In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. beroepsmilitair: militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1
van de Militaire ambtenarenwet 1931, voor zover hij behoort tot
degenen die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel of daarmee
gelijk zijn gesteld;
c. dienstplichtige: dienstplichtige in de zin van de Kaderwet
dienstplicht;
d. reservist: militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de
Militaire ambtenarenwet 1931, voor zover behorende tot het
reserve-personeel;
e. fonds: Stichting Pensioenfonds ABP;
f. bestuur: bestuur van het fonds;
g. pensioenreglement: pensioenreglement van het fonds.
Artikel 2. Het stelsel
1. De aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de
daarmee samenhangende verplichtingen van de beroepsmilitair, de
gewezen beroepsmilitair en hun nagelaten betrekkingen worden, met
inachtneming van de bij of op grond van deze wet vastgestelde
afwijkingen en aanvullingen, neergelegd in de overeenkomst naar
burgerlijk recht, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP.
2. De in het eerste lid bedoelde nadere overeenkomst strekt zich
mede uit tot de aanspraken op militair ouderdoms- en
nabestaandenpensioen die voor het sluiten daarvan zijn opgebouwd.
3. De door het eerste en tweede lid beheerste pensioenaanspraken
worden vastgelegd in het pensioenreglement. Aanspraken op militair
pensioen worden rechtstreeks aan dat reglement ontleend.
4. Prepensioneringsaanspraken vanaf 60 jaar zullen worden
neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht.
5. Aanvullende aanspraken op militair pensioen bij
arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de
beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of
reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het
verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef-
en werkvoorzieningen, worden vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur.
6. De noodzakelijke nadere regels ter uitvoering van de in het
vijfde lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur worden vastgesteld
door Onze Minister.
Artikel 3. Lopende pensioenen en uitzichten
1. De wetten en regelingen waaraan de militairen en hun
nagelaten betrekkingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet
een aanspraak op pensioen kunnen ontlenen, worden met ingang van een
bij koninklijk besluit te bepalen datum, die voor de verschillende
wetten of regelingen of groepen van rechthebbenden binnen die wetten
of regelingen een andere kan zijn en niet kan liggen voor de datum
waarop in de vervangende aanspraken is voorzien, buiten werking
gesteld of ingetrokken.
2. Voor zover en zolang de aanspraken ingevolge de in het eerste
lid bedoelde wetten en regelingen nog niet door de toepassing van dat
lid zijn vervallen, ontleent een betrokkene geen aanspraken aan het
pensioenreglement of de in artikel 2, vijfde lid, bedoelde algemene
maatregelen van bestuur.
3. Zodra aanspraken ingevolge de in het eerste lid bedoelde
wetten en regelingen door de toepassing van dat lid zijn vervallen, zet
Onze Minister deze onmiddellijk om in aanspraken of uitzichten op grond
van het pensioenreglement dan wel zo nodig in aanvullende zin op
grond van de in artikel 2, vijfde lid, bedoelde algemene maatregelen van
bestuur. De te volgen methode van omzetting garandeert individuele
gelijkwaardigheid van uitzichten op pensioen en, voor het totaal van de
aan dezelfde dienstverhouding te ontlenen nieuwe aanspraken, nominale
gelijkheid van de op het omzettingsmoment al ingegane pensioenen. Het
omzettingsproces laat de voorgeschreven periodieke betaling van de
pensioenen onverlet.
4. Waar het een omzetting naar het pensioenreglement betreft,
worden in elk geval de verschillen in pensioenniveau in acht genomen die
krachtens de in te trekken regels tussen gehuwden en ongehuwden of
daarmee gelijk te stellen rechthebbenden konden bestaan. Andere
persoonlijke omstandigheden die ingevolge die vroegere regels het
pensioenbedrag zouden kunnen beοnvloeden werken bij een omzetting naar
het pensioenreglement door naar de situatie op een voor alle uitzichten
en rechten geldende vaste peildatum. Tenzij dat uitdrukkelijk anders
wordt bepaald heeft een wijziging van de laatstbedoelde omstandigheden
na die peildatum geen invloed op de na omzetting gevonden nieuwe
pensioenbedragen. Onze Minister legt de te hanteren werkwijze vast in
een nadere regeling.
5. Van de in het derde lid bedoelde omzettingen ontvangt de
belanghebbende zo spoedig mogelijk een overzicht van Onze Minister. Dat
overzicht geeft een beeld van de oude en de nieuwe pensioensituatie op
het omzettingsmoment of, voor zover van toepassing, op de in het vierde
lid bedoelde peildatum.
Artikel 4. Financiering/uitvoering
1. De aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten
laste van Hoofdstuk X van de Rijksbegroting, wat de in artikel 2,
eerste lid,bedoelde pensioenaanspraken betreft, voor zoveel mogelijk
in de vorm van een premie, nodig voor de instandhouding van een
kapitaaldekkingsstelsel, en voor het overige als rechtstreekse
begrotingslast.
2. De uitvoering van de pensioenaanspraken voor militairen en hun
nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt
ondergebracht bij het fonds. Het fonds beheert de betreffende
pensioenaanspraken en uitzichten voor zoveel mogelijk naar de
grondslagen van het voor de pensioenen voor het overig
overheidspersoneel geldende financieringsstelsel. Onze Minister en het
bestuur sluiten met het oog op die uitvoering en dat beheer een
overeenkomst naar burgerlijk recht.
3. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, omvat ten minste:
a. een nadere verdeling van de in het eerste lid bedoelde
aanspraken naar aanspraken die worden gefinancierd op kapitaaldekkings-
of declaratiebasis;
b. de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de pensioenlasten en
uitvoeringskosten van de niet op kapitaaldekkingsbasis te financieren
aanspraken bij Onze Minister kunnen worden gedeclareerd.
4. Met het oog op het aanvullende of aanverwante karakter daarvan
is Onze Minister bevoegd ook de uitvoering van het niet door het tweede
lid bestreken deel van de militaire pensioenvoorzieningen in zijn geheel
of in delen buiten het ministerie van Defensie onder te brengen. Met het
betreffende uitvoeringsorgaan sluit Onze Minister alsdan een
overeenkomst naar burgerlijk recht, ten minste inhoudende de wijze
waarop en de voorwaarden waaronder de bedoelde aanvullende
pensioenlasten en daarmee samenhangende extra uitvoeringskosten bij hem
kunnen worden gedeclareerd.
Artikel 5. Eigen bijdrage
De eigen bijdrage van de beroepsmilitair aan de op deze wet steunende
pensioenvoorzieningen wordt, voor zover de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde overeenkomst daarin niet voorziet, vastgesteld bij algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 6. Pensioenwet
1. De Pensioenwet is van toepassing op de nadere overeenkomst,
bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2. Behoudens de artikelen 93 en 216 van de Pensioenwet is het
eerste lid niet van toepassing op de pensioenvoorzieningen van:
a. de militair, voor zover die zijn bepaald door pensioengeldige
tijd die voorafgaat aan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde datum,
en voor zover deze op grond van deze wet en binnen het raam van de
overeenkomst, bedoeld in artikel 4, tweede lid, op declaratiebasis
worden gefinancierd;
b. de nagelaten betrekkingen van de militair, die zijn afgeleid van
de aanspraak dan wel het recht op ouderdomspensioen voor zover dat is
opgebouwd tot aan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde datum.
Artikel 7. Intrekking bestaande wetgeving
1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid,
zullen, zo nodig na een voorafgaande groepsgewijze buiten werking
stelling als daar bedoeld, worden ingetrokken:
1°. Algemene militaire pensioenwet;
2°. Pensioenwet voor de landmacht 1922;
3°. Pensioenwet voor de zeemacht 1922;
4°. Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923;
5°. Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve
1923;
6°. Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (Sb. 1949,
J 344);
7°. Pensioenwet voor de vrijwilligers bij den landstorm 1925;
8°. Wet buitengewoon pensioen 19141918 (Sb. 1948, I 496);
9°. Wet van 4 november 1950 tot nadere vaststelling van de
regelingen op het gebied van militaire pensioenen, welke gedurende de
vijandelijke bezetting zijn uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van
verschillende wetten, welke regelen geven inzake militair pensioen
(Sb. 1950, K 479);
10°. Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956;
11°. Wet van 22 december 1938, tot regeling van de pensioenen voor
officieren der Koninklijke marine-reserve, die zich ter aanvulling
van een bij de Koninklijke Marine bestaand tekort aan
beroepsofficieren krachtens een daartoe door hen gesloten
vrijwillige verbintenis voor onbepaalden tijd in actieven dienst
bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb. 1938, 504).
2. De artikelen 2, tweede lid, onderdeel f, 9, 16 en 28 tot en
met 31 van de Wet privatisering ABP vervallen met dien verstande, dat
voor het buiten werking stellen of intrekken van het op artikel 28 van
die wet steunende Nabestaandenreglement militairen en het op artikel 31
daarvan steunende Besluit bijzondere voorzieningen militair
nabestaandenpensioen dezelfde procedure zal gelden als voor de in het
eerste lid genoemde wetten.
Artikel 8. Nadere pensioenovereenkomst
Onze Minister is bevoegd om, in overeenstemming met de meerderheid
van de Centrales van Overheidspersoneel die in het Sectoroverleg
Defensie vertegenwoordigd zijn, ter uitwerking van hetgeen in deze wet
wordt bepaald een nadere pensioenovereenkomst te sluiten met de
Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet militaire pensioenen.