WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
De vermogensbestanddelen van een
gemeente die toegerekend moeten worden aan het korps van
gemeentepolitie, gaan op het tijdstip waarop de Politiewet 1993 in
werking treedt, onder algemene titel over op de politieregio waarbij die
gemeente krachtens de bijlage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de
Politiewet 1993 is ingedeeld, met dien verstande dat:
a. de rechten en verplichtingen van de gemeente uit een
overeenkomst met een derde, behoudens voor zover de rechtsverhouding
of de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen ondeelbaar
zijn, bij de overgang worden gesplitst voor zover dat, in het
bijzonder in verband met de samenhang tussen die rechten en
verplichtingen en andere vermogensbestanddelen die al of niet op een
politieregio overgaan, noodzakelijk is; en
b. de vermogensbestanddelen in ieder geval overgaan of niet
overgaan overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, bepaalde.
2. Indien met betrekking tot vermogensbestanddelen die ingevolge
het eerste lid overgaan boekwaarden zijn opgenomen in de
gemeenterekening, zoals deze over het jaar voorafgaande aan dat waarin
de overgang plaatsvindt, is vastgesteld of zal worden vastgesteld,
verkrijgt de gemeente op het tijdstip van de overgang van de
desbetreffende vermogensbestanddelen een vordering op de politieregio
ter grootte van het bedrag van deze boekwaarden, met dien verstande dat
een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen
overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, bepaalde.
3. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover:
a. de boekwaarden na 1 januari 1989 in de gemeenterekening zijn
opgenomen; of
b. na 1 januari 1989 is afgeweken van de bestendige gedragslijn met
betrekking tot de vaststelling van de boekwaarden in de
gemeenterekening;
een en ander behoudens voor zover dit gerechtvaardigd was en niet in
verband stond met de reorganisatie van de politie, met dien verstande
dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen
overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, bepaalde.
4. Voor zover reserves of voorzieningen, opgenomen in de
gemeenterekening, zoals deze is vastgesteld of zal worden vastgesteld
over het jaar voorafgaande aan dat waarin de overgang van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, zijn toe
te rekenen aan het korps van gemeentepolitie, verkrijgt de politieregio
op het tijdstip van de overgang een vordering op de gemeente ter grootte
van het bedrag daarvan, met dien verstande dat een vordering in ieder
geval wordt verkregen of niet wordt verkregen overeenkomstig het
daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
5. Een vordering als bedoeld in het vierde lid ontstaat eveneens,
voor zover:
a. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1
januari 1989 van de gemeenterekening zijn verwijderd;
b. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1
januari 1989 zijn afgenomen doordat is afgeweken van de bestendige
gedragslijn met betrekking tot de vaststelling daarvan; of
c. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1
januari 1989 niet zijn opgenomen in de gemeenterekening, hoewel de
gemeente daartoe was gehouden op grond van een wettelijk voorschrift;
een en ander behoudens voor zover dit gerechtvaardigd was en niet in
verband stond met de reorganisatie van de politie, met dien verstande
dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen
overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, bepaalde.
6. Een politieregio waarop ingevolge het eerste lid een
onroerende zaak of een beperkt gebruiksrecht daarop van een gemeente is
overgegaan, is verplicht die zaak of dat recht bij een voorgenomen
vervreemding eerst aan de desbetreffende gemeente te koop aan te bieden
tegen een redelijke prijs.
7. Voor het bepalen van de redelijke prijs, bedoeld in het zesde
lid, geldt de boekwaarde, bedoeld in het tweede lid, als uitgangspunt
indien een voorgenomen vervreemding plaatsvindt voordat vijf jaren zijn
verstreken na het in artikel 1, eerste lid, bedoelde tijdstip, en de
gemeente in de tien jaren die zijn gelegen voor dat tijdstip ten behoeve
van die zaak geen middelen als bedoeld in artikel 9a van de
Politiewet (Stb. 1989, 223) heeft aangewend.
Artikel 2
1. De vermogensbestanddelen van de Staat die toegerekend moeten
worden aan een district van het Korps Rijkspolitie gaan op het
tijdstip waarop de Politiewet 1993 in werking treedt, onder algemene
titel over op de politieregio waarin dat district opgaat, met dien
verstande dat:
a. de rechten en verplichtingen van de Staat uit een overeenkomst
met een derde, behoudens voor zover de rechtsverhouding of de daaruit
voortvloeiende rechten en verplichtingen ondeelbaar zijn, bij de
overgang worden gesplitst voor zover dat, in het bijzonder in verband
met de samenhang tussen die rechten en verplichtingen en andere
vermogensbestanddelen die al of niet op een politieregio overgaan,
noodzakelijk is; en
b. de vermogensbestanddelen in ieder geval overgaan of niet
overgaan overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, bepaalde. Indien een district van het Korps
Rijkspolitie opgaat in meer dan een politieregio, gaan de
vermogensbestanddelen over op de onderscheiden politieregio's voor
zover zij zijn toe te rekenen aan het deel van het district dat in de
desbetreffende politieregio opgaat.
2. Indien een dringende reden van algemeen belang zich verzet
tegen de overgang van een vermogensbestanddeel, bedoeld in het eerste
lid, kan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken, uiterlijk drie maanden voor het in het eerste lid
bedoelde tijdstip dat vermogensbestanddeel daarvan uitzonderen.
Artikel 3
1. De in artikel 1, eerste lid, bedoelde vermogensbestanddelen,
de uit artikel 1, tweede, vierde en vijfde lid, voortvloeiende
vorderingen, de bij het desbetreffende korps van gemeentepolitie in
gebruik zijnde vermogensbestanddelen die niet aan dat korps moeten
worden toegerekend, de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
vermogensbestanddelen, alsmede de vermogensbestanddelen die ingevolge
artikel 2, tweede lid, zijn uitgezonderd van overgang, staan vermeld
op een lijst, die is opgemaakt
a. voor het onderdeel dat betrekking heeft op het korps van
gemeentepolitie van de gemeente van de burgemeester bedoeld in artikel
2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel:
door die gemeente en, namens de in te stellen politieregio, de in
artikel 3 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie
politiebestel bedoelde plaatsvervanger van die burgemeester;
b. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een ander korps van
gemeentepolitie: door de desbetreffende gemeente en, namens de in te
stellen politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet
tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel, en
c. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een district van het
Korps Rijkspolitie: door de Staat en, namens de in te stellen
politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet
tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel.
2. De lijst is zodanig opgesteld dat:
a. registergoederen die ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel
2, eerste lid, overgaan daarop zodanig worden omschreven dat de lijst
voldoet aan de vereisten van de Kadasterwet op het punt van
inschrijfbaarheid van stukken;
b. de overige vermogensbestanddelen die ingevolge artikel 1, eerste
lid, of artikel 2, eerste lid, overgaan, alsmede de bij de politie in
gebruik zijnde vermogensbestanddelen die niet overgaan op de
politieregio, daarop met voldoende bepaaldheid zijn omschreven;
c. daaruit blijkt hoe de in artikel 1, eerste lid, en artikel 2,
eerste lid, bedoelde rechten en verplichtingen worden gesplitst;
d. de grootte van de vorderingen, bedoeld in artikel 1, tweede,
vierde en vijfde lid, aan de hand daarvan voldoende bepaalbaar is;
e. daaruit blijkt of aan artikel 4, eerste lid, toepassing is of
moet worden gegeven.
3. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het
tijdstip waarop dit artikel in werking treedt overeenstemming hebben
bereikt over de inhoud van de lijst, delen zij dit onverwijld mede aan
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken.
4. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het
tijdstip waarop dit artikel in werking treedt geen overeenstemming
hebben bereikt over de inhoud van een lijst, leggen zij hetgeen hen
verdeeld houdt onverwijld ter advisering voor aan een commissie van drie
onafhankelijke deskundigen. Elk der betrokkenen benoemt één
deskundige, de twee aldus benoemde deskundigen benoemen een derde. De
commissie brengt uiterlijk een maand na het in de eerste volzin bedoelde
tijdstip haar advies uit. De betrokkenen dragen elk de helft van de
kosten van de advisering.
5. Uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop dit artikel in
werking treedt, delen de betrokkenen, bedoeld in het vierde lid, Onze
Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken mede of zij, mede gelet
op het advies, bedoeld in het vierde lid, alsnog overeenstemming hebben
bereikt over de inhoud van de lijst en, indien dit niet het geval is, op
welke punten tussen hen nog verschil van mening bestaat. Onze Ministers
van Justitie en van Binnenlandse Zaken stellen daarop, zo nodig gehoord
de betrokkenen, uiterlijk twee maanden na dit tijdstip te zamen de
desbetreffende lijst vast. Tegen deze beslissing staat geen voorziening
open.
6. De burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke
voorzieningen reorganisatie politiebestel, en diens plaatsvervanger
voeren over hun optreden namens de in te stellen politieregio zo veel
mogelijk overleg met het regionaal overlegorgaan.
Artikel 4
1. Indien het al of niet overgaan van een of meer
vermogensbestanddelen ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel 2
leidt tot een aanmerkelijke, onredelijke benadeling, komen de daarbij
betrokkenen een redelijke vergoeding overeen ter compensatie daarvan.
2. Recht op de in het eerste lid bedoelde vergoeding bestaat
slechts voor zover daarop aanspraak is gemaakt voordat drie maanden na
het in artikel 1, eerste lid, bedoelde tijdstip zijn verstreken.
3. Geschillen die uit de toepassing van het eerste en tweede lid
voortvloeien, worden onverwijld ter advisering voorgelegd aan een
commissie van drie onafhankelijke deskundigen. Elk der betrokkenen
benoemt één deskundige, de twee aldus benoemde deskundigen benoemen
een derde. De commissie brengt binnen een maand na benoeming van de
derde deskundige haar advies uit. Betrokkenen dragen elk de helft van de
kosten van de advisering.
Artikel 5
1. De rechter wijzigt op verlangen van een der partijen de
gevolgen van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, en
artikel 2, eerste lid, of ontbindt deze geheel of gedeeltelijk, indien
ten gevolge van de overgang van rechten of verplichtingen uit die
overeenkomst ongewijzigde instandhouding daarvan naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht. Aan de wijziging
of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
2. De bevoegdheid wijziging of ontbinding te verlangen vervalt op
het moment waarop zes maanden na de overgang zijn verstreken.
3. Indien de derde, bedoeld in artikel 1, eerste lid, en artikel
2, eerste lid, ten gevolge van de wijziging of ontbinding schade lijdt,
zijn de gemeente en de verkrijgende politieregio, onderscheidenlijk de
Staat en de verkrijgende politieregio of politieregio's, hoofdelijk
aansprakelijk voor de vergoeding daarvan.
4. Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een
recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een
partij bij die overeenkomst gelijk.
Artikel 6
1. Indien op grond van artikel 1, eerste lid, of artikel 2,
eerste lid, een registergoed overgaat, is degene aan wie dat
registergoed voor de overgang toebehoorde verplicht om deze overgang
onverwijld te doen inschrijven in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van titel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel
24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing.
2. Ter inschrijving van de overgang, bedoeld in het eerste lid,
wordt een uittreksel van de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
aangeboden.
Artikel 7
Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een gemeente of de
Staat betrokken is en die betrekking hebben op vermogensbestanddelen als
bedoeld in artikel 1 of 2, worden met ingang van het tijdstip van
overgang voortgezet door of tegen de politieregio waaraan die
vermogensbestanddelen toekomen.
Artikel 8
Ter zake van de verkrijging door de politieregio van de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 1 of artikel 2, blijft de
heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Hoofdstuk 2. Bepalingen inzake het personeel en enige andere
onderwerpen
Artikel 1
1. Op het tijdstip waarop de Politiewet 1993 in werking treedt,
gaan degenen die op de dag voorafgaand aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet voorkomen in een formatieplan dat is
opgesteld krachtens artikel 15 van de Wet tijdelijke voorzieningen
reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674), van rechtswege
over naar de politieregio dan wel naar het Korps landelijke
politiediensten waarop dat formatieplan betrekking heeft.
2. Op het in het eerste lid genoemde tijdstip gaan de
vrijwilligers die op de dag voorafgaand aan de datum van
inwerkingtreding van de Politiewet 1993 zijn aangenomen bij het Korps
Rijkspolitie en de gemeentepolitie en die op een lijst zijn opgenomen om
bij een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten als
vrijwillig ambtenaar van politie te gaan functioneren, van rechtswege
over naar die politieregio dan wel naar het Korps landelijke
politiediensten.
Artikel 2
Wettelijke procedures en rechtsgedingen die betrekking hebben op het
dienstverband van de in artikel 1 bedoelde personen, worden vanaf het in
dat artikel bedoelde tijdstip voortgezet door of tegen de politieregio,
bedoeld in artikel 1, dan wel de Staat.
Artikel 3
1. De functionarissen die op de dag voorafgaand aan de datum
van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 op grond van de artikelen
141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering met het opsporen van
strafbare feiten zijn belast, behouden die bevoegdheid tot het
opsporen van strafbare feiten gedurende één jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van de Politiewet 1993, voor zover hun functie
ongewijzigd blijft.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op die functionarissen
die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Politiewet 1993
ambtenaar van politie of militair van de Koninklijke marechaussee, als
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven over de wijze waarop functionarissen, als bedoeld in het
eerste lid, die voldoen aan de eisen voor beëdiging tot buitengewoon
opsporingsambtenaar, een akte van beëdiging verkrijgen.
4. De artikelen 152, 153, 157 en 159 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
De bepalingen uit deze Afdeling zijn niet van toepassing op de
verplichtingen van de Staat of een gemeente ten aanzien van personen met
wie het actieve dienstverband bij de gemeentepolitie of de rijkspolitie
dan wel een ander onderdeel van de Staat dat overgaat in het Korps
landelijke politiediensten, op de dag voorafgaand aan de datum van de
inwerkingtreding van de Politiewet 1993 niet meer bestaat.
Artikel 5
1. De archiefbescheiden van een korps van gemeentepolitie
betreffende zaken die nog niet zijn afgedaan, worden op het tijdstip
dat de Politiewet 1993 in werking treedt, overgedragen aan de
politieregio waarbij die gemeente krachtens de bijlage, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993, is ingedeeld.
2. De archiefbescheiden van een korps van gemeentepolitie
betreffende zaken die op het in het eerste lid bedoelde tijdstip zijn
afgedaan, maar die nog niet zijn overgebracht naar een
archiefbewaarplaats, worden op dat tijdstip overgedragen aan de in het
eerste lid bedoelde politieregio. De overbrenging van deze
archiefbescheiden ingevolge de Archiefwet 1995 (Stb. 276) naar
een in die wet genoemde archiefbewaarplaats geschiedt als had geen
overdracht plaatsgevonden.
3. Van de overdracht, bedoeld in het eerste en tweede lid, maken
degene onder wie de archiefbescheiden tot de overdracht hebben berust en
de beheerder van het politiekorps in de politieregio, bedoeld in het
eerste en tweede lid, een verklaring op, die ten minste inhoudt een
specificatie van deze archiefbescheiden. Zij bewaren ieder een door
beiden ondertekend exemplaar van deze verklaring.
Afdeling 2. Bepalingen inzake de aanpassingen van diverse wetten
Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 6
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 7
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 10
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 12
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 13
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 15
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 16
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 17
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 6
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 7
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 10
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 3. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 5. Ministerie van Defensie
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 6. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 7. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 6
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 7
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 10
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 12
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 13
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 8. Ministerie van Economische Zaken
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 9. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 10. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 6
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 7
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 8
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 10
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk 11. Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
Artikel 1
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 2
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Afdeling 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 1
Indien de bepalingen uit Afdeling 1 daarin niet voorzien, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken, regels worden gesteld die betrekking
hebben op aanspraken op uitkeringen of voorzieningen, of andere rechten
dan wel verplichtingen die samenhangen met de overgang van een
gemeentelijk politiekorps, een onderdeel van het Korps Rijkspolitie of
een ander onderdeel van de Staat naar een regionaal politiekorps of het
Korps landelijke politiediensten, met de feitelijke integratie van deze
korpsen of diensten, dan wel die anderszins samenhangen met de
reorganisatie van het politiebestel.
Artikel 2
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bij
koninklijke boodschap van 10 maart 1992 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van binnentredingsbepalingen (kamerstukken II 1991/92, 22 539,
nr. 2) nog niet in werking is getreden, komen de bevoegdheden die in de
door dat wetsvoorstel te wijzigen bepalingen zijn toegekend aan
functionarissen van gemeente- of rijkspolitie, tot het tijdstip van de
inwerkingtreding van dat voorstel van wet toe aan ambtenaren met gelijke
functie of rang bij de regionale politiekorpsen of het Korps landelijke
politiediensten.
Artikel 3
De Politiewet 1993 treedt in werking met ingang van de eerste dag van
de derde kalendermaand na het tijdstip waarop dit wetsvoorstel tot wet
wordt verheven en de bepalingen uit Afdeling 1, Hoofdstuk 1, in werking
zijn getreden, dan wel eerder op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 4
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 5
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Politiewet 1993.
Artikel 6
1. Voor het tijdstip van plaatsing in het Staatsblad
vervangt Onze Minister van Justitie de in deze wet voorkomende
aanduiding "19.." door het jaartal van het Staatsblad,
waarin het bij koninklijke boodschap van 27 maart 1992 ingediende
voorstel van wet tot vaststelling van een nieuwe Politiewet, na tot
wet te zijn verheven, is geplaatst.
2. De tekst van de Politiewet 1993 wordt in het Staatsblad
geplaatst nadat:
a. afdeling 2, hoofdstuk 1, artikel 17, in werking is getreden,
b. het bij koninklijke boodschap van 4 november 1992 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet en van een aantal
andere wetten met het oog op de invoering van de Gemeentewet en
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Gemeentewet
(Invoeringswet Gemeentewet) (kamerstukken II 1992/93, 22 893, nr. 2)
tot wet is verheven en in werking is getreden,
c. het bij koninklijke boodschap van 6 april 1993 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Provinciewet en een aantal
andere wetten met het oog op de invoering van de Provinciewet en
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Provinciewet
(Invoeringswet Provinciewet) (kamerstukken II 1992/93, 23 086, nr. 2)
tot wet is verheven en in werking is getreden, en
d. het bij koninklijke boodschap van 20 augustus 1993 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
alsmede nadere aanpassing van een aantal wetten aan de Algemene wet
bestuursrecht (Aanpassingswet Awb III) (kamerstukken II 1992/93, 23
258, nr. 2) tot wet is verheven en onderdeel 5 van die wet in werking
is getreden.
3. Voor de in het tweede lid bedoelde plaatsing brengt Onze
Minister van Justitie de in de Politiewet 1993 voorkomende
verwijzingen naar de Provinciewet en de Gemeentewet in overeenstemming
met de ingevolge artikel 4 van hoofdstuk IX van de Invoeringswet
Provinciewet vastgestelde nieuwe nummering van de Provinciewet
onderscheidenlijk de ingevolge artikel 4 van hoofdstuk XIII van de
Invoeringswet Gemeentewet vastgestelde nieuwe nummering van de
Gemeentewet.