| |
|
|
|
|
vorige
KADERWET
EZ-SUBSIDIES
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit particuliere participatiemaatschappijen
- Besluit stimulering duurzame energieproductie
- Besluit subsidies energieprogramma's
(vervallen)
- Kaderbesluit
EZ-subsidies
WET van 29 februari 1996, houdende
vaststelling regels inzake de verstrekking van subsidies door de
Minister van Economische Zaken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de
derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het wenselijk maakt de
Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en de Kaderwet specifieke
uitkeringen EZ te vervangen door nieuwe regels die een wettelijk kader
scheppen voor de verstrekking van subsidies door de Minister van
Economische Zaken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 2
1.Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke
passen in:
a. het technologiebeleid;
b. het ruimtelijk economisch beleid;
c. het beleid met betrekking tot het midden- en kleinbedrijf;
d. het beleid met betrekking tot energiebesparing en duurzame
energie;
e. het exportbevorderingsbeleid;
f. het telecommunicatiebeleid;
g. het postbeleid.
2.Onze Minister kan voorts subsidies verstrekken voor activiteiten
op het gebied van de onderwerpen, die genoemd zijn in de
begrotingsstaat, onderdeel uitgaven en verplichtingen, behorend bij de
wet, houdende vaststelling van de begroting van uitgaven en
ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken voor het
desbetreffende jaar, of voor een voorafgaand jaar voor zover daarin
een beschikking tot subsidieverlening is gegeven. Indien bij de
aanvang van enig jaar bedoelde wet nog niet in werking is getreden,
wordt tot die inwerkingtreding het voorstel daartoe in aanmerking
genomen.
Artikel 3
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling
van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden
verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die
verstrekking worden vastgesteld.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling
van Onze Minister kunnen voorts regels worden vastgesteld met
betrekking tot:
a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit
bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
d. de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger;
e. de vaststelling van de subsidie;
f. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of
-vaststelling;
g. de betaling van de subsidie en het verlenen van
voorschotten.
3.Bij een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële
regeling als bedoeld in het eerste lid wordt voorzien in de
vaststelling van een subsidieplafond en de regeling van de wijze van
verdeling ervan, tenzij Onze Minister van Financiën heeft ingestemd
met het achterwege laten daarvan.
4.In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing op subsidies die
worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, die uitsluitend
voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht
zijn ingesteld.
5.Onze Minister kan de uitvoering van een algemene maatregel van
bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid,
met inbegrip van het nemen van besluiten op grond van deze regels,
delegeren aan andere bestuursorganen.
Artikel 4
Onze Minister verstrekt slechts subsidie op grond van een algemene
maatregel van bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in
artikel 3, tenzij het een subsidie betreft:
a. als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht of
b. waarvan de voorgenomen verstrekking tevoren schriftelijk is
medegedeeld aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 5
Onze Minister publiceert ten minste eenmaal in de vijf jaren een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van
subsidies die:
a. worden verstrekt op basis van een algemene maatregel van
bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 3 of
b. worden verstrekt in incidentele gevallen voor meer dan vijf
jaren.
Artikel 6
1.Onze Minister kan met betrekking tot een subsidie, die niet op
grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële
regeling als bedoeld in artikel 3 wordt verstrekt, bij de
subsidieverlening of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is
gegeven, bij de subsidievaststelling bepalen, dat een
subsidie-ontvanger een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd
is overeenkomstig artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.De wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt bepaald wordt
vermeld in de beschikking tot subsidieverlening of
subsidievaststelling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7
1. Voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een
verdrag voor de staat geldende verplichtingen, kan Onze Minister:
a. subsidieverlening weigeren;
b. een subsidie lager vaststellen dan overeenkomstig de
subsidieverlening;
c. een subsidieverlening of subsidievaststelling intrekken of
ten nadele van de ontvanger wijzigen.
2. Bij de vaststelling, intrekking of wijziging kan worden bepaald,
dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding
verschuldigd is.
3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging
anders is bepaald.
4. De artikelen 4:49, derde lid, en 4:57, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de
vaststelling, intrekking en wijziging, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
1.Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet
aan de subsidie-ontvanger opgelegde verplichtingen zijn belast de bij
besluit van Onze Minister aangewezen personen.
2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4.Aan subsidies op grond van deze wet is de verplichting verbonden
dat de subsidie-ontvanger aan een toezichthouder alle medewerking
verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van
zijn bevoegdheden.
Artikel 9
Tegen een besluit, genomen op grond van deze wet kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 10
1.De Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en de Kaderwet
specifieke uitkeringen EZ worden ingetrokken, met dien verstande dat
zij van toepassing blijven op subsidies die voor de inwerkingtreding
van deze wet zijn verleend of vastgesteld.
2.Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de op grond van
artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en
artikel 2 van de Kaderwet specifieke uitkeringen EZ berustende
algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op
artikel 3 van deze wet.
Artikel 11
De tekst van de Kaderwet EZ-subsidies wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Artikel 12
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 13
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet EZ-subsidies.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 februari 1996
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
G.J. Wijers
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|