WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het teneinde de
diversiteit in het beroep van leraar te vergroten en meer ruimte te
bieden voor nieuwe kwaliteiten, alsmede vanwege de problematische
arbeidsmarktsituatie in het primair en voortgezet onderwijs wenselijk is
regelen te stellen opdat personen die niet de vereiste
onderwijsbevoegdheid bezitten maar wel geschikt worden geacht voor het
beroep van leraar, onder voorwaarden tijdelijk kunnen worden belast met
het geven van onderwijs in afwachting van het alsnog verkrijgen van die
bevoegdheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende regelingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, en voorzover het betreft het landbouwonderwijs, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. school:
1°. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
2°. een school voor speciaal onderwijs, een school of
instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een
school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra;
3°. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet
op het voortgezet onderwijs;
c. bevoegd gezag: het bevoegd gezag van een school;
d. directeur: de directeur, bedoeld in artikel 29, eerste lid,
van de Wet op het primair onderwijs of artikel 29, eerste lid, van
de Wet op de expertisecentra;
e. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger
onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die een
lerarenopleiding verzorgt;
f. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel
1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voorzover het
openbare instellingen voor hoger onderwijs betreft, de artikelen
9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet
van overeenkomstige toepassing zijn;
g. geschiktheidsverklaring: de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
verklaring;
h. geschiktheidsonderzoek: het in artikel 4, eerste lid, bedoelde
onderzoek;
i. bekwaamheidsonderzoek: het in artikel 6 bedoelde onderzoek.
Artikel 2. Zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs
1. In afwijking van de artikelen 3, 32 en 186 van de Wet op het
primair onderwijs, de artikelen 3, 32 en 171 van de Wet op de
expertisecentra en de artikelen 33 tot en met 37f van de Wet op het
voortgezet onderwijs, kan onderwijs worden gegeven door, en kan het
bevoegd gezag van een school tot leraar of directeur benoemen of
zonder benoeming tewerkstellen degene die:
a. voldoet aan het bij of krachtens die artikelen bepaalde ten
aanzien van het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, en
c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van
onderwijs is uitgesloten.
2. Benoeming of tewerkstelling zonder benoeming ingevolge het
eerste lid geschiedt voor een periode van ten hoogste twee
aaneengesloten schooljaren. De inspectie van het onderwijs kan op
aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat het bevoegd gezag de
benoemingsperiode of tewerkstellingsperiode met ten hoogste de helft
verlengt indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel
aanleiding geven. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal
na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt, tekent het feit en de
datum van benoeming aan op die verklaring.
Artikel 3. Geschiktheidsverklaring
1. Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek voldoende
geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet
worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het
bekwaamheidsonderzoek, wordt een geschiktheidsverklaring afgegeven
door het instellingsbestuur onder verantwoordelijkheid waarvan het
geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd.
2. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de
geschiktheidsverklaring vastgesteld.
Artikel 4. Geschiktheidsonderzoek
1. Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd
gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerk te stellen,
of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder
verantwoordelijkheid van een instellingsbestuur. Het
instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd
gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerk te stellen,
of indien de aanvraag wordt ingediend door betrokkene zelf, een
daartoe in overeenstemming met deze laatste uitgenodigd bevoegd gezag.
2. Het geschiktheidsonderzoek omvat:
a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke
of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, van
voldoende belang zijn in verhouding tot de door deze beoogde
werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is
b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor die
werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of
betrokkene in de feitelijke klassituatie tot verantwoord lesgeven in
staat is, alsmede
c. de beoordeling, welke scholing en begeleiding voor betrokkene
noodzakelijk moeten worden geacht om met goed gevolg deel te kunnen
nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
3. Uit de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek blijkt dat
betrokkene in het bezit is van:
a. een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen
van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger
beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, dan wel van een EG-verklaring als bedoeld
in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's,
b. een diploma van een middenkaderopleiding of van een
specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder
d respectievelijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of van
een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c,
van die wet, aangewezen op grond van artikel 7.24, tweede lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voorzover
betrokkene voornemens is onderwijs te geven in bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen beroepsgerichte vakken als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs, dan wel van een EG-verklaring als bedoeld in
de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen voor overeenkomstig
onderwijs, of
c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het
instellingsbestuur gelijkwaardig is aan een onder a of b bedoeld
getuigschrift of diploma.
4. Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop
gericht, vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over
kennis, inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het geven
van onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, in
aanmerking nemend dat betrokkene in de benoemingsperiode of
tewerkstellingsperiode begeleid en verder geschoold zal worden om met
goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek. De in de
eerste volzin bedoelde kennis en vaardigheden en het in die volzin
bedoelde inzicht zijn afgeleid van de in artikel 6 bedoelde
bekwaamheidseisen en omvatten in het bijzonder beroepsmatige
vaardigheden.
5. Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in
gelijke mate zijn betrokken, personeel van de desbetreffende instelling
voor hoger onderwijs voorzover belast met het geven van onderwijs in een
lerarenopleiding, alsmede vertegenwoordigers van leraren in het
desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden van het
bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek.
6. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid,
onder b, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 5. Scholings- en begeleidingsovereenkomst
Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die
werkzaamheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d en e,
uitvoert, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt, en betrokkene zelf,
sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat
met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en
begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt
dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden
uitgevoerd, treft het instellingsbestuur respectievelijk het bevoegd
gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening. Indien het bevoegd
gezag betrokkene tewerkstelt zonder benoeming, is de werkgever waarbij
betrokkene in dienst is, mede partij bij de in de eerste volzin bedoelde
overeenkomst.
Artikel 6. Bekwaamheidsonderzoek
1. Zodra de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding zijn
uitgevoerd volgens de in artikel 5 bedoelde overeenkomst, en tijdig
voor het verstrijken van de benoemingsperiode of
tewerkstellingsperiode, bedoeld in artikel 2, tweede lid, stelt het
instellingsbestuur van de instelling voor hoger onderwijs die de
scholing verzorgt of onder haar verantwoordelijkheid doet verzorgen,
de leraar in de gelegenheid deel te nemen aan een
bekwaamheidsonderzoek.
2. Door het bekwaamheidsonderzoek wordt vastgesteld of de leraar
de bekwaamheden bezit die in overeenstemming zijn met de kwaliteiten,
bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek zoals die zijn opgenomen in de onderwijs-
en examenregeling van de desbetreffende lerarenopleiding.
3. Het met goed gevolg deelnemen aan het bekwaamheidsonderzoek
wordt gelijkgesteld met het met goed gevolg afleggen van het afsluitend
examen van de desbetreffende lerarenopleiding, verzorgd door de in het
eerste lid bedoelde instelling, met dien verstande dat het daaraan
verbonden getuigschrift wordt uitgereikt door de daarvoor in aanmerking
komende examencommissie van die instelling. Het getuigschrift,
uitgereikt op grond van de eerste volzin, wordt ingericht volgens een
bij ministeriële regeling vast te stellen model, waarbij kan worden
afgeweken van de laatste volzin van artikel 7.11, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 7. Uitvoering geschiktheidsonderzoek, scholing en
begeleiding; bekwaamheidsonderzoek door instellingen voor hoger
onderwijs
1. Het instellingsbestuur dat zich daartoe bij Onze Minister
heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van
aanpak, in aanvulling op het bepaalde bij of krachtens de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bevoegd tot:
a. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren
van geschiktheidsonderzoek,
b. het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het
geschiktheidsonderzoek,
c. het met inachtneming van artikel 4, tweede lid, onder c, doen
van voorstellen omtrent de in dat artikel bedoelde scholing en
begeleiding,
d. het verzorgen of onder zijn verantwoordelijkheid doen verzorgen
van die scholing en begeleiding, en
e. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren
van bekwaamheidsonderzoek.
2. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het
geschiktheidsonderzoek een vergoeding is verschuldigd voor uitvoering
van dat onderzoek en afgifte van de geschiktheidsverklaring, alsmede
voor het bekwaamheidsonderzoek en afgifte van het in artikel 6, derde
lid, bedoelde getuigschrift. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor
deze bijdrage een maximum worden vastgesteld.
Artikel 8. Uitvoeringsvoorschriften
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
nadere voorschriften gegeven voor de uitvoering van artikel 4, tweede
lid, onder b, en vierde lid.
2. Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor de
uitvoering van deze wet, waaronder in elk geval voorschriften met
betrekking tot:
a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en
van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren,
b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek,
waaronder voorschriften ter waarborging van de kwaliteit,
c. de procedure voor het indienen van een aanvraag voor het
geschiktheidsonderzoek, voor afgifte van de geschiktheidsverklaring en
voor afgifte van het getuigschrift, bedoeld in artikel 6, derde lid,
alsmede
d. gevallen waarin men voor dezelfde werkzaamheden wenst te worden
benoemd aan scholen die niet uitgaan van hetzelfde bevoegd gezag, voor
welke gevallen bijzondere, zonodig van een of meer onderdelen van deze
wet afwijkende voorschriften kunnen worden vastgesteld met het oog op
een goede toepassing van deze wet.
3. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel
treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo
spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 9. Inkadering toepassing Interimwet in reguliere
voorschriften WPO, WEC en WVO
Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 2 tot en met 5 voorzover
die voorschriften afwijken van de Wet op het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt voor
de toepassing van die onderscheiden wetten aangemerkt als deel uitmakend
van de voorschriften bij en krachtens die wetten met betrekking tot het
geven van onderwijs door, en benoeming van leraren of directeuren.
Artikel 10. Kwaliteitsbewaking instellingen voor hoger onderwijs;
toezicht inspectie; sancties
1. Het instellingsbestuur draagt zorg voor de kwaliteit van de
in artikel 7, eerste lid, bedoelde werkzaamheden.
2. Hoofdstuk 5 van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek is van toepassing ten aanzien van
instellingen voor hoger onderwijs waarvan het instellingsbestuur een in
artikel 7, eerste lid, bedoelde melding heeft gedaan.
3. Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een instelling
voor hoger onderwijs een of meer van de in artikel 7, eerste lid,
genoemde bevoegdheden worden ontnomen indien gebleken is dat de
kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet
of niet meer wordt voldaan aan het bij en krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de ontneming.
Artikel 11. Inlichtingenplicht
1. Het bevoegd gezag en het instellingsbestuur dat zich op
grond van artikel 7, eerste lid, heeft gemeld, verstrekken aan Onze
Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een
goede naleving van deze wet.
2. Het in het eerste lid bedoelde instellingsbestuur zendt de
inspectie van het onderwijs telkens na zes maanden een overzicht van in
die periode afgegeven geschiktheidsverklaringen en
bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.
Artikel 12. Inpassing positieve resultaten eerste
geschiktheidsonderzoeken
Onze Minister kan voor inwerkingtreding van deze wet afgegeven
respectievelijk opgestelde verklaringen en adviezen voor de toepassing
van deze wet gelijkstellen met geschiktheidsverklaringen respectievelijk
gelijkstellen aan het oordeel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder c,
indien zij daarmee vergelijkbaar zijn.
Artikel 13. Invoeringsvoorziening uitvoeringsbesluit
Indien de in artikel 4, derde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel
8, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur niet is
vastgesteld bij inwerkingtreding van deze wet, kan in de onderwerpen van
die algemene maatregel van bestuur worden voorzien bij ministeriële
regeling, gedurende een periode van ten hoogste zes maanden gerekend
vanaf de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst.
Artikel 14. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en vervalt op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 15. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Interimwet zij-instroom leraren
primair en voortgezet onderwijs.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 juli 2000
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K.Y.I.J. Adelmund
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals