Nadere regelgeving:
- Besluit
in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen (vervallen)
- Besluit
in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde
splijtstoffen
- Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
- Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
- Besluit
stralingsbescherming
- Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
- Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981
- Regeling
bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende straling'
- Regeling
natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008'
- Regeling
voorzieningen stralingsbescherming werknemers'
WET van 21 februari 1963, houdende
regelen met betrekking tot de vrijmaking van kernenergie en de
aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende
toestellen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is op het
gebied van de kernenergie en de ioniserende stralen een regeling te
treffen, in het bijzonder ter bevordering van een goede ontwikkeling op
het gebied van de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van
radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen,
zomede ter bescherming tegen de hieraan verbonden gevaren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en
werkingssfeer
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. kernenergie: energie, vrijkomend
bij splijting of versmelting van atoomkernen;
b. splijtstoffen: stoffen, welke
ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
percentage uranium, plutonium, thorium of andere daarbij
aangewezen elementen bevatten;
c. ertsen: ertsen die naar gewicht
gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent
thorium bevatten en waarmee handelingen worden verricht wegens hun
splijt- of kweekeigenschappen;
d. radioactieve stoffen: stoffen
met uitzondering van splijtstoffen en ertsen, die in zodanige mate
radionucliden bevatten dat zij, voorzover het de bescherming tegen
ioniserende straling betreft, niet mogen worden verwaarloosd;
e. ioniserende straling: röntgen-
en gammastraling, alsmede corpusculaire straling, die in staat is
ionenvorming te veroorzaken;
f. toestel: toestel dat ioniserende
straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of
erts bevat;
g. bevoegd gezag: bestuursorgaan
dat bevoegd is tot het geven van een beschikking.
2. De voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in
het eerste lid, onder b, bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Ministers
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Hoofdstuk II. De Commissie
Reactorveiligheid
Artikel 2
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is
mede van toepassing op een verkenningsonderzoek, het opsporen of het
winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen
voorzover dit plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in de
Mijnbouwwet.
Artikel 3 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 4 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 5 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 6 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 7 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 8 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 9 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 9a [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 10 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 11 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 12 [Vervallen per 21-02-1997]
Hoofdstuk III. Splijtstoffen, ertsen en
inrichtingen
Afdeling 1. Registratie van splijtstoffen
en ertsen
Artikel 13
1. Er is een register, waarin worden
ingeschreven de gegevens van splijtstoffen, ertsen en andere stoffen
waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht
gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium
bevatten, waarvan overeenkomstig artikel 14 aangifte is gedaan.
2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt de inrichting van het register geregeld en worden de
gevallen aangewezen, waarin inlichtingen uit het register kunnen
worden verstrekt.
3. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie is belast met het beheer van het register en de
verstrekking van inlichtingen daaruit.
Artikel 14
1. Ieder, die met inachtneming van deze
wet splijtstoffen of ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen
kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een
tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten vervoert,
voorhanden heeft, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of
doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent
administratie te voeren en ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde
inschrijving aangifte te doen, een en ander in bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te
stellen regelen.
2. Ieder, die de aanwezigheid van
ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen
en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of
drie procent thorium bevatten in de bodem heeft vastgesteld, is
verplicht in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en
overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen daarvan ten behoeve
van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen.
Afdeling 2. Vergunningen
Artikel 15
Het is verboden zonder vergunning van
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie:
a. splijtstoffen of ertsen te
vervoeren, voorhanden te hebben, binnen of buiten Nederlands
grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel zich daarvan te
ontdoen;
b. een inrichting, waarin kernenergie
kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd,
bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen, op te
richten, inwerking te brengen, in werking te houden, buiten gebruik
te stellen of te wijzigen of een inrichting, waarin kernenergie kon
worden vrijgemaakt, splijtstoffen konden worden vervaardigd, bewerkt
of verwerkt, dan wel splijtstoffen werden opgeslagen, te
ontmantelen;
c. een uitrusting, geschikt om een
vaartuig of ander vervoermiddel door middel van kernenergie voort te
bewegen, daarin aan te brengen of aangebracht te houden, dan wel
zodanige daarin aangebrachte uitrusting in werking te brengen, in
werking te houden of te wijzigen.
Artikel 15a
1. Met ingang van 31 december 2033
vervalt de op grond van artikel 15, onder b, verleende vergunning voor
het in werking houden van de in 1973 in werking gebrachte
kernenergiecentrale Borssele, voorzover het betreft het vrijmaken van
kernenergie.
2. Een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 15, onder b, voor het vrijmaken van kernenergie in
de in het eerste lid genoemde inrichting na het in het eerste lid
genoemde tijdstip wordt, onverminderd het overigens bij of krachtens
deze wet bepaalde, buiten behandeling gelaten.
Artikel 15aa
Indien een vergunning als bedoeld in
artikel 15, onder b, voor het wijzigen van een inrichting wordt
aangevraagd en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens
deze wet zijn verleend, is artikel 2.6, eerste, tweede en vierde lid,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige
toepassing. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende
vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met
toepassing van artikel 18a of artikel 19 van deze wet.
Artikel 15b
1. De vergunning kan slechts worden
geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van mensen,
dieren, planten en goederen;
b. de veiligheid van de staat;
c. de bewaring en beveiliging van
splijtstoffen en ertsen en de beveiliging van inrichtingen als
bedoeld in artikel 15, onder b;
d. de energievoorziening;
e. het zeker stellen van de
betaling van de vergoeding, aan derden toekomende voor schade of
letsel, hun toegebracht;
f. de nakoming van internationale
verplichtingen.
2. Onverminderd het eerste lid kan een
vergunning voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in
artikel 15, onder b, worden geweigerd, indien de in de aanvraag
beschreven techniek voor het vrijmaken van kernenergie, het
vervaardigen, bewerken of verwerken van splijtstoffen dan wel het
opslaan van splijtstoffen in de inrichting naar het oordeel van Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij het in
werking brengen van de inrichting zal zijn verouderd.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen naast de in het eerste lid bedoelde belangen andere belangen
worden aangewezen.
4. Indien Wij niet binnen drie maanden
na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur als in
het tweede lid bedoeld aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een
voorstel van wet hebben doen toekomen tot wijziging van deze wet
overeenkomstig die maatregel of indien zodanig voorstel wordt
ingetrokken of verworpen, trekken Wij de maatregel onverwijld in.
Artikel 15c
1. In een vergunning wordt duidelijk
aangegeven waarop zij betrekking heeft. De aanvraag om de vergunning
maakt deel uit van de vergunning, voor zover dat in de vergunning is
aangegeven.
2. Een vergunning kan ter bescherming
van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen onder
beperkingen worden verleend.
3. Aan een vergunning worden, met
inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur
gestelde regels, de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter
bescherming van de bij of krachtens artikel 15 b aangewezen belangen.
Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de
nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren,
planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de
voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden
tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
4. Voor zover ten aanzien van de
betrokken splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen regels
gelden krachtens artikel 21, kunnen de voorschriften daarvan alleen
afwijken, voor zover dat bij die regels is toegestaan.
Artikel 15d
1. De aan een vergunning te verbinden
voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder ter
bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen op
een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.
2. Voor zover dit naar het oordeel van
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
noodzakelijk is, kunnen de voorschriften inhouden dat daarbij
aangegeven middelen ter bescherming van de bij of krachtens artikel
15b aangewezen belangen moeten worden toegepast.
Artikel 15e
1.Aan een vergunning kunnen ter
bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen
andere dan de in artikel 15d bedoelde voorschriften worden verbonden.
2.Een voorschrift kan de verplichting
inhouden dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij
aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door
een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld. Bij
het voorschrift kan worden aangegeven hoe die eisen door het betrokken
bestuursorgaan moeten worden bekendgemaakt. Bij het stellen van een
nadere eis wordt het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis
de verplichting ingaat.
Artikel 15f
1. De houder van een vergunning als
bedoeld in artikel 15, onder b, voor het in werking brengen, in
werking houden, buiten gebruik stellen of ontmantelen van een
inrichting waarin kernenergie kan, onderscheidenlijk kon worden
vrijgemaakt, stelt op een door Onze Ministers van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en van Financiën goedgekeurde wijze financiële
zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten
gebruik stellen en de ontmanteling van de inrichting.
2. De financiële zekerheid wordt in
stand gehouden tot het tijdstip waarop Onze genoemde Ministers
schriftelijk hebben verklaard dat de ontmanteling is voltooid.
3. De financiële zekerheid wordt
gesteld in een of meer van de volgende vormen:
a. een borgtocht of een
bankgarantie;
b. het deelnemen aan een daartoe
ingesteld fonds dat naar het oordeel van Onze genoemde Ministers
voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten
zijn gedekt;
c. het treffen van enige andere
voorziening die naar het oordeel van Onze genoemde Ministers
voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten
zijn gedekt.
4. De aanvraag om goedkeuring vermeldt
het bedrag en de termijn waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop
de zekerheid wordt gesteld. Tevens bevat de aanvraag een onderbouwing
van de omvang van de te stellen financiële zekerheid. Indien de
aanvraag betrekking heeft op een wijziging van bij een eerdere
aanvraag verstrekte gegevens, wordt de aanvraag uiterlijk vier weken
voor de wijziging ingediend.
5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
aanvraag om goedkeuring.
6. Aan de goedkeuring kunnen
voorschriften worden verbonden. Daartoe kan in ieder geval behoren een
voorschrift dat de houder van de vergunning het bedrag van de gestelde
zekerheid aanpast, indien dat naar het oordeel van Onze genoemde
Ministers nodig is met het oog op wijziging van bij het voorschrift
aangegeven omstandigheden.
7. Onze genoemde Ministers beslissen
binnen zes maanden na de ontvangst van een aanvraag om goedkeuring op
die aanvraag.
8. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen andere inrichtingen als bedoeld in artikel 15,
onder b, worden aangewezen, waarop het eerste tot en met zevende lid
van overeenkomstige toepassing zijn.
9. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag
om goedkeuring.
Artikel 16
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regelen gesteld betreffende de wijze, waarop de
aanvraag om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens, welke
van de aanvrager kunnen worden verlangd.
2. Bij of krachtens de maatregel wordt
in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de
vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een
inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, dat tevens is aan te
merken als het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
a. indien de aanvraag om een
omgevingsvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de
vergunning krachtens deze wet is ingediend, een afschrift van die
aanvraag om een omgevingsvergunning bij zijn aanvraag overlegt;
b. indien de aanvraag om een
omgevingsvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag
om de vergunning krachtens deze wet wordt ingediend, een afschrift
van die aanvraag om een omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag
overlegt gelijktijdig met de indiening van die aanvraag.
Artikel 17
1. Op de voorbereiding van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 15 is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn
paragraaf 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat daarbij hetgeen in de artikelen 17a tot en met
20a van deze wet is bepaald, in acht wordt genomen.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van de Wet
milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen
op de aanvraag om een vergunning krachtens:
a. artikel 15, onder a, voor het
vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het
vervoer, dan wel het binnen of buiten Nederlands grondgebied
brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen;
b. artikel 15, onder a, voor het
voorhanden hebben van splijtstoffen in een inrichting of
uitrusting, ten aanzien waarvan een vergunning krachtens artikel
15, onder b of c, is vereist, dan wel voor het zich ontdoen van
splijtstoffen die rechtstreeks afkomstig zijn uit een zodanige
inrichting of uitrusting;
c. artikel 15, onder a, voor het
voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen in gevallen
als bedoeld in het derde lid;
d. artikel 15, onder c, in gevallen
waarin de uitrusting slechts buiten Nederland in werking zal
worden gebracht of gehouden.
In gevallen als bedoeld in de eerste
volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning.
3. Gevallen als bedoeld in het tweede
lid, onder c, zijn die gevallen:
a. waarin het voorhanden hebben van
splijtstoffen of het zich daarvan ontdoen geschiedt:
1°. in een voertuig of aan
boord van een vaartuig of van een luchtvaartuig;
2°. op steeds wisselende
plaatsen, indien die gevallen behoren tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangegeven categorie waarin het belang
van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht niet opweegt tegen de daaraan verbonden
bezwaren;
3°. indien al eerder een
overeenkomstige vergunning met betrekking tot dezelfde plaats
was verleend aan de aanvrager of aan degene wiens vergunning
ingevolge artikel 70 voor hem geldt en de aangevraagde
vergunning niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen
voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is
toegestaan;
b. waarin bij algemene maatregel
van bestuur aangegeven splijtstoffen op een daarbij aan te geven
wijze hetzij zijn opgenomen in vaste stoffen die geen ioniserende
straling uitzenden, hetzij zijn omgeven door een omhulsel;
c. behorende tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie, waarin, gezien de
wijze waarop de daarbij aangegeven splijtstoffen worden toegepast,
het belang van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.
4. In afwijking van het eerste lid zijn
de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van de Wet
milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen
op de aanvraag om een wijziging van een vergunning krachtens artikel
15, onder b of c, die niet leidt tot andere of grotere nadelige
gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is
toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een
milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet
milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor
eerder een vergunning is verleend.
Artikel 17a
Bij algemene maatregel van bestuur worden
de bestuursorganen aangewezen, die - anders dan als adviseurs - bij de
totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken. Bij
de maatregel kunnen bestuursorganen worden aangewezen, die in de
gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning.
Artikel 18 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 18a
1. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie beziet regelmatig of de beperkingen waaronder
een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning
zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het
gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van mensen,
dieren, planten en goederen.
2. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning
is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze
aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt
alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de
nadelige gevolgen die de betrokken activiteit voor mensen, dieren,
planten en goederen veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de
technische mogelijkheden tot bescherming daarvan verder kunnen worden
beperkt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen in het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en
goederen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het
eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen
categorieën van handelingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat
daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
4. Met betrekking tot de beslissing ter
zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de
artikelen 15b tot en met 15e van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
1. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie kan beperkingen waaronder een vergunning is
verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen,
aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of
voorschriften aan een vergunning verbinden ter bescherming van de bij
of krachtens artikel 15b aangewezen belangen.
2. Een ieder, met uitzondering van de
vergunninghouder, kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming
van mensen, dieren, planten en goederen met toepassing van het eerste
lid te wijzigen.
3. Op aanvraag van de vergunninghouder
kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die
daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel
alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning
verbinden.
4. In een geval als bedoeld in artikel
15b, vierde lid, trekt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie zo spoedig mogelijk nadat de betrokken algemene maatregel
van bestuur is ingetrokken, de ingevolge die maatregel aan een
vergunning verbonden voorschriften in. Tot het tijdstip waarop de
beschikking tot intrekking van kracht wordt, blijven de voorschriften
gelden.
Artikel 20
1. Op de voorbereiding van een
beschikking krachtens artikel 18a, tweede lid, ofartikel 19, eerste,
tweede of derde lid, is – tenzij het een geval betreft als bedoeld
in artikel 17, tweede lid – afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 3.5 van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien een verzoek wordt gedaan als
bedoeld in artikel 19, tweede lid, stelt Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie de houder van de betrokken vergunning
daarvan in kennis. Deze wordt voor zover zijn belang dat vordert, mede
als verzoeker beschouwd.
Artikel 20a
1. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie kan de vergunning intrekken indien dat ter
bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen
noodzakelijk is.
2. Op de voorbereiding van een
beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 3.5 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en afdeling 13.2 van de Wet
milieubeheer van overeenkomstige toepassing, tenzij het een geval
betreft als bedoeld in artikel 17, tweede lid.
3. Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie kan een vergunning voor het ontmantelen van een
inrichting als bedoeld inartikel 15, onder b, tevens intrekken wanneer
de ontmanteling van die inrichting is voltooid.
Artikel 21
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b
aangewezen belangen regels worden gesteld met betrekking tot daartoe
bij de maatregel aangewezen categorieën van splijtstoffen, ertsen,
inrichtingen of uitrustingen dan wel onderdelen van inrichtingen of
uitrustingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde
regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat de bij artikel 15 gestelde verboden in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen niet gelden met betrekking tot
splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen, behorende tot een
bij die maatregel aangewezen categorie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
buitengebruikstelling en ontmanteling van bij of krachtens die
maatregel aangewezen categorieën van inrichtingen als bedoeld in
artikel 15, onder b. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald
dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven
categorieën van gevallen.
4. Ten aanzien van bij de regels te
stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 2.22, tweede en
derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde
regels over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet, alsmede artikel 4.1
van die wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat,
bij toepassing van het tweede lid, het stellen van financiële
zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten
van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend
uit de nadelige gevolgen voor de bij of krachtens artikel 15b
aangewezen belangen, die de inrichting veroorzaakt.
5. Indien bij een maatregel krachtens
het eerste lid tevens toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan
de verplichting worden opgelegd tot het melden van de handelingen ten
aanzien waarvan de bij artikel 15 gestelde verboden niet gelden.
6. De artikelen 8.40, tweede lid, 8.41,
tweede, derde en vierde lid en 8.42, eerste tot en met vijfde lid, van
de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze
Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tezamen.
Afdeling 3. Inbezitneming van
splijtstoffen en ertsen
Artikel 22
1. Ieder, die zonder daartoe bevoegd te
zijn splijtstoffen of ertsen, dan wel stoffen, waarvan hij
redelijkerwijs moet vermoeden, dat het splijtstoffen of ertsen zijn,
onder zich heeft of krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te
doen bij de burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich
bevinden.
2. De burgemeester geeft van de gedane
aangifte onverwijld kennis aan een der krachtens artikel 58, eerste
lid, aangewezen ambtenaren.
3. De krachtens artikel 58, eerste lid,
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd
aanwezig bevonden splijtstoffen en ertsen en de voorwerpen, welke tot
hun verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder
bestuursdwang op te leggen.
4. Door toepassing van bestuursdwang in
bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door Onze Ministers
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan te wijzen instelling of persoon. Deze geeft van de
overdracht kennis in de Staatscourant en een of meer nieuwsbladen. Met
toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing.
Artikel 23
1. Hij, die bevoegd is de in bezit
genomen splijtstoffen of ertsen onder zich te hebben, kan binnen drie
maanden na de in artikel 22, vierde lid, bedoelde kennisgeving de
afgifte van de in bezit genomen goederen vorderen bij een
verzoekschrift, te richten tot de rechtbank, binnen welker
rechtsgebied de inbezitneming heeft plaats gevonden.
2. De rechtbank behandelt het verzoek
overeenkomstig de bepalingen van de zesde afdeling van Titel I van het
Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering en beslist zo spoedig
mogelijk bij met redenen omklede beschikking.
Artikel 24
1. Ingeval niet binnen de in artikel
23, eerste lid, genoemde termijn een verzoekschrift is ingediend of
ingeval een krachtens dat lid gedaan verzoek ongegrond is verklaard,
vervallen alle rechten op de in bezit genomen goederen aan de staat,
met uitzondering van de rechten, welke ingevolge internationale
overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties daarop
rusten. De krachtens artikel 22, vierde lid, aangewezen instelling of
persoon geeft hiervan kennis in de Staatscourant en een of meer
nieuwsbladen.
2. Hij, wiens rechten ingevolge het
eerste lid aan de staat zijn vervallen, kan binnen een jaar na de
krachtens het eerste lid gedane kennisgeving deze rechten van de staat
terugvorderen.
Artikel 25 [Vervallen per 01-03-1993]
Afdeling 5. Algemeen
Artikel 26
1. De voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in
dit hoofdstuk bedoeld wordt Ons gedaan, indien het betreft:
a. een maatregel als in artikel 13
of 14 bedoeld: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
b. een maatregel als in artikel 15b
bedoeld: door Onze Ministers, wie het aangaat;
c. een maatregel als in artikel 16,
17 of 21 bedoeld: door Onze Ministers van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. Ten aanzien van bij een algemene
maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 14, geregelde
onderwerpen, kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie nadere regels stellen.
Artikel 27 [Vervallen per 30-07-1988]
Hoofdstuk IV. Radioactieve stoffen en
toestellen
Afdeling 1. Radioactieve stoffen
Artikel 28
Ieder die radioactieve stoffen bereidt,
vervoert, voorhanden heeft, toepast, binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is
verplicht daaromtrent een administratie te voeren, overeenkomstig bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
Artikel 29
1. Het is verboden zonder vergunning
van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen radioactieve
stoffen of in daarbij aan te wijzen gevallen radioactieve stoffen te
bereiden, te vervoeren, voorhanden te hebben, toe te passen, binnen of
buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel
zich daarvan te ontdoen.
2. Voor zover het bij of krachtens het
eerste lid bepaalde afwijkt van bij of krachtens andere wetten
gestelde regelen, blijven deze buiten toepassing.
Artikel 29a
1. Op de voorbereiding van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29 zijn
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de
Wet milieubeheer van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de
Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van de
beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29:
a. voor het vervoeren, het
voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer, het
binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen
van radioactieve stoffen, dan wel het voorhanden hebben of zich
ontdoen van zodanige stoffen die zullen ontstaan tijdens het
gebruik van splijtstoffen in een inrichting of uitrusting, ten
aanzien waarvan een vergunning krachtens artikel 15, onder b of c,
is vereist;
b. voor het bereiden, voorhanden
hebben, toepassen of zich ontdoen van radioactieve stoffen in
overeenkomstige gevallen als bedoeld in artikel 17, derde lid;
c. voor medische toepassingen,
indien naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie het belang van de patiënt onverwijlde
toepassing van die stoffen vereist.
In gevallen als bedoeld in de eerste
volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning.
3. De artikelen 15c, eerste lid, 16 en
17a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30 [Vervallen per 16-11-2010]
Artikel 31
1. Aan een vergunning worden met
inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur
gestelde regelen de met het oog op de bescherming van mensen, dieren,
planten en goederen nodige voorschriften verbonden. Voor zover door
het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen
van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen
niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften
verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die
gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
2. Zodanige voorschriften kunnen de
verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het
voorschrift zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen
van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien
van die eis de verplichting ingaat.
3. Een vergunning kan ter bescherming
van de in het eerste lid genoemde belangen onder beperkingen worden
verleend.
4. De artikelen 18a tot en met 20a zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
1. Onverminderd het in artikel 29
bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
worden gesteld met betrekking tot radioactieve stoffen met het oog op
de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen of in het
belang van de beveiliging van die stoffen.
2. Hiertoe kunnen behoren:
a. regelen, welke voorwaarden
inhouden, waaraan degene, die bij de maatregel aangewezen
radioactieve stoffen bereidt, vervoert, voorhanden heeft of
toepast, dan wel zich daarvan ontdoet, moet voldoen;
b. regelen betreffende de plaatsen,
waar, de wijze, waarop en de omstandigheden, waaronder bij de
maatregel aangewezen radioactieve stoffen mogen worden bereid,
vervoerd, voorhanden gehouden of toegepast, en de wijze, waarop en
de omstandigheden, waaronder men zich van deze stoffen mag
ontdoen;
c. regelen, welke voorwaarden
inhouden, waaraan vervoermiddelen, waarmede bij de maatregel
aangewezen radioactieve stoffen worden vervoerd, moeten voldoen.
3. Een algemene maatregel van bestuur,
waarbij regelen als in het tweede lid, onder a, b of c, bedoeld worden
gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door
bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de
betrokkene gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis
wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de
verplichting ingaat.
4. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan een verplichting
worden opgelegd tot het melden van bij die maatregel aangewezen
handelingen.
5. Ten aanzien van het bepaalde in het
vierde lid, zijn de artikelen 8.40, tweede lid, 8.41, tweede, derde en
vierde lid, en 8.42, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet
milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
met betrekking tot de toepassing van artikel 8.41, derde lid, van die
wet onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, en:
a. indien de in dat artikellid
bedoelde nadere regels betrekking hebben op medische
stralingstoepassingen, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport;
b. indien de in dat artikellid
bedoelde nadere regels betrekking hebben op lozing in
oppervlaktewater, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
6. Indien bij een algemene maatregel
van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of
krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre
buiten toepassing.
Artikel 33
1. Ieder, die zonder daartoe bevoegd te
zijn radioactieve stoffen dan wel stoffen, waarvan hij redelijkerwijs
moet vermoeden dat het radioactieve stoffen zijn, onder zich heeft of
krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te doen bij de
burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich bevinden.
2. De burgemeester geeft van de gedane
aangifte onverwijld kennis aan een der krachtens artikel 58, eerste
lid, aangewezen ambtenaren.
3. De krachtens artikel 58, eerste lid,
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd
aanwezig bevonden radioactieve stoffen en de voorwerpen, welke tot hun
verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder
bestuursdwang op te leggen.
4. Door toepassing van bestuursdwang in
bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door Onze Ministers
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan te wijzen instelling of persoon. Deze geeft van de
overdracht kennis in de Staatscourant en een of meer nieuwsbladen. Met
toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing.
5. De artikelen 23 en 24 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Toestellen
Artikel 34
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met het oog op de bescherming van mensen, dieren,
planten en goederen regelen worden gesteld betreffende toestellen.
2. Hiertoe kunnen behoren:
a. regelen, welke een verbod
inhouden bij de maatregel aangewezen toestellen te gebruiken, voor
zover naar Ons oordeel het nut van het gebruik daarvan niet
opweegt tegen de nadelige gevolgen voor de openbare gezondheid;
b. regelen, welke een verbod
inhouden bij de maatregel aangewezen toestellen te gebruiken
zonder vergunning;
c. regelen, welke voorwaarden
inhouden, waaraan degene, die bij de maatregel aangewezen
toestellen gebruikt, moet voldoen;
d. regelen, welke voorwaarden
inhouden, waaraan bij de maatregel aangewezen toestellen moeten
voldoen;
e. regelen betreffende de plaatsen,
waar, de wijze, waarop en de omstandigheden, waaronder bij de
maatregel aangewezen toestellen mogen worden gebruikt;
f. regelen, welke de verplichting
inhouden tot melding van het gebruik van bij de maatregel
aangewezen toestellen.
3. In geval van toepassing van het
tweede lid, onder b, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing,
voor zover dat bij die regelen is bepaald. De artikelen 15c, eerste
lid, 16, eerste lid, en 17a zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Een vergunning als bedoeld in het
tweede lid, onder b, kan ter bescherming tegen nadelige gevolgen voor
mensen, dieren, planten of goederen onder beperkingen worden verleend.
5. Aan een vergunning als in het tweede
lid, onder b, bedoeld kunnen voorschriften worden verbonden. Voor
zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de
nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren,
planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de
voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden
tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
6. Zodanige voorschriften kunnen, voor
zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting
inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift
zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige
eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis
de verplichting ingaat.
7. De artikelen 18a tot en met 20a zijn
van overeenkomstige toepassing.
8. Een algemene maatregel van bestuur,
waarbij regelen als in het tweede lid, onder c, d of e, bedoeld worden
gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door
bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de
betrokkene gestelde nadere eisen. Het vijfde lid, tweede volzin, is
van overeenkomstige toepassing.
9. Indien bij een algemene maatregel
van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of
krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre
buiten toepassing.
Afdeling 3. Algemeen
Artikel 35
De voordracht tot vaststelling, wijziging
of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens dit
hoofdstuk wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de
maatregel betrekking heeft op medische stralingstoepassingen, wordt de
voordracht mede door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
gedaan. Indien de maatregel betrekking heeft op lozing in
oppervlaktewater, wordt de voordracht mede door Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu gedaan.
Hoofdstuk V. Maatregelen met betrekking
tot werkzaamheden of verblijf in ruimten
Artikel 36
1. Indien ten aanzien van een
inrichting als in artikel 15, onder b, bedoeld of ten aanzien van een
uitrusting als in dat artikel, onder c, bedoeld, welke in een vaartuig
of ander vervoermiddel is of wordt aangebracht, dan wel ten aanzien
van splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen of toestellen in
strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde is gehandeld, kunnen
de krachtens artikel 58, eerste lid, aangewezen ambtenaren, ingeval
dit handelen naar hun oordeel ten gevolge heeft, dat personen door het
verrichten van werkzaamheden in bepaalde ruimten of door het verblijf
in die ruimten zich aan een aanmerkelijk gevaar blootstellen, de
betrokkene bij beschikking bevelen een ieder, dan wel personen,
behorende tot daarbij aangewezen categorieën, te beletten
werkzaamheden in die ruimten te verrichten of aldaar te verblijven.
2. De ambtenaar, die een beschikking
krachtens het eerste lid heeft vastgesteld, kan - zo nodig met behulp
van de sterke arm - alle maatregelen treffen, die hij ter verzekering
van de uitvoering van de beschikking nodig acht.
3. Een krachtens het eerste lid
vastgestelde beschikking heeft een werkingsduur van één week, tenzij
vóór het verstrijken van die termijn door Onze betrokken Ministers
anders is bepaald.
Hoofdstuk Va. Metingen radioactiviteit en
bedrijfsvoering
Artikel 37
1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld betreffende het meten van
doses ioniserende straling en het bepalen van radioactieve besmetting,
zomede betreffende de registratie daarvan.
2. Hiertoe kunnen behoren:
a. regelen, welke voor bij de
maatregel aangewezen personen de verplichting inhouden tot het bij
zich dragen van een middel ter controle van de dosis ioniserende
straling, waaraan zij blootgesteld zijn geweest;
b. regelen, welke voor bij de
maatregel aangewezen personen de verplichting inhouden tot het
houden van een register, waarin wordt bijgehouden de dosis
ioniserende straling, waaraan de houder is blootgesteld geweest;
c. regelen, welke voor degene onder
wiens verantwoordelijkheid de houder van een register als onder b
bedoeld aan ioniserende straling blootgesteld is geweest, de
verplichting inhouden tot het registreren van de dosis in dit
register;
d. regelen, welke voor bij de
maatregelen aangewezen personen de verplichting inhouden tot het
zich onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek in verband met
stralingsgevaar;
e. regelen, welke de verplichting
inhouden apparaten, dienende tot het meten van doses ioniserende
straling en tot het bepalen van radioactieve besmetting, te doen
ijken.
Artikel 37a
1. De voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in
artikel 37 bedoeld wordt gedaan door Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie en, indien het een maatregel betreft met
het oog op de arbeidsbescherming dan wel de medische aspecten van
bescherming tegen ioniserende straling, Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2. Ten aanzien van bij een algemene
maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens het eerste lid, geregelde
onderwerpen kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie en, indien het een maatregel betreft met het oog op de
arbeidsbescherming dan wel medische aspecten van bescherming tegen
ioniserende straling, Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, nadere regels stellen.
Artikel 37b
1. Indien naar het oordeel van Onze
Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid de bedrijfsvoering van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, ernstige tekortkomingen vertoont,
treffen zij alle maatregelen die zij met het oog op de omstandigheden
geboden achten.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde
maatregelen kunnen behoren het treffen van de nodige technische,
organisatorische, personele en administratieve voorzieningen.
3. Indien de inrichting in gebruik is
dan wel is bestemd voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij
de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, oefenen Onze
Ministers hun bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie, onderscheidenlijk de verantwoordelijke autoriteit van de
desbetreffende mogendheid.
Hoofdstuk VI. Bepalingen met betrekking
tot interventie bij ongevallen of langdurige blootstellingen alsmede de
voorbereiding daarop
Afdeling 1. Inleidende bepalingen
Artikel 38
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. ongeval: gebeurtenis
1°. als gevolg waarvan straling
vrijkomt of dreigt vrij te komen die tot een verhoogd risico
leidt of kan leiden voor mens of milieu, of
2°. die ter voorkoming of
vermindering van een verhoogd stralingsrisico voor mens of
milieu een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties
van verschillende disciplines vergt;
c. categorie A-object:
1°. een inrichting als bedoeld
in artikel 15, onder b, met uitzondering van een inrichting
waarin uitsluitend splijtstoffen worden opgeslagen of verwerkt,
alsmede een inrichting voor uraniumverrijking,
2°. een ruimtevaartuig of een
vervoermiddel met een uitrusting als bedoeld in artikel 15,
onder c,
3°. inrichtingen als bedoeld in
artikel 15, onder b, uitrustingen als bedoeld in artikel 15,
onder c, alsmede inrichtingen of vervoermiddelen waarin of
waarmee handelingen worden verricht als bedoeld in artikel 15,
onder a, met betrekking tot splijtstoffen of ertsen voor zover
bestemd voor of in gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij
de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, of
4°. een met een object als
bedoeld onder 1° tot en met 3° en onder d vergelijkbaar object
buiten Nederland;
d. categorie B-object:
1°. een inrichting voor
uraniumverrijking,
2°. een inrichting waarin
uitsluitend splijtstoffen of radioactieve stoffen worden
opgeslagen of verwerkt,
3°. een inrichting waarin
radioactieve stoffen kunnen worden bereid of toegepast,
4°. een inrichting waarin zich
toestellen bevinden,
5°. een vervoermiddel waarin
zich splijtstoffen of ertsen bevinden, of
6°. een vervoermiddel waarin
zich radioactieve stoffen of toestellen bevinden;
e. radiologische noodsituatie: een
situatie die een dringend optreden vereist om mensen, dieren,
planten en goederen tegen blootstelling aan ioniserende straling te
beschermen;
f. interventie: een verrichting,
bestaande uit het treffen van maatregelen bij stralingsbronnen,
stralingsroutes en mensen, dieren, planten en goederen, ter
voorkoming of vermindering van de blootstelling aan ioniserende
straling van mensen, dieren, planten en goederen ten gevolge van:
1°. een radiologische
noodsituatie, of
2°. een langdurige blootstelling
tengevolge van een radiologische noodsituatie of een handeling
of werkzaamheid met splijtstoffen, radioactieve stoffen of
toestellen die in het verleden heeft plaatsgevonden.
Artikel 38a
1. Onze Minister en Onze Minister wie
het aangaat zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van
interventies en voor de coördinatie en uitvoering daarvan. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent deze
voorbereiding, uitvoering en coördinatie regels worden gesteld.
2. De voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister en Onze
Minister wie het aangaat.
Artikel 39
1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat zich een ongeval voordoet met een categorie A- of
B-object is verplicht dit terstond te melden aan de burgemeester van
de gemeente, waar hij zich bevindt.
2. De burgemeester geeft van de gedane
melding onverwijld kennis aan Onze Minister.
3. De exploitant van een inrichting als
bedoeld in artikel 15, onder b, verschaft de burgemeester, al of niet
op diens verzoek, onverwijld alle informatie die bij de uitoefening
van diens taak nodig is.
Afdeling 2. Organisatie en coördinatie
Artikel 40
1. Onze Minister en Onze Minister wie
het aangaat, zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van de
organisatie ten behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen
binnen of buiten Nederland met categorie A-objecten en voor de
coördinatie van die bestrijding. Zij bevorderen voorts in het
bijzonder het houden van oefeningen en de totstandkoming van
afspraken, die nodig zijn voor een doelmatige bestrijding van deze
ongevallen.
2. Het bestuur van de veiligheidsregio
is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de organisatie ten
behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen met categorie
B-objecten. De burgemeester is verantwoordelijk voor de coördinatie
van die bestrijding.
Artikel 41
De voorbereiding door het bestuur van de
veiligheidsregio van de bestrijding van ongevallen met categorie
A-objecten en categorie B-objecten geschiedt overeenkomstig paragraaf 3
van de Wet veiligheidsregio’s. Bij de voorbereiding houdt het bestuur
van de veiligheidsregio rekening met de, overeenkomstig artikel 40,
eerste lid, tot stand gekomen afspraken.
Artikel 42
1. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister wie het aangaat, gelet op de meer dan plaatselijke
betekenis van een ongeval met een categorie B-object, zoveel mogelijk
na overleg met de burgemeester van de gemeente waar zich dat ongeval
heeft voorgedaan en de voorzitter van de veiligheidsregio, besluiten
dat een ongeval met een categorie B-object wordt bestreden als een
ongeval met een categorie A-object.
2. De burgemeester van de gemeente waar
zich dat ongeval heeft voorgedaan, of de voorzitter van de
veiligheidsregio kan Onze Minister verzoeken gebruik te maken van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 3. Informatieverstrekking
Artikel 43
1. Onze Minister en Onze Minister wie
het aangaat, dragen er zorg voor dat de Nederlandse bevolking op
passende wijze informatie wordt verstrekt over mogelijke ongevallen
met een categorie A-object, de maatregelen ter voorkoming en
bestrijding daarvan, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming
van de gezondheid, en de bij deze ongevallen te volgen gedragslijn.
2. De in het eerste lid bedoelde
informatie heeft in ieder geval betrekking op:
a. gegevens inhoudende basiskennis
over radioactiviteit en de gevolgen daarvan op mens en milieu;
b. de gevaren en de gevolgen van
een ongeval;
c. de wijze waarop de bevolking bij
een ongeval wordt gewaarschuwd, op de hoogte gehouden en
beschermd;
d. de wijze waarop de bevolking
dreigend gevaar kan herkennen;
e. de door de bevolking te volgen
gedragslijn en de maatregelen die zij bij een ongeval dient te
treffen om de schadelijke gevolgen daarvan zoveel mogelijk te
beperken.
3. De verschaffing van de informatie,
bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, geschiedt ten minste één
maal per jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen
significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de
te verstrekken informatie dan bijgewerkt.
4. De verschaffing van de informatie,
bedoeld in het tweede lid, onder a en b, geschiedt ten minste één
maal per vijf jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen
significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de
te verstrekken informatie dan bijgewerkt.
5. Onze Minister en Onze Minister wie
het aangaat verschaffen de informatie, bedoeld in het vierde lid,
eerder en werken deze eerder bij, indien naar hun oordeel
ontwikkelingen in de kennis over de veiligheid, over de beoordeling
van risico’s of over een doelmatige ongevallenbestrijding hiertoe
nopen.
Artikel 43a
1.Onze Minister en Onze Minister wie
het aangaat, dragen er zorg voor dat de bevolking die wordt getroffen
door een ongeval met een categorie A-object of door een ongeval met
een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met
een categorie A-object wordt bestreden, onverwijld en bij herhaling
doelmatige informatie wordt verstrekt over de te volgen gedragslijn en
de maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van dat ongeval,
daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van de gezondheid.
2.De in het eerste lid bedoelde
informatie heeft in ieder geval betrekking op:
a. het ongeval, met name over de
oorzaak, de omvang en de te verwachten gevolgen voor mens en
milieu, alsmede over het te verwachten verloop van het ongeval;
b. de wijze waarop de bevolking
wordt gewaarschuwd, op de hoogte gehouden en beschermd;
c. instructies aan de bevolking die
afhankelijk van de aard van het ongeval betrekking kunnen hebben
op onder meer het gebruik van verontreinigde levensmiddelen, de
hygiëne en ontsmetting, het verblijf binnenshuis, distributie en
gebruik van beschermende stoffen en evacuatie;
d. de diensten of personen bij wie
nadere informatie kan worden ingewonnen.
Artikel 44
Onze Minister, Onze Minister wie het
aangaat, en het bestuur van de veiligheidsregio dragen er zorg voor dat
de personen werkzaam bij diensten of organisaties die kunnen worden
ingeschakeld bij de bestrijding van een ongeval met een categorie
A-object of van een ongeval met een categorie B-object dat krachtens
artikel 42 als een ongeval met een categorie A-object wordt bestreden,
regelmatig worden geïnformeerd over de tot deze categorie behorende
ongevallen, over de risico’s die zij bij de uitvoering van hun taak
lopen, en over de daarbij te nemen voorzorgsmaatregelen.
Artikel 45
1. De verstrekking van informatie aan
de bevolking en aan personen die bij de bestrijding van een ongeval
met een categorie B-object zijn betrokken, geschiedt overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 en 46 van de Wet
veiligheidsregio’s.
2. Het bestuur van de veiligheidsregio
draagt er zorg voor dat de door hem verstrekte informatie in
overeenstemming is met de informatie, bedoeld in artikel 43, tweede
lid, onder a en b.
Afdeling 4. Regels en maatregelen bij een
ongeval met een categorie A- of een categorie B-object
Artikel 46
1. Indien zich een ongeval voordoet met
een categorie A-object of met een categorie B-object dat krachtens
artikel 42 als een ongeval met een A-object wordt bestreden, stelt
Onze Minister wie het aangaat, regels of treft hij maatregelen, zo
nodig met behulp van de sterke arm, om de gevolgen van dat ongeval
zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
2. De in het eerste lid bedoelde regels
en maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de toegang van mensen, dieren,
planten of goederen tot het verontreinigde gebied,
b. het verblijf binnenshuis van
mens en dier,
c. het brengen van mensen, dieren,
planten of goederen binnen het verontreinigde gebied naar elders
binnen of buiten het verontreinigde gebied,
d. het uitwendig ontsmetten en het
behandelen van inwendige besmetting van mensen, alsmede het
verstrekken van beschermende stoffen aan mensen,
e. het in verband met
stralingsgevaar onderwerpen van personen of dieren aan een
geneeskundig of veterinair onderzoek,
f. het begraven, verbranden,
bewaren, behandelen of vervoeren van lijken van personen, die
mogelijk radioactief besmet zijn,
g. het in beslag nemen of het
vernietigen van dieren, planten en goederen, die mogelijk
radioactief besmet zijn,
h. het ontsmetten van dieren of
goederen,
i. het versnellen van de afvoer of
het doorspoelen van verontreinigd oppervlaktewater,
j. het beschermen van
oppervlaktewater en de drinkwatervoorziening,
k. het onttrekken van primair slib
aan het slibverwerkingsproces, of het verbieden of beperken van
het gebruik van oppervlaktewater, en
l. het telen en oogsten van land-
en tuinbouwprodukten, het sluiten van kassen, het weiden, vangen
en slachten van dieren en het vissen.
3. Onze Minister wie het aangaat, stelt
geen regels en treft geen maatregelen dan na overleg met Onze Minister
alsmede met de voorzitter van de veiligheidsregio en de commissaris
van de Koning, die hierbij in het bijzonder betrokken zijn, tenzij de
vereiste spoed zich daartegen verzet.
Artikel 47
1.Indien zich een ongeval voordoet met
een categorie A-object, als bedoeld in artikel 38, onderdeel c, onder
1° of 2°, kan Onze Minister degene die het daarbij betrokken object
onder zijn beheer heeft, bij beschikking bevelen de maatregelen te
nemen die naar zijn oordeel nodig zijn om de gevolgen van dat ongeval
zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
2.Tot de in het eerste lid bedoelde
maatregelen kunnen behoren het stilleggen van de betrokken inrichting,
het buiten werking stellen van de betrokken uitrusting of het
beëindigen van het verblijf van het betrokken vervoermiddel in
Nederland.
3.Indien de gevolgen van het ongeval
zich waarschijnlijk zullen beperken tot de veiligheid binnen de
betrokken inrichting, worden de in het eerste lid bedoelde bevelen
gegeven door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid tezamen.
4.De burgemeester van de gemeente waar
zich het ongeval heeft voorgedaan kan Onze Minister, onderscheidenlijk
Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
onderscheidenlijk derde lid. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk
beschikt.
5.Van een krachtens het eerste lid
vastgestelde beschikking wordt mededeling gedaan door toezending van
een afschrift aan de burgemeester van de gemeente, waar zich het
ongeval heeft voorgedaan.
Artikel 48
1. Indien zich een ongeval voordoet met
een categorie A-object, als bedoeld in artikel 38, onderdeel c, onder
3°, kan Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze
Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, degene die het daarbij betrokken object onder
zijn beheer heeft, bij beschikking bevelen de maatregelen te nemen die
naar zijn oordeel nodig zijn om de gevolgen van dat ongeval zoveel
mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Artikel 47, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
2. De burgemeester van de gemeente waar
zich het ongeval heeft voorgedaan, kan Onze Minister van Defensie
verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beschikt.
3. Artikel 47, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 49
1. De commissaris van de Koning, de
burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio en het dagelijks
bestuur van het waterschap en van andere openbare lichamen verlenen,
op verzoek van Onze Minister wie het aangaat, medewerking aan de
uitvoering of handhaving van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde
regels en maatregelen.
2. Onze Minister wie het aangaat, geeft
van de regels en maatregelen, bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onmiddellijk kennis aan de commissaris van de Koning, aan de
burgemeester, aan de voorzitter van de veiligheidsregio en, voor zover
nodig, aan het dagelijks bestuur van het waterschap en van andere
openbare lichamen.
Artikel 49a
1. Onze Minister wie het aangaat,
trekt, zodra de omstandigheden dit toelaten, de regels in en
beëindigt de getroffen maatregelen.
2. Indien de krachtens artikel 46,
eerste lid, gestelde regels of getroffen maatregelen met onmiddellijke
ingang in werking moeten treden of van kracht moeten worden, kan met
het oog daarop, vooruitlopend op de gebruikelijke bekendmaking,
bekendmaking plaatsvinden door middel van de locale, regionale of
landelijke omroep.
Artikel 49b
1. De voorzitter van de
veiligheidsregio kan naar aanleiding van een ongeval met een categorie
A-object bij verordening voorschriften vaststellen of kan, zonodig met
behulp van de sterke arm, maatregelen treffen om de gevolgen van dat
ongeval zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De
voorschriften en maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op de
onderwerpen, bedoeld in artikel 46, tweede lid.
2. De voorzitter van de
veiligheidsregio deelt de voorschriften of maatregelen die hij
krachtens het eerste lid heeft vastgesteld of getroffen, onmiddellijk
mee aan Onze Minister, Onze Minister wie het aangaat, en de
commissaris van de Koning.
3. De voorzitter van de
veiligheidsregio trekt de door hem vastgestelde voorschriften in en
beëindigt de door hem getroffen maatregelen, zodra Onze Minister wie
het aangaat, overeenkomstige regels stelt of overeenkomstige
maatregelen treft krachtens artikel 46, eerste lid, of aan de
voorzitter van de veiligheidsregio meedeelt dat de door deze
vastgestelde voorschriften moeten worden ingetrokken of de door hem
getroffen maatregelen moeten worden beëindigd. Onze Minister wie het
aangaat, handelt hierbij voor zover mogelijk in overleg met de
voorzitter van de veiligheidsregio.
4. Artikel 49a is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 49c
De burgemeester deelt de bevelen en
algemeen verbindende voorschriften die hij op grond van artikel 175
onderscheidenlijk 176 van de Gemeentewet bij een ongeval met een
categorie B-object heeft gegeven, onmiddellijk mee aan Onze Minister,
Onze Minister wie het aangaat, en aan de commissaris van de Koning.
Artikel 49d
1. Indien zich een ongeval voordoet met
een categorie B-object, treft de beheerder van het oppervlaktewater
maatregelen, zonodig met behulp van de sterke arm, die naar zijn
oordeel nodig zijn om de gevolgen voor het oppervlaktewater zoveel
mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
2. De in het eerste lid bedoelde
maatregelen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
a. het versnellen van de afvoer of
het doorspoelen van verontreinigd oppervlaktewater,
b. het beschermen van
oppervlaktewater en de drinkwatervoorziening, en
c. het onttrekken van primair slib
aan het slibverwerkingsproces, of het verbieden of beperken van
het gebruik van oppervlaktewater.
3. De artikelen 49a, 49b, derde lid, en
49c zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Schadevergoeding
Artikel 49e
1. Aan degene voor wie uit de
toepassing van artikel 46, 49b of 49d of uit de toepassing van artikel
175 of 176 van de Gemeentewet bij een ongeval met een categorie
B-object rechtstreeks en onmiddellijk schade ontstaat, die
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven,
kan op zijn verzoek door het in het vijfde lid aangewezen
bestuursorgaan een naar billijkheid te bepalen vergoeding worden
toegekend, voor zover:
a. de schade niet langs
burgerrechtelijke weg is of kan worden verhaald;
b. in de vergoeding van de schade
niet op andere wijze is of kan worden voorzien.
2. Het in het vijfde lid aangewezen
bestuursorgaan kan regels stellen:
a. waarbij categorieën van
gevallen worden aangewezen, ten aanzien waarvan toepassing zal
worden gegeven aan het eerste lid;
b. omtrent de indiening en
behandeling van en de beslissing op een verzoek om een vergoeding
als bedoeld in het eerste lid.
3. Het in het vijfde lid aangewezen
bestuursorgaan kan regels stellen, waarbij wordt bepaald dat een
vergoeding kan worden toegekend indien de vaststelling vooraf of zich
al dan niet schade als bedoeld in het eerste lid, onder a of b,
voordoet, zou leiden tot onredelijke vertraging in de behandeling van
het verzoek of tot kosten ten aanzien waarvan in redelijkheid niet kan
worden gevergd dat de belanghebbende deze draagt.
4. Een vergoeding krachtens het derde
lid kan alleen aan de belanghebbende worden toegekend onder de
voorwaarde dat hij voor het toegekende bedrag de rechten die hij
terzake van de door hem geleden schade tegenover derden heeft,
overdraagt aan het bestuursorgaan dat de vergoeding toekent.
5. Regels als bedoeld in het tweede en
derde lid worden gesteld door:
a. Onze Minister wie het aangaat,
indien het betreft schade ten gevolge van de toepassing van
artikel 46;
b. de gemeenteraad, indien het
betreft schade ten gevolge van de toepassing van artikel 49b of
van de toepassing van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet bij
een ongeval met een categorie B-object;
c. de beheerder van het
oppervlaktewater indien het betreft schade ten gevolge van de
toepassing van artikel 49d.
6. De beslissing op een verzoek om
vergoeding van schade als bedoeld in het eerste lid wordt genomen
door:
a. Onze Minister wie het aangaat,
indien het betreft schade ten gevolge van de toepassing van
artikel 46;
b. het college van burgemeester en
wethouders, indien het betreft schade ten gevolge van de
toepassing van artikel 49b of van de toepassing van artikel 175 of
176 van de Gemeentewet bij een ongeval met een categorie B-object;
c. de beheerder van het
oppervlaktewater, indien het betreft schade ten gevolge van de
toepassing van artikel 49d.
Hoofdstuk VII. Beroep
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 51 [Vervallen per 23-02-1994]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 54 [Vervallen per 01-09-1980]
Artikel 55 [Vervallen per 01-09-1980]
Artikel 56 [Vervallen per 01-09-1980]
Artikel 57 [Vervallen per 01-09-1980]
Hoofdstuk VIII. Ambtelijke bevoegdheden
Artikel 58
1. Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van
Onze Ministers, wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.
2. Onze Ministers van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
wijzen, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat,
ambtenaren aan belast met het meten van doses ioniserende straling en
het bepalen van radioactieve besmetting, alsmede met de in artikel 37
bedoelde registratie daarvan.
3. Met de uitoefening van de in het
eerste en tweede lid bedoelde taken zijn mede belast de door Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe aangewezen
ambtenaren, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, van de
Warenwet.
4. Onze betrokken Ministers stellen
regelen betreffende de taakvervulling van de krachtens het eerste,
tweede en derde lid aangewezen ambtenaren.
5. Van een besluit als bedoeld in het
eerste, tweede of derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in
de Staatscourant.
Artikel 59
1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de in artikel 58, tweede en derde lid,
bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van de in artikel 58, tweede
lid, bedoelde taken.
2. De in artikel 58, eerste, tweede en
derde lid, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de
benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming
van de bewoner.
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 61 [Vervallen per 01-10-1994]
Artikel 62 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 65
1. Onze Ministers, wie het aangaat,
kunnen personen, die zijn aangewezen om de naleving van internationale
overeenkomsten en door volkenrechtelijke organisaties genomen
besluiten, geheel of gedeeltelijk betrekking hebbende op het gebied
van de kernenergie of van de ioniserende straling, te controleren,
toelaten deze taak te vervullen.
2. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met
5.20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen.
3. De in het eerste lid bedoelde
personen zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een
woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, met dien
verstande dat bedoelde personen daarbij vergezeld zijn van een
ambtenaar als bedoeld in artikel 58.
4. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 66
Het bevoegd gezag is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de
verplichting tot het verlenen van medewerking aan een krachtens de
artikelen 58 en 65 aangewezen persoon of ambtenaar.
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Artikel 67
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regelen worden gesteld ter uitvoering van internationale
overeenkomsten en door volkenrechtelijke organisaties genomen
besluiten, geheel of gedeeltelijk betrekking hebbende op het gebied
van de kernenergie of van de ioniserende straling.
2. Hiertoe kunnen behoren:
a. regelen, welke een verbod
inhouden hulpstoffen of hulptoestellen, welke voor de vrijmaking
van kernenergie of voor de opslag, vervaardiging, bewerking of
verwerking van splijtstoffen dienstig kunnen zijn, voorhanden te
hebben dan wel binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen
zonder vergunning;
b. regelen, welke de verplichting
inhouden tot mededeling van daarbij aangewezen gegevens.
3. In geval van toepassing van het
tweede lid, onder a, is artikel 16 van overeenkomstige toepassing.
4. Aan een vergunning als in het tweede
lid, onder a, bedoeld kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Zodanige voorschriften kunnen, voor
zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting
inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift
zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige
eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis
de verplichting ingaat.
6. Een vergunning als bedoeld in het
tweede lid, onder a, kan te allen tijde worden ingetrokken op grond
van gewichtige redenen aan het algemeen belang ontleend. De aan een
vergunning verbonden voorschriften kunnen te allen tijde worden
gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
Artikel 68
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
regelen worden gesteld ter verzekering van de geheimhouding van:
a. gegevens, hulpmiddelen en
materialen voor:
1°. de vrijmaking van
kernenergie,
2°. de opslag, vervaardiging,
bewerking of verwerking van splijtstoffen en
3°. de beveiliging van bij die
maatregel aangewezen categorieën van splijtstoffen, ertsen,
radioactieve stoffen en inrichtingen als bedoeld in artikel 15,
onder b,
voor zover deze, hetzij rechtstreeks
van de overheid, hetzij met instemming van het bevoegde gezag, onder
verplichting tot geheimhouding zijn verkregen, dan wel door Onze
Ministers, wie het aangaat, zijn aangewezen;
b. met behulp van zodanige gegevens,
hulpmiddelen en materialen verrichte onderzoekingen en toegepaste
werkmethoden, voor zover deze onderzoekingen en werkmethoden door
Onze Ministers, wie het aangaat, zijn aangewezen.
Artikel 69
1. Een taak die ingevolge bij of
krachtens deze wet gestelde regels wordt verricht door een deskundige,
wordt slechts uitgevoerd door een persoon die als zodanig met het oog
op de uitvoering van de betrokken taak is ingeschreven in een door
Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie aan te wijzen register.
2. Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
beslissen op de aanvraag voor inschrijving in een register als bedoeld
in het eerste lid. Zij zijn bevoegd de inschrijving door te halen.
3. Een inschrijving in een register
geldt voor een bepaalde tijd. Aan een inschrijving kunnen
voorschriften worden verbonden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over de eisen met betrekking tot
vaardigheden en bekwaamheden waaraan een persoon moet voldoen om als
deskundige in een register te kunnen worden ingeschreven.
5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld over de inschrijving in een
register, die in ieder geval betrekking kunnen hebben op:
a. de wijze waarop de aanvraag voor
inschrijving in een register wordt gedaan en de door de aanvrager
te verschaffen gegevens en bescheiden;
b. de gronden waarop en de gevallen
waarin de inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald;
c. de vergoeding die is
verschuldigd in verband met de inschrijving in een register;
d. de aanwijzing van een register;
e. het beheer van een register;
f. de taakverdeling tussen Onze in
het eerste lid genoemde Ministers.
Artikel 69a
1. Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen op verzoek een instelling
aanwijzen die de bevoegdheden, bedoeld in artikel 69, derde lid,
uitoefent.
2. Aan de aanwijzing van een
instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden
verbonden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gronden
waarop een instelling kan worden aangewezen, alsmede met betrekking
tot de gronden waarop een aanwijzing kan worden ingetrokken dan wel
gewijzigd.
Artikel 69b
1. Een krachtens artikel 69a, eerste
lid, aangewezen instelling verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze in
dat artikellid genoemde Ministers de voor de uitoefening van hun taak
benodigde inlichtingen. Onze genoemde Ministers kunnen inzage vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden voor zover dat voor vervulling
van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan een krachtens artikel 69a, eerste lid, aangewezen
instelling worden verplicht tot het periodiek opstellen en toezenden
aan Onze genoemde Ministers van een verslag van de in artikel 69,
tweede lid, bedoelde werkzaamheden en de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van die werkzaamheden en werkwijze in de afgelopen
periode.
Artikel 69c
1. Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen een krachtens artikel 69a,
eerste lid, aangewezen instelling aanwijzingen geven met betrekking
tot de uitoefening van haar taak. Zij treden daarbij niet in
individuele gevallen.
2. Een krachtens artikel 69a, eerste
lid, aangewezen instelling is gehouden overeenkomstig de aanwijzing,
bedoeld in het eerste lid, te handelen.
Artikel 69d
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
voorzieningen worden getroffen voor het geval een krachtens artikel 69a,
eerste lid, aangewezen instelling haar uit deze wet voortvloeiende
verplichtingen niet naar behoren nakomt.
Artikel 70
1. Een krachtens deze wet verleende
vergunning is persoonlijk.
2. Na het overlijden van een
vergunninghouder blijft de vergunning gedurende vier weken van kracht
ten behoeve van diens rechtverkrijgenden, die het bedrijf voortzetten,
mits door of namens hen binnen een week na dit overlijden daarvan aan
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kennis
wordt gegeven onder opgaaf van de namen van hen, die het bedrijf
voortzetten. Wanneer binnen deze vier weken een aanvraag om een nieuwe
vergunning is ingediend, blijft eerstbedoelde vergunning verder van
kracht totdat op die aanvraag onherroepelijk is beslist. Gedurende het
van kracht blijven van de vergunning kan zij overeenkomstig de
artikelen 19 tot en met 20a worden gewijzigd of ingetrokken.
3. De vergunninghouder kan de
vergunning geheel of gedeeltelijk aan een ander overdragen, indien
daarvoor toestemming is gegeven door Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie. Aan de toestemming kunnen voorschriften
worden verbonden.
Artikel 70a
Op een overeenkomst, gesloten door de
eigenaar van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, waarin
kernenergie kan worden vrijgemaakt, met de Staat der Nederlanden, die
verband houdt met die inrichting, is artikel 252 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de in dat artikel bedoelde rechtsgevolgen mede zullen gelden voor
verplichtingen van eerstgenoemde partij om ten aanzien van die
inrichting iets te doen.
Artikel 71
Een vergunning als in artikel 15, onder
b, bedoeld wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Verordeningen (Stb. 1899, 129) aangemerkt als een van Onzentwege
verleende concessie als in artikel 1 van die wet bedoeld en voor de
toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht (Stb. 1927, 159) als een
door het openbaar gezag verleende concessie als in artikel 1 van die wet
bedoeld.
Artikel 72
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen bij of krachtens andere wetten gestelde regelen geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard, voor zover de
belangen, welke die regelen beogen te beschermen, naar Ons oordeel in
voldoende mate door toepassing van deze wet kunnen worden beschermd.
2. Indien Wij niet binnen twaalf weken
na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur,
waarbij bepalingen van een andere wet geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing zijn verklaard, aan de Staten-Generaal een voorstel van wet
tot wijziging van die wet of tot afwijking daarvan hebben doen
toekomen of indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen,
trekken Wij de maatregel onverwijld in.
Artikel 73
Indien in deze wet geregelde onderwerpen
in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling
behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 74
De bij de toepassing van deze wet
betrokken personen zijn verplicht in bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde gevallen en overeenkomstig daarbij gestelde regelen bij de
maatregel vastgestelde bedragen aan de staat te betalen als bijdrage in
de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten.
Artikel 75
1. Wij kunnen ten behoeve van
instellingen van wetenschap of in het belang van de landsverdediging
van de in de artikelen 15 en 29 vervatte verboden:
a. bij algemene maatregel van
bestuur vrijstelling verlenen;
b. op daartoe strekkend verzoek
ontheffing verlenen.
2. Aan een vrijstelling of ontheffing
worden de voorschriften verbonden, welke naar Ons oordeel nodig zijn
met het oog op de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen.
Artikel 76
1. Het ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 14, 15c, 15f, 16, 17, 17a,
18a, 21, 29, 32, 34, 37, 38a, 67, 68, 73 of 75 wordt overgelegd aan de
beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt.
Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die
bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken
opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis te brengen van
Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en, behoudens ingeval het een
maatregel krachtens artikel 21 betreft, van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport.
2. Een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het eerste lid wordt, nadat hij is vastgesteld,
toegezonden aan beide kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet
eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst.
3. Ten aanzien van bij een algemene
maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 67, geregelde
onderwerpen kunnen Onze betrokken Ministers nadere regelen stellen.
4. Hetgeen ingevolge deze wet bij
algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, kan in afwijking
daarvan bij ministeriële regeling worden geregeld, indien de regels
uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering
wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet
noodzakelijk is. Op de vaststelling van een ministeriële regeling
zijn de artikelen 26 en 35 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76a
Een gedraging in strijd met een
voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende
vergunning, is verboden.
Hoofdstuk X. Handhaving
Artikel 77 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 79
Degene die:
a. splijtstoffen of ertsen vervoert,
voorhanden heeft, toepast, binnen of buiten Nederlands grondgebied
brengt of doet brengen, ter beschikking stelt dan wel zich deze
verschaft of zich daarvan ontdoet,
b. een inrichting waarin kernenergie
kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd,
bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen,
opricht, in werking brengt, in werking houdt of wijzigt,
c. een uitrusting, geschikt om een
vaartuig of een ander vervoermiddel door middel van kernenergie
voort te bewegen, daarin aanbrengt of aangebracht houdt, dan wel
zodanige daarin aangebrachte uitrusting in werking brengt, in
werking houdt of wijzigt,
d. radioactieve stoffen bereidt,
vervoert, voorhanden heeft, toepast, binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengt of doet brengen, ter beschikking stelt, dan wel
zich deze verschaft of zich daarvan ontdoet,
e. ioniserende stralen uitzendende
toestellen vervaardigt, vervoert, voorhanden heeft, toepast, binnen
of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, ter
beschikking stelt, dan wel zich een zodanig toestel verschaft of
zich daarvan ontdoet,
met een terroristisch oogmerk als bedoeld
in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel met het oogmerk
om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat wetboek
voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 80
1. Indien van het opzettelijk handelen
in strijd met het bij of krachtens de artikelen 15, 21, 26, of 76a,
voor zover betrekking hebbend op een vergunning als bedoeld in artikel
15, bepaalde gevaar voor ernstig lichamelijk letsel voor een ander of
aanzienlijke schade aan goederen of het milieu te duchten is, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien van het opzettelijk handelen
in strijd met het bij of krachtens de artikelen 15, 21, 26 of 76a,
voor zover betrekking hebbend op een vergunning als bedoeld in artikel
15, bepaalde levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met
levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
3. De samenspanning tot de in het
eerste en tweede lid omschreven misdrijven, te begaan met een
terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van
Strafrecht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien
jaren of geldboete van de vijfde categorie. Artikel 96, tweede lid,
van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80a
In geval van vervolging wegens een
strafbaar feit, vallende onder de omschrijvingen van artikel 7, eerste
lid, onder a en d, van het op 3 maart 1980 te Wenen/New York tot stand
gekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb.
1981, 7), zoals gewijzigd bij de op 8 juli 2005 te Wenen tot stand
gekomen Wijziging van dat verdrag (Trb. 2006, 81), op grond van een der
bevoegdheidsregels, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, of
artikel 8, tweede lid, van dat Verdrag, wordt bij de toepassing van deze
wet
a. elk handelen zonder vergunning te
verlenen door het bevoegd gezag van een Staat, Partij bij dat
Verdrag, of in strijd met de in zulk een Staat geldende
voorschriften gelijk gesteld met eenzelfde handelen zonder
vergunning te verlenen ingevolge deze wet of in strijd met
overeenkomstige bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften,
b. het binnen of buiten het
grondgebied van een Staat, Partij bij dat Verdrag, brengen of doen
brengen gelijk gesteld met het binnen of buiten Nederlands
grondgebied brengen of doen brengen, en
c. de veiligheid van de Staat gelijk
gesteld met de veiligheid van een vreemde Staat, Partij bij dat
Verdrag.
Artikel 81
De in de artikelen 79 en 80 strafbaar
gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 82 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 83
1. Met de opsporing van de bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de in artikel
58 bedoelde ambtenaren, voor zover zij bij besluit van Onze Minister
van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen. Deze ambtenaren zijn
tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht,
voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of
handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 83a
Met betrekking tot de handhaving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de artikelen 5.15 tot en met
5.18, 5.19, eerste en derde lid, en 5.21 tot en met 5.23 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
Artikel 83b
1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de in artikel 83 bedoelde ambtenaren bij de
uitoefening van de in dat artikel bedoelde taken.
2. De in artikel 83 bedoelde ambtenaren
zijn bij de uitoefening van de in dat artikel bedoelde taken bevoegd,
met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te
treden zonder toestemming van de bewoner.
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 84
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 85
Krachtens de Hinderwet voor inrichtingen
als in artikel 15, onder b, bedoeld verleende vergunningen worden geacht
te zijn verleend op grond van deze wet.
Artikel 86
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 87
De Röntgenstralenwet (Stb. 1931, 299)
wordt ingetrokken.
Artikel 88
Deze wet kan worden aangehaald als:
Kernenergiewet.
Artikel 89
1. Hoofdstuk II van deze wet treedt in werking met ingang van
de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst.
2. Haar onderscheidene overige bepalingen treden in werking op
door Ons te bepalen tijdstippen. De voordrachten hiertoe worden Ons
gedaan door Onze Ministers, wie het aangaat, de Centrale Raad gehoord.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 21 februari 1963
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J. Cals
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|