WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Centraal Bestuur, Regionaal
Bestuur, Algemene Directie en Regionale Directie: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht Arbeidsvoorzieningswet
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 2
1. De Arbeidsvoorzieningswet en de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet worden ingetrokken.
2. Voor de verschillende artikelen of onderdelen van de artikelen
van de Arbeidsvoorzieningswet kan bij koninklijk besluit het tijdstip
waarop deze vervallen verschillend worden gesteld.
Artikel 3
1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, genoemd in artikel 2 van
de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd.
2. Waar in een wettelijk voorschrift of enige andere regeling
sprake is van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een van haar organen
als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als zodanig beschouwd de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel het daartoe behorende orgaan,
bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Artikel 4
Aan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters, de leden en de
plaatsvervangende leden van het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening en van de Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening die op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet die functies bekleden wordt met ingang van
die datum ontslag verleend.
Artikel 5
Aan de leden van de raad, bedoeld in artikel 74 van de
Arbeidsvoorzieningswet, die op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet die functie bekleden wordt met ingang van
die datum ontslag verleend.
Artikel 6
De ontslagcommissie, bedoeld in artikel 37 van de
Arbeidsvoorzieningswet, de benoemingen van leden en plaatsvervangende
leden van die commissie, voor de daarbij vastgestelde tijd, en de regels
die zijn gesteld op grond van het zevende en het achtste lid van genoemd
artikel, berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 43 van die wet.
Artikel 7
De algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 61, eerste
lid, onderdeel d, van de Arbeidsvoorzieningswet berust met ingang
van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op
artikel 69, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
Artikel 8
De door het Centraal Bestuur op grond van de artikelen 18 en 21,
derde lid, onderscheidenlijk 66, eerste lid, 67 en 69 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum
van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 23,
onderscheidenlijk de artikelen 74, eerste lid, 75 en 77 van die wet.
Artikel 9
De door de Regionale Besturen op grond van de artikelen 30 en 33,
derde lid, van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met
ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet
1996, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang waarvan het Centraal
Bestuur toepassing geeft aan artikel 23, onderdeel b, van die
wet, op artikel 35 van laatstbedoelde wet.
Artikel 10
Het reglement, bedoeld in artikel 19 van de Wet persoonsregistraties
en vastgesteld door het Centraal Bestuur op grond van artikel 66, tweede
lid, van de Arbeidsvoorzieningswet berust met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot
en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op
artikel 74, tweede lid, van die wet.
Artikel 11
De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 14, tweede lid, van
de Arbeidsvoorzieningswet gestelde en door Onze Minister op grond van
artikel 109 van die wet goedgekeurde regels berusten met ingang van de
datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch
uiterlijk tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die
datum, op artikel 19, onderdeel b, van die wet en gelden voor
hetzelfde tijdvak als goedgekeurd door Onze Minister op grond van
artikel 87 van laatstbedoelde wet.
Artikel 12
De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 27 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum
van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk
tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op
artikel 32 van die wet en gelden voor hetzelfde tijdvak als goedgekeurd
door Onze Minister op grond van artikel 87 van laatstbedoelde wet.
Artikel 13
De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 99 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten
berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 81, eerste en tweede lid, van die
wet.
Artikel 14
De door de Regionale Besturen op grond van artikel 99 van de
Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten
berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang
waarvan het Centraal Bestuur toepassing geeft aan artikel 81, derde lid,
van die wet, op artikel 81, eerste en tweede lid, van laatstbedoelde
wet.
Artikel 15
De vaststelling van het aantal en de werkgebieden van de Regionale
Besturen, zoals deze ingevolge besluit van het Centraal Bestuur op grond
van artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet geldt, berust met ingang van
de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op
artikel 13 van die wet.
Artikel 16
1. Ten aanzien van de oprichting of mede-oprichting van en
deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen,
verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen door
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die heeft plaatsgevonden vóór de
datum van inwerkingtreding van deze wet, is artikel 10, tweede lid,
van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 eerst na verloop van één jaar na
die datum van toepassing.
2. Ten aanzien van een oprichting, mede-oprichting of deelneming
als bedoeld in het eerste lid waaruit geen verplichtingen, rechten of
bevoegdheden van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met betrekking tot de
stichting, maatschap, vennootschap, vereniging, coöperatie of
onderlinge waarborgmaatschappij zijn voortgevloeid of nog kunnen
voortvloeien, is artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 niet van toepassing.
Artikel 17
1. Onze Minister is bevoegd in plaats van de tijdstippen,
genoemd in de Afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, andere tijdstippen vast te stellen
alsmede te bepalen dat anderszins wordt afgeweken van de bij of
krachtens die afdelingen gegeven regels dan wel dat de toepassing
daarvan achterwege blijft, voor zover dat in verband met de datum van
inwerkingtreding van die wet noodzakelijk is.
2. Onze Minister is bevoegd, voor zover dat in verband met de
datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
noodzakelijk is, regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid van
het Centraal Bestuur en de Regionale Besturen tot het aangaan van
verplichtingen en het doen van uitgaven en de daaraan ten grondslag te
leggen begrotingen en beleidsplannen.
3. Onze Minister is overigens bevoegd met het oog op een goede
invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 regels te stellen, waarbij
zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij en krachtens die wet
en de Arbeidsvoorzieningswet.
4. Alvorens toepassing te geven aan dit artikel hoort Onze
Minister het Centraal Bestuur.