WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging
daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een
productschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22) voor ondernemingen op het gebied van de visserij, de be- en
verwerking van en de handel in vis en visproducten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Er is een Productschap voor Vis en Visproducten.
2. Het productschap heeft zijn zetel te Rijswijk.
Artikel 2
1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:
de visserij wordt uitgeoefend;
vis wordt be- of verwerkt tot producten, welke, al dan niet na
verdere be- of verwerking, tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen
dienen;
de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en
driehoekshandel - wordt uitgeoefend in vis of uit vis verkregen
producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot
menselijk voedsel kunnen dienen.
2. In deze wet wordt verstaan onder:
vis: vis, delen van vis, schaal- en schelpdieren en puf en
nest, een en ander met uitzondering van sier- en aquariumdieren;
visserij: het bedrijf van het vangen of kweken van vissen,
schaal- en schelpdieren en puf en nest, een en ander met uitzondering
van sier- en aquariumdieren.
3. In deze wet wordt onder handel mede verstaan de
werkzaamheid van tussenpersonen.
4. Als ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede
aangemerkt de veilingen van de in dat lid bedoelde produkten.
Artikel 3
In afwijking van artikel 73, vierde lid, van de Wet op de
Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K22) bedraagt het aantal door
organisaties van werknemers te benoemen leden van het bestuur van het
produktschap tenminste 1/3 van het totaal aantal te benoemen
bestuursleden.
Artikel 4
Het bestuur is bevoegd uit zijn midden voor elk lid van het dagelijks
bestuur een plaatsvervanger te benoemen.
Artikel 5
1. Aan het produktschap is overgelaten de regeling of nadere
regeling van de volgende onderwerpen:
a. aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer
tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, waaronder
begrepen:
- de bevordering van de kwaliteit en de gezondheidstoestand, de
verzorging en de verpakking van vis en visprodukten;
- de aanduiding van ten verkoop aangeboden vis en visprodukten;
- de opslag en bewerking van vis en visprodukten;
- de behandeling en de terugzending van verpakkingsmateriaal door
degenen, die een onderneming drijven, waarvoor het produktschap is
ingesteld;
- standaardvoorwaarden voor de verkoop, levering en betaling,
voorzover het betreft het economisch verkeer tussen degenen, die een
onderneming drijven waarvoor het produktschap is ingesteld;
b. de technische inrichting van ondernemingen, voorzover deze
verband houden met de bevordering van de kwaliteit of de
gezondheidstoestand van vis en visprodukten, verzorging en verpakking
van vis en visprodukten, opslag en bewerking van vis en visprodukten;
c. de registratie en de administratie van de ondernemingen,
waarvoor het produktschap is ingesteld en die van in die ondernemingen
werkzame personen;
d. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het
produktschap nodige gegevens;
e. de voor de vervulling van die taak van het produktschap nodige
inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van
bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen;
f. fondsen in het belang der bedrijfsgenoten;
g. de vakopleiding.
2. Als aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder a,
worden niet aangemerkt:
a. de vestiging, uitbreiding en stillegging van ondernemingen;
b. de in- en uitvoer;
c. de afzet van overschotvis voor ander gebruik dan tot menselijk
voedsel.
3. Verordeningen betreffende de in het eerste lid bedoelde
onderwerpen hebben niet betrekking op de aanvoer-, transito- en
driehoekshandel.
4. Verordeningen betreffende onderwerpen, als bedoeld in het
eerste lid, onder d en e, houden waarborgen in tegen
misbruik van de ingevolge die verordeningen te verstrekken gegevens.
Artikel 6
Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een op grond van
artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
vastgestelde verordening kunnen bij de verordening worden aangewezen als
strafbare feiten.
Artikel 7
Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de
Bedrijfsorganisatie vastgestelde verordening kan worden bepaald, dat de
bij of krachtens die verordening gestelde regelen mede andere dan de in
artikel 102, eerste lid, van genoemde wet bedoelde natuurlijke en
rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die
bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het productschap is
ingesteld, plegen te worden verricht.
Artikel 8
1. Verordeningen, waarbij krachtens artikel 126, eerste lid,
van de Wet op de Bedrijfsorganisatie een heffing wordt opgelegd tot
een in die verordeningen vermeld ander doel dan dekking van de
huishoudelijke uitgaven van het productschap, behoeven, in afwijking
van het derde lid van dat artikel, de goedkeuring van Onze betrokken
Ministers; zij worden terstond na vaststelling ter kennisneming aan de
Sociaal-Economische Raad toegezonden.
2. Tot instelling van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten
wordt besloten bij verordening. Zodanige verordening behoeft de
goedkeuring van Onze betrokken Ministers.
3. Onze betrokken Ministers kunnen bepalen, dat besluiten tot
uitbetalingen ten laste van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten
hun goedkeuring behoeven.
Artikel 9
Voor de toepassing van deze wet en van de artikelen 94, 100, derde
lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie ten
aanzien van het productschap worden als Onze betrokken Ministers
aangemerkt Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
en, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, Onze
Minister van Economische Zaken.
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald als: Instellingswet Productschap voor
Vis en Visproducten.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 mei 1956
JULIANA
De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
A.C. de Bruijn
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
Uitgegeven de tweeëntwintigste juni 1956
De Minister van Justitie,
J.C. van Oven