WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In de volgende bepalingen wordt onder
"de wet" verstaan de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W.,
doch met uitzondering van het tweede, vierde en vijfde gedeelte van die
wet.
2. De artikelen 68a tot en met 75, 78 lid 1, 79 tot en met
81, 117, 120, 173 en 182 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek gelden
mede ter regeling van het overgangsrecht in verband met de wijziging
door de wet in de wetgeving buiten de Boeken 3, 5, 6 en 7 van het nieuwe
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2
Ter zake van een dwangbevel, een bevelschrift of rechterlijk verlof
tot verkoop, vóór het in werking treden der wet uitgevaardigd, blijft
het voordien geldende recht van toepassing. Onverminderd het bepaalde in
artikel 19 geschiedt de tenuitvoerlegging nadien met toepassing van de
voorschriften der wet.
Titel 2. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het
Burgerlijk Wetboek
Afdeling 1. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van Boek
1
Artikel 3
Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden
van de wet heeft verricht, blijven de artikelen 87 tot en met 89 van
Boek 1, zoals die toen golden, van toepassing.
Artikel 4
Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden
van de wet in strijd met het toen geldende artikel 97 van Boek 1 heeft
verricht, blijft het toen geldende artikel 98 van Boek 1 van toepassing.
Artikel 5
De tweede en de derde zin van artikel 97 lid 1 van Boek 1 zijn van
hun in werking treden af mede van toepassing op de goederen die reeds
voordien in de gemeenschap waren gevallen.
Artikel 6
Artikel 376 van Boek 1, zoals dat gold tot aan het tijdstip van het
in werking treden van de wet, blijft van toepassing op hetgeen de
minderjarige op dat tijdstip aan de voogd na het einde van diens bewind
nog schuldig was gebleven. De vorige zin is van overeenkomstige
toepassing na het einde van een curatele.
Afdeling 2. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van Boek
2
Artikel 7
Artikel 4 lid 1 van Boek 2 bepaalt mede de gevolgen van de daar
genoemde gebreken in de oprichting van een rechtspersoon, welke vóór
het in werking treden van de wet is geschied.
Artikel 8
Op een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat vóór het in
werking treden van de wet is genomen, blijven de artikelen 11 tot en met
13 van Boek 2, zoals die toen golden, van toepassing.
Artikel 9
Op de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon, die nog
niet is voltooid op het tijdstip van het in werking treden van de wet,
zijn de artikelen 23 tot en met 23c van Boek 2 van toepassing,
behalve voor zover dit zou nopen tot het ongedaan maken van alsdan reeds
in overeenstemming met het voordien geldend recht getroffen maatregelen.
De wet wordt niet van toepassing ten aanzien van onderwerpen waaromtrent
vóór haar in werking treden een rechterlijke uitspraak is gevraagd.
Artikel 10
Op een vereniging die op het tijdstip van het in werking treden van
de wet bestaat, worden de wijzigingen van de artikelen 37, 38, 39 en 41a
van Boek 2 van toepassing nadat drie jaren na dat tijdstip zijn
verstreken.
Artikel 11
Op het tijdstip van het in werking treden van de wet wordt een
aandeel in een naamloze vennootschap of een beperkt recht daarop
verkregen, indien alsdan is voldaan aan het voorschrift van artikel 86
of artikel 196, en dat aandeel niet reeds voordien op grond van de toen
geldende tekst van dat artikel was geleverd.
Artikel 12
Artikel 21 lid 1, aanhef en onderdeel b van Boek 2, is
gedurende drie jaren van het tijdstip van het in werking treden van deze
wet af niet van toepassing op een stichting, waarvan de statuten niet
voldoen aan de wijzigingen welke in artikel 286 van Boek 2 bij deze wet
worden aangebracht.
Titel 3. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het
Wetboek van Koophandel
Artikel 13
Zekerheid die vóór het tijdstip van het in werking treden van de
wet was gesteld ingevolge artikel 167a, 167b, 227a
of 227b van het Wetboek van Koophandel, mag vanaf een jaar na dat
tijdstip ongedaan worden gemaakt, indien alsdan twintig jaren na het
stellen van de zekerheid zijn verstreken of anderszins de vereisten die
artikel 49 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voor voldoening tegen
enkele afgifte van een kwijting stelt, zijn vervuld.
Artikel 14
Artikel 263 van het Wetboek van Koophandel, zoals dat van het in
werking treden der wet af luidt, is slechts van toepassing in het geval
van koop van een zaak waarvoor artikel 10 van Boek 7 geldt.
Titel 4. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 15
Gedingen waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het
inleidende verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van het in
werking treden van de wet, worden geheel afgedaan met toepassing van de
voorschriften van procesrechtelijke aard die voor dat tijdstip golden,
voor zover niet uit de volgende artikelen anders voortvloeit. Het in de
vorige zin bepaalde geldt ook voor de afdoening van een eis of verzoek,
in het geding bij wege van reconventie gedaan, ook indien dat na het in
werking treden van de wet is geschied.
Artikel 16
Artikel 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit
van het in werking treden der wet af luidt, is van toepassing op alle
exploiten, beslagen en tenuitvoerleggingshandelingen die na dit in
werking treden plaatsvinden.
Artikel 17
1. Artikel 52 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
zoals dit van het in werking treden der wet af luidt is in plaats van
de voordien geldende artikelen 52 tot en met 55, 293 en 835 van
toepassing, indien het vonnis na dit in werking treden wordt
uitgesproken.
2. De artikelen 53 en 54 van dit wetboek, zoals deze van het in
werking treden der wet af luiden, zijn van toepassing in plaats van de
voordien geldende artikelen 351, 352, 405 en 406, indien in het geding
waarin op het tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel wordt beslist, op
het tijdstip van dit in werking treden nog een incidentele vordering van
de in die artikelen bedoelde aard kan worden ingesteld.
Artikel 17a
Artikel 125k lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering blijft van toepassing op verzoekschriften, ingediend na
het tijdstip van het in werking treden van de wet, indien de daarbij
gevorderde wettelijke rente voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1286
van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat vóór dat tijdstip gold.
Artikel 18
1. Een vóór het tijdstip van het in werking treden der wet
gelegd beslag wordt, voor zover uit de volgende leden en uit de andere
bepalingen van deze titel niet anders voortvloeit, naar het voordien
geldende recht afgewikkeld.
2. In het geval van het vorige lid worden van het in werking
treden der wet af tweede en volgende beslagen op hetzelfde goed met
toepassing van het nadien geldende recht gelegd en is geen oppositie
tegen afgifte van kooppenningen meer mogelijk. De afwikkeling van deze
beslagen geschiedt met toepassing van ditzelfde recht, behoudens voor
zover de afwikkeling van de eerder gelegde beslagen toepassing van het
voordien geldende recht eist.
3. Indien op het tijdstip van het in werking treden van de wet de
bevoegdheid bestond om krachtens een door de president gegeven
bevelschrift of verlof conservatoir beslag te leggen, kan die
bevoegdheid na dit tijdstip met inachtneming van het nieuwe recht worden
uitgeoefend. De eis in de hoofdzaak geldt als tijdig ingesteld, indien
zulks is geschied binnen acht dagen na het beslag of, indien het
bevelschrift of verlof daartoe een langere termijn inhoudt, binnen die
termijn. Voor de toepassing van artikel 702 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dit na het tijdstip van het in
werking treden zal gelden, wordt het bevelschrift of verlof met een
verlof als in dat artikel bedoeld gelijk gesteld.
4. Een executoriale verkoop door een beslaglegger die op het
tijdstip van het in werking treden van de wet nog niet was aangekondigd,
wordt volgens de bepalingen van het nadien geldende recht afgewikkeld.
Voor de toepassing van die bepalingen wordt een schuldeiser die voordien
oppositie tegen afgifte van kooppenningen heeft gedaan, gelijk gesteld
met een beslaglegger.
5. Een rangregeling wordt afgewikkeld naar het recht waaronder de
benoeming plaats vond van de rechter-commissaris, te wiens overstaan de
verdeling zal plaatsvinden.
6. Artikel 505 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, zoals dit van het in werking treden van de wet af
luidt, is van toepassing op beslagen die na dat tijdstip in de openbare
registers worden ingeschreven.
Artikel 19
1. Indien vóór het in werking treden der wet beslag onder een
derde was gelegd en op het tijdstip van dit in werking treden nog geen
dagvaarding tot het doen van verklaring als bedoeld in de artikelen
479 en 741 van dat wetboek, zoals deze voor het in werking treden van
de wet luidden, was uitgebracht, geschiedt vanaf de aanvang van de
termijn bedoeld in artikel 740, zoals dit toen luidde, de verdere
afwikkeling van het beslag met toepassing van het nadien geldende
recht. Zo niet binnen die termijn of, indien die termijn vóór het
tijdstip van het in werking treden van de wet was aangevangen, binnen
een maand na dat tijdstip, aan de derde een exploit is betekend,
waarbij is voldaan aan de eisen van artikel 475 van dat wetboek, zoals
dit na dit in werking treden luidt, zullen de betalingen, door de
derde gedaan, van waarde zijn.
2. Indien een vonnis als bedoeld in de artikelen 751 tot en met
754 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals deze voor het
in werking treden der wet luidden, nadien wordt uitgesproken, geschiedt
de in die artikelen bedoelde uitbetaling en afgifte met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 477 leden 1 en 5 en 478 leden 1, 2 en 3 van
dat wetboek, zoals deze nadien luiden, en vindt ook de verdere
afwikkeling naar het nadien geldende recht plaats.
Artikel 20
Artikel 513a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
zoals dit van het in werking treden der wet af luidt, is van toepassing
op alle beslagen die na het in werking treden der wet rusten op goederen
waarop dat artikel betrekking heeft.
Artikel 21
1. De bepalingen van de wet betreffende executie door een pand-
of hypotheekhouder zijn van toepassing, voor zover krachtens de
artikelen 110 en 116 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek de
bepalingen van dat wetboek betreffende een zodanige executie van
toepassing zijn.
2. In geval na openbare verkoop overeenkomstig artikel 1223,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat tevoren gold, de
artikelen 270 tot en met 273 van Boek 3 niet van toepassing zijn en een
rangregeling wordt verlangd, geschiedt deze met toepassing van het
vóór het in werking treden van de wet geldende recht.
Artikel 22
Een executie tot afgifte van een roerende zaak of ontruiming van een
onroerende zaak geschiedt naar het recht waaronder de executie is
aangevangen.
Artikel 23
1. Het vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet
geldende recht blijft tot een nader bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen tijdstip van toepassing op het beslag op en de executie van
schepen, luchtvaartuigen en de beperkte rechten waaraan deze zijn
onderworpen, zulks voor zover in de volgende leden niet anders is
bepaald.
2. Waar wordt gesproken van "overschrijving" of
"overschrijven" wordt voor de toepassing van de betreffende
bepalingen "inschrijving" en "inschrijven" gelezen
en geschiedt de inschrijving met inachtneming en met de gevolgen van het
bepaalde in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
en in de Kadasterwet.
3. Een rangregeling na de verkoop van een schip wordt afgewikkeld
naar het recht waaronder de benoeming van de rechter-commissaris
plaatsvindt, te wiens overstaan de verdeling zal plaatsvinden. Indien
het nieuwe recht van toepassing is, brengt dit de toepasselijkheid mee
van de artikelen 551-552 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
4. Van het in werking treden van de wet af geschiedt de
doorhaling van een beslag met toepassing van artikel 513a van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5. Aan de verplichtingen van de bewaarder, bedoeld in artikel 537d,
eerste lid, en 553 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in
artikel 25 Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen, wordt van het in werking
treden van de wet af voldaan door middel van een getuigschrift als
bedoeld in artikel 99, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 107, eerste
lid, Kadasterwet, waarin de inschrijvingen en de boekingen in de
registers voor voorlopige aantekeningen worden vermeld, die in verband
met die voorschriften van belang zijn.
6. Met betrekking tot een beslag als bedoeld in artikel 636 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden de leden 1-5
uitsluitend, voor zover dat beslag op een schip wordt gelegd.
7. Dit artikel geldt niet voor schepen waarop artikel 573 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is, en voor
luchtvaartuigen die niet in de openbare registers of in een
verdragsregister zijn ingeschreven.
Artikel 24
De artikelen 544 tot en met 548 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, zoals deze vóór het tijdstip van het in werking
treden van de wet golden, blijven nadien van toepassing op dan nog
bestaande grondrenten met dien verstande dat artikel 544 geacht wordt te
verwijzen naar de bepalingen van de wet betreffende inbeslagneming en
verkoop van onroerende zaken.
Artikel 25
Voor de toepassing van het overgangsrecht worden hoofdzaak en
schadestaatprocedure, onderscheidenlijk de procedures bedoeld in de
artikelen 615 en 618 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
zoals deze voor het in werking treden der wet luidden als afzonderlijke
gedingen beschouwd.
Artikel 26
Een voor het in werking treden van de wet aangevangen verzegeling
wordt naar het voordien geldende recht afgewikkeld en beëindigd.
Artikel 27
De artikelen 797a tot en met 797f zijn niet van
toepassing op een gerechtelijke bewaring die voor het in werking treden
van de wet is tot stand gekomen of door de rechter bevolen.
Titel 5. Overgangsbepaling in verband met de wijziging van het
Wetboek van Strafvordering
Artikel 28
Het vierde lid van artikel 552a is slechts van toepassing op
klaagschriften die na het in werking treden van de wet zijn ingediend.
Titel 6. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van de
Faillissementswet
Artikel 29
1. Op een faillissement dat vóór het tijdstip van het in
werking treden van de wet is uitgesproken en op een surséance van
betaling die vóór dat tijdstip voorlopig is verleend, is de wet niet
van toepassing.
2. Indien echter bepalingen van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuw
Burgerlijk Wetboek krachtens de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
van toepassing zijn, zijn tevens de voorschriften toepasselijk die in
verband met die bepalingen voor het geval van faillissement of
surséance van betaling in de Faillissementswet zijn opgenomen.
Artikel 30
1. De artikelen 36 en 230 vierde lid van de Faillissementswet
worden met ingang van het tijdstip van het in werking treden van
toepassing op bestaande rechtsvorderingen.
2. De artikelen 182 eerste lid en 188 eerste en tweede lid van de
Faillissementswet zijn van toepassing op de uitdelingslijsten die na het
in werking treden van de wet worden goedgekeurd en op de uitvoering
daarvan.
3. Artikel 232, onder 2°, van de Faillissementswet is van het in
werking treden van de wet af van toepassing op de nadien verschijnende
termijnen van de daar genoemde vorderingen.
Artikel 31
Indien krachtens artikel 182 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek op de gevolgen van een tekortschieten in de nakoming van een
overeenkomst het voor het in werking treden van de wet geldende recht
toepasselijk is, blijven ook de artikelen 37, 38, 236 en 237 van de
Faillissementswet, zoals deze voordien golden, van toepassing.
Titel 7. Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van andere
wetten
Artikel 32
Voor zover en zolang een bepaling uit de Boeken 3, 5 en 6 van het
Burgerlijk Wetboek of een bij deze wet vastgestelde wettelijke bepaling
of wijziging niet geldt ingevolge de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek of ingevolge dit gedeelte der wet, blijft een daarop steunende
wettelijke bepaling eveneens buiten toepassing.
Artikel 33
Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op regelingen met
betrekking tot beslag of executie, die in bijzondere wetten voorkomen en
die bij deze wet aan het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering worden
aangepast.
Artikel 34
Artikel 47, derde lid, van de Wet op het notarisambt vindt alleen
toepassing op verklaringen van erfrecht die na het in werking treden van
de wet zijn opgemaakt.
Artikel 35
Artikel 21 van de Pachtwet, zoals vastgesteld bij deze wet, geldt
vanaf drie jaar na het in werking treden van deze wet.
Artikel 36
1. De wijzigingen die bij de wet worden aangebracht in de
Onteigeningswet, zijn niet van toepassing op een onteigening waarin de
dagvaarding overeenkomstig artikel 18 of artikel 47 van die wet reeds
voor het tijdstip van het in werking treden der wet is uitgebracht.
2. Op de onteigening van een erfdienstbaarheid als bedoeld in
artikel 4 eerste lid van de Onteigeningswet zoals dat gold vóór het
tijdstip genoemd in het vorige lid, blijven de voordien geldende
bepalingen van toepassing, indien vóór dat tijdstip reeds een
terinzagelegging als bedoeld in artikel 7, 12, 80 of 143 van de
Onteigeningswet is geschied.
Artikel 37
De artikelen 48 tot en met 52 van de Grootboekwet, zoals die bij deze
wet zijn vastgesteld, zijn niet van toepassing, indien de schuldenaar of
de pandgever reeds vóór het in werking treden van de wet in de
nakoming van zijn verbintenis was tekortgeschoten en aan de pandgever de
uitwinning van het pand reeds was aangezegd.
Artikel 38
Van het in werking treden der wet af zijn op een recht dat in het
tevoren geldende artikel 5, derde lid onder b , laatste zinsnede
van de Belemmeringenwet Privaatrecht, werd aangeduid als niet met name
in het Burgerlijk Wetboek genoemd, de bepalingen van titel 8 van Boek 5
van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 39
1. Artikel 86, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek is niet van toepassing, zolang een vóór het in werking
treden van de wet, met toepassing van artikel 22 van de
Invorderingswet 1990 (Stb. 221) of artikel 156 van de Algemene
wet inzake de douane en de accijnzen (Stb. 1961, 31) gelegd
bodembeslag niet is afgewikkeld.
2. Artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel
156, vierde lid, van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen,
zoals die bij deze wet zijn vastgesteld, zijn niet van toepassing met
betrekking tot een vóór het tijdstip van het in werking treden van de
wet gelegd bodembeslag voor zover het betreft de rechten van hen die tot
aan dat tijdstip reeds op grond van de toenmalige artikelen 2014, tweede
lid, van het Burgerlijk Wetboek en 230 van het Wetboek van Koophandel
bevoegd waren tot de terugvordering van een in beslag genomen zaak.
Slotbepalingen
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
2. Onze Minister van Justitie kan de voorgaande bepalingen als
hoofdstuk of deel van een hoofdstuk in het geheel van de Invoeringswet
Boeken 3, 5 en 6 nieuw Burgerlijk Wetboek invoegen met de daartoe nodige
wijziging in de nummering, mede in de verwijzingen.
3. Deze wet kan worden aangehaald als Invoeringswet Boeken 3, 5
en 6 nieuw B.W. (twaalfde gedeelte).