WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
organisatie bescherming bevolking op te heffen en met het oog daarop de
Wet bescherming bevolking (Stb. 1952, 404) en enige andere wetten
of onderdelen daarvan in te trekken alsmede enige daarmee verband
houdende voorzieningen te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. liquidatie: het geheel van publiekrechtelijke en
privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen, dat is
gericht op de opheffing van de organisatie bescherming bevolking en
op de vereffening van het vermogen van die organisatie, daaronder
begrepen de vaststelling van de voorlopige liquidatierekening en de
vereffening van het liquidatiesaldo;
c. kringraad: de kringraad, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
onder b. van de Wet bescherming bevolking (Stb. 1952,
404);
d. bevoegd gezag van de noodwacht: het gezag van de
gemeentelijke, kring-, provinciale en rijksnoodwacht (burgemeester,
respectievelijk kringraad, Commissaris van de Koningin, Minister van
Binnenlandse Zaken);
e. noodwachter: degene, die is benoemd dan wel in dienst genomen
op grond van artikel 9 van de Wet op de noodwachten (Stb.
1971, 61);
f. onroerende zaken: de grond, alsmede de gebouwen en werken die
duurzaam met de grond zijn verenigd, in eigendom van de kringen
bescherming bevolking, de commandoposten daaronder niet begrepen.
Hoofdstuk II. De intrekking
Artikel 2
1. De navolgende wetten of onderdelen daarvan worden
ingetrokken:
a. de Wet bescherming bevolking (Stb. 1952, 404) behoudens
de artikelen 4, tweede lid, 7 en 29;
b. de Wet bijdragen bescherming bevolking en verplaatsing bevolking
1961 (Stb. 1964, 121);
c. Titel I, IV, V, alsmede de artikelen 7a, 8, 8a,
10, 21, 23, 169 en 171a van de Wet op de noodwachten (Stb.
1971, 61);.
Hoofdstuk III. Algemene bepalingen met betrekking tot de liquidatie
Artikel 3
1. De gemeenschappelijke regelingen, bedoeld in artikel 14 van
de Wet bescherming bevolking, vervallen van rechtswege met ingang van
de datum van inwerkingtreding van deze wet.
2. De kringen, ingesteld bij de gemeenschappelijke regelingen,
bedoeld in het eerste lid, zijn van rechtswege ontbonden met ingang van
de datum van inwerkingtreding van deze wet.
3. De kringen blijven na hun ontbinding voortbestaan voor zover
en voor zolang zulks voor de liquidatie noodzakelijk is, doch uiterlijk
tot zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 4
1. De kringraad is uiterlijk tot zes maanden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet belast met de liquidatie.
2. De kringraad stelt daartoe binnen een maand na de datum van
inwerkingtreding van deze wet een overzicht op van de wijze, waarop de
liquidatie zal worden uitgevoerd. Het overzicht wordt aan gedeputeerde
staten en aan Onze Minister ter kennisneming toegezonden.
Artikel 5
1. Het bestuur van de gemeente waar de kring zijn zetel heeft,
is met de voortzetting van de liquidatie belast, indien na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de
liquidatie niet is voltooid.
2. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, vervallen de vermogensbestanddelen van de kring van
rechtswege aan het bestuur van de gemeente, bedoeld in het eerste lid.
Tevens gaan op dat moment de rechten en verplichtingen van de kring over
op het bestuur van deze gemeente.
Artikel 6
1. In een gemeente die niet behoort tot een op grond van de Wet
bescherming bevolking gevormde kring, is het bestuur van de gemeente
belast met de liquidatie.
2. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
De liquidatierekening wordt binnen een maand na de datum, waarop het
geheel van rechtshandelingen en overige handelingen, dat is gericht op
de opheffing van de organisatie bescherming bevolking, is voltooid,
voorlopig vastgesteld en wordt door de kringraad onderscheidenlijk het
bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, ter definitieve vaststelling
aan gedeputeerde staten en ter kennisneming aan Onze Minister gezonden.
Artikel 8
1. Gedeputeerde staten bepalen welk deel van het in de
liquidatierekening vastgestelde liquidatiesaldo ten gunste of ten
laste van het rijk komt en welk deel ten gunste of ten laste van de
deelnemers van de gemeenschappelijke regeling, dan wel in de gevallen
dat een gemeente niet behoort tot een op grond van de Wet bescherming
bevolking gevormde kring, ten gunste of ten laste van die gemeente
komt.
2. De verdeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt naar
evenredigheid van de bijdragen, die op grond van artikel 3 van de Wet
bijdragen bescherming bevolking en verplaatsing bevolking 1961 uit 's
Rijks kas beschikbaar zijn gesteld aan de kring, onderscheidenlijk de
gemeente en van de bijdragen, die vanaf de datum van inwerkingtreding
van die wet door de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling
onderscheidenlijk de gemeente terzake van de bescherming van de
bevolking beschikbaar zijn gesteld.
Artikel 9
1. In geval van een positief liquidatiesaldo is de kringraad,
onderscheidenlijk het bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, belast met de uitvoering van het besluit, bedoeld in
artikel 8.
2. In geval van een negatief liquidatiesaldo doen gedeputeerde
staten mededeling aan Onze Minister en aan de in de kring deelnemende
gemeenten, welk bedrag aan de kringraad, onderscheidenlijk aan het
bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dient te
worden betaald.
3. Het deel van het liquidatiesaldo dat ten gunste of ten laste
van de in de kring deelnemende gemeenten komt, wordt over deze gemeenten
verdeeld naar rato van het aantal inwoners daarvan op 1 januari van het
jaar voorafgaand aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt.
Artikel 10
1. In een gemeente als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is in
geval van een positief liquidatiesaldo het bestuur van de gemeente
belast met de uitvoering van het besluit, bedoeld in artikel 8.
2. In geval van een negatief liquidatiesaldo doen gedeputeerde
staten mededeling aan Onze Minister, welk bedrag aan het bestuur van de
gemeente, bedoeld in artikel 6, eerste lid, dient te worden betaald.
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen met betrekking tot personeel en
materieel
§ 1. Personeel
Artikel 11
1. Onze Minister onderzoekt tot een jaar na de datum van
inwerkingtreding van deze wet op welke wijze de noodwachters bij
voorrang in aanmerking kunnen worden gebracht voor herplaatsing bij
een regionale brandweer of bij een ander daarvoor in aanmerking komend
publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de
noodwachters die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 55 jaar
of ouder zijn en binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van
deze wet aan het bevoegd gezag te kennen hebben gegeven, dat zij niet in
aanmerking wensen te komen voor herplaatsing.
Artikel 12
1. Aan de noodwachter, die binnen of uiterlijk na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan
worden herplaatst, wordt op zijn verzoek door het bevoegd gezag eervol
ontslag verleend.
2. Aan de noodwachters, bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt
door het bevoegd gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag,
waarop de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, is verstreken, of
zoveel eerder als de liquidatie is voltooid.
3. Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede
lid, inachtneming van de opzegtermijn, genoemd in artikel 92, tweede
lid, van het Ambtenarenreglement noodwachters (Stb. 1955, 327) en
in artikel 75, tweede en derde lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit
noodwachters (Stb. 1955, 328), er toe zou leiden dat het ontslag
pas kan worden verleend met ingang van een dag, die ligt na de termijn,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze wet wordt die opzegtermijn
zodanig beperkt, dat het ontslag wordt verleend met ingang van de dag
waarop de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze wet is
verstreken.
Artikel 13
1. Ten opzichte van de noodwachter, aan wie na het verstrijken
van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geen ontslag is
verleend op grond van artikel 12, eerste of tweede lid, treedt Onze
Minister gedurende de zes daaropvolgende maanden op als bevoegd gezag
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Ambtenarenreglement
noodwachters en in artikel 1, onderdeel b, van het
Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters.
2. Indien de liquidatie is voltooid voordat de termijn, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, is verstreken, treedt Onze Minister ten
opzichte van de noodwachter die op het moment waarop de liquidatie is
voltooid niet is ontslagen op grond van artikel 12, eerste of tweede
lid, tot het tijdstip gelegen twaalf maanden na de datum van
inwerkingtreding van deze wet op als bevoegd gezag als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van het Ambtenarenreglement noodwachters en in
artikel 1, onderdeel b, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit
noodwachters.
Artikel 14
1. Aan de noodwachter, die tijdens de periode dat Onze Minister
voor hem optreedt als bevoegd gezag, bedoeld in artikel 13, eerste en
tweede lid, kan worden herplaatst, wordt op zijn verzoek door Onze
Minister eervol ontslag verleend.
2. Indien in het geval, bedoeld in het eerste lid, inachtneming
van de opzegtermijn, bedoeld in artikel 12, derde lid, er toe zou leiden
dat het ontslag pas kan worden verleend met ingang van een dag, die ligt
na een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt die
opzegtermijn zodanig beperkt, dat het ontslag wordt verleend met ingang
van de dag waarop een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet
is verstreken.
Artikel 15
1. Aan de noodwachter wordt door Onze Minister een jaar na de
datum van inwerkingtreding van deze wet eervol ontslag verleend,
indien het onderzoek, bedoeld in artikel 11, eerste lid, niet heeft
geleid tot het in aanmerking brengen van de noodwachter voor een in
verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende functie.
Artikel 95 van het Ambtenarenreglement noodwachters is niet van
toepassing.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste lid, wordt eveneens verleend
aan de noodwachter die weigert een hem aangeboden functie als bedoeld in
het eerste lid, te aanvaarden.
Artikel 16
1. De noodwachter in vaste of tijdelijke dienst, mits dit
laatste dienstverband tenminste vijf jaren heeft geduurd en de
aanstelling niet is geschied in een betrekking van kennelijk
tijdelijke aard, die is of wordt ontslagen op grond van het bepaalde
in artikel 12, eerste en tweede lid, artikel 14, eerste lid, en
artikel 15, eerste lid, heeft recht op wachtgeld volgens de regelen,
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur van 23 november 1972, Stb.
671, onverminderd het bepaalde in artikel 4 van die algemene
maatregel.
2. De noodwachter in tijdelijke dienst wiens dienstverband minder
dan vijf jaren heeft geduurd dan wel van kennelijk tijdelijke aard was,
alsmede de noodwachter in dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht, die is of wordt ontslagen op grond van het bepaalde in artikel
12, eerste en tweede lid, artikel 14, eerste lid, en artikel 15, eerste
lid, onderscheidenlijk wiens dienstverband dientengevolge wordt
beλindigd, heeft recht op uitkering volgens de regelen, vastgesteld bij
algemene maatregel van bestuur van 23 november 1972, Stb. 672,
onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van die algemene
maatregel.
3. Het wachtgeld en de uitkering, die op grond van het bepaalde
in het eerste en tweede lid door Onze Minister worden toegekend, komen
ten laste van hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
Artikel 17
1. De uitvoering van een beschikking, waarbij door het bevoegd
gezag krachtens artikel 102 of artikel 102a van het
Ambtenarenreglement noodwachters onderscheidenlijk artikel 80 van het
Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters wachtgeld op de voet van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 1979, 621) onderscheidenlijk
uitkering op de voet van de Uitkeringsregeling 1966 (Stb. 1979,
622) is toegekend, geschiedt na het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, of zoveel eerder als de liquidatie
is voltooid, door Onze Minister ten laste van hoofdstuk VII van de
rijksbegroting.
2. De toepassing van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en van de
Uitkeringsregeling 1966 met betrekking tot beschikkingen, bedoeld in het
eerste lid, geschiedt door Onze Minister.
Artikel 18
Indien een noodwachter, die op grond van het bepaalde in deze wet is
ontslagen, uit hoofde van ziekte aanspraak heeft of krijgt op
doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging, komt deze bezoldiging
ten laste van hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
Artikel 19
1. Met betrekking tot de noodwachter, die deelnemer is in een
"Instituut Ziektekostenvoorziening Ambtenaren" dan wel aan
de "Interprovinciale Ziektekostenregeling" en die op grond
van het bepaalde in artikel 16 recht heeft op een wachtgeld
onderscheidenlijk een uitkering, wordt het aandeel van de kring,
gemeente of provincie in de bijdrage, die aan het instituut dan wel de
regeling is verschuldigd, ten laste van hoofdstuk VII van de
rijksbegroting gebracht.
2. Het bepaalde in het eerste lid is eveneens van toepassing op
de deelnemer in een "Instituut Ziektekostenvoorziening
Ambtenaren" dan wel aan de "Interprovinciale
Ziektekostenregeling" die noodwachter is geweest en die als zodanig
voor inwerkingtreding van deze wet met recht op een wachtgeld of een
uitkering is ontslagen, dan wel is ontslagen wegens het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, een en ander voor zover het
werkgeversaandeel voor de datum van inwerkingtreding van deze wet niet
door hemzelf behoefde te worden betaald.
3. Ten aanzien van de noodwachter, die geen deelnemer is in een
"Instituut Ziektekostenvoorziening Ambtenaren", maar voor wie
de gemeente dan wel de kring een afzonderlijke ziektekostenvoorziening
heeft getroffen, is het bepaalde in het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
De hoedanigheid, bedoeld in artikel 7, onder b, c, d,
f en g van de Wet op de noodwachten, vervalt van
rechtswege met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 21
1. De uitvoering van de artikelen 15 en 22 van de Wet op de
noodwachten geschiedt door Onze Minister.
2. De kosten verbonden aan de uitvoering van de artikelen,
bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van hoofdstuk VII van de
rijksbegroting.
§ 2. Materieel
Artikel 22
1. De kringraad stelt het bestuur van de regionale brandweer in
de gelegenheid de goederen in eigendom van de kring, de onroerende
zaken daaronder begrepen, te kopen.
2. Binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet
verstrekt de kringraad hiertoe een schriftelijke opgave van de goederen
aan het bestuur van de regionale brandweer.
Artikel 23
1. Binnen een maand na ontvangst van de in artikel 22, tweede
lid, bedoelde opgave besluit het bestuur van de regionale brandweer of
de regionale brandweer de daarin vermelde goederen geheel of
gedeeltelijk wenst te kopen tegen een nader overeen te komen prijs en
doet het van dit besluit mededeling aan de kringraad.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan met een maand door
de kringraad worden verlengd. De regionale brandweer wordt geacht van de
koop af te zien, indien de mededeling niet tijdig wordt verstrekt.
3. Ten aanzien van die goederen die de regionale brandweer wenst
te kopen, treden het bestuur van de regionale brandweer en de kringraad
zo spoedig mogelijk in onderhandeling over de koop.
Artikel 24
1. Binnen een maand na dagtekening van de mededeling, bedoeld
in artikel 23, eerste lid, besluiten het bestuur van de regionale
brandweer en de kringraad over de koop onderscheidenlijk de verkoop.
2. De besluiten tot koop onderscheidenlijk verkoop van onroerende
zaken behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten dan wel in geval
de regionale brandweer of de kring in verschillende provincies is
gelegen, goedkeuring bij koninklijk besluit, gedeputeerde staten
gehoord.
3. De artikelen 155, tweede lid, 263, 264, 266, 272, tweede lid,
280, tweede lid, en 281 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
1. De commandoposten, in eigendom van de kringen dan wel de
gemeenten, worden binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding
van deze wet door het Rijk tegen boekwaarde in eigendom overgenomen.
2. Binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet
verstrekt de kringraad een opgave van de boekwaarde aan Onze Minister.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 26
Onze Minister vergoedt volgens door hem te stellen regels de kosten,
die voor de provincies, de kringen, de gemeenten, die niet behoren tot
een op grond van de Wet bescherming bevolking gevormde kring en de
gemeenten, die op grond van artikel 5, eerste lid, zijn belast met de
voortzetting van de liquidatie, voortvloeien uit het bepaalde in deze
wet.
Artikel 27
Onze Minister kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
wet.
Artikel 28
Het Ambtenarenreglement noodwachters alsmede het
Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters worden bij koninklijk besluit
op een in dat besluit te bepalen tijdstip ingetrokken.
Artikel 29
Het Besluit Bedrijfszelfbescherming (Stb. 1958, 147), het
Besluit bescherming waterleidingbedrijven (Stb. 1963, 361),
alsmede het Besluit bescherming gas- en electriciteitsbedrijven (Stb.
1957, 580) blijven van kracht totdat zij worden vervangen of
ingetrokken.
Artikel 30
1. Rechtsgedingen die betrekking hebben op de rechtspositie van
de noodwachter worden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 4,eerste lid, of zoveel eerder als de liquidatie is voltooid,
voortgezet door of tegen onderscheidenlijk gevoerd door of tegen Onze
Minister.
2. De overige rechtsgedingen, waarbij een kring betrokken is,
worden met ingang van de datum waarop de liquidatie is voltooid doch
uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet
voortgezet door of tegen de gemeente, waar de kring zijn zetel heeft.
3. Ten aanzien van de rechtsgedingen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, is het bepaalde in de artikelen 254 tot en met 262 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
De archiefbescheiden van de kring worden overgebracht naar de
archiefbewaarplaats van de gemeente waar de kring zijn zetel heeft, met
inachtneming van de bepalingen van de Archiefwet 1995 (Stb. 276).
Artikel 32
Geschillen omtrent de toepassing van deze wet worden bij koninklijk
besluit beslist, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel
112, eerste lid, van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing op
grond van artikel 112, tweede lid, van de Grondwet is opgedragen hetzij
aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de
rechterlijke macht behoren.
Artikel 33
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 34
Deze wet kan worden aangehaald als Intrekkingswet BB.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 juni 1986
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Van Amelsvoort
Uitgegeven de negentiende juni 1986
De Minister van Justitie a.i.,
R.W. de Korte