WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder stedelijke vernieuwing,
ontwikkelingsprogramma, investeringsbudget, investeringstijdvak
onderscheidenlijk Onze Minister, hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1 van de Wet stedelijke vernieuwing.
2. Waar bij of krachtens deze wet bevoegdheden zijn toegekend aan
Onze Minister, oefent hij deze uit in overeenstemming met Onze Ministers
wie het mede aangaat.
Artikel 2
De programma's inzake stedelijke vernieuwing voor de jaren 2000 tot
en met 2004, op basis waarvan Onze Minister met gemeenten als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, van de Wet stedelijke vernieuwing bij zogenoemd
stadsconvenant is overeengekomen dat investeringsbudget zal worden
verleend, worden aangemerkt als ontwikkelingsprogramma's behoudens
noodzakelijke wijzigingen daarin als gevolg van het bij of krachtens
deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing bepaalde.
Artikel 3
1. In afwijking van artikel 6, eerste lid onderscheidenlijk
derde lid, eerste volzin, van de Wet stedelijke vernieuwing geldt voor
het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004 dat Onze Minister,
onderscheidenlijk gedeputeerde staten, uiterlijk vier weken na de
inwerkingtreding van deze wet inzicht geeft, onderscheidenlijk geven,
in de hoogte van het investeringsbudget, onderscheidenlijk de
verdeling van de middelen voor investeringsbudget. Indien vóór de
dag waarop deze wet in werking treedt, het in de eerste volzin
bedoelde inzicht is gegeven, wordt dat inzicht aangemerkt als te zijn
gegeven ingevolge artikel 6 van de Wet stedelijke vernieuwing,
uitgezonderd de gevallen waarin ingevolge die wet een ander inzicht
dient te worden gegeven.
2. In afwijking van artikel 6, derde lid, van de Wet stedelijke
vernieuwing geldt voor het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004, dat
gedeputeerde staten uiterlijk vier weken na de inwerkingtreding van deze
wet gemeenten aanwijzen waarvan naar hun oordeel een
ontwikkelingsprogramma wordt verlangd. Indien vóór de inwerkingtreding
van deze wet de in de eerste volzin bedoelde aanwijzing is gegeven,
wordt die aanwijzing aangemerkt als te zijn gegeven ingevolge artikel 6,
derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, uitgezonderd de gevallen
waarin ingevolge die wet een andere aanwijzing dient te worden gegeven.
Artikel 4
Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet bij provinciale
verordening ingevolge artikel 145 van de Provinciewet regels zijn
gegeven omtrent de wijze waarop de verdeling tussen de gemeenten van de
middelen voor investeringsbudget wordt vastgesteld, berust die
verordening na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 6, vierde
lid, van de Wet stedelijke vernieuwing.
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van de Wet
stedelijke vernieuwing, wordt een aanvraag tot verlening van
investeringsbudget voor het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004
ingediend uiterlijk vier weken na de dag waarop deze wet in werking
treedt. Indien vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, een
aanvraag als bedoeld in de eerste volzin is ingediend, wordt die
aanvraag aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 11 van de
Wet stedelijke vernieuwing, met dien verstande dat voor de toepassing
van de termijnen, genoemd in het derde lid van dat artikel, het
tijdstip van ontvangst van de aanvraag wordt gesteld op de dag van
inwerkingtreding van deze wet.
2. Indien vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, het in
artikel 11, vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing bedoelde
advies van gedeputeerde staten aan Onze Minister is uitgebracht, wordt
dat advies aangemerkt als een advies als bedoeld in dat artikellid.
Indien Onze Minister vóór die dag gedeputeerde staten gedurende ten
minste vier weken in de gelegenheid heeft gesteld hem te adviseren in de
zin als bedoeld in de eerste volzin en gedeputeerde staten van die
gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt, wordt dit aangemerkt als het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de
Wet stedelijke vernieuwing.
3. Zo nodig in afwijking van artikel 11, vierde en vijfde lid,
van de Wet stedelijke vernieuwing, kan Onze Minister op een aanvraag tot
verlening van investeringsbudget voor het investeringstijdvak 2000 tot
en met 2004 nog in het kalenderjaar 2000 beslissen.
4. Op de aanvraag wordt eerst beslist na de inwerkingtreding van
de Wet stedelijke vernieuwing.
Artikel 6
Artikel 26 van de Wet stedelijke vernieuwing is, behoudens de tweede
volzin van het eerste lid, niet van toepassing op het voor de eerste
maal vaststellen van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de
artikelen 5, tweede lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 13, tweede lid,
en 19, eerste lid, van die wet.
Hoofdstuk 2. Wijzigingen in wetten van het ministerie van
volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer en daarmee
verband houdende overgangs- en invoeringsbepalingen
§ 1. Woningwet
Artikel 7
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 8
Ten aanzien van op 31 december 1999 reeds verleende of vastgestelde
financiële middelen of subsidies voor activiteiten in het kader van
stedelijke vernieuwing uit 's Rijks kas op voet van of krachtens de
artikelen 81, eerste lid, of 82, eerste lid, van de Woningwet,
zoals die artikelleden op die dag luidden, blijft het bij of krachtens
afdeling 5 van hoofdstuk V van de Woningwet bepaalde, zoals dat op die
dag luidde, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing,
voorzover bij of krachtens artikel 9 andere regels worden gegeven.
Artikel 9
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gegeven met betrekking tot de uitbetaling en de besteding van
de financiële middelen en de subsidies, bedoeld in artikel 8, alsmede
over de verslaglegging met betrekking tot die besteding. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts regels gegeven
met betrekking tot de gevallen waarin Onze Minister zodanige
financiële middelen die zijn verleend in verband met de ontwikkeling
van bouwlocaties, kan verhogen.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het door provincies
overdragen van krachtens artikel 81, derde lid, van de Woningwet, zoals
dat artikel luidde op 31 december 1999, aan hen toegekende bevoegdheden
en verplichtingen aan een gemeente of een samenwerkingsverband van
gemeenten. De voorschriften betreffen in elk geval:
a. het geval waarin een provincie bevoegdheden en verplichtingen al
dan niet dient over te dragen;
b. de gehoudenheid van een provincie uitvoering te geven aan een
door Onze Minister gegeven aanwijzing ter zake van een overdracht als
bedoeld in onderdeel a, binnen een in die aanwijzing bepaalde termijn,
en
c. de wijze waarop in geval van overdracht verantwoording aan Onze
Minister wordt afgelegd.
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het eerste lid, kan worden bepaald dat de gemeenteraad onderscheidenlijk
provinciale staten dan wel het samenwerkingsverband van gemeenten
waaraan bevoegdheden of verplichtingen zijn overgedragen, voorschriften
geven omtrent het door hen verstrekken van subsidie ten laste van de uit
's Rijks kas aan hen verstrekte financiële middelen, bedoeld in artikel
8.
4. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste
lid, kunnen ter bevordering van eenheid in de voorschriften, bedoeld in
het derde lid, regels worden gegeven omtrent de inhoud van die
voorschriften.
5. De gemeenteraad of provinciale staten dan wel het
samenwerkingsverband van gemeenten waaraan bevoegdheden en
verplichtingen zijn overgedragen, brengen de door hen gegeven
voorschriften, bedoeld in het derde lid, binnen zes maanden na het van
kracht worden van de regels, bedoeld in het vierde lid, in
overeenstemming met die regels.
6. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten het Besluit
woninggebonden subsidies 1995 en het Besluit locatiegebonden subsidies
uitsluitend op het eerste lid van dit artikel.
§ 2. Wet op de stads- en dorpsvernieuwing
Artikel 10
[Wijzigt de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing]
Artikel 11
Ten aanzien van op 31 december 1999 reeds verleende of vastgestelde
financiële middelen of subsidies voor activiteiten in het kader van
stedelijke vernieuwing uit 's Rijks kas op voet van of krachtens de Wet
op de stads- en dorpsvernieuwing blijft het bij of krachtens die wet
bepaalde, zoals dat op die dag luidde, van toepassing. De eerste volzin
is niet van toepassing, voorzover bij of krachtens artikel 14 andere
regels worden gegeven.
Artikel 12
Verordeningen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding
van deze wet berustten op artikel 41 van de Wet op de stads- en
dorpsvernieuwing, blijven behoudens eerdere intrekking van kracht tot
twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 13
Voorzover door Onze Minister toezeggingen zijn gedaan of afspraken
zijn gemaakt, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, met betrekking tot
het verstrekken van financiële middelen of subsidie ingevolge de Wet op
de stads- en dorpsvernieuwing aan een gemeente aan welke ingevolge die
wet rechtstreeks door Onze Minister financiële middelen werden verleend
en aan welke ingevolge de Wet stedelijke vernieuwing door de provincie
investeringsbudget wordt verleend, gaan de uit die toezeggingen of
afspraken voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van
financiële middelen aan die gemeente van Onze Minister over op de
provincie. Onze Minister stelt de provincie daartoe op voet van artikel
5, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing financiële middelen
beschikbaar.
Artikel 14
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gegeven met betrekking tot de uitbetaling en de besteding van
de financiële middelen en de subsidies, bedoeld in artikel 11,
alsmede over de verslaglegging met betrekking tot die besteding.
2. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit op de
stads- en dorpsvernieuwing uitsluitend op het eerste lid van dit
artikel.
Artikel 15
In afwijking van artikel 11 kan Onze Minister de op 1 januari 2005
nog in een stadsvernieuwingsfonds aanwezige gelden als bedoeld in
artikel 41a, tweede lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing,
zoals dat artikel luidde op 31 december 1999, terugvorderen, voorzover
op eerstgenoemd tijdstip voor die gelden geen verplichtingen als bedoeld
in dat artikel zijn aangegaan. Na 1 januari 2005 vrijvallende gelden
worden niet teruggevorderd.
§ 3. Wet bodembescherming
Artikel 16
[Wijzigt de Wet bodembescherming]
§ 4. Wet geluidhinder
Artikel 17
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 18
Ten aanzien van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
verleende subsidies uit 's Rijks kas ingevolge de Wet geluidhinder voor
maatregelen die met ingang van dat tijdstip genoemd zijn in artikel 126,
tweede lid, van de Wet geluidhinder, blijft het bij of krachtens die wet
bepaalde, zoals dat laatstelijk voor bedoeld tijdstip luidde, van
toepassing.
§ 5. Algemene overgangsbepaling
Artikel 19
1. Voorzover vóór de inwerkingtreding van deze wet door Onze
Minister aan provincies of gemeenten onderscheidenlijk door een
provincie aan gemeenten bestuurlijke toezeggingen zijn gedaan dan wel
door Onze Minister met provincies of gemeenten onderscheidenlijk door
een provincie met gemeenten bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, die
geen betrekking hebben op financiële middelen of subsidies in de zin
van de artikelen 8, 11 of 18 en inhouden dat na 31 december 1999
subsidie voor activiteiten in het kader van stedelijke vernieuwing zal
worden verstrekt, worden deze bij de inwerkingtreding van deze wet
aangemerkt als te zijn begrepen in de aanspraken die de desbetreffende
provincies en gemeenten ingevolge de Wet stedelijke vernieuwing over
het desbetreffende investeringstijdvak hebben.
2. Indien het bedrag van het investeringsbudget van een provincie
of een gemeente op voet van de Wet stedelijke vernieuwing over het
eerste of tweede investeringstijdvak lager is dan het totaalbedrag van
de financiële middelen en de subsidie die ingevolge de in het eerste
lid bedoelde toezeggingen en afspraken over het desbetreffende tijdvak
zou zijn verleend, de afspraken gemaakt bij zogenoemd stadsconvenant als
bedoeld in artikel 2 daaronder niet begrepen, wordt het bedrag van het
investeringsbudget op voet van de Wet stedelijke vernieuwing voor de
desbetreffende provincie of gemeente voor dat tijdvak verhoogd tot het
totaalbedrag van de financiële middelen en de subsidie die ingevolge de
in het eerste lid bedoelde toezeggingen en afspraken over dat tijdvak
zou zijn verleend. Voor de toepassing van dit lid wordt onder
bestuurlijke toezeggingen of afspraken slechts verstaan toezeggingen of
afspraken waaromtrent het desbetreffende bestuursorgaan aan de hand van
uiterlijk 31 december 1999 gedane schriftelijke mededelingen van Onze
Minister of van de provincie, uiterlijk zes maanden na de
inwerkingtreding van deze wet heeft aangetoond dat die mededelingen
redelijkerwijs moeten worden beschouwd als bestuurlijke toezeggingen of
afspraken over het verstrekken van subsidie na de inwerkingtreding van
deze wet voor activiteiten in het kader van stedelijke vernieuwing. Onze
Minister kan categorieën van schriftelijk vastgelegde bestuurlijke
toezeggingen of afspraken aanwijzen waarvoor de in de tweede volzin
voorgeschreven procedure niet geldt.
3. Indien een provincie als gevolg van het tweede lid
investeringsbudget op voet van de Wet stedelijke vernieuwing dient te
verhogen, komt die verhoging, voorzover die het gevolg is van
toezeggingen door of afspraken met Onze Minister en die redelijkerwijs
niet door die provincie binnen het ingevolge de Wet stedelijke
vernieuwing beschikbaar gestelde budget kan worden betaald, ten laste
van Onze Minister.
Hoofdstuk 3. Wijzigingen in wetten van andere ministeries dan het
ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
Artikel 20
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 21
[Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering]
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 22
1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels van
procedurele of administratieve aard worden gegeven met betrekking tot
de uitvoering van de overgang van financiële middelen of subsidies
naar de Wet stedelijke vernieuwing.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels met
betrekking tot andere aspecten van overgangsrecht dan de vaststelling
van voorschriften van procedurele of administratieve aard, als bedoeld
in het eerste lid, worden gegeven.
3. Indien dit in het belang van een goede uitvoering van de
overgang van financiële middelen naar de Wet stedelijke vernieuwing
naar het oordeel van Onze Minister dringend noodzakelijk is en naar zijn
oordeel de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het tweede lid niet kan worden afgewacht, kan aanvankelijk
bij ministeriële regeling toepassing worden gegeven aan het tweede lid.
Een zodanige regeling vervalt op het tijdstip waarop de in het tweede
lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt.
Artikel 23
[Wijzigt de Wet stedelijke vernieuwing]
Artikel 24
Deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing treden in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
deze wet wordt geplaatst. Deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing
werken, met uitzondering van de artikelen 17 en 18 van deze wet, terug
tot en met 1 januari 2000.
Artikel 25
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet stedelijke
vernieuwing.