| |
|
|
|
|
vorige
INSTELLINGSWET
PRODUCTSCHAP VOOR BIER
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 24 november 1954,
houdende instelling van een productschap voor bier
WIJ JULIANA, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit
eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot
instelling van een productschap als bedoeld in de Wet op de
Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K
22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van
de bereiding van en de binnenlandse handel in bier;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel
1
- 1.
- Er is een Productschap
voor Bier.
- 2.
- Het productschap heeft
zijn zetel te Amsterdam.
Artikel
2
- 1.
- Het productschap is
ingesteld voor de ondernemingen, waarin:
bier wordt
bereid;
de
binnenlandse handel in bier wordt uitgeoefend;
bier voor
verbruik ter plaatse wordt verstrekt.
- 2.
- In deze wet wordt mede
verstaan onder:
bier:
dranken, die in uiterlijk en samenstelling grote
overeenkomst met bier vertonen;
handel:
de werkzaamheid van tussenpersonen.
Artikel
3
Het bestuur van
het productschap bestaat uit 22 leden. Daarvan worden
benoemd:
| voor
de ondernemingen op het gebied van |
door
organisaties van ondernemers |
door
organisaties van werknemers |
| de
brouwindustrie |
4 leden |
4 leden |
| de
binnenlandse groothandel in bier |
3 leden |
3 leden |
| de
detailhandel in bier en het hotel-, café- en
restaurantbedrijf |
4 leden |
4 leden |
Artikel
4
- 1.
- Aan het productschap is
overgelaten de regeling of nadere regeling van de
navolgende onderwerpen:
- a.
- aangelegenheden,
verband houdende met het economisch verkeer tussen
verschillende stadia van voortbrenging en afzet;
- b.
- de
registratie van de ondernemingen, waarvoor het
productschap is ingesteld;
- c.
- het
verstrekken van de voor de vervulling van de taak
van het productschap nodige gegevens.
- 2.
- Als aangelegenheden,
bedoeld in het voorgaande lid, onder a,
worden niet aangemerkt:
- a.
- de
vestiging, uitbreiding en stillegging van
ondernemingen;
- b.
- de in-
en uitvoer;
- c.
- de
prijzen.
- 3.
- Verordeningen betreffende
de in het eerste lid bedoelde onderwerpen hebben niet
betrekking op de aanvoer-, transito- en driehoekshandel.
- 4.
- Verordeningen betreffende
het in het eerste lid, onder c,
bedoelde onderwerp houden waarborgen in tegen misbruik
van de ingevolge die verordeningen te verstrekken
gegevens.
Artikel
5
Overtredingen van
het bepaalde bij of krachtens een op grond van artikel
93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
(Stb. 1950, K 22, sedert
gewijzigd) vastgestelde verordening kunnen bij die
verordening worden aangewezen als strafbare feiten.
Artikel
6
Bij een op grond
van artikel 93, eerste
lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
vastgestelde verordening kan worden bepaald, dat de bij of
krachtens die verordening gestelde regelen mede andere dan
de in artikel 102, eerste lid, van genoemde wet bedoelde
natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze
handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de
ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld,
plegen te worden verricht.
Artikel
7
- 1.
- Verordeningen, waarbij
krachtens artikel 126,
eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
een heffing wordt opgelegd tot een in die verordeningen
vermeld ander doel dan dekking van de huishoudelijke
uitgaven van het productschap, behoeven, in afwijking
van het derde lid van dat artikel, de goedkeuring van
Onze betrokken Ministers; zij worden terstond na
vaststelling ter kennisneming aan de Sociaal-Economische
Raad toegezonden.
- 2.
- Tot instelling van een
fonds in het belang der bedrijfsgenoten wordt besloten
bij verordening. Zodanige verordening behoeft de
goedkeuring van Onze betrokken Ministers.
- 3.
- Onze betrokken Ministers
kunnen bepalen, dat besluiten tot uitbetalingen ten
laste van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten
hun goedkeuring behoeven.
Artikel
8
Voor de toepassing
van deze wet en van de artikelen
94, 100,
derde lid, en 104, tweede
lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie ten aanzien
van het productschap worden als Onze betrokken Ministers
aangemerkt Onze Minister van Economische Zaken en, in bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, Onze
Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.
Artikel
9
Deze wet kan
worden aangehaald als: Instellingswet Productschap voor
Bier.
Artikel
10
Deze wet treedt in
werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Gegeven ten Paleize
Soestdijk, 24 November 1954
JULIANA
De Minister voor
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
A.C.
de Bruijn
De Minister van Economische
Zaken,
J.
Zijlstra
De Minister van Landbouw,
Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
Uitgegeven de tiende December
1954
De Minister van Justitie,
L.A.
Donker
|
|
|