Nadere regelgeving:
- Mobilisatie-vrijstellings-besluit
WET van 13 maart 1997, houdende
bepalingen met betrekking tot de militaire dienstplicht alsmede
wijziging van enige wetten en overgangsrecht (Kaderwet dienstplicht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
ingevolge artikel 98, derde lid, eerste volzin, en het additionele
artikel XXX van de Grondwet regels te stellen met betrekking tot de
bevoegdheid tot opschorting van de oproeping van dienstplichtigen in
werkelijke dienst en de oproeping van dienstplichtigen in buitengewone
omstandigheden; dat het voorts gewenst is de afzonderlijke regelingen op
het gebied van de dienstplicht samen te voegen tot een Kaderwet
dienstplicht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Paragraaf 1. Definities en toepassingsgebied
Artikel 1. Begripsbepalingen
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. dienstplichtige: hij die ingevolge deze wet geschikt is
verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst;
c. groot verlof: tijd gedurende welke de dienstplichtige
zich niet in werkelijke dienst bevindt of moet bevinden.
2.Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, zijn
ontheven van de verplichting tot het vervullen van werkelijke
dienst, zijn uitgesloten van de dienstplicht of te wier aanzien
een rechterlijke uitspraak heeft plaatsgehad, worden hieronder,
voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie
het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak
onherroepelijk is geworden.
3.Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gesproken van het oproepen van dienstplichtigen voor het vervullen
van werkelijke dienst, wordt daaronder ten aanzien van hen die
zich reeds in werkelijke dienst bevinden, verstaan het houden of
blijven in werkelijke dienst.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Uitgezonderd paragraaf 2 van hoofdstuk 1 is deze wet niet van
toepassing op hen die als militair ambtenaar zijn aangesteld.
Paragraaf 2. Inschrijving
Artikel 3. In te schrijven personen
1.Voor de dienstplicht wordt ingeschreven de mannelijke
Nederlander die op 1 februari van het jaar waarin hij de leeftijd
van 17 jaar bereikt als ingezetene in een basisadministratie
persoonsgegevens is ingeschreven of had behoren te zijn
ingeschreven.
2.Voor de dienstplicht wordt voorts ingeschreven:
a. de mannelijke Nederlander, die na het in het eerste lid
bedoelde tijdstip en voor 1 januari van het jaar, waarin hij
de leeftijd van 35 jaar bereikt als ingezetene in een
basisadministratie persoonsgegevens wordt ingeschreven of
behoort te worden ingeschreven; en
b. de mannelijke persoon die in het in onderdeel a bedoelde
tijdvak Nederlander of opnieuw Nederlander is geworden, indien
hij als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens
is ingeschreven of had behoren te zijn ingeschreven.
Artikel 4. Gemeente van inschrijving
1.De inschrijving voor de dienstplicht geschiedt door het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de in
artikel 3 bedoelde personen op het tijdstip van de inschrijving,
als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van die
gemeente zijn ingeschreven of hadden behoren te zijn ingeschreven.
2.Voor zover Onze Minister het nodig oordeelt, geschiedt de
inschrijving op aangifte en vindt deze plaats bij het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het eerste
lid. In dat geval worden bij algemene maatregel van bestuur nadere
regels gesteld met betrekking tot inschrijving op aangifte. Deze
algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling
omtrent de wijze waarop en de termijn waarbinnen de inschrijving
op aangifte plaatsvindt.
Artikel 5. Bericht van inschrijving
Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk nadat de inschrijving
heeft plaatsgevonden aan iedere voor de dienstplicht ingeschreven
persoon een bericht van inschrijving met vermelding van het
registratienummer.
Paragraaf 3. Keuring
Artikel 6. Keuring
1.Voor zover Onze Minister het nodig acht, is iedere
ingeschrevene verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek ter
beoordeling van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor
het vervullen van werkelijke dienst in het algemeen en ter
verkrijging van gegevens voor zijn bestemming in de krijgsmacht,
in deze wet aangeduid als keuring.
2.Ten behoeve van de keuring stelt Onze Minister
keuringscommissies in.
3.De ingeschrevene is verplicht bij de aanmelding voor het
ondergaan van de keuring de aan hem toegezonden oproep te tonen en
een document te overleggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
de identificatieplicht.
4.De keuringsuitslag wordt binnen twee weken na de keuring door
een keuringscommissie vastgesteld. Bij geschiktverklaring vermeldt
de bekendmaking dat de betrokkene als dienstplichtige wordt
aangemerkt.
Artikel 7. Herkeuring
1.Een aanvraag om herkeuring dient door betrokkene binnen zes
weken na de bekendmaking van de keuringsuitslag schriftelijk aan
de herkeuringscommissie te worden gedaan. De aanvraag vermeldt
mede het registratienummer en is met redenen omkleed.
2.Ten behoeve van de herkeuring stelt Onze Minister een of meer
herkeuringscommissies in.
3.Aan een herkeuring wordt niet deelgenomen door een
geneeskundige die de keuring heeft verricht.
4.Indien de aanvrager is verhinderd aan de oproep voor de
herkeuring gevolg te geven, doet hij daarvan schriftelijk met
opgave van redenen onverwijld mededeling aan de
herkeuringscommissie. Indien de redenen waarom aan de oproep geen
gevolg werd gegeven, naar het oordeel van de herkeuringscommissie
gegrond zijn, wordt een nieuwe datum voor de herkeuring
vastgesteld en wordt de aanvrager daarvoor opnieuw opgeroepen.
Indien de redenen ongegrond worden geoordeeld, vervalt de aanvraag
tot herkeuring.
5.De herkeuringsuitslag wordt binnen twee weken na de
herkeuring door een herkeuringscommissie vastgesteld. Bij
geschiktverklaring vermeldt de bekendmaking dat de betrokkene als
dienstplichtige wordt aangemerkt.
Artikel 8. Beslissing (her)keuringscommissie
1.De beslissing van een keuringscommissie of een
herkeuringscommissie betreft:
a. geschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst;
b. tijdelijke ongeschiktheid voor het vervullen van
werkelijke dienst; of
c. ongeschiktheid voor het vervullen van werkelijke dienst.
2.De beslissing van een herkeuringscommissie treedt in de
plaats van die van een keuringscommissie.
3.Na het verstrijken van de duur van de tijdelijke
ongeschiktheid wordt de betrokkene opnieuw voor een keuring
opgeroepen.
Artikel 9. Nadere regels keuring en herkeuring
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot keuring en herkeuring als bedoeld in deze
paragraaf. Deze algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een
regeling omtrent:
a. de omvang en de samenstelling van de keurings- en
herkeuringscommissies;
b. de vereisten waaraan de leden van de keurings- en
herkeuringscommissies moeten voldoen;
c. de omvang van de keuring en de herkeuring; en
d. de wijze waarop de geschiktheid of ongeschiktheid voor het
vervullen van werkelijke dienst wordt beoordeeld.
Artikel 10. Afkeuring door bedrog
Bestaat er naar het oordeel van Onze Minister gegrond vermoeden,
dat iemand voorgoed ongeschikt is verklaard voor het vervullen van
werkelijke dienst als gevolg van bedrog, dan wordt de desbetreffende
beslissing door hem vervallen verklaard en komen op betrokkene de
verplichtingen te rusten als ware hij geschikt verklaard.
Paragraaf 4. Uitsluiting
Artikel 11. Redenen van uitsluiting
1. Van de dienst wordt uitgesloten
a. hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot
een of meer straffen, zwaarder of tezamen zwaarder dan een
gevangenisstraf van zes maanden; of
b. hij die bij rechterlijke uitspraak is ontzet uit het
recht om bij de gewapende macht te dienen.
2. Onverminderd het eerste lid kan van de dienst worden
uitgesloten hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld ter
zake van een van de misdrijven omschreven in artikel 36, tweede
lid, van deze wet en in de artikelen 109 en 139 van het Wetboek
van Militair Strafrecht.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt hij, die gratie
heeft gekregen, geacht slechts te zijn veroordeeld tot de straf,
welke krachtens de gratie op hem blijft rusten of komt te rusten.
4. De uitsluiting geschiedt door Onze Minister.
5. In bijzondere gevallen kan de uitsluiting, bedoeld in het
eerste lid, achterwege worden gelaten.
6. Onze Minister van Justitie bewerkstelligt dat ten aanzien
van de voor de dienstplicht ingeschreven personen, die in de
termen vallen om te worden uitgesloten als bedoeld in het eerste
en tweede lid, de nodige opgaven worden gedaan aan Onze Minister.
Onze Minister verwerkt strafrechtelijke persoonsgegevens voor
zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van dit artikel.
Paragraaf 5. Werkelijke dienst
Artikel 12. Uitstel
Op aanvraag kan door Onze Minister uitstel worden verleend van de
in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen
van werkelijke dienst in de gevallen, waarin dit in het belang van
de dienstplichtige of om andere redenen wenselijk is en voor zover
het militair belang niet wordt geschaad. De aanvraag vermeldt mede
het registratienummer en is met redenen omkleed.
Artikel 13. Ontheffing
Op aanvraag wordt door Onze Minister ontheffing verleend van de
in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen
van werkelijke dienst wegens:
a. persoonlijke onmisbaarheid; of
b. de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden.
De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen
omkleed.
Artikel 14. Vrijstelling
Onze Minister verleent vrijstelling van de in artikel 18, eerste
lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst
wegens:
a. kostwinnerschap;
b. het bekleden van een geestelijk ambt of een opleiding tot
zodanig ambt; of
c. broederdienst.
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 16. Nadere voorschriften uitstel, ontheffing en
vrijstelling
1.Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
2.Aan uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kunnen
voorschriften worden verbonden.
3.Uitstel, een ontheffing of een vrijstelling kan door Onze
Minister worden ingetrokken, wanneer:
a. een of meer redenen waarom het uitstel, de ontheffing of
de vrijstelling is verleend, is of zijn vervallen;
b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet
wordt of worden nageleefd; of
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend
zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening
bekend waren geweest, het uitstel, de ontheffing of de
vrijstelling niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
Artikel 17. Nadere regels uitstel, ontheffing en vrijstelling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot uitstel, ontheffing en
vrijstelling als bedoeld in de artikelen 12, 13, en 14. De krachtens
de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt
niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt
onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 18. Gewone omstandigheden
1.De dienstplichtige is in gewone omstandigheden uitsluitend
verplicht tot het vervullen van werkelijke dienst voor opleiding
en oefening alsmede voor herhalingsoefeningen.
2.Oproeping voor opleiding en oefening respectievelijk
herhalingsoefeningen geschiedt door Onze Minister. De
dienstplichtigen zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
3.Onverminderd de artikelen 12, 13, 14, alsmede het vijfde lid
van dit artikel, gaat de oproeping van jongere dienstplichtigen
zoveel mogelijk vooraf aan de oproeping van oudere
dienstplichtigen. Voor opleiding en oefening worden
dienstplichtigen ouder dan 35 jaar niet opgeroepen. In geval van
herhalingsoefeningen vindt geen oproeping van dienstplichtigen
ouder dan 45 jaar plaats.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de duur van de werkelijke dienst, bedoeld in het
eerste lid, die voor groepen van functies verschillend kan worden
gesteld. De duur van de opleiding en oefening bedraagt ten hoogste
achttien maanden. De duur van de herhalingsoefeningen bedraagt al
of niet aaneengesloten ten hoogste drie maanden.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van
dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping
als bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke
dienst behoeven te komen.
Artikel 19. Buitengewone omstandigheden
1. [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit
lid in werking treden.]
Onverminderd artikel 20 kan Onze Minister in geval van
buitengewone omstandigheden dienstplichtigen oproepen voor het
vervullen van werkelijke dienst, voor zover dat nodig is ter
uitvoering van de militaire taak. De dienstplichtigen zijn
verplicht aan deze oproeping gevolg te geven.
2. Onverminderd het derde lid gaat de oproeping van jongere
dienstplichtigen zoveel mogelijk vooraf aan de oproeping van
oudere dienstplichtigen. Oproeping van dienstplichtigen ouder dan
45 jaar vindt niet plaats.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen van
dienstplichtigen worden aangewezen die in geval van een oproeping
als bedoeld in het eerste lid niet of voorlopig niet in werkelijke
dienst behoeven te komen.
Artikel 20. Procedure oproeping in buitengewone omstandigheden
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 19,
eerste lid, in werking worden gesteld.
2.Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, is genomen
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van
artikel 19, eerste lid.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, artikel 19, eerste lid, onverwijld buiten
werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kan artikel 19, eerste lid, buiten werking
worden gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel
toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in
werking terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 21. Verlenging werkelijke dienst
De werkelijke dienst kan voor de dienstplichtige, indien hij voor
groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd
a. gedurende evenveel dagen als hij voor het ondergaan van
straf, door ongeoorloofde afwezigheid of door desertie niet aan
de dagelijkse dienst heeft deelgenomen;
b. zolang dit nodig is voor het ondergaan van straf, voor het
onderzoek omtrent een strafbaar feit waarvan hij wordt verdacht
en waarvoor een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd; of
c. zolang het vertrek met groot verlof gevaar kan opleveren
voor de verspreiding van een bij het onderdeel van de
krijgsmacht waar de werkelijke dienst wordt vervuld heersende of
geheerst hebbende besmettelijke ziekte.
Paragraaf 6. Groot verlof
Artikel 22. Groot verlof
1.Het verlenen van groot verlof geschiedt door Onze Minister.
2.De dienstplichtige met groot verlof is verplicht om aan door
Onze Minister aan te wijzen functionarissen inzage te verlenen van
aan hem uitgereikte militaire bescheiden alsmede om aan Onze
Minister desgevraagd alle in verband met zijn dienstplicht
gewenste inlichtingen te verschaffen.
HOOFDSTUK 2. RECHTSTOESTAND
Paragraaf 1. Rechtspositie
Artikel 23. Rechtspositieregeling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de
dienstplichtige in werkelijke dienst en voor zover nodig voor de
gewezen dienstplichtige voorschriften vastgesteld betreffende:
a. opleiding;
b. onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid anders
dan ingevolge hoofdstuk 1;
c. bevordering;
d. terugstelling bij administratieve maatregel;
e. diensttijden;
f. verlof;
g. aanspraken en verplichtingen in verband met de
gezondheidszorg;
h. bescherming bij de arbeid;
i. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
j. rechten en verplichtingen van dienstplichtigen, verband
houdende met het uitoefenen van medezeggenschap;
k. bezoldiging en overige militaire inkomsten;
l. overige rechten en verplichtingen; en
m. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel en verenigingen van
dienstplichtige militairen overleg wordt gepleegd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
dienstplichtigen, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in
dat overleg dient te worden bereikt.
Artikel 24. Toepassing Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en
aanwijzing voor het volgen van een opleiding.
Artikel 25. Toepassing Ambtenarenwet
Titel II van de Ambtenarenwet vindt op dienstplichtigen in
werkelijke dienst en op gewezen dienstplichtigen overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26. Diensteindiging
De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zijn niet langer
van toepassing
a. voor zover de dienstplichtige in werkelijke dienst
1°. blijkt voorgoed ongeschikt te zijn;
2°. van de dienst wordt uitgesloten;
3°. door herhaald wangedrag blijkt ongevoelig te zijn
voor bestraffing ingevolge de Wet militair tuchtrecht en
deswege niet in de dienst kan worden gehandhaafd; of
4°. blijkens een verdrag niet tot dienstplicht is
verplicht;
b. zodra de dienstplichtige in werkelijke dienst
1°. het Nederlanderschap verliest; of
2°. een tegen hem gewezen rechterlijke uitspraak waarbij
de bijkomende straf van ontzetting uit het recht om bij de
gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is
bepaald dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten
uitvoer zal worden gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.
Paragraaf 2. Uitoefening grondrechten
Artikel 27. Openbaring van gedachten en gevoelens, recht tot
vereniging, tot vergadering en tot betoging
1.De dienstplichtige in werkelijke dienst onthoudt zich van het
openbaren van gedachten of gevoelens dan wel van de uitoefening
van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging,
indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling
van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst,
voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
2.Het eerste lid is voor wat betreft het recht van vereniging
niet van toepassing op het lidmaatschap van:
a. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding
is ingeschreven overeenkomstig de artikelen G1 of G2 van de
Kieswet;
b. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding
is ingeschreven overeenkomstig artikel G3 van de Kieswet, en
die, indien na de inschrijving verkiezingen zijn gehouden voor
de gemeenteraden, aan de laatst gehouden verkiezingen heeft
deelgenomen; of
c. een vakvereniging.
3.De dienstplichtige is verplicht tot geheimhouding van enig
gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot
kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting
uit de aard van de zaak volgt.
Artikel 28. Godsdienst of levensovertuiging
De dienstplichtige in werkelijke dienst is niet gehouden tot
dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of
levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het
dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 29. Werkzaamheden in vertegenwoordigende functies
1.Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt
buitengewoon verlof verleend voor het bijwonen van vergaderingen
en zittingen van een publiekrechtelijk college, waarin hij is
benoemd of verkozen, en voor het verrichten van daaruit
voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dit college, tenzij
de belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt
verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld inzake het doorbetalen van bezoldiging.
2.Aan de dienstplichtige in werkelijke dienst wordt, tenzij de
belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt
verleend, buitengewoon verlof verleend voor aan te wijzen
activiteiten van of voor een vereniging van militairen
overeenkomstig regels te stellen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 30. Bevoegdheid tot visitatie
1.De dienstplichtige in werkelijke dienst is verplicht zich
tijdens het verblijf in een gebouw, luchtvaartuig of voertuig
alsmede op een vaartuig of een terrein, dat in gebruik is bij of
ten behoeve van de krijgsmacht of dat de dienstplichtige tot
verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in
internationaal verband, te onderwerpen aan een in het belang van
de dienst door het bevoegd gezag gelast onderzoek aan zijn lichaam
of zijn kleding of van zijn daar aanwezige goederen.
2.Het bevoegd gezag op wiens last het onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, plaats heeft, neemt de nodige maatregelen ten einde
daarbij een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.
Artikel 31. Reisbeperkingen
Het is de dienstplichtige in werkelijke dienst verboden, anders
dan met toestemming of in opdracht van Onze Minister of van een door
deze aan te wijzen functionaris, te reizen naar of te verblijven in:
a. bij koninklijk besluit aangewezen landen, waarin het
verblijf door een dienstplichtige in werkelijke dienst een
bijzonder risico voor de veiligheid of andere gewichtige
belangen van de Staat of zijn bondgenoten kan opleveren; of
b. een land of een landsdeel waar feitelijk een gewapend
conflict bestaat.
Paragraaf 3. Bezwaar, beroep en klachtrecht
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 33. Rechtsmacht
Ten aanzien van hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 2 is bepaald
zijn de artikelen 3 tot en met 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
1.De dienstplichtige in werkelijke dienst die zich bezwaard
voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel
67 van het Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan
wel meent van een zodanige meerdere een krenkende of onbillijke
behandeling te hebben ondervonden, kan daarover in afwijking van
artikel 9:8, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
bestuursrecht binnen zes weken schriftelijk een met redenen
omklede klacht indienen bij de tot straffen bevoegde militaire
meerdere, bedoeld in artikel 49 van de Wet militair tuchtrecht
onder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie de klacht is
gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister aangewezen
functionaris.
2.Geen klacht kan worden ingediend over besluiten of
handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht.
3.Op de behandeling van de klacht zijn de afdelingen 9.1.2 en
9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in afwijking van artikel 9:11,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de klacht binnen
twaalf weken wordt afgehandeld indien de klager dan wel de
militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan wel
getuigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld ter uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK 3. STRAFBEPALINGEN
Artikel 35. Nalatigheid inschrijving en inlichtingen
1.Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van
de tweede categorie wordt gestraft hij die niet voldoet aan de
ingevolge artikel 4, tweede lid, en artikel 22, tweede lid, op hem
rustende verplichtingen.
2.Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of
een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 36. Nalatigheid keuring en oproeping
1.Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft:
a. hij die niet voldoet aan de ingevolge artikel 6 op hem
rustende verplichtingen;
b. hij die ingevolge deze wet voor de werkelijke dienst is
opgeroepen en niet verschijnt op tijd en plaats bij dat deel
van de krijgsmacht, waarbij hij is ingedeeld, tenzij hem zulks
niet valt toe te rekenen.
2.Opzettelijke overtreding van het bepaalde bij het eerste lid
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie. Overtreding in buitengewone
omstandigheden van het bepaalde bij het eerste lid wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de
vierde categorie. Artikel 71a van het Wetboek van Militair
Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37. Karakter strafbare feiten
1.De in artikelen 35, eerste lid, en 36, eerste lid, strafbaar
gestelde feiten zijn overtredingen.
2.De in de artikelen 35, tweede lid, en 36, tweede lid,
strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 38. Opsporingsambtenaren
Met de opsporing van de in deze wet strafbare gestelde feiten
zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de militairen van de Koninklijke marechaussee. Zij hebben
toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak nodig is.
HOOFDSTUK 4. OPSCHORTING
Artikel 39. Opschorting
1.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kunnen de paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1,
met uitzondering van artikel 19, derde lid, alsmede de
hoofdstukken 2 en 3, met uitzondering van de artikelen 27, derde
lid, 35, 37 en 38, worden opgeschort. Bij dat besluit kan de
opschorting voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen,
artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen
worden gesteld.
2.Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aan
de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd en treedt niet in
werking dan nadat twee weken na de overlegging zijn verstreken.
Indien een van de kamers daartegen overwegende bezwaren te kennen
heeft gegeven, wordt het besluit ingetrokken.
3.De opschorting is niet van toepassing bij de oproeping van
dienstplichtigen als bedoeld in artikel 64.
Artikel 40. Beëindiging opschorting
1.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, kan de opschorting van de paragrafen 3 en 5
van hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 19, derde lid,
alsmede de hoofdstukken 2 en 3, met uitzondering van de artikelen
27, derde lid, 35, 37 en 38 worden beëindigd. Bij dat besluit kan
de beëindiging van de opschorting voor de verschillende
hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan op
verschillende tijdstippen worden gesteld.
2.Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit wordt aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het besluit treedt
niet in werking dan nadat twee weken na de overlegging zijn
verstreken. Indien een van de kamers daartegen overwegende
bezwaren te kennen heeft gegeven, wordt het besluit ingetrokken.
De tweede en de derde volzin zijn niet van toepassing indien door
de beide kamers te kennen is gegeven dat het koninklijk besluit op
een eerder tijdstip in werking kan treden.
HOOFDSTUK 5. OVERGANGS-, INVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN
Paragraaf 1. Intrekking regelgeving
Artikel 41. Intrekking regelgeving
1.De Wet van 4 augustus 1947 (Stb. H 293) betreffende
uitzending dienstplichtigen wordt ingetrokken.
2.De Wet rechtstoestand dienstplichtigen wordt ingetrokken.
3.De Dienstplichtwet wordt ingetrokken.
Paragraaf 2. Wijziging regelgeving
Artikel 42. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
[Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen]
Artikel 43. Algemene militaire pensioenwet
[Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet]
Artikel 44. Wet betreffende de positie van Molukkers
[Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers]
Artikel 45. Militaire Ambtenarenwet 1931
[Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931]
Artikel 46. Wet gewetensbezwaren militaire dienst
[Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst]
Artikel 47. Wetboek van Militair Strafrecht
[Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht]
Artikel 48. Algemene wet bestuursrecht
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel 49. Beroepswet
[Wijzigt de Beroepswet]
Artikel 50. Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek]
Artikel 51. Aanpassing artikel 20, eerste lid, in verband met
Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
[Wijzigt de Invoeringswet Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden]
Artikel 52. Wijziging Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
[Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden]
Artikel 53. Wijziging Arbeidstijdenwet
[Wijzigt de Arbeidstijdenwet]
Artikel 54. Wijziging Wet veiligheidsonderzoeken
[Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken]
Artikel 55. Wijziging titel 7.10 van het nieuw Burgerlijk Wetboek
[Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek]
Artikel 56. Aanpassing artikel 60, derde lid, in verband met
wijziging van verschillende wetten inzake de erkenning van de
vrijheid van levensovertuiging als grondrecht
[Wijzigt de Wijzigingswet bepalingen van verschillende wetten ivm
erkenning van vrijheid van levensovertuiging als grondrecht.]
Paragraaf 3. Overgangsrecht
Artikel 57. Omzetting ingeschrevenen
Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet voor de dienstplicht zijn
ingeschreven, worden aangemerkt als ingeschrevenen voor de
dienstplicht in de zin van deze wet.
Artikel 58. Omzetting (on)geschiktverklaarden
1.Zij die op grond van de Dienstplichtwet voorgoed ongeschikt
voor de dienst zijn of worden verklaard, worden aangemerkt als
voorgoed ongeschikt voor de dienst in de zin van deze wet.
2.Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
grond van de Dienstplichtwet tijdelijk ongeschikt voor de dienst
zijn verklaard, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van
deze wet.
3.Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
grond van de Dienstplichtwet geschikt voor de dienst zijn
verklaard doch nog niet zijn ingelijfd, worden aangemerkt als
ingeschrevenen in de zin van deze wet. De eerste volzin is niet
van toepassing op hen die op grond van artikel 9, eerste lid, van
de Wet gewetensbezwaren militaire dienst zijn vrijgesteld van de
militaire verplichtingen.
Artikel 59. Omzetting ingelijfden
Zij die voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet op
grond van de Dienstplichtwet zijn ingelijfd als gewoon
dienstplichtigen doch niet meer voor eerste oefening worden
opgeroepen, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze
wet.
Artikel 60. Omzetting vrijgestelden
1.Degene aan wie op grond van:
a. artikel 15, eerste lid, onderdelen a, c of d, van de
Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze
wet een voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend,
wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als
dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende
vrijstelling;
b. artikel 15, eerste lid, onderdelen b of e, van de
Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze
wet een voorgoed verleende vrijstelling is of wordt verleend,
wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangemerkt als
dienstplichtige in het genot van een voorgoed verleende
ontheffing.
2.Degene aan wie op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet op grond van:
a. artikel 15, eerste lid, onderdelen a, c of d, van de
Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt
na afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de
bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het
genot van een voorgoed verleende vrijstelling;
b. artikel 15, eerste lid, onderdelen b of e, van de
Dienstplichtwet een tijdelijke vrijstelling is verleend, wordt
na afloop van de duur van deze vrijstelling overeenkomstig de
bepalingen van deze wet aangemerkt als dienstplichtige in het
genot van een voorgoed verleende ontheffing.
3.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
ingediende doch nog niet afgedane aanvragen om vrijstelling worden
overeenkomstig de bepalingen van de Dienstplichtwet zoals luidend
voor inwerkingtreding van deze wet verder behandeld en afgedaan,
met dien verstande dat in afwijking van artikel 15, derde lid,
eerste volzin, van de Dienstplichtwet aanvragen om vrijstelling
wegens kostwinnerschap, persoonlijke onmisbaarheid of het bekleden
van een geestelijk ambt of een godsdienstig-menslievend ambt of
opleiding tot zodanig ambt voorgoed worden verleend. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing op de door de
dienstplichtigen, bedoeld in artikel 62, eerste lid, ingediende
aanvragen om vrijstelling.
4.Dienstplichtigen in het genot van een voorgoed verleende
vrijstelling dan wel in het genot van een voorgoed verleende
ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen door
Onze Minister uitsluitend in buitengewone omstandigheden worden
opgeroepen. Deze verplichting gevolg te geven aan de oproeping
blijft op hen rusten tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd
van 35 jaar wordt bereikt. Op degene aan wie op grond van artikel
15, eerste lid, onder c, van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet, vrijstelling is verleend, zijn de
eerste en de tweede volzin slechts van toepassing, indien bij de
oproeping in buitengewone omstandigheden is gebleken dat
betrokkene niet meer verkeert in de omstandigheid waarvoor hem
ingevolge die wet vrijstelling is verleend.
5.Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw worden opgeroepen
voor een keuring.
Artikel 61. Omzetting uitgeslotenen
Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet van de dienst zijn uitgesloten, worden
aangemerkt als uitgesloten van de dienst in de zin van deze wet.
Artikel 62. Dienstplichtigen in werkelijke dienst
1.Voor gewoon dienstplichtigen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet de werkelijke dienst voor eerste
oefening vervullen, blijft de Dienstplichtwet zoals luidend voor
het inwerkingtreden van deze wet van kracht tot 1 januari 1997,
met uitzondering van hoofdstuk II, de artikelen 22 en 22a, voor
zover het bepaalde krachtens het laatstgenoemde artikel mede van
toepassing is op hoofdstuk V, en hoofdstuk XI.
2.Voor dienstplichtigen in werkelijke dienst en voor zover
nodig voor gewezen dienstplichtigen blijft de Wet rechtstoestand
dienstplichtigen zoals luidend voor het inwerkingtreden van deze
wet van kracht tot 1 januari 1997, met uitzondering van artikel
2a, derde lid.
Artikel 63. Gewezen dienstplichtigen
In afwijking van artikel 62, tweede lid, van deze wet blijft het
bepaalde bij of krachtens artikel 2 en artikel 3 van de Wet
rechtstoestand dienstplichtigen zoals luidend voor inwerkingtreding
van deze wet van kracht na 1 januari 1997 voor zover het bepaalde
bij of krachtens deze artikelen mede van toepassing is verklaard op
gewezen dienstplichtigen.
Artikel 64. Gewoon dienstplichtigen na vervulling eerste oefening
1.Gewoon dienstplichtigen, vrijwilligers op de voet van gewoon
dienstplichtige daaronder begrepen, aan wie na de vervulling van
de werkelijke dienst voor eerste oefening op grond van de
Dienstplichtwet groot verlof is verleend, worden aangemerkt als
dienstplichtigen in de zin van deze wet.
2.De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen zijn
uitsluitend verplicht:
a. in gewone omstandigheden voor herhalingsoefeningen in
werkelijke dienst te komen; en
b. in buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst te
komen.
3.De verplichting gevolg te geven aan een oproeping blijft op
hen rusten
a. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35
jaar wordt bereikt, voor zover zij als dienstplichtige geen
rang hebben bekleed; of
b. tot 1 oktober van het jaar waarin de leeftijd van 40
jaar wordt bereikt, voor zover zij als dienstplichtige een
onderofficiersrang hebben bekleed.
4.Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw voor een keuring
worden opgeroepen.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitvoering van het tweede lid voor zover het betreft
het voor herhalingsoefeningen in werkelijke dienst komen.
6.Onze Minister kan in buitengewone omstandigheden regels
stellen met betrekking tot en voor zover nodig in afwijking van de
in artikel 23 genoemde onderwerpen.
7.De ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. De regeling treedt in
werking terstond na de bekendmaking. De regeling wordt in ieder
geval geplaatst in de Staatscourant. Zo spoedig mogelijk na de
plaatsing in de Staatscourant van deze regeling wordt een
voordracht gedaan voor een algemene maatregel van bestuur tot
nadere regeling van de betrokken onderwerpen.
Artikel 65. Buitengewoon dienstplichtigen
1.Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet zijn bestemd tot buitengewoon
dienstplichtigen worden aangemerkt als dienstplichtigen in de zin
van deze wet.
2.De in het eerste lid bedoelde dienstplichtigen kunnen door
Onze Minister uitsluitend in buitengewone omstandigheden in
werkelijke dienst worden opgeroepen, met dien verstande dat zij
behoren tot groepen die in die omstandigheden alleen bij dringende
behoefte in werkelijke dienst behoeven te komen. Deze verplichting
gevolg te geven aan de oproeping blijft op hen rusten tot 1
oktober van het jaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt.
3.Overeenkomstig artikel 6 kunnen zij opnieuw worden opgeroepen
voor een keuring.
Artikel 66. Schadevergoeding rijksgoederen
In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijft
artikel 39 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor
inwerkingtreding van deze wet na 1 januari 1997 van kracht, voor
zover de verschuldigde schadevergoeding door betrokkenen ter zake
van beschadiging, zoekraken of verloren gaan van rijksgoederen niet
voor die datum is voldaan, onverminderd de overige daaraan verbonden
gevolgen.
Artikel 67. Reserve-personeel
Zij die op grond van de Dienstplichtwet tot het reservepersoneel
behoren of komen te behoren, blijven daartoe behoren tot het
tijdstip waarop hun dienstplicht volgens artikel 41 van die wet
zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet zou eindigen,
tenzij hun volgens de geldende wettelijke bepalingen eerder ontslag
wordt verleend.
Artikel 68. Strafvervolging
In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijven de
artikelen 26 en 45 tot en met 47 van de Dienstplichtwet zoals
luidend voor inwerkingtreding van deze wet van kracht voor degenen
tegen wie voor 1 januari 1997 op grond van een of meer van deze
artikelen een strafvervolging aanhangig is gemaakt.
Artikel 69. Aanhangige beroepen
Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 41, tweede en
derde lid, genoemde wetten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven
de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende
voorschriften van toepassing.
Artikel 70. Omzetting voorschriften Dienstplichtwet
De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende
algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 30,
derde lid, van de Dienstplichtwet berust vanaf dat tijdstip op
artikel 19, derde lid, van deze wet.
Paragraaf 4. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 71. Inwerkingtreding
1. Deze wet treedt, met uitzondering van paragraaf 2 van
hoofdstuk 5, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. Paragraaf 2 van hoofdstuk 5 treedt in werking met ingang van
1 januari 1997, met uitzondering van artikel 46, dat in werking
treedt bij het in het eerste lid genoemde koninklijk besluit.
3. In afwijking van artikel 39, eerste en tweede lid, worden de
paragrafen 3 en 5 van hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel
19, derde lid, alsmede de hoofdstukken 2 en 3, met uitzondering
van de artikelen 27, derde lid, 35, 37 en 38, bij inwerkingtreding
van deze wet opgeschort.
4. De in het derde lid bedoelde opschorting is niet van
toepassing bij de oproeping van dienstplichtigen als bedoeld in
artikel 64.
5. [Wijzigt de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht
1985]
Artikel 72. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet dienstplicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 maart 1997
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
Uitgegeven de derde april 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|