Nadere regelgeving:
- Douanebesluit
(vervallen)
- Douaneregeling
(vervallen)
- Regeling
bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij
belastingen
-
Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990
- Uitvoeringsregeling
Belastingdienst 2003
-
Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en
opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004
- Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990
WET van 30 mei 1990 inzake invordering
van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Wet
van 22 mei 1845 (Stb. 1926, 334) op de invordering van ’s Rijks
directe belastingen te vervangen door een meer overzichtelijke en op
verschillende punten herziene wet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen.
2. Op deze wet zijn artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3,
artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2
1. Deze wet verstaat onder:
a. rijksbelastingen: belastingen als bedoeld in artikel 1 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede rechten bij
invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 7:3 van de
Algemene douanewet, die in Nederland worden geheven;
aa.
1°. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden;
2°. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES
eilanden;
3°. Nederland: het in Europa gelegen deel van het
Koninkrijk, met dien verstande dat voor de heffing van de
inkomstenbelasting, de loonbelasting, de
vennootschapsbelasting en de assurantiebelasting Nederland
tevens omvat de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling
exclusieve economische zone, voorzover deze grenst aan de
territoriale zee in Nederland;
4°. BES eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming
van de Rijkswet tot vaststelling van een zeegrens tussen
Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba, het
buiten de territoriale zee van de BES eilanden gelegen deel
van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het
Koninkrijk daar op grond van het internationale recht ten
behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke
rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in,
op, of boven dat gebied aanwezige installaties en andere
inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van
natuurlijke rijkdommen in dat gebied;
b. belastingrente en revisierente: de belastingrente en de
revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
c. Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot
vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302);
d. toepassingsverordening Communautair douanewetboek:
verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele
bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 253);
e. compenserende rente: de compenserende rente, bedoeld in
artikel 519 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek;
f. kosten van ambtelijke werkzaamheden: de kosten, bedoeld in
paragraaf 1.2.3 van de Algemene douanewet;
g. bestuurlijke boeten: de verzuimboeten en de vergrijpboeten,
bedoeld in hoofdstuk VIIA van deze wet, hoofdstuk VIIIA van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen of hoofdstuk 9 van de
Algemene douanewet, dan wel in enig ander wettelijk voorschrift
betreffende de heffing van rijksbelastingen;
h. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
i. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als
zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen;
j. belastingdeurwaarder: de door Onze Minister als zodanig
aangewezen ambtenaar van de rijksbelastingdienst;
k. belastingschuldige: degene te wiens naam de belastingaanslag
is gesteld;
l. werknemer, artiest, beroepssporter, buitenlands gezelschap,
dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: de werknemer, de artiest,
de beroepssporter, het buitenlandse gezelschap, de
dienstbetrekking en de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op
de loonbelasting 1964;
m. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de
uitnodiging tot betaling, de navorderingsaanslag en de
naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de
conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in
de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting;
n. kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de
neergaande lijn.
o. sociale verzekeringspremies: de premies voor de sociale
verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, en de ingevolge de
Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;
p. strafbeschikking: de strafbeschikking bedoeld in artikel 76,
eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel
10:15, eerste lid, van de Algemene douanewet.
2. Deze wet verstaat mede onder:
a. rijksbelastingen: de belastingrente, de revisierente, de
compenserende rente, de kosten van ambtelijke werkzaamheden,
alsmede de bestuurlijke boeten;
b. wettelijke regeling betreffende de heffing van
rijksbelastingen: de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel
1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, voor zover
deze betrekking hebben op de heffing van rijksbelastingen;
c. belastingaanslag: een ingevolge de Algemene wet inzake
rijksbelastingen dan wel Algemene douanewet of enige andere
wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen
vastgestelde beschikking of uitspraak strekkende tot - al dan niet
nadere - vaststelling van een ingevolge die regelingen
verschuldigd of terug te geven bedrag;
d. aanslagbiljet: de kennisgeving van de beschikking of de
uitspraak, bedoeld in onderdeel c;
e. invorderen van rijksbelastingen: het betalen van een terug
te geven bedrag aan rijksbelastingen.
3. Voor de toepassing van deze wet geldt, in afwijking in zoverre
van het eerste en het tweede lid en behoudens voor zover daarvan moet
worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, als
belastingaanslag:
a. de belastingaanslag na toepassing van de ingevolge de
Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke
regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen voorziene
verrekeningen;
b. ingeval een aanslagbiljet naast een of meer
belastingaanslagen als bedoeld in onderdeel a een of meer
ingevolge het tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag
gelijkgestelde beschikkingen omvat: het gezamenlijke bedrag van de
ingevolge de op het aanslagbiljet vermelde belastingaanslagen in
te vorderen bedragen.
4. Ingeval het derde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt,
worden de op het aanslagbiljet vermelde bestanddelen - wat belasting
betreft na de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verrekening -
tot een negatief bedrag geacht naar evenredigheid te zijn verrekend
met de bestanddelen tot een positief bedrag en omgekeerd.
5. Bepalingen van deze wet die rechtsgevolgen verbinden aan het
aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een
huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het
bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een
geregistreerd partnerschap.
6. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld
met een Europese naamloze vennootschap.
Artikel 3
1. De ontvanger is belast met de invordering van de
rijksbelastingen.
2. In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van
zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op.
3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij ministeriële regeling de
gevallen aanwijzen waarin de invordering van de belastingen, bedoeld
in artikel 4, aanhef en onder 10 of 11, van het Communautair
douanewetboek, geschiedt door een ander dan de ontvanger.
Artikel 3a
1. De ontvanger is mede belast met de invordering van de
strafbeschikking.
2. Bij de invordering zijn de artikelen 4, 6, 9 tot en met 15, 17,
19, 20, 24, 25, 27 en 28 tot en met 30 van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat in afwijking van artikel 9, eerste lid, een
geldboete invorderbaar is veertien dagen na de uitreiking in persoon
of toezending van het afschrift van de strafbeschikking.
Artikel 4
Tot het verrichten van de bij of krachtens de wet aan een deurwaarder
opgedragen werkzaamheden is, voor zover die werkzaamheden geschieden in
opdracht van een ontvanger en betreffen de vervolgingen voor de
invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder
bevoegd.
Artikel 5
1. De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is
niet bepaald naar een geografische indeling van het Rijk.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
functionaris, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, onder wie
een belastingschuldige ressorteert.
Artikel 6
1. De bepalingen van deze wet strekken zich niet alleen uit tot de
rijksbelastingen, maar ook tot de daarmee samenhangende opcenten, de
betalingskorting, de renten en de kosten.
2. Onder opcenten worden verstaan niet alleen die welke ten behoeve
van de rijksoverheid, doch ook die welke ten behoeve van andere
openbare lichamen met uitzondering van de BES eilanden worden geheven.
Artikel 7
1. In afwijking van artikel 4:92, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de toerekening van de betalingen
achtereenvolgens aan:
a. de kosten;
b. de betalingskorting;
c. de rente;
d. de belastingaanslag.
2. Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt,
behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge deze wet,
naar evenredigheid aan de op het aanslagbiljet vermelde in te vorderen
bedragen, met dien verstande dat indien artikel 9.1, derde lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 27b, eerste lid, van de Wet op
de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de
laatste plaats geschiedt aan de premie voor de volksverzekeringen.
Artikel 7a
1. Ingeval de belastingschuldige geen bankrekening heeft bestemd
voor betaling van rijksbelastingen dan wel andere belastingen of
heffingen voor zover de invordering daarvan is opgedragen aan de
ontvanger betaalt de ontvanger op een bankrekening die op naam staat
van de belastingschuldige.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere door
de ontvanger uit te betalen bedragen.
Hoofdstuk II. Invordering in eerste aanleg
Artikel 8
1.De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door toezending of
uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige
opgemaakte aanslagbiljet, met dien verstande dat een uitnodiging tot
betaling, door de inspecteur vastgesteld in de vorm van een
elektronisch bericht, door de ontvanger langs elektronische weg aan de
belastingschuldige wordt toegezonden.
2.Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel
verschuldigd.
Artikel 9
1. Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening
van het aanslagbiljet.
2. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag,
alsmede een conserverende navorderingsaanslag invorderbaar één maand
na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag
invorderbaar veertien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
3. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een
belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke
boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een
belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, is
opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor
die belastingaanslag. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel
c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake heffings-
of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die
gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel m, waarop de heffings- of revisierente betrekking heeft.
4. Een uitnodiging tot betaling, alsmede een ingevolge artikel 2,
tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde
beschikking inzake compenserende rente, inzake kosten van ambtelijke
werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in
hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet, is invorderbaar tien dagen na
de dagtekening van het aanslagbiljet.
5. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag in de
inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting en een voorlopige
conserverende aanslag in de inkomstenbelasting, waarvan het
aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze
is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de
maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog
maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één
maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste
volzin niet leidt tot meer dan één termijn, vindt het eerste lid
toepassing.
6. In afwijking van het eerste en het vijfde lid is een
belastingaanslag als bedoeld in het vijfde lid, die een uit te betalen
bedrag behelst, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er met
inbegrip van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn
vervalt aan het eind van de maand van de dagtekening van het
aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
later.
7. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag
waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt voor het jaar
waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen
als er maanden van het jaar zijn. De eerste termijn vervalt aan het
eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige aanslag
is vastgesteld en elk van de volgende termijnen telkens een maand
later.
8. In afwijking van het tweede lid is terstond invorderbaar een
naheffingsaanslag ter zake van:
a. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, die is
opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in
artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992, of
b. de belasting zware motorrijtuigen, die is opgelegd aan de
houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in artikel 6,
onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen.
9. In afwijking van het vierde lid is een uitnodiging tot betaling
die is vastgesteld overeenkomstig een op een kalendermaand betrekking
hebbende, aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid,
van het Communautair douanewetboek invorderbaar vijftien dagen na de
maand waarover de aangifte is gedaan. In afwijking in zoverre van de
eerste volzin is de uitnodiging tot betaling ter zake van de aangifte
over de maand februari invorderbaar na zestien maart.
10. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.
11. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de
indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een
belastingaanslag.
Artikel 10
1.In afwijking van artikel 9 is een belastingaanslag van de
belastingschuldige die een te innen bedrag behelst terstond en tot het
volle bedrag invorderbaar indien:
a. de belastingschuldige in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die
belastingaanslag onder de werking van de schuldsaneringsregeling
valt;
b. de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat
dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd;
c. de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan
wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats
buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de
belastingschuld kan worden verhaald;
d. de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is
dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging
heeft en de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat
dat de belastingschuld niet kan worden verhaald;
e. op goederen waarop een belastingschuld van de
belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn
belastingschuld;
f. goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten
gevolge van een beslaglegging namens derden;
g. ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt
gedaan als bedoeld in artikel 19, tenzij hij aannemelijk maakt dat
de belastingschuld kan worden verhaald;
h. met inachtneming van artikel 198 van het Communautair
douanewetboek ten laste van de belastingschuldige aanvulling of
vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die
aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig het krachtens
artikel 2:1, aanhef en onder j, van de Algemene douanewet
bepaalde, wordt verricht.
2.Het eerste lid is in de gevallen bedoeld in de onderdelen a, e, f
en g niet van toepassing op een voorlopige aanslag in de
inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting waarvan het
aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze
is vastgesteld.
3.Het eerste lid is in het geval, bedoeld in onderdeel h,
uitsluitend van toepassing op een uitnodiging tot betaling en op een
ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag
gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, inzake kosten
van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als
bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene douanewet.
Hoofdstuk III. Dwanginvordering
Artikel 11
Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de
gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om
alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
Artikel 12
1. De invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een
door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel.
2. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de
aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de rente worden
ingevorderd.
Artikel 13
1. In afwijking van artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht
geschiedt de betekening van het dwangbevel overeenkomstig de regels
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de
betekening van exploten. Het dwangbevel vermeldt dat de
belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in
verzet kan komen.
2. Indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vermeldt de envelop, in
afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, in
plaats van de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en
telefoonnummer van de deurwaarder, welke ontvanger de opdracht tot
betekening heeft verstrekt, alsmede diens kantooradres en
telefoonnummer.
3. In afwijking van artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling ook
geschieden door het ter post bezorgen van een voor de
belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot
betaling door de ontvanger. Indien het dwangbevel ten uitvoer wordt
gelegd als bedoeld in artikel 14, wordt het bevel tot betaling geacht
te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de
tenuitvoerlegging. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter
post wordt bezorgd, blijkt de naam en het adres van de
belastingschuldige, alsmede een aanduiding dat de inhoud de
onmiddellijke aandacht behoeft.
4. Betekening op de voet van het derde lid is niet mogelijk
ingeval:
a. de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de
belastingschuldige niet heeft bereikt, of
b. de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15,
eerste lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b.
5. Voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 wordt het
dwangbevel met bevel tot betaling dat op de voet van het derde lid is
betekend, geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van de
terpostbezorging van het dwangbevel met bevel tot betaling.
Artikel 14
1. In afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht
geschiedt de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, dat op de voet van
artikel 13, derde lid, is betekend, niet dan na betekening van een
hernieuwd bevel tot betaling. De betekening van het hernieuwd bevel
tot betaling geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van
exploten, met dien verstande dat indien de betekening geschiedt
overeenkomstig artikel 47 van die wet het exploot van de
belastingdeurwaarder een bevel inhoudt om binnen twee dagen te
betalen; artikel 13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval het dwangbevel met
toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, terstond
ten uitvoer kan worden gelegd.
Artikel 15
1. Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel
9, achtste lid, en in de gevallen bedoeld in artikel 10 kan:
a. een dwangbevel zonder voorafgaande aanmaning worden
uitgevaardigd, of indien reeds een aanmaning is verzonden, in
afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond
worden uitgevaardigd;
b. een dwangbevel terstond na het bevel tot betaling ten
uitvoer worden gelegd;
c. een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is
gedaan, voor zover nodig in afwijking van de daarbij gestelde
betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd;
d. een dwangbevel indien het hernieuwd bevel tot betaling,
bedoeld inartikel 14, eerste lid, reeds is gedaan, in afwijking
van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer
worden gelegd;
e. de betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, in
afwijking van artikel 64, eerste en tweede lid, eerste volzin, en
artikel 438b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
situaties geschieden op alle dagen en uren.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel e,
vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 16
Indien executoriaal beslag is gelegd op een in een of meer termijnen
door de ontvanger uit te betalen bedrag op grond van een voorlopige
aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld inartikel 9, zesde lid,
wordt het beslag geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen
bedrag op grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als
bedoeld in artikel 9, zesde lid, over een volgend jaar voor zover:
a. de uit te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op
elkaar aansluiten, en
b. de schuld waarvoor beslag is gelegd niet geheel is voldaan.
Artikel 17
1. De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement
waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige
buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste
woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij
de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is
gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.
2. Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige
als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als
gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel
voor zover deze door het verzet wordt bestreden.
3. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het
aanslagbiljet, de aanmaning, het op de voet van artikel 13, derde lid,
betekende dwangbevel of de schriftelijke mededeling, genoemd in
artikel 27, eerste lid, niet is ontvangen, tenzij de
belastingschuldige aannemelijk maakt dat ontvangst redelijkerwijs moet
worden betwijfeld. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de
stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is vastgesteld.
Artikel 18
1. Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst
of van opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat
te doen stilstaan teneinde de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te
doen plaatsvinden. De bestuurder van het motorrijtuig is verplicht de
daartoe door de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren gegeven
aanwijzingen op te volgen.
2. De tenuitvoerlegging van een dwangbevel op de voet van het
eerste lid en de daaraan voorafgaande betekening van het hernieuwde
bevel tot betaling kunnen, in afwijking van de artikelen 64, eerste en
tweede lid, eerste volzin, en 438b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, geschieden op alle dagen en uren.
3. In afwijking van artikel 14, eerste lid, kan een hernieuwd bevel
tot betaling ook worden betekend aan de bestuurder van het
motorrijtuig, bedoeld in het eerste lid.
4. In afwijking van artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering kan machtiging van de belastingdeurwaarder ook
plaatsvinden door middel van het beschikbaar stellen van de gegevens
van een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging op de voet van het
eerste lid dient plaats te vinden.
5. Ingeval de schuld waarvoor op de voet van het eerste lid beslag
is gelegd een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te boven
gaat, wordt voor de toepassing van artikel 446 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering in elk geval aangenomen dat het voor het
behoud van de op de voet van het eerste lid in executoriaal beslag
genomen zaken redelijkerwijze noodzakelijk is dat deze zaken in
gerechtelijke bewaring worden gegeven.
Artikel 19
1. Een derde die:
a. loon;
b. uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten,
uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;
c. pensioen en lijfrente, waaronder mede worden verstaan
uitkeringen ingevolge een lijfrentespaarrekening of
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of
ziekengeldverzekering;
e. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door
het derven van levensonderhoud;
f. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een
wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die
hun vervangende dienstplicht vervullen;
verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de
ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te
betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover
één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering
van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan
te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de
belastingschuldige.
2. Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de
belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan,
meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste
betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet
heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:
a. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in
aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde
voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en
b. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of
niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting.
3. Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en
een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht
uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit
de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de
belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de
belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de
belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden
die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de
belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.
4. Een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht is op vordering van de ontvanger verplicht, in zoverre onder
blokkering van onttrekkingen aan de rekening, uit het tegoed van een
rekening die een belastingschuldige bij haar heeft alsmede, indien de
bank en de belastingschuldige in samenhang met die rekening een
overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, uit het ingevolge die
overeenkomst verstrekte krediet, de belastingaanslagen van de
belastingschuldige te betalen. De bank is verplicht aan de vordering
te voldoen, zonder zich daarbij op verrekening te kunnen beroepen. De
verplichting tot betaling vervalt een week na de dag van bekendmaking
van de vordering aan de bank.
5. De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een
vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de
belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Indien
de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan
(loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde
lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een
schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige,
inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De
loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na
de dagtekening van de vooraankondiging. De in de derde volzin bedoelde
aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens
degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag
van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De
beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene
jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking
tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt
gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin
geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de
belastingschuldige achterwege.
6. De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet
komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel.
7. Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die
vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van
schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen
afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem
beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan
voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend.
Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de
belastingschuldige.
8. De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de
vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het
tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor
rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan
verhalen op de belastingschuldige.
9. Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op
belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen werkt.
10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het vierde
lid toepassing kan vinden.
Artikel 20
1.Een dwangbevel kan bij rechterlijk vonnis ten uitvoer worden
gelegd door lijfsdwang overeenkomstig de artikelen 585 tot en met 600
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het geding daartoe
wordt gevoerd voor de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het
kantoor is gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel heeft
uitgevaardigd. Voor de toepassing van artikel 585, onder a, treedt
voor de aldaar bedoelde vonnissen en beschikkingen in de plaats het
dwangbevel.
2.Met betrekking tot belastingaanslagen die zijn verschuldigd door
lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan
lijfsdwang worden toegepast ten aanzien van bestuurders of
vereffenaars van die lichamen of, bij ontstentenis, ten aanzien van de
laatst afgetreden of ontslagen bestuurders of vereffenaars, tenzij het
niet aan hen te wijten is dat de belasting niet is voldaan.
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Verhaalsrechten
Artikel 21
1. ’s Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de
belastingschuldige.
2. Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met
uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede dat
van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek voor zover de
kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het
voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een
zaak als is bedoeld in artikel 22, derde lid, die zich op de bodem van
de belastingschuldige bevindt en tegen inbeslagneming waarvan derden
zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in
geval van faillissement van de belastingschuldige of toepassing ten
aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.
Artikel 22
1. Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op
roerende zaken waarop ter zake van een belastingschuld beslag is
gelegd, kunnen een beroepschrift richten tot de directeur, mits zulks
doende vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen
van de dag der beslaglegging. Het beroepschrift wordt ingediend bij de
ontvanger, tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur
neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. De verkoop mag niet plaats
hebben, dan acht dagen na de betekening van die beslissing aan de
reclamant en aan degene tegen wie het beslag is gelegd, met nadere
bepaling van de dag van verkoop.
2. Door het indienen van een beroepschrift op de voet van het
eerste lid, verliest de belanghebbende niet het recht om zijn verzet
voor de burgerlijke rechter te brengen.
3. Behoudens in het geval dat er een recht van terugvordering
bestaat jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde
heeft verkregen, kunnen derden echter nimmer verzet in rechte doen
tegen de beslaglegging ter zake van naheffingsaanslagen in:
a. de loonbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen met
uitzondering van naheffingsaanslagen ter zake van huispersoneel;
b. de omzetbelasting, alsmede de belasting van personenauto’s
en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam
het kenteken is gesteld;
c. de accijns;
d. de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
pruimtabak en snuiftabak;
e. de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag
genoemde belastingen;
f. de dividendbelasting;
g. de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen; en
h. de assurantiebelasting, alsmede tegen de beslaglegging ter
zake van:
- uitnodigingen tot betaling; en
- ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een
belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake
belastingrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd
in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake
bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene
douanewet, inzake compenserende rente of inzake kosten van
ambtelijke werkzaamheden,
indien de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende
zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of
gebruik van het land, zich tijdens de beslaglegging op de bodem van de
belastingschuldige bevinden.
Artikel 22bis
1. In dit artikel wordt verstaan onder bodemzaak: een zaak als
bedoeld in artikel 22, derde lid, die zich op de bodem van de
belastingschuldige bevindt.
2. Houders van pandrechten of overige derden die geheel of
gedeeltelijk recht hebben op een bodemzaak, zijn gehouden de ontvanger
mededeling te doen van het voornemen hun rechten met betrekking tot
deze bodemzaak uit te oefenen, dan wel van het voornemen enigerlei
andere handeling te verrichten of te laten verrichten waardoor die
zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak.
3. Handelingen die worden verricht in de normale uitoefening van
het bedrijf of beroep van de belastingschuldige behoeven niet te
worden gemeld.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop de in het tweede lid bedoelde mededeling door de houders
van pandrechten of overige derden moet worden gedaan.
5. Gedurende vier weken na de mededeling, bedoeld in het tweede
lid, mag de pandhouder of overige derde die de mededeling heeft
gedaan, zijn rechten op de bodemzaak niet uitoefenen alsmede geen
andere handeling verrichten of laten verrichten waardoor de ontvanger
beperkt wordt in zijn recht met betrekking tot de bodemzaak.
6. Indien de ontvanger na een mededeling als bedoeld in het tweede
lid besluit geen beslag te leggen op de bodemzaak, doet hij de
pandhouder of de overige derde, bedoeld in dat lid, daarvan zo spoedig
mogelijk kennisgeving. Gedurende vier weken na de dagtekening van de
kennisgeving zijn de houders van pandrechten of de overige derden,
bedoeld in het tweede lid, tot wie die kennisgeving is gericht,
bevoegd hun rechten met betrekking tot die bodemzaak uit te oefenen,
dan wel enigerlei handeling te verrichten dan wel te laten verrichten
waardoor de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. Na verloop van
vier weken na de dagtekening van de kennisgeving is op handelingen die
door de pandhouder of de derde, bedoeld in het tweede lid, worden
verricht dit artikel onverkort van toepassing. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing indien de ontvanger geen kennisgeving doet,
waarbij de termijn van vier weken aanvangt na afloop van de in het
vijfde lid genoemde termijn.
7. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid,
die in gebreke is gebleven om de mededeling, bedoeld in dat lid, te
doen, dan wel die handelt in strijd met het vijfde lid, is op
vordering van de ontvanger verplicht een met bescheiden gestaafde
verklaring te doen omtrent de executiewaarde van de bodemzaak.
8. De verklaring, bedoeld in het zevende lid, moet geschieden
binnen veertien dagen na de dagtekening van de brief van de ontvanger
waarin om verklaring wordt verzocht.
9. De ontvanger stelt de executiewaarde van de bodemzaak vast bij
voor bezwaar vatbare beschikking.
10. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid,
is verplicht tot betaling van een bedrag bestaande uit de
executiewaarde van de bodemzaak tot een beloop van maximaal het bedrag
van de al dan niet in een naheffingsaanslag vervatte belastingschulden
ter zake van rijksbelastingen, bedoeld in artikel 22, derde lid, voor
zover deze belastingschulden zijn ontstaan in de periode voorafgaande
aan het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert.
De ontvanger stelt het beloop van de betalingsverplichting vast in de
beschikking, bedoeld in het negende lid.
11. Voor de uit de beschikking, bedoeld in het tiende lid,
voortvloeiende betalingsverplichting geldt een betalingstermijn van
veertien dagen na de dagtekening van de beschikking.
12. Indien de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede
lid, het bedrag, bedoeld in het tiende lid, niet binnen de gestelde
termijn betaalt, vordert de ontvanger dat bedrag in, als ware dat
bedrag een rijksbelasting.
13. Betalingen gedaan ingevolge het elfde lid door de pandhouder of
de overige derde, bedoeld in het tweede lid, komen in mindering op de
belastingschulden, bedoeld in het tiende lid, van de
belastingschuldige wiens bodemzaak het betrof, met uitzondering van
rente, kosten en boeten die zijn verschuldigd door de pandhouder of de
overige derde, bedoeld in het tweede lid.
14. De bevoegdheden van de ontvanger op grond van het zevende,
negende, tiende en twaalfde lid vervallen één jaar na het tijdstip
waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert, tenzij de
ontvanger binnen dat jaar van de pandhouder of de overige derde,
bedoeld in het tweede lid, een met bescheiden gestaafde verklaring
heeft gevorderd omtrent de executiewaarde van de zaak.
15. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie
inzake de beschikking, bedoeld in het negende lid, is hoofdstuk V van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige
toepassing.
16. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid,
die op grond van het achtste lid tijdig heeft verklaard en tijdig
heeft betaald ingevolge het elfde lid, heeft voor het bedrag dat hij
aan de ontvanger heeft betaald verhaal op belastingschuldige, bedoeld
in het eerste lid. Bij dit verhaal vindt geen subrogatie plaats in het
voorrecht van artikel 21, eerste lid.
17. Dit artikel is niet van toepassing indien de waarde van de
bodemzaken bij het aangaan van de overeenkomst tussen
belastingschuldige en pandhouder of derden als bedoeld in het tweede
lid onder een bij ministeriële regeling vast te stellen drempel
blijft.
18. Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing tijdens de
afkoelingsperiode.
Artikel 22a
1.Dit artikel is van toepassing op naheffingsaanslagen in de
motorrijtuigenbelasting welke zijn vastgesteld op de voet van artikel
7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 ten name van degene op wiens naam het
voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld, alsmede op de met
die naheffingsaanslagen verband houdende kosten, renten en
bestuurlijke boeten.
2.Voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen kan door de
ontvanger verhaal worden genomen op elk motorrijtuig waarvan het
opgegeven kenteken ten name van de in het eerste lid bedoelde
natuurlijke persoon of rechtspersoon is gesteld, zonder dat enig ander
enig recht op deze motorrijtuigen kan tegenwerpen.
3.Uitwinning van motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid is
niet mogelijk voorzover degene die enig recht op een dergelijk
motorrijtuig heeft goederen van degene op wiens naam het voor die
motorrijtuigen opgegeven kenteken is gesteld, aanwijst die voor de in
het eerste lid bedoelde vorderingen voldoende verhaal bieden.
4.De in artikel 78 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de hen in de artikelen 78 en 79 van
die wet toegekende bevoegdheden mede uit te oefenen ten behoeve van de
toepassing van dit artikel.
Artikel 23
De ontvanger kan de belastingaanslagen in de inkomstenbelasting,
voorzover zij betrekking hebben op goederen, verkregen onder de
ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende
voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, op goederen waarvan
de belastingschuldige het wettelijk vruchtgenot heeft, dan wel op
goederen die de belastingschuldige ter beschikking staan krachtens een
genotsrecht als bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, op die goederen verhalen als waren zij niet met
die rechten bezwaard, een en ander voorzover deze goederen bestanddelen
vormen van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel 23a
De ontvanger kan de belastingaanslagen, voor zover zij zijn opgelegd
aan de belastingschuldige als gevolg van een toerekening van een
afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, verhalen op goederen van:
a. het afgezonderd particulier vermogen;
b. een derde waarin het afgezonderd particulier vermogen direct
of indirect een belang heeft van 5 percent of meer, tot ten hoogste
het belang van het afgezonderd particulier vermogen in die derde;
zonder dat enig ander enig recht op die goederen kan tegenwerpen.
Afdeling 2. Verrekening
Artikel 24
1. De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd:
a. aan de belastingschuldige uit te betalen en van de
belastingschuldige te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen
en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering
daarvan aan de ontvanger is opgedragen met elkaar te verrekenen;
b. aan de belastingschuldige uit te betalen bedragen ter zake
van met de in onderdeel a bedoelde rijksbelastingen en andere
belastingen en heffingen verband houdende vorderingen op de Staat
of de ontvanger te verrekenen met van de belastingschuldige te
innen bedragen ter zake van rijksbelastingen en andere belastingen
en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is
opgedragen.
Verrekening op grond van de onderdelen a en b is eveneens mogelijk
wanneer op een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag beslag
is gelegd.
De artikelen 53 tot en met 55, 234, 235 en 307 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Met betrekking
tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen welker
verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak
waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een
fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of artikel 15a,
eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan
die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze
te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een
andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van
vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing,
ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement
geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere
maatschappij.
Op verzoek van de belastingschuldige is de ontvanger verplicht te
verrekenen. In afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht geldt als tijdstip van verrekening de dagtekening
van het aanslagbiljet waaruit van het te betalen bedrag blijkt. In
afwijking van de vorige volzin geldt met betrekking tot een
verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in
artikel 9, zesde en zevende lid, als tijdstip van verrekening het
tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt.
2. De verrekening is ook mogelijk ingeval de termijn, bedoeld in
artikel 9, nog niet is verstreken, met dien verstande dat indien het
betreft belastingaanslagen als bedoeld in artikel 9, vijfde en zevende
lid, verrekening alleen mogelijk is met belastingaanslagen die op
dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.
3. De ontvanger verrekent de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde
betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake
waarvan de betalingskorting wordt verleend. Voorts verrekent de
ontvanger de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met
het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag
ter zake waarvan de betalingskorting is verleend. Op de in dit lid
bedoelde verrekeningen zijn het eerste en tweede lid niet van
toepassing. Als tijdstip van verrekening geldt het tijdstip waarop de
betalingskorting wordt verleend of de dagtekening van de kennisgeving
waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt.
4. Verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een door de
ontvanger uit te betalen bedrag indien deze vordering door de
gerechtigde onder bijzondere titel is overgedragen, mits de ontvanger
met de overdracht heeft ingestemd. Verrekening is voorts niet mogelijk
met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien
op deze vordering een pandrecht als bedoeld in artikel 239 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd, mits de ontvanger op het
tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht
heeft ingestemd. De ontvanger is verplicht bij beschikking met de
overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van
de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name
van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld
invorderbaar is. De ontvanger kan bij beschikking instemming met de
overdracht of het pandrecht weigeren. De ontvanger maakt de
beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving
waarin, bij weigering tot instemming met de overdracht of het
pandrecht, de grond is vermeld waarop de weigering berust.
5. In afwijking in zoverre van het vierde lid is ook na de
instemming, bedoeld in dat lid, verrekening mogelijk van:
a. de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde betalingskorting met
het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de
betalingskorting wordt verleend;
b. de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met
het uit te betalen bedrag van de vermindering van de
belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend;
c. belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen
met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde
tijdvak betrekking hebben.
6. De belastingschuldige kan binnen een week na de dagtekening van
de in het vierde lid bedoelde kennisgeving waarmee de beschikking is
bekendgemaakt beroep instellen bij de directeur. Het beroepschrift
wordt ingediend bij de ontvanger tegen een door deze af te geven
ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing
en maakt deze bekend aan de belastingschuldige door middel van een
gedagtekende kennisgeving. Indien op het beroepschrift afwijzend wordt
beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat na de
dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur
is bekendgemaakt acht dagen zijn verstreken.
7. Met betrekking tot het bedrag waarvoor krachtens artikel 25,
derde tot en met zesde, achtste, negende, elfde tot en met veertiende,
zestiende tot en met negentiende lid, uitstel van betaling is
verleend, is gedurende het uitstel verrekening niet mogelijk, tenzij
de belastingschuldige dit verzoekt.
8. De ontvanger maakt de verrekening onverwijld bekend.
9. In afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is verrekening ook mogelijk van een voorlopige aanslag
tot een negatief bedrag als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Afdeling 3. Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
Artikel 25
1. De ontvanger kan onder door hem te stellen voorwaarden aan een
belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van
betaling verlenen. Gedurende het uitstel vangt de dwanginvordering
niet aan, dan wel wordt deze geschorst.
2. Het uitstel kan tussentijds bij beschikking worden beëindigd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur
van ten hoogste tien jaren in de gevallen waarin belastingaanslagen in
de schenk- of erfbelasting zijn opgelegd en door de voldoening daarvan
zonder uitstel een sociaal-economisch dan wel cultureel belang in
gevaar zou komen en dat uitstel niet of onvoldoende mogelijk is
ingevolge de overige leden van dit artikel.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van 12 maanden
en voor de eventuele verlenging daarvan op grond van artikel 3.64,
derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits voldoende
zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de
inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel
3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het uitstel
wordt beëindigd indien de herinvesteringen niet leiden tot in
Nederland belastbare winst van de onderneming en bij emigratie van de
belastingschuldige.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen
betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de
toepassing van de artikelen 3.83, eerste lid of tweede lid, 3.133,
tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste, tweede, derde, vierde of
vijfde lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Het in de eerste volzin bedoelde uitstel wordt verleend tot uiterlijk
het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de
belastingaanslag betrekking heeft. De in de eerste volzin bedoelde
regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende
zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd indien zich een omstandigheid
voordoet als genoemd in artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste
volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 3.133, tweede
lid, onderdelen a tot en met g, i en k, of artikel 3.135, eerste lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. [Vervallen.]
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld
in artikel 224 van het Communautair douanewetboek.
8. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen
betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake van
geconserveerd inkomen als bedoeld in artikel 2.8, vierde, vijfde,
zesde of zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of ter zake
van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste
lid, onderdeel h, van die wet of van artikel 7.5, vierde, vijfde of
zevende lid, van die wet. Het in de eerste volzin bedoelde uitstel
wordt verleend tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop
van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De
in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op
het stellen van voldoende zekerheid.
Het uitstel wordt beëindigd:
a. ingeval aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten
grondslag liggen, worden vervreemd in de zin van artikel 4.12 of
4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g en i, tweede lid,
derde lid of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In
geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als
bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een
splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van die wet of een fusie als
bedoeld in artikel 3.57 van die wet kan het uitstel van betaling
onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet. In geval van
een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid,
onderdelen e, f en g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of wegens
een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap
binnen twee jaren na het overlijden van de erflater
onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap,
kan het uitstel van betaling eveneens onder nader te stellen
voorwaarden worden voortgezet. In geval van schenking aan een
natuurlijk persoon kan het uitstel van betaling eveneens onder
nader te stellen voorwaarden worden voortgezet, mits de verkrijger
reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het
tijdstip van de schenking in dienstbetrekking is van de
vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking
hebben;
b. ingeval de vennootschap waarin de aandelen of winstbewijzen
worden gehouden, haar onderneming geheel of nagenoeg geheel heeft
gestaakt en haar reserves geheel of nagenoeg geheel heeft
uitgekeerd, dan wel, ingeval geen onderneming is gedreven, haar
reserves geheel of nagenoeg geheel heeft uitgekeerd;
c. in geval van een teruggaaf van wat op aandelen of bewijzen
van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is
gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort
of ingelegd.
9. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste
tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor
belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting
ter zake van een vervreemding van tot een aanmerkelijk belang
behorende aandelen of winstbewijzen aan een natuurlijk persoon of aan
een rechtspersoon als bedoeld in de tweede volzin, indien de koper de
tegenprestatie schuldig is gebleven, de vervreemde aandelen ten minste
vijf percent van het geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken
en de bezittingen van de vennootschap waarop het aanmerkelijk belang
betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk
bestaan uit beleggingen.
Een rechtspersoon als bedoeld in de eerste volzin is een besloten
vennootschap of een andere vennootschap waarvan het kapitaal in
aandelen is verdeeld en in een aandelenregister de aandeelhouders
worden geadministreerd, welke is gevestigd in een lidstaat van de
Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, en waarvan alle aandelen worden gehouden door een
natuurlijk persoon.
Het uitstel wordt beëindigd indien aflossingen plaatsvinden dan
wel de koper van de aandelen of winstbewijzen deze vervreemdt of
wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden
genoten.
10. Voor de toepassing van het negende lid wordt het begrip
vervreemding opgevat overeenkomstig artikel 4.12 en 4.16, eerste lid,
onderdelen a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
11. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste
tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor
belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting
ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang omdat de vennootschap
waarop het belang betrekking heeft op verzoek van haar aandeelhouder
aandelen in een andere vennootschap heeft overgedragen aan een
natuurlijk persoon of aan een rechtspersoon als bedoeld in het negende
lid, tweede volzin, tegen een tegenprestatie lager dan de waarde in
het economische verkeer. Dit uitstel wordt slechts verleend wanneer de
overgedragen aandelen ten minste vijf percent van het geplaatste
kapitaal van de vennootschap uitmaken en de bezittingen van de
vennootschap waarop de overgedragen aandelen betrekking hebben niet in
belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen.
Het uitstel wordt beëindigd indien de begiftigde aandelen of
winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen, vervreemdt
of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden
genoten.
12. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaren
voor belastingaanslagen betreffende de schenk- of erfbelasting,
bedoeld in artikel 35b, derde lid, van de Successiewet 1956. Het
uitstel wordt beëindigd:
a. in geval van faillissement van de belastingschuldige;
b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten
aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
c. ingeval zich ten aanzien van de verkrijger tijdens de in de
eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als
bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de Successiewet 1956.
13. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar
voor belastingaanslagen in de schenk- of erfbelasting voor zover die
belastingen kunnen worden toegerekend aan de verkrijging van een
vordering op een medeverkrijger ter zake van door deze medeverkrijger
verkregen ondernemingsvermogen, als bedoeld in artikel 35c, eerste
lid, van de Successiewet 1956. Het uitstel wordt beëindigd:
a. in geval van faillissement van de belastingschuldige;
b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten
aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
c. ingeval zich ten aanzien van de medeverkrijger tijdens de in
de eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als
bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de Successiewet 1956;
d. voor zover de vordering, bedoeld in de eerste volzin, wordt
voldaan.
14. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste
tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor
belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting
die is verschuldigd wegens het beëindigen van een
terbeschikkingstelling van een zaak in de zin van artikel 3.91 of
artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke belasting kan
worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde
in het economisch verkeer van die zaak, ingeval de zaak waarvan de
terbeschikkingstelling is beëindigd:
a. niet is vervreemd;
b. is vervreemd waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig
is gebleven, of
c. is geschonken.
Het uitstel wordt beëindigd:
1°. wanneer de zaak niet is vervreemd: ingeval de zaak wordt
vervreemd, in geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van
faillissement van de belastingschuldige of in geval de
schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van
toepassing is;
2°. wanneer de overdrachtsprijs schuldig is gebleven: ingeval
aflossingen plaatsvinden, in geval de koper de zaak vervreemdt, in
geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van faillissement
van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering
natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is;
3°. wanneer is geschonken: ingeval de begiftigde de zaak
vervreemdt, in geval de belastingschuldige overlijdt, in geval van
faillissement van de belastingschuldige of in geval de
schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van
toepassing is.
15. Voor de toepassing van het achtste tot en met veertiende lid
zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting
2001 en artikel 2, derde lid, onderdeel f, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
16. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste
tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor
belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen inkomstenbelasting die
bij staking van een onderneming is verschuldigd en kan worden
toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het
economische verkeer van een woning als bedoeld in artikel 3.19, eerste
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 die na het staken wordt
aangemerkt als een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van die
wet. Het uitstel wordt beëindigd:
a. in geval van faillissement van de belastingschuldige;
b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten
aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
c. in geval van overlijden van de belastingschuldige, tenzij de
partner, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001, aannemelijk maakt dat de resterende belasting binnen de
periode waarvoor uitstel is verleend, zal worden voldaan;
d. ingeval zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning
ophoudt een eigen woning te zijn.
17. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar
voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is
verschuldigd bij staking door overlijden als bedoeld in artikel 3.58,
eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
18. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid is
gesteld, voor belastingaanslagen waarin is begrepen inkomstenbelasting
ter zake van winst behaald met of bij het staken van een onderneming
of een gedeelte van een onderneming door de overdracht aan een
natuurlijk persoon die de onderneming voortzet en de overdrachtsprijs
geheel of gedeeltelijk schuldig is gebleven. Het uitstel heeft
betrekking op de in de eerste volzin bedoelde belasting voorzover die
betrekking heeft op de overdracht van vermogensbestanddelen aan de
daar bedoelde persoon. Het uitstel wordt verleend voor een gedeelte in
evenredigheid met de verhouding tussen het, op het moment met ingang
waarvan het uitstel wordt verleend, schuldig gebleven gedeelte van de
overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs voor de duur van de
overeengekomen aflossingsperiode, doch tot uiterlijk het begin van het
tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag
betrekking heeft.
19. Het uitstel bedoeld in het vorige lid wordt aan het begin van
elk kalenderjaar, te beginnen bij de aanvang van het eerste
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de voor de
belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn vervalt,
voor een evenredig gedeelte beëindigd waarbij de teller is één en
de noemer gelijk aan het aantal nog resterende gehele jaren van de
overeengekomen aflossingsperiode plus één, doch maximaal tien minus
het aantal van de reeds verstreken jaren sedert het einde van het
kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Het uitstel
wordt voorts beëindigd:
a. in geval van faillissement van de belastingschuldige;
b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten
aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
c. in geval van overlijden van de belastingschuldige;
d. voorzover aan het begin van het kalenderjaar het bedrag van
het resterende uitstel uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan
het gedeelte van de in het vorige lid bedoelde belasting in
evenredigheid met de verhouding tussen het nog niet ontvangen deel
van de overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs;
e. voorzover op de dag volgend op de dag waarop de enige of
laatste betalingstermijn is vervallen het resterende uitstel
uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan het gedeelte van de in
het vorige lid bedoelde belasting in evenredigheid met de
verhouding tussen 1e het aantal nog resterende gehele jaren van de
overeengekomen aflossingstermijn plus één doch maximaal negen
verminderd met de reeds verstreken jaren sedert het einde van het
kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft, en 2e
het aantal gehele jaren van de overeengekomen aflossingsperiode,
doch maximaal tien. Ingeval de in het vorige lid bedoelde
natuurlijk persoon de daar bedoelde onderneming staakt, kan de
ontvanger het uitstel beëindigen.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor
de toepassing van dit lid.
20. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verlenen van uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid is
gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de erfbelasting ter zake
van de verkrijging van de blote eigendom van een woning, bedoeld in
artikel 35g van de Successiewet 1956, alsmede ter zake van de
verkrijging van een onderbedelingsvordering, bedoeld in het vierde lid
van dat artikel. Het uitstel wordt slechts verleend voor zover degene
van wie op grond van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 78, eerste
lid, van de Successiewet 1956, wordt gevorderd de erfbelasting ter
zake van de blote eigendom voor te schieten of uit de met
vruchtgebruik bezwaarde goederen te voldoen, onderscheidenlijk degene
die op grond van artikel 14, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek dan wel op grond van het testament gehouden is tot voldoening
van de erfbelasting ter zake van de onderbedelingsvordering, niet in
staat is anders dan met buitengewoon bezwaar als bedoeld in artikel 26
de erfbelasting te betalen, waarbij het vruchtgebruik van de woning,
dan wel – voor zover de hiervoor bedoelde persoon de eigendom van de
woning heeft– de woning, bedoeld in artikel 35g van de Successiewet
1956, buiten beschouwing blijft. Het uitstel wordt beëindigd:
a. ingeval de woning voor de vruchtgebruiker niet langer een
eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. in geval van faillissement van de belastingschuldige;
c. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten
aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
d. bij vervreemding van de blote eigendom;
e. voor zover de onderbedelingsvordering, bedoeld in de eerste
volzin, wordt afgelost.
21. Voor de toepassing van het vierde, vijfde, zesde, achtste en
zeventiende lid wordt de belastingrente en voor de toepassing van het
vijfde lid wordt voorts de revisierente gelijkgesteld met de
inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen. Voor de toepassing van
het negende, elfde, veertiende, zestiende en achttiende lid wordt de
belastingrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting
waarvoor op de voet van die leden uitstel van betaling wordt verleend,
gelijkgesteld met die belasting. Voor de toepassing van het twaalfde
lid, wordt de belastingrente gelijkgesteld met de erfbelasting waarmee
deze samenhangt. Voor de toepassing van het dertiende lid wordt de
belastingrente voor zover deze samenhangt met de erfbelasting waarvoor
op de voet van dat lid uitstel van betaling wordt verleend,
gelijkgesteld met die belasting.
Artikel 26
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke
aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met
buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te
betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke
aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet
vanartikel 25, vijfde of achtste lid, uitstel van betaling is
verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend indien dit
uitstel eindigt doordat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid,
tweede volzin, onderscheidenlijk de termijn, bedoeld in artikel 25,
achtste lid, tweede volzin, is verstreken. Kwijtschelding van
belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan het nog
openstaande bedrag nadat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde
lid, tweede volzin, onderscheidenlijk de termijn, bedoeld in artikel
25, achtste lid, tweede volzin, is verstreken.
3. Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25, vijfde lid,
verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich met betrekking
tot een aanspraak uit een overeenkomst van levensverzekering of een
aanspraak ingevolge een pensioenregeling een omstandigheid voordoet
als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, kan krachtens
bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingschuldige
kwijtschelding van belasting worden verleend voor zover:
a. die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven
ter zake van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de
belastingschuldige op het moment waarop die omstandigheid zich
voordeed in Nederland zou hebben gewoond;
b. de omstandigheid die ingevolge artikel 25, vijfde lid,
vierde volzin, tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft
geleid, ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting niet belastbaar is in Nederland.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voorzover de
waarde in het economische verkeer van de in die volzin bedoelde
aanspraak is gedaald in vergelijking met het ingevolge artikel 3.136,
tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter
zake van die aanspraak als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen bedrag.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke
aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet
van artikel 25, achtste lid, uitstel van betaling is verleend,
kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk
aan de in Nederland verschuldigde dividendbelasting of, indien dit
meer bedraagt, aan de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting
wegens reguliere voordelen in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de aandelen of
winstbewijzen waarop het uitstel betrekking heeft.
5. Voorzover de ontvanger het op de voet van artikel 25, achtste
lid, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat aandelen of
winstbewijzen worden vervreemd in de zin van artikel 25, achtste lid,
onderdeel a, kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen
regels kwijtschelding worden verleend:
a. indien de waarde in het economische verkeer van die aandelen
of winstbewijzen is gedaald, anders dan door uitkering van
winstreserves of teruggaaf van wat is gestort of ingelegd, in
vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter
zake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld – tot een bedrag
gelijk aan een vierde van de in deze volzin bedoelde waardedaling;
b. indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die
aandelen of winstbewijzen ingevolge de Belastingregeling voor het
Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een
verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land
van het Koninkrijk, aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk,
respectievelijk aan een andere mogendheid is toegewezen – tot
een bedrag gelijk aan de aldaar ter zake van die vervreemding
feitelijk geheven belasting;
c. voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25,
achtste lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de
belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het
moment van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond.
Het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan kwijtschelding bedraagt
niet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van de
aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling is verleend.
6. Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25, zesde lid,
verleende uitstel van betaling beëindigt, kan volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden
verleend voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25,
zesde lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting
die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van de
omstandigheid op grond waarvan het uitstel van betaling wordt
beëindigd, in Nederland zou hebben gewoond.
7. Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4.3 tot en
met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 2, derde lid,
onderdeel f, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
8. Voor de toepassing van het tweede lid worden de heffingsrente en
de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze
samenhangen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de heffingsrente
voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de
voet van dit artikel kwijtschelding wordt verleend, gelijkgesteld met
die belasting.
Artikel 27
1. De ontvanger kan de verjaring van een rechtsvordering tot
betaling stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich
ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt.
2. Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan en voor
zover voor zijn belastingschuld een aansprakelijkstelling als bedoeld
in artikel 49, eerste lid, heeft plaatsgevonden, treedt de
aansprakelijk gestelde voor die belastingschuld in de plaats van de
belastingschuldige, voor zover het betreft de stuiting van de
verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn van de
rechtsvordering tot betaling.
Hoofdstuk V. Betalingskorting en invorderingsrente
Artikel 27a
1. Ingeval op een belastingaanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde
lid, die een te innen bedrag behelst en invorderbaar is in meer dan
één termijn, op de eerste vervaldag ten minste het bedrag van de
belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen
betalingskorting is betaald, wordt een betalingskorting verleend over
het bedrag van de belastingaanslag. De te verlenen betalingskorting
wordt berekend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na
de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste
betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de
belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn.
2. Ingeval een belastingaanslag ter zake waarvan de
betalingskorting is verleend, wordt verminderd, wordt de
betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering,
doch ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over de helft van
het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van het afschrift
van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de
vermindering wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag van de
voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn.
3. De betalingskorting wordt berekend naar het in artikel 29
bedoelde percentage dat geldt op de vervaldag van de voor de
belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn.
Artikel 28
1. Bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende
enige of laatste betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige
rente –invorderingsrente – in rekening gebracht over het op de
belastingaanslag openstaande bedrag met dien verstande dat
invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht voor zover met de
belastingaanslag wordt verrekend een belastingaanslag die op dezelfde
belasting en hetzelfde tijdvak betrekking heeft.
2. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is
ingevolge artikel 9 en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de
betaling. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft artikel
10buiten toepassing.
3. Invorderingsrente wordt niet in rekening gebracht over de tijd
voor welke de belastingschuldige krachtens artikel 25, derde, vijfde,
zesde, achtste, negende, elfde, zeventiende, achttiende of negentiende
lid, uitstel van betaling is verleend en over de tijd voor welke hem
uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 224 van het
Communautair Douanewetboek.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid wordt
invorderingsrente in rekening gebracht voor zover het krachtens
artikel 25, vijfde, zesde, achtste, negende, elfde, zeventiende,
achttiende of negentiende lid, verleende uitstel door de ontvanger
wordt beëindigd of voor zover betaling niet plaatsvindt binnen de
termijn waarvoor uitstel van betaling is verleend. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt het tijdvak bepaald waarover in deze
situaties invorderingsrente wordt berekend.
Artikel 28a
1. Indien de ontvanger een aan een belastingplichtige uit te
betalen bedrag niet binnen 6 weken na de dagtekening van de daartoe
strekkende belastingaanslag uitbetaalt of verrekent, wordt aan de
belastingplichtige invorderingsrente vergoed.
2. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling
strekkende belastingaanslag of beschikking en eindigt op de dag
voorafgaand aan die van de betaling. In afwijking van de eerste volzin
wordt invorderingsrente niet berekend over dagen waarover ingevolge
hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen reeds
belastingrente is vergoed.
3. Invorderingsrente wordt niet vergoed voor zover het aan de
belastingplichtige is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig is
geschied.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een voorlopige aanslag als
bedoeld inartikel 9, vijfde lid, die een uit te betalen bedrag behelst
als bedoeld in het zesde lid van dat artikel.
5. De in het eerste lid bedoelde periode van 6 weken wordt
vervangen door een periode van 3 maanden ingeval het betreft de
terugbetaling van rechten bij invoer als bedoeld in titel VII,
hoofdstuk 5, van het Communautair douanewetboek.
Artikel 28b
1. Indien een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een
lager bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de
belastingschuldige eerder een verzoek om uitstel van betaling met
betrekking tot het door hem bestreden bedrag van die aanslag heeft
gedaan dat door de ontvanger bij beschikking is afgewezen, wordt aan
de belastingschuldige invorderingsrente vergoed.
2. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak
dat aanvangt de dag na de dag waarop de belastingaanslag waarvoor een
verzoek om uitstel van betaling bij beschikking is afgewezen,
invorderbaar is ingevolge artikel 9 en eindigt 6 weken na de
dagtekening van de vermindering of de herziening en heeft als
grondslag het terug te geven bedrag.
Artikel 29
Het percentage van de invorderingsrente is gelijk aan dat van de
ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente,
bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek.
Artikel 30
1.De ontvanger stelt het bedrag van de betalingskorting en van de
invorderingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het
bedrag van de betalingskorting wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk
vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt. Het bedrag
van de invorderingsrente wordt op het afschrift van de uitspraak of de
kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt afzonderlijk
vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt.
2.Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake
de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de bij
de berekening van betalingskorting en invorderingsrente toe te passen
afrondingen en voor het niet terugnemen van betalingskorting
onderscheidenlijk niet in rekening brengen van invorderingsrente die een
bij die regeling bepaald bedrag niet te boven gaat. Voorts kunnen bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot
een doelmatige invordering van betalingskorting en invorderingsrente.
Artikel 31a
Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling
overleg op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting
in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (Trb. 1990,
173), de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting, voor bepaalde gevallen of groepen van
gevallen afwijkingen toestaan van de artikelen 28, 29, 30 en 31.
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Artikel 32
1.De bepalingen van dit hoofdstuk laten, behoudens voor zover
anders is vermeld, onverlet het bepaalde met betrekking tot de
aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling.
2.De bepalingen van dit hoofdstuk strekken zich mede uit tot in te
vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de
aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan
aan de aansprakelijke is te wijten.
Artikel 33
1.In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is
hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen, verschuldigd door:
a. een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig
rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders;
b. een niet in Nederland gevestigd lichaam: de leider van zijn
vaste inrichting in Nederland dan wel zijn in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger;
c. een lichaam dat is ontbonden: ieder van de met de
vereffening belaste personen - met uitzondering van de door de
rechter benoemde vereffenaar - voor zover het niet betalen van de
belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur, met dien verstande dat geen
aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding
drie jaren zijn verstreken.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder lichamen verstaan
lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en
wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van
een maat- of vennootschap.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een bestuurder
van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan
ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.
4.Degene die op grond van het eerste lid, onderdelen a en b,
aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het
niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan.
Artikel 34
1. Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking
tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking
is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of
leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor
de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het
verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de
omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening
plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd
is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre
van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de
in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting
opgelegde bestuurlijke boete.
2. Onder inlener wordt mede verstaan:
a. de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter
beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter
beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding
werkzaam te zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde derde, aan wie door een doorlener
een werknemer ter beschikking is gesteld om onder toezicht of
leiding van die derde werkzaam te zijn.
3. Indien een inlener ingevolge een overeenkomst met de uitlener
ten behoeve van de voldoening van loonbelasting, omzetbelasting en
sociale verzekeringspremies in verband met het verrichten van
werkzaamheden door een ter beschikking gestelde werknemer, alsmede met
dat ter beschikking stellen, een bedrag heeft overgemaakt op een
rekening die door die uitlener ten behoeve van de betaling van
loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies wordt
gehouden bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen,
wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de inlener uit
hoofde van het eerste en tweede lid met betrekking tot die
werkzaamheden en dat ter beschikking stellen in eerste aanleg bestaat,
verminderd met dat overgemaakte bedrag.
4. Het derde lid is niet van toepassing voor zover de inlener wist
of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener in gebreke zou
blijven het op de in dat lid bedoelde rekening gestorte bedrag aan te
wenden voor de betaling van loonbelasting, omzetbelasting of sociale
verzekeringspremies.
5. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met
betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door
de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de
uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de toepassing van het derde lid.
7. Dit artikel is niet van toepassing indien de werkzaamheden die
door de ter beschikking gestelde werknemer zijn verricht,
ondergeschikt zijn aan een tussen de uitlener en de inlener, dan wel
tussen de doorlener en de inlener, gesloten overeenkomst van koop en
verkoop van een bestaande zaak.
Artikel 35
1. De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting:
a. die de onderaannemer en, indien een werk geheel of
gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt
uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is in
verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers
ter zake van dat werk;
b. voor de betaling waarvan de onderaannemer en, indien een
werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende
onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer
ingevolge artikel 34 hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat
werk.
In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de aannemer
niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting
opgelegde bestuurlijke boete.
2. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. aannemer: degene die zich jegens een ander, de
opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van
stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs;
b. onderaannemer: degene die zich jegens een aannemer verbindt
om buiten dienstbetrekking het in onderdeel a bedoelde werk geheel
of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen prijs.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
a. de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als
aannemer beschouwd;
b. met een aannemer gelijkgesteld degene die zonder daartoe van
een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten
dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een
werk van stoffelijke aard uitvoert;
c. ten opzichte van de aannemer als onderaannemer beschouwd de
verkoper van een toekomstige zaak, voor zover de koop en verkoop
voortvloeit uit of verband houdt met het in het tweede lid,
onderdeel a, bedoelde werk.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing:
a. indien een werk tot de uitvoering waarvan een onderaannemer
zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels
wordt verricht op de plaats waar de onderneming van de
onderaannemer is gevestigd met uitzondering van de vervaardiging
en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan
schoeisel, of
b. indien de uitvoering van een werk waartoe een onderaannemer
zich jegens een aannemer heeft verbonden, ondergeschikt is aan een
tussen hen gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een
bestaande zaak.
5. Indien een aannemer ingevolge een overeenkomst met een
onderaannemer, ten behoeve van de voldoening van loonbelasting en
sociale verzekeringspremies met betrekking tot het door die
onderaannemer aangenomen werk, een bedrag heeft overgemaakt op een
rekening die door die onderaannemer ten behoeve van de betaling van
loonbelasting en sociale verzekeringspremies wordt gehouden bij een
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen wordt het
bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de aannemer uit hoofde van
het eerste lid met betrekking tot dat werk in eerste aanleg bestaat,
verminderd met dat overgemaakte bedrag. De vorige volzin is niet van
toepassing voor zover de aannemer wist of redelijkerwijs moest
vermoeden dat een onderaannemer in gebreke zou blijven het op de in de
eerste volzin bedoelde rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de
betaling van loonbelasting of sociale verzekeringspremies. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de toepassing van dit lid.
6. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met
betrekking tot de loonbelasting verschuldigd door een onderaannemer,
indien aannemelijk is dat het niet betalen door de onderaannemer noch
aan hem noch aan een aannemer is te wijten.
Artikel 35a
1. De opdrachtgever is hoofdelijk aansprakelijk voor de
loonbelasting ter zake van een werk, inhoudende de vervaardiging en
elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel:
a. die de aannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk
door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere
volgende onderaannemer verschuldigd is in verband met het
verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat
werk;
b. voor de betaling waarvan de aannemer en, indien een werk
geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers
wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer ingevolge artikel
35 hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk.
In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de
opdrachtgever niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van
loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete.
2. In dit artikel wordt onder opdrachtgever verstaan degene die
buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf met
een ander, de aannemer, een overeenkomst heeft gesloten om voor hem
een werk als bedoeld in het eerste lid uit te voeren tegen een te
betalen prijs.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een opdrachtgever
gelijkgesteld degene die buiten dienstbetrekking in de normale
uitoefening van zijn bedrijf kleding, andere dan schoeisel, koopt die
nog geheel of gedeeltelijk vervaardigd moet worden en met een aannemer
de verkoper daarvan.
4. Artikel 35, tweede lid, derde lid, onderdelen a en c, en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel voor een
werk van stoffelijke aard moet worden gelezen: een werk,
inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van
kleding, andere dan schoeisel;
b. de toepassing van het derde lid, onderdeel a, van dat
artikel er niet toe kan leiden dat de wederpartij van de aannemer
als opdrachtgever als bedoeld in het tweede lid wordt beschouwd;
c. in het vijfde lid van dat artikel voor «aannemer» moet
worden gelezen: opdrachtgever, voor «onderaannemer»: aannemer en
voor «het eerste lid»: het eerste lid van artikel 35a.
5. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met
betrekking tot de loonbelasting verschuldigd door de aannemer of een
onderaannemer, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de
aannemer of een onderaannemer noch aan de opdrachtgever, noch aan de
aannemer of een onderaannemer is te wijten.
Artikel 35b
Indien de belastingschuld betrekking heeft op een werk als bedoeld in
artikel 35a, eerste lid, is degene die buiten dienstbetrekking in de
normale uitoefening van zijn bedrijf vervaardigde kleding koopt,
hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke verschuldigd is ter
zake van dat werk, tenzij aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de
koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van dat werk te weinig
of geen loonbelasting zou worden betaald. In afwijking in zoverre van
artikel 32, tweede lid, is degene die op grond van de eerste volzin
aansprakelijk is niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing
van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van dit artikel.
Artikel 36
1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting, de
omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van pruimtabak en snuiftabak, de in artikel 1 van de Wet
belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen en de
kansspelbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid
bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de
heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de
bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
2. Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om
onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van
loonbelasting, omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting van
alcoholvrije dranken, verbruiksbelasting van pruimtabak of snuiftabak,
een van de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag
genoemde belastingen of de kansspelbelasting in staat is, daarvan
schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de
ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken
over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan
deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van
de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen
en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen
van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het
overleggen van de stukken dienen te geschieden.
3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid
bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk
indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het
gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de
periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de
mededeling.
4. Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het
tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op
de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien
verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten
en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het
tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het
vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt
dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het
tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede
verstaan:
a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de
belastingschuld is ontstaan;
b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid
van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij
bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde
bewindvoerder;
c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de
zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen: ieder van de
bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.
6. De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing op de
gewezen bestuurder.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder belasting
uitsluitend verstaan de belasting die het lichaam als
inhoudingsplichtige of als ondernemer is verschuldigd.
8. Indien de bestuurder van het lichaam ingevolge dit artikel
aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld
terzake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte
rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is
verminderd, vernietigbaar en kan de ontvanger deze vernietigingsgrond
inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of
nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, leden 4 en
5, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 36a
1.Hoofdelijk aansprakelijk is voor de venootschapsbelasting die een
lichaam is verschuldigd ingevolge artikel 23a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969: ieder van de bestuurders. Artikel 36,
vijfde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet
aansprakelijk voor zover hij bewijst dat:
a. het niet aan hem is te wijten dat de in het eerste lid
bedoelde belasting niet is voldaan, en
b. hij op het tijdstip waarop het feit plaatsvond dat
aanleiding heeft gegeven tot de in artikel 23a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 bedoelde toepassing van artikel 19b,
eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 niet wist of redelijkerwijze moest
vermoeden dat het lichaam de op de voet van genoemd artikel 23a
verschuldigde belasting niet of niet geheel zou kunnen voldoen.
Artikel 36b
1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting of de
omzetbelasting waarvoor een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in
de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig
rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van de
vennootschapsbelasting is onderworpen, bij beschikking als bedoeld
inartikel 49, eerste lid, aansprakelijk is gesteld
(aansprakelijkheidsschuld): ieder van de bestuurders van dat lichaam.
2. Artikel 36, tweede tot en met zesde lid en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in het tweede lid van artikel 36 voor«loonbelasting,
omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting voor alcoholvrije
dranken, verbruiksbelasting van pruimtabak of snuiftabak, een van
de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde
belastingen of de kansspelbelasting» moet worden gelezen: de
aansprakelijkheidsschuld;
b. in hetderde lid van artikel 36 voor «belastingschuld» moet
worden gelezen «aansprakelijkheidsschuld», en voor«drie
jaren»: zeven jaren;
c. in het vierde lid van artikel 36 voor «drie jaren» moet
worden gelezen: zeven jaren;
d. in het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 36voor
«belastingschuld» moet worden gelezen: aansprakelijkheidsschuld.
Artikel 37
1.Voor zover zulks niet reeds uit artikel 33, eerste lid, onderdeel
b, volgt is hoofdelijk aansprakelijk:
a. voor de loonbelasting verschuldigd door een niet in
Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige,
b. voor de omzetbelasting verschuldigd door een niet in
Nederland wonende of gevestigde ondernemer,
c. voor de loonbelasting die een niet in Nederland wonende of
gevestigde aannemer, opdrachtgever of koper is verschuldigd op
grond van de artikelen 35, 35a of 35b: de leider van de vaste
inrichting in Nederland, de in Nederland wonende of gevestigde
vaste vertegenwoordiger, of degene die de leiding heeft van de in
Nederland verrichte werkzaamheden.
2.Hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting met betrekking tot
de gage van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter dan
wel het buitenlandse gezelschap is de persoon die of het lichaam dat
het optreden of de sportbeoefening in Nederland organiseert, mede
organiseert of doet organiseren.
3.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet
aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten
dat door de inhoudingsplichtige, door de ondernemer, dan wel door de
aannemer, opdrachtgever of koper de belasting niet is voldaan.
Artikel 38
1.Hoofdelijk aansprakelijk is:
a. voor de van een werknemer, een artiest, een beroepssporter
of een buitenlands gezelschap ten onrechte niet ingehouden
loonbelasting: de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het
gezelschap of de leden van het gezelschap;
b. voor de van een belastingplichtige ten onrechte niet
ingehouden kansspelbelasting: de belastingplichtige.
2.Niet aansprakelijk is de werknemer, de artiest, de
beroepssporter, het buitenlandse gezelschap, het lid van het
buitenlandse gezelschap of de belastingplichtige die de inspecteur
omtrent de nalatigheid van de inhoudingsplichtige in kennis heeft
gesteld voordat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de
inspecteur met deze nalatigheid bekend is of bekend zal worden.
Artikel 39
Hoofdelijk aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting die over
een tijdvak is geheven van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel
15, eerste lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969: elk van de dochtermaatschappijen,
onderscheidenlijk elk van de ledenmaatschappijen die in dat tijdvak deel
uitmaakt of uitmaakte van die fiscale eenheid.
Artikel 40
1.Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn
bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste
één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in
een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen
is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit
beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of
een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte
van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is
verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding
plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over
de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de
vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de
vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen
van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale
bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren
voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de
vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna.
2.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet
aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het in het eerste
lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting.
3.Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de
vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, wordt
bepaald naar het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop
krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt
ingeval op het tijdstip van de vervreemding de vennootschap zou worden
ontbonden.
4.Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een
gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld
kapitaal heeft. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder
belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste
een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het
lichaam.
5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een
lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 geheel of voor een gedeelte vervreemdt en
de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve
criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede
volzin.
6.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet
aansprakelijk voorzover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten
dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen
van de vennootschapsbelasting.
Artikel 41
1.Hoofdelijk aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting en de
dividendbelasting verschuldigd door een lichaam dat aan de heffing van
vennootschapsbelasting is onderworpen en waarvan de plaats van
vestiging niet langer in Nederland is gelegen: ieder van de met de
verplaatsing belaste personen.
2.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet
aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten
dat de belasting niet is voldaan.
Artikel 42
1.Indien krachtens artikel 18 van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer (Stb. 1970, 611) overdrachtsbelasting ter zake van een
verkrijging moet worden voldaan ter gelegenheid van de aanbieding ter
registratie van de door de notaris ter zake opgemaakte akte, is de
notaris hoofdelijk aansprakelijk voor die belasting tot het bedrag dat
ingevolge de inhoud van de akte is verschuldigd.
2.Indien overdrachtsbelasting verschuldigd is ter zake van een
verkrijging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer en het eerste lid niet van toepassing
is, is degene die de economische eigendom overdraagt hoofdelijk
aansprakelijk voor die belasting.
Artikel 42a
Natuurlijke personen voor wie, anders dan als ondernemer in de zin
van de Wet op de omzetbelasting 1968, diensten worden verricht als
bedoeld in artikel 6j, aanhef en onderdeel a, van die wet, zijn
hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting die verschuldigd is door
de ondernemer die de dienst verricht.
Artikel 42b
Indien krachtens artikel 12a van de Wet op de omzetbelasting 1968 de
omzetbelasting wordt geheven van degene aan wie de levering is verricht,
is de ondernemer die de levering heeft verricht hoofdelijk aansprakelijk
voor die belasting, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij met betrekking
tot het verzoek, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder
2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet wist of behoorde te weten
dat niet werd voldaan aan de voorwaarden bedoeld in genoemd artikellid.
Artikel 42c
1.Hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting die verschuldigd
is ter zake van de levering van bij ministeriële regeling aan te
wijzen goederen, is de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die
ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, aan wie
de levering is verricht en die wist of behoorde te weten dat de ter
zake van die levering verschuldigde omzetbelasting niet of niet
volledig is of zal worden voldaan. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van:
a. ondernemers die voorafgaand aan de in die volzin bedoelde
levering leveringen van die goederen hebben verricht, indien deze
leveringen hebben plaatsgevonden op of na de datum waarop die
goederen bij ministeriële regeling zijn aangewezen;
b. ondernemers aan wie op de in die volzin bedoelde levering
volgende leveringen van die goederen zijn verricht;
c. de ondernemer die tezamen met de op grond van de voorgaande
bepalingen van dit lid aansprakelijke ondernemer ingevolge artikel
7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is aangemerkt
of is aangemerkt geweest als één ondernemer.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt een ondernemer geacht
te hebben geweten dat de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake
van de in dat lid bedoelde levering niet of niet volledig is of zal
worden voldaan, indien hij door het niet of niet volledig voldaan zijn
van de in dat lid bedoelde belasting voordeel heeft behaald, tenzij
hij aannemelijk maakt dat dat voordeel niet voortvloeit uit of geen
verband houdt met het niet of niet volledig voldaan zijn van die
belasting. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een
ondernemer in ieder geval geacht voordeel te hebben behaald als aan
hem voor de goederen een vergoeding in rekening is gebracht die op het
tijdstip van de levering lager is dan het bedrag dat bij vrije
mededinging zou moeten worden betaald of die lager is dan de
vergoeding die aan zijn leverancier of aan elk van de leveranciers ter
zake van voorafgaande verkrijgingen van die goederen in rekening is
gebracht.
3.Dit artikel is niet van toepassing indien de in het eerste lid
bedoelde omzetbelasting verschuldigd is ter zake van een tijdens
surséance van betaling of faillissement, of tijdens het van
toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
verrichte levering door een ondernemer, diens bewindvoerder of curator
of door een pandhouder in het kader van de uitoefening van een op de
geleverde goederen gevestigd pandrecht.
Artikel 43
1.Natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, die ingevolge artikel 7, vierde lid, van de
Wet op de omzetbelasting 1968 zijn aangemerkt als één ondernemer,
zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting welke
verschuldigd is door deze ondernemer, dan wel - indien de inspecteur
niet schriftelijk ervan in kennis is gesteld dat op grond van
gewijzigde omstandigheden niet langer een eenheid bestaat als is
bedoeld in die bepaling - door deze personen en lichamen.
2.Indien aan de ondernemer bedoeld in het eerste lid een
vermindering of teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend, kan de
ontvanger, met inachtneming van artikel 54, deze vermindering of
teruggaaf bevrijdend voldoen aan één van de natuurlijke personen of
lichamen bedoeld in het eerste lid.
Artikel 43a
Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing op de
verpakkingenbelasting die is verschuldigd door een concern als bedoeld
in artikel 80, onderdeel g, van de Wet belastingen op milieugrondslag.
Artikel 44
1.Indien op grond van artikel 2.15 van de Wet inkomstenbelasting
2001 inkomensbestanddelen van een minderjarig kind zijn toegerekend
aan de belastingschuldige, is dat kind aansprakelijk voor een gedeelte
van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op
een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de
verhouding waarin het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden,
bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde
lid, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de belastbare
inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk
belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind
dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is
genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit
aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid.
2.Indien op grond van artikel 2.17, tweede tot en met zesde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare inkomsten uit eigen
woning, inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de
persoonsgebonden aftrek of bestanddelen van de rendementsgrondslag van
een derde geacht worden bij de belastingschuldige op te komen, te zijn
opgekomen of tot zijn bezit te behoren dan wel te hebben behoord, is
die derde aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde
inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig
gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding
waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit
aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen
van die derde dat bij de vaststelling van de belastingschuld in
aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het
inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft
geleid.
3.Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44a
1. Indien ingevolge de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, premies voor een aanspraak op periodieke
uitkeringen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in
aanmerking worden genomen, is de verzekeraar van die aanspraak tot ten
hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk
voor de belasting die ter zake door de verzekeringnemer of de
gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de revisierente die
ingevolge artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in
verband daarmee is verschuldigd.
2. Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het
evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake
van alle in het jaar ingevolge de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, als negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen premies alsmede het over
die premies behaalde rendement, bedoeld in artikel 3 137 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
3. Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is
van overeenkomstige toepassing.
4. Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het
eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk
mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op
grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is
indien de lijfrenteverplichting in de in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde situatie
overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig
voorafgaand kalenderjaar is overgegaan, op een niet in Nederland
gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf
uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt
voor de belasting die terzake door de verzekeringnemer of de
gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee
verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake
voldoende zekerheid heeft gesteld.
6. Indien met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in
aanmerking worden genomen, is dit artikel van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de bank waarbij de
lijfrentespaarrekening wordt aangehouden, onderscheidenlijk de
beheerder van het lijfrentebeleggingsrecht.
7. Dit artikel is niet van toepassing op de belasting en
revisierente ter zake van negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen die in aanmerking zijn genomen in verband met
een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van
de Wet inkomstenbelasting 2001, voor zover de afkoop heeft geleid tot
afkoopsommen ter zake waarvan met toepassing van artikel 34, tweede
lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 een heffing is verschuldigd
naar een tarief van 52%.
Artikel 44b
1. Indien ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste lid,
tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 3.81 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan
wel artikel 7.2, achtste lid, van de laatstgenoemde wet de aanspraak
ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke
uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of de
stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in
artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon wordt
gerekend is de verzekeraar van die aanspraak tot ten hoogste de waarde
in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die
terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de
revisierente die ingevolge artikel 30i van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen in verband daarmee is verschuldigd.
2. Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het
evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake
van alle in het jaar ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste
lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel
artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon
gerekende aanspraken.
3. Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is
van overeenkomstige toepassing.
4. Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het
eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk
mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op
grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is
indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling in de in artikel
19b, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde situatie
overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam
dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam
aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de
gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee
verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake
voldoende zekerheid heeft gesteld.
Artikel 44c [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 45
1. Voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is
verschuldigd ter zake van geconserveerd inkomen als bedoeld in artikel
2.8, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is aansprakelijk
degene aan wie de belastingschuldige de aandelen of winstbewijzen
heeft vervreemd en welke vervreemding heeft geleid tot het
geconserveerde inkomen, of, voor zover aandelen of winstbewijzen
nadien zijn geschonken waarbij het uitstel op grond van artikel 25,
achtste lid, onderdeel a, is voortgezet, degene die deze aandelen of
winstbewijzen heeft verkregen, voor zover de belastingschuld aan die
aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend.
2. Aansprakelijkheid op grond van het eerste lid ontstaat indien
het uitstel van betaling op grond van artikel 25, achtste lid,
onderdelen a, b of c, is beëindigd.
Artikel 46
1. Ieder van de erfgenamen is naar evenredigheid van zijn erfdeel
aansprakelijk voor de door en bij het overlijden van de erflater door
de legatarissen verschuldigde erfbelasting.
2. De erfgenamen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de erfbelasting
die door en bij het overlijden van de erflater is verschuldigd door
verkrijgers die buiten Nederland wonen.
3. De schenker is hoofdelijk aansprakelijk voor de schenkbelasting
verschuldigd door de begiftigde.
Artikel 47
1. Executeurs en door de rechter benoemde vereffenaars van
nalatenschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor al de door en bij
het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de
aangifte voor de erfbelasting niet door hen is gedaan.
2. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet voor
zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten
is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins
te weinig belasting is geheven.
Artikel 48
1.Erfgenamen zijn niet verder aansprakelijk dan ieder tot het
beloop van zijn erfdeel vermeerderd met het bedrag van hetgeen hem is
gelegateerd - één en ander naar de waarde in het economische verkeer
op het tijdstip van overlijden van de erflater - voor:
a. navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden
van de belastingschuldige worden vastgesteld;
b. bedragen die na het overlijden van de hoofdelijk
aansprakelijk gestelde worden vastgesteld op de voet van artikel
49.
2.In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, zijn
erfgenamen niet aansprakelijk voor bedragen waarvoor de ontvanger de
erflater op grond van artikel 36, 36a of 36b na diens overlijden
aansprakelijk stelt.
Afdeling 2. Formele bepalingen
Artikel 49
1. Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare
beschikking door de ontvanger en vindt niet plaats vóór het tijdstip
waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn
belastingschuld. De beschikking vermeldt in ieder geval het bedrag
waarvoor de aansprakelijkheid bestaat en de termijn waarbinnen het
bedrag moet worden betaald. Voor zover de aansprakelijkstelling
betrekking heeft op een bestuurlijke boete, geschiedt zij met
overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Op de in het eerste lid bedoelde beschikking is afdeling 4.4.2
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
3. De ontvanger maakt de beschikking bekend door toezending als
aangetekend stuk.
4. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie
inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
5. Met betrekking tot het vierde lid zijn de artikelen 25, derde
lid, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van
toepassing indien het niet aan de aansprakelijk gestelde is te wijten
dat:
a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of
b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de
artikelen 41, 47, 47a, 49 en 52 van die wet, alsmede aan de
verplichtingen ingevolge artikel 53, eerste, tweede en derde lid,
van die wet voor zover het verplichtingen van
administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de
belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen.
6. De ontvanger stelt de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de
hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij
aansprakelijk is gesteld voor zover deze gegevens voor het maken van
bezwaar, het instellen van beroep of beroep in cassatie redelijkerwijs
van belang kunnen worden geacht.
7. Het bezwaar kan geen betrekking hebben op feiten of
omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een
belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke
uitspraak is gedaan.
Artikel 50 [Vervallen per 01-12-2002]
Artikel 51
1.Op een conservatoir beslag door de ontvanger ten laste van degene
die aansprakelijk is of wordt gesteld, is artikel 700, derde lid, van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing.
2.Het beslag vervalt van rechtswege indien:
a. de aansprakelijk gestelde bezwaar heeft gemaakt tegen de
beschikking, bedoeld in artikel 49, eerste lid, en de ontvanger
niet binnen vier maanden na de dagtekening van de beschikking
uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift; of
b. vóór het leggen van het beslag geen aansprakelijkstelling
heeft plaatsgevonden en aansprakelijkstelling niet alsnog
plaatsvindt binnen drie maanden na het leggen van het beslag.
3.De voorzieningenrechter van de rechtbank die het verlof tot het
leggen van het beslag heeft verleend, kan de termijn, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, verlengen indien de ontvanger dit vóór het
verstrijken van de termijn verzoekt. Tegen de beschikking, bedoeld in
de vorige volzin, is geen hogere voorziening toegelaten.
4.Ingeval een conservatoir derdenbeslag van rechtswege is
vervallen, stelt de ontvanger de derdebeslagene daarvan schriftelijk
in kennis.
Artikel 52
1. Het bedrag, vermeld in een beschikking als bedoeld in artikel
49, eerste lid, is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de
beschikking. De artikelen 9, tiende lid, 11, 12, 13, 14 en 19 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. De aansprakelijk gestelde kan tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel inzake de invordering van een aansprakelijkheidsschuld in
verzet komen op overeenkomstige wijze als een belastingschuldige op de
voet van artikel 17, met dien verstande dat het bepaalde in het derde
lid van dat artikel eveneens geldt voor het niet ontvangen zijn van de
beschikking, bedoeld in artikel 49, eerste lid, en voor de
omstandigheden die aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld
bij het maken van bezwaar tegen de in artikel 49, eerste lid, bedoelde
beschikking, bij het instellen van beroep ter zake van een uitspraak
op het desbetreffende bezwaar of bij het instellen van beroep in
cassatie ter zake van een uitspraak op het desbetreffende beroep.
Artikel 53
1. De bepalingen van de eerste en de tweede afdeling van hoofdstuk
IV inzake verhaalsrechten en verrekening, met uitzondering van artikel
24, tweede lid, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
aansprakelijk gestelde.
2. Het bepaalde in artikel 25 met betrekking tot de mogelijkheid
van uitstel van betaling vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de aansprakelijk gestelde.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke
de aansprakelijk gestelde die niet in staat is anders dan met
buitengewoon bezwaar het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld
geheel of gedeeltelijk te voldoen, geheel of gedeeltelijk wordt
ontslagen van zijn betalingsverplichting.
Artikel 54
1.Een teruggaaf als gevolg van een vermindering van een
belastingaanslag waarop het door de aansprakelijk gestelde betaalde
bedrag is afgeboekt, alsmede een teruggaaf als gevolg van een
vermindering van een aanslag waarmee een voorlopige aanslag, waarop
het door de aansprakelijk gestelde betaalde bedrag is afgeboekt, op de
voet van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is
verrekend, komt niet toe aan de belastingschuldige doch aan de
aansprakelijk gestelde, tot het bedrag dat hij op grond van die
aansprakelijkstelling heeft voldaan.
2.Indien een aanslag na de verrekening van een voorlopige aanslag
met die aanslag leidt tot een teruggaaf, wordt deze teruggaaf voor de
toepassing van het eerste lid aangemerkt als een vermindering van de
voorlopige aanslag.
3.De ontvanger doet aan de belastingschuldige mededeling van zijn
voornemen tot betaling van de in het eerste lid bedoelde teruggaaf aan
de aansprakelijk gestelde, dan wel van zijn voornemen tot verrekening
op de voet van artikel 24 van die teruggaaf.
4.Indien meer dan één aansprakelijk gestelde recht hebben op
dezelfde teruggaaf, komt het bedrag van de teruggaaf toe aan ieder van
hen naar evenredigheid van ieders op grond van de
aansprakelijkstelling betaalde bedrag.
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Artikel 55
1.Indien verhaal op de belastingschuldige door degene die ingevolge
artikel 33, eerste lid, onderdelen a, b of c, 34, 35, 35a, 35b, 36,
36a, 36b, of37 belasting heeft voldaan geheel of gedeeltelijk
onmogelijk blijkt en ter zake van de belastingschuld twee of meer
personen ingevolge de desbetreffende bepaling hoofdelijk aansprakelijk
zijn, dragen dezen onderling voor gelijke delen in het onverhaald
gebleven deel bij. Indien artikel 35, 35a of 35b van toepassing is en
het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat ieder van de
hoofdelijk aansprakelijken heeft laten uitvoeren kan worden
vastgesteld, draagt, in afwijking in zoverre van de eerste volzin,
ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Voor de toepassing van dit
artikel worden voorts de opdrachtgever en de koper geacht dat werk
geheel te hebben laten uitvoeren door een onderaannemer.
2.Indien de opdrachtgever ingevolge artikel 35a belasting heeft
voldaan, draagt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens
een aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk
ingevolge artikel 35 aansprakelijk is. Indien een koper ingevolge
artikel 35b belasting heeft voldaan, dragen, in afwijking in zoverre
van het eerste lid, tevens de opdrachtgever onderscheidenlijk een
aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk ingevolge
artikel 35a onderscheidenlijk artikel 35 aansprakelijk zijn.
3.In afwijking in zoverre van de voorgaande leden bedraagt de
bijdrage niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid
ingevolge de desbetreffende bepaling bestaat. Een als gevolg van de
toepassing van de vorige volzin ontstaan tekort wordt met inachtneming
van de voorgaande leden over de anderen verdeeld.
4.Degene die meer heeft bijgedragen dan overeenkomt met zijn op de
voet van de voorgaande leden bepaalde aandeel, heeft voor dat meerdere
verhaal op degene die minder dan zijn dienovereenkomstig bepaalde
aandeel heeft bijgedragen. Blijkt verhaal op een of meer van degenen
op wie verhaal kan worden genomen geheel of gedeeltelijk onmogelijk,
dan wordt dat tekort met inachtneming van de voorgaande leden over de
anderen verdeeld.
5.Ieder die in de belasting heeft bijgedragen, blijft gerechtigd
het bijgedragene alsnog van de belastingschuldige terug te vorderen.
6.Van de voorgaande leden kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 56
1.Degene die op de voet van de artikelen 33, eerste lid, onderdelen
b en c, 34, 35, 35a, 35b of 37 voor de voldoening van een
belastingschuld geheel of ten dele aansprakelijk is gesteld, kan voor
hetgeen hij in de belasting heeft bijgedragen verhaal nemen op ieder
van degenen, die ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a,
36 of36b voor die belastingschuld hoofdelijk aansprakelijk is.
2.Ten aanzien van degene die een ingevolge artikel 55 verschuldigd
bedrag heeft voldaan, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
3.Degene die het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag
heeft voldaan, wordt geacht tot dit bedrag de belasting van de
belastingschuldige ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a,
36 of36b te hebben voldaan.
4.Van het eerste, tweede en derde lid kan bij overeenkomst worden
afgeweken.
Artikel 57
De aansprakelijke die in de belasting heeft bijgedragen, is bij zijn
verhaal op de belastingschuldige of de mede-aansprakelijke uitsluitend
gesubrogeerd in het voorrecht van ’s Rijks schatkist overeenkomstig
artikel 21. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de belastingschuldige en de aansprakelijke die in de
belasting heeft bijgedragen indien artikel 54 toepassing heeft gevonden.
Afdeling 4. Door de ontvanger aan te houden vrijwaringsrekening bij
een bank ten behoeve van depots bij de ontvanger [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 57a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De ontvanger houdt op zijn naam een rekening aan bij een
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen (vrijwaringsrekening)
waarop de in artikel 34, artikel 35 en artikel 35a bedoelde inleners,
onderscheidenlijk aannemers en opdrachtgevers, bedragen kunnen storten
ten behoeve van het door hun uitleners, onderscheidenlijk
onderaannemers en aannemers, bij de ontvanger aan te houden depot.
2. Een uitlener, een onderaannemer of een aannemer die voldoet aan
bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, kan de ontvanger
verzoeken ten behoeve van hem een depot aan te houden. De ontvanger
beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Ook
het opheffen van een depot geschiedt bij een voor bezwaar vatbare
beschikking. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in
cassatie inzake deze beschikkingen is hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
3. Degene ten behoeve van wie de ontvanger een depot aanhoudt (de
depotbegunstigde), kan over het tegoed van het depot beschikken voor
de voldoening van loonbelasting, omzetbelasting of sociale
verzekeringspremies. Indien de depotbegunstigde na aanmaning in
gebreke blijft en in de gevallen bedoeld in artikel 10, is de
ontvanger ook zelf bevoegd tot een zodanige aanwending over te gaan.
4. De depotbegunstigde kan tevens over het tegoed van het depot
beschikken voor het overboeken naar andere depots, een en ander als
bedoeld inartikel 34, derde lid, tweede volzin, artikel 35, vijfde
lid, tweede volzin en artikel 35a, vierde lid. Voor zover de
overboeking geen betrekking heeft op loonbelasting, omzetbelasting of
sociale verzekeringspremies als aldaar bedoeld, is de depotbegunstigde
naar wie is overgeboekt, verplicht de overboeking ongedaan te maken
door terugboeking naar het depot waarvan de overboeking afkomstig is.
Voor zover de depotbegunstigde naar wie is overgeboekt, zich niet
houdt aan deze verplichting, is de ontvanger bevoegd de overboeking
ongedaan te maken.
5. Voor zover het tegoed van het depot uitgaat boven hetgeen de
depotbegunstigde verschuldigd is aan loonbelasting, omzetbelasting en
sociale verzekeringspremies, en hetgeen hij naar verwachting
binnenkort aan zodanige schulden zal moeten voldoen, kan hij de
ontvanger verzoeken het tegoed aan te wenden voor de voldoening van
andere belastingen of heffingen waarvan de invordering aan de
ontvanger is opgedragen. Indien de depotbegunstigde na aanmaning in
gebreke blijft en in de gevallen bedoeld in artikel 10, is de
ontvanger ook zelf bevoegd tot een zodanige aanwending over te gaan.
6. Bij opheffing van een depot keert de ontvanger het tegoed ervan
uit aan de depotbegunstigde. Artikel 24 is van overeenkomstige
toepassing.
7. Over het tegoed van een depot vergoedt de ontvanger aan de
depotbegunstigde een rente als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de
consignatie van gelden, welke rente wordt bijgeschreven bij het tegoed
en wordt berekend volgens de regels van die wet.
8. Het tegoed van een depot is niet vatbaar voor beslag of
verpanding en kan niet worden overgedragen.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de toepassing van dit artikel, waaronder regels dat
de ontvanger in afwijking van artikel 7a terug te geven bedragen aan
loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies kan
uitbetalen door bijboeking op het depot van degene die recht heeft op
de terugbetaling.
Hoofdstuk VII. Verplichtingen ten behoeve van de invordering
Artikel 58
1.De belastingschuldige of een aansprakelijk gestelde is gehouden
desgevraagd aan de ontvanger:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de
invordering te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan - zulks ter keuze van de ontvanger - waarvan de
raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten
welke invloed kunnen uitoefenen op de invordering te zijnen
aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.
2.Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is
verplicht op vordering van de ontvanger terstond een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de
invordering.
Artikel 59
1. De in artikel 58, eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting
geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers
bevinden van degene die gehouden is deze, of de inhoud daarvan, aan de
ontvanger voor raadpleging beschikbaar te stellen.
2. De ontvanger stelt degene wiens gegevensdragers hij bij een
derde voor raadpleging vordert, gelijktijdig hiervan in kennis.
Artikel 60
1.De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere
wijze - zulks ter keuze van de ontvanger - en binnen een door de
ontvanger te stellen redelijke termijn.
2.Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of
uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar
gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
Artikel 61
Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 58, 59 en 60
omschreven verplichtingen kan niemand zich met vrucht beroepen op de
omstandigheid dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht
is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is opgelegd.
Artikel 62
1.Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel
52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zijn de in de
artikelen 58, 59 en 60 geregelde verplichtingen van overeenkomstige
toepassing ten behoeve van de invordering van derden.
2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de
personen en de lichamen als bedoeld in artikel 55 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, voor zover het de in dat artikel bedoelde
gegevens en inlichtingen betreft.
3.Artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
toepassing met dien verstande dat voor inspecteur wordt gelezen
ontvanger en voor belastingwet wordt gelezen Invorderingswet 1990.
4.Artikel 49a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
toepassing.
Artikel 62a
1. Ingeval een persoon als bedoeld in de artikelen 58, eerste lid,
59, eerste liden 62, eerste lid, een door de ontvanger op een van die
leden gebaseerde verplichting is nagekomen maar van oordeel is dat de
verplichting onrechtmatig is opgelegd, kan hij verzoeken om vergoeding
van kosten die rechtstreeks verband houden met deze nakoming. De
ontvanger beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking
en kent een redelijke kostenvergoeding toe in geval van een
onrechtmatig opgelegde verplichting.
2. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie
inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63
Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve
van de invordering van derden kunnen alleen bekleders van een geestelijk
ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de
omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot
geheimhouding verplicht zijn.
Artikel 63a
De verplichtingen welke volgens dit hoofdstuk bestaan jegens de
ontvanger, gelden mede jegens iedere door Onze Minister aangewezen
andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst.
Hoofdstuk VIIa. Bestuurlijke boeten
Artikel 63b
1. Indien de belastingschuldige de belasting welke bij wege van
aanslag wordt geheven niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de
op het aanslagbiljet vermelde termijn of termijnen heeft betaald,
vormt dit een verzuim ter zake waarvan de ontvanger hem bij voor
bezwaar vatbare beschikking een bestuurlijke boete van ten hoogste €
4920 kan opleggen.
2. Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij
artikel 60, tweede lid, begaat een verzuim ter zake waarvan de
ontvanger hem bij voor bezwaar vatbare beschikking een bestuurlijke
boete van ten hoogste€ 4920 kan opleggen.
3. Het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste en tweede lid,
geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 67g, tweede
lid, 67pa, eerste lid, en 67pb van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
4. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie
inzake de in het eerste en tweede lid bedoelde beschikking is
hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
5. Een door de ontvanger opgelegde bestuurlijke boete is
invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking waarbij
deze is opgelegd, met overeenkomstige toepassing van de regels die
gelden voor de invordering van de belastingaanslag in verband waarmee
deze is opgelegd.
Artikel 63c
1. Het inartikel 63b, eerste en tweede lid, genoemde bedrag wordt
elke vijf jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij
ministeriële regeling gewijzigd. Deze wijziging vindt voor het eerst
plaats per 1 januari 2015. De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat als tabelcorrectiefactor wordt genomen het product van
de factoren van de laatste vijf kalenderjaren.
2. De gewijzigde bedragen vinden voor het eerst toepassing met
betrekking tot verzuimen die zijn begaan na het begin van het
kalenderjaar bij de aanvang waarvan de bedragen zijn gewijzigd.
Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 64
1. Degene die ingevolge deze wet verplicht is tot:
a. het verstrekken van inlichtingen of gegevens, en deze niet,
onjuist of onvolledig verstrekt;
b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken,
bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze
niet voor dit doel beschikbaar stelt;
c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken,
bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze
in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Degene die niet voldoet aan de hem bij artikel 58, tweede lid,
opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 65
1. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in
artikel 64, eerste lid, onderdeel a of b, wordt, indien het feit ertoe
strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het
bedrag van de te weinig ingevorderde belasting.
2. Degene die opzettelijk het feit begaat, omschreven in artikel
64, eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat
te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of,
indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te
weinig ingevorderde belasting.
3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel
vervalt, indien de schuldige alsnog juiste en volledige inlichtingen
of gegevens verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat een of meer van de in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde personen of een of meer ambtenaren van de
rijksbelastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of
bekend zal worden, mits het niet tijdig verstrekken van de gevraagde
inlichtingen of gegevens niet van invloed is geweest op de
verhaalsmogelijkheden met betrekking tot de belastingschuld.
4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden
vervolgd, zowel valt onder een van de strafbepalingen van het eerste
of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd
artikel 225, tweede lid, uitgesloten.
5. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in
het eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de
uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 65a
De in deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is
gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn overtredingen.
Artikel 66
Hoofdstuk IX, afdeling 2 - met uitzondering van artikel 72 - en
afdeling 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van
toepassing met betrekking tot de in artikel 64 strafbaar gestelde
feiten, met dien verstande dat voor belastingwet wordt gelezen
Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Artikel 67
1.Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige
werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken
van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan
noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van
enige rijksbelasting (geheimhoudingsplicht).
2.De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking
noodzakelijk is voor de goede vervulling van een
publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens
betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn
verstrekt.
3.In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze
Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
Artikel 68
De verzending en de betekening van de stukken betreffende de
invordering van de schenk- en erfbelasting kan plaatsvinden aan de
ingevolge artikel 43 van de Successiewet 1956 gekozen woonplaats dan wel
aan de werkelijke woonplaats of plaats van vestiging.
Artikel 69
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter
uitvoering van deze wet.
Artikel 70
Artikel 22, derde lid, vervalt op 1 januari 1993, tenzij voordien een
wetsvoorstel, houdende een definitieve regeling omtrent het fiscaal
bodemrecht bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend, dan wel
een wetsvoorstel houdende een verlenging van de geldigheidsduur van
voornoemde bepaling voor een tijd van niet langer dan een jaar.
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 70a
Bij toepassing van de artikelen 22, derde lid, en 36, eerste en
tweede lid, blijft artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag
van toepassing, zoals dat artikel luidde:
a. op 31 december 2011, voor belastingaanslagen
grondwaterbelasting en afvalstoffenbelasting; en
b. op 31 december 2012, voor belastingaanslagen
verpakkingenbelasting.
Artikel 70b
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen
betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing
van artikel 3.116, vierde lid, of artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zoals die artikelen luidden op 31 december
2012, onderscheidenlijk door de toepassing van artikel 10bis.4, vierde
lid, of artikel 10bis.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op
het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd:
a. indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning
ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de
Wet inkomstenbelasting 2001;
b. indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld
in artikel 3.116, eerste lid, of artikel 3.116a, eerste lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die artikelen luidden op 31
december 2012, onderscheidenlijk als bedoeld in artikel 10bis.4,
eerste lid, of artikel 10bis.5, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
3.116, derde lid, of artikel 3.116a, vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zoals die artikelen luidden op 31 december
2012, onderscheidenlijk als bedoeld in artikel 10bis.4, derde lid,
of artikel 10bis.5, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 70c
1. Indien ingevolge artikel 10bis.4, vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 een kapitaalverzekering eigen woning wordt
geacht tot uitkering te zijn gekomen, is de verzekeraar van die
uitkering tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan
aansprakelijk voor de belasting die ter zake door de gerechtigde is
verschuldigd. Indien ingevolge artikel 10bis.5, vijfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 een spaarrekening eigen woning of een
beleggingsrecht eigen woning geacht wordt te zijn gedeblokkeerd, is de
bank waarbij die rekening wordt aangehouden, onderscheidenlijk de
beheerder waarbij dat recht wordt aangehouden, aansprakelijk voor de
belasting die ter zake door de rekeninghouder, onderscheidenlijk
eigenaar, is verschuldigd.
2. Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het
evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake
van alle kapitaalverzekeringen eigen woning, alle spaarrekeningen
eigen woning en alle beleggingsrechten eigen woning die in het jaar
ingevolge artikel 10bis.4, vierde lid, onderscheidenlijk artikel
10bis.5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht
tot uitkering te zijn gekomen, onderscheidenlijk worden geacht te zijn
gedeblokkeerd.
3. Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is
van overeenkomstige toepassing.
4. Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het
eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar, de bank,
onderscheidenlijk de beheerder van de beleggingsinstelling,
schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze
aansprakelijk is.
Artikel 71
De inwerkingtreding van deze wet wordt nader bij de wet geregeld.
Artikel 72
Deze wet kan worden aangehaald als Invorderingswet 1990.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren,
wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 30 mei 1990
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
De Staatssecretaris van Justitie,
A. Kosto
Uitgegeven de eenendertigste mei 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|