Nadere regelgeving:
- Kadasterbesluit
- Maatregel
te boek gestelde luchtvaartuigen 1996
- Maatregel
te boek gestelde schepen 1992
- Organisatieregeling Kadaster 2008
- Regeling tarieven Kadaster
- Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994
WET van 3 mei 1989, houdende regelen met
betrekking tot de openbare registers voor registergoederen, alsmede met
betrekking tot het kadaster
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter
uitvoering van artikel 3.1.2.1, tweede lid, van het Burgerlijk
Wetboek, nieuwe regelen vast te stellen met betrekking tot de openbare
registers voor registergoederen, alsmede met betrekking tot het kadaster
(Kadasterwet);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ambtenaar: ambtenaar van de Dienst;
authentiek gegeven: in een
basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift
als authentiek is aangemerkt;
basisregistratie: verzameling
gegevens, waarvan bij wet is bepaald dat deze een basisregistratie
vormt;
bewaarder: bewaarder als bedoeld in
artikel 6;
brondocument:
1°. in de openbare registers
ingeschreven of anderszins door de Dienst gehouden document,
of
2°. besluit of gewaarmerkt
afschrift daarvan;
catalogus basisregistratie
topografie: catalogus basisregistratie topografie als bedoeld in
artikel 98a, derde lid;
Dienst: Dienst voor het kadaster en
de openbare registers als bedoeld in artikel 2 van de
Organisatiewet Kadaster;
geografisch gegeven:
1°. in artikel 98a, tweede
lid, genoemd geografisch object;
2°. identificerend
objectnummer als bedoeld inartikel 98a, derde lid, of een
ander in de catalogus basisregistratie topografie daarmee
gelijkgesteld identificerend kenmerk, dat aan het betreffende
geografisch object wordt toegekend, of
3°. ander kenmerk als bedoeld
in artikel 98a, derde lid, dat in de catalogus
basisregistratie topografie wordt genoemd;
kadastrale grens: op basis van
inlichtingen van belanghebbenden en met gebruikmaking van de
bescheiden, bedoeld inartikel 50, door de Dienst vastgestelde
grens tussen percelen;
kadastrale grootte: indicatieve
omvang van een perceel, berekend door de Dienst;
kadastrale kaart: kadastrale kaart
als bedoeld inartikel 48, derde lid;
Onze Minister: Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
openbare registers: openbare
registers als bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek juncto artikel 8, eerste lid;
perceel: kadastraal
geïdentificeerd en met kadastrale grenzen begrensd deel van het
Nederlands grondgebied;
rechtspersoon: privaatrechtelijke
of publiekrechtelijke rechtspersoon, met inbegrip van de openbare
vennootschap met rechtspersoonlijkheid;
registratie: registratie of
basisregistratie.
2. De begripsomschrijvingen,
opgenomen in de artikelen 1, 2, 3, eerste lid, 8 en 10 van Boek 3,
de artikelen 1, 2, 3, 3a, 190 en 780 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek, artikel 312 van het Wetboek van Koophandel en artikel 1,
onderdeel a, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
onroerende zaken, gelden ook voor de onderhavige wet.
Artikel 1a
1.Er is een basisregistratie
kadaster, bestaande uit administratieve gegevens met betrekking
tot onroerende zaken en de landelijke kadastrale kaart.
2.Er is voorts een basisregistratie
topografie, bestaande uit:
a. een landsdekkend
topografisch bestand op een schaalniveau van 1:10 000, en
b. landsdekkende topografische
bestanden op een schaalniveau kleiner dan 1:10 000.
Artikel 2
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze van kadastrale
aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten.
Artikel 2a
De Dienst heeft, onverminderd het
bepaalde in andere wettelijke voorschriften, als doeleinden:
a. de bevordering van de
rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen:
1°. in het rechtsverkeer;
2°. in het economisch
verkeer;
3°. in het bestuurlijk
verkeer tussen burgers en bestuursorganen;
b. de bevordering van een
doelmatige geo-informatie-infrastructuur;
c. een doelmatige
informatievoorziening van de overheid ten behoeve van de goede
vervulling van publiekrechtelijke taken en de nakoming van
wettelijke verplichtingen door bestuursorganen, en
d. ondersteuning en bevordering
van de economische activiteiten.
Artikel 3
1. De Dienst heeft, onverminderd
het bepaalde in andere wettelijke voorschriften, tot taak:
a. het houden van de openbare
registers;
b. het houden en bijwerken van
de basisregistratie kadaster;
c. het instandhouden van een
net van coördinaatpunten;
d. het houden en bijwerken van
een registratie voor schepen;
e. het houden en bijwerken van
een registratie voor luchtvaartuigen;
f. het uniform, consistent en
landsdekkend verzamelen, geometrisch vastleggen, beheren en
cartografisch weergeven van geografische gegevens alsmede het
houden en bijwerken van de basisregistratie topografie;
g. het in opdracht van Onze
Minister van Defensie vervaardigen, verzamelen en bijwerken
van geografische gegevens ten behoeve van de krijgsmacht, het
uniform en consistent overeenkomstig diens opdracht
cartografisch weergeven van die gegevens en het aan Onze
Minister van Defensie verstrekken van inlichtingen omtrent die
gegevens;
h. het bevorderen van de
kenbaarheid van de ligging van ondergrondse kabels en
leidingen;
i. het beheren van de
landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
zaken, en het verlenen van inzage in de gegevens uit die
voorziening;
j. het verstrekken van
inlichtingen omtrent gegevens die de Dienst heeft gekregen in
het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in de
onderdelen a tot en met f;
k. het bevorderen van de
toegankelijkheid en de uitwisselbaarheid van gegevens als
bedoeld in de onderdelen a tot en met f;
l. het vervaardigen en
verstrekken van informatie door verwerking van gegevens als
bedoeld in de onderdelen a tot en met f, voor zover het
vervaardigen en verstrekken van die informatie niet
onverenigbaar zijn met de doeleinden, genoemd in artikel 2a;
m. het in opdracht van een of
meer van Onze Ministers verrichten van werkzaamheden of het
aan een of meer van Onze Ministers verstrekken van informatie
over gegevens als bedoeld in de onderdelen a tot en met f ter
nakoming van op Nederland rustende internationale
verplichtingen uit verdragen en overeenkomsten of daarop
gebaseerde besluiten overeenkomstig die verdragen,
overeenkomsten of besluiten, en
n. het houden en beheren van de
landelijke voorziening, bedoeld in artikel 26 van de Wet
basisregistraties adressen en gebouwen, alsmede het verlenen
van inzage in die voorziening en het verstrekken van de daarin
opgenomen gegevens overeenkomstig artikel 32, eerste lid,
onderdeel b, van die wet.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen aan de Dienst andere taken dan genoemd in het
eerste lid worden opgedragen of marktactiviteiten worden
toegestaan, voorzover die taken en marktactiviteiten verband
houden met de taken, genoemd in het eerste lid, en niet
onverenigbaar zijn met de doeleinden, genoemd inartikel 2a. Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze
Minister nadere regels kan stellen met betrekking tot de
uitvoering van de bij die maatregel opgedragen taken of toegestane
marktactiviteiten.
Artikel 3a
1.De Dienst verzamelt
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet
bescherming persoonsgegevens voor de doeleinden, genoemd in
artikel 2a, onverminderd het bepaalde in andere wettelijke
voorschriften.
2.De Dienst verwerkt geen
persoonsgegevens in verband met de totstandbrenging of de
instandhouding van een directe relatie tussen de Dienst of een
derde en de betrokkene met het oog op werving voor commerciële of
charitatieve doelen.
Artikel 3b
Ten aanzien van verwerkingen als
bedoeld in artikel 3a is het bestuur van de Dienst verantwoordelijke
in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
Artikel 3c [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 3d
1.Ter waarborging van de kwaliteit
van de verwerking van gegevens die de Dienst heeft verkregen in
het kader van de vervulling van de hem opgedragen taken, legt het
bestuur van de Dienst passende technische en organisatorische
maatregelen ten uitvoer om die gegevens te beveiligen tegen
verlies, aantasting en onbevoegde wijziging, kennisneming of
verstrekking, onverminderd het bepaalde daaromtrent bij of
krachtens deze wet en de Wet bescherming persoonsgegevens. Bij het
nemen van de maatregelen, bedoeld in de eerste zin, houdt het
bestuur van de Dienst rekening met de stand van de techniek, de
kosten van tenuitvoerlegging en de desbetreffende risico’s.
2.De maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, omvatten ten minste:
a. maatregelen met betrekking
tot personen die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor de
Dienst, voorzover betrokken bij de verwerking van de te
beveiligen gegevens;
b. maatregelen met betrekking
tot de toegang tot gebouwen en ruimten waarin de te beveiligen
gegevens zijn opgeslagen door de Dienst;
c. maatregelen met betrekking
tot een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur
en programmatuur die bij het verwerken van de te beveiligen
gegevens worden ingezet;
d. maatregelen met betrekking
tot het beheer van de te beveiligen gegevens, waaronder mede
verstaan die welke strekken tot het waarborgen dat de te
beveiligen gegevens zijn opgeslagen op gegevensdragers met een
voldoende kwaliteit en levensduur;
e. maatregelen met betrekking
tot de gevallen waarin onbevoegd is kennisgenomen van de te
beveiligen gegevens of die onbevoegd zijn gewijzigd of
verstrekt, en
f. maatregelen met betrekking
tot calamiteiten.
3.Indien de Dienst gegevens te
zijnen behoeve laat verwerken door een persoon die niet
rechtstreeks aan zijn gezag is onderworpen, draagt het bestuur van
de Dienst er zorg voor dat, onverminderd het bepaalde daaromtrent
bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens, die bewerker
voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de technische en
organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te
verrichten verwerkingen. Het bestuur van de Dienst ziet toe op en
draagt zorg voor de naleving van die maatregelen door die
bewerker.
4.Het bestuur van de Dienst draagt
er zorg voor dat eenmaal per jaar door een of meer deskundigen de
toereikendheid van de genomen en ten uitvoer gelegde
beveiligingsmaatregelen, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt
gecontroleerd, daaronder mede verstaan de toereikendheid van het
toezicht op de naleving en effectuering van die maatregelen. Een
deskundige als bedoeld in de eerste zin is niet betrokken of
betrokken geweest bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering
van de beveiligingsmaatregelen.
Artikel 4
Het bestuur van de Dienst bepaalt:
a. op welke plaatsen de Dienst
kantoor houdt;
b. op welke plaatsen en gedurende
welke tijden stukken ter inschrijving in de openbare registers
kunnen worden aangeboden, en
c. op welke plaatsen en gedurende
welke tijden loket wordt gehouden voor het publiek.
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 5 [Vervallen per 01-05-1994]
Artikel 6
1.Onder de benaming van bewaarder
van het kadaster en de openbare registers worden door het bestuur
van de Dienst ten minste twee bewaarders benoemd.
2.Tot bewaarder kunnen uitsluitend
worden benoemd zij die:
a. op grond van het met goed
gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op
het gebied van het recht aan een universiteit of de Open
Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de
titel meester te voeren, hebben verkregen;
b. een door het bestuur van de
Dienst voldoende verklaarde opleiding van gelijkwaardige aard
hebben, of
c. in het bezit zijn van een
ten aanzien van het beroep van bewaarder verleende erkenning
van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
beroepsvereisten, bedoeld in onderdeel a.
3.Bij afwezigheid, belet,
ontstentenis of schorsing van een bewaarder wordt hij vervangen
door een of meer van de andere bewaarders door het bestuur van de
Dienst aan te wijzen op een daarbij door dat bestuur te bepalen
wijze.
4.Het bestuur van de Dienst kan een
of meer personen behorend tot het personeel van de Dienst belasten
met de waarneming van het ambt van bewaarder.
Artikel 7
1. De bewaarder is, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, belast met:
a. het verrichten van
inschrijvingen in de openbare registers en het stellen van
aantekeningen in die registers, en
b. het bijwerken van de
basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen en de
registratie voor luchtvaartuigen.
2. De bewaarder kan met betrekking
tot een of meer van zijn bevoegdheden die hem zijn toegekend bij
of krachtens deze of een andere wet, mandaat of machtiging
verlenen aan een of meer personen behorend tot het personeel van
de Dienst. Verlening van mandaat of machtiging behoeft de
instemming van het bestuur van de Dienst, voorzover het mandaat of
de machtiging wordt verleend aan personeel van de Dienst dat niet
werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de bewaarder.
3. Het bestuur van de Dienst wijst
een bewaarder aan als hoofdbewaarder belast met de verdeling van
de werkzaamheden tussen hem en de andere bewaarder of bewaarders,
indien er meer dan twee bewaarders zijn benoemd. Het bestuur van
de Dienst kan richtlijnen en instructies geven aan de
hoofdbewaarder met betrekking tot de verdeling, bedoeld in de
eerste zin.
4. Het bestuur van de Dienst kan
richtlijnen en instructies geven aan de bewaarder met betrekking
tot:
a. het verrichten van
werkzaamheden en het uitoefenen van bevoegdheden die hem zijn
opgedragen onderscheidenlijk toegekend bij of krachtens deze
of een andere wet, en
b. de toepassing van het tweede
lid, eerste zin.
Artikel 7a
1.Personen die door de Dienst, het
bestuur van de Dienst of een daartoe op grond van een wettelijk
voorschrift bevoegde functionaris van de Dienst zijn belast met
aan de uitvoering van de aan de Dienst opgedragen taken verbonden
werkzaamheden, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur en andere hulpmiddelen, elke plaats te betreden,
onverminderd artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden, en
daar een waarneming, meting of graving te verrichten en daarop of
daarin een teken te stellen, voorzover dat redelijkerwijs nodig is
voor de vervulling van hun taak ter uitvoering van aan de Dienst
opgedragen taken.
2.De eigenaar, de beperkt
gerechtigde en de gebruiker van een registergoed zijn verplicht
aan een persoon als bedoeld in het eerste lid binnen de door hem
gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat de
toegang slechts wordt verleend tussen acht uur 's morgens en zes
uur 's avonds en dat die niet behoeft te worden verleend op
zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen.
3.De eigenaar, de beperkt
gerechtigde en de gebruiker van een gebouw en grond zijn verplicht
te gedogen dat daarop of daarin een teken wordt gesteld ter
uitvoering van aan de Dienst opgedragen taken. De eerste zin is
van overeenkomstige toepassing op het aanbrengen van een brandmerk
op een schip als bedoeld inartikel 21, eerste lid, onderdeel c.
4.Indien de toegang wordt
geweigerd, verschaffen de personen, bedoeld in het eerste lid,
zich zo nodig toegang met behulp van de sterke arm. Indien het
verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, niet
wordt toegestaan of de medewerking, bedoeld in het tweede lid,
niet wordt verleend, zijn de personen, bedoeld in het eerste lid,
bevoegd het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste
lid, zo nodig met behulp van de sterke arm mogelijk te maken.
5.De schade die uit de toepassing
van het eerste of derde lid voortvloeit, wordt door de Dienst
vergoed. Het verzoek om schadevergoeding wordt ingediend bij het
bestuur van de Dienst. De vordering tot schadevergoeding staat ter
kennisneming van de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de plaats van vestiging van de Dienst is
gelegen. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 7b
1.Een persoon als bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, draagt bij het verrichten van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, een
legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuur van
de Dienst, en toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd terstond.
2.Het legitimatiebewijs bevat een
foto van de betrokken persoon en vermeldt in elk geval zijn naam
en hoedanigheid.
3.Het model van het
legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van het bestuur
van de Dienst.
Artikel 7c
De artikelen 2:13 tot en met 2:17 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op
het elektronische berichtenverkeer verbonden aan het houden van de
openbare registers en het verstrekken van inlichtingen daaruit,
tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.
Artikel 7d
1.De bevoegdheden die op grond van
artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan
een bestuursorgaan zijn toegekend, komen uitsluitend toe aan het
bestuur van de Dienst.
2.Het bestuur van de Dienst kan de
ingevolge het eerste lid aan hem toekomende bevoegdheden
uitsluitend uitoefenen door het vaststellen van regelingen.
Artikel 7e
1.Indien in deze wet wordt
voorgeschreven dat een document van een elektronische handtekening
wordt voorzien, wordt een elektronische handtekening gebruikt die
voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 15a, tweede lid,
onderdelen a tot en met f, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Een certificaat waarop een in
deze wet voorgeschreven elektronische handtekening is gebaseerd,
bevat geen pseudoniem.
3.De in artikel 2:16, derde zin,
van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvullende eisen met
betrekking tot het gebruik van een elektronische handtekening
worden gesteld bij of krachtens regeling van Onze Minister.
Hoofdstuk 1a. Bepalingen omtrent
authentieke gegevens en de inhoud en inrichting van registraties
Titel 1. Authentieke gegevens
Artikel 7f
1.De basisregistraties kadaster en
topografie bevatten authentieke gegevens krachtens een wet.
2.Onverminderd artikel 48, vierde
lid, zijn de in de basisregistratie kadaster opgenomen gegevens,
bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdelen a tot en met d, en
derde lid, onderdelen a tot en met c, authentieke gegevens.
3.De in de basisregistratie
topografie opgenomen gegevens, bedoeld inartikel 98a, eerste tot
en met derde lid, zijn authentieke gegevens.
Artikel 7g
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat in de basisregistratie kadaster of
basisregistratie topografie een ander bij die maatregel als
authentiek aan te wijzen gegeven wordt opgenomen dan de gegevens,
bedoeld in artikel 7f, tweede of derde lid, indien:
a. de kenbaarheid van het
betreffende gegeven van belang blijkt voor de uitoefening van
een publiekrechtelijke taak door bestuursorganen, en
b. er geen gewichtige redenen
zijn die zich daartegen verzetten.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat een daarbij aangewezen authentiek
gegeven uit een andere basisregistratie dan bedoeld in artikel 1a,
of een ander gegeven dan een authentiek gegeven, wordt opgenomen,
respectievelijk wordt toegevoegd aan de in een registratie
opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 48, 85, 92 of 98a, indien:
a. de kenbaarheid van het
gegeven van belang blijkt voor het rechtsverkeer of economisch
verkeer, en
b. er geen gewichtige redenen
zijn die zich daartegen verzetten.
3.Indien een authentiek gegeven of
deel daarvan als bedoeld in artikel 7f, tweede of derde lid, of
een gegeven als bedoeld in artikel 48, 85, 92 of 98a, krachtens
een wet tot instelling van een andere basisregistratie dan de
basisregistratie kadaster of topografie als authentiek wordt
aangemerkt, geldt dat gegeven daarna als een uit die andere
basisregistratie overgenomen authentiek gegeven.
4.Bij regeling van Onze Minister
kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de door de Dienst in
acht te nemen norm met betrekking tot de actualiteit van een uit
een andere basisregistratie over te nemen authentiek gegeven.
5.In geval van spoed kan in
afwijking van het eerste of tweede lid, voor de gevallen, bedoeld
in die leden, bij regeling van Onze Minister een bij die regeling
aan te wijzen gegeven in een registratie worden opgenomen.
6.Na de plaatsing in het Staatsblad
of de Staatscourant van een krachtens het eerste of tweede lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur respectievelijk van
een krachtens het vijfde lid vastgestelde ministeriële regeling
wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken
onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend.
Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide
kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen,
wordt de algemene maatregel van bestuur of de ministeriële
regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet
verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur of de
ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet.
Artikel 7h
1.In de basisregistratie kadaster
wordt een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 7f, tweede
lid, en 7g, eerste lid, door middel van een kenmerk onderscheiden
van in die basisregistratie opgenomen andere dan authentieke
gegevens.
2.In een registratie wordt een
authentiek gegeven dat is overgenomen uit een andere
basisregistratie dan bedoeld in artikel 1a, door middel van een
kenmerk onderscheiden van gegevens die authentiek zijn ingevolge
deze wet.
Artikel 7i
1.Het bestuur van de Dienst stelt
regels voor de inrichting en het houden van een registratie.
2.Het bestuur van de Dienst kan
voorts regels stellen omtrent de wijze van weergave van de in een
registratie opgenomen gegevens.
Artikel 7j
1.Het bestuur van de Dienst draagt
er zorg voor dat de weergave van een krachtens deze wet in de
basisregistratie kadaster opgenomen authentiek gegeven
overeenstemt met dat gegeven, als opgenomen in het betreffende
brondocument of, ingeval een vorenbedoeld authentiek gegeven wordt
afgeleid uit een brondocument, dat dat authentieke gegeven juist
en volledig daaruit is afgeleid.
2.Het bestuur van de Dienst draagt
er voorts zorg voor dat:
a. een in de basisregistratie
topografie opgenomen geografisch object als bedoeld in artikel
98a, tweede lid, in overeenstemming is met:
1°. de fysieke
werkelijkheid ten tijde van de laatste bijhouding van het
geografisch gebied waarin dat geografisch object is
gelegen, en
2°. de actuele fysieke
werkelijkheid, voorzover er zich een aanmerkelijke
verandering voordoet of heeft voorgedaan ten opzichte van
de laatste bijhouding van het betreffende geografisch
gebied;
b. een in de basisregistratie
topografie opgenomen geografisch gegeven voldoet aan de
kwaliteitseisen, gesteld in de catalogus basisregistratie
topografie, en
c. een koppeling mogelijk wordt
gemaakt tussen de basisregistratie topografie en een andere
basisregistratie voor wat betreft een authentiek gegeven dat
uit die andere basisregistratie is overgenomen, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald.
3.Voorzover in een registratie een
authentiek gegeven uit een andere basisregistratie dan bedoeld in
artikel 1a is overgenomen, draagt het bestuur van de Dienst er
zorg voor dat:
a. de weergave van dat
authentieke gegeven in die registratie overeenstemt met dat
gegeven, als opgenomen in die andere basisregistratie, tenzij
dat verschil in weergave wordt veroorzaakt door een norm als
bedoeld in artikel 7g, vierde lid, en
b. de actualiteit van dat
authentieke gegeven voldoet aan een zodanige norm.
Titel 2. Gebruik en verstrekking van
authentieke gegevens
Artikel 7k
1.Indien een bestuursorgaan bij de
vervulling van zijn publiekrechtelijke taak een gegeven nodig
heeft dat krachtens deze wet als authentiek gegeven in de
basisregistratie kadaster of topografie beschikbaar is, gebruikt
het dat authentieke gegeven.
2.Een bestuursorgaan kan een ander
gegeven gebruiken dan een krachtens deze wet beschikbaar
authentiek gegeven, indien:
a. bij het betreffende
authentieke gegeven de aantekening «in onderzoek» is
geplaatst;
b. het een melding heeft gedaan
overeenkomstigartikel 7n, eerste lid, 7o, eerste lid, of 7p,
eerste lid;
c. het door toepassing van het
eerste lid zijn publiekrechtelijke taak niet naar behoren kan
vervullen, of
d. bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald dan in het eerste lid.
3.Voorzover bij de uitoefening van
een publiekrechtelijke taak gebruik wordt gemaakt van een
topografische ondergrond, is een bestuursorgaan niet gehouden
toepassing te geven aan het eerste lid, ingeval de uitoefening van
die taak is gediend met gebruikmaking van een topografische
ondergrond met een schaalniveau groter dan 1:10 000.
4.In afwijking van het eerste lid
kunnen bestuursorganen van gemeenten die op 1 januari 2006
beschikten over een in eigen beheer vervaardigde topografische
ondergrond met een schaalniveau van 1:10 000 bij de vervulling van
een publiekrechtelijke taak tot een bij regeling van Onze Minister
per gemeente te bepalen tijdstip, mits gelegen voor 1 januari
2010, gebruik maken van de eigen topografische ondergrond.
Artikel 7l
Een natuurlijk persoon of
rechtspersoon, aan wie door een bestuursorgaan gevraagd wordt om een
gegeven te verstrekken dat krachtens deze wet als authentiek gegeven
in de basisregistratie kadaster of topografie beschikbaar is,
behoeft dat gegeven niet te verstrekken, behoudens:
a. ingeval bij het betreffende
authentieke gegeven de aantekening «in onderzoek» is
geplaatst;
b. in geval van bijhouding of
vernieuwing van de basisregistratie kadaster, van herinrichting,
verkaveling of reconstructie van een bij wettelijk voorschrift
aangewezen gebied, van voorbereiding van herinrichting,
verkaveling of reconstructie of van bijhouding van de
basisregistratie topografie;
c. in geval van opsporing of
onderzoek naar overtreding van een wettelijk voorschrift of van
controle op de naleving van een wettelijk voorschrift;
d. in geval van dreiging van, of
het zich voordoen van, een oproerige beweging, wanordelijkheden,
verstoring van de openbare orde, rampen of zware ongevallen;
e. ingeval bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, of
f. ingeval het gegeven
noodzakelijk is voor een deugdelijke vaststelling van de
identiteit van betrokkene.
Titel 3. Terugmelding
Artikel 7m
1.Een bestuursorgaan meldt aan de
Dienst, onder opgaaf van redenen, zijn gerede twijfel omtrent de
juistheid van een in een registratie overgenomen gegeven dat
krachtens een andere wet dan deze wet als authentiek is
aangemerkt.
2.De Dienst zendt een melding als
bedoeld in het eerste lid onverwijld door aan de beheerder van de
betreffende basisregistratie, en doet daarvan mededeling aan het
bestuursorgaan dat de melding heeft gedaan.
Artikel 7n
1.Een bestuursorgaan meldt aan de
Dienst, onder opgaaf van redenen, zijn gerede twijfel omtrent de
juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen
gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt.
2.De Dienst neemt na ontvangst van
een melding als bedoeld in het eerste lid een beslissing omtrent
wijziging van het betreffende authentieke gegeven. Indien de
Dienst die beslissing niet binnen een dag na ontvangst van die
melding heeft genomen, tekent de Dienst in de basisregistratie
kadaster, of ingeval de melding betrekking heeft op een gegeven
als bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdeel a, b of c, in een
afzonderlijk register, aan dat het betreffende gegeven«in
onderzoek» is.
3.De Dienst verwijdert de
aantekening dat een authentiek gegeven «in onderzoek» is uit de
basisregistratie kadaster of het afzonderlijk register tegelijk
met de verwerking van de wijziging in die basisregistratie of,
indien een melding als bedoeld in het eerste lid niet tot
wijziging leidt, met de beslissing om het authentieke gegeven niet
te wijzigen.
4.De beslissing, bedoeld in het
tweede en derde lid, is een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
5.De Dienst bericht het
bestuursorgaan dat een melding heeft gedaan als bedoeld in het
eerste lid onverwijld over een handeling of beslissing als bedoeld
in het tweede of derde lid.
6.De Dienst doet onverwijld
schriftelijk mededeling aan de belanghebbende van zijn beslissing
op grond van het tweede of derde lid, indien die beslissing heeft
geleid tot een wijziging van het betreffende authentieke gegeven.
Artikel 7o
1.Een bestuursorgaan meldt aan de
Dienst, onder opgaaf van redenen, zijn gerede twijfel omtrent het
in overeenstemming zijn van een krachtens deze wet als authentiek
aangemerkt gegeven in de basisregistratie topografie met de
fysieke werkelijkheid ten tijde van de laatste bijhouding van het
geografisch gebied, waarin het geografische object, waarop dat
gegeven betrekking heeft, is gelegen.
2.De Dienst neemt na ontvangst van
een melding als bedoeld in het eerste lid een beslissing omtrent
wijziging van het betreffende authentieke gegeven. Indien de
Dienst die beslissing niet binnen een dag na ontvangst van de
betreffende melding heeft genomen, registreert de Dienst in een
afzonderlijk register de melding, het betreffende authentieke
gegeven en de aantekening «in onderzoek» bij dat gegeven.
3.Indien de Dienst niet binnen een
dag na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, een
beslissing heeft genomen omtrent de wijziging van het betreffende
authentieke gegeven, neemt de Dienst die beslissing uiterlijk
binnen zes weken na het tijdstip waarop volgens de catalogus
basisregistratie topografie de bijhouding is beëindigd.
4.De Dienst verwijdert de
aantekening dat een authentiek gegeven «in onderzoek» is uit het
register, bedoeld in het tweede lid, tegelijk met de verwerking
van de wijziging in de basisregistratie topografie of, indien de
betreffende melding niet tot wijziging heeft geleid, met de
beslissing om het authentieke gegeven niet te wijzigen.
5.De Dienst bericht het
bestuursorgaan dat een melding heeft gedaan als bedoeld in het
eerste lid onverwijld over een handeling of beslissing als bedoeld
in het tweede, derde of vierde lid.
Artikel 7p
1.Voorzover zich een aanmerkelijke
verandering voordoet of heeft voorgedaan in de fysieke
werkelijkheid ten opzichte van de laatste bijhouding van het
betreffende geografisch gebied, kan een bestuursorgaan aan de
Dienst, onder opgaaf van redenen, melden dat het noodzakelijk of
wenselijk is de betreffende authentieke gegevens in de
basisregistratie topografie op een eerder tijdstip dan bij de
eerstvolgende bijhouding van dat gebied te wijzigen.
2.De Dienst registreert na
ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid de
melding, het betreffende authentieke gegeven en de aantekening
«in onderzoek» in het register, bedoeld in artikel 7o, tweede
lid. De Dienst bericht het bestuursorgaan dat de melding heeft
gedaan onverwijld over die handeling.
3.De Dienst beslist op een melding
als bedoeld in het eerste lid uiterlijk binnen zes weken na
ontvangst daarvan, met dien verstande dat de Dienst die termijn
één keer kan verlengen met ten hoogste vier weken.
4.Indien de Dienst beslist om
gevolg te geven aan de in de melding, bedoeld in het eerste lid,
gevraagde actualisering, handelt de Dienst overeenkomstig artikel
7o, vierde lid, en bericht de Dienst het bestuursorgaan dat een
melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste lid onverwijld over
zijn beslissing en de handelingen die hij overeenkomstig artikel
7o, vierde lid, heeft verricht.
5.Indien de Dienst beslist om geen
gevolg te geven aan de in de melding, bedoeld in het eerste lid,
gevraagde actualisering, blijft de aantekening«in onderzoek»
staan en tekent de Dienst bij de melding zijn beslissing aan om
die actualisering te doen plaatsvinden bij de eerstvolgende
bijhouding. Na beëindiging van die bijhouding is op de beslissing
en de kennisgeving daarvan aan het bestuursorgaan dat de melding
heeft gedaan artikel 7o, derde tot en met vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vijfde
lid van dat artikel voor «tweede, derde of vierde lid» wordt
gelezen: vierde lid.
Artikel 7q
Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld omtrent:
a. de gevallen waarin een melding
als bedoeld inartikel 7m, eerste lid, 7n, eerste lid, of 7o,
eerste lid, achterwege kan blijven, of
b. een beperking van de kring van
bestuursorganen die verplicht zijn toepassing te geven
aanartikel 7m, eerste lid, 7n, eerste lid, of 7o, eerste lid, of
gebruik kunnen maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7p,
eerste lid.
Artikel 7r
1.Indien ten aanzien van een
beslissing over wijziging van een authentiek gegeven dat is
opgenomen in de basisregistratie kadaster bezwaar wordt gemaakt of
beroep wordt ingesteld, tekent de Dienst in de basisregistratie
kadaster, of ingeval het betreffende gegeven een gegeven is als
bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdeel a, b of c, in een
afzonderlijk register, aan dat het betreffende authentieke gegeven
«in onderzoek»is.
2.Indien de beslissing op bezwaar
of de rechterlijke uitspraak op het beroep strekt tot wijziging
van een in de basisregistratie kadaster opgenomen authentiek
gegeven, verwerkt de Dienst die wijziging in die basisregistratie.
3.Indien onherroepelijk is beslist
op het bezwaar of beroep, verwijdert de Dienst de aantekening dat
het betreffende authentieke gegeven«in onderzoek»is.
Titel 4. Ambtshalve correctie en
correctie op verzoek
Artikel 7s
1.Indien de Dienst constateert dat
de weergave van een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 7f,
tweede lid, of7g, eerste lid, in de basisregistratie kadaster niet
in overeenstemming is met dat gegeven, als opgenomen in een
brondocument of, ingeval een authentiek gegeven wordt afgeleid uit
een brondocument, dat gegeven niet juist en volledig daaruit is
afgeleid, herstelt de Dienst ambtshalve dat gegeven in die
basisregistratie. De artikelen 7n, vierde en zesde lid, en 7r zijn
van overeenkomstige toepassing.
2.Indien de Dienst constateert dat
een in de basisregistratie topografie opgenomen geografisch
gegeven niet in overeenstemming is met:
a. de fysieke werkelijkheid ten
tijde van de laatste bijhouding van het geografisch gebied,
waarin het geografische object, waarop dat gegeven betrekking
heeft, is gelegen, of
b. de actuele fysieke
werkelijkheid, in geval van een aanmerkelijke verandering ten
opzichte van de laatste bijhouding van het betreffende
geografisch gebied, kan de Dienst dat gegeven in de
basisregistratie topografie ambtshalve herstellen dan wel,
indien het betreft een geval als bedoeld in onderdeel a, dat
herstel opschorten tot de eerstvolgende bijhouding, bedoeld in
de catalogus basisregistratie topografie. De Dienst tekent
zowel een geconstateerde onjuistheid als de correctie daarvan
aan in het register, bedoeld inartikel 7o, tweede lid.
3.Indien de Dienst ten aanzien van
de weergave van een in een registratie opgenomen ander gegeven dan
een authentiek gegeven een constatering als bedoeld in het eerste
lid doet, zijn dat lid alsmede de artikelen 7n, vierde en zesde
lid, en 7r van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7t
1.Indien een belanghebbende gerede
twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie
kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek
is aangemerkt, dan wel omtrent de juistheid van een uit een andere
basisregistratie dan genoemd in artikel 1a in de basisregistratie
kadaster of de registratie voor schepen of luchtvaartuigen
overgenomen authentiek gegeven, kan die belanghebbende onder
opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat
gegeven in de basisregistratie kadaster doen. De artikelen 7n,
tweede tot en met vierde en zesde lid, en 7r zijn van
overeenkomstige toepassing indien het verzoek betrekking heeft op
een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat
krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, en artikel 7m,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing indien het verzoek
betrekking heeft op een uit een andere basisregistratie
overgenomen gegeven.
2.Indien een gehele of
gedeeltelijke toewijzing van het verzoek tot herstel, bedoeld in
het eerste lid, leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering
van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de
Wet bescherming persoonsgegevens, bericht de Dienst dat zo spoedig
mogelijk aan derden aan wie de persoonsgegevens daaraan
voorafgaand zijn verstrekt, tenzij dit onmogelijk blijkt of
onevenredige inspanning kost. De Dienst doet desgevraagd aan de
verzoeker opgaaf van degenen aan wie is bericht.
3.Het eerste lid is
vanovereenkomstige toepassing indien een belanghebbende gerede
twijfel heeft omtrent de juistheid van een ander dan een
authentiek gegeven in de basisregistratie kadaster of de
registratie voor schepen of luchtvaartuigen.
4.De Dienst registreert een verzoek
als bedoeld in het eerste of derde lid alsmede de beslissing op
dat verzoek.
Titel 5. Kwaliteit, voorbehoud
databankenrecht en relatieve competentie
Artikel 7u
1.De Dienst draagt er zorg voor dat
de juistheid en volledigheid van de authentieke gegevens, genoemd
in de artikelen 48, tweede lid, onderdelen a tot en met e, en
derde lid, onderdelen a tot en met c, 98a, eerste tot en met derde
lid, en bedoeld in artikel 7g, eerste lid, ten minste:
a. één keer per drie jaar
worden gecontroleerd door een, door het bestuur van de Dienst
aangewezen, onafhankelijke deskundige, en
b. één keer per jaar door dat
bestuur worden gecontroleerd in de jaren dat de controle door
die deskundige achterwege blijft.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
voorafgaand aan de controle, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, een controleprotocol op, dat in ieder geval de elementen van de
controle bevat. Het bestuur kan daarbij bepalen welke authentieke
gegevens, landelijk of voor een daarbij aan te geven beperkt
geografisch gebied, dienen te worden onderzocht.
3.De Dienst maakt het
controleprotocol bekend in de Staatscourant of doet daarin een
kennisgeving op welke plaatsen en gedurende welke tijden dat
protocol ter inzage ligt.
4.De Dienst doet een kennisgeving
in de Staatscourant op welke plaatsen en gedurende welketijden een
afschrift van de resultaten van de controle, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, ter inzage ligt.
Artikel 7v
Het recht, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Databankenwet, ten aanzien van de
basisregistratie kadaster, de basisregistratie topografie, alsmede
de registraties voor schepen en luchtvaartuigen, is voorbehouden aan
de Dienst.
Artikel 7w [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 2. Openbare registers voor
registergoederen
Titel 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Omschrijving en vorm van
de openbare registers; aantekeningen in de openbare registers; wijze
van bewaren van de openbare registers; vervaardiging en vervanging
van duplicaten van de openbare registers en van duplicaten van
andere bij de openbare registers te bewaren stukken
Artikel 8
1.De openbare registers waarin
feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang
zijn, worden ingeschreven, zijn:
a. de registers van
inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende
zaken, schepen en luchtvaartuigen en op de rechten waaraan die
onderworpen zijn;
b. het register van voorlopige
aantekeningen waarin de aanbieding van stukken waarvan de
inschrijving door de bewaarder ingevolge artikel 20 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek is geweigerd, wordt aangetekend
onder vermelding van de gerezen bedenkingen, en waarin de
aanbieding van notariële verklaringen wordt geboekt in de
gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
nadere regels met betrekking tot de vorm van de registers, bedoeld
in het eerste lid. Het bestuur van de Dienst kan daarbij een
onderscheid maken met betrekking tot:
a. onroerende zaken en de
rechten waaraan die zijn onderworpen, onderscheidenlijk
schepen en de rechten waaraan die zijn onderworpen,
onderscheidenlijk luchtvaartuigen en de rechten waaraan die
zijn onderworpen, en
b. in elektronische vorm en in
andere vorm gehouden gedeelten van die registers.
Voorzover bij de vaststelling van
de regels, bedoeld in de eerste zin, de tweede zin, aanhef, in
verbinding met onderdeel a toepassing heeft gevonden, zijn de bij
of krachtens deze wet gestelde regels omtrent verrichtingen ten
aanzien van die registers van toepassing op de registers voor de
desbetreffende goederen. Het bestuur van de Dienst kan nadere
regels stellen omtrent de wijze van toepassing van de regels,
bedoeld in de derde zin.
3.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst worden vastgesteld, onverminderd het bepaalde
dienaangaande bij of krachtens deze of een andere wet, de gevallen
waarin in de registers, bedoeld in het eerste lid, door de
bewaarder aantekeningen worden gesteld, de aard van die
aantekeningen en de wijze waarop die worden gesteld. Het bestuur
van de Dienst kan daarbij bepalen dat in door hem nader te bepalen
gevallen de aantekening wordt geplaatst in een door de bewaarder
op te maken, te dagtekenen en te ondertekenen stuk dat hij
onverwijld ambtshalve inschrijft in de openbare registers. Het
bestuur van de Dienst stelt indien de tweede zin toepassing vindt,
tevens de vorm van dat stuk vast.
Artikel 9
1.Het bestuur van de Dienst draagt
zorg dat de openbare registers zodanig duurzaam worden bewaard dat
de inhoud ervan naar de eisen van openbaarheid binnen redelijke
termijn voor raadpleging beschikbaar is.
2.De inhoud van de openbare
registers kan worden gehouden op papieren, elektronische of andere
gegevensdragers.
3.Het bestuur van de Dienst kan ten
aanzien van door hem aan te wijzen openbare registers of gedeelten
ervan, de inhoud overbrengen op andere gegevensdragers van
dezelfde of een andere soort, mits de overbrenging geschiedt met
juiste en volledige weergave van alle desbetreffende gegevens, ter
waarborging waarvan het bestuur van de Dienst passende maatregelen
ten uitvoer legt. Het bestuur van de Dienst kan bepalen dat meer
dan een duplicaat van dezelfde of een andere soort als bedoeld in
de eerste zin wordt vervaardigd. Het bestuur van de Dienst draagt
in elk geval zorg dat van de openbare registers zo spoedig
mogelijk ten minste een duplicaat in dubbel aanwezig is, waarbij
artikel 3d, eerste lid, tweede zin, van overeenkomstige toepassing
is.
4.Het bestuur van de Dienst kan
bepalen dat een ingevolge het derde lid vervaardigd duplicaat de
inhoud vervangt van de openbare registers of gedeelten ervan
waarvan dat duplicaat een afschrift is.
5.De duplicaten, bedoeld in het
derde en vierde lid, hebben dezelfde bewijskracht als de inhoud
van de registers die is geplaatst op de oorspronkelijke
gegevensdragers onderscheidenlijk als de oorspronkelijke inhoud
van de registers.
6.Van elke vervaardiging van een
duplicaat en vervanging als bedoeld in het derde onderscheidenlijk
vierde lid wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste een
specificatie bevat van de desbetreffende vervaardiging
onderscheidenlijk vervanging, en aangeeft op grond waarvan zij is
geschied. Het bestuur van de Dienst stelt de vorm van de
verklaring vast, en wanneer en door wie zij wordt opgemaakt en
ondertekend.
7.Het bestuur van de Dienst stelt
met inachtneming van het eerste tot en met zesde lid nadere regels
omtrent de wijze waarop de openbare registers worden gehouden.
Daarbij wordt in elk geval geregeld de wijze waarop voor gebruik
niet langer geschikte of beschikbare duplicaten als bedoeld in het
derde lid worden vervangen door nieuwe duplicaten.
Artikel 9a
Artikel 9is van overeenkomstige
toepassing op in vreemde of Friese taal gestelde stukken als bedoeld
in artikel 41, derde lid.
Afdeling 2. Plaats van inschrijving
Artikel 10
Bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld waar stukken ter verkrijging van inschrijving van
feiten die betrekking hebben op onroerende zaken, schepen,
luchtvaartuigen, en rechten waaraan die zaken zijn onderworpen,
kunnen worden aangeboden, met dien verstande dat bij regeling van
het bestuur van de Dienst een of meer elektronische postadressen van
de Dienst worden vastgesteld.
Afdeling 3. Vereisten voor
inschrijving en de wijze waarop deze geschiedt
Artikel 10a
Voor inschrijving van een feit in de
openbare registers, bedoeld inartikel 8, eerste lid, onderdeel a, is
vereist een stuk dat voldoet aan de vereisten, bedoeld in hoofdstuk
2, titel 2, onverminderd hetgeen wordt bepaald bij verdrag en bij of
krachtens deze of een andere wet.
Artikel 10b
1.Stukken als bedoeld in artikel
10a worden in papieren of elektronische vorm ter inschrijving in
de openbare registers aangeboden, onverminderd de artikelen 11a,
eerste tot en met vierde lid, en 11b, vijfde en zesde lid.
2.Bij regeling van Onze Minister
worden met betrekking tot in te schrijven stukken met een papieren
vorm, regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop daarin
voorkomende doorhalingen van de oorspronkelijke tekst,
aangebrachte gewijzigde tekst en daarop geplaatste ondertekeningen
worden weergegeven in het afschrift en uittreksel, bedoeld in
artikel 11b, eerste lid, tenzij de aard van het desbetreffende
stuk meebrengt dat die regels worden gesteld bij of krachtens een
andere dan deze wet.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
wijze waarop een elektronisch afschrift en een elektronisch
uittreksel van een tot het register van de gerechtsdeurwaarder
behorend stuk wordt vervaardigd ten behoeve van het in
elektronische vorm aanbieden van dit stuk ter inschrijving in de
in artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde openbare registers.
Artikel 11
1.Indien een stuk als bedoeld in
artikel 10a in papieren vorm wordt aangeboden, wordt tevens een
afschrift van dat stuk aangeboden, voorzien van een verklaring van
eensluidendheid.
2.De bewaarder is niet gehouden de
juistheid van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, te
onderzoeken. De Dienst is niet aansprakelijk voor schade
voortvloeiend uit een onjuistheid en onvolledigheid in het
afschrift.
3.Bij regeling van Onze Minister
wordt de vorm vastgesteld van de verklaring, bedoeld in het eerste
lid, en wordt bepaald, onverminderd het bepaalde bij of krachtens
een andere wet, door wie die verklaring wordt ondertekend.
4.Bij regeling van Onze Minister
kan voor bijzondere gevallen worden bepaald dat geen afschrift als
bedoeld in het eerste lid behoeft te worden aangeboden. In die
gevallen vervaardigt de Dienst het afschrift van het ter
inschrijving aangeboden stuk. De Dienst is aansprakelijk voor
schade voortvloeiend uit een onjuistheid en onvolledigheid in het
afschrift, ontstaan ten gevolge van de vervaardiging ervan.
5.Bij regeling van Onze Minister
worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de eisen waaraan tekeningen
die deel uitmaken van in papieren vorm ter inschrijving
aangeboden stukken, voldoen, en
b. indien het zevende lid,
eerste zin, toepassing heeft gevonden, de gevallen waarin van
een tekening een niet op een formulier als bedoeld in het
zevende lid gesteld afschrift wordt aangeboden, in welke
gevallen dat afschrift wordt voorzien van een verklaring van
eensluidendheid waarop het tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
6.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst worden regels gesteld met inachtneming waarvan het in
het eerste lid bedoelde afschrift wordt vervaardigd en aangeboden.
7.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst kan worden bepaald dat het in het eerste lid bedoelde
afschrift van het stuk wordt gesteld op een door de Dienst
verstrekt formulier. Bij toepassing van de eerste zin worden bij
die regeling tevens de vorm vastgesteld van dat formulier en
regels gesteld met inachtneming waarvan dat formulier wordt
ingevuld en aangeboden.
Artikel 11a
1.Een stuk als bedoeld in artikel
10a kan slechts in elektronische vorm ter inschrijving worden
aangeboden, indien het tezamen met het verzoek tot inschrijving,
bedoeld in artikel 11b, tweede lid, wordt verzonden door middel
van een bericht en de aanbieder ervan voldoet aan de door het
bestuur van de Dienst bij regeling te stellen regels met
betrekking tot:
a. het formaat van de in
elektronische vorm aan de bewaarder toe te zenden bestanden
waaruit een zodanig bericht bestaat;
b. de indeling van die
bestanden;
c. het uitwisselingsprotocol
voor de berichten, bedoeld in de aanhef;
d. de waarborging en
controleerbaarheid van de integriteit van die berichten;
e. de waarborging van de
continuïteit en de beveiliging van het in elektronische vorm
verzenden van die berichten;
f. de wijze waarop
elektronische bestanden waaruit dat bericht bestaat, ter
inschrijving kunnen worden aangeboden, en
g. de wijze waarop degene die
voornemens is stukken in elektronische vorm ter inschrijving
aan te bieden, dat voornemen uiterlijk mededeelt aan de
bewaarder voordat hij voor de eerste keer daartoe overgaat, de
daarbij te verstrekken gegevens en de wijze en het tijdstip
van mededeling van wijzigingen in die gegevens.
Bij de regeling, bedoeld in de
eerste zin, worden vastgesteld de voorwaarden waaronder een
persoon als bedoeld in onderdeel g, de bewaarder kan verzoeken om
voor hem een afwijkend uitwisselingsprotocol vast te stellen,
alsmede de wijze waarop een zodanig verzoek kan worden gedaan.
2.De bewaarder aanvaardt een aan
hem elektronisch toegezonden bericht als bedoeld in het eerste lid
niet, indien de aanbieder niet heeft voldaan aan het bepaalde bij
of krachtens het eerste lid. Het bestuur van de Dienst bepaalt de
wijze waarop en de termijn waarbinnen de bewaarder aan de
aanbieder mededeling doet van die niet-aanvaarding en de wijze van
bewaren van berichten als bedoeld in de eerste zin. Artikel 20 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op niet
aanvaarde berichten.
3.Indien op grond van het niet
voldaan hebben aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid,
met uitzondering van onderdeel g, meer dan een bericht van een
aanbieder niet is aanvaard, kan de bewaarder beslissen dat hij
andere berichten door die aanbieder aan hem verzonden na een in
die beslissing te noemen tijdstip, niet aanvaardt. Het bestuur van
de Dienst bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen de
bewaarder aan de aanbieder mededeling doet van zijn beslissing en
de inhoud van die mededeling. Op een niet aanvaard bericht als
bedoeld in de eerste zin is artikel 20 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
4.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst worden vastgesteld de procedure met inachtneming waarvan
en de voorwaarden waaronder een aanbieder als bedoeld in het derde
lid op zijn verzoek in papieren vorm in de gelegenheid wordt
gesteld om de bewaarder aan te tonen dat hij in staat is bij het
in elektronische vorm toezenden van stukken ter inschrijving, te
voldoen aan de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot
en met f, alsmede de wijze waarop een zodanig verzoek kan worden
gedaan. Van de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in de eerste
zin, geeft de bewaarder aan de verzoeker met bekwame spoed een
verklaring af, waarvan de inhoud en de wijze van verzenden door
het bestuur van de Dienst worden vastgesteld. Een verklaring als
bedoeld in de tweede zin doet een beslissing als bedoeld in het
derde lid vervallen, indien daaruit blijkt dat de verzoeker heeft
aangetoond dat hij in staat is bij het in elektronische vorm
toezenden van stukken ter inschrijving, te voldoen aan de regels,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f.
5.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst worden regels gesteld omtrent de voorwaarden waaronder
en de wijze waarop een netwerkbeheerder ten behoeve van het
elektronisch verzenden en ontvangen van berichten in verband met
het in elektronische vorm aanbieden van stukken ter inschrijving,
een permanente aansluiting kan verkrijgen op het door de Dienst
gehouden systeem.
6.Bij regeling van het bestuur van
de Dienst kan worden bepaald ten aanzien van welke andere dan de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, een persoon als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel g, kan verzoeken om, indien een van de
door hem bij zijn verzoek aangegeven soorten van die gevallen zich
voordoet met betrekking tot door hem verzonden berichten als
bedoeld in het eerste lid, het desbetreffende door hem gedaan
verzoek tot inschrijving aan te merken als te zijn ingetrokken.
Bij regeling van het bestuur van de Dienst worden regels gesteld
omtrent de wijze en het tijdstip waarop uiterlijk en aan welke
bewaarder het verzoek, bedoeld in de eerste zin, wordt gedaan.
Artikel 11b
1.Indien een stuk als bedoeld in
artikel 10a in elektronische vorm ter inschrijving wordt
aangeboden, is het desbetreffende afschrift of het woordelijk
gelijkluidend uittreksel voorzien van een verklaring, inhoudende
dat het inhoudelijk een volledige en juiste weergave is van de
inhoud van het stuk waarvan het een afschrift is onderscheidenlijk
van de desbetreffende gedeelten van het stuk waarvan het een
uittreksel is, en van een elektronische handtekening. Artikel 11,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Indien een stuk in elektronische
vorm ter inschrijving wordt aangeboden biedt de aanbieder tezamen
met dat stuk eveneens in elektronische vorm een verzoek tot
inschrijving aan. Een verzoek als bedoeld in de eerste zin mag op
meer dan een stuk betrekking hebben. Bij regeling van het bestuur
van de Dienst worden de vorm en inhoud van dat verzoek
vastgesteld.
3.Bij regeling van Onze Minister
wordt vastgesteld:
a. de vorm van de verklaring,
bedoeld in het eerste lid, en
b. van wiens elektronische
handtekening stukken als bedoeld in het eerste lid worden
voorzien.
4.Bij regeling van Onze Minister
wordt vastgesteld in welke gevallen en op welke wijze het ambt, de
hoedanigheid of functie van de persoon, bedoeld in het derde lid,
onderdeel b, wordt opgenomen in een bericht als bedoeld in artikel
11a, eerste lid, eerste zin. Indien in de regeling, bedoeld in de
eerste zin, wordt bepaald dat dat ambt, die hoedanigheid of
functie als specifiek attribuut wordt vermeld in het certificaat
waarop de elektronische handtekening is gebaseerd, wordt bij die
regeling bepaald de wijze waarop de betrokken
certificatiedienstverlener zich vergewist dat de betrokkene ten
tijde van de afgifte van het certificaat dat ambt, die
hoedanigheid of functie bekleedde of toekwam.
5.Ten aanzien van tekeningen die
deel uitmaken van in elektronische vorm ter inschrijving aan te
bieden stukken is artikel 11, vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing. Bij regeling van Onze Minister kunnen worden
vastgesteld de gevallen waarin tekeningen en andere stukken die
deel uitmaken van een in elektronische vorm aan te bieden stuk,
afzonderlijk in papieren vorm ter inschrijving kunnen worden
aangeboden. Ten aanzien van stukken die in elektronische vorm ter
inschrijving worden aangeboden kan, voorzover ter verkrijging van
inschrijving door de aanbieder stukken voor bewijs worden
overgelegd die niet worden ingeschreven, Onze Minister bij
regeling:
a. vaststellen de gevallen
waarin die overlegging in elektronische vorm kan plaatsvinden,
en
b. regels stellen waaraan in
elektronische vorm over te leggen stukken voldoen.
6.In de gevallen waarop een
regeling als bedoeld in het vijfde lid, tweede zin, van toepassing
is, en in de gevallen waarop een regeling als bedoeld in het
vijfde lid, derde zin, niet van toepassing is, vindt:
a. de aanbieding van tekeningen
en andere stukken als bedoeld in het vijfde lid, tweede zin,
die in papieren vorm worden aangeboden, en
b. de overlegging van stukken
als bedoeld in het vijfde lid, derde zin, die in papieren vorm
worden overgelegd,
plaats binnen de bij regeling van
Onze Minister vast te stellen termijn.
7.Bij regeling van Onze Minister
wordt bepaald de wijze waarop de aanbieder een in elektronische
vorm ter inschrijving aan te bieden stuk en:
a. elk in papieren vorm aan te
bieden stuk dat deel uitmaakt van eerstbedoeld stuk, of
b. elk stuk in papieren vorm
dat voor bewijs wordt overgelegd bij de aanbieding van
eerstbedoeld stuk maar niet mede wordt ingeschreven,
voorziet van een onderlinge
verwijzing door middel van een uniek kenmerk.
Bij de regeling, bedoeld in de
eerste zin, wordt vastgesteld waaruit dat kenmerk bestaat en hoe
dit desgevraagd aan een aanbieder wordt verstrekt door de
bewaarder.
8.Het bestuur van de Dienst stelt
de termijn vast gedurende welke en de wijze waarop overgelegde
stukken als bedoeld in het vijfde lid, derde zin, worden bewaard.
9.Artikel 11, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
10.Bij regeling van Onze Minister
kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de
Dienst van tekeningen en andere stukken die deel uitmaken van een
in elektronische vorm ter inschrijving aan te bieden stuk,
voorafgaande aan die aanbieding een afschrift in elektronische
vorm vervaardigt en onder een uniek kenmerk bewaart met het
uitsluitend doel dat daarnaar in dat later aan te bieden stuk kan
worden verwezen op een bij die regeling vast te stellen wijze. Een
verwijzing als bedoeld in de eerste zin heeft tot gevolg dat het
stuk waarnaar in het ter inschrijving aangeboden stuk wordt
verwezen, deel uitmaakt van het aan te bieden stuk. Artikel 11,
vierde lid, tweede zin, alsmede het zevende lid, tweede zin, en
achtste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11c
1.Elk stuk dat ter inschrijving
wordt aangeboden, wordt door de bewaarder met bekwame spoed
voorzien van een aantekening omtrent dag, uur en minuut van
aanbieding en een uniek stukidentificatienummer, met dien
verstande dat indien een stuk in elektronische vorm ter
inschrijving wordt aangeboden die gegevens bij het desbetreffende
stuk in het desbetreffende elektronisch gedeelte van de openbare
registers worden geplaatst. Het bestuur van de Dienst regelt
waaruit dit stukidentificatienummer bestaat en de wijze waarop het
wordt gevormd.
2.Bij ontvangst van een in
elektronische vorm aangeboden stuk wordt in het desbetreffende
elektronisch gedeelte van de openbare registers een aantekening
geplaatst waaruit blijkt dat het stuk de status«aangeboden»
heeft, en worden daarin andere door het bestuur van de Dienst vast
te stellen gegevens vermeld die op de aanbieding betrekking
hebben.
3.Het bestuur van de Dienst stelt
de vorm vast van de aantekeningen, bedoeld in het eerste en tweede
lid.
Artikel 12
1.De inschrijving geschiedt:
a. wat betreft stukken die in
papieren vorm ter inschrijving zijn aangeboden: door het
plaatsen op het afschrift van het stuk, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van een door de bewaarder te ondertekenen
aantekening dat het stuk is ingeschreven, en
b. wat betreft stukken die in
elektronische vorm ter inschrijving zijn aangeboden: door het
plaatsen in het desbetreffende elektronisch gedeelte van de
openbare registers bij het stuk van een aantekening waaruit
blijkt dat het stuk de status «ingeschreven»heeft, voorzien
van de naam van de bewaarder, en in de gevallen, bedoeld in
artikel 11b, vijfde lid, tweede zin, door tevens op de stukken
die deel uitmaken van het in elektronische vorm aangeboden
stuk, een door de bewaarder te ondertekenen aantekening te
plaatsen dat het stuk is ingeschreven.
Het bestuur van de Dienst stelt de
vorm vast van de aantekeningen, bedoeld in de eerste zin,
onderdelen a en b.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
regels met betrekking tot:
a. de rangschikking en de wijze
van opberging van de afschriften, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, en
b. de bewaring van de bestanden
waaruit een bericht als bedoeld in artikel 11a, eerste lid,
onderdeel a, bestaat, en van bestanden die bij een zodanig
bericht zijn gevoegd.
Artikel 13
1.Indien stukken in papieren vorm
ter inschrijving zijn aangeboden, worden zij na de inschrijving,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, aan de aanbieder teruggegeven
nadat zij zijn voorzien van een door de bewaarder ondertekende
verklaring van inschrijving vermeldende ten minste dag, uur en
minuut van aanbieding, en het stukidentificatienummer, bedoeld in
artikel 11c. Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de
verklaring, bedoeld in de eerste zin, en kan de inhoud ervan nader
vaststellen.
2.Indien stukken in elektronische
vorm ter inschrijving zijn aangeboden, wordt na hun inschrijving
aan de aanbieder toegezonden een bewijs van inschrijving houdende
mededeling van de verrichte inschrijving en vermeldende ten minste
de gegevens, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, welk bewijs
door de bewaarder wordt ondertekend of, indien het in
elektronische vorm wordt opgemaakt en toegezonden, wordt voorzien
van een elektronische handtekening van de bewaarder. Het bestuur
van de Dienst stelt regels met betrekking tot de vorm, wijze en
het tijdstip van verzenden van het bewijs van inschrijving en kan
de inhoud ervan nader vaststellen.
3.Indien artikel 11b, vijfde lid,
tweede zin, toepassing heeft gevonden en indien in het geval,
bedoeld in het tweede lid, stukken die deel uitmaken van het in te
schrijven stuk in papieren vorm ter inschrijving zijn aangeboden,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op die stukken.
Artikel 14
Op de inschrijving van een feit
waarvan de inschrijving alsnog is bevolen overeenkomstig artikel 20,
tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of opnieuw is
verzocht als bedoeld in artikel 20, vierde lid, tweede zin, van Boek
3 van dat wetboek, zijn de artikelen 10a tot en met 13 van
toepassing, voorzover daarvan in de artikelen 14a en 14bniet wordt
afgeweken.
Artikel 14a
1.Voor een inschrijving als bedoeld
in artikel 14 wordt vereist, indien het oorspronkelijke stuk in
papieren vorm ter inschrijving is aangeboden, het oorspronkelijk
aangeboden stuk dat is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 15a, eerste lid.
2.De inschrijving geschiedt door op
het afschrift van het stuk, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een
door de bewaarder te ondertekenen aantekening te plaatsen
inhoudende dat het stuk is ingeschreven onder vermelding van het
tijdstip van de hernieuwde aanbieding.
3.Artikel 13, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 14b
1.Voor een inschrijving als bedoeld
in artikel 14 wordt vereist, indien het oorspronkelijke stuk in
elektronische vorm ter inschrijving is aangeboden, een hernieuwd
verzoek tot inschrijving dat in elk geval vermeldt het
stukidentificatienummer van het oorspronkelijk aangeboden stuk en
is voorzien van een elektronische handtekening. Indien artikel
11b, vijfde lid, tweede zin, toepassing heeft gevonden en indien
in het geval, bedoeld in de eerste zin, stukken die deel uitmaken
van het oorspronkelijk ter inschrijving aangeboden stuk in
papieren vorm ter inschrijving zijn aangeboden, wordt tevens
vereist de hernieuwde aanbieding van diezelfde stukken voorzien
van de door de bewaarder bij de oorspronkelijke aanbieding daarop
gestelde gegevens, bedoeld in artikel 11c, eerste lid,
onverminderd het tweede lid. Artikel 11b, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.Bij regeling van Onze Minister
worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de vorm en inhoud van het
verzoek, bedoeld in het eerste lid, en van wiens elektronische
handtekening dat verzoek wordt voorzien, en
b. de gevallen waarin een
hernieuwde aanbieding als bedoeld in het eerste lid, tweede
zin, achterwege kan blijven.
3.De inschrijving geschiedt in de
gevallen, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, door in het
desbetreffende elektronisch gedeelte van de openbare registers de
voorlopige aantekening door te halen en door het plaatsen bij het
stuk van een aantekening waaruit blijkt het tijdstip van de
hernieuwde aanbieding en dat het stuk de status «ingeschreven»
heeft, en, in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, tweede zin,
door tevens op de stukken die deel uitmaken van het in
elektronische vorm aangeboden stuk, een aantekening te plaatsen
ten aanzien waarvan het bepaalde omtrent de in dit lid
eerstgenoemde aantekening van overeenkomstige toepassing is. Het
bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de aantekeningen,
bedoeld in de eerste zin.
4.Artikel 13, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
bewaarder in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, tweede zin,
op de stukken die deel uitmaken van het in elektronische vorm
aangeboden stuk, een aantekening plaatst ten aanzien waarvan
artikel 13, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is.
Afdeling 4. Voorlopige aantekeningen
en bewijs van ontvangst
Artikel 15
De boeking, bedoeld in artikel 20,
eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt in het
register van voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen
bedenkingen, en, voorzover bekend, van de naam en woonplaats met
adres van de aanbieder, met dien verstande dat met betrekking tot
een stuk dat in elektronische vorm ter inschrijving is aangeboden,
die vermelding plaatsvindt in het desbetreffende elektronisch
gedeelte van de openbare registers bij dat stuk onder gelijktijdige
aantekening van de status «niet-ingeschreven». Het bestuur van de
Dienst stelt de vorm vast van de aantekening, bedoeld in de eerste
zin.
Artikel 15a
1.Indien een stuk in papieren vorm
ter inschrijving is aangeboden, wordt na de boeking, bedoeld in
artikel 15, dat stuk voorzien van een door de bewaarder
ondertekende verklaring van niet-inschrijving, vermeldende ten
minste:
a. dag, uur en minuut van
aanbieding;
b. het stukidentificatienummer,
bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder verwijzing naar de
boeking in het register van voorlopige aantekeningen, en
c. de gerezen bedenkingen,
en wordt het aan de aanbieder
teruggegeven. Het voor inschrijving vereiste, aangeboden afschrift
van het stuk wordt in bewaring genomen. Artikel 12, tweede lid,
onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.
2.Indien het voor inschrijving
vereiste afschrift niet is aangeboden, vervaardigt de Dienst een
afschrift van het stuk, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig
door het bestuur van de Dienst te stellen regels. De Dienst is
aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit een onjuistheid en
onvolledigheid in het afschrift. De eerste en tweede zin zijn van
overeenkomstige toepassing op de stukken, bedoeld in artikel 15,
waarop ten aanzien van de inschrijvingartikel 11, vierde lid, van
toepassing is.
3.Het bestuur van de Dienst stelt
regels over de gevallen waarin de Dienst een afschrift vervaardigt
van het stuk waarvan de inschrijving is geweigerd, en op welke
wijze die vervaardiging geschiedt, indien:
a. het afschrift, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, niet is vervaardigd of aangeboden met
inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 11, zesde lid,
dan wel
b. het formulier, bedoeld in
artikel 11, zevende lid, indien dat lid toepassing heeft
gevonden, niet is ingevuld of aangeboden met inachtneming van
de regels, bedoeld in dat lid.
Artikel 12, tweede lid, onderdeel
a, is van overeenkomstige toepassing. Het aangeboden afschrift
blijft berusten ten kantore van de Dienst en wordt voorzover
mogelijk opgeborgen in het register van voorlopige aantekeningen
bij het desbetreffende door de Dienst vervaardigde afschrift.
4.Artikel 15 en het eerste lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de boeking van de aanbieding van
een stuk, dat krachtens artikel 37, tweede lid, op bevel van de
rechter kan worden ingeschreven.
Artikel 15b
1.Indien een stuk in elektronische
vorm ter inschrijving is aangeboden, wordt na de boeking, bedoeld
in artikel 15, aan de aanbieder toegezonden een bewijs van
niet-inschrijving vermeldende ten minste de gegevens, bedoeld in
artikel 15a, eerste lid, eerste zin, welk bewijs door de bewaarder
wordt ondertekend of, indien het in elektronische vorm wordt
opgemaakt en toegezonden, wordt voorzien van een elektronische
handtekening van de bewaarder. Het bestuur van de Dienst stelt
regels met betrekking tot de vorm, wijze en het tijdstip van
verzenden van het bewijs van niet-inschrijving. Het bestuur kan
nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van het bewijs
van niet-inschrijving. Artikel 12, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.Indienartikel 11b, vijfde lid,
tweede zin, toepassing heeft gevonden en indien in het geval,
bedoeld in het eerste lid, eerste zin, stukken die deel uitmaken
van het in te schrijven stuk in papieren vorm ter inschrijving
zijn aangeboden zonder het voor inschrijving vereiste afschrift,
vervaardigt de Dienst een afschrift van de desbetreffende stukken
overeenkomstig door het bestuur van de Dienst te stellen regels.
De Dienst is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit een
onjuistheid en onvolledigheid in het afschrift. De eerste en
tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
de stukken, bedoeld in artikel 15, waarop ten aanzien van de
inschrijving artikel 11, vierde lid, van toepassing is.
3.Artikel 15 en het eerste lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de boeking van de aanbieding van
een stuk, dat krachtens artikel 37, tweede lid, op bevel van de
rechter kan worden ingeschreven.
Artikel 16
1.Van aan de bewaarder uitgebrachte
dagvaardingen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek, en van uitspraken van de
voorzieningenrechter in kort geding, aangespannen ter verkrijging
van het bevel, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van Boek 3 van
dat wetboek, wordt aantekening gehouden in het register van
voorlopige aantekeningen overeenkomstig door het bestuur van de
Dienst te stellen regels.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
regels met betrekking tot de wijze waarop in het register van
voorlopige aantekeningen de boeking, bedoeld in artikel 15,
geschiedt, en met betrekking tot de wijze van doorhaling van
voorlopige aantekeningen.
3.Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op dagvaardingen uitgebracht aan de
bewaarder ter verkrijging van een bevel van de rechter tot
inschrijving van een notariële verklaring als bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel c. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing op de boeking, bedoeld in artikel 37, tweede lid,
eerste zin, en de doorhaling van een zodanige boeking in het
register van voorlopige aantekeningen.
Artikel 17
1.Het bestuur van de Dienst stelt:
a. de vorm vast van het bewijs
van ontvangst, bedoeld in artikel 18 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek, dat door de bewaarder wordt ondertekend,
met dien verstande dat indien het in elektronische vorm wordt
opgemaakt en toegezonden aan de aanbieder, het wordt voorzien
van een elektronische handtekening van de bewaarder, en
b. regels met betrekking tot de
wijze waarop op het bewijs van ontvangst, bedoeld in onderdeel
a, indien het in papieren vorm is afgegeven, de verrichte
inschrijving desgevraagd wordt aangetekend, bedoeld in artikel
19, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
nadere regels met betrekking tot de inhoud van het bewijs van
ontvangst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met dien
verstande dat daarin in elk geval wordt vermeld het aantal van de
overgelegde maar niet mede in te schrijven stukken als bedoeld in
artikel 44, onder vermelding van hun kenmerken als bedoeld in
artikel 11b, zevende lid.
3.Het bestuur van de Dienst stelt
regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip van verstrekken
van het bewijs van ontvangst.
Titel 2. Vereisten met betrekking tot
in te schrijven stukken
Afdeling 1. Algemene vereisten
waaraan in te schrijven stukken moeten voldoen
Artikel 18
1.Onverminderd de overige uit deze
titel voortvloeiende eisen moet een ter inschrijving aangeboden
notariële akte, notariële verklaring of authentiek afschrift of
uittreksel van een zodanige akte of verklaring vermelden:
1°. naam, voornamen,
geboortedatum en -plaats, woonplaats met adres en burgerlijke
staat van de natuurlijke personen die blijkens het aangeboden
stuk daarbij als partij zijn opgetreden;
2°. rechtsvorm, naam en
woonplaats met adres van de rechtspersonen die blijkens het
aangeboden stuk daarbij als partij zijn opgetreden;
3°. ten aanzien van
natuurlijke en rechtspersonen die blijkens het aangeboden stuk
voormelde partijen hebben vertegenwoordigd: de in de
onderdelen a en b bedoelde gegevens, met uitzondering van de
burgerlijke staat, alsmede de grond van hun bevoegdheid, met
dien verstande dat voor natuurlijke personen die een kantoor
houden of werkzaam zijn op een kantoor ten aanzien van
aangelegenheden die dit kantoor betreffen in plaats van de
woonplaats met adres ook het kantooradres vermeld kan worden.
Indien opgave van één of meer van
deze gegevens niet mogelijk is, worden de redenen daarvan vermeld.
2.Andere ter inschrijving
aangeboden stukken vermelden, zo mogelijk, dezelfde gegevens als
in het eerste lid omschreven, tenzij anders voortvloeit uit
hetgeen de wet voor een stuk van de aard als waarom het gaat, ten
aanzien van de vermelding van voornamen, namen en woonplaatsen
voorschrijft.
3.In elk geval worden de in het
eerste lid omschreven gegevens opgegeven van de partij ten behoeve
van wie de aanbieding ter inschrijving geschiedt. Zo het ter
inschrijving aangeboden stuk één of meer van deze gegevens niet
vermeldt en naar zijn aard niet voor aanvulling te dier zake
vatbaar is, wordt vermelding van de ontbrekende gegevens en, zo
opgave van één of meer dezer gegevens niet mogelijk is, de
vermelding van de redenen daarvan in een nadere door of namens die
partij ondertekende verklaring alsnog op het stuk gesteld of
daaraan gehecht.
4.Zo een partij geen woonplaats in
Nederland heeft, kiest zij ter zake van de inschrijving een
woonplaats in Nederland.
5.Indien een partij in een ter
inschrijving aangeboden stuk woonplaats heeft gekozen, wordt
niettemin daarin ook de wettelijke woonplaats met adres vermeld.
Artikel 19
Ingeval het ter inschrijving
aangeboden stuk betrekking heeft op een bepaald reeds eerder
ingeschreven stuk, bevat het een verwijzing naar dit eerdere stuk
overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen.
Artikel 20
1.Indien een stuk ter inschrijving
wordt aangeboden en het daarin vermelde in te schrijven feit
betrekking heeft op een onroerende zaak of op een recht waaraan
een zodanige zaak is onderworpen, vermeldt dit stuk de aard, de
plaatselijke aanduiding zo deze er is, en de kadastrale aanduiding
van die onroerende zaak onderscheidenlijk van de onroerende zaak
die aan dat recht is onderworpen. Indien het in te schrijven feit
betrekking heeft op een appartementsrecht, wordt in het ter
inschrijving aangeboden stuk vermeld de plaatselijke aanduiding
van het desbetreffende gedeelte van het gebouw dat is bestemd om
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, alsmede de aard en de
kadastrale aanduiding van dat appartementsrecht.
2.Onze Minister kan regelen
vaststellen omtrent de wijze waarop de plaatselijke aanduiding,
bedoeld in het eerste lid, in het ter inschrijving aangeboden stuk
wordt vermeld.
Artikel 21
1.Indien het in te schrijven feit
betrekking heeft op een in de registratie voor schepen, bedoeld in
artikel 85, te boek staand schip of op een recht waaraan een
zodanige zaak is onderworpen, bevat het ter inschrijving
aangeboden stuk:
a. de naam van het schip met
vermelding van het gebruik waartoe het is bestemd, en zijn
bruto-inhoud of bruto-tonnage dan wel, indien het een
binnenschip betreft, zijn laadvermogen in tonnen van 1.000
kilogram of verplaatsing in kubieke meters;
b. het type en de inrichting
van het schip, het materiaal waarvan de romp is gemaakt, jaar
en plaats van de bouw, en, voor zover het een schip met een
mechanische voortstuwing betreft, ook al betreft het slechts
een hulpmotor, het aantal motoren, het type, vermogen en de
fabrikant van elke motor, alsmede het fabrieksnummer daarvan
met aanduiding van de plaats waar dit nummer is aangebracht;
c. het nummer waaronder de
teboekstelling van het schip in de openbare registers is
geschied, de aanwijzing van de rubriek waartoe dat schip
behoort, de aanduiding van het kantoor van de Dienst waar de
teboekstelling is geschied, en het jaar van teboekstelling,
welke gegevens tezamen in genoemde volgorde het brandmerk van
het schip vormen.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur worden regelen gesteld omtrent de in het eerste lid, onder
c, bedoelde onderscheiding van rubrieken van schepen.
3.Het bepaalde in het eerste lid is
niet van toepassing op ter inschrijving aangeboden rechterlijke
uitspraken. Deze stukken kunnen, onverminderd andere vereisten
gesteld bij of krachtens wet, echter slechts worden ingeschreven,
indien en voor zover de identiteit van het desbetreffende schip
voldoende vaststaat.
4.In afwijking van het bepaalde in
het eerste lid kan worden volstaan met het vermelden van de naam
van het schip en de in dat lid, onder c, genoemde gegevens in het
ter inschrijving aangeboden stuk, indien dat stuk betreft:
a. de doorhaling van de
teboekstelling van een schip, bedoeld in de artikelen 195,
eerste lid, en 786, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. de aangifte van de eigenaar
inhoudende dat het schip een wijziging heeft ondergaan
waardoor de beschrijving van het schip in de registratie voor
schepen, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder f en g, niet
meer aan de werkelijkheid beantwoordt;
c. een afwijkend beding, als
bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel
d. de verandering van een door
de eigenaar van een schip in een ingeschreven stuk gekozen
woonplaats.
Het bepaalde in de eerste zin is
ook van toepassing op de inschrijving van stukken als bedoeld in
de artikelen 32, eerste lid, 38, eerste lid, en 39, eerste lid.
Artikel 22
1.Indien het in te schrijven feit
betrekking heeft op een in de registratie voor luchtvaartuigen,
bedoeld in artikel 92, te boek staand luchtvaartuig of op een
recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen, bevat het ter
inschrijving aangeboden stuk:
a. het nationaliteitskenmerk en
het inschrijvingskenmerk, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid,
van de Wet luchtvaart;
b. de naam en woonplaats van de
fabrikant en het type van het luchtvaartuig, jaar en plaats
van de bouw, het serienummer zo het luchtvaartuig dat heeft
met vermelding van de plaats waar dit nummer is aangebracht,
en het aantal motoren, het type, vermogen en de fabrikant van
elke motor, alsmede het fabrieksnummer daarvan met aanduiding
van de plaats waar dit nummer is aangebracht;
c. de maximaal toegelaten
startmassa van het luchtvaartuig en, indien het luchtvaartuig
een naam voert, de naam ervan;
d. het nummer waaronder de
teboekstelling van het luchtvaartuig in de openbare registers
is geschied.
2.Artikel 21, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
Vermeldt een ter inschrijving
aangeboden stuk niet één of meer der gegevens, in de artikelen
19-22 voor een zodanig stuk voorgeschreven, en is het naar zijn aard
niet voor aanvulling te dier zake vatbaar, dan wordt de vermelding
van de ontbrekende gegevens in een nadere, door degene die de
inschrijving verlangt, ondertekende verklaring alsnog op het stuk
gesteld of daaraan gehecht.
Afdeling 2. Vereisten waaraan ter
inschrijving aangeboden stukken moeten voldoen in verband met de
aard van het in te schrijven feit
Artikel 24
1.Ter inschrijving van een akte van
levering, vereist voor de overdracht van een registergoed, voor de
vestiging, afstand of wijziging van een beperkt recht dat een
registergoed is, of voor de overgang van een registergoed na
toedeling uit hoofde van de verdeling van een gemeenschap, wordt
aangeboden een authentiek afschrift dan wel een authentiek
uittreksel van de notariële akte betreffende deze levering. In
geval van vestiging van een recht van hypotheek op een schip in
aanbouw wordt mede ter inschrijving aangeboden een verklaring van
een ambtenaar van de Dienst belast met het aanbrengen van
brandmerken op te boek staande schepen of van een andere door de
bewaarder daarmee belaste persoon, inhoudende dat de bouw van het
schip nog niet is voltooid.
2.Het ter inschrijving aangeboden
stuk, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval:
a. de titel op grond waarvan de
levering plaatsvindt en, in geval van vestiging van een recht
van hypotheek, tevens:
1°. een aanduiding van de
vordering waarvoor het recht van hypotheek tot zekerheid
strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering
zal kunnen worden bepaald;
2°. het bedrag waarvoor
het recht van hypotheek wordt gevestigd of, wanneer dit
bedrag nog niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit
hoofde van dat recht van hypotheek op het goed kan worden
verhaald;
3°. in geval van vestiging
van een recht van hypotheek op een teboekstaand zeeschip
of op een recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen,
bovendien: een duidelijke vermelding van het aan de
hypotheek onderworpen schip;
4°. in geval van vestiging
van een recht van hypotheek op een teboekstaand
binnenschip of op een recht waaraan een zodanige zaak is
onderworpen, bovendien: een duidelijke vermelding van het
aan de hypotheek onderworpen schip, de voorwaarden voor
opeisbaarheid of een verwijzing naar een op het kantoor
van inschrijving ingeschreven document waarin deze
voorwaarden zijn vastgelegd, alsmede de bedongen rente en
de tijdstippen waarop deze vervalt;
5°. in geval van vestiging
van een recht van hypotheek op een teboekstaand
luchtvaartuig, bovendien: een duidelijke vermelding van
het aan de hypotheek onderworpen luchtvaartuig;
b. de wettelijke benaming van
het recht, op de levering waarvan het ter inschrijving
aangeboden stuk betrekking heeft of, ingeval dat recht geen
wettelijke benaming heeft:
1°. de gangbare benaming,
dan wel de vermelding dat het recht geen gangbare benaming
heeft;
2°. de wetsbepaling
volgens welke het recht kan worden gevestigd of een
registergoed is;
3°. in geval van een recht
als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, de omschrijving van
de inhoud van dat recht.
3.Het eerste lid, eerste zin, en
tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving
van het proces-verbaal van toewijzing, bedoeld in de artikelen
525, eerste lid, en 584 o, eerste lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, onverminderd hetgeen in ieder van de
artikelen in het tweede lid is bepaald.
4.Het aangeboden stuk mag op meer
leveringen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben, voor
zover voor ieder daarvan aan de in de vorige leden gestelde eisen
is voldaan. Betreft het stuk een overdracht onder voorbehoud van
een beperkt recht of van een beding, als bedoeld in artikel 252
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dan wordt de vestiging van
dit recht dan wel het op zich nemen van het beding afzonderlijk en
duidelijk vermeld, bij gebreke waarvan de inschrijving van het
stuk geacht wordt niet mede dit recht of dit beding te betreffen.
5.Het eerste lid, eerste zin, is
van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een akte van
grensvastlegging, opgemaakt krachtens de artikelen 31 of 35, derde
lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede op de
inschrijving van een akte van splitsing, als bedoeld in artikel
109, eerste lid, van Boek 5 van dat wetboek, en een akte tot
wijziging of opheffing van een zodanige splitsing.
6.Het eerste lid, eerste zin, is
van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een akte van
vernieuwing als bedoeld in artikel 77.
Artikel 25
1.Ter inschrijving van een
rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats
treedt of die krachtens een andere wet dan de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken kan worden
ingeschreven, wordt een expeditie van de rechterlijke uitspraak
aangeboden, alsmede:
a. indien de rechterlijke
uitspraak slechts inschrijfbaar is, nadat zij in kracht van
gewijsde is gegaan: een verklaring van de griffier van het
gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende dat
daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat;
b. indien de onder a bedoelde
eis voor inschrijfbaarheid niet is gesteld en de rechterlijke
uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is: een verklaring van
de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan,
inhoudende:
1°. hetzij dat daartegen
geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, hetzij dat hem
drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van
een gewoon rechtsmiddel is gebleken;
2°. zo het rechtsmiddel
bij verzoekschrift moet worden ingesteld, dat ook de
griffier van het gerecht waar dit verzoekschrift moet
worden ingediend, niet van het instellen van een
rechtsmiddel is gebleken;
c. indien voor de inschrijving
betekening aan de veroordeelde vereist is, een door de
deurwaarder getekend afschrift van het exploit waarbij de
betekening is geschied.
2.Ter inschrijving van een
beslissing van de rechter van een vreemde Staat wordt een
authentiek afschrift van deze beslissing aangeboden.
3.Bestaat de rechterlijke uitspraak
in een verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing van
arbiters, dan wordt ook een afschrift van deze beslissing
aangeboden, getekend door de griffier van het gerecht waarvan de
president het verlof gaf.
Artikel 26
1.Ter inschrijving van een
rechtshandeling naar burgerlijk recht die krachtens wetsbepaling
kan worden ingeschreven, worden, tenzij anders is bepaald,
aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris met
inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring, inhoudende dat
de rechtshandeling naar de verklaring van degene die de
inschrijving verlangt, is verricht en wat zij inhoudt, en van de
daaraan gehechte stukken waaruit van die rechtshandeling blijkt.
2.Ingeval voor de rechtshandeling
of de inschrijving daarvan een notariële akte is vereist, wordt
aangeboden een authentiek afschrift of een authentiek uittreksel
van die akte.
3.Ingeval van de rechtshandeling
een notariële akte is opgemaakt, zonder dat dit vereist was, kan
naar keuze van degene die de inschrijving verlangt het eerste of
tweede lid worden toegepast.
4.Ingeval het gaat om een
eenzijdige tot één of meer bepaalde personen gerichte
rechtshandeling, kan worden volstaan met aanbieding van een aan
die persoon of personen uitgebracht exploit, waarbij die
rechtshandeling is verricht of tijdig bevestigd, of een authentiek
afschrift daarvan.
5.Ingeval de rechtshandeling
betreft een scheepshuurkoopovereenkomst waarop artikel 800, tweede
lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is,
worden ter inschrijving aangeboden hetzij authentieke afschriften
van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde notariële akte
en van de daaraan gehechte stukken inhoudende de in het tweede lid
van dat artikel bedoelde toestemming, hetzij een authentiek
uittreksel van die akte en authentieke afschriften van die
stukken.
6.Ter inschrijving van een
afwijkend beding, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van Boek 8
van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het bepaalde
in het eerste lid, een door de eigenaar van het schip ondertekende
verklaring aangeboden, waarin het scheepstoebehoren ten aanzien
waarvan het afwijkend beding is gemaakt, eenduidig is omschreven.
Artikel 27
1.Ter inschrijving van
erfopvolgingen die registergoederen betreffen, wordt een
authentiek afschrift van een door een notaris opgemaakte
verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van
het Burgerlijk Wetboek aangeboden, waaruit van de erfopvolging
blijkt.
2.Ter inschrijving van een
executele, een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind of de
benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap wordt een
authentiek afschrift van een verklaring van erfrecht als bedoeld
in artikel 188 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek aangeboden,
waaruit van de executele, het bewind onderscheidenlijk de
benoeming blijkt. De eerste zin laat onverlet de mogelijkheid van
inschrijving van de benoeming van een vereffenaar door
inschrijving van de desbetreffende rechterlijke uitspraak.
3.Ter inschrijving van een
verkrijging door de Staat van registergoederen krachtens artikel
189 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt een authentiek
afschrift van een verklaring van een notaris aangeboden, waarin
deze vermeldt dat het registergoed door de Staat krachtens dat
artikel is verkregen.
4.Ter inschrijving van afgifte aan
de Staat van registergoederen krachtens artikel 226, eerste en
tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden
een verklaring van de vereffenaar waarin deze vermeldt op welk
tijdstip het registergoed aan de Staat is afgegeven.
5.Ter inschrijving van het verval
aan de Staat van registergoederen of hetgeen daarvoor in de plaats
is gekomen krachtens artikel 226, vierde lid, van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een verklaring van Onze
Minister van Financiën, inhoudende dat tijdens het in dat artikel
genoemde tijdvak van twintig jaren die goederen niet zijn
opgeëist.
Artikel 28
Ter inschrijving van de aanvaarding
van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving of
de verwerping van een nalatenschap wordt een door de griffier
getekend uittreksel uit het boedelregister aangeboden, inhoudende de
verklaring betreffende de aanvaarding of de verwerping die krachtens
artikel 191 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek in het
boedelregister is ingeschreven.
Artikel 29
Ter inschrijving van de afstand van
een huwelijksgemeenschap of van een gemeenschap van geregistreerd
partnerschap wordt een door de griffier getekend uittreksel uit het
huwelijksgoederenregister aangeboden, inhoudende de verklaring
betreffende de afstand, die krachtens artikel 104 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek in het huwelijksgoederenregister is ingeschreven.
Artikel 30
1.Ter inschrijving van de
vervulling van een voorwaarde, gesteld in een ingeschreven
voorwaardelijke rechtshandeling, of van de verschijning van een
onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven
rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, worden aangeboden
authentieke afschriften van een door een notaris met inachtneming
van artikel 37 opgemaakte verklaring, inhoudende dat naar de
verklaring van degene die de inschrijving verlangt, de voorwaarde
is vervuld, onderscheidenlijk het tijdstip is verschenen, en van
de daaraan gehechte stukken waaruit van deze vervulling of
verschijning blijkt.
2.Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing op de inschrijving van de dood van de
vruchtgebruiker van een registergoed. De verklaring van de notaris
houdt in dit geval tevens in:
a. het tijdstip van overlijden
van de vruchtgebruiker, en
b. of het vruchtgebruik is
vervallen, dan wel bij wie het vruchtgebruik na de dood van de
vruchtgebruiker is verbleven.
Artikel 31
Op de inschrijving van reglementen en
andere regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen
zijn vastgesteld, zijn van overeenkomstige toepassing:
a. voor zover het reglement of de
regeling door de rechter is vastgesteld: artikel 25;
b. voor zover het reglement of de
regeling bij rechtshandeling is vastgesteld: artikel 26, eerste
en derde lid.
Artikel 32
1.Ter inschrijving van een
proces-verbaal van inbeslagneming wordt dit proces-verbaal of een
door de deurwaarder of een advocaat getekend afschrift daarvan
aangeboden. Artikel 18, tweede-vijfde lid, is niet van toepassing.
2.Ingeval een proces-verbaal van
inbeslagneming van een luchtvaartuig in het buitenland is
opgemaakt door een deurwaarder of andere volgens de daar geldende
wet hiertoe bevoegde persoon, kan ook een zodanig proces-verbaal
ter inschrijving worden aangeboden.
3.Ter inschrijving van een der in
de artikelen 211 en 821 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek
genoemde voorrechten, wordt aangeboden een door een deurwaarder
ondertekend verzoek tot inschrijving van het voorrecht, inhoudende
naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt:
a. de aanduiding van de
vordering waar het om gaat;
b. het beloop der vordering ten
tijde van het ondertekenen door de deurwaarder van het
verzoek, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering
zal kunnen worden bepaald;
c. de omschrijving van het
voorrecht door vermelding van het wettelijk voorschrift, op
grond waarvan aan die vordering het voorrecht is toegekend, en
d. het tijdstip waarop de
vordering is ontstaan. Indien het verzoek van de deurwaarder
ter inschrijving wordt aangeboden na verloop van de termijn,
genoemd in artikel 219, eerste lid, onderscheidenlijk artikel
829, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, wordt
ter inschrijving tevens aangeboden een stuk waaruit blijkt dat
de schuldeiser zijn vordering binnen die termijn in rechte
heeft geldend gemaakt, op de inschrijving van welk bewijsstuk
artikel 38 van overeenkomstige toepassing is.
4.Op de inschrijving van een
voorrecht, als bedoeld in artikel 1320, eerste lid, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek is het bepaalde in de eerste zin van het
derde lid van overeenkomstige toepassing. Indien het verzoek van
de deurwaarder ter inschrijving wordt aangeboden drie maanden of
langer na het in die zin, onder d, bedoelde tijdstip, wordt ter
inschrijving tevens aangeboden een stuk waaruit blijkt dat binnen
de in artikel 1320, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek genoemde termijn:
a. het bedrag der vordering in
der minne is vastgesteld, dan wel
b. langs gerechtelijke weg
erkenning van het voorrecht en de omvang ervan is gevorderd,
op de inschrijving van welk bewijsstuk in het onder b bedoelde
geval artikel 38 van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 33
1. Ter inschrijving van een
verandering in de voornaam of de geslachtsnaam van tot
registergoederen gerechtigde natuurlijke personen wordt een door
of namens deze persoon ondertekend stuk aangeboden, inhoudende de
gegevens, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder 1°, met
vermelding van de oude en de nieuwe naam of voornaam, en de dag
waarop de verandering is ingegaan. Indien de verandering blijkt
uit de registers van de burgerlijke stand, wordt een uittreksel
daaruit overgelegd, dat de verandering relateert. In andere
gevallen wordt een ander bewijsstuk betreffende deze verandering
overgelegd.
2. Ter inschrijving van de
naamsverandering van een rechtspersoon wordt een opgave van een
notaris aangeboden, inhoudende de gegevens, bedoeld in artikel 18,
eerste lid, onder 2°, met vermelding van de oude en de nieuwe
naam en de dag waarop de verandering is ingegaan. Gaat het om een
publiekrechtelijke rechtspersoon, dan kan deze de opgave zelf
doen.
3. Ter inschrijving van een
omzetting van een rechtspersoon wordt een opgave van een notaris
aangeboden, inhoudende de in artikel 18, eerste lid, onder 2°,
bedoelde gegevens, met vermelding van de oude en nieuwe
rechtsvorm, de oude en nieuwe naam alsmede van de dag waarop de
omzetting van kracht is geworden. Het bepaalde in de eerste zin is
van overeenkomstige toepassing op een omzetting, als bedoeld in
artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wet van 28 juni 1989 (Stb.
245), houdende uitvoering van de Verordening nr. 2137/85 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot
instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (PbEG L
199/1).
4. Ter inschrijving van een fusie
van rechtspersonen wordt een opgave van een notaris aangeboden,
inhoudende met betrekking tot elk der fuserende rechtspersonen en,
zo de verkrijgende rechtspersoon een door hen samen bij de fusie
opgerichte nieuwe rechtspersoon is, tevens met betrekking tot die
rechtspersoon de in artikel 18, eerste lid, onder 2°, bedoelde
gegevens, met vermelding wie de verkrijgende rechtspersoon is
alsmede van de dag waarop de fusie van kracht is geworden.
5. Ter inschrijving van een
splitsing van rechtspersonen wordt een opgave van een notaris
aangeboden, inhoudende met betrekking tot elke partij bij de
splitsing en, zo bij de splitsing verkrijgende rechtspersonen
worden opgericht, tevens met betrekking tot die rechtspersonen de
in artikel 18, eerste lid, onder 2°, bedoelde gegevens, met
vermelding op welke verkrijgende rechtspersoon welke
registergoederen zijn overgegaan alsmede van de dag waarop de
splitsing van kracht is geworden.
Artikel 34
Ter inschrijving van een verjaring
wordt een authentiek afschrift van een door een notaris met
inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring aangeboden,
inhoudende dat naar de verklaring van degene die de inschrijving
verlangt, de verjaring is ingetreden, alsmede
a. welk registergoed door
verjaring is verkregen, dan wel welk beperkt recht op een
registergoed is tenietgegaan;
b. tegen wie de verjaring werkt,
indien dit bekend is;
c. welke feiten tot de verjaring
hebben geleid, en
d. dat de verjaring wordt betwist
of niet wordt betwist door degene tegen wie zij werkt, zo dit
bekend is.
Artikel 35
1.Ter inschrijving van een of meer
verklaringen van waardeloosheid als bedoeld in artikel 28 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek worden aangeboden authentieke
afschriften van een door een notaris opgemaakte verklaring,
inhoudende dat degenen te wier behoeve de inschrijving zou hebben
gestrekt, schriftelijk hebben verklaard dat zij waardeloos is, en
van deze schriftelijke verklaringen die aan die notariële
verklaring zijn gehecht.
2.Tenzij de inschrijving een
hypotheek of een beslag betreft, vermelden de in het eerste lid
bedoelde schriftelijke verklaringen van degenen te wier behoeve de
inschrijving zou hebben gestrekt, tevens de feiten waarop de
waardeloosheid berust, en houdt de in dat lid bedoelde verklaring
van de notaris tevens in dat de vermelde feiten een rechtsgrond
voor de waardeloosheid van de inschrijving opleveren.
3.Ter inschrijving van een
verklaring als bedoeld in artikel 273 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een authentiek afschrift van
die verklaring.
4.Ter inschrijving van een
verklaring als bedoeld in artikel 274 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een authentiek afschrift van
de desbetreffende authentieke akte.
Artikel 36
1. Ter inschrijving van het feit
dat het nut van een mandelige zaak voor elk der erven is
geëindigd, wordt een door een authentiek afschrift van een door
een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring
aangeboden, inhoudende dat naar de verklaring van hen die de
inschrijving verlangen, het nut voor elk der erven is geëindigd.
Werken niet alle rechthebbenden op de mandelige zaak mee, dan
vermeldt de notaris in zijn verklaring de reden daarvan.
2. Ter inschrijving van het bestaan
van een recht, als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Stb. 1976, 396), worden
aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris met
inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring, waarin het
bestaan van het recht wordt geconstateerd, en die tevens inhoudt:
a. de omschrijving van de
inhoud van het recht;
b. zo mogelijk, de gangbare
benaming ervan dan wel de verklaring, dat dat recht niet een
zodanige benaming heeft, en
c. wie de rechthebbende op dat
recht is,
alsmede van de aan die verklaring
gehechte stukken waaruit van een en ander blijkt.
3. Ter inschrijving van het
ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming of herleving,
bedoeld in artikel 163, eerste zin, van de Overgangswet nieuw
Burgerlijk Wetboek, worden aangeboden authentieke afschriften van
een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte
verklaring, waarin het ontstaan van de erfdienstbaarheid wordt
geconstateerd, en die tevens inhoudt:
a. de omschrijving van de
inhoud van de erfdienstbaarheid, en
b. wie de rechthebbende op dat
recht is,
alsmede van de aan die verklaring
gehechte stukken waaruit van een en ander blijkt.
4. Op de inschrijving van de aanleg
en verwijdering van een net als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
onder k, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is artikel 26,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Ter inschrijving van de
publicaties bedoeld in artikel 155a lid 2 van de Overgangswet
nieuw Burgerlijk Wetboek wordt een authentiek afschrift van een
door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte
verklaring aangeboden, inhoudende op welke datum die publicaties
zijn geschied en in welk landelijk dagblad de publicatie heeft
plaatsgevonden. Ter inschrijving van een exploot als bedoeld in
artikel 155a, vijfde lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek wordt een door de deurwaarder of een advocaat getekend
afschrift daarvan aangeboden.
Artikel 37
1.Een notariële verklaring, als
bedoeld in de artikelen 26, 30, 34 en 36, houdt behalve hetgeen in
deze artikelen is voorgeschreven, tevens in een verklaring van de
notaris:
a. hetzij dat allen die als
partij bij het in te schrijven feit betrokken zijn aan de
notaris hebben medegedeeld met de inschrijving in te stemmen;
b. hetzij dat bewijsstukken aan
hem zijn overgelegd en aan de verklaring gehecht, die
genoegzaam aantonen dat het in te schrijven feit zich
inderdaad heeft voorgedaan dan wel, in geval van een
verklaring als bedoeld in artikel 36, tweede lid, dat het
recht bestaat;
c. hetzij dat hij niet aan het
onder a en b gestelde kan voldoen.
2.In het in het eerste lid, onder
c, bedoelde geval boekt de bewaarder de aanbieding van de
notariële verklaring slechts in het register van voorlopige
aantekeningen en kan inschrijving alleen plaatsvinden op bevel van
de rechter. Het tweede, derde en vierde lid, eerste volzin,
alsmede het vijfde en zesde lid van artikel 20 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de eiser
naast de bewaarder allen die als partij bij het in te schrijven
feit zijn betrokken, tijdig in het geding heeft geroepen.
3.De kosten van het geding blijven
voor rekening van de eiser, tenzij de vordering ondanks verweer
wordt toegewezen, in welk geval degene die het verweer heeft
gevoerd in de kosten wordt veroordeeld.
4.Wanneer het aangeboden stuk ook
overigens niet aan de vereisten voor inschrijving voldoet,
vermeldt de bewaarder bij de voorlopige aantekening tevens de
gerezen bedenkingen en is artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek in dier voege van toepassing dat het daarbedoelde bevel
slechts tezamen met dat uit hoofde van het tweede lid kan worden
gevorderd.
Artikel 37a
Een notariële verklaring als bedoeld
in de artikelen 26, 27, derde lid, 30, 31, onder b, juncto 26,
eerste lid, 34, 35, 36 en 46a, wordt opgemaakt bij notariële akte.
Afdeling 3. Vereisten waaraan stukken
moeten voldoen, aangeboden ter inschrijving van het instellen van
een rechtsvordering, van het indienen van een verzoekschrift, van
tegen rechterlijke uitspraken ingestelde rechtsmiddelen of van de
waardeloosheid van zodanige inschrijvingen
Artikel 38
1.Ter inschrijving van de
instelling van een rechtsvordering of de indiening van een
verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die
de rechtstoestand van een registergoed betreft, wordt aangeboden:
a. in geval van instelling van
de rechtsvordering door een dagvaarding: een door de
deurwaarder of een advocaat getekend afschrift daarvan;
b. in geval van instelling van
de rechtsvordering door een ander stuk: een afschrift daarvan
getekend door een advocaat of door de griffier van het gerecht
waar de zaak aanhangig is;
c. in geval van een
verzoekschrift: een afschrift daarvan met aantekening van de
dag waarop het verzoekschrift is ingekomen ter griffie,
getekend door een advocaat of door de griffier van het gerecht
waar het verzoekschrift is ingediend.
2.Artikel 18, tweede-vijfde lid, is
niet van toepassing, behoudens dat het aangeboden stuk in elk
geval de naam en een ter zake van het geding gekozen woonplaats
met adres van degene te wiens behoeve de aanbieding geschiedt,
moet bevatten.
Artikel 39
1.Ter inschrijving van de
instelling van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke uitspraak,
als bedoeld in artikel 38, wordt aangeboden:
a. ingeval het rechtsmiddel
wordt ingesteld bij dagvaarding: een door de deurwaarder of
een advocaat getekend afschrift daarvan;
b. ingeval het rechtsmiddel
wordt ingesteld bij verzoekschrift: een afschrift daarvan met
aantekening van de dag waarop het verzoekschrift is ingekomen
ter griffie, getekend door een advocaat of de griffier van het
gerecht waar het verzoekschrift is ingediend;
c. ingeval het rechtsmiddel
wordt ingesteld bij een ander stuk: een afschrift daarvan,
getekend door een advocaat of de griffier van het gerecht dat
op het aangewende rechtsmiddel beslist.
2.Artikel 18, tweede-vijfde lid, is
niet van toepassing, behoudens dat het aangeboden stuk in elk
geval de naam en een ter zake van het geding gekozen woonplaats
met adres van degene te wiens behoeve de aanbieding geschied moet
bevatten.
Artikel 40
Ter inschrijving van de
waardeloosheid van een overeenkomstig artikel 38 of artikel 39
verkregen inschrijving, kan ook worden aangeboden
a. een daartoe strekkende
verklaring, afgegeven door een deurwaarder of advocaat die
optreedt voor de eiser, de verzoeker of degene die het
rechtsmiddel heeft ingesteld;
b. een rechterlijke uitspraak die
ertoe strekt dat een zodanige inschrijving waardeloos is.
Afdeling 4. Overige bepalingen
betreffende inschrijvingen
Artikel 41
1.Ter inschrijving van een feit dat
is opgenomen in een stuk gesteld in een vreemde of de Friese taal,
wordt naast dat ter inschrijving aangeboden stuk een letterlijke
vertaling in het Nederlands ter inschrijving aangeboden,
vervaardigd en voor overeenstemmend verklaard door een voor die
taal als bevoegd toegelaten beëdigd vertaler, of, indien het een
in te schrijven notariële akte in de Friese taal betreft, door de
notaris voor wie de akte is verleden.
2.Het bepaalde in het eerste lid
lijdt uitzondering ingeval met betrekking tot luchtvaartuigen een
proces-verbaal van inbeslagneming, opgemaakt in het buitenland
door een deurwaarder of door een andere volgens de daar geldende
wet daartoe bevoegde persoon en gesteld in een vreemde taal, aan
de bewaarder wordt toegezonden of bij deze wordt ingeleverd.
Alsdan wordt door de zorg van de bewaarder zo spoedig mogelijk een
vertaling van een zodanig proces-verbaal vervaardigd door een in
Nederland toegelaten beëdigd vertaler.
3.De vertalingen worden
ingeschreven in plaats van de in de vreemde of Friese taal
gestelde stukken, die onder de bewaarder blijven berusten.
Artikel 42
1.Op de inschrijving van stukken
tot verbetering van onjuistheden en onvolledigheden in
ingeschreven stukken, zijn de bepalingen, gegeven bij of krachtens
dit hoofdstuk, van overeenkomstige toepassing, onverminderd het
tweede lid.
2.Ter verbetering van een
onjuistheid en onvolledigheid bestaand uit een kennelijke
schrijffout en een kennelijke misslag in de tekst van een
ingeschreven notariële akte of notariële verklaring, als bedoeld
in de artikelen 26, 27, eerste lid, 30, 34, 35, 36 en 46a, kan ook
worden ingeschreven een proces-verbaal als bedoeld in artikel 45,
tweede lid, tweede zin, van de Wet op het notarisambt.
Artikel 43
Indien het ter inschrijving
aangeboden stuk waarin het in te schrijven feit is opgenomen, niet
voldoet aan de vereisten, gesteld in de artikelen 18-42, kan het met
ontbrekende gegevens worden aangevuld door een verklaring aan de
voet van het stuk, ondertekend door degene die bevoegd is tot het
opmaken en ondertekenen van een zodanig stuk, een en ander voor
zover de aard van het stuk zich daartegen niet verzet.
Artikel 44
1.Stukken die voor bewijs bij de
aanbieding van een stuk worden overgelegd, worden slechts mede
ingeschreven, indien de wet dit eist of de aanbieder dit verlangt,
tenzij bij wet is bepaald dat de desbetreffende stukken niet
worden ingeschreven.
2.Onverminderd artikel 17, tweede
lid, maakt de bewaarder, overeenkomstig door het bestuur van de
Dienst te stellen regels, melding van de overlegging van stukken:
a. voorzover die in papieren
vorm ter inschrijving zijn aangeboden: op het ter inschrijving
aangeboden stuk en op het afschrift van dat stuk, en
b. voorzover die in
elektronische vorm ter inschrijving zijn aangeboden: in het
desbetreffende elektronisch gedeelte van de openbare registers
bij dat stuk.
3.Stukken die worden overgelegd
maar waarvan de inschrijving niet wordt voorgeschreven of
verlangd, worden onverwijld aan de aanbieder teruggegeven. De
eerste zin is niet van toepassing indien artikel 11b, vijfde lid,
derde zin, toepassing heeft gevonden en het stuk in elektronische
vorm is overgelegd.
Artikel 45
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de vereisten waaraan
stukken dienen te voldoen die worden aangeboden ter inschrijving
van andere inschrijfbare feiten dan die waarop de artikelen 24-40
betrekking hebben, voor zover dit niet reeds in deze dan wel bij
of krachtens een andere wet is geschied.
2.Voor zover bij de in het eerste
lid bedoelde maatregel niet anders is bepaald, wordt ter
inschrijving van een beschikking of van een uitspraak waarbij een
beschikking werd vernietigd, ingetrokken of gewijzigd, een
afschrift van die beschikking onderscheidenlijk van die uitspraak
aangeboden, afgegeven door het bestuursorgaan onderscheidenlijk
het rechterlijk orgaan dat de beschikking of de uitspraak gaf.
Titel 3. Inschrijfbaarheid van andere
stukken en van verandering van woonplaats
Artikel 46
1.Naast feiten die voor de
rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, kunnen in de
openbare registers tevens algemene voorwaarden, modelreglementen
en andere stukken, die niet op een bepaald registergoed betrekking
hebben, worden ingeschreven, met het uitsluitend doel dat daarnaar
in later ter inschrijving aangeboden stukken kan worden verwezen.
De artikelen 18, 19, 20, eerste lid, eerste zin, 22 en 30 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek en 117, eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
2.Ter inschrijving van een stuk als
bedoeld in het eerste lid wordt naast dat stuk aangeboden, indien
het in papieren vorm ter inschrijving wordt aangeboden, een
afschrift van dat stuk voorzien van een verklaring van
eensluidendheid. Artikel 11, tweede tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Ter inschrijving van een stuk als
bedoeld in het eerste lid is, indien het in elektronische vorm ter
inschrijving wordt aangeboden, vereist een afschrift van dat stuk
als bedoeld in artikel 11b, eerste lid. De artikelen 11, tweede
lid, en 11b, tweede tot en met negende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4.De artikelen 18 tot en met 23
zijn niet van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld waaraan ter inschrijving aangeboden
stukken als bedoeld in het eerste lid, voldoen. Bij regeling van
Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de wijze
waarop de verwijzing in de latere stukken geschiedt.
5.Een verwijzing als bedoeld in het
vierde lid heeft tot gevolg dat het stuk waarnaar in een ter
inschrijving aangeboden stuk wordt verwezen, deel uitmaakt van de
inschrijving die op grond van het aangeboden stuk plaatsvindt.
Artikel 46a
1.Ter voorkoming van een onjuiste
of onvolledige bijhouding als bedoeld in de artikelen 54, eerste
lid, onderdeel a, 78, eerste lid, 87, eerste lid, onderdeel a, en
94, eerste lid, onderdeel a, kan met betrekking tot bij regeling
van Onze Minister vast te stellen gevallen een door een notaris
opgemaakte bijhoudingsverklaring worden ingeschreven, inhoudende
dat naar zijn verklaring hem gebleken is dat in een eerder
ingeschreven, door hem verleden notariële akte voor een juiste en
volledige bijhouding van dat stuk kennelijk benodigde gegevens
ontbreken en dat die gegevens uitsluitend ten behoeve van een
juiste en volledige bijhouding van dat stuk in die verklaring
worden vermeld. De inschrijving van een bijhoudingsverklaring kan
slechts plaatsvinden indien die verklaring ter inschrijving wordt
aangeboden voor de afloop van een periode van tien dagen die
aanvangt met de eerste dag volgend op die waarop het
desbetreffende stuk is ingeschreven, waarbij niet meegerekend
worden de dagen waarop de kantoren van de Dienst niet voor het
publiek zijn opengesteld voor het aanbieden van stukken ter
inschrijving in de openbare registers.
2.Ter inschrijving van een
bijhoudingsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
aangeboden, indien dit in papieren vorm geschiedt, die verklaring
of een authentiek afschrift daarvan, en een afschrift van die
verklaring, onderscheidenlijk van dat authentieke afschrift,
voorzien van een verklaring van eensluidendheid. Artikel 11,
tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Ter inschrijving van een
bijhoudingsverklaring als bedoeld in het eerste lid is, indien het
in elektronische vorm ter inschrijving wordt aangeboden, vereist
een afschrift van dat stuk als bedoeld in artikel 11b, eerste lid.
Deartikelen 11, tweede lid, en 11b, tweede tot en met vijfde lid,
tweede zin, zesde, zevende en negende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4.De artikelen 18 en 20 tot en met
23 zijn niet van toepassing.
Artikel 47
1.Een verandering van een in een
ingeschreven stuk gekozen woonplaats, een alsnog ter zake van een
inschrijving gedane keuze van woonplaats en de opheffing van een
gekozen woonplaats kunnen worden ingeschreven. Ter inschrijving
van de verandering, keuze of opheffing wordt een door of namens de
belanghebbende ondertekende verklaring aangeboden die de nieuwe en
de vorige gekozen dan wel wettelijke woonplaats vermeldt, alsmede
de datum van ingang.
2.Een krachtens artikel 18, vierde
lid, van deze wet of de artikelen 260, eerste lid, van Boek 3 of
252, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek gekozen
woonplaats, heeft, ongeacht of zij met het oorspronkelijke stuk
dan wel krachtens het eerste lid is ingeschreven, geen ander
gevolg dan dat
a. daar exploiten kunnen worden
uitgebracht die de inschrijving betreffen, ter zake waarvan
woonplaats werd gekozen;
b. daar de door of krachtens de
wet voorgeschreven mededelingen en kennisgevingen van de
bewaarder en de Dienst kunnen worden gedaan.
3.Door of krachtens deze wet
voorgeschreven mededelingen en kennisgevingen worden in elk geval
gedaan aan de laatste bij de Dienst bekende woonplaats van de
belanghebbende. In geval van overlijden van een persoon die tot
een registergoed gerechtigd was, worden zodanige mededelingen en
kennisgevingen aan zijn rechtsopvolgers gedaan aan het laatste bij
de Dienst bekende adres van de boedel.
Hoofdstuk 3. Basisregistratie
kadaster en net van coördinaatpunten
Titel 1. Basisregistratie kadaster
Artikel 48
1.De basisregistratie kadaster
ontsluit de openbare registers door middel van:
a. de kadastrale aanduiding van
een onroerende zaak en van een appartementsrecht, en
b. de naam van de eigenaar van,
of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak,
met uitzondering van de rechthebbende op een
erfdienstbaarheid.
2.De basisregistratie kadaster
bevat:
a. de kadastrale aanduiding van
onroerende zaken en van appartementsrechten;
b. naam, voornamen, adres,
geboortedatum en burgerlijke staat van de eigenaar van,
beperkt gerechtigde met betrekking tot, of beslaglegger op,
een onroerende zaak of, ingeval die e igenaar, gerechtigde of
beslaglegger een rechtspersoon is, de rechtsvorm;
c. de wettelijke benaming van
de beperkte rechten waaraan een onroerende zaak is
onderworpen, en van de beslagen die op die zaak of dat
beperkte recht zijn gelegd, als ook, of die zaak of dat
beperkte recht onder bewind staat of ten aanzien daarvan een
beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek is ingeschreven;
d. de kadastrale grootte van
een perceel;
e. de gegevens met betrekking
tot beperkingenbesluiten, alsmede daarop betrekking hebbende
beslissingen in administratief beroep, rechterlijke uitspraken
en verklaringen met betrekking tot het vervallen van een
publiekrechtelijke beperking, die krachtens de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken in de openbare
registers zijn ingeschreven;
f. gegevens die krachtens een
andere wet dan die genoemd in onderdeel e aan de Dienst ter
inschrijving in de openbare registers, respectievelijk ter
opneming in de basisregistratie kadaster, worden aangeboden;
g. ten aanzien van een eigenaar
en beperkt gerechtigde als bedoeld in onderdeel b: een
verwijzing naar alle in de openbare registers ingeschreven of
geboekte stukken, voorzover die stukken betreffen onroerende
zaken en rechten waaraan die zaken zijn onderworpen;
h. ten aanzien van een
onroerende zaak en een appartementsrecht: een verwijzing naar
alle daarop betrekking hebbende, in de openbare registers
ingeschreven of geboekte stukken, alsmede naar door de Dienst
verkregen inlichtingen of verrichte waarnemingen als bedoeld
in artikel 54, eerste lid, onderdelen c en d;
i. voorzover op een onroerende
zaak een recht van hypotheek rust, het bedrag waarvoor de
hypotheek is gevestigd, of indien dit bedrag nog niet
vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van een hypotheek
op het goed kan worden verhaald, en voorzover bekend, de
rentevoet;
j. feitelijke gegevens met
betrekking tot een onroerende zaak, een beperkt recht met
betrekking tot die zaak of een appartementsrecht, voorzover
die een nadere omschrijving, een beperking, een begunstiging
of een kenmerk bevatten, die voor het rechtsverkeer of de
landelijke kadastrale kaart van belang zijn, of voorzover die
betrekking hebben op het beheer, de domicilie of de
beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar van, beperkt
gerechtigde met betrekking tot, of de beslaglegger op, een
onroerende zaak, een beperkt recht of een appartementsrecht;
k. het aandeel van een eigenaar
of beperkt gerechtigde als bedoeld in onderdeel b in geval van
een gemeenschap.
3.De basisregistratie kadaster
bevat voorts de landelijke kadastrale kaart. Die kaart is
toegankelijk door middel van een coördinaat in het net van
coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52, of door middel van de
kadastrale aanduiding van een perceel. De landelijke kadastrale
kaart bevat:
a. de afbeelding van de
kadastrale grenzen van een perceel, weergegeven in het net van
coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52;
b. de kadastrale aanduiding van
een perceel;
c. de rijksgrens en de grens
van een provincie of gemeente;
d. een voorstelling van de
omtrek van een hoofd- of bijgebouw op een perceel, met dien
verstande dat de omtrek van een bijgebouw uitsluitend wordt
weergegeven indien die weergave naar het oordeel van de Dienst
nodig is voor een goede oriëntatie op de kadastrale kaart.
4.Een gegeven als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel f, kan krachtens een andere wet dan deze wet
als authentiek worden aangemerkt.
5.De detaillering, verbijzondering
en beschrijving van gegevens als bedoeld in het tweede en derde
lid, en in artikel 7g, eerste, tweede en vijfde lid, vinden plaats
in de door het bestuur van de Dienst vastgestelde catalogus
basisregistratie kadaster.
6.Het bestuur van de Dienst doet
mededeling van de vaststelling of wijziging van de catalogus
basisregistratie kadaster in de Staatscourant. Indien die
mededeling geen integrale bekendmaking inhoudt van die catalogus
of van de wijzigingen daarin, maakt de Dienst bekend waar die
catalogus ter inzage ligt of op welke wijze die catalogus
anderszins raadpleegbaar is.
7.Het tweede lid, onderdelen b, g
en k, vindt ten aanzien van erfdienstbaarheden slechts toepassing,
voorzover dat wordt bepaald bij regeling van het bestuur van de
Dienst.
Titel 2. Kaartenbestand, daaraan ten
grondslag liggende bescheiden en net van coördinaatpunten
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 50
De aan de kadastrale kaart ten
grondslag liggende bescheiden bevatten in elk geval de
landmeetkundige gegevens van hetgeen op die kaart wordt weergegeven.
Artikel 51
1.Het bestuur van de Dienst stelt
regelen vast omtrent de inrichting van de kadastrale kaart.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
tevens regelen vast omtrent de vorm van de aan de kadastrale kaart
ten grondslag liggende bescheiden.
Artikel 52
1.Er is een net van
coördinaatpunten waarvan de coördinaten worden vastgelegd in het
stelsel van de Rijksdriehoeksmeting en in het stelsel van het
Europese referentiesysteem voor geodesie en navigatie.
2.Het bestuur van de Dienst stelt
regelen vast omtrent de registratie en de weergave van de in het
eerste lid genoemde punten.
Hoofdstuk 4. Bijwerking van de
basisregistratie kadaster en het net van coördinaatpunten
Titel 1. Bijwerking van de
basisregistratie kadaster
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 53
Bijwerking vindt plaats als
bijhouding dan wel als vernieuwing.
Artikel 54
1.Bijhouding vindt, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op
grond van:
a. veranderingen blijkens in de
openbare registers ingeschreven stukken, voorzover die
betrekking hebben op onroerende zaken en rechten waaraan die
zaken zijn onderworpen;
b. een wijziging als bedoeld in
artikel 7n of 7t;
c. inlichtingen van een
eigenaar van, of beperkt gerechtigde met betrekking tot, een
onroerende zaak, of van diens rechtsopvolger onder algemene
titel;
d. waarnemingen van een met
meting belaste ambtenaar omtrent een feit als bedoeld in de
artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of
omtrent de feitelijke gesteldheid van een onroerende zaak.
2.Bijhouding van de
basisregistratie kadaster vindt ook plaats met betrekking tot
voorlopige aantekeningen terzake van stukken betreffende
onroerende zaken en rechten waaraan die zaken zijn onderworpen en
doorhalingen daarvan in het register van voorlopige aantekeningen.
Artikel 55
Vernieuwing vindt plaats op grond van
veranderingen, voor zover deze blijken uit in de openbare registers
ingeschreven akten van vernieuwing, als bedoeld in artikel 77.
Artikel 56
De wijze van bijwerking wordt,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet,
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld in dier
voege:
a. dat na een inschrijving de
bijwerking terstond aanvangt, en
b. dat tenminste ingeval een
bijwerking leidt tot het wijzigen of aanvullen van de in de
basisregistratie kadaster vermeld staande gegevens betreffende
de eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale aanduiding
dan wel de grootte, in de registratie wordt vermeld op grond van
welk ingeschreven of ander stuk een bijwerking heeft
plaatsgevonden.
Artikel 56a
1.Op beschikkingen inzake de
bijwerking, genomen krachtens hoofdstuk 4 van deze wet, zijn de
artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing.
2.Het voorstel van vernieuwing, als
bedoeld in artikel 76, tweede lid, geldt als een beschikking.
Artikel 56b
1.Tenzij het betreft een
beschikking als bedoeld in artikel 71, 72 of 78, eerste lid, kan
een belanghebbende bezwaar maken tegen een beschikking inzake de
bijwerking, vastgesteld krachtens hoofdstuk 4, nadat die
bijwerking is voltooid.
2.Voorzover een beschikking als
bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat
krachtens deze wet als authentiek wordt aangemerkt en ten aanzien
van die beschikking bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt
ingesteld, handelt de Dienst overeenkomstig artikel 7r.
Artikel 56c [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 56d [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 56e [Vervallen per
01-01-2008]
Afdeling 2. Bijhouding
§ 1. Bijhouding op grond van in de
openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
ingeschreven stukken betreffende onroerende zaken en rechten waaraan
die zaken zijn onderworpen, met uitzondering van notariële akten
van vernieuwing
Artikel 57
1.Indien een meting noodzakelijk is
ten behoeve van de bijhouding, doet de Dienst van het voornemen
daartoe mededeling aan de personen die volgens de bij de Dienst
bekende gegevens als eigenaar, beperkt gerechtigde, met
uitzondering van evenwel de hypotheekhouders en de rechthebbenden
op erfdienstbaarheden zo die er zijn, of anderszins bij de
bijhouding belanghebbenden zijn. De mededeling houdt in elk geval
in de dag en het uur waarop de aanwijzing die de grondslag vormt
voor de meting, zal plaatsvinden.
2.Onze Minister stelt regelen vast
omtrent de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde mededeling
wordt gedaan.
3.De in het eerste lid bedoelde
belanghebbenden verschaffen, indien naar het oordeel van de met de
meting belaste ambtenaar nodig door aanwijzing ter plaatse, de
door deze ambtenaar voor de bijhouding benodigde inlichtingen. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld
omtrent de bijhouding voor de gevallen waarin één of meer
belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen
of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen.
4.De ambtenaar maakt een relaas van
zijn bevindingen, dat mede de door de meting verkregen gegevens
bevat.
5.De bijhouding vindt plaats mede
op grondslag van het relaas van bevindingen indien het
eerste-vierde lid toepassing heeft gevonden.
6.Op vertoon van een bewijs van de
in artikel 58, eerste lid, bedoelde bekendmaking worden aan
belanghebbenden op het desbetreffende kantoor van de Dienst
kosteloos nadere inlichtingen omtrent de uitkomsten van de meting
verschaft, indien het eerste-vierde lid toepassing heeft gevonden.
Onze Minister stelt nadere regelen vast omtrent de wijze waarop
deze inlichtingen worden verschaft.
Artikel 58
1.Ingeval de bijhouding waartoe een
ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een
gehandhaafd perceel dan wel een nieuw gevormd perceel is voltooid
en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in de
basisregistratie kadaster vermeld staande gegevens betreffende de
eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale aanduiding dan
wel de grootte van de onroerende zaak waarop het ingeschreven feit
betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding aan
belanghebbenden door toezending of uitreiking bekendgemaakt. Met
betrekking tot een rechthebbende op een erfdienstbaarheid vindt
het bepaalde in de eerste zin slechts toepassing, voor zover een
regeling van het bestuur van de Dienst als bedoeld in artikel 48,
derde lid, is vastgesteld.
2.De verzending ingevolge het
eerste lid vindt op één en dezelfde dag plaats.
3.Indien in een geval, als bedoeld
in het eerste lid, het ingeschreven stuk is een akte van
toedeling, als bedoeld in de artikelen 89, eerste lid, van de
Reconstructiewet Midden-Delfland ( Stb. 1977, 233), 95, eerste
lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694) en 207, eerste
lid, van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299), of een ruilakte
als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Wet inrichting
landelijk gebied, of een ruilakte als bedoeld in artikel 90,
eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden vindt het
bepaalde in de vorige leden geen toepassing.
Artikel 59
1.Blijkt de in het ingeschreven
stuk voorkomende feitelijke omschrijving van de onroerende zaak
waarop het stuk betrekking heeft, onverenigbaar met hetgeen de met
de meting belaste ambtenaar overeenkomstig artikel 57, derde lid,
door de belanghebbenden ter plaatse is aangewezen, of is de
kadastrale aanduiding van die zaak in dat stuk onjuist of
onvolledig, dan vindt artikel 58, eerste-derde lid, slechts
toepassing voor zover bijhouding naar de krachtens het volgende
lid vast te stellen regelen mogelijk is.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze
bijhouding plaatsvindt, indien de in het eerste lid bedoelde
gevallen zich voordoen, in dier voege dat de bijhouding waartoe
het ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid,
nadat een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is
ingeschreven in de in artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde
openbare registers.
3.De beslissing om toepassing aan
het eerste lid te geven wordt met bekwame spoed genomen. Indien
het ingeschreven stuk is opgemaakt door een notaris, wordt de
beslissing tevens aan hem medegedeeld. De bekendmaking van de
beslissing gaat vergezeld van een verzoek een stuk tot
verbetering, als bedoeld in artikel 42, in te schrijven in de
openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a.
Artikel 58, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Bij de bekendmaking wordt gewezen
op het gevolg voor de bijhouding dat de wet aan het
niet-inschrijven van een stuk tot verbetering, als bedoeld in
artikel 42, verbindt.
5.Het bepaalde in de vorige leden
is van overeenkomstige toepassing ingeval de kadastrale aanduiding
van een appartementsrecht in een ingeschreven stuk onjuist of
onvolledig blijkt te zijn.
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 2. Bijhouding op grond van
inlichtingen of waarnemingen omtrent feiten, bedoeld in de artikelen
29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 66
1.Ingeval een belanghebbende,
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder c, meent dat zich een
feit heeft voorgedaan, als bedoeld in artikel 29 dan wel in
artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, kan hij de
Dienst verzoeken, daarnaar een onderzoek in te stellen. Binnen
acht weken na ontvangst van de aanvraag wordt de beslissing op het
verzoek genomen.
2.In geval van toewijzing van het
verzoek wordt door de Dienst van het voornemen tot het houden van
een onderzoek ter plaatse mededeling gedaan overeenkomstig artikel
57, eerste lid. Artikel 57, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 67
1.De met het onderzoek belaste
ambtenaar gaat ter plaatse na of een feit, als bedoeld in artikel
29 dan wel in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek,
zich heeft voorgedaan. Artikel 57, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.De ambtenaar maakt een relaas van
zijn bevindingen. Indien ten behoeve van het onderzoek een meting
plaatsvindt, worden de daardoor verkregen gegevens eveneens
opgenomen in het relaas van bevindingen.
Artikel 68
1.Indien het onderzoek ter plaatse
aanleiding geeft tot bijhouding, vindt deze plaats op grondslag
van het relaas van bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
2.Indien het onderzoek ter plaatse
geen aanleiding geeft tot bijhouding, wordt daarvan mededeling
gedaan aan de verzoeker en de overige bij de bijhouding
belanghebbenden.
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 70
1.De Dienst is bevoegd, ook zonder
een verzoek, als bedoeld in artikel 66, eerste lid, een onderzoek,
als bedoeld in artikel 67, eerste lid, in te stellen indien er
redenen zijn om aan te nemen dat zich met betrekking tot
onroerende zaken feiten hebben voorgedaan, als bedoeld in de
artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Van het
voornemen tot een onderzoek wordt door de Dienst mededeling gedaan
overeenkomstig artikel 57, eerste lid. De artikelen 57, tweede en
derde lid, en 67, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Indien de Dienst gebruik heeft
gemaakt van de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid en het
onderzoek ter plaatse aanleiding heeft gegeven tot bijhouding,
vindt bijhouding plaats op grondslag van het relaas van
bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Ingeval het onderzoek geen
aanleiding geeft tot bijhouding is artikel 68, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
§ 3. Bijhouding op grond van
inlichtingen of waarnemingen omtrent de feitelijke gesteldheid van
onroerende zaken
Artikel 71
De wijze van bijhouding op grond van
inlichtingen of waarnemingen omtrent de feitelijke gesteldheid van
onroerende zaken wordt geregeld door het bestuur van de Dienst.
§ 4. Bijhouding met betrekking tot
voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan
Artikel 72
De wijze van bijhouding in de
basisregistratie kadaster met betrekking tot voorlopige
aantekeningen terzake van stukken betreffende onroerende zaken en
rechten waaraan die zaken zijn onderworpen en doorhalingen daarvan
in het register van voorlopige aantekeningen wordt geregeld door het
bestuur van de Dienst.
§ 5. Bijhouding inzake splitsing of
samenvoeging van percelen, ambtshalve of op verzoek
Artikel 73
1.De Dienst kan besluiten tot
splitsing of samenvoeging van percelen in bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. Artikel 58,
eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Een eigenaar van, of een beperkt
gerechtigde met betrekking tot, een onroerende zaak, kan in bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen een
verzoek tot splitsing of samenvoeging van percelen doen met
betrekking tot die onroerende zaak, indien hij daarbij een
redelijk belang heeft. Indien het verzoek afkomstig is van een
beperkt gerechtigde moet de eigenaar van die onroerende zaak door
de Dienst worden gehoord alvorens tot bijhouding kan worden
overgegaan.
3.Indien naar zijn oordeel nodig
wint de daarmee belaste ambtenaar ter plaatse nadere inlichtingen
in. Van het voornemen daartoe wordt alsdan mededeling gedaan
overeenkomstig artikel 57, eerste lid. Artikel 57, tweede en derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Voorts is artikel 67, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing.
5.Voor zover het verzoek wordt
toegewezen, vindt de bijhouding plaats op grondslag van het relaas
van bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Vernieuwing
Artikel 74
In bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen gevallen is de Dienst bevoegd te onderzoeken of de
gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke
gesteldheid van onroerende zaken, alsmede de gegevens betreffende de
rechtstoestand van de rechten waaraan deze onroerende zaken
onderworpen zijn, die zijn weergegeven in de basisregistratie
kadaster en de bescheiden, bedoeld in artikel 50, juist en volledig
zijn.
Artikel 75
1.Vóór de aanvang van een
onderzoek van vernieuwing maakt de Dienst het voornemen daartoe
openbaar overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels.
Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarin omschreven
gevallen worden bepaald dat openbaarmaking achterwege kan blijven
op de grond dat het bereiken van alle belanghebbenden door het
bepaalde in het tweede lid voldoende gewaarborgd is.
2.De Dienst doet in elk geval van
een voornemen tot een onderzoek van vernieuwing per brief
mededeling aan de eigenaar en beperkt gerechtigde met betrekking
tot de onroerende zaak, waarop de vernieuwing betrekking heeft,
alsmede aan de personen die bij de Dienst anderszins als
belanghebbenden bij de vernieuwing bekend zijn. Artikel 57, eerste
lid, tweede zin, en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Een voornemen tot een onderzoek
van vernieuwing wordt bij het desbetreffende perceel in de
basisregistratie kadaster vermeld volgens door het bestuur van de
Dienst vast te stellen regelen.
4.In de brief, bedoeld in het
tweede lid, wordt gewezen op de in artikel 78, tweede en derde
lid, genoemde gevolgen die de wet aan de vernieuwing verbindt.
Artikel 76
1.De met het onderzoek van
vernieuwing belaste ambtenaar wint, zonodig ter plaatse,
inlichtingen in, verzoekt zonodig om overlegging of openlegging
van bescheiden en doet de nodige waarnemingen. De belanghebbenden,
bedoeld in artikel 75, tweede lid, dienen, indien naar het oordeel
van de ambtenaar nodig door aanwijzing ter plaatse, de door de
ambtenaar voor de vernieuwing benodigde inlichtingen te
verschaffen en daartoe zonodig bescheiden over te leggen of open
te leggen. Artikel 67, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.Op de grondslag van het relaas
van bevindingen worden voorstellen van vernieuwing gemaakt.
Alvorens daartoe wordt overgegaan, wordt nagegaan of na het
onderzoek van vernieuwing met betrekking tot de onroerende zaak
waarop het voorstel betrekking heeft, nog bijhoudingen hebben
plaatsgevonden. Is dat het geval dan wordt in het voorstel
afzonderlijk melding gemaakt van die bijhoudingen, overeenkomstig
door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen. Elk
voorstel bevat in elk geval de gegevens omtrent de rechten, de
rechthebbenden, de grootte, de kadastrale aanduiding van de
onroerende zaak waarop het betrekking heeft, zoals deze luiden op
de dag waarop het voorstel is opgemaakt.
3.Bij het maken van een voorstel
van vernieuwing wordt geen acht geslagen op niet-ingeschreven
feiten waarvan het rechtsgevolg slechts kan intreden door
inschrijving daarvan in de openbare registers.
4.In het voorstel worden de
gegevens omtrent rechten van hypotheek en inbeslagnemingen, zoals
deze blijken uit de in de openbare registers ingeschreven stukken,
ongewijzigd overgenomen. Indien tijdens het onderzoek is gebleken
dat de omvang van de onroerende zaak waarop het recht van
hypotheek is gevestigd of waarop beslag is gelegd, wijziging heeft
ondergaan, wordt bij het opmaken van het voorstel op die wijziging
acht geslagen.
5.In het voorstel worden slechts
gegevens omtrent die erfdienstbaarheden vermeld welke in de
basisregistratie kadaster zijn vermeld, of, indien niet daarin
vermeld, waarvan het bestaan aannemelijk is geworden op grond van
inlichtingen, bescheiden of waarnemingen, als bedoeld in het
eerste lid.
6.Het voorstel van vernieuwing
wordt bekend gemaakt aan belanghebbenden. Artikel 58, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van artikel 56b
bevat de beslissing van de ambtenaar op het bezwaarschrift alle
gegevens uit het voorstel van vernieuwing omtrent de rechten, de
rechthebbenden, de kadastrale aanduiding en de grootte van de
onroerende zaak, waarop de vernieuwing betrekking heeft, ook die
waarvan de juistheid door belanghebbenden niet is betwist.
7.Het bestuur van de Dienst maakt
het voorstel van vernieuwing bekend overeenkomstig artikel 3:42
van de Algemene wet bestuursrecht. Van de indiening van
bezwaarschriften en het instellen van beroep, alsmede van daarop
gegeven beslissingen wordt bij het voorstel melding gemaakt
overeenkomstig door het bestuur van de Dienst vast te stellen
regelen.
Artikel 77
1.Voorzover tegen een voorstel van
vernieuwing geen, of niet tijdig, bezwaren zijn ingediend, de
beslissing op bezwaar onherroepelijk is geworden of de rechtbank
uitspraak heeft gedaan, wordt door een daartoe door de Dienst
aangewezen notaris een akte van vernieuwing opgemaakt. De akte
wordt door de Dienst ondertekend.
2.Een akte van vernieuwing kan op
één of meer voorstellen van vernieuwing betrekking hebben. De
akte bevat ten aanzien van elke onroerende zaak waarop de
vernieuwing betrekking heeft, het relaas van bevindingen, de
inhoud van het voorstel van vernieuwingen en, ingeval er
onherroepelijk op bezwaar is beslist of door de rechtbank
uitspraak is gedaan, die beslissing of uitspraak. Bescheiden die
tijdens het onderzoek aan de met het onderzoek van vernieuwing
belaste ambtenaar worden overgelegd, worden in de akte vermeld en
daaraan in afschrift gehecht.
3.Tevens worden overeenkomstig door
het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen aan de voet van
de akte van vernieuwing ten aanzien van elke onroerende zaak
waarop de vernieuwing betrekking heeft, afzonderlijk vermeld de in
artikel 76, tweede lid, bedoelde bijhoudingen alsmede die
bijhoudingen, zo die hebben plaatsgevonden, welke zich hebben
voorgedaan tussen het tijdstip van de dagtekening van het voorstel
van vernieuwing en dat van de dagtekening van de akte van
vernieuwing.
4.Een bezwaar of beroep ter zake
van een bijhouding, als bedoeld in het vorige lid, kan op verzoek
van de belanghebbende gevoegd worden behandeld met bezwaren of
beroepen ter zake van een voorstel van vernieuwing. De behandeling
kan op verzoek van de belanghebbende ook worden aangehouden tot na
het verlijden van de akte van vernieuwing.
5.De akte van vernieuwing wordt
ingeschreven in de openbare registers.
Artikel 78
1.Na de inschrijving, bedoeld in
artikel 77, vijfde lid, wordt de basisregistratie kadaster met
bekwame spoed vernieuwd op de voet van de akte van vernieuwing.
2.Zij die volgens de akte van
vernieuwing rechthebbende zijn op een daarin opgenomen onroerende
zaak of recht dat geen recht van hypotheek is, gelden voor de
toepassing van de verjaring, bedoeld in artikel 99 van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek, met ingang van de dag van de inschrijving
als bezitter te goeder trouw van die zaak of dat recht zoals zij
in de akte worden omschreven.
3.De in artikel 106 van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtsvordering van een beperkt
gerechtigde, wiens recht niet in de akte van vernieuwing is
opgenomen, verjaart in elk geval door verloop van tien jaren na de
dag van de inschrijving van deze akte.
Afdeling 4. Metingen
Artikel 79
Het bestuur van de Dienst stelt
nadere regelen vast omtrent de in deze titel voorziene metingen.
Afdeling 5. Overige bepalingen
Artikel 80
Bij regeling van het bestuur van de
Dienst kan worden bepaald dat in door het bestuur van de Dienst vast
te stellen gevallen bij een kennisgeving van het resultaat van een
bijhouding, als bedoeld in afdeling 2 , of bij een voorstel van
vernieuwing, als bedoeld in artikel 76, tweede lid, een kaart wordt
gevoegd weergevend de onroerende zaken ten aanzien waarvan de
bijwerking heeft plaatsgevonden, onderscheidenlijk zal plaatsvinden.
Artikel 81
1.Bij regeling van Onze Minister
wordt bepaald, onverminderd hetgeen daaromtrent op grond van
andere bepalingen van deze titel reeds is of wordt bepaald, welke
gegevens eveneens ten minste in de in deze titel voorziene relazen
van bevindingen en voorstellen van vernieuwing worden vermeld. Het
bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast omtrent de vorm
van de relazen van bevindingen en de voorstellen van vernieuwing.
2.Bij regeling van Onze Minister
kunnen tevens nadere voorschriften worden gegeven inzake de vorm
van de akte van vernieuwing.
Artikel 82
Het bestuur van de Dienst stelt de
vorm vast van de in deze titel voorziene mededelingen,
kennisgevingen alsmede van de in deze titel voorziene te geven
beslissingen op bezwaarschriften. Indien artikel 80 toepassing heeft
gevonden stelt het bestuur van de Dienst tevens de vorm vast van de
in dat artikel bedoelde kaart.
Titel 2. Bijhouding van het net van
coördinaatpunten
Artikel 83
Het bestuur van de Dienst stelt
regelen vast omtrent de bijhouding van het net van
coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52, eerste lid.
Titel 3 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-2004]
Hoofdstuk 5. Registratie voor schepen
Titel 1. Inhoud van de registratie
voor schepen
Artikel 85
1.De registratie voor schepen
ontsluit de openbare registers door middel van:
a. de naam van de eigenaar van,
of beperkt gerechtigde met betrekking tot, een schip, en
b. het brandmerk van een schip.
2.De registratie voor schepen
bevat:
a. naam, voornamen, adres of
verblijfplaats, geboortedatum en burgerlijke staat van de
eigenaar van, beperkt gerechtigde met betrekking tot, of
beslaglegger op, een schip of, ingeval die eigenaar,
gerechtigde of beslaglegger een rechtspersoon is, de
rechtsvorm;
b. ten aanzien van een eigenaar
en beperkt gerechtigde als bedoeld in onderdeel a: een
verwijzing naar alle op hen betrekking hebbende in de openbare
registers ingeschreven of geboekte stukken, voorzover die
stukken betreffen schepen en rechten waaraan die schepen zijn
onderworpen;
c. de wettelijke benaming van
de beperkte rechten waaraan de schepen onderworpen zijn, en
van de beslagen die op de schepen of beperkte rechten zijn
gelegd, als ook of die schepen of beperkte rechten onder
bewind staan, alsmede of ten aanzien daarvan zijn
ingeschreven:
1°. een beding, als
bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek;
2°. een afwijkend beding,
als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek onder vermelding van het
scheepstoebehoren ten aanzien waarvan het afwijkend beding
is gemaakt, en
3°. voorrechten, genoemd
in artikel 211 dan wel in artikel 821 van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek;
d. de naam en het brandmerk,
bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder c;
e. de dagtekening der
teboekstelling;
f. het type, de inrichting, het
materiaal waarvan de romp is gemaakt, jaar en plaats van de
bouw en, voor zover het een schip met mechanische voortstuwing
betreft, ook al betreft het slechts een hulpmotor, het aantal
motoren, het type, vermogen en de fabrikant van elke motor,
alsmede het fabrieksnummer daarvan met aanduiding van de
plaats waar dit nummer is aangebracht;
g. indien het een binnenschip
betreft, het laadvermogen in tonnen van 1.000 kilogram of de
verplaatsing in kubieke meters, zoals vermeld in de meetbrief,
dan wel, indien het een zeeschip of een zeevissersschip
betreft, de bruto-inhoud in kubieke meters of de bruto-tonnage,
zoals vermeld in de meetbrief; ingeval geen meetbrief is
vereist, het laadvermogen, de verplaatsing, de bruto-inhoud
dan wel de bruto-tonnage, zoals kan worden vastgesteld aan de
hand van de verstrekte gegevens; zolang een schip in aanbouw
is, wordt het laadvermogen, de verplaatsing, de bruto-inhoud
dan wel de bruto-tonnage geschat;
h. ten aanzien van elk schip
een verwijzing naar alle daarop betrekking hebbende, in de
openbare registers ingeschreven stukken en in het register van
voorlopige aantekeningen geboekte stukken, alsmede door de
Dienst verkregen inlichtingen als bedoeld in artikel 87,
eerste lid, onder b;
i. elk register waarin het
schip heeft te boek gestaan;
j. voorzover op een schip een
recht van hypotheek rust, ten minste de gegevens, genoemd in
artikel 48, tweede lid, onderdeel i;
k. gegevens die worden
opgenomen op grond van andere wettelijke bepalingen;
l. in geval van mede-eigendom
of een rederij: het aandeel van ieder der deelgenoten of
reders.
3.De gegevens, bedoeld in het
tweede lid en artikel 7g, tweede en vijfde lid, omtrent en de
bescheiden betreffende schepen waarvan de teboekstelling is
doorgehaald, blijven deel uitmaken van de registratie voor
schepen.
4.De detaillering, verbijzondering
en beschrijving van gegevens als bedoeld in het tweede lid en in
artikel 7g, tweede en vijfde lid, vinden plaats in de door het
bestuur van de Dienst vastgestelde catalogus registratie voor
schepen. Het bestuur van de Dienst doet overeenkomstig artikel 48,
zesde lid, mededeling van de vaststelling of wijziging van die
catalogus en van de raadpleegbaarheid daarvan.
Titel 2. Bijwerking van de
registratie voor schepen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 86
Bijwerking vindt plaats als
bijhouding.
Artikel 87
1.Bijhouding vindt, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op
grond van:
a. veranderingen blijkens in de
openbare registers ingeschreven stukken, voorzover die
betrekking hebben op schepen en rechten waaraan die schepen
zijn onderworpen, of
b. wijzigingen met betrekking
tot gegevens van de eigenaar of beperkt gerechtigde, voorzover
die blijken uit een basisregistratie of uit andere door de
eigenaar of beperkt gerechtigde overgelegde stukken.
2.Bijhouding van de registratie
voor schepen vindt ook plaats met betrekking tot voorlopige
aantekeningen terzake van stukken betreffende schepen en rechten
waaraan die schepen zijn onderworpen en doorhalingen daarvan in
het register van voorlopige aantekeningen.
3.De wijze van bijhouding wordt,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet,
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld, in dier
voege:
a. dat na een inschrijving de
bijhouding terstond aanvangt, en
b. dat in de registratie wordt
vermeld op grond van welk ingeschreven of ander stuk een
bijhouding heeft plaatsgevonden.
4. Artikel 72 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 87a
Op beschikkingen inzake de
bijhouding, genomen krachtens hoofdstuk 5 van deze wet, zijn de
artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing.
Artikel 87b
1.Belanghebbenden kunnen tegen
beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens deze titel,
bezwaar maken nadat zij is voltooid.
2.Geen bezwaar staat open tegen
bijhoudingen als bedoeld in artikel 87, tweede lid.
Afdeling 2. Bijhouding op grond van
in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, ingeschreven stukken betreffende schepen en rechten
waaraan die schepen zijn onderworpen
Artikel 88
1.Ingeval de bijhouding waartoe een
ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een schip
is voltooid en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in
de registratie voor schepen vermeld staande gegevens betreffende
de eigenaars of beperkt gerechtigden, dan wel de naam van het
schip waarop het ingeschreven feit betrekking heeft, wordt het
resultaat van die bijhouding door toezending of uitreiking aan
belanghebbenden bekendgemaakt.
2. Artikel 58, tweede lid, is
voorts van overeenkomstige toepassing.
Artikel 89
1.Ingeval blijkt dat in een stuk
dat is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, één of meer der in dat stuk vermelde
gegevens, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onverenigbaar
zijn met de in de registratie voor schepen vermeld staande
gegevens ten aanzien van het schip waarop het in te schrijven feit
betrekking heeft, vindt artikel 88 slechts toepassing voor zover
bijhouding mogelijk is ingevolge de op grond van het volgende lid
vast te stellen regelen.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze
bijhouding plaatsvindt, indien een geval, als bedoeld in het
eerste lid zich voordoet, in dier voege dat de bijhouding waartoe
het ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid nadat
een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is
ingeschreven in de in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
openbare registers.
3. Artikel 59, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 90 [Vervallen per 17-05-1995]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 6. Registratie voor
luchtvaartuigen
Titel 1. Inhoud van de registratie
voor luchtvaartuigen
Artikel 92
1.De registratie voor
luchtvaartuigen ontsluit de openbare registers door middel van:
a. de naam van de eigenaar van,
of beperkt gerechtigde met betrekking tot, een luchtvaartuig;
b. het in artikel 22, eerste
lid, onderdeel a, bedoelde inschrijvingskenmerk, en
c. het in artikel 22, eerste
lid, onderdeel d, bedoelde boekingsnummer.
2.De registratie voor
luchtvaartuigen bevat:
a. naam, voornamen, adres,
geboortedatum en burgerlijke staat van de eigenaar van,
beperkt gerechtigde met betrekking tot, of beslaglegger op een
luchtvaartuig of, ingeval die eigenaar, gerechtigde of
beslaglegger een rechtspersoon is, de rechtsvorm;
b. ten aanzien van een eigenaar
en beperkt gerechtigde als bedoeld in onderdeel a: een
verwijzing naar alle op hen betrekking hebbende in de openbare
registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, ingeschreven
stukken of geboekte stukken, voorzover die stukken betreffen
luchtvaartuigen en rechten waaraan die luchtvaartuigen zijn
onderworpen;
c. de wettelijke benaming van
de beperkte rechten waaraan de luchtvaartuigen onderworpen
zijn, en van de beslagen die op die luchtvaartuigen of
beperkte rechten zijn gelegd, als ook of die luchtvaartuigen
of beperkte rechten onder bewind staan, alsmede of ten aanzien
daarvan zijn ingeschreven:
1°. een beding, als
bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek, en
2°. voorrechten als
bedoeld in artikel 1317 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek;
d. het nationaliteitskenmerk en
het inschrijvingskenmerk, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid,
van de Wet luchtvaart;
e. de naam en woonplaats van de
fabrikant, het type, jaar en plaats van de bouw, het
serienummer, zo het luchtvaartuig dat heeft, met de aanduiding
van de plaats waar dit nummer is aangebracht, het aantal
motoren, het type, vermogen en de fabrikant van elke motor,
alsmede het fabrieksnummer daarvan met de aanduiding van de
plaats waar dit nummer is aangebracht;
f. de maximaal toegelaten
startmassa;
g. de dagtekening van de
teboekstelling en het boekingsnummer, bedoeld in artikel 22,
eerste lid, onderdeel d;
h. ten aanzien van elk
luchtvaartuig een verwijzing naar alle daarop betrekking
hebbende, in de openbare registers ingeschreven stukken en in
het register van voorlopige aantekeningen geboekte stukken,
alsmede door de Dienst verkregen inlichtingen als bedoeld in
artikel 94, eerste lid, onder b;
i. elk register waarin het
luchtvaartuig heeft te boek gestaan;
j. voorzover op een
luchtvaartuig een recht van hypotheek rust, ten minste de
gegevens, genoemd in artikel 48, tweede lid, onderdeel i;
k. gegevens die worden
opgenomen op grond van andere wettelijke bepalingen;
l. in geval van een
gemeenschap, het aandeel van ieder der deelgenoten.
3. Artikel 85, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.De detaillering, verbijzondering
en beschrijving van gegevens als bedoeld in het tweede lid en in
artikel 7g, tweede en vijfde lid, vinden plaats in de door het
bestuur van de Dienst vastgestelde catalogus registratie voor
luchtvaartuigen. Het bestuur van de Dienst doet overeenkomstig
artikel 48, zesde lid, mededeling van de vaststelling of wijziging
van die catalogus en van de raadpleegbaarheid daarvan.
Titel 2. Bijwerking van de
registratie voor luchtvaartuigen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 93
Bijwerking vindt plaats als
bijhouding.
Artikel 94
1.Bijhouding vindt, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op
grond van:
a. veranderingen blijkens in de
openbare registers ingeschreven stukken, voorzover die
betrekking hebben op luchtvaartuigen en rechten waaraan die
luchtvaartuigen zijn onderworpen, of
b. wijzigingen met betrekking
tot gegevens van de eigenaar of beperkt gerechtigde, voorzover
die blijken uit een basisregistratie of uit andere door de
eigenaar of beperkt gerechtigde overgelegde stukken.
2.Bijhouding van de registratie
voor luchtvaartuigen vindt ook plaats met betrekking tot
voorlopige aantekeningen terzake van stukken betreffende
luchtvaartuigen en rechten waaraan die luchtvaartuigen zijn
onderworpen en doorhalingen daarvan in het register van voorlopige
aantekeningen.
3.De wijze van bijhouding wordt,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of andere wet, bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld, in dier
voege:
a. dat na een inschrijving de
bijhouding terstond aanvangt, en
b. dat in de registratie wordt
vermeld op grond van welk ingeschreven of ander stuk een
bijhouding heeft plaatsgevonden.
4. Artikel 72 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 94a
Op beschikkingen inzake de
bijhouding, genomen krachtens hoofdstuk 6 van deze wet, zijn de
artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing.
Artikel 94b
1.Belanghebbenden kunnen tegen
beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens deze titel,
bezwaar maken nadat zij is voltooid.
2.Geen bezwaar staat open tegen
bijhoudingen als bedoeld in artikel 94, tweede lid.
3.Artikel 56b, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Bijhouding op grond van
in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, ingeschreven stukken betreffende luchtvaartuigen en
rechten waaraan die luchtvaartuigen zijn onderworpen
Artikel 95
1.Ingeval de bijhouding waartoe een
ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een
luchtvaartuig is voltooid en heeft geleid tot wijziging of
aanvulling van de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld
staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden,
dan wel de naam van het luchtvaartuig waarop het ingeschreven feit
betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding door
toezending of uitreiking aan belanghebbenden bekendgemaakt.
2.Artikel 58, tweede lid, is voorts
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 96
1.Ingeval blijkt dat in een stuk,
dat is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, één of meer der in dat stuk vermelde
gegevens, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onverenigbaar
zijn met de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staande
gegevens ten aanzien van het luchtvaartuig waarop het in te
schrijven feit betrekking heeft, vindt artikel 95 slechts
toepassing voor zover bijhouding mogelijk is ingevolge de op grond
van het volgende lid vast te stellen regelen.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze
bijhouding plaatsvindt indien een geval, als bedoeld in het eerste
lid, zich voordoet, in dier voege dat de bijhouding waartoe het
ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid nadat een
stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is ingeschreven
in de in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bedoelde openbare
registers.
3.Artikel 59, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 97 [Vervallen per 17-05-1995]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk 6a. Basisregistratie
topografie
Artikel 98a
1.De basisregistratie topografie is
toegankelijk door middel van een identificerend objectnummer of
een locatie op de kaart.
2.De basisregistratie topografie
bevat de volgende geografische objecten met hun cartografische
weergave:
a. wegdeel;
b. spoorbaandeel;
c. waterdeel;
d. bebouwing;
e. terrein;
f. inrichtingselement;
g. reliëf;
h. registratief gebied;
i. geografisch gebied, en
j. functioneel gebied.
3.De basisregistratie topografie
bevat ten aanzien van elk geografisch object als bedoeld in het
tweede lid een identificerend objectnummer en beschrijvende,
geometrische, cartografische, temporele en meta-kenmerken
overeenkomstig de door het bestuur van de Dienst vastgestelde
catalogus basisregistratie topografie. Het bestuur van de Dienst
doet overeenkomstig artikel 48, zesde lid, mededeling van de
vaststelling of wijziging van die catalogus en van de
raadpleegbaarheid daarvan.
4.De geografische objecten, bedoeld
in het tweede lid, worden bewerkt overeenkomstig de regels en
procedures als opgenomen in de catalogus basisregistratie
topografie.
5.De meta-kenmerken, bedoeld in het
derde lid, hebben in ieder geval betrekking op de beschrijving van
de oorsprong en de kwaliteit of nauwkeurigheid van de geografische
objecten.
Artikel 98b [Vervallen per
01-09-2005]
Hoofdstuk 7. Verstrekking van
inlichtingen; kadastraal recht
Titel 1. Verstrekking van
inlichtingen
Afdeling 1. Verstrekking van
inlichtingen uit de openbare registers, de registraties, het net van
coördinaatpunten en de bescheiden, bedoeld in artikel 50
Artikel 99
1.Desgevraagd verleent de Dienst
inzage van de openbare registers en geeft hij af of zendt toe voor
eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels van de in die
registers ingeschreven of geboekte stukken, en getuigschriften
omtrent het al dan niet bestaan van inschrijvingen of voorlopige
aantekeningen betreffende een registergoed of een persoon.
2.Indien met betrekking tot een
registergoed in het register van voorlopige aantekeningen, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, voorlopige aantekeningen
zijn gesteld die nog niet zijn doorgehaald, wordt op de
getuigschriften inzake dat registergoed melding gemaakt van die
nog niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen.
Artikel 100
1.Desgevraagd verleent de Dienst
inzage van de basisregistratie kadaster en de bescheiden, bedoeld
in artikel 50, en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte
afschriften of uittreksels daarvan af of zendt die toe.
2.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
gevallen waarin de verstrekking van inlichtingen uit de kadastrale
kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden na een
verzoek daartoe in papieren vorm te velde kan plaatsvinden, en met
betrekking tot de daarbij in acht te nemen regels.
3.Desgevraagd verstrekt de Dienst
inlichtingen over het net van coördinaatpunten.
Artikel 101
1.Desgevraagd verleent de Dienst
inzage van de registratie voor schepen en van andere documenten
betreffende schepen die niet zijn ingeschreven in de openbare
registers en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte afschriften
of uittreksels daarvan af of zendt die toe.
2.De Dienst kan desgevraagd een
verklaring afgeven, inhoudende dat een schip ten aanzien waarvan
bij het desbetreffende verzoek door de betrokkene ten minste
zodanige gegevens worden bekend gesteld dat de identiteit van het
schip voldoende vaststaat, niet te boek staat noch heeft te boek
gestaan.
Artikel 102
1.Desgevraagd verleent de Dienst
inzage van de registratie voor luchtvaartuigen en van andere
documenten betreffende luchtvaartuigen die niet zijn ingeschreven
in de openbare registers en geeft hij voor eensluidend
gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan af of zendt die
toe.
2.De Dienst kan desgevraagd een
verklaring afgeven, inhoudende dat een luchtvaartuig ten aanzien
waarvan bij het desbetreffende verzoek door de betrokkene ten
minste het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk,
bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart worden
bekend gesteld, niet te boek staat noch heeft te boek gestaan.
Artikel 102a
Desgevraagd verstrekt de Dienst
inlichtingen over de geografische gegevens, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel f, en verleent de Dienst inzage van de daaraan
ten grondslag liggende bescheiden.
Artikel 103
1.Desgevraagd geeft de Dienst een
verklaring af dat sedert het tijdstip waarop een getuigschrift,
afschrift of uittreksel als bedoeld in de artikelen 99 tot en met
102 door hem is afgegeven, in de daarin vermelde gegevens geen
wijziging is opgetreden.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op afschriften en uittreksels van de kadastrale kaart.
Artikel 104
1.Onverminderd artikel 100, eerste
lid, verstrekt de Dienst desgevraagd aan gemeenten en andere
publiekrechtelijke lichamen voor hun grondgebied een afschrift van
de basisregistratie kadaster.
2.Door het bestuur van de Dienst
worden in overleg met betrokkenen regels gesteld met betrekking
tot de wijze waarop door de Dienst, al of niet periodiek, grote
hoeveelheden gegevens uit de basisregistratie kadaster aan
gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen worden verstrekt.
3.Op de verstrekking van gegevens,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 108 tot en
met 110 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij
de vaststelling van de hoogte van het verschuldigde kadastraal
recht rekening wordt gehouden met besparingen die voortvloeien uit
het feit dat grote hoeveelheden gegevens tegelijkertijd worden
verstrekt.
Artikel 105
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
voorwaarden waaronder en de wijze waarop een permanente
aansluiting kan worden verkregen op, voorzover in elektronische
vorm gehouden, de openbare registers, de basisregistratie
kadaster, de registratie voor schepen en de registratie voor
luchtvaartuigen.
2.Het bestuur van de Dienst kan aan
gemeenten die beschikken over een permanente aansluiting als
bedoeld in het eerste lid, desgevraagd de bevoegdheid geven
daaruit gegevens aan derden te verschaffen. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
voorwaarden waaronder een bevoegdheid als bedoeld in de eerste zin
wordt verleend en de gevallen waarin de verlening van die
bevoegdheid kan worden ingetrokken.
Artikel 106
1.De bewaarder is belast met de
verstrekking van de inlichtingen, bedoeld in de artikelen 99, 100,
eerste lid, voorzover betreffend de basisregistratie kadaster, en
101, 102 en103.
2.Het bestuur van de Dienst kan
andere personen behorend tot het personeel van de Dienst dan de
bewaarder belasten met de verstrekking van de inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid.
3.Het bestuur van de Dienst wijst
ambtenaren aan die belast zijn met de verstrekking van de
inlichtingen, bedoeld in artikel 100, met uitzondering van
inlichtingen uit de basisregistratie kadaster, en artikel 102a.
Artikel 107
Het bestuur van de Dienst stelt vast:
a. de vorm van de afschriften,
uittreksels, getuigschriften en verklaringen, bedoeld in de
artikelen 99 tot en met 102a, alsmede de gevallen waarin de
Dienst getuigschriften opmaakt;
b. de wijze en plaats van
raadpleging van de openbare registers, de basisregistratie
kadaster en de bescheiden, bedoeld in artikel 50, de registratie
voor schepen en andere documenten betreffende schepen, de
registratie voor luchtvaartuigen en andere documenten
betreffende luchtvaartuigen, de geografische gegevens en de aan
die gegevens ten grondslag liggende bescheiden;
c. de vorm van de verklaring,
bedoeld in artikel 103, en de wijze waarop de afschriften,
uittreksels en getuigschriften, bedoeld in dat artikel, worden
voorzien van die verklaring;
d. de wijze waarop de
waarmerking, bedoeld in de artikelen 99 tot en met 102, van in
papieren vorm te verstrekken afschriften, uittreksels en
getuigschriften als bedoeld in de artikelen 99 tot en met
102plaatsvindt;
e. de wijze waarop in
elektronische vorm te verstrekken getuigschriften, afschriften,
uittreksels en verklaringen als bedoeld in de artikelen 99 tot
en met 102 worden gewaarmerkt, waartoe zij ten minste worden
voorzien van een elektronische handtekening van de bewaarder en
welke waarmerking wat betreft afschriften en uittreksels mede
omvat de waarmerking voor eensluidendheid;
f. de wijze waarop inlichtingen
over het net van coördinaatpunten worden verstrekt, en
g. de wijze waarop inlichtingen
over geografische gegevens als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel f, worden verstrekt en de wijze waarop inzage wordt
verleend van de aan die geografische gegevens ten grondslag
liggende bescheiden.
Afdeling 2. Bepalingen in verband met
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Artikel 107a
1.Artikel 35 van de Wet bescherming
persoonsgegevens is niet van toepassing ingeval de verstrekking
van inlichtingen ingevolge deze titel persoonsgegevens betreft.
2.Een beslissing tot afwijzing van
een verzoek om inlichtingen ingevolge deze titel, geldt als een
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen
56b, eerste lid, en 58, eerste en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 107b
Ter bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van personen die in de basisregistratie kadaster, de
registratie voor schepen en in de registratie voor luchtvaartuigen
vermeld staan, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur voor daarbij aangewezen soort of soorten van
persoonsgegevens beperkingen worden vastgesteld ten aanzien van de
verstrekking van inlichtingen als bedoeld in de artikelen 99 tot en
met 107. Daarbij kunnen tevens regels worden vastgesteld voor de
behandeling van verzoeken tot afscherming van persoonsgegevens.
Artikel 107c
De Dienst kan slechts een verzameling
van persoonsgegevens verstrekken in een zodanige vorm dat daarop
rechtstreeks een geautomatiseerde verwerking mogelijk is ten aanzien
van een op voorhand onbepaalde groep van personen, indien dit
voortvloeit uit een van de doeleinden, genoemd in artikel 2a, de
aanvrager deze gegevens kan verwerken op één van de gronden,
bedoeld in artikel 8, onder c tot en met f, van de Wet bescherming
persoonsgegevens en zulks is toegestaan bij algemene maatregel van
bestuur.
Titel 2. kadastraal recht
Artikel 108
1. Onder de naam van kadastraal
recht zijn betrokkenen aan de Dienst wegens het verrichten door de
Dienst van werkzaamheden ter uitvoering van de taken, bedoeld in
artikel 3, vergoedingen verschuldigd overeenkomstig de bij
regeling van Onze Minister te stellen regels.
2. De tarieven van het kadastraal
recht worden tot geen hoger bedrag vastgesteld dan wordt vereist
tot dekking van de ten laste van de Dienst komende kosten van het
verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
3. Het bestuur van de Dienst stelt
regelen vast omtrent de wijze waarop het kadastraal recht wordt
verrekend met de door de betrokkene betaalde of nog te betalen
andere vergoedingen.
Artikel 109
Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de
verrichtingen ten aanzien waarvan in die gevallen geen kadastraal
recht is verschuldigd.
Artikel 110
Het bestuur van de Dienst is bevoegd
om in bijzondere gevallen vrijstelling, vermindering of teruggaaf
van kadastraal recht te verlenen.
Hoofdstuk 8. Wijziging van de
kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten
anders dan in geval van bijwerking; opnieuw vaststellen van de
grootte van percelen; herstel van kennelijke misslagen begaan bij de
bijwerking en van onregelmatigheden begaan bij het houden van de
openbare registers
Artikel 110a
Op beschikkingen, genomen krachtens
hoofdstuk 8 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 111
1.De Dienst is bevoegd om, anders
dan ingevolge de bepalingen omtrent de bijwerking, bedoeld in
hoofdstuk 4, in door Onze Minister te bepalen gevallen de
kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten
te wijzigen en de grootte van percelen opnieuw vast te stellen.
Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze
waarop wijzigingen, als bedoeld in de eerste zin, in de
basisregistratie kadaster worden weergegeven.
2.Indien de Dienst ambtshalve de
kadastrale aanduiding van een onroerende zaak of van een
appartementsrecht wijzigt, als bedoeld in het eerste lid, is
artikel 58, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Tegen deze
wijziging staat generlei voorziening open.
3.Indien de Dienst ambtshalve de
grootte van een perceel opnieuw vaststelt, als bedoeld in het
eerste lid, en deze afwijkt van de in de basisregistratie kadaster
vermeld staande grootte vóór de herberekening, zijn de artikelen
56b, eerste lid, en58, eerste en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 112 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 113 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 114 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 115 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 116
Het bestuur van de Dienst stelt
regels met betrekking tot de wijze waarop een vergissing, verzuim of
een andere onregelmatigheid begaan door de bewaarder bij de
inschrijving van stukken in de openbare registers, bij het stellen
daarin van aantekeningen, bij de boeking van stukken in het register
van voorlopige aantekeningen, of bij de doorhaling van voorlopige
aantekeningen, wordt hersteld.
Hoofdstuk 9. Overige en
slotbepalingen
Artikel 117
1. De Dienst is jegens betrokkenen
aansprakelijk voor de schade die zij lijden, doordat in strijd met
de wet een inschrijving is geweigerd of geschied.
2. De Dienst is eveneens
aansprakelijk voor alle verdere vergissingen, verzuimen,
vertragingen of andere onregelmatigheden van zijn ambtenaren,
gepleegd bij het houden van de openbare registers of bij het
opmaken of afgeven van afschriften, uittreksels en
getuigschriften.
3. De Dienst is jegens betrokkenen
aansprakelijk voor vergissingen, verzuimen of andere
onregelmatigheden door de Dienst gepleegd bij het bijwerken van de
basisregistratie kadaster en de bescheiden, bedoeld in artikel 50,
alsmede van de registratie voor schepen en de registratie voor
luchtvaartuigen.
4. De Dienst is eveneens
aansprakelijk voor alle vergissingen, verzuimen of andere
onregelmatigheden van de Dienst, begaan bij het in papieren vorm
en in elektronische vorm verstrekken van inlichtingen uit de
basisregistratie kadaster en de bescheiden, bedoeld in artikel 50,
alsmede uit de registratie voor schepen en de registratie voor
luchtvaartuigen.
5. De Dienst is aansprakelijk voor
schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim of een
andere onregelmatigheid door hem begaan bij:
a. het vervaardigen,
verzamelen, houden en bijwerken van geografische gegevens en
het uniform en consistent cartografisch weergeven van die
gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen f en g,
en
b. het in papieren vorm en in
elektronische vorm verstrekken van inlichtingen omtrent
geografische gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdelen g en j.
6. De Dienst is aansprakelijk voor
de schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim of
andere onregelmatigheid van de Dienst, door hem begaan bij de
registratie, bedoeld in artikel 6 van de Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten, en de uitwisseling of
de verstrekking van gegevens, bedoeld in de artikelen 9, 11, 12,
15, 17 en 18 van die wet. De Dienst is niet aansprakelijk voor
schade die voortvloeit uit het door de Dienst verstrekken van
informatie die afkomstig is van derden en inhoudelijk onjuist
blijkt te zijn, of het niet tijdig ontvangen of kunnen verstrekken
van informatie die afkomstig is van derden door handelen of
nalaten van die derden.
7. De Dienst is aansprakelijk voor
de schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim,
vertraging of andere onregelmatigheid van de Dienst, door hem
begaan bij het beheren van de landelijke voorziening, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
beperkingen onroerende zaken, dan wel bij het verlenen van inzage
in de gegevens uit die voorziening. De Dienst is niet
aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het door de Dienst
verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden en
inhoudelijk onjuist blijken te zijn, of het niet tijdig ontvangen
of kunnen verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden
door handelen of nalaten van die derden.
8. De Dienst is aansprakelijk voor
de schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim,
vertraging of andere onregelmatigheid van de Dienst, door hem
begaan bij het houden of beheren van de landelijke voorziening,
bedoeld in artikel 26 van de Wet basisregistraties adressen en
gebouwen, dan wel bij het verlenen van inzage in die voorziening
of het verstrekken van de daarin opgenomen gegevens. De Dienst is
niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het door de
Dienst verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden en
inhoudelijk onjuist blijken te zijn, of uit het niet tijdig
ontvangen of kunnen verstrekken van gegevens die afkomstig zijn
van derden door handelen of nalaten van die derden.
9. Het bestuur van de Dienst kan
regels stellen met betrekking tot de aansprakelijkheid voor de
gevolgen van storingen in de middelen die de Dienst gebruikt bij
elektronische gegevens uitwisseling als bedoeld in deze wet.
Artikel 118
1. Door het bestuur van de Dienst
te nemen beslissingen en te stellen regels als bedoeld in deze
wet, worden geplaatst in de Staatscourant.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de beslissingen, bedoeld in de artikelen 6, 7,
tweede tot en met vierde lid, 8, derde lid, derde zin, 9, derde,
vierde en zesde lid, 9a, 11a, tweede lid, tweede zin, derde lid,
tweede zin, en vierde lid, tweede zin, 11b, achtste lid, 11c,
tweede en derde lid,12, eerste lid, tweede zin, 13, eerste lid,
tweede zin, en tweede lid, derde zin, 14, 17, eerste lid,
onderdeel a, 46, derde lid, tweede zin, 82, 107, onderdelen a en c
tot en met e, 110 en op de regels, bedoeld in de artikelen 8,
tweede lid, eerste en vierde zin, en 17, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 118a
Indien in deze wet geregelde of
daarmee verband houdende onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van deze wet of in het belang van de uitvoering van een
voor Nederland verbindend besluit van de Raad van de Europese Unie
of de Commissie van de Europese Gemeenschappen regeling of nadere
regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van
bestuur.
Artikel 119
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Kadasterwet.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 mei 1989
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de eerste juni 1989
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|