WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «Onze
Ministers» verstaan: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze
Minister van Financiën.
Hoofdstuk 2. Overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling
Artikel 2
1. De algemene uitkering over de jaren 1997 tot en met 2000,
zoals deze voor een gemeente wordt vastgesteld overeenkomstig de
Financiële-verhoudingswet, wordt vermeerderd of verminderd met een
bedrag overeenkomstig de tabel die als bijlage 1 bij deze wet is
gevoegd. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten
goede aan het gemeentefonds.
2. Indien een gemeente die is vermeld in bijlage 1 is opgeheven,
vindt de vermeerdering of de vermindering plaats ten aanzien van de
algemene uitkering van de in artikel 44, eerste lid, van de Wet algemene
regels herindeling bedoelde gemeente waar alle rechten en verplichtingen
naar overgaan.
3. Onze Ministers passen bijlage 1 aan, zodra de gegevens over
1997 bekend zijn met betrekking tot de gecorrigeerde totalen, bedoeld in
de maatstaf, vermeld in bijlage 2, onder nummer 1. De aanpassing betreft
uitsluitend wijzigingen die direct voortvloeien uit deze gegevens over
de gecorrigeerde totalen.
Hoofdstuk 3. Overige overgangsmaatregelen
Artikel 3
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het
doorlopen en beëindigen na de inwerkingtreding van deze wet van
verplichtingen op grond van de Financiële-Verhoudingswet 1984.
Artikel 4
Hoofdstuk 1 en de paragrafen 2.1, 2.7, 3.3 en 3.15 van het Besluit
verfijningen algemene uitkering 1984 berusten na de inwerkingtreding van
deze wet op artikel 3.
Artikel 5
1. Dit artikel is van toepassing op de verfijningsuitkeringen,
bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 2.7.3 van het Besluit verfijningen
algemene uitkering 1984.
2. Het bij de berekening van het bedrag van een
verfijningsuitkering te hanteren bedrag per eenheid bedraagt één euro
per eenheid.
3. Het bedrag van een verfijningsuitkering is gelijk aan nul voor
de gemeenten waarop de verfijningsuitkering niet van toepassing is.
4. Het bedrag van een verfijningsuitkering strekt niet tot
uitbetaling aan een gemeente.
5. Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen
beschikbare bedrag voor een uitkeringsjaar, wordt naast de
verdeelmaatstaven die zijn bepaald in hoofdstuk 4 van deze wet of op
grond van artikel 8 van de Financiële-verhoudingswet, het bedrag van
een verfijningsuitkering voor het uitkeringsjaar als verdeelmaatstaf
gehanteerd.
Artikel 6
1. Dit artikel is van toepassing op de verfijningsuitkeringen,
bedoeld in de artikelen 2.7.1, 2.7.4, 3.3.1 en 3.15.1 van het Besluit
verfijningen algemene uitkering 1984.
2. Een gemeente heeft over een uitkeringsjaar recht op een bedrag
uit het gemeentefonds ter grootte van het bedrag van de
verfijningsuitkering voor die gemeente.
3. Voor zover voor de berekening van een verfijningsuitkering een
bedrag per eenheid moet worden vastgesteld, wordt dit bedrag vastgesteld
door Onze Ministers.
4. De verplichtingen met betrekking tot de in het tweede lid
bedoelde bedragen worden opgenomen in de vermelding, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet. Bij de bepaling van
het recht, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van die wet, worden deze
verplichtingen in mindering gebracht.
Artikel 7
Een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 38 van de
Financiële-Verhoudingswet 1984 berust na de inwerkingtreding van deze
wet op artikel 13 van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 8
1. Een beschikking waarbij een aanvullende uitkering is
verleend als bedoeld in artikel 12, zesde lid, van de
Financiële-Verhoudingswet 1984, blijft van kracht.
2. Een aanvullende uitkering als bedoeld in het eerste lid, wordt
voor de toepassing van de Financiële-verhoudingswet beschouwd als een
aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 12 van die wet.
3. Een verzoek van een gemeenteraad als bedoeld in artikel 12,
eerste lid, van de Financiële-Verhoudingswet 1984, voor de
uitkeringsjaren na de inwerkingtreding van deze wet, wordt beschouwd als
een aanvraag als bedoeld in artikel 12 van de
Financiële-verhoudingswet.
Artikel 9
1. De vaststelling van een uitkering uit het Gemeentefonds over
de uitkeringsjaren voor de inwerkingtreding van deze wet en de
rechtsgedingen die daarop betrekking hebben, geschieden volgens de bij
of krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1984 gestelde regels.
2. Indien de over de uitkeringsjaren vóór de inwerkingtreding
van deze wet verrichte betalingen aan een gemeente hoger of lager zijn
dan de voor die uitkeringsjaren vastgestelde uitkeringen wordt het
verschil teruggevorderd of uitbetaald. Het verschil komt ten goede aan
of ten laste van het gemeentefonds.
Artikel 10
1. Bij de vaststelling van de algemene uitkeringen uit het
gemeentefonds over het uitkeringsjaar 1997 wordt op deze uitkeringen
een bedrag van f 35 miljoen in mindering gebracht.
2. De verdeling over de gemeenten van het in het eerste lid
genoemde bedrag wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald. De
verdeling wordt gebaseerd op de overdracht of de toekomstige overdracht
op grond van artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs,
van bij een school behorende sportterreinen.
Hoofdstuk 4. De bepaling voor de eerste maal van de verdeelmaatstaven
en de vaststelling over 1997 van de bedragen per eenheid
Paragraaf 4.1 Algemeen
Artikel 11
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek;
b. rastervierkanten: vierkanten van 500 bij 500 meter, zoals deze
worden gebruikt in het geografisch basisregister van het CBS;
c. de uitkeringsfactor: het quotiënt van het voor de algemene
uitkeringen beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases.
Artikel 12
Dit hoofdstuk bevat de bepaling en de vaststelling, bedoeld in
artikel 24 van de Financiële-verhoudingswet.
Paragraaf 4.2 Algemene bepalingen in verband met de verdeelmaatstaven
Artikel 13
1. Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen
beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn
omschreven in bijlage 2 bij deze wet.
2. Bij de vaststelling van de algemene uitkering aan een gemeente
stellen Onze Ministers zo nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf
voor de gemeente vast. Voor zover in bijlage 2 bij een verdeelmaatstaf
een bron is vermeld, kunnen Onze Ministers het aantal eenheden ontlenen
aan een opgave van het vermelde orgaan of de vermelde instantie.
3. De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf
voor een gemeente geschiedt naar de toestand op 1 januari van het
uitkeringsjaar waarover het aantal wordt vastgesteld, tenzij in bijlage
2 een peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval
geschiedt de vaststelling naar de toestand op deze datum.
4. Indien op grond van het derde lid een peildatum moet worden
gehanteerd die ligt vóór de datum van instelling van de gemeente of
vóór de datum waarop de grenzen van de gemeente zijn gewijzigd,
stellen Onze Ministers het aantal eenheden vast op basis van een
redelijke schatting van de toestand zoals die op de peildatum zou zijn
geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was
ingegaan.
Artikel 14
Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent:
a. de toepassing van de in bijlage 2 en in paragraaf 4.3
gehanteerde begrippen;
b. de wijze van telling van het aantal eenheden per
verdeelmaatstaf per gemeente.
Paragraaf 4.3 Bijzondere bepalingen in verband met enkele
verdeelmaatstaven
Artikel 15
Bij de bepaling van het gecorrigeerde totaal, bedoeld in de maatstaf
die in bijlage 2, onder nummer 1, is vermeld, worden de waarden die op
grond van artikel 41 van de Wet waardering onroerende zaken geacht
worden de waarden per 1 januari 1995 te zijn en waarvan de peildatum
ligt op 1 januari 1992 of op 1 januari 1993, vermenigvuldigd met
respectievelijk 1,16 en 1,1.
Artikel 16
De maatstaf vermeld in bijlage 2, onder nummer 8, vervalt met ingang
van het uitkeringsjaar 1999.
Artikel 17
1. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern wordt
toegedeeld aan die kern zelf en aan de kernen in de lokale omgeving
van die kern. De aan een kern toegedeelde inwoners worden aangeduid
als potentiële lokale klanten van de kern.
2. Een woonkern bestaat uit de verzameling rastervierkanten die
25 of meer adressen omvatten en een zo groot mogelijk aaneengesloten
gebied binnen een gemeente vormen.
3. De woonkernen in de lokale omgeving van een kern zijn de
kernen die liggen binnen een afstand van 20 kilometer tot de kern.
4. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern bestaat uit
het aantal inwoners van de kern, vermeerderd met een aandeel van de in
de gemeente waarbinnen de kern is gelegen, niet in enige kern wonende
inwoners. Het aandeel is gelijk aan het aandeel van de inwoners van de
kern in het totaal aantal in een kern binnen de gemeente wonende
inwoners.
5. De toedeling aan de woonkernen geschiedt evenredig aan het
gecorrigeerde aantal inwoners van die kernen en omgekeerd evenredig aan
het kwadraat van de afstand tot die kernen. Daarbij wordt de afstand van
de kern tot zichzelf op 1 kilometer vastgesteld.
Artikel 18
1. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern wordt
toegedeeld aan die kern zelf en aan de kernen in de regionale omgeving
van die kern. De aan een kern toegedeelde inwoners worden aangeduid
als potentiële regionale klanten van de kern.
2. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat:
a. de woonkernen in de regionale omgeving van een kern, de kernen
zijn die liggen binnen een afstand van 60 kilometer tot de kern;
b. de toedeling aan de woonkernen evenredig geschiedt aan het
kwadraat van het gecorrigeerde aantal inwoners van die kernen en
omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die kernen.
Artikel 19
1. Onze Ministers dragen zorg voor een kaart, waarop de ligging
in de gemeenten is bepaald van:
a. de in bijlage 3 aangeduide historische kernen;
b. de in artikel 21 bedoelde bewoonde oorden en historische
aantallen woningen in die oorden.
2. Onze Ministers leggen de kaart ter inzage.
Artikel 20
De lengte van de historische waterwegen in of rondom een historische
kern wordt bepaald door het aantal meters historische waterweg in de
kern te vermenigvuldigen met twee, dit produkt te vermeerderen met het
aantal meters historische waterweg rondom de kern en deze som te
verminderen met 1000. Een negatief aantal wordt op nul vastgesteld.
Artikel 21
1. Bewoonde oorden zijn die oorden, welke in de in 1930
gehouden volkstelling zijn geregistreerd als een bewoond oord met 500
of meer woningen.
2. Het historisch aantal woningen in een bewoond oord is het
aantal woningen dat het oord omvatte overeenkomstig de gegevens van de
in het eerste lid bedoelde volkstelling.
Artikel 22
1. Onze Ministers stellen de omvang van een historische kern of
van de lengte van de waterwegen in of rondom een historische kern over
het uitkeringsjaar 1997 vast overeenkomstig de waarden zoals die bij
de inwerkingtreding van deze wet golden op grond van paragraaf 2.6 van
het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984.
2. Onze Ministers wijzigen de vaststelling van de omvang van een
historische kern of van de lengte van de waterwegen in of rondom een
historische kern slechts indien zij dit wenselijk achten in verband met
een aanmerkelijk verschil tussen de vastgestelde en de werkelijke
waarden.
3. Op de voorbereiding van een wijziging als bedoeld in het
tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 23
1. De omgevingsadressendichtheid van een adres is het aantal
adressen in de omgeving van het adres, gedeeld door het oppervlak in
vierkante kilometers van de omgeving.
2. De omgeving van een adres wordt gevormd door het
rastervierkant, waarin het adres is gelegen en de twaalf meest nabij
gelegen rastervierkanten.
Artikel 24
De gecorrigeerde daling van de algemene uitkering van de gemeente
waarvan de grenzen zijn gewijzigd wordt slechts bepaald indien artikel
2.7.1, 2.7.3 of 2.7.4 van het Besluit verfijningen algemene uitkering
1984 niet op de gemeente van toepassing is.
Paragraaf 4.4 De bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar 1997
Artikel 25
1. De bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar 1997, die
behoren bij de verdeelmaatstaven, bedoeld in artikel 5 en in dit
hoofdstuk, zijn vermeld in bijlage 4 bij deze wet.
2. Onze Ministers kunnen bijlage 4 aanpassen in verband met
wijzigingen ten aanzien van het fonds over de jaren 1996 en 1997, die
door middel van wijzigingen in de bedragen per eenheid over de gemeenten
verdeeld behoren te worden.
Hoofdstuk 5. Wijzigingen in enkele wetten
Artikel 26
[Wijzigt de Gemeentewet.]
Artikel 27
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 28
[Wijzigt de Wet Bodembescherming.]
Artikel 29
[Wijzigt de Wet herverdeling wegenbeheer.]
Artikel 30
De Financiële-Verhoudingswet 1984 wordt ingetrokken.
Artikel 31
[Wijzigt de Wet van 15 december 1993, houdende wijziging van het
stelsel van stichtingsnormen en opheffingsnormen in de Wet op het
basisonderwijs en van het huisvestingsstelsel in de Wet op het
basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1993, 716).]
Artikel 32
[Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid.]
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 33
Voor de plaatsing in het Staatsblad brengt Onze Minister van
Binnenlandse Zaken de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen
uit de Financiële-verhoudingswet met de nieuwe nummering van die wet in
overeenstemming.
Artikel 34
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet
Financiële-verhoudingswet.