WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de vorming van
het regeringsbeleid wenselijk is stelselmatig informatie te verkrijgen
over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen
beïnvloeden,
dat daartoe kan worden bijgedragen door een vast college van advies
en bijstand in te stellen ter vervanging van de Voorlopige
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid:
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Er is een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid,
verder te noemen de Raad.
2. De Raad wordt niet aangemerkt als een adviescollege als
bedoeld in de Kaderwet adviescolleges.
Artikel 2
De Raad heeft tot taak:
a. ten behoeve van het Regeringsbeleid wetenschappelijk
gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op
langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig
te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten,
probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote
beleidsvraagstukken, en beleidsalternatieven aan te geven;
b. een wetenschappelijk gefundeerd kader te ontwikkelen dat de
regering ten dienste staat voor het stellen van prioriteiten en het
voeren van een samenhangend beleid;
c. ten aanzien van werkzaamheden op het gebied van
toekomstonderzoek en planning op lange termijn, zowel binnen als
buiten de overheid, voorstellen te doen inzake het opheffen van
structurele tekortkomingen, het bevorderen van bepaalde
onderzoekingen en het verbeteren van communicatie en coördinatie.
Artikel 3
1. De Raad bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf
leden.
2. Wij benoemen op voordracht van Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken, gedaan in overeenstemming met het gevoelen
van de Raad van Ministers, de voorzitter en de overige leden van de
Raad.
3. De voorzitter en de overige leden worden, behoudens door Ons
tussentijds verleend ontslag, benoemd voor vijf jaren. Zij zijn eenmaal
terstond wederbenoembaar.
4. Hij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats, treedt af op hetzelfde tijdstip waarop degene in
wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.
Artikel 4
1. Het ambt van voorzitter van de Raad is een volledige
betrekking.
2. De overige leden van de Raad stellen ten minste een zodanig
deel van hun werktijd aan de Raad ter beschikking, als overeenkomt met
twee werkdagen per week.
3. In uitzonderlijke gevallen kan door Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken worden bepaald, dat het in het voorgaande
lid genoemde deel van de aan de Raad ter beschikking gestelde werktijd
wordt verminderd.
Artikel 5
De rechtspositie van de voorzitter en de overige leden wordt nader
geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur.
Artikel 6
1. Er zijn adviserende leden.
2. De Raad kan aan Onze Minister-President, Minister van Algemene
Zaken, voorstellen doen ter zake van de benoeming tot adviserend lid.
3. Wij benoemen op voordracht van Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken, gedaan in overeenstemming met het gevoelen
van de Raad van Ministers, de adviserende leden van de Raad.
Artikel 7
1. De Raad heeft een bureau, dat onder leiding van een
secretaris de Raad in zijn werkzaamheden bijstaat.
2. Wij benoemen op voordracht van Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken de secretaris van de Raad.
Artikel 7a
1. De Raad stelt na overleg met Onze Minister-President,
Minister van Algemene Zaken, een werkprogramma vast.
2. De Raad kan na overleg met Onze Minister-President, Minister
van Algemene Zaken, het werkprogramma wijzigen.
3. Ten behoeve van het in het eerste en tweede lid bedoelde
overleg hoort Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de
Raad van Ministers.
Artikel 8
1. De Raad steunt bij de uitvoering van zijn taak mede op de
uitkomsten van door andere instellingen verricht onderzoek.
2. Diensten en instellingen van de centrale overheid en van de
lagere publiekrechtelijke organen zijn gehouden aan de Raad de benodigde
informatie te verschaffen.
3. De Raad kan zich rechtstreeks tot andere instellingen en
personen wenden met een verzoek om informatie.
4. Onze Ministers dragen er zorg voor dat de Raad, voor zover
zulks dienstig kan zijn voor de uitoefening van zijn taak, tijdig in
kennis wordt gesteld van het toekomstonderzoek dat onder hun
verantwoordelijkheid wordt verricht en de resultaten daarvan alsmede van
veronderstellingen en voornemens voor het beleid op lange termijn.
Artikel 9
1. De Raad kan rechtstreeks in overleg treden met ambtelijke en
niet-ambtelijke deskundigen.
2. De Raad kan commissies instellen. Voor de medewerking van
ambtelijke deskundigen behoeft hij de instemming van Onze betrokken
Ministers.
3. De Raad kan op zijn terrein rechtstreeks internationale
contacten onderhouden.
Artikel 10
De Raad kan zelfstandig verzoeken bepaalde studies of onderzoekingen
te doen ondernemen. Dit geschiedt door tussenkomst van Onze betrokken
Ministers, voor zover het diensten en instellingen, werkzaam onder hun
verantwoordelijkheid, betreft.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 juni 1976.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Den Uyl
Uitgegeven de vijfde augustus 1976
De Minister van Justitie a.i.,
Trip