel bij een persoon, beroepsmatig betrokken bij
de behandeling, verpleging of verzorging van andere personen of
2°. door één arts bij twee of meer personen die binnen een
tijdvak van 24 uur hetzelfde gegeten of gedronken hebben;
c. brucellose; gele koorts; leptospirose; malaria; miltvuur;
ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond, trichinose alsmede ziekte
veroorzaakt door enterohaemorrhagische E. coli.
Artikel 3
1. Indien het belang van de volksgezondheid zulks vordert, kan
Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad, deze wet, desgewenst met uitzondering van artikel 14,
eerste lid, en onder aanduiding van de groep waartoe de ziekte
gerekend wordt, van toepassing verklaren op:
a. een infectieziekte die niet is opgenomen in artikel 2;
b. een ziektebeeld met een volgens de stand van de wetenschap
onbekende oorzaak, waarvan aannemelijk is dat deze een epidemisch
karakter zal hebben.
2. Indien het belang van de volksgezondheid zulks vordert, kan
Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad,
een infectieziekte uit groep B verplaatsen naar groep A of een
infectieziekte uit groep C verplaatsen naar groep B.
3. Na het tot stand komen van een krachtens het eerste of tweede
lid vastgestelde ministeriële regeling wordt binnen acht weken een
voorstel van wet tot incorporatie van die ministeriële regeling aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel van wet
wordt ingetrokken of door een der Kamers der Staten-Generaal wordt
verworpen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken.
Hoofdstuk II. Melding
Artikel 4
1. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een
infectieziekte uit groep A vermoedt of vaststelt, meldt dit zo spoedig
mogelijk, maar in ieder geval binnen 24 uur, aan de directeur.
2. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een
infectieziekte uit groep B vaststelt, meldt dit binnen 24 uur aan de
directeur.
3. De arts die gegronde redenen heeft om bij een persoon een
infectieziekte uit groep B te vermoeden, meldt dat vermoeden binnen 24
uur aan de directeur, indien
a. die persoon weigert het onderzoek te ondergaan dat noodzakelijk
is ter vaststelling van die ziekte en
b. daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de
verspreiding van die infectieziekte kan ontstaan.
4. De arts doet de in de voorgaande drie leden bedoelde meldingen
aan de directeur van de gemeente waarin hij zijn praktijk heeft.
5. Indien de melding betrekking heeft op een persoon die zijn
verblijfplaats heeft in een andere gemeente, geeft de directeur deze
melding terstond door aan de directeur van de verblijfplaats van de
betrokkene.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid treedt de
meldingsplicht ten aanzien van bij ministeriële regeling aan te wijzen
infectieziekten uit groep A of groep B in of buiten werking met ingang
van een daarbij te bepalen tijdstip, met inachtneming van daarbij te
stellen regels.
Artikel 5
De melding, bedoeld in artikel 4, bevat de volgende gegevens:
a. de naam, de voornaam, het adres, de woonplaats, het geslacht,
de geboortedatum en de verblijfplaats van de betrokken persoon;
b. de infectieziekte, alsmede de eerste ziektedag, de
vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de mogelijke
bron of plaats van besmetting, de datum van vermoeden of
vaststelling, de wijze van vaststelling van die infectieziekte en
c. zo nodig of de betrokken persoon dan wel een persoon in zijn
directe omgeving beroeps- of bedrijfsmatig betrokken is bij de
behandeling van eet- of drinkwaren of bij de behandeling, verpleging
of verzorging van andere personen.
Artikel 6
1. Het hoofd van het laboratorium meldt de vaststelling van een
verwekker van een infectieziekte uit groep C aan de directeur van de
gemeente waarin de arts die het onderzoek bij het laboratorium heeft
aangevraagd, zijn praktijk heeft, onder vermelding van de naam van die
arts.
2. Op verzoek van de directeur verstrekt de arts die het
onderzoek bij het laboratorium heeft aangevraagd, de volgende gegevens
omtrent de persoon en de infectieziekte waarop de laboratoriummelding
betrekking heeft:
a. het geslacht, het geboortejaar en het beroep van de betrokken
persoon;
b. de infectieziekte, de vaccinatietoestand, het gebruik van
chemoprofylaxe en de mogelijke bron of plaats van besmetting.
3. De arts verstrekt andere gegevens uitsluitend indien de
betrokkene daarvoor toestemming geeft.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de melding, bedoeld in het eerste lid,
plaatsvindt.
Artikel 7
1. Het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten
kwetsbare populaties verblijven of samenkomen voor een of meer
dagdelen per etmaal stelt de directeur van de gemeente, waarin de
instelling gelegen is, op de hoogte van het optreden van een ongewoon
aantal zieken met diarree, geelzucht, huidaandoeningen of andere
ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de
desbetreffende populatie of bij het begeleidend of verzorgend
personeel.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de berichtgeving plaatsvindt.
Artikel 8
1. De directeur neemt de persoonsgegevens, die ingevolge de
artikelen 5, 6 en 13 zijn verkregen, op in een door hem gehouden
registratie.
2. De directeur bewaart deze gegevens ten hoogste vijf jaar.
Artikel 9
1. De directeur deelt de ontvangst van een melding als bedoeld
in artikel 4 zo spoedig mogelijk mee aan de burgemeester van de
gemeente waar de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft
en aan de hoofdinspecteur.
2. De directeur deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in
artikel 6 binnen een redelijke termijn mee aan de burgemeester van de
gemeente waarin de arts, die het onderzoek heeft aangevraagd, zijn
praktijk heeft en aan de hoofdinspecteur.
3. De directeur deelt de ontvangst van een bericht als bedoeld in
artikel 7 binnen een redelijke termijn mee aan de burgemeester van de
gemeente waarin de instelling gelegen is.
Artikel 10
Na een melding als bedoeld in artikel 4 verstrekt de directeur de
volgende gegevens aan de hoofdinspecteur:
a. de infectieziekte, alsmede de eerste ziektedag, de
vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de mogelijke
bron of plaats van besmetting, zo nodig met inbegrip van de daaruit
voortgekomen gevallen, alsmede de datum van vermoeden of
vaststelling van die infectieziekte en
b. het geslacht en het geboortejaar van de betrokken persoon.
Artikel 11
De directeur verstrekt de burgemeester de gegevens, bedoeld in
artikel 5, die deze nodig heeft voor de uitvoering van de hem bij
deze wet toegekende bevoegdheid.
Hoofdstuk III. Maatregelen gericht op het individu
Paragraaf 1. Inleiding
Artikel 12
1. Alvorens de burgemeester een in dit hoofdstuk omschreven
maatregel neemt of intrekt, wint hij het advies van de directeur in.
2. De directeur brengt zijn advies schriftelijk uit. In
spoedeisende gevallen kan worden volstaan met een mondeling advies, dat
zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld.
Artikel 13
Op verzoek van de burgemeester verstrekt de behandelend arts van een
persoon die naar het oordeel van de burgemeester gevaar oplevert voor de
overbrenging van een infectieziekte uit groep A of groep B aan de
directeur de nadere gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de
omvang van het gevaar van verspreiding van die infectieziekte vast te
stellen.
Paragraaf 2. Opneming ter isolatie en geneeskundig onderzoek
Artikel 14
1. De burgemeester kan een persoon terstond ter isolatie in een
ziekenhuis doen opnemen, indien:
a.
1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene
lijdt aan een infectieziekte uit groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel
4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of
groep B;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding
van die infectieziekte;
c. dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend en
d. de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is.
2. Dit artikel wordt niet toegepast ten aanzien van de navolgende
infectieziekten: bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera;
de ziekte van Creutzfeldt-Jakob; hepatitis A, B, of C; kinkhoest;
mazelen; meningokokkose; paratyfus A, B of C; voedselvergiftiging;
voedselinfectie; brucellose; gele koorts; legionellose; leptospirose;
malaria; miltvuur; ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond of
trichinose.
Artikel 15
1. De burgemeester doet de beschikking tot opneming ter
isolatie aan de betrokkene uitreiken.
2. De beschikking wordt niet uitgereikt dan nadat de burgemeester
voorzien heeft in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij
de betrokkene daartegen bedenkingen heeft.
3. De burgemeester draagt de tenuitvoerlegging van de beschikking
op aan ter zake deskundige personen in dienst van de gemeentelijke
gezondheidsdienst. Zij kunnen daartoe elke plaats betreden waar de
betrokkene zich bevindt, zo nodig met behulp van de sterke arm.
4. In zijn beschikking geeft de burgemeester aan in welk
ziekenhuis de opneming ter isolatie ten uitvoer wordt gelegd.
Het ziekenhuis neemt de betrokkene terstond op.
5. Wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gevaar,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, is geweken of op minder
ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de burgemeester de opneming
ter isolatie terstond op.
Artikel 16
1. De burgemeester kan een ter isolatie opgenomen persoon door
een arts doen onderzoeken indien:
a. ten gevolge van de infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt
voor de gezondheid van derden,
b. de aard en de omvang van dit gevaar niet op andere wijze dan
door onderzoek kunnen worden vastgesteld,
c. de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk is om dit gevaar
effectief te kunnen afwenden en
d. de betrokkene niet bereid is het onderzoek te ondergaan.
2. Het onderzoek omvat niet meer dan nodig is ter afwending van
het gevaar voor derden.
3. Onderzoek in het lichaam wordt slechts verricht nadat de
rechter daartoe een machtiging heeft verleend.
Artikel 17
1. De burgemeester doet de beschikking tot het onderzoek,
bedoeld in artikel 16, aan de betrokkene uitreiken.
2. In zijn beschikking geeft de burgemeester aan waaruit het
onderzoek bestaat, welke arts het onderzoek verricht en binnen welke
termijn het onderzoek plaatsvindt.
Artikel 18
1. De opneming ter isolatie wordt ten uitvoer gelegd in een
gesloten afdeling van een door Onze Minister aangewezen ziekenhuis.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld
waaraan de opneming ter isolatie en het onderzoek moeten voldoen.
Paragraaf 2a. Bijzondere maatregelen ter bestrijding van ernstige
infectieziekten van hoge letaliteit en besmettelijkheid
Artikel 18a
1. De burgemeester kan besluiten een persoon te onderwerpen aan
de maatregelen van afzondering, waarneming of medisch toezicht om de
verspreiding van ernstige infectieziekten van hoge letaliteit en
besmettelijkheid behorende tot groep A of groep B tegen te gaan,
indien hij van oordeel is dat:
a. die persoon daadwerkelijk lijdt aan één van de bedoelde
infectieziekten, er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij
daaraan lijdt, dan wel dat hij recentelijk een dusdanig contact met
een lijder of een vermoedelijke lijder aan een zodanige infectieziekte
heeft gehad dat besmetting van deze persoon met dezelfde ziekte
mogelijk is;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding
van die infectieziekte; en
c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan een maatregel
bereid is.
2. De burgemeester kan toestaan dat de afzondering onder zo nodig
te stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen
persoon.
3. Tijdens de afzondering wordt waarneming verricht. De
waarneming wordt verricht onder medische verantwoordelijkheid van een
door de directeur aangewezen geneeskundige.
4. De burgemeester geeft in zijn beschikking aan waarop bij de
waarneming in ieder geval gelet wordt.
5. De artikelen 15, derde en vijfde lid, en 16, eerste en tweede
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18b
1. De duur van de afzondering en de waarneming bedraagt zo lang
als noodzakelijk is om het gevaar, bedoeld in artikel 18a, eerste lid,
onder b, af te wenden, doch ten hoogste achttien dagen.
2. De duur van de afzondering en de waarneming bedraagt bij
pokken voor:
a. een bevestigd geval van pokken: de periode dat de patiënt
besmettelijk is;
b. een waarschijnlijk of verdacht geval van pokken dat niet
bevestigd wordt: ten hoogste achttien dagen;
c. een waarschijnlijk of verdacht geval van pokken dat niet
bevestigd wordt, na succesvolle vaccinatie: veertien dagen;
d. gevaccineerde personen in de eerste ring die koorts, maar geen
laesies ontwikkelen: ten hoogste achttien dagen;
e. gevaccineerde personen in de eerste ring die meer dan 4x24 uur
na contact met een patiënt met pokken gevaccineerd zijn: ten hoogste
veertien dagen;
f. gevaccineerde personen in de eerste ring, bij wie het vaccin
niet aanslaat: ten hoogste achttien dagen;
g. niet-gevaccineerde personen in de eerste ring: ten hoogste
achttien dagen;
h. personen, bedoeld in b tot en met g, die pokken ontwikkelen: de
periode dat de betrokkene besmettelijk is;
i. eventuele andere categorieën: zolang als dit voor de
bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk is.
3. Op aanwijzing van de hoofdinspecteur kunnen de in het eerste
en tweede lid genoemde termijnen worden verlengd.
Artikel 18c
Ingeval de burgemeester een ziekenhuis aanwijst om er patiënten in
afzondering te nemen, neemt dat terstond alle daartoe vereiste
maatregelen.
Artikel 18d
1. Medisch toezicht vindt plaats onder zodanige voorwaarden en
omstandigheden en bedraagt een zodanige periode als noodzakelijk is om
het gevaar, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, onder b, af te wenden.
2. Een wegens mogelijke besmetting met pokken onder medisch
toezicht geplaatste persoon:
a. treedt bij een lichaamstemperatuur van meer dan 38°C niet
buiten zijn woning of verblijfplaats zonder toestemming van de
directeur;
b. treedt bij een lichaamstemperatuur van 38°C of minder niet
buiten de gemeente van zijn woon – of verblijfplaats zonder
toestemming van de directeur;
c. vermijdt contact met personen die niet korter dan drie jaren
geleden zijn gevaccineerd tegen de betrokken infectieziekte;
d. geeft zijn adres, alsmede iedere verandering daarin, terstond
door aan de directeur;
e. neemt gedurende de periode van afzondering 's ochtends en 's
avonds zijn lichaamstemperatuur op en geeft die terstond na meting
door aan de directeur, op een door laatstgenoemde te bepalen wijze.
2. De duur van het medisch toezicht bedraagt ten hoogste 18
dagen.
3. Op aanwijzing van de hoofdinspecteur kan de in het tweede lid
genoemde termijn worden verlengd.
Artikel 18e
1. Wanneer naar de mening van de directeur bij een persoon die
onder medisch toezicht moet worden gehouden zodanige omstandigheden
aanwezig zijn dat uitvoering van artikel 18d niet op verantwoorde
wijze kan plaatsvinden, kan de burgemeester besluiten de betrokkene in
afzondering te doen plaatsen.
Artikel 18f
Op verzoek van de burgemeester verstrekt de behandelend arts van een
patiënt of van een persoon in de eerste of tweede ring aan de directeur
de gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang van het gevaar
van verspreiding van de infectieziekte vast te stellen.
Artikel 18g
1. De burgemeester doet de beschikking waarbij hij een in deze
paragraaf omschreven maatregel neemt of intrekt aan de betrokkene
uitreiken.
2. In zijn beschikking geeft de burgemeester aan hoe en waar de
maatregel ten uitvoer wordt gelegd.
3. De burgemeester instrueert de betrokkene zo spoedig mogelijk
bij beschikking over de regels waaraan deze zich te houden heeft.
Artikel 18h
De artikelen 15, tweede lid, en 16, derde lid, zijn niet van
toepassing, indien toepassing wordt gegeven aan deze paragraaf.
Paragraaf 3. Rechterlijke toetsing
Artikel 19
1. De burgemeester stelt de officier van justitie terstond op
de hoogte van de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in
artikel 14, en van de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in
artikel 16, derde lid. Bevoegd is de rechter van de plaats waar het
aangewezen ziekenhuis is gelegen.
2. Zo spoedig mogelijk nadat de beschikking is gegeven, doch in
elk geval niet later dan de volgende dag, zendt de burgemeester de
officier van justitie een afschrift van de beschikking.
Artikel 20
1. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de
voorwaarden voor de opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 14, of
het onderzoek, bedoeld in artikel 16, derde lid, is voldaan, doet hij
uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van de beschikking een
verzoek tot een machtiging tot voortzetting van de isolatie of tot het
onderzoek.
2. De officier van justitie deelt aan de betrokkene, de
burgemeester en het ziekenhuis, schriftelijk mede dat hij het verzoek
heeft gedaan of dat hij heeft besloten geen verzoek te doen.
3. Het besluit geen verzoek te doen neemt de officier van
justitie niet dan nadat hij het advies van de hoofdinspecteur heeft
ingewonnen.
4. Met het besluit geen verzoek te doen, vervalt de beschikking
tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 14, of de beschikking tot
onderzoek, bedoeld in artikel 16, derde lid, van rechtswege.
Artikel 21
1. Alvorens op het verzoek van de officier van justitie te
beschikken, hoort de rechter degene ten aanzien van wie de maatregel
is gevorderd.
2. De rechter hoort de betrokkene te zijner verblijfplaats.
3. De rechter kan zich laten voorlichten, getuigen en deskundigen
oproepen en onderzoek door deskundigen bevelen.
4. De rechter stelt de raadsman in de gelegenheid zijn zienswijze
kenbaar te maken.
5. De rechter beslist binnen drie dagen, te rekenen vanaf de dag
na die van het instellen van de vordering.
6. Tegen de beschikking staat geen voorziening open.
Artikel 22
1. De ter isolatie opgenomen persoon kan de rechter verzoeken
de maatregel op te heffen. In het geval de betrokkene buiten staat is
dit verzoek te doen, komt gelijke bevoegdheid toe aan diens raadsman.
2. Artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. De rechter kan het verzoek zonder toepassing van artikel 21
afwijzen, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.
Artikel 23
1. Degene ten aanzien van wie een beschikking tot opneming ter
isolatie als bedoeld in artikel 14 of tot onderzoek als bedoeld in
artikel 16 is genomen, kan de rechter bij een zelfstandig verzoek bij
een verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend
verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, dan
wel, indien de officier van justitie geen verzoek als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, doet, bij een afzonderlijk verzoekschrift,
verzoeken een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te
kennen op de grond dat de beschikking van de burgemeester onrechtmatig
was.
2. Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter
gelegenheid van het verhoor van de betrokkene is artikel 282, vierde
lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 24
1. Indien degene ten aanzien van wie een beschikking tot
opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 14 of tot onderzoek als
bedoeld in artikel 16 is genomen nadeel heeft geleden doordat de
rechter of de officier van justitie een der bepalingen vervat in dit
hoofdstuk niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze op diens
verzoek een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten
laste van de Staat.
2. Het verzoek kan worden ingediend als een zelfstandig verzoek
bij het verweerschrift als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend
verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, dan
wel, bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen
vanaf de dag waarop de betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de
schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft.
3. Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter
gelegenheid van het verhoor van de betrokkene is artikel 282, vierde
lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 24a
Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een maatregel als
bedoeld in artikel 18a, eerste lid, met dien verstande dat:
a. bevoegd is de rechter waar betrokkene verblijf houdt;
b. de rechter de betrokkene hoort te zijner verblijfplaats of een
andere, door de rechter aan te wijzen plaats.
Paragraaf 4. Verbod en beperking van de beroeps- of
bedrijfsuitoefening
Artikel 25
1. De burgemeester kan een persoon die gevaar oplevert voor de
verspreiding van een infectieziekte uit groep A of groep B, het verbod
opleggen beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die
een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die
infectieziekte.
2. Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen
hoort de burgemeester de werkgever van de betrokkene, tenzij betrokkene
hiertegen bezwaar maakt.
3. De burgemeester heft de maatregel op als het gevaar is
geweken.
Hoofdstuk IV. Overige maatregelen
Artikel 26
1. Indien ernstig gevaar dreigt voor de verspreiding van een
infectieziekte, kan de burgemeester, om dit gevaar af te wenden, de
volgende maatregelen nemen:
a. het sluiten van gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan;
b. het uitvaardigen van een verbod tot het betreden van gebouwen of
terreinen dan wel gedeelten daarvan;
c. het doen ontsmetten van gebouwen dan wel gedeelten daarvan;
d. het doen ontsmetten of vernietigen van waren;
e. het geven van voorschriften van technisch-hygiënische aard.
2. Alvorens de burgemeester een dergelijke maatregel neemt, wint
hij het advies van de directeur in.
3. De burgemeester heft de maatregel op als het gevaar is
geweken.
Hoofdstuk IVA. Landelijke coördinatie en aansturing bij de
bestrijding van ernstige infectieziekten van hoge letaliteit en
besmettelijkheid
Artikel 26a
1. Er is een Landelijke Coördinatiestructuur
Infectieziektebestrijding, gevestigd te Utrecht.
2. Deze stelt op verzoek van Onze Minister ter beheersing van de
gevaren van één of meer infectieziekten behorende tot groep A of groep
B een ontwerp voor een Draaiboek tot bestrijding van die ziekten op.
3. Onze Minister stelt het Draaiboek vast.
4. Indien voor de bestrijding van een bepaalde infectieziekte een
Draaiboek is vastgesteld, vindt de bestrijding plaats volgens dat
Draaiboek.
5. De Landelijke Coördinatiestructuur Infectieziektebestrijding
geeft aan een vastgesteld Draaiboek op passende wijze bekendheid aan
gemeenten, gemeentelijke gezondheidsdiensten en de hoofdinspecteur.
Artikel 26b
1. Onze Minister kan de burgemeester aanwijzingen geven ten
aanzien van de wijze waarop een ernstige infectieziekte van hoge
letaliteit en besmettelijkheid behorende tot groep A of groep B wordt
bestreden.
2. De hoofdinspecteur kan de directeur aanwijzingen geven ten
aanzien van de hem bij of krachtens § 2a van Hoofdstuk III en
Hoofdstuk IVA gestelde taken.
Artikel 26c
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden
omtrent waarneming, afzondering, isolatie en onderzoek bij bestrijding
van infectieziekten behorende tot groep A of groep B.
Artikel 26d
1. In het belang van een goede uitvoering van hoofdstuk III,
paragraaf 2a, kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere,
zo nodig van deze wet afwijkende, regels worden gesteld.
2. Indien als gevolg van buitengewone omstandigheden, de
volksgezondheid betreffende, de totstandkoming van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid niet kan worden
afgewacht, kunnen de daar bedoelde regels bij ministeriële regeling
worden gesteld.
3. De ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, vervalt
uiterlijk zes maanden na haar inwerkingtreding.
4. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het eerste
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur, waarin van deze wet
afwijkende regels worden gesteld, dan wel van een krachtens het tweede
lid vastgestelde ministeriële regeling met zodanige regels, wordt een
voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig
mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt
ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van
bestuur dan wel de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt
het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van
bestuur dan wel de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip
van inwerkingtreding van die wet.
Hoofdstuk V. Financiële bepalingen
Artikel 27
1. De gemeente draagt de kosten van de maatregelen die
krachtens deze wet worden genomen. Ook draagt de gemeente,
onverminderd het tweede lid, de kosten van door haar toegekende
tegemoetkomingen aan hen, die door de maatregelen, bedoeld in de
artikelen 14, 25 en 26, inkomsten derven.
2. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de
kosten verbonden aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 14, 16, 25,
en 26, te verhalen op de persoon ten aanzien van wie een maatregel is
getroffen. Artikel 229 van de Gemeentewet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 28
1. De in artikel 26, eerste lid, onder d, bedoelde waren worden
voor vernietiging door de burgemeester gewaardeerd.
2. Het college van burgemeester en wethouders keert aan de
eigenaar als schadeloosstelling het bedrag uit waarop de waren zijn
gewaardeerd.
Hoofdstuk VI. Handhaving
Paragraaf 1. Toezicht
Artikel 29
1. Onverminderd het tweede lid is de hoofdinspecteur belast met
het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
2. De directeur is belast met het toezicht op de naleving van de
artikelen 4, eerste, tweede en derde lid, 6, eerste lid, en 13.
Artikel 30
Indien een infectieziekte voorkomt of indien een gegrond vermoeden
daarvan bestaat, zijn binnen hun ambtsgebied de burgemeester, de
directeur en de hoofdinspecteur bevoegd elke plaats te betreden, voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van
deze wet nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp
van de sterke arm.
Paragraaf 2. Strafbepalingen
Artikel 31
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de bij
de in de artikelen 16, eerste lid, 25, eerste lid en 26, eerste lid,
onder a, b, c en e, ten aanzien van hem genomen maatregelen dan wel de
in artikel 26, eerste lid, onder d, bedoelde waren onttrekt aan een
krachtens dat lid genomen maatregel.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 31a
1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18d,
18f, 26c of 26d wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Het onbevoegd betreden van een voor isolatie of afzondering
aangewezen lokatie wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
3. De in de vorige leden strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 31b
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de
bij artikel 14 ten aanzien van hem genomen maatregel.
2. Een in afzondering geplaatst persoon die de hem opgelegde
verblijfsruimte verlaat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.
3. De in de vorige leden strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven.
Paragraaf 3. Bestuurlijke boete
Artikel 32
1. Aan de arts die handelt in strijd met de artikelen 4,
eerste, tweede of derde lid, 6, tweede of derde lid, of 13, kan de
burgemeester van de gemeente waarin die arts zijn praktijk heeft, een
boete opleggen van € 90.
2. Aan het hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met
artikel 6, eerste lid, kan de burgemeester van de gemeente, waarin de
arts die het desbetreffende onderzoek bij het laboratorium heeft
aangevraagd zijn praktijk heeft, een boete opleggen van € 90.
3. Aan het hoofd van een instelling die handelt in strijd met
artikel 7, eerste lid, kan de burgemeester van de gemeente, waarin de
instelling gelegen is, een boete opleggen van € 90.
4. De burgemeester legt geen boete op indien de betrokken persoon
aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden
gemaakt.
Artikel 33
Degene jegens wie een handeling is verricht waaraan hij in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een
overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, een
boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige
verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld voordat hem
mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 34
1. Indien de directeur vaststelt dat een overtreding als
bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, is begaan, maakt
hij daarvan binnen zes weken een rapport op.
2. In het rapport worden in ieder geval vermeld:
a. de overtreding, alsmede het overtreden wettelijk voorschrift;
b. een aanduiding van de periode waarin de overtreding is begaan;
c. de infectieziekte die niet is gemeld.
3. Het rapport wordt toegezonden aan de burgemeester.
4. Een afschrift wordt toegezonden of uitgereikt aan de in
artikel 32, eerste, tweede of derde lid bedoelde persoon.
5. Op verzoek van de in artikel 32, eerste, tweede of derde lid
bedoelde persoon, die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in het rapport vermelde informatie aan die
persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
6. In afwijking van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de burgemeester de in artikel 32, eerste, tweede of
derde lid bedoelde persoon in de gelegenheid om binnen een redelijke
termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren
te brengen.
7. Indien de in het vorige lid bedoelde persoon zijn zienswijze
mondeling naar voren brengt, draagt de burgemeester er op verzoek van
degene die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt zorg voor dat een
tolk wordt benoemd die de betrokkene bij het horen kan bijstaan, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 35
1. De boete wordt opgelegd bij beschikking van de burgemeester.
2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede
het overtreden wettelijk voorschrift;
c. de in artikel 34, tweede lid, onder b en c, bedoelde gegevens.
3. Op verzoek van de persoon, bedoeld in artikel 32, eerste,
tweede of derde lid, die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis
van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie
aan die persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4. De beschikking wordt genomen binnen 12 weken, nadat de
directeur het rapport, bedoeld in artikel 34, eerste lid, heeft
opgemaakt.
5. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt 1 jaar,
nadat een overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede lid of
derde lid, is begaan.
6. De werking van een beschikking als bedoeld in het eerste lid
wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien
bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
7. Onze Minister kan in overeenstemming met de Minister van
Justitie beleidsregels stellen met betrekking tot de oplegging van
boeten.
Artikel 36
1. Een boete wordt betaald binnen zes weken nadat de
beschikking waarbij de boete is opgelegd in werking is getreden.
Bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht schorst
de uitvoering van de beschikking.
2. Indien niet is betaald binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen
binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de kosten
van de aanmaning, te betalen.
3. Bij gebreke van betaling binnen de in het tweede lid genoemde
termijn kan de burgemeester van de overtreder de verschuldigde boete,
verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende
kosten, invorderen bij dwangbevel.
4. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat voor de
betrokkene verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de
Staat.
6. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de
Staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
7. De bevoegdheid tot invordering vervalt binnen een jaar nadat
de beschikking inzake oplegging van de boete onherroepelijk is geworden.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
Artikel 37
[Wijzigt de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden.]
Artikel 38
[Wijzigt de Waterleidingwet.]
Artikel 39
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 40
De Algemene termijnenwet is van toepassing op de artikelen 19, tweede
lid, 20, eerste lid, en 21, vijfde lid.
Artikel 41
Ingeval ingevolge het bij deze wet bepaalde een verzoekschrift als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, of 23, eerste lid, wordt
ingediend dan wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt,
behoeft de indiening van het verzoekschrift niet bij procureur te
geschieden.
Artikel 42
De Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken wordt
ingetrokken.
Artikel 43
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 44
Deze wet wordt aangehaald als Infectieziektenwet.