WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. dienstplichtige: hij die ingevolge deze wet geschikt is
verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst;
c. groot verlof: tijd gedurende welke de dienstplichtige zich niet
in werkelijke dienst bevindt of moet bevinden.
2. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, zijn ontheven van
de verplichting tot het vervullen van werkelijke dienst, zijn
uitgesloten van de dienstplicht of te wier aanzien een rechterlijke
uitspraak heeft plaatsgehad, worden hieronder, voor zover het tegendeel
niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of
de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.
3. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van het oproepen van dienstplichtigen voor het vervullen van
werkelijke dienst, wordt daaronder ten aanzien van hen die zich reeds in
werkelijke dienst bevinden, verstaan het houden of blijven in werkelijke
dienst.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Uitgezonderd paragraaf 2 van hoofdstuk 1 is deze wet niet van
toepassing op hen die als militair ambtenaar zijn aangesteld.
Paragraaf 2. Inschrijving
Artikel 3. In te schrijven personen
1. Voor de dienstplicht wordt ingeschreven de mannelijke
Nederlander die op 1 februari van het jaar waarin hij de leeftijd van
17 jaar bereikt als ingezetene in een basisadministratie
persoonsgegevens is ingeschreven of had behoren te zijn ingeschreven.
2. Voor de dienstplicht wordt voorts ingeschreven:
a. de mannelijke Nederlander, die na het in het eerste lid bedoelde
tijdstip en voor 1 januari van het jaar, waarin hij de leeftijd van 35
jaar bereikt als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens
wordt ingeschreven of behoort te worden ingeschreven; en
b. de mannelijke persoon die in het in onderdeel a bedoelde tijdvak
Nederlander of opnieuw Nederlander is geworden, indien hij als
ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven
of had behoren te zijn ingeschreven.
Artikel 4. Gemeente van inschrijving
1. De inschrijving voor de dienstplicht geschiedt door het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de in
artikel 3 bedoelde personen op het tijdstip van de inschrijving, als
ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van die gemeente
zijn ingeschreven of hadden behoren te zijn ingeschreven.
2. Voor zover Onze Minister het nodig oordeelt, geschiedt de
inschrijving op aangifte en vindt deze plaats bij het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het eerste lid.
In dat geval worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gesteld met betrekking tot inschrijving op aangifte. Deze algemene
maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling omtrent de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de inschrijving op aangifte plaatsvindt.
Artikel 5. Bericht van inschrijving
Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk nadat de inschrijving heeft
plaatsgevonden aan iedere voor de dienstplicht ingeschreven persoon een
bericht van inschrijving met vermelding van het registratienummer.
Paragraaf 3. Keuring
Artikel 6. Keuring
1. Voor zover Onze Minister het nodig acht, is iedere
ingeschrevene verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek ter
beoordeling van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het
vervullen van werkelijke dienst in het algemeen en ter verkrijging van
gegevens voor zijn bestemming in de krijgsmacht, in deze wet aangeduid
als keuring.
2. Ten behoeve van de keuring stelt Onze Minister
keuringscommissies in.
3. De ingeschrevene is verplicht bij de aanmelding voor het
ondergaan van de keuring de aan hem toegezonden oproep te tonen en een
document te overleggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht.
4. De keuringsuitslag wordt binnen twee weken na de keuring door
een keuringscommissie vastgesteld. Bij geschiktverklaring vermeldt de
bekendmaking dat de betrokkene als dienstplichtige wordt aangemerkt.
Artikel 7. Herkeuring
1. Een aanvraag om herkeuring dient door betrokkene binnen zes
weken na de bekendmaking van de keuringsuitslag schriftelijk aan de
herkeuringscommissie te worden gedaan. De aanvraag vermeldt mede het
registratienummer en is met redenen omkleed.
2. Ten behoeve van de herkeuring stelt Onze Minister een of meer
herkeuringscommissies in.
3. Aan een herkeuring wordt niet deelgenomen door een
geneeskundige die de keuring heeft verricht.
4. Indien de aanvrager is verhinderd aan de oproep voor de
herkeuring gevolg te geven, doet hij daarvan schriftelijk met opgave van
redenen onverwijld mededeling aan de herkeuringscommissie. Indien de
redenen waarom aan de oproep geen gevolg werd gegeven, naar het oordeel
van de herkeuringscommissie gegrond zijn, wordt een nieuwe datum voor de
herkeuring vastgesteld en wordt de aanvrager daarvoor opnieuw
opgeroepen. Indien de redenen ongegrond worden geoordeeld, vervalt de
aanvraag tot herkeuring.
5. De herkeuringsuitslag wordt binnen twee weken na de herkeuring
door een herkeuringscommissie vastgesteld. Bij geschiktverklaring
vermeldt de bekendmaking dat de betrokkene als dienstplichtige wordt
aangemerkt.
Artikel 8. Beslissing (her)keuringscommissie
1. De beslissing van een keuringscommissie of een
herkeuringscommissie betreft:
a. geschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst;
b. tijdelijke ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke
dienst; of
c. ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst.
2. De beslissing van een herkeuringscommissie treedt in de plaats
van die van een keuringscommissie.
3. Na het verstrijken van de duur van de tijdelijke
ongeschiktheid wordt de betrokkene opnieuw voor een keuring opgeroepen.
Artikel 9. Nadere regels keuring en herkeuring
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot keuring en herkeuring als bedoeld in deze paragraaf. Deze
algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling omtrent:
a. de omvang en de samenstelling van de keurings- en
herkeuringscommissies;
b. de vereisten waaraan de leden van de keurings- en
herkeuringscommissies moeten voldoen;
c. de omvang van de keuring en de herkeuring; en
d. de wijze waarop de geschiktheid of ongeschiktheid voor het
vervullen van werkelijke dienst wordt beoordeeld.
Artikel 10. Afkeuring door bedrog
1. Bestaat er naar het oordeel van Onze Minister gegrond
vermoeden, dat iemand voorgoed ongeschikt is verklaard voor het
vervullen van werkelijke dienst als gevolg van bedrog, dan wordt de
desbetreffende beslissing door hem vervallen verklaard en komen op
betrokkene de verplichtingen te rusten als ware hij geschikt
verklaard.
2. Tegen een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste
lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Paragraaf 4. Uitsluiting
Artikel 11. Redenen van uitsluiting
1. Van de dienst wordt uitgesloten
a. hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een of
meer straffen, zwaarder of tezamen zwaarder dan een gevangenisstraf
van zes maanden; of
b. hij die bij rechterlijke uitspraak is ontzet uit het recht om
bij de gewapende macht te dienen.
2. Onverminderd het eerste lid kan van de dienst worden
uitgesloten hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld ter zake
van een van de misdrijven omschreven in artikel 36, tweede lid, van deze
wet en in de artikelen 109 en 139 van het Wetboek van Militair
Strafrecht.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt hij, die gratie
heeft gekregen, geacht slechts te zijn veroordeeld tot de straf, welke
krachtens de gratie op hem blijft rusten of komt te rusten.
4. De uitsluiting geschiedt door Onze Minister.
5. In bijzondere gevallen kan de uitsluiting, bedoeld in het
eerste lid, achterwege worden gelaten.
6. Onze Minister van Justitie bewerkstelligt dat ten aanzien van
de voor de dienstplicht ingeschreven personen, die in de termen vallen
om te worden uitgesloten als bedoeld in het eerste en tweede lid, de
nodige opgaven worden gedaan aan Onze Minister. Onze Minister verwerkt
strafrechtelijke persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de
toepassing van dit artikel.
7. Tegen een besluit van Onze Minister met betrekking tot
uitsluiting kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Paragraaf 5. Werkelijke dienst
Artikel 12. Uitstel
Op aanvraag kan door Onze Minister uitstel worden verleend van de in
artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van
werkelijke dienst in de gevallen, waarin dit in het belang van de
dienstplichtige of om andere redenen wenselijk is en voor zover het
militair belang niet wordt geschaad. De aanvraag vermeldt mede het
registratienummer en is met redenen omkleed.
Artikel 13. Ontheffing
Op aanvraag wordt door Onze Minister ontheffing verleend van de in
artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van
werkelijke dienst wegens:
a. persoonlijke onmisbaarheid; of
b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden.
De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen
omkleed.
Artikel 14. Vrijstelling
Onze Minister verleent vrijstelling van de in artikel 18, eerste lid,
bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens:
a. kostwinnerschap;
b. het bekleden van een geestelijk ambt of een opleiding tot
zodanig ambt; of
c. broederdienst.
Artikel 15. Beroep op de administratieve rechter
Tegen een besluit van Onze Minister ingevolge artikel 13 kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State. Hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht is niet
van toepassing.
Artikel 16. Nadere voorschriften uitstel, ontheffing en vrijstelling
1. Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
2. Aan uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kunnen
voorschriften worden verbonden.
3. Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan door Onze
Minister worden ingetrokken, wanneer:
a. een of meer redenen waarom het uitstel, de ontheffing of de
vrijstelling is verleend, is of zijn vervallen;
b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of
worden nageleefd; of
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn
geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren
geweest, het uitstel, de ontheffing of de vrijstelling niet of niet in
die vorm zou zijn verleend.
Artikel 17. Nadere regels uitstel, ontheffing en vrijstelling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot uitstel, ontheffing en vrijstelling als
bedoeld in de artikelen 12, 13, en 14. De krachtens de eerste volzin
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 18. Gewone omstandigheden
1. De dienstplichtige is in gewone omstandigheden uitsluitend
verplicht tot het vervullen van werkelijke dienst voor opleiding en
oefening alsmede voor herhalingsoefeningen.
2. Oproeping voor opleiding en oefening respectievelijk
herhalingsoefeningen geschiedt door Onze Minister. De dienstplichtigen
zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
3. Onverminderd de artikelen 12, 13, 14, alsmede het vijfde lid
van dit artikel, gaat de oproeping van jongere dienstplichtigen zoveel
mogelijk vooraf aan de oproeping van oudere dienstplichtigen. Voor
opleiding en oefening worden dienstplichtigen ouder dan 35 jaar niet
opgeroepen. In geval van herhalingsoefeningen vindt geen oproeping van
dienstplichtigen ouder dan 45 jaar plaats.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de duur van de werkelijke dienst, bedoeld in het eerste
lid, die voor groepen van functies verschillend kan worden gesteld. De
duur van de opleiding en oefening bedraagt ten hoogste achttien maanden.
De duur van de herhalingsoefeningen bedraagt al of niet aaneengesloten
ten hoogste drie maanden.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van
dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping als
bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke dienst
behoeven te komen.
Artikel 19. Buitengewone omstandigheden
1. Onverminderd artikel 20 kan Onze Minister in geval van
buitengewone omstandigheden dienstplichtigen oproepen voor het
vervullen van werkelijke dienst, voor zover dat nodig is ter
uitvoering van de militaire taak. De dienstplichtigen zijn verplicht
aan deze oproeping gevolg te geven.
2. Onverminderd het derde lid gaat de oproeping van jongere
dienstplichtigen zoveel mogelijk vooraf aan de oproeping van oudere
dienstplichtigen. Oproeping van dienstplichtigen ouder dan 45 jaar vindt
niet plaats.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van
dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping als
bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke dienst
behoeven te komen.
Artikel 20. Procedure oproeping in buitengewone omstandigheden
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 19, eerste
lid, in werking worden gesteld.
2. Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, is genomen
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van
artikel 19, eerste lid.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, artikel 19, eerste lid, onverwijld buiten werking
gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kan artikel 19, eerste lid, buiten werking worden
gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 21. Verlenging werkelijke dienst
De werkelijke dienst kan voor de dienstplichtige, indien hij voor
groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd
a. gedurende evenveel dagen als hij voor het ondergaan van straf,
door ongeoorloofde afwezigheid of door desertie niet aan de
dagelijkse dienst heeft deelgenomen;
b. zolang dit nodig is voor het ondergaan van straf, voor het
onderzoek omtrent een strafbaar feit waarvan hij wordt verdacht en
waarvoor een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd; of
c. zolang het vertrek met groot verlof gevaar kan opleveren voor
de verspreiding van een bij het onderdeel van de krijgsmacht waar de
werkelijke dienst wordt vervuld heersende of geheerst hebbende
besmettelijke ziekte.
Paragraaf 6. Groot verlof
Artikel 22. Groot verlof
1. Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister.
2. De dienstplichtige met groot verlof is verplicht om aan door
Onze Minister aan te wijzen functionarissen inzage te verlenen van aan
hem uitgereikte militaire bescheiden alsmede om aan Onze Minister
desgevraagd alle in verband met zijn dienstplicht gewenste inlichtingen
te verschaffen.
HOOFDSTUK 2. RECHTSTOESTAND
Paragraaf 1. Rechtspositie
Artikel 23. Rechtspositieregeling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
dienstplichtige in werkelijke dienst en voor zover nodig voor de gewezen
dienstplichtige voorschriften vastgesteld betreffende:
a. opleiding;
b. onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid anders dan
ingevolge hoofdstuk 1;
c. bevordering;
d. terugstelling bij administratieve maatregel;
e. diensttijden;
f. verlof;
g. aanspraken en verplichtingen in verband met de
gezondheidszorg;
h. bescherming bij de arbeid;
i. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
j. rechten en verplichtingen van dienstplichtigen, verband
houdende met het uitoefenen van medezeggenschap;
k. bezoldiging en overige militaire inkomsten;
l. overige rechten en verplichtingen; en
m. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel en verenigingen van
dienstplichtige militairen overleg wordt gepleegd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
dienstplichtigen, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat
overleg dient te worden bereikt.
Artikel 24. Toepassing Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en aanwijzing
voor het volgen van een opleiding.
Artikel 25. Toepassing Ambtenarenwet
Titel II van de Ambtenarenwet vindt op dienstplichtigen in werkelijke
dienst en op gewezen dienstplichtigen overeenkomstige toepassing.
Artikel 26. Diensteindiging
De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zijn niet langer van
toepassing
a. voor zover de dienstplichtige in werkelijke dienst
1°. blijkt voorgoed ongeschikt te zijn;
2°. van de dienst wordt uitgesloten;
3°. door herhaald wangedrag blijkt ongevoelig te zijn voor
bestraffing ingevolge de Wet militair tuchtrecht en deswege niet
in de dienst kan worden gehandhaafd; of
4°. blijkens een verdrag niet tot dienstplicht is verplicht;
b. zodra de dienstplichtige in werkelijke dienst
1°. het Nederlanderschap verliest; of
2°. een tegen hem gewezen rechterlijke uitspraak waarbij de
bijkomende straf van ontzetting uit het recht om bij de gewapende
macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald dat deze
straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd,
in kracht van gewijsde is gegaan.
Paragraaf 2. Uitoefening grondrechten
Artikel 27. Openbaring van gedachten en gevoelens, recht tot
vereniging, tot vergadering en tot betoging
1. De dienstplichtige in werkelijke dienst onthoudt zich van
het openbaren van gedachten of gevoelens dan wel van de uitoefening
van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien
door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn
functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover
deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid
zou zijn verzekerd.
2. Het eerste lid is voor wat betreft het recht van vereniging
niet van toepassing op het lidmaatschap van:
a. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is
ingeschreven overeenkomstig de artikelen G1 of G2 van de Kieswet;
b. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is
ingeschreven overeenkomstig artikel G3 van de Kieswet, en die, indien
na de inschrijving verkiezingen zijn gehouden voor de gemeenteraden,
aan de laatst gehouden verkiezingen heeft deelgenomen; of
c. een vakvereniging.
3. De dienstplichtige is verplicht tot geheimhouding van enig
gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot kennisneming
daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit de aard van de
zaak volgt.
Artikel 28. Godsdienst of levensovertuiging
De dienstplichtige in werkelijke dienst is niet gehouden tot
dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of
levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang
dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 29. Werkzaamheden in vertegenwoordigende functies
1. Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt
buitengewoon verlof verleend voor het bijwonen van vergaderingen en
zittingen van een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of
verkozen, en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende
werkzaamheden ten behoeve van dit college, tenzij de belangen van de
dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het
doorbetalen van bezoldiging.
2. Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt, tenzij de
belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend,
buitengewoon verlof verleend voor aan te wijzen activiteiten van of voor
een vereniging van militairen overeenkomstig regels te stellen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 30. Bevoegdheid tot visitatie
1. De dienstplichtige in werkelijke dienst is verplicht zich
tijdens het verblijf in een gebouw, luchtvaartuig of voertuig alsmede
op een vaartuig of een terrein, dat in gebruik is bij of ten behoeve
van de krijgsmacht of dat de dienstplichtige tot verblijf of gebruik
dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband, te
onderwerpen aan een in het belang van de dienst door het bevoegd gezag
gelast onderzoek aan zijn lichaam of zijn kleding of van zijn daar
aanwezige goederen.
2. Het bevoegd gezag op wiens last het onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, plaats heeft, neemt de nodige maatregelen ten einde daarbij
een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.
Artikel 31. Reisbeperkingen
Het is de dienstplichtige in werkelijke dienst verboden, anders dan
met toestemming of in opdracht van Onze Minister of van een door deze
aan te wijzen functionaris, te reizen naar of te verblijven in:
a. bij koninklijk besluit aangewezen landen, waarin het verblijf
door een dienstplichtige in werkelijke dienst een bijzonder risico
voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat of
zijn bondgenoten kan opleveren; of
b. een land of een landsdeel waar feitelijk een gewapend conflict
bestaat.
Paragraaf 3. Bezwaar, beroep en klachtrecht
Ten aanzien van hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 2 is bepaald zijn
de artikelen 3 tot en met 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
1. De dienstplichtige in werkelijke dienst die zich bezwaard
voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67
van het Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan wel meent
van een zodanige meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te
hebben ondervonden, kan daarover in afwijking van artikel 9:8, eerste
lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken
schriftelijk een met redenen omklede klacht indienen bij de tot
straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld in artikel 49 van de Wet
militair tuchtrecht onder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie
de klacht is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister
aangewezen functionaris.
2. Geen klacht kan worden ingediend over besluiten of handelingen
ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht.
3. Op de behandeling van de klacht zijn de afdelingen 9.1.2 en
9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat in afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht de klacht binnen twaalf weken wordt
afgehandeld indien de klager dan wel de militaire meerdere tegen wie het
klaagschrift is gericht dan wel getuigen zich om redenen van dienst
buiten Nederland bevinden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld ter uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 3. STRAFBEPALINGEN
Artikel 35. Nalatigheid inschrijving en inlichtingen
1. Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete
van de tweede categorie wordt gestraft hij die niet voldoet aan de
ingevolge artikel 4, tweede lid, en artikel 22, tweede lid, op hem
rustende verplichtingen.
2. Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of een
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 36. Nalatigheid keuring en oproeping
1. Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft:
a. hij die niet voldoet aan de ingevolge artikel 6 op hem rustende
verplichtingen;
b. hij die ingevolge deze wet voor de werkelijke dienst is
opgeroepen en niet verschijnt op tijd en plaats bij dat deel van de
krijgsmacht, waarbij hij is ingedeeld, tenzij hem zulks niet valt toe
te rekenen.
2. Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie. Overtreding in buitengewone
omstandigheden van het bepaalde bij het eerste lid wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde
categorie. Artikel 71a van het Wetboek van Militair Strafrecht is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37. Karakter strafbare feiten
1. De in artikelen 35, eerste lid, en 36, eerste lid, strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
2. De in de artikelen 35, tweede lid, en 36, tweede lid,
strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 38. Opsporingsambtenaren
Met de opsporing van de in deze wet strafbare gestelde feiten zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de
militairen van de Koninklijke marechaussee. Zij hebben toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
HOOFDSTUK 4. OPSCHORTING
Artikel 39. Opschorting
1. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kunnen de paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1, met
uitzondering van artikel 19, derde lid, alsmede de hoofdstukken 2 en
3, met uitzondering van de artikelen 27, derde lid, 35, 37 en 38,
worden opgeschort. Bij dat besluit kan de opschorting voor de
verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen
daarvan op verschillende tijdstippen worden gesteld.
2. Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aan
de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd en treedt niet in werking
dan nadat twee weken na de overlegging zijn verstreken. Indien een van
de kamers daartegen overwegende bezwaren te kennen heeft gegeven, wordt
het besluit ingetrokken.
3. De opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van
dienstplichtigen als bedoeld in artikel 64.
Artikel 40. Beëindiging opschorting
1. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kan de opschorting van de paragrafen 3 en 5 van
hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 19, derde lid, alsmede de
hoofdstukken 2 en 3, met uitzondering van de artikelen 27, derde lid,
35, 37 en 38 worden beëindigd. Bij dat besluit kan de beëindiging
van de opschorting voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen,
artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen worden
gesteld.
2. Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het besluit treedt niet in
werking dan nadat twee weken na de overlegging zijn verstreken. Indien
een van de kamers daartegen overwegende bezwaren te kennen heeft
gegeven, wordt het besluit ingetrokken. De tweede en de derde volzin
zijn niet van toepassing indien door de beide kamers te kennen is
gegeven dat het koninklijk besluit op een eerder tijdstip in werking kan
treden.
HOOFDSTUK 5. OVERGANGS-, INVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN
Paragraaf 1. Intrekking regelgeving
Artikel 41. Intrekking regelgeving
1. De Wet van 4 augustus 1947 (Stb. H 293) betreffende
uitzending dienstplichtigen wordt ingetrokken.
2. De Wet rechtstoestand dienstplichtigen wordt ingetrokken.
3. De Dienstplichtwet wordt ingetrokken.
Paragraaf 2. Wijziging regelgeving
Artikel 42. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.]
Artikel 43. Algemene militaire pensioenwet
[Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet.]
Artikel 44. Wet betreffende de positie van Molukkers
[Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers.]
Artikel 45. Militaire Ambtenarenwet 1931
[Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931.]
Artikel 46. Wet gewetensbezwaren militaire dienst
[Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst.]
Artikel 47. Wetboek van Militair Strafrecht
[Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht.]
Artikel 48. Algemene wet bestuursrecht
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 49. Beroepswet
[Wijzigt de Beroepswet.]
Artikel 50. Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek.]
Artikel 51. Aanpassing artikel 20, eerste lid, in verband met
Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
[Wijzigt de Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.]
Artikel 52. Wijziging Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.]
Artikel 53. Wijziging Arbeidstijdenwet
[Wijzigt de Arbeidstijdenwet.]
Artikel 54. Wijziging Wet veiligheidsonderzoeken
[Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken.]
Artikel 55. Wijziging titel 7.10 van het nieuw Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.]
Artikel 56. Aanpassing artikel 60, derde lid, in verband met
wijziging van verschillende wetten inzake de erkenning van de vrijheid
van levensovertuiging als grondrecht
[Wijzigt de Wijzigingswet bepalingen van verschillende wetten ivm
erkenning van vrijheid van levensovertuiging als grondrecht.]
Paragraaf 3. Overgangsrecht
Artikel 57. Omzetting ingeschrevenen
Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet voor de dienstplicht zijn ingeschreven,
worden aangemerkt als ingeschrevenen voor de dienstplicht in de zin van
deze wet.
Artikel 58. Omzetting (on)geschiktverklaarden
1. Zij die op grond van de Dienstplichtwet voorgoed ongeschikt
voor de dienst zijn of worden verklaard, worden aangemerkt als
voorgoed ongeschikt voor de dienst in de zin van deze wet.
2. Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
grond van de Dienstplichtwet tijdelijk ongeschikt voor de dienst zijn
verklaard, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze wet.
3. Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
grond van de Dienstplichtwet geschikt voor de dienst zijn verklaard doch
nog niet zijn ingelijfd, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin
van deze wet. De eerste volzin is niet van toepassing op hen die op
grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet gewetensbezwaren militaire
dienst zijn vrijgesteld van de militaire verplichtingen.
Artikel 59. Omzetting ingelijfden
Zij die voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet op grond
van de Dienstplichtwet zijn ingelijfd als gewoon dienstplichtigen doch
niet meer voor eerste oefening worden opgeroepen, worden aangemerkt als
ingeschrevenen in de zin van deze wet.
Artikel 60. Omzetting vrijgestelden
1. Degene aan wie op grond van:
a. artikel 15, eerste lid, onderdelen a, c of d,
van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze
wet een voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend, wordt
overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als
dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende vrijstelling;
b. artikel 15, eerste lid, onderdelen b of e, van de
Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet een
voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend, wordt
overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als
dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende ontheffing.
2. Degene aan wie op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet op grond van:
a. artikel 15, eerste lid, onderdelen a, c of d,
van de Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt
na afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de
bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot
van een voorgoed verleende vrijstelling;
b. artikel 15, eerste lid, onderdelen b of e, van de
Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt na
afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de bepalingen
van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het genot van een
voorgoed verleende ontheffing.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
ingediende doch nog niet afgedane aanvragen om vrijstelling worden
overeenkomstig de bepalingen van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet verder behandeld en afgedaan, met dien
verstande dat in afwijking van artikel 15, derde lid, eerste volzin, van
de Dienstplichtwet aanvragen om vrijstelling wegens kostwinnerschap,
persoonlijke onmisbaarheid of het bekleden van een geestelijk ambt of
een godsdienstig-menslievend ambt of opleiding tot zodanig ambt voorgoed
worden verleend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op
de door de dienstplichtigen, bedoeld in artikel 62, eerste lid,
ingediende aanvragen om vrijstelling.
4. Dienstplichtigen in het genot van een voorgoed verleende
vrijstelling dan wel in het genot van een voorgoed verleende ontheffing
als bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen door Onze Minister
uitsluitend in buitengewone omstandigheden worden opgeroepen. Deze
verplichting gevolg te geven aan de oproeping blijft op hen rusten tot 1
oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt. Op
degene aan wie op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, van
de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet,
vrijstelling is verleend, zijn de eerste en de tweede volzin slechts van
toepassing, indien bij de oproeping in buitengewone omstandigheden is
gebleken dat betrokkene niet meer verkeert in de omstandigheid waarvoor
hem ingevolge die wet vrijstelling is verleend.
5. Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw worden opgeroepen
voor een keuring.
Artikel 61. Omzetting uitgeslotenen
Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet van de dienst zijn uitgesloten, worden
aangemerkt als uitgesloten van de dienst in de zin van deze wet.
Artikel 62. Dienstplichtigen in werkelijke dienst
1. Voor gewoon dienstplichtigen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet de werkelijke dienst voor eerste
oefening vervullen, blijft de Dienstplichtwet zoals luidend voor het
inwerkingtreden van deze wet van kracht tot 1 januari 1997, met
uitzondering van hoofdstuk II, de artikelen 22 en 22a, voor
zover het bepaalde krachtens het laatstgenoemde artikel mede van
toepassing is op hoofdstuk V, en hoofdstuk XI.
2. Voor dienstplichtigen in werkelijke dienst en voor zover nodig
voor gewezen dienstplichtigen blijft de Wet rechtstoestand
dienstplichtigen zoals luidend voor het inwerkingtreden van deze wet van
kracht tot 1 januari 1997, met uitzondering van artikel 2a, derde
lid.
Artikel 63. Gewezen dienstplichtigen
In afwijking van artikel 62, tweede lid, van deze wet blijft het
bepaalde bij of krachtens artikel 2 en artikel 3 van de Wet
rechtstoestand dienstplichtigen zoals luidend voor inwerkingtreding van
deze wet van kracht na 1 januari 1997 voor zover het bepaalde bij of
krachtens deze artikelen mede van toepassing is verklaard op gewezen
dienstplichtigen.
Artikel 64. Gewoon dienstplichtigen na vervulling eerste oefening
1. Gewoon dienstplichtigen, vrijwilligers op de voet van gewoon
dienstplichtige daaronder begrepen, aan wie na de vervulling van de
werkelijke dienst voor eerste oefening op grond van de Dienstplichtwet
groot verlof is verleend, worden aangemerkt als dienstplichtigen in de
zin van deze wet.
2. De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen zijn
uitsluitend verplicht:
a. in gewone omstandigheden voor herhalingsoefeningen in werkelijke
dienst te komen; en
b. in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst te komen.
3. De verplichting gevolg te geven aan een oproeping blijft op
hen rusten
a. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt
bereikt, voor zover zij als dienstplichtige geen rang hebben bekleed;
of
b. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 40 jaar wordt
bereikt, voor zover zij als dienstplichtige een onderofficiersrang
hebben bekleed.
4. Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw voor een keuring
worden opgeroepen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitvoering van het tweede lid voor zover het betreft het
voor herhalingsoefeningen in werkelijke dienst komen.
6. Onze Minister kan in buitengewone omstandigheden regels
stellen met betrekking tot en voor zover nodig in afwijking van de in
artikel 23 genoemde onderwerpen.
7. De ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. De regeling treedt in werking
terstond na de bekendmaking. De regeling wordt in ieder geval geplaatst
in de Staatscourant. Zo spoedig mogelijk na de plaatsing in de Staatscourant
van deze regeling wordt een voordracht gedaan voor een algemene
maatregel van bestuur tot nadere regeling van de betrokken onderwerpen.
Artikel 65. Buitengewoon dienstplichtigen
1. Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet zijn bestemd tot buitengewoon
dienstplichtigen worden aangemerkt als dienstplichtigen in de zin van
deze wet.
2. De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen kunnen door
Onze Minister uitsluitend in buitengewone omstandigheden in werkelijke
dienst worden opgeroepen, met dien verstande dat zij behoren tot groepen
die in die omstandigheden alleen bij dringende behoefte in werkelijke
dienst behoeven te komen. Deze verplichting gevolg te geven aan de
oproeping blijft op hen rusten tot 1 oktober van het jaar waarin de
leeftijd van 35 jaar wordt bereikt.
3. Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw worden opgeroepen
voor een keuring.
Artikel 66. Schadevergoeding rijksgoederen
In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijft artikel
39 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze
wet na 1 januari 1997 van kracht, voor zover de verschuldigde
schadevergoeding door betrokkenen ter zake van beschadiging, zoekraken
of verloren gaan van rijksgoederen niet voor die datum is voldaan,
onverminderd de overige daaraan verbonden gevolgen.
Artikel 67. Reserve-personeel
Zij die op grond van de Dienstplichtwet tot het reservepersoneel
behoren of komen te behoren, blijven daartoe behoren tot het tijdstip
waarop hun dienstplicht volgens artikel 41 van die wet zoals luidend
voor inwerkingtreding van deze wet zou eindigen, tenzij hun volgens de
geldende wettelijke bepalingen eerder ontslag wordt verleend.
Artikel 68. Strafvervolging
In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijven de
artikelen 26 en 45 tot en met 47 van de Dienstplichtwet zoals luidend
voor inwerkingtreding van deze wet van kracht voor degenen tegen wie
voor 1 januari 1997 op grond van een of meer van deze artikelen een
strafvervolging aanhangig is gemaakt.
Artikel 69. Aanhangige beroepen
Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 41, tweede en derde
lid, genoemde wetten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van
toepassing.
Artikel 70. Omzetting voorschriften Dienstplichtwet
De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende
algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 30, derde
lid, van de Dienstplichtwet berust vanaf dat tijdstip op artikel 19,
derde lid, van deze wet.
Paragraaf 4. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 71. Inwerkingtreding
1. Deze wet treedt, met uitzondering van paragraaf 2 van
hoofdstuk 5, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. Paragraaf 2 van hoofdstuk 5 treedt in werking met ingang van 1
januari 1997, met uitzondering van artikel 46, dat in werking treedt bij
het in het eerste lid genoemde koninklijk besluit.
3. In afwijking van artikel 39, eerste en tweede lid, worden de
paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 19,
derde lid, alsmede de hoofdstukken 2 en 3, met uitzondering van de
artikelen 27, derde lid, 35, 37 en 38, bij inwerkingtreding van deze wet
opgeschort.
4. De in het derde lid bedoelde opschorting is niet van
toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in artikel
64.
5. [Wijzigt de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht
1985 .]
Artikel 72. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet dienstplicht.