Nadere regelgeving:
- Besluit diervoeders
- Regeling diervoeders
(vervallen)
- Regeling
diervoeders 2010
WET van 22 oktober 2003, houdende bepalingen aangaande onder meer de
bereiding en het in het verkeer brengen van diervoeders (Kaderwet
diervoeders)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in
verband met de gezondheid van mens en dier alsmede het milieu en met het
oog op de afzet en de eerlijkheid in de handel regelen te stellen
aangaande diervoeders, toevoegingsmiddelen en de voor diervoeders te
gebruiken grondstoffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij;
b. diervoeders: producten van plantaardige of dierlijke
oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, afgeleide
producten van de industriële verwerking van deze producten,
alsmede organische of anorganische stoffen, al dan niet gemengd,
met of zonder toevoegingsmiddelen en bestemd voor dierlijke
voeding langs orale weg;
c. voedermiddelen: diervoeders die bestemd zijn om te worden
gebruikt voor vervoedering, hetzij als zodanig, hetzij na be- of
verwerking, voor de bereiding van mengvoeders voor dieren of als
dragers in voormengsels;
d. mengvoeders: mengsels van voedermiddelen;
e. toevoegingsmiddelen: stoffen of preparaten die in
diervoeding worden gebruikt:
1°. teneinde:
– de eigenschappen van diervoeders of van de
dierlijke producten gunstig te beïnvloeden;
– te voldoen aan de voedingsbehoeften van dieren, of
de dierlijke productie te verbeteren, met name door in te
werken op de maag- en darmflora of op de verteerbaarheid
van de diervoeders;
– aan de voeding elementen toe te voegen die het
makkelijker maken om bijzondere voedingsdoelen te bereiken
of tegemoet te komen aan specifieke tijdelijke behoeften
inzake voeding bij dieren, of
– door dierlijke uitwerpselen veroorzaakte hinder te
voorkomen of te beperken, of de leefomgeving van de dieren
te verbeteren, en
2°. niet zijnde:
– diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
– een technisch hulpmiddel dat als stof in de
verwerking van voedermiddelen of van diervoeders wordt
gebruikt om tijdens de behandeling of verwerking aan een
bepaalde technologische doelstelling te beantwoorden en
die kan leiden tot de onbedoelde maar technisch
onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van deze stof of
derivaten ervan in het eindproduct op de voorwaarde dat
deze residuen geen gevaar voor de gezondheid opleveren en
geen technologische effecten op het eindproduct hebben, en
– stoffen die van nature aanwezig zijn in
voedermiddelen in hun normale samenstelling en die
overeenstemmen met een op grond van artikel 5 toegelaten
stof, voorzover het geen producten betreft die speciaal
verrijkt zijn met stoffen die met toevoegingsmiddelen
overeenstemmen;
f. voormengsels: mengsels van toevoegingsmiddelen onderling of
mengsels van een of meer toevoegingsmiddelen met stoffen die
dragers vormen, die bestemd zijn voor de bereiding van
diervoeders;
g. vervangende voederproteïnen: voor vervoedering bestemde
producten die – als zodanig of verwerkt in diervoeders –
volgens bepaalde technische procédés worden vervaardigd met het
oog op hun directe of indirecte eiwitvoorziening;
h. dieren: dieren behorend tot de soorten die gewoonlijk door
de mens worden gevoederd en gehouden of gegeten, dan wel waarvan
producten worden geconsumeerd of een andere bestemming hebben,
alsmede in de vrije natuur levende dieren voorzover hun voeding
uit diervoeders bestaat;
i. huisdieren: dieren behorend tot de soorten die in de regel
door de mens worden gehouden en gevoederd, maar waarvan de
producten niet worden geconsumeerd;
j. bijzonder voedingsdoel: eigenschap van een mengvoeder om te
kunnen voldoen aan een specifieke voedingsbehoefte van een dier
waarvan het spijsverterings- of het absorptiemechanisme dan wel
het metabolisme dreigt te worden verstoord, of tijdelijk of
onherstelbaar is verstoord;
k. diervoeders met een bijzonder voedingsdoel: mengvoeders ten
aanzien waarvan op enigerlei wijze wordt vermeld dat zij over een
bijzonder voedingsdoel beschikken, en die zich gegeven hun
bijzondere samenstelling of het bij de bereiding toegepaste
bijzondere procédé duidelijk onderscheiden van:
1°. andere diervoeders;
2°. gemedicineerde voeders als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
l. communautaire maatregel: verordening, richtlijn of
beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ter zake van
diervoeders en daaraan verbonden onderwerpen;
m. ongewenste stoffen: stoffen en producten, met uitzondering
van ziekteverwekkers, die in of op een diervoeder, een
toevoegingsmiddel of een voormengsel aanwezig zijn en die een
potentieel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier of
voor het milieu, of die de productie ongunstig kunnen
beïnvloeden.
2.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder in het verkeer brengen begrepen het in het
bezit hebben van een voor diervoeding bestemd product met het oog op
de verkoop, met inbegrip van het aanbieden, of enige andere vorm van
al dan niet gratis overdracht aan derden, alsmede de verkoop en de
andere vormen van overdracht zelf.
3.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de
vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voorzover
daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de
artikelen van deze wet waarop de communautaire maatregel betrekking
heeft. Een communautaire maatregel of wijziging daarvan treedt voor de
toepassing van deze wet in werking met ingang van de dag waarop
daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze Minister
hiervoor een ander tijdstip heeft vastgesteld.
Hoofdstuk II. Hoedanigheid diervoeders
Artikel 2
1.Het is verboden diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels
te bereiden, te be- of verwerken, te verpakken, te etiketteren,
voorhanden of in voorraad te hebben, te vervoeren of in het verkeer te
brengen:
a. die niet gezond, zuiver, deugdelijk of van de gebruikelijke
handelskwaliteit zijn;
b. die bij een correct gebruik een gevaar opleveren voor de
gezondheid van mens of dier, of voor het milieu, of de dierlijke
productie ongunstig beïnvloeden, of
c. op een wijze die misleidend kan zijn.
2.Diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels zijn in elk
geval niet gezond, zuiver, deugdelijk of van gebruikelijke
handelskwaliteit indien:
a. zij niet voldoen aan het bij of krachtens deze wet of bij
een communautaire maatregel bepaalde in het belang van
1°. de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu;
2°. de afzet of de eerlijkheid in de handel, voorzover
hetgeen bij of krachtens wet is bepaald voortvloeit uit een
communautaire maatregel of enig andere internationale
verplichting.
b. het gehalte aan ongewenste stoffen of producten een door
Onze Minister vastgesteld gehalte overschrijdt.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder be- of verwerking
tevens menging met andere diervoeders, toevoegingsmiddelen of
voormengsels begrepen.
4.Onze Minister kan dit artikel van overeenkomstige toepassing
verklaren op de door hem aangewezen producten die zijn bedoeld voor of
worden gebruikt in de diervoeding en waarvan het gehalte aan
ongewenste stoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, een
door hem vastgesteld gehalte overschrijdt.
Artikel 3
Het is verboden de door Onze Minister aangewezen voedermiddelen te
vervoederen, in mengvoeders te be- of verwerken of als diervoeder in het
verkeer te brengen.
Artikel 4
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake
van diervoeders regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de bereiding, de be- of verwerking, het verpakken, het
bewaren, het vervoeren, het vervoederen en het in het verkeer
brengen;
b. de hoedanigheid;
c. de verpakking;
d. de aanduidingen op of bij verpakkingen dan wel op de een
zending of partij begeleidende documenten.
2.Diervoeders met een bijzonder voedingsdoel zijn door hun aard of
samenstelling geschikt voor het bijzonder voedingsdoel waarvoor zij
bestemd zijn.
3.Het is verboden diervoeders met andere dan bij communautaire
maatregel aangewezen bijzondere voedingsdoelen voorhanden of in
voorraad te hebben of in het verkeer te brengen.
Hoofdstuk III. Toevoegingsmiddelen en voederproteïnen
Artikel 5
1.Het is verboden:
a. een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat
niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten,
voorhanden of in voorraad te hebben, in het verkeer te brengen, te
vervoeren of in voormengsels of diervoeders te verwerken;
b. voormengsels of diervoeders met een niet ingevolge een
communautaire maatregel toegelaten toevoegingsmiddel of vervangend
voederproteïne voorhanden of in voorraad te hebben, in het
verkeer te brengen, te vervoeren of te vervoederen.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet met betrekking tot
toevoegingsmiddelen en vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen,
mits is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde regelen.
Artikel 6
1.Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld omtrent het
indienen van een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van
een toelating als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en de
wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald
welke gegevens en bescheiden worden overgelegd, alsmede dat monsters
ter beschikking worden gesteld.
2.Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in
welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gegevens
achterwege kan blijven.
3.Een aanvraag kan slechts worden gedaan door een binnen de
Europese Gemeenschappen permanent gevestigde natuurlijke of
rechtspersoon die er verantwoordelijk voor is dat het middel in het
verkeer wordt gebracht.
4.Wijzigingen in de aan de aanvraag ten grondslag liggende gegevens
of bescheiden, wijzigingen die op grond van de technische en
wetenschappelijke ontwikkelingen in de gegevens dienen te worden
aangebracht alsmede onvoorziene en ongewenste werking tussen
toevoegingsmiddelen onderling en tussen toevoegingsmiddelen en
diergeneesmiddelen worden volgens bij ministeriële regeling te
stellen regelen aan Onze Minister en door hem aangewezen instanties
gemeld.
5.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op wijziging of
verlenging van de toelating.
Artikel 7
1.Het is verboden te handelen in strijd met de bij een toelating
gegeven voorschriften.
2.Het is bij de vervoedering van diervoeders, waarin
toevoegingsmiddelen of vervangende voederproteïnen zijn verwerkt,
verboden te handelen in strijd met de bij die diervoeders vermelde
voorschriften.
3.Het is verboden de door Onze Minister aangewezen
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of voormengsels, dan
wel diervoeders waarin deze zijn verwerkt, met betrekking waartoe niet
aan artikel 10 is voldaan, in ontvangst te nemen, in voorraad of
voorhanden te hebben, te vervoeren, verder in het verkeer te brengen
of te vervoederen.
Artikel 8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot:
a. de menging van toevoegingsmiddelen en vervangende
voederproteïnen, zowel onderling als met andere stoffen;
b. de bereiding, be- of verwerking, het verpakken, bewaren,
vervoeren of in het verkeer brengen van toevoegingsmiddelen,
vervangende voederproteïnen en voormengsels;
c. het gehalte aan toevoegingsmiddelen of vervangende
voederproteïnen in aanvullende diervoeders en het in het verkeer
brengen van die diervoeders;
d. de verwerking van toevoegingsmiddelen en vervangende
voederproteïnen in diervoeders;
e. de verpakking van toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen en voormengsels;
f. de aanduidingen op of bij verpakkingen van toevoegingsmiddelen,
vervangende voederproteïnen, en van voormengsels en diervoeders met
die toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of
voormengsels;
g. de aflevering van toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, en van voormengsels en diervoeders met die
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of voormengsels;
h. de vervoedering van toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, en van voormengsels en diervoeders met die
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of voormengsels.
Artikel 9
Onze Minister kan het voorhanden of in voorraad hebben, het in het
verkeer brengen, het vervoeren of het vervoederen van toegelaten
toevoegingsmiddelen en van vervangende voederproteïnen, alsmede van
voormengsels en diervoeders met die toevoegingsmiddelen of vervangende
voederproteïnen verbieden, dan wel de bij een toelating gegeven
voorschriften wijzigen, indien hij van mening is dat het
toevoegingsmiddel of vervangend voederproteïne een gevaar voor de
gezondheid van mens of dier of voor het milieu oplevert.
Hoofdstuk IV. Erkenning en registratie van bedrijven en
tussenpersonen
Artikel 10
1.Het is verboden zonder daartoe strekkende erkenning of
registratie door Onze Minister de door hem aangewezen
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels, en
diervoeders te bereiden, te be- of verwerken, in voorraad of
voorhanden te hebben of in het verkeer te brengen.
2.Een erkenning of registratie is slechts geldig voor een daarbij
genoemde periode voor de daarbij genoemde handelingen met betrekking
tot de daarbij genoemde toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels en diervoeders, en voorzover deze
handelingen in lokaliteiten plaatsvinden, voor de daarbij genoemde
lokaliteiten.
3.Aan een erkenning of registratie kunnen voorwaarden of
voorschriften worden verbonden. Een erkenning of registratie kan onder
beperkingen worden verleend, onderscheidenlijk plaatsvinden.
Artikel 11
1.Een erkenning of registratie als bedoeld in artikel 10 wordt op
verzoek verleend, onderscheidenlijk vindt op verzoek plaats indien is
voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gestelde eisen.
2.De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen onder meer betrekking
hebben op:
a. de lokaliteiten waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, de
inrichting en het gebruik van die lokaliteiten en de technische
uitrusting van het bedrijf;
b. de deskundigheid van de bij de bedrijfsuitoefening betrokken
personen;
c. het productieproces en de opslag;
d. documentatie met betrekking tot het productieproces, de
opslag of de aflevering;
e. voorzieningen ten behoeve van de controle op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld omtrent het
indienen van een aanvraag tot erkenning of registratie dan wel tot
verlenging of wijziging daarvan alsmede omtrent de wijze van
behandeling. Daarbij kan onder meer worden bepaald:
a. dat alvorens een erkenning of registratie wordt verleend,
onderscheidenlijk plaatsvindt, dan wel wordt verlengd of gewijzigd
een onderzoek ter plaatse noodzakelijk is;
b. welke gegevens en bescheiden worden overgelegd alvorens een
aanvraag in behandeling wordt genomen;
c. binnen welke termijn na wijziging van de in onderdeel b
bedoelde gegevens wijziging van de erkenning of registratie wordt
aangevraagd, alsmede
d. in welke gevallen voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de
verlenging of wijziging een aanvraag daartoe wordt ingediend.
Artikel 13
1.Naar het voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 11, kan een
onderzoek ter plaatse worden uitgevoerd.
2.Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt generiek
uitgevoerd bij een ieder die ingevolge artikel 10 erkend of
geregistreerd dient te zijn.
Artikel 14
Een erkenning of registratie als bedoeld in artikel 10 kan worden
geschorst, ingetrokken of onderscheidenlijk doorgehaald, indien:
a. de handelingen waarvoor de erkenning is verleend of
registratie heeft plaatsgevonden, niet meer worden verricht, of
b. niet meer aan de in artikel 11 bedoelde eisen wordt voldaan,
nadat de houder van de erkenning of de registratie een redelijke
termijn tot aanpassing is gegeven indien de belangen van de
gezondheid van mens of dier of van het milieu zich niet tegen die
termijn verzetten.
Artikel 15
1.Van een besluit betreffende een erkenning of registratie wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
2.Onze Minister draagt zorg dat van erkenningen en registraties
volgens door hem te stellen regelen aantekening wordt gehouden in een
register.
Hoofdstuk V. Brengen in en buiten nederland
Artikel 16
1.Het brengen in of buiten Nederland van toevoegingsmiddelen,
vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders is verboden.
2.Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet indien de
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of
diervoeders voldoen aan de met het oog op het in of buiten Nederland
brengen door Onze Minister gestelde eisen.
3.De in het tweede lid bedoelde eisen kunnen betrekking hebben op:
a. de gezondheid, deugdelijkheid, aanduiding en herkomst van de
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of
diervoeders;
b. bewijsstukken die de toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders vergezellen;
c. de controles waaraan de toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders worden onderworpen;
d. andere onderwerpen, voorzover voortvloeiende uit:
– een communautaire maatregel, of
– een nationale maatregel ter afwending van een gevaar
voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
4.Ter uitvoering van het tweede lid kan Onze Minister voorts
regelen stellen met betrekking tot:
a. de plaatsen waar, alsmede de tijdsruimte waarbinnen de
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of
diervoeders ter controle worden aangeboden;
b. de wijze waarop de toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders ter controle worden
aangeboden, en
c. de wijze waarop het in het derde lid bedoelde bewijsstuk kan
worden verkregen.
5.Bij de regeling kan Onze Minister voorts bepalen dat de in
Nederland te brengen toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders voor rekening van de
verzender of diens gemachtigde dan wel de importeur ter beschikking
van de controlerende instantie blijven tot de voorgeschreven controles
zijn afgerond en de uitslagen daarvan bekend zijn.
6.Onze Minister kan dit artikel van overeenkomstige toepassing
verklaren op de ingevolge artikel 2, vierde lid, aangewezen producten.
Hoofdstuk VI. Toezicht en controles
Artikel 17
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 18
De in artikel 17, eerste lid, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 19
1.In het in artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde geval vindt de monstername in tweevoud plaats
en verpakken en verzegelen de in artikel 17 bedoelde ambtenaren de
monsters ter plaatse.
2.In het in artikel 5:18, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde geval laten de in artikel 17 bedoelde
ambtenaren tevens een derde monster verpakt en verzegeld in het bezit
van de belanghebbende.
Artikel 20
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat degenen
die toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders, behorende tot een daartoe bij de maatregel aangewezen
categorie, bereiden, be- of verwerken, verpakken, etiketteren,
voorhanden of in voorraad houden, opslaan, vervoeren of in het verkeer
brengen verplicht zijn de daarbij omschreven maatregelen te treffen,
strekkende ter bevordering van een goede naleving van het met
betrekking tot die producten bij of krachtens deze wet bepaalde. Tot
deze maatregelen kunnen behoren het onderwerpen van die producten aan
controles, het toetsen van die producten aan de hand van een controle
van uit die producten genomen steekproeven, al dan niet met toepassing
van een erkend bedrijfscontrolesysteem, het voeren van een
administratie en het aanbrengen of het aangebracht houden van
kentekens of vermeldingen ten behoeve van een doelmatig toezicht dan
wel een doelmatige douanecontrole op bedoelde naleving, een en ander
overeenkomstig de voorschriften, bij of krachtens die algemene
maatregel van bestuur daaromtrent gesteld.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
degene voor wie een krachtens het eerste lid gestelde verplichting
geldt, verboden is producten als bedoeld in het eerste lid in het
verkeer te brengen ten aanzien waarvan de vereiste maatregelen niet
zijn genomen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat
het degene voor wie krachtens het eerste lid de verplichting geldt tot
het toetsen van producten aan de hand van een steekproef, is verboden
producten met betrekking waartoe bij zodanige toetsing een ongunstig
resultaat wordt verkregen, in het verkeer te brengen, dan wel in het
verkeer te brengen alvorens met betrekking tot die producten de
maatregelen zijn genomen die bij of krachtens die algemene maatregel
van bestuur zijn voorgeschreven.
4.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur waarbij met
toepassing van het eerste lid de verplichting is opgelegd tot het
toetsen van producten met een erkend bedrijfscontrolesysteem, worden
regelen gesteld omtrent de voorwaarden voor erkenning van een zodanig
systeem, de aanvraag tot erkenning, de duur van de erkenning, de wijze
van mededeling van een besluit inzake erkenning en omtrent de
wijziging, verlenging, weigering, schorsing of intrekking van een
erkenning.
Artikel 21
1.Onze Minister kan bepalen dat bij het toezicht dan wel de
douanecontrole op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
wet rekening wordt gehouden met:
a. de deelname aan een door Onze Minister erkend samenhangend
stelsel van voorzorgsmaatregelen en daarop gerichte keuringen met
betrekking tot de gezondheid en deugdelijkheid van
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of
diervoeders, dat is gericht op de verschillende bij de bereiding
en het in het verkeer brengen betrokken ondernemingen, of
b. de toepassing van een door Onze Minister erkend
bedrijfscontrolesysteem.
2.Indien aan het eerste lid, onderdeel a of b, toepassing wordt
gegeven, stelt Onze Minister regelen omtrent de voorwaarden voor
erkenning van een zodanig stelsel, onderscheidenlijk systeem, de
aanvraag tot erkenning, de duur van de erkenning, de wijze van
mededeling van een besluit inzake erkenning en omtrent de wijziging,
verlenging, weigering, schorsing of intrekking van een erkenning.
Hoofdstuk VII. Monsters en analysemethoden
Artikel 22
1.Onze Minister kan bepalen dat van voormengsels,
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen en diervoeders door
bereiders, be- of verwerkers, verpakkers, vervoerders, handelaren of
vervoederaars monsters worden genomen.
2.Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
deze monsters.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld omtrent
de wijze en omvang van de monsterneming alsmede de periode gedurende
welke de monsters worden bewaard en de wijze waarop.
4.Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens
het eerste en derde lid.
Artikel 23
Onze Minister kan instellingen aanwijzen voor het onderzoek van de
door met toezicht en controles belaste ambtenaren of personen genomen
monsters of van de in artikel 22 bedoelde monsters.
Artikel 24
Analyses geschieden overeenkomstig de bij communautaire maatregel
vastgestelde methoden, of, voorzover deze methoden niet zijn
vastgesteld, overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde of
goedgekeurde methoden.
Hoofdstuk VIII. Retributies
Artikel 25
1.Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig
een door hem vastgesteld tarief ter zake van:
a. de behandeling van een aanvraag tot een bij of krachtens
deze wet voorgeschreven toelating, aanwijzing, erkenning,
registratie of vergunning dan wel een aanvraag tot verlenging of
wijziging daarvan;
b. de instandhouding van de bij of krachtens deze wet verleende
toelating, aanwijzing, erkenning, registratie of vergunning;
c. een onderzoek als bedoeld in artikel 13;
d. een krachtens artikel 16 voorgeschreven controle;
e. de afgifte van een krachtens artikel 16 voorgeschreven
bewijsstuk;
f. de behandeling van een aanvraag als bedoeld in artikel 36,
tweede lid;
g. andere onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of
diervoeders voorzover de onderzoeken of verrichtingen zijn
voorgeschreven bij een communautaire maatregel dan wel op verzoek
van betrokkenen plaatsvinden.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een
vergoeding van kosten worden geheven overeenkomstig een vastgesteld
tarief ter zake van bij die maatregel benoemde onderzoeken of
verrichtingen met betrekking tot toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders voorzover de onderzoeken
of verrichtingen zijn voorgeschreven bij of krachtens deze wet.
3.Een tarief als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt zodanig
vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde
kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden
waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij
een communautaire maatregel vastgestelde verplichtingen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de betaling van de vergoeding.
5.Het tarief als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt niet
eerder vastgesteld dan vier weken nadat een voorstel daartoe aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk IX. Maatregelen
Artikel 26
1.Met betrekking tot binnen het grondgebied van Nederland aanwezige
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders die niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze
wet, dan wel waarvan wordt vermoed dat zij daaraan niet voldoen of de
gezondheid van mens of dier of het milieu in gevaar kunnen brengen,
kan Onze Minister maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder
meer inhouden:
a. een verbod op het vervoeren, be- of verwerken en in het
verkeer brengen;
b. een verbod op het vervoederen aan dieren;
c. de verplichting tot tijdelijke opslag;
d. de verplichting tot vernietiging of uit de handel nemen;
e. de verplichting tot ontsmetting, dan wel een andere passende
behandeling;
f. de verplichting tot terugzending naar het land van
oorsprong;
g. de verplichting om houders, dan wel vermoedelijke houders
van de producten onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte
te stellen, en
h. de verplichting om in het verkeer gebrachte producten op te
halen en centraal op te slaan;
i. de verplichting tot het identificeren en registreren van
producten.
2.De in het eerste lid bedoelde maatregelen houden geen risico's in
voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
3.De kosten van de in het eerste lid bedoelde maatregelen komen ten
laste van degene die verantwoordelijk is voor het in het verkeer
brengen van de producten, de eigenaar of de houder van de producten.
4.De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen onder
voorwaarden en beperkingen worden opgelegd. Aan de maatregelen kunnen
voorschriften worden verbonden.
5.De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen voor een of meer
afzonderlijke zendingen of partijen, dan wel ten algemene worden
voorgeschreven.
6.Een ieder die partijen toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels en diervoeders onder zich heeft of
heeft gehad met betrekking waartoe maatregelen als bedoeld in het
eerste lid zijn getroffen of voorgeschreven, verstrekt op het eerste
verzoek van Onze Minister inlichtingen omtrent herkomst en
verhandeling van deze partijen.
7.Onze Minister kan dit artikel van overeenkomstige toepassing
verklaren op de ingevolge artikel 2, vierde lid, aangewezen producten.
Artikel 27
1.Met betrekking tot binnen Nederland te brengen
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders die niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze
wet of de gezondheid van mens of dier of het milieu in gevaar kunnen
brengen kan Onze Minister maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen
onder meer inhouden dat deze producten voor rekening van de verzender
of diens gemachtigde dan wel de importeur en met inachtneming van de
aanwijzingen van Onze Minister worden:
a. teruggezonden buiten het grondgebied van de Europese
Gemeenschap;
b. teruggezonden naar de lidstaat van oorsprong;
c. vernietigd of uit de handel worden genomen;
d. in overeenstemming gebracht met het bepaalde bij of
krachtens deze wet, ontsmet, dan wel op andere passende wijze
behandeld;
e. gebruikt voor andere doeleinden;
f. geïdentificeerd en geregistreerd.
2.De in het eerste lid bedoelde maatregelen houden geen risico's in
voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
3.Onze Minister kan dit artikel van overeenkomstige toepassing
verklaren op de ingevolge artikel 2, vierde lid, aangewezen producten.
Artikel 28
1.Met betrekking tot dieren die door middel van vervoedering of
drenking aan te wijzen schadelijke stoffen hebben opgenomen of waarvan
wordt vermoed dat zij dergelijke stoffen hebben opgenomen, kan Onze
Minister besluiten dat, totdat het tegendeel is gebleken, dan wel van
overheidswege is vastgesteld dat het dier weer vrij is van deze
stoffen:
a. de dieren alsmede de van deze dieren afkomstige producten
het bedrijf waar deze dieren worden gehouden niet verlaten dan met
toestemming van Onze Minister;
b. de dieren opgestald worden of de stallen niet verlaten dan
met toestemming van Onze Minister;
c. de dieren opgehokt worden of het hok niet verlaten dan met
toestemming van Onze Minister;
d. de dieren op een aangewezen plaats worden gehouden en deze
niet verlaten dan met toestemming van Onze Minister;
e. andere maatregelen worden getroffen, voorzover de
maatregelen zijn voorgeschreven bij een communautaire maatregel.
2.De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van schadelijke stoffen
geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3.Onze Minister kan besluiten dat de in het eerste lid bedoelde
dieren en producten op een door hem voorgeschreven wijze worden
gemerkt of geïdentificeerd en geregistreerd.
4.De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan onder beperkingen
worden verleend. Aan de toestemming kunnen voorschriften worden
verbonden.
5.Ter voorkoming dat dieren door middel van vervoedering of
drenking aan te wijzen schadelijke stoffen opnemen kan Onze Minister
besluiten dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden
getroffen totdat is gebleken, dan wel van overheidswege is
vastgesteld, dat de mogelijkheid dat schadelijke stoffen worden
opgenomen is geweken. Het tweede tot en met vierde lid is van
overeenkomstige toepassing.
6.Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister met betrekking tot
producten van dieren die door middel van vervoedering of drenking aan
te wijzen schadelijke stoffen hebben opgenomen of waarvan wordt
vermoed dat zij dergelijke stoffen hebben opgenomen, totdat het
tegendeel is gebleken, dan wel van overheidswege is vastgesteld dat
deze dieren vrij zijn van deze stoffen, besluiten dat de producten uit
de handel worden genomen en centraal worden opgeslagen.
7.Een ieder die dieren en producten onder zich heeft of heeft gehad
met betrekking waartoe maatregelen als bedoeld in het eerste, vijfde
en zesde lid zijn getroffen, verstrekt op het eerste verzoek van Onze
Minister inlichtingen omtrent herkomst en verhandeling van deze dieren
en producten.
Artikel 29
Een ieder wie zulks aangaat handelt overeenkomstig dan wel verleent
zijn medewerking aan de uitvoering van een krachtens deze wet gegeven
bevel of genomen maatregel.
Artikel 30
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen, indien dit in verband met risico's voor de gezondheid
van dier of mens noodzakelijk is.
Hoofdstuk X. Overige bepalingen
Artikel 31
Onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde is het verboden
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders te bereiden waarvan de verwerking tot gevolg heeft dat deze
de gezondheid van mens of dier of het milieu in gevaar kunnen brengen.
Artikel 32
1.Degene die toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen,
voormengsels of diervoeders bereidt, be- of verwerkt, voorhanden of in
voorraad heeft, opslaat, verpakt, in het verkeer brengt, verhandelt,
vervoert, in- of buiten Nederland brengt, vervoedert of onderzoekt,
stelt onverwijld Onze Minister op de hoogte indien hij constateert of
vermoedt dat deze producten niet voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens deze wet of de gezondheid van mens of dier of het milieu in
gevaar kunnen brengen alsmede van de maatregelen die hij heeft
getroffen ter voorkoming van risico`s voor de gezondheid van mens of
dier of voor het milieu.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op grondstoffen
voor de bereiding van de in het eerste lid genoemde producten.
3.De verplichting, bedoeld in het eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op dierenartsen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld
omtrent het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen
en over de maatregelen die ter voorkoming van risico`s voor de
gezondheid van mens of dier of voor het milieu zijn ondernomen.
Artikel 33
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bij die
maatregel aangewezen categorieën van houders van dieren van bij die
maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen worden
gesteld omtrent:
a. de herkomst en de bereiding van diervoeders;
b. de opslag, bewaring en verdere behandeling van
toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en
diervoeders;
c. de bij bereiding te gebruiken hulpmiddelen of apparaten;
d. het houden van aantekeningen omtrent ontvangen, bereide, bij
de bereiding gebruikte of vervoederde toevoegingsmiddelen,
vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders, of
e. de vervoedering aan dieren.
Artikel 34
1.Het is degene die bedrijfsmatig dieren houdt verboden om door
Onze Minister aangewezen substanties voorhanden of in voorraad te
hebben, te vervoederen of anderszins oraal toe te dienen.
2.Ingevolge het eerste lid kunnen slechts worden aangewezen,
substanties die:
a. als grondstof voor toevoegingsmiddelen, vervangende
voederproteïnen, voormengsels of diervoeders kunnen dienen, of
b. in een communautaire maatregel zijn aangewezen.
Artikel 35
1.Onze Minister kan, voorzover het belang van de gezondheid van
mens of dier of van het milieu zich daartegen naar zijn oordeel niet
verzet, van het bepaalde bij of krachtens deze wet vrijstelling of
ontheffing verlenen in geval van calamiteiten, incidenten en
onvoorziene omstandigheden.
2.Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of
voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden
verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
3.Een vrijstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 36
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven betreffende het bereiden, het verpakken, het
etiketteren, het in het verkeer brengen, het voorhanden of in voorraad
hebben, het vervoeren en het vervoederen van toevoegingsmiddelen,
vervangende voederproteïnen, voormengsels en diervoeders welke als
zodanig dan wel voor wat betreft een uitbreiding van de
toepassingsmogelijkheden kennelijk in een proefstadium verkeren of
voor onderzoeksdoeleinden worden aangewend.
2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen inhouden dat
proefnemingen en onderzoeken slechts na daartoe gedane aanvraag kunnen
worden toegestaan.
3.Aan een toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Een
toestemming kan onder beperkingen worden gegeven.
Artikel 37
1. Indien in het belang van de gezondheid van mens of dier of het
milieu naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening
noodzakelijk is, kan hij in de onderwerpen die op grond van deze wet
bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, bij regeling
voorzien.
2. De regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden,
of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter
vervanging van die regeling in werking is getreden, op het moment
waarop de maatregel in werking treedt. De termijn kan door Onze
Minister eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.
3. Indien in het belang van de gezondheid van mens en dier naar het
oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is,
kan hij bepalen dat door hem krachtens deze wet of algemene
maatregelen van bestuur vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun
bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige
regeling, in afwijking van artikel 4 van de Bekendmakingswet, op
andere dan de daar genoemde wijze bekendmaken.
Artikel 38
1.In situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie
de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens
of dier of voor het milieu is geconstateerd, maar er nog
wetenschappelijke onzekerheid heerst, kunnen, in afwachting van nadere
wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger
risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement worden
vastgesteld om het gekozen niveau van gezondheidsbescherming te
waarborgen.
2.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn evenredig en
beperken de handel niet meer dan nodig is om het gekozen niveau van
bescherming te verwezenlijken, rekening houdend met de technische en
economische haalbaarheid en andere terzake dienende factoren. De
maatregelen worden binnen een redelijke termijn opnieuw bezien,
afhankelijk van de aard van het geconstateerde risico voor het leven
of de gezondheid en het soort wetenschappelijke informatie dat nodig
is om de wetenschappelijke onzekerheid weg te nemen en een vollediger
risicobeoordeling uit te voeren.
3.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit:
a. het stellen van regels, onderscheidenlijk eisen, bedoeld in
de artikelen 4, 5, tweede lid, 8, 11, eerste lid, 16, tweede en
vierde lid, en 33, bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur;
b. het vaststellen van een gehalte aan ongewenste stoffen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, door Onze Minister;
c. het aanwijzen van categorieën en het stellen van
voorwaarden, bedoeld in artikel 2, derde lid, door Onze Minister;
d. het aanwijzen van producten die bedoeld zijn voor of worden
gebruikt in de diervoeding, bedoeld in artikel 2, vierde lid,
alsmede het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel
16, 26, of 27 op deze aangewezen producten, bedoeld in artikel 16,
zesde lid, onderscheidenlijk 26, zevende lid, onderscheidenlijk
27, derde lid, door Onze Minister;
e. het aanwijzen van voedermiddelen, bedoeld in artikel 3, door
Onze Minister;
f. het verbieden van handelingen dan wel het wijzigen van
voorschriften, bedoeld in artikel 9, door Onze Minister;
g. het verbinden van voorwaarden, voorschriften of beperkingen
aan de erkenning of registratie, bedoeld in artikel 10, derde lid,
alsmede de intrekking, onderscheidenlijk doorhaling, bedoeld in
artikel 14, door Onze Minister;
h. het stellen van regels, bedoeld in artikel 20, eerste,
tweede, derde en vierde lid, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur;
i. het treffen van maatregelen, bedoeld in de artikelen 26,
eerste lid, 27, eerste lid, 28, eerste, vijfde en zesde lid,
alsmede het stellen van voorwaarden, beperkingen en het verbinden
van voorwaarden aan deze maatregelen, bedoeld in de artikelen 26,
vierde lid, en 28, vierde lid, door Onze Minister;
j. het aanwijzen van substanties, bedoeld in artikel 34, eerste
lid, door Onze Minister;
k. het stellen van regels, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
door Onze Minister.
Artikel 39 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de regels
worden gesteld die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een
communautaire maatregel.
2.Indien uitvoering van een bindend besluit als bedoeld in het
eerste lid noodzaakt tot wijziging van deze wet binnen een termijn van
12 maanden na de datum van dagtekening van het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen waarin dat besluit bekend is gemaakt, kan ter
uitvoering van dat besluit bij algemene maatregel van bestuur
tijdelijk worden afgeweken van deze wet.
3.Indien uitvoering van een bindend besluit als bedoeld in het
eerste lid noodzaakt tot uitvoering van deze wet of van een krachtens
deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur binnen een
termijn van 4 maanden na de datum van dagtekening van het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen waarin dat besluit
bekend is gemaakt, kan ter uitvoering van dat besluit bij
ministeriële regeling tijdelijk worden afgeweken van deze wet,
onderscheidenlijk die algemene maatregel van bestuur. De regeling
wordt in het Staatsblad geplaatst.
4.Tenzij de maatregel strekt tot uitvoering van een Europese
verordening of beschikking wordt de voordracht voor een krachtens het
tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd. Artikel 1:8, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
5.Tenzij de regeling strekt tot uitvoering van een Europese
verordening of beschikking wordt een krachtens het derde lid vast te
stellen regeling niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Artikel 1:8,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
6.Een voorstel van wet om de afwijking, bedoeld in het tweede of
derde lid, te beëindigen, wordt zo spoedig mogelijk ingediend. De
voordracht voor een algemene maatregel van bestuur om de afwijking
daarvan, bedoeld in het derde lid, te beëindigen wordt zo spoedig
mogelijk gedaan.
Artikel 40
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij door
Onze Minister ter uitvoering van deze wet gestelde regelen van
algemene aard kan medewerking worden gevorderd van het bestuur van een
productschap of een bedrijfschap als bedoeld in artikel 66 van de Wet
op de bedrijfsorganisatie. Daarbij kunnen tevens de ingevolge het
bepaalde bij of krachtens deze wet aan Onze Minister toekomende
bevoegdheden tot het nemen van besluiten en tot het vaststellen van
regels of nadere regels, alsmede aan Onze Minister opgedragen taken
worden overgedragen.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het
stellen van regelen of nadere regelen bij verordening, behoeft
zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister. Krachtens de
verordening vastgestelde nadere voorschriften en genomen besluiten
behoeven, voorzover zulks bij de algemene maatregel van bestuur of
regelen, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, de goedkeuring van de
daarbij aangewezen autoriteit.
3.Verordeningen, bedoeld in het tweede lid, kunnen onder meer
inhouden toekenning aan een daarbij aan te wijzen orgaan van de
bevoegdheid vrijstelling, en op aanvrage, ontheffing van die
verordeningen of krachtens deze vast te stellen voorschriften te
verlenen.
Artikel 41
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 42
[Wijzigt deze wet]
Artikel 43
[Wijzigt deze wet]
Hoofdstuk XI. Wijziging andere wetten
Artikel 44
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 45
[Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren]
Artikel 46
[Wijzigt de Veewet]
Artikel 47
[Wijzigt de Diergeneesmiddelenwet]
Artikel 48
[Wijzigt de Meststoffenwet]
Hoofdstuk XII. Overgangsbepalingen
Artikel 49
1.Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10
over een geldende ingevolge een communautaire maatregel vereiste en
door het Productschap Diervoeder verleende erkenning beschikt of door
dat productschap is geregistreerd ter uitvoering van een communautaire
maatregel, wordt voor de daarin genoemde activiteiten gedurende de
eerste 12 maanden na de inwerkingtreding van artikel 10 van deze wet
geacht in het bezit te zijn van de daarvoor ingevolge deze wet
vereiste erkenning, dan wel daarvoor te zijn geregistreerd.
2.Zij die binnen de in het eerste lid gestelde termijn een aanvraag
tot erkenning of registratie op de krachtens deze wet voorgeschreven
wijze hebben ingediend, worden geacht ook na het verstrijken van de
aldaar genoemde termijn in het bezit van de erkenning te zijn, dan wel
te zijn geregistreerd, totdat de beslissing op de aanvraag
onherroepelijk is geworden.
3.De artikelen 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op de
in dit artikel bedoelde erkenningen en registraties.
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 50
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 51
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet diervoeders.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 oktober 2003
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de vijfentwintigste november 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|