WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel II
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel III
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel IV
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel V
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel VI
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel VII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel VIII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel IX
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel X
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XI
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XII
De navolgende wetten worden ingetrokken:
1°. De Wet op de accijns van alcoholhoudende stoffen (Stb.
1963, 240);
2°. De Wet op de accijns van bier (Stb. 1963, 241);
3°. De Wet op de accijns van suiker (Stb. 1964, 206);
4°. De Wet op de accijns van minerale oliën (Stb. 1964,
207);
5°. De Wet op de accijns van tabaksfabrikaten (Stb. 1964,
208);
6°. De Wet op de accijns van alcoholvrije dranken (Stb.
1971, 731).
Artikel XIII
1. De bepalingen van de bij artikel XII ingetrokken wetten
blijven van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de
verschuldigdheid van accijns of de verplichting tot voldoening van
accijns die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 1992 en met
betrekking tot strafbare feiten die hebben plaatsgevonden vóór die
datum.
2. De artikelen 108, 109 en 110 van de Algemene wet inzake de
douane en de accijnzen blijven van toepassing met betrekking tot
bezwaren inzake accijnzen als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van
die wet voor zover de dag waarop de toepassing van het tarief van de
accijnzen bekend is geworden of de dagtekening van de uitnodiging, de
mededeling of de beschikking is gelegen vóór 1 januari 1992.
3. Hoofdstuk VIII van de Algemene wet inzake de douane en de
accijnzen blijft van toepassing met betrekking tot beroepschriften
inzake administratieve boete voor zover de dag waarop degene die de
boete heeft belopen schriftelijk daarvan in kennis is gesteld, is
gelegen vóór 1 januari 1992.
4. Hoofdstuk IX van de Algemene wet inzake de douane en de
accijnzen alsmede artikel LIX van de Invoeringswet Invorderingswet 1990
blijven van toepassing met betrekking tot de invordering van betalingen
die verschuldigd zijn geworden vóór 1 januari 1992.
Artikel XIV
1. Op grond van de in artikel XII bedoelde wetten verleende
vergunningen of goedkeuringen voor het vervaardigen van
accijnsgoederen, voor het opslaan van accijnsgoederen onder krediet
voor de accijns of voor het opslaan van accijnsgoederen zonder
verschuldigdheid van de accijns, alsmede op grond van de Algemene wet
inzake de douane en de accijnzen verleende vergunningen voor een
accijnsentrepot, worden tot wederopzegging aangemerkt als krachtens de
Wet op de accijns verleende vergunningen voor een
accijnsgoederenplaats.
2. Op grond van de in artikel XII bedoelde wetten en op grond van
de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen gestelde zekerheden
inzake de vervaardiging of de opslag van accijnsgoederen, worden
aangemerkt als op grond van de Wet op de accijns gestelde zekerheden.
3. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of de plaatsen
waarvan de in het eerste lid bedoelde vergunning of goedkeuring
ingevolge dat lid wordt aangemerkt als een vergunning voor een
accijnsgoederenplaats, voldoen aan de bij of krachtens de Wet op de
accijns gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor
een accijnsgoederenplaats.
Artikel XV
1. Op grond van de in artikel XII bedoelde wetten verleende
vergunningen voor het betrekken of afleveren van goederen met
vrijstelling van accijns, worden tot wederopzegging aangemerkt als bij
of krachtens hoofdstuk V van de Wet op de accijns verleende
vergunningen.
2. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of degenen van
wie de in het eerste lid bedoelde vergunning ingevolge dat lid wordt
aangemerkt als een bij of krachtens hoofdstuk V van de Wet op de accijns
verleende vergunning, voldoen aan de bij of krachtens de Wet op de
accijns gestelde voorwaarden voor de afgifte van de laatstbedoelde
vergunning.
Artikel XVI
In afwijking in zoverre van artikel 1, artikel 7 en de artikelen 52
tot en met 55 van de Wet op de accijns, wordt de accijns van bier met
ingang van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1992 geheven met
toepassing van de artikelen XVII tot en met XXI.
Artikel XVII
De accijns van bier wordt geheven ter zake van het hier te lande
vervaardigen en van de invoer van bier.
Artikel XVIII
1. De accijns waaraan het hier te lande vervaardigde bier is
onderworpen, wordt berekend naar het aantal hectolitergraden wort van
het brouwsel en bedraagt per hectolitergraad wort:
a. voor de eerste 800 000 hectolitergraden f 9,19;
b. voor de hectolitergraden boven 800 000 f 10,28.
2. Indien aan het eind van het kalenderjaar blijkt dat het aantal
hectolitergraden wort in dat jaar een hoeveelheid van 90 000 niet heeft
overschreden, bedraagt de accijns in afwijking van het eerste lid, per
hectolitergraad wort f 8,69 en vindt herrekening plaats. De inspecteur
stelt het aan de brouwer terug te geven bedrag bij beschikking vast.
3. Bij ministeriële regeling kan, onder daarbij te stellen
voorwaarden en beperkingen, worden bepaald dat het in het tweede lid
vermelde tarief reeds bij de aanvang van het kalenderjaar toepassing
vindt.
4. Het aantal hectolitergraden wort is het produkt van de
hoeveelheid wort bij een temperatuur van 17,5 °C en het verschil tussen
de dichtheid van het wort en de dichtheid van zuiver water, beide bij
die temperatuur. De hoeveelheid wordt uitgedrukt in hectoliters, met
verwaarlozing van gedeelten van een hectoliter. Het verschil in
dichtheid wordt uitgedrukt in graden in tienden nauwkeurig, met
verwaarlozing van gedeelten van een tiende graad. Iedere graad
vertegenwoordigt een honderdste gedeelte van de dichtheid van zuiver
water bij een temperatuur van 17,5 °C.
5. Het aantal hectolitergraden wort wordt uitgedrukt in een
geheel getal, met verwaarlozing van gedeelten van een hectolitergraad.
6. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt in
aanmerking genomen het aantal hectolitergraden wort van de brouwsels die
in dezelfde brouwerij in een kalenderjaar zijn vervaardigd.
7. Indien de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats voor
bier de brouwerij slechts gedurende een gedeelte van een kalenderjaar in
werking heeft gehad, wordt het in het eerste en tweede lid vermelde
aantal hectolitergraden wort voor dat jaar naar evenredigheid
verminderd.
Artikel XIX
1. De accijns waaraan het bier dat wordt ingevoerd is
onderworpen, wordt berekend naar het aantal hectolitergraden bier.
2. De accijns voor bier dat wordt ingevoerd op fles bedraagt per
hectolitergraad bier f 10,50.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de accijns voor bier
op fles, dat afkomstig is van een brouwerij waarvan in het voorafgaande
kalenderjaar niet meer dan 950 000 hectolitergraden bier is ingevoerd
anders dan met vrijstelling, f 10,21 per hectolitergraad bier.
4. De accijns voor bier dat wordt ingevoerd anders dan op fles
bedraagt per hectolitergraad bier f 9,90.
5. In afwijking van het vierde lid bedraagt de accijns voor bier
anders dan op fles, dat afkomstig is van een brouwerij waarvan in het
voorafgaande kalenderjaar niet meer dan 950 000 hectolitergraden bier is
ingevoerd anders dan met vrijstelling, f 9,67 per hectolitergraad bier.
6. In afwijking van het tweede tot en met het vijfde lid bedraagt
de accijns voor bier dat afkomstig is van een brouwerij die in het
voorafgaande kalenderjaar een totale jaarproduktie had van niet meer dan
90 000 hectolitergraden wort:
a. voor bier op fles f 9,65 per hectolitergraad bier;
b. voor bier anders dan op fles f 9,14 per hectolitergraad bier.
7. Het aantal hectolitergraden bier is het produkt van de
hoeveelheid ingevoerd bier en het verschil tussen de dichtheid van het
wort waaruit dat bier is vervaardigd en de dichtheid van zuiver water,
beide bij een temperatuur van 17,5 °C. De hoeveelheid wordt uitgedrukt
in hectoliters in honderdsten nauwkeurig, met verwaarlozing van
gedeelten van een honderdste hectoliter. Het verschil in dichtheid wordt
uitgedrukt in graden in tienden nauwkeurig, met verwaarlozing van
gedeelten van een tiende graad. Iedere graad vertegenwoordigt een
honderdste gedeelte van de dichtheid van zuiver water bij een
temperatuur van 17,5 °C.
8. Het aantal hectolitergraden bier wordt uitgedrukt in een
geheel getal, met verwaarlozing van gedeelten van een hectolitergraad.
9. Het bepaalde in artikel XVIII, vierde, vijfde, zesde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter zake van de uitvoering.
Artikel XX
1. De accijns van bier dat hier te lande wordt vervaardigd,
wordt verschuldigd op het tijdstip gelegen direct na het koken van het
wort.
2. De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats voor bier
doet, in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, voor het einde van de maand aangifte van het in de
voorafgaande maand vervaardigde aantal hectolitergraden wort en van het
aantal hectolitergraden wort dat is gebezigd voor de bereiding van het
bier dat in die maand is afgeleverd met vrijstelling van accijns, is
uitgevoerd en is teloorgegaan.
3. Op de over een maand verschuldigde accijns wordt in mindering
gebracht de accijns over het bier dat in dezelfde maand met vrijstelling
van accijns is afgeleverd, is uitgevoerd en is teloorgegaan.
4. Het op grond van het derde lid verkregen bedrag wordt, in
afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
voldaan uiterlijk de twintigste dag van de derde maand volgende op de
maand waarop de aangifte betrekking heeft.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de
berekening van het aantal hectolitergraden wort dat is gebezigd voor de
bereiding van het bier dat is afgeleverd met vrijstelling van accijns,
is uitgevoerd en is teloorgegaan.
Artikel XXI
Tot 1 januari 1993 wordt een vergunning voor een
accijnsgoederenplaats voor bier uitsluitend verleend ten behoeve van de
vervaardiging van bier.
Artikel XXII
1. De artikelen XVI tot en met XX blijven na 31 december 1992
van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de
verschuldigdheid van accijns of de verplichting tot voldoening van
accijns voor zover die hebben plaatsgevonden in de periode van 1
januari 1992 tot en met 31 december 1992 en met betrekking tot
strafbare feiten die hebben plaatsgevonden in die periode.
2. De houder van een accijnsgoederenplaats voor bier doet
uiterlijk 7 januari 1993 aangifte van de bij de aanvang van 1 januari
1993 in zijn accijnsgoederenplaats aanwezige hoeveelheid al dan niet
bewerkte wort en van de hoeveelheid wort die is gebezigd voor de
bereiding van de op dat tijdstip aanwezige hoeveelheid bier, uitgedrukt
in hectolitergraden wort. Artikel XX, vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Op de na 31 december 1992 ter zake van de uitslag van bier te
betalen accijns wordt in mindering gebracht de accijns die over de in
het tweede lid bedoelde hoeveelheid verschuldigd is of reeds voldaan is.
Artikel XXIII
1. De hoeveelheid wijn die bij de aanvang van 1 januari 1992
aanwezig is in een kredietbergplaats voor wijn als bedoeld in artikel
59 van het Besluit accijns van alcoholhoudende stoffen (Stb.
1963, 252) wordt aangemerkt als te zijn uitgeslagen uit de
kredietbergplaats en te zijn ingeslagen in de accijnsgoederenplaats
van de handelaar.
2. De rekening van de handelaar als bedoeld in artikel 69 van dat
besluit wordt voor de in het eerste lid bedoelde hoeveelheid gezuiverd.
Artikel XXIV
1. Houders van accijnsgoederenplaatsen voor wijn doen uiterlijk
7 januari 1992 aangifte van de bij de aanvang van 1 januari 1992 in
hun accijnsgoederenplaats aanwezige hoeveelheden wijn onderscheiden
naar wijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 12%vol, meer dan 12
doch niet meer dan 15%vol, en meer dan 15%vol.
2. Ter zake van de uitslag van wijn vanaf 1 januari 1992 blijft
tot de ingevolge het eerste lid aangegeven hoeveelheden de heffing van
accijns per 0,1%vol als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Wet op
de accijns achterwege.
Artikel XXV
1. Branders, distillateurs van de eerste klasse en houders van
kredietbergplaatsen als bedoeld in hoofdstuk I, afdeling 2, van de Wet
op de accijns van alcoholhoudende stoffen doen uiterlijk 7 januari
1992 aangifte van de bij de aanvang van 1 januari 1992 in hun
kredietpanden aanwezige hoeveelheid alcoholhoudende stoffen.
2. De aangifte wordt gedaan in liters absolute alcohol bij een
temperatuur van 20°C.
3. De inspecteur sluit de rekening die hij houdt met de brander,
distillateur van de eerste klasse of houder van de kredietbergplaats af
overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk I, afdeling 5, van de Wet op
de accijns van alcoholhoudende stoffen. De in het eerste lid bedoelde
aangifte wordt aangemerkt als een peilbewijs in de zin van de
vorenbedoelde afdeling 5.
4. Van een bevonden ondermaat wordt de accijns voldaan
overeenkomstig artikel 44 van de Wet op de accijns van alcoholhoudende
stoffen.
5. De aan het eind van 31 december 1991 volgens de afsluiting van
de rekening aanwezige hoeveelheid alcoholhoudende stoffen, met inbegrip
van de eventueel bevonden overmaat, wordt aangemerkt als te zijn
uitgeslagen uit het kredietpand van de brander, distillateur van de
eerste klasse, of houder van een kredietbergplaats en te zijn ingeslagen
in zijn accijnsgoederenplaats. Ter zake van deze uitslag wordt de
rekening gezuiverd.
Artikel XXVI
1. Op grond van hoofdstuk I, afdeling 2, onderafdeling 2, en
hoofdstuk IV van de Wet op de accijns van alcoholhoudende stoffen
verleende bewijzen van goedkeuring tot het voorhanden hebben van een
distilleertoestel in een distilleerderij van de tweede klasse
onderscheidenlijk verleende vergunningen tot het voorhanden hebben en
vervaardigen van een distilleertoestel, worden tot wederopzegging
aangemerkt als op grond van artikel 90 van de Wet op de accijns
verleende vergunningen.
2. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of degenen van
wie de in het eerste lid bedoelde vergunning of goedkeuring ingevolge
dat lid wordt aangemerkt als een op grond van artikel 90 van de Wet op
de accijns verleende vergunning, voldoen aan de krachtens artikel 90 van
de Wet op de accijns voor de afgifte van de laatstbedoelde vergunning
gestelde voorwaarden.
Artikel XXVII
1. Fabrikanten van parfumerieën, toiletartikelen en
kosmetische produkten aan wie een vergunning is verleend als bedoeld
in de Beschikking aflopend krediet voor de accijns van alcoholhoudende
stoffen (Stcrt. 1967, 213) doen uiterlijk 7 januari 1992
aangifte van de bij de aanvang van 1 januari 1992 in hun fabriek
aanwezige hoeveelheid alcoholhoudende stoffen.
2. In de aangifte wordt een onderscheid gemaakt naar:
a. de hoeveelheid waarvoor de accijns op het tijdstip waarop deze
wet in werking treedt reeds is voldaan;
b. de hoeveelheid waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt nog aflopend krediet wordt genoten.
3. De inspecteur verleent teruggaaf van de accijns over de in het
tweede lid, onderdeel a, bedoelde hoeveelheid.
4. De inspecteur verleent afschrijving van accijns over de in het
tweede lid, onderdeel b, bedoelde hoeveelheid.
5. De inspecteur stelt het bedrag van de teruggaaf en het bedrag
van de afschrijving vast bij beschikking.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels voor de
uitvoering van de teruggaaf worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald
dat de teruggaaf naar forfaitaire maatstaven geschiedt.
Artikel XXVIII
1. Voor alcoholhoudende parfumerieën, toiletartikelen en
kosmetische produkten die bij de aanvang van 1 januari 1992 aanwezig
zijn in of in vervoer zijn naar een opslagplaats wordt op verzoek
teruggaaf van accijns verleend ten bedrage van f 10,40 per hectoliter
per volumepercent alcohol bij een temperatuur van 20 °C.
2. De teruggaaf wordt niet verleend voor parfumerieën,
toiletartikelen en kosmetische produkten:
a. die aanwezig zijn in een douane-entrepot of
accijnsgoederenplaats, dan wel in vervoer zijn daarnaar toe;
b. waarvoor volledige vrijstelling van accijns geldt.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels voor de
uitvoering van de teruggaaf worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald
dat de teruggaaf naar forfaitaire maatstaven geschiedt.
4. Onder opslagplaats wordt verstaan elk gebouw of terrein.
Opslagplaatsen in gebruik bij een zelfde persoon worden te zamen als
één opslagplaats beschouwd.
5. De inspecteur stelt het bedrag van de teruggaaf vast bij
beschikking.
6. Teruggaaf wordt niet verleend indien het terug te geven bedrag
niet meer bedraagt dan f 200.
Artikel XXIX
1. Fabrikanten van suikerhoudende produkten aan wie een
vergunning is verleend tot het onder krediet voor de accijns betrekken
van suiker voor de vervaardiging van suikerhoudende goederen, als
bedoeld in hoofdstuk I van het Besluit accijns van suiker (Stb.
1964, 515) doen uiterlijk 7 januari 1992 aangifte van de bij de
aanvang van 1 januari 1992 aanwezige hoeveelheden suiker en
suikerhoudende produkten.
2. In de aangifte wordt een onderscheid gemaakt naar de
hoeveelheden suiker en suikerhoudende produkten waarvoor:
a. de accijns reeds is voldaan;
b. het krediet nog geldt.
3. De inspecteur verleent teruggaaf van de in het tweede lid,
onderdeel a, bedoelde accijns, met dien verstande dat het terug
te geven bedrag wordt verrekend met de te betalen accijns over de
uitslagen na 31 december 1991.
4. De inspecteur verleent afschrijving voor de accijns over de in
het tweede lid, onderdeel b, bedoelde hoeveelheid.
5. De inspecteur stelt het bedrag van de teruggaaf en het bedrag
van de afschrijving vast bij beschikking.
Artikel XXX
De artikelen 77 en 79 van de Wet op de accijns zijn van toepassing
met betrekking tot accijnszegels die zijn aangevraagd op de voet van de
Wet op de accijns van tabaksfabrikaten.
Artikel XXXI
1. Op grond van artikel 32 van de Wet op de accijns van
tabaksfabrikaten verleende vergunningen aan handelaren in ruwe tabak
worden tot wederopzegging aangemerkt als op grond van artikel 82 van
de Wet op de accijns verleende vergunningen.
2. De inspecteur onderzoekt vóór 1 januari 1993 of degenen van
wie de in het eerste lid bedoelde vergunning ingevolge dat lid wordt
aangemerkt als een op grond van artikel 82 van de Wet op de accijns
verleende vergunning, voldoen aan de krachtens artikel 82 van de Wet op
de accijns voor de afgifte van de laatstbedoelde vergunning gestelde
voorwaarden.
Artikel XXXII
De Wet op de accijns en deze wet treden in werking met ingang van 1
januari 1992 met uitzondering van artikel XXXIV dat in werking treedt
met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
deze wet wordt geplaatst.
Artikel XXXIII
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met
betrekking tot de uitvoering van de overgang van de heffing van de
accijns naar de Wet op de accijns.
Artikel XXXIV
Waar in deze wet de Wet op de accijns is aangehaald als Wet op de
accijns met vermelding van het Staatsblad waarin die wet is
geplaatst, wordt bij plaatsing van deze wet in het Staatsblad na
"Stb. 1991," ingevoegd het nummer van het Staatsblad
waarin de Wet op de accijns is geplaatst.
Artikel XXXV
[Wijzigt de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (negende
gedeelte)] (Stb. 1989, 491).
Artikel XXXVI
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XXXVII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XXXVIII
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XXXIX
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel XL
Deze wet kan worden aangehaald als Invoeringswet Wet op de accijns.
De tekst van de Algemene wet inzake de douane en accijnzen wordt door
Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.