Nadere regelgeving:
- Landbouwkwaliteitsbesluit 2007
- Landbouwkwaliteitsregeling
2007'
- Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet
WET van 8 april 1971, houdende een
algemene regeling betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de
landbouw en de visserij
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter
bevordering van de afzet een algemene regeling vast te stellen
betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de
visserij;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt
verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw
– waaronder mede wordt verstaan fruitteelt en het kweken van bomen,
bloemen en bloembollen -, teelt van griendhout en elke andere vorm van
bodemcultuur met inbegrip van bosbouw;
visserij: het vangen of kweken van vissen, schaal- en schelpdieren;
produkten: alle voortbrengselen van de landbouw en de visserij, alsmede
de bij be- of verwerking daarvan verkregen voortbrengselen, derivaten en
afvallen;
bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66, vierde
lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, ingesteld voor ondernemingen,
die in het bedrijfsleven een functie vervullen ten aanzien van enig
produkt;
landbouwkwaliteitsbesluit: een algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 2;
controle-instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, bedoeld in artikel 8;
verordening 510/2006: verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20
maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en
oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L
93);
geografische aanduiding: geografische aanduiding als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onder b, van verordening 510/2006;
geografische oorsprongsbenaming: oorsprongsbenaming als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder a, van verordening 510/2006;
houder van een geografische aanduiding of geografische
oorsprongsbenaming: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op
grond van verordening 510/2006 gerechtigd is een geografische aanduiding
of geografische oorsprongsbenaming te bezigen.
Artikel 2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
bevordering van de afzet regelen worden gesteld betreffende de kwaliteit
van produkten. Deze regelen kunnen betrekking hebben op de oorsprong, de
hoedanigheid, de sortering, de verzorging, de verpakking, de vorm, de
afwerking, de aanduiding, de maat en het gewicht van produkten.
2. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, in het eerste
lid bedoeld, kunnen tevens regelen worden gesteld inzake
a. de inrichting en het gebruik, met betrekking tot produkten, van
bedrijfsgebouwen en vervoermiddelen;
b. het gebruik en verbruik, met betrekking tot produkten, van
toevoegingen, grond- en hulpstoffen;
c. de be- en verwerkingswijzen van produkten;
d. het gebruik, met betrekking tot produkten, van machines, werktuigen
en gereedschappen;
e. de hoedanigheid en het gebruik van verpakkingsmiddelen voor produkten;
f. de registratie van de onder die maatregel vallende betrokkenen.
3. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur, in het eerste lid bedoeld, wordt Ons
gedaan door Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat,
tezamen.
Artikel 3
1. Bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit kan worden voorzien in
het verlenen van vrijstelling, en, op aanvrage, ontheffing van hetgeen
bij of krachtens dat besluit is geregeld.
2. Aan vrijstellingen en ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen
voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden
verleend.
Artikel 4
1. Bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit kan medewerking worden
gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam.
2. Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde
medewerking bestaat in het stellen van nadere regelen bij verordening,
behoeft zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister en van
Onze Ministers, wie het mede aangaat, tezamen. Krachtens de verordening
genomen besluiten behoeven, voor zover zulks bij of krachtens het
landbouwkwaliteitsbesluit is bepaald, de goedkeuring van de daarbij
aangewezen autoriteit.
3. Verordeningen, bedoeld in het tweede lid, kunnen onder meer inhouden
toekenning aan een daarbij aan te wijzen orgaan van de bevoegdheid
vrijstelling, en, op aanvrage, ontheffing van die verordeningen of
krachtens deze vast te stellen voorschriften te verlenen.
4. Artikel 3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1. Wij bepalen bij algemene maatregel van bestuur, in welke gevallen
Onze Minister of Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat,
tezamen regelen krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit ten aanzien van
ondernemingen, waarin daarbij aan te wijzen bedrijven op het gebied van
industrie, handel en ambacht worden uitgeoefend, niet vaststellen dan in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
2. Bij dat besluit bepalen Wij tevens, in welke gevallen Onze Minister
of Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat, tezamen
regelen krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit niet vaststellen dan in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken met het oog op
de daarbij betrokken consumentenbelangen.
3. In zodanige gevallen behoeven verordeningen van bedrijfslichamen, als
bedoeld in artikel 4, mede de goedkeuring van Onze genoemde Minister.
Artikel 6 [Vervallen per 28-09-2007]
Artikel 7
1. Indien bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit regelen zijn
gesteld omtrent keuring van produkten, kunnen daarbij merken, tekenen of
bewijsstukken worden vastgesteld als uitsluitend bestemd om door of
vanwege de daartoe gerechtigde op produkten of op hun verpakking te
worden aangebracht, dan wel bij die produkten te worden gevoegd.
2. Bij of krachtens een besluit, in het eerste lid bedoeld, kunnen
regelen worden gesteld betreffende het vervaardigen, voorhanden en in
voorraad hebben, zomede het afleveren en gebruiken van merken, tekenen
of bewijsstukken en van cliché's, stempels en andere werktuigen tot het
vervaardigen of aanbrengen van die merken, tekenen of bewijsstukken.
Artikel 8
1. In een landbouwkwaliteitsbesluit kunnen een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid worden
belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens dat
besluit gestelde regels.
2. In een landbouwkwaliteitsbesluit kunnen een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid worden
belast met de keuring, bedoeld in artikel 7, of met het toezicht daarop.
Zij kunnen daarbij tevens bevoegd worden verklaard tot het uitreiken van
merken, tekenen of bewijsstukken, in hetzelfde artikel bedoeld.
Artikel 8a
Op een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 is de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 9 [Vervallen per 28-09-2007]
Artikel 10
1. Een controle-instelling is niet werkzaam met het oogmerk om winst te
behalen.
2. Een controle-instelling stelt een reglement vast waarin wordt
geregeld de wijze waarop de keuring, bedoeld in artikel 7, wordt
uitgevoerd, de wijze waarop het uitreiken van bewijsstukken, merken en
tekenen plaatsvindt, en de wijze waarop de controles plaatsvinden.
3. Het in het tweede lid bedoelde reglement behoeft de goedkeuring van
Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het
recht of op de grond dat het reglement naar het oordeel van Onze
Minister een goede taakuitoefening door de controle-instelling kan
belemmeren.
4. De statuten van een controle-instelling alsmede wijzigingen daarvan
behoeven, alvorens zij van kracht zijn, de instemming van Onze Minister.
Onze Minister draagt zorg voor de publicatie van de statuten in de
Staatscourant.
Artikel 11
1. Een controle-instelling kan tarieven vaststellen voor de kosten ter
zake van het in artikel 8 bedoelde toezicht en de keuring.
2. Indien Onze Minister bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit
de in het eerste lid bedoelde activiteiten uitvoert, kan Onze Minister
voor de kosten ter zake van deze activiteiten tarieven vaststellen.
3. [Vervallen.]
4. De tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid:
a. hebben een rechtstreeks verband met de in die leden bedoelde
activiteiten, en
b. belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die
zijn toe te rekenen aan die onderscheiden activiteiten.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de oplegging en inning van de tarieven alsmede met
betrekking tot het periodiek aanpassen van de tarieven aan de
ontwikkeling van de lonen en de prijzen.
6. Bij gebreke van betaling binnen de door de controle-instelling of
door Onze Minister gestelde termijn kan de controle-instelling of Onze
Minister het verschuldigde bedrag invorderen bij dwangbevel. De
artikelen 4:114 tot en met 4:124 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.
7. De controle-instelling of Onze Minister kan besluiten geen
activiteiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, te verrichten of deze
te staken, indien niet het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag
wordt voldaan.
Artikel 12
1. De benoeming en het ontslag van de voorzitter van een
controle-instelling behoeven goedkeuring van Onze Minister.
2. Op een controle-instelling wordt rijkstoezicht uitgeoefend door Onze
Minister overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen
regels.
Artikel 13
1. Bij overtreding van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit
gestelde regelen kunnen een of meer van de volgende tuchtrechtelijke
maatregelen worden opgelegd:
a. berisping;
b. geldboete;
c. het stellen van de betrokkene onder verscherpte controle op zijn
kosten voor ten hoogste twee jaren;
d. openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene.
2. De controle-instelling regelt bij reglement de samenstelling en
bevoegdheid van haar organen die de tuchtrechtspraak uitoefenen, alsmede
de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding, een en ander met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
3. De artikelen 1, onderdeel b, 3 tot en met 6, 21 tot en met 25, 27 tot
en met 41, 42 en 44 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «de
voorzitter van het bedrijfslichaam» en «bedrijfslichaam» in die
artikelen telkens moet worden verstaan: de controle-instelling.
4. De controle-instelling geeft aan de opbrengsten van de geldboeten een
bijzondere bestemming, welke de goedkeuring van Onze Minister behoeft.
5. In afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan
tegen een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht,
ingesteld door een controle-instelling, geen bezwaar worden gemaakt.
6. In verband met de uitvoering van voorschriften van de Raad van de
Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan
in afwijking van het eerste lid bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden bepaald dat geen tuchtrechtelijke maatregelen worden
gesteld op overtreding van de bij of krachtens die algemene maatregel
van bestuur aangewezen bepalingen of onderdelen daarvan.
Artikel 13a
1. De houder van een geografische aanduiding of geografische
oorsprongsbenaming kan zijn recht handhaven jegens een ieder die, zonder
daartoe gerechtigd te zijn, een van de handelingen genoemd in artikel
13, eerste lid, van verordening 510/2006 verricht.
2. De rechter kan op vordering van de houder van een geografische
aanduiding of geografische oorsprongsbenaming tussenpersonen wier
diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het recht van de
houder te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk
te maken, te staken.
3. De voorzieningenrechter kan op vordering van de houder van een
geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming tijdelijke
voortzetting van de vermeende inbreuk op dit recht toestaan onder de
voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door de
houder geleden schade. Onder dezelfde voorwaarden kan de rechter
voortzetting van de dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in
het tweede lid toestaan.
4. Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van degene die de
handelingen bewust verricht. Van bewust handelen is in elk geval sprake,
indien de inbreuk is gepleegd nadat de betrokkene bij
deurwaardersexploot op de strijd tussen de handelingen en de
geografische aanduiding is gewezen.
5. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen
als een forfaitair bedrag.
6. In plaats van schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde
veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en
dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de rechter
echter van oordeel is dat de omstandigheden van het geval geen
aanleiding geven tot een dergelijke veroordeling, zal de rechter de
gedaagde tot schadevergoeding kunnen veroordelen.
7. De houder van een geografische aanduiding of geografische
oorsprongsbenaming kan de vorderingen tot schadevergoeding of het
afdragen van winst ook namens of mede namens de overige houders van de
desbetreffende geografische aanduiding instellen.
8. De houder van een geografische aanduiding of geografische
oorsprongsbenaming heeft de bevoegdheid roerende zaken, waarmee een
inbreuk op zijn recht wordt gemaakt, of materialen en werktuigen die
voornamelijk zijn gebruikt bij de voortbrenging van die zaken als zijn
eigendom op te eisen, dan wel onttrekking aan het verkeer, vernietiging
of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Bij de beoordeling van de
vordering wordt een afweging gemaakt tussen de ernst van de inbreuk en
de gevorderde maatregelen alsmede de belangen van derden.
9. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken, zijn van
toepassing. Bij samenloop met een ander beslag, gaat degene die beslag
heeft gelegd krachtens dit artikel voor.
10. De maatregelen bedoeld in het achtste en negende lid worden op
kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit
beletten.
11. De rechter kan op vordering van de houder van een geografische
aanduiding of geografische oorsprongsbenaming degene die inbreuk op
diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen aan laatstgenoemde bekend
is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de goederen of diensten
die inbreuk maken, aan de houder van de geografische aanduiding mee te
delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te
verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit bevel worden gegeven aan
een derde die op commerciële schaal inbreukmakende goederen in zijn
bezit heeft of gebruikt, die op commerciële schaal diensten verleent
die bij de inbreuk worden gebruikt, of die door een van deze derden is
aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, fabricage of
distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten.
Deze derde kan zich verschonen van het verstrekken van informatie die
bewijs zou vormen van deelname aan een inbreuk op een recht van
intellectuele eigendom door hem zelf of door de andere in artikel 165,
derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde personen.
12. De rechter kan op vordering van de houder van een geografische
aanduiding of geografische oorsprongsbenaming gelasten dat op kosten van
degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt passende maatregelen
worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.
Artikel 14
Tegen een besluit van Onze Minister of van Onze Minister en Onze
Ministers, wie het mede aangaat, tezamen, krachtens een
landbouwkwaliteitsbesluit genomen, tot verlening, weigering of
intrekking van een vergunning of ontheffing, kan een belanghebbende
beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Gelijk beroep staat open tegen zodanige besluiten van
controle-instellingen.
Artikel 15
1. Met het toezicht op de naleving van bij of krachtens een
landbouwkwaliteitsbesluit gestelde eisen zijn belast de bij besluit van
Onze Minister aangewezen ambtenaren en de bij besluit van Onze Minister
aangewezen personen, werkzaam bij een controle-instelling.
2. Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat, kunnen tezamen
nadere voorschriften geven betreffende de monsterneming, de verpakking,
de conservering, de verzegeling, de verzending en het onderzoek der
monsters.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 18
1. Aan het slot van artikel 1, onder 4e, van de Wet op de economische
delicten wordt toegevoegd de zinsnede: de Landbouwkwaliteitswet, de
artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, tweede lid, 4, vierde lid, 6 en 9,
eerste lid.
2. Artikel 13 vindt geen toepassing, indien de Officier van Justitie, na
overleg met de controle-instelling, heeft beslist, dat een overtreding
strafrechtelijk zal worden afgedaan.
Artikel 19
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 20
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Landbouwkwaliteitswet.
2. Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 8 april 1971
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
P.J. Lardinois
De Minister van Economische Zaken,
R.J. Nelissen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R.J.H. Kruisinga
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de zeventiende juni 1971
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|