| |
|
|
|
|
vorige
LANDBOUWUITVOERWET
1938
Tekst zoals deze geldt op 15 juli
2007
Vervallen
m.i.v. 28 september 2007
|
|
WET van 4 februari 1938, houdende nieuwe
bepalingen nopens het waarborgen van bepaalde eigenschappen en
hoedanigheden van uitgevoerde voortbrengselen van het landbouw-,
tuinbouw-, veeteelt- en zuivelbedrijf
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is nieuwe
bepalingen vast te stellen nopens verbod van uitvoer van bepaalde
voortbrengselen van het landbouw-, tuinbouw-, veeteelt- en
zuivelbedrijf, voor zoover deze niet aan bepaalde eischen van herkomst,
hoedanigheid en verzorging voldoen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Inleidende bepaling
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
1°. "Onze Minister": Onze met de zaken van den
landbouw belaste Minister;
2°. "Uitvoercontrôlebesluit": eene algemeene
maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 2;
3°. "Algemeene Voorwaarden": de Algemeene Voorwaarden,
bedoeld in artikel 8.
§ 2. Regeling van den uitvoer.
Artikel 2
Het is verboden:
1. boter, 2. kaas, 3. al dan niet gecondenseerde melk, 4. room,
5. karnemelk, 6. al dan niet gecondenseerde ondermelk, 7.
melkpoeder, 8. blokmelk;
9. kippeneieren, 10. eendeneieren;
11. bacon;
12. karwijzaad, 13. maanzaad, 14. mosterdzaad;
15. aardappelen, 16. uien;
17. aardbeien, 18. appelen, 19. bessen, 20. druiven, 21.
frambozen, 22. kersen, 23. kruisbessen, 24. peren, 25. perziken, 26.
pruimen;
27. andijvie, 28. asperges, 29. augurken, 30. kool, 31. in
groenen toestand geoogste boonen, 32. doperwten, 33. peulen, 34.
komkommers, 35. koolrapen, 36. kroten, 37. meloenen, 38. peen, 39.
peterselie, 40. postelein, 41. prei, 42. raapstelen, 43. rabarber,
44. radijs, 45. schorseneeren, 46. selderij, 47. sla, 48. spinazie,
49. tomaten, 50. witlof;
51. bollen van bloemgewassen, 52. knollen van bloemgewassen;
53. snijbloemen;
54. boomkweekerijproducten;
55. geneeskrachtige en aromatische gewassen;
56. haring, mosselen, alsmede vissen, schaal- en schelpdieren,
van de door Onze Minister bij in de Staatscourant bekend te
maken beschikking aangewezen soorten.
uit te voeren, te pogen uit te voeren of ten uitvoer aan te bieden,
indien deze voortbrengselen niet voldoen aan bij of krachtens algemeenen
maatregel van bestuur te stellen eischen van herkomst, hoedanigheid en
verzorging en indien hunne verpakking, vorm of afwerking niet voldoen
aan bij of krachtens dien algemeenen maatregel van bestuur te stellen
eischen van hoedanigheid en verzorging, een en ander onverminderd andere
met betrekking tot den uitvoer van die voortbrengselen geldende
wettelijke voorschriften.
Artikel 3
Het stellen van eischen, als bedoeld in het vorige artikel, geschiedt
niet dan na overleg met organisaties van daarbij rechtstreeks
belanghebbenden. Dat overleg wordt gepleegd door Onzen Minister; deze
wijst daartoe de organisaties aan.
Artikel 4
In een Uitvoercontrôlebesluit kan worden bepaald, dat de uitvoer der
voortbrengselen, waarop het betrekking heeft, is verboden langs andere
dan de door Onzen Minister in overleg met Onzen Minister van Financiën
aangewezen laatste kantoren.
Artikel 5
In een Uitvoercontrôlebesluit kan worden bepaald, dat
voortbrengselen en hunne verpakking, vorm of afwerking slechts dan
zullen worden geacht te voldoen aan de bij of krachtens dat besluit
gestelde eischen, indien zij daartoe aan een keuring zijn onderworpen en
daarbij zijn goedgekeurd.
Artikel 6
Door Onzen Minister kunnen merken, teekenen of bewijsstukken worden
vastgesteld of erkend als uitsluitend bestemd om door of vanwege den
daartoe gerechtigde op voortbrengselen of op hunne verpakking te worden
aangebracht of bij die voortbrengselen te worden gevoegd ten bewijze,
dat zij aan eene keuring, als bedoeld in het vorige artikel, zijn
onderworpen geweest en daarbij zijn goedgekeurd.
Artikel 7
Onze Minister kan regelen vast stellen betreffende het vervaardigen,
voorhanden hebben en afleveren van merken, teekenen of bewijsstukken,
als bedoeld in het vorige artikel, en van cliché's, stempels en andere
werktuigen tot vervaardiging of aanbrenging van die merken, teekenen of
bewijsstukken.
Artikel 8
In een Uitvoercontrôlebesluit kunnen een of meer rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid, welke aan bij algemeenen maatregel van
bestuur te stellen Algemeene Voorwaarden voldoen, met het toezicht op de
naleving der bij of krachtens dat besluit gestelde eischen belast
worden, alsmede met de keuring, bedoeld in artikel 5, of met het
toezicht daarop en kunnen die instellingen, met inachtneming van het te
dien aanzien in de Algemeene Voorwaarden bepaalde, worden bevoegd
verklaard tot het uitreiken van merken, teekenen of bewijsstukken, als
bedoeld in artikel 6.
Artikel 9
1. In een Uitvoercontrôlebesluit kan worden bepaald, dat
rechtspersonen, welke daarin krachtens het vorige artikel bevoegd zijn
verklaard tot het uitreiken van merken, teekenen of bewijsstukken, als
bedoeld in artikel 6, en welke aan daartoe in de Algemeene Voorwaarden
te stellen regelen voldoen, die merken, teekenen of bewijsstukken
slechts mogen uitreiken aan of ten behoeve van bij hen aangeslotenen.
2. De door Onze Minister aangewezen personen, in dienst van een
rechtspersoon, als in het voorgaande lid bedoeld, zijn bevoegd, in het
belang van de hun opgedragen taak, voertuigen en andere plaatsen, waar
voortbrengselen, welke aan de bij of krachtens een besluit, als in het
voorgaande lid bedoeld, gestelde eisen moeten voldoen, aanwezig zijn,
aan een onderzoek te onderwerpen en monsters te nemen van die
voortbrengselen.
3. De houder der voortbrengselen is alsdan verplicht de van hem
gevorderde medewerking overeenkomstig de aanwijzingen van die personen
en onder hun toezicht te verlenen en, indien gevorderd, de nodige
hulpmiddelen en bijstand kosteloos te verstrekken.
4. Wordt aan de in het voorgaande lid vermelde verplichtingen
niet voldaan, dan kunnen de in het voorgaande lid bedoelde personen op
kosten en risico van de houder in het nodige voorzien.
Artikel 10
De Algemeene Voorwaarden houden mede voorschriften in nopens:
a. het beroep van beslissingen der in artikel 8 bedoelde
rechtspersonen;
b. de berekening en het verhaal van de bij keuring, beroep of
anderszins bij de toepassing van deze wet werkelijk gemaakte kosten;
c. het doen stellen van zekerheid voor de richtige nakoming van
uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 11
Onze Minister regelt de wijze, waarop de keuring, het uitreiken en
aanwenden der merken, teekenen of bewijsstukken, bedoeld in artikel 6,
en het toezicht van Rijkswege op deze verrichtingen zullen geschieden.
Artikel 12
1. Indien in een Uitvoercontrôlebesluit geen rechtspersoon,
als bedoeld in artikel 8, is bevoegd verklaard of indien door Ons tot
schorsing of intrekking van zoodanige verklaring is besloten, bepalen
Wij in die besluiten, welke artikelen der Algemeene Voorwaarden van
overeenkomstige toepassing zullen zijn.
2. In de gevallen, bedoeld in het vorige lid, regelt Onze
Minister, met inachtneming van de krachtens dat lid toepasselijk
verklaarde artikelen der Algemeene Voorwaarden, de verschillende
bevoegdheden, welke anders aan een rechtspersoon, als bedoeld in artikel
8, zouden zijn toevertrouwd.
Artikel 13
Het in artikel 2 gestelde verbod is niet van toepassing ten aanzien
van voortbrengselen, welke:
1°. zich bevinden in spoorwegrijtuigen, in luchtvaartuigen, op
schepen of op vlotten en bestemd zijn voor verbruik van de daarin of
daarop verblijvende personen;
2°. in hoeveelheden, welke een door Onzen Minister vast te
stellen maximum niet overschrijden, worden uitgevoerd ten behoeve
van de voorziening in het grensgebied;
3°. in hoeveelheden, welke een door Onzen Minister vast te
stellen maximum niet overschrijden, worden uitgevoerd in den vorm
van monsters zonder of met geringe handelswaarde;
4°. uit het buitenland afkomstig zijn en, met inachtneming van
de met betrekking tot zoodanigen uitvoer door Onzen Minister te
stellen voorwaarden, worden ten uitvoer aangeboden of uitgevoerd na
hier te lande al dan niet eene bewerking te hebben ondergaan.
Artikel 14
In bijzondere door hem te beoordeelen gevallen of groepen van
gevallen kan door Onzen Minister, al dan niet onder door hem daarbij
vast te stellen voorwaarden, ontheffing worden verleend van het in
artikel 2 gestelde verbod.
Artikel 15
1. Door Ons kunnen, gehoord de besturen der door Ons ingevolge
artikel 8 bevoegd verklaarde rechtspersonen, een of meer Commissiën
van Advies worden benoemd, welke tot taak hebben de Regeering
desgevraagd of eigener beweging van advies te dienen over maatregelen
ter uitvoering van deze wet.
2. Onze Minister is bevoegd aan deze Commissiën adviseerende
leden toe te voegen.
3. De werkzaamheden dezer Commissiën worden door Ons geregeld.
§ 3. Strafbepalingen
Artikel 16
Artikel 5 van de Wet op de economische delicten is niet van
toepassing op voorzieningen ter zake van overtredingen van
voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.
Artikel 17 [Vervallen per 01-05-1951]
Artikel 18
De ondernemer van een openbaar middel van vervoer wordt als zoodanig
niet vervolgd, indien de naam en de woonplaats van den afzender van de
voorwerpen, waarmede de overtreding is gepleegd, bekend zijn of op
eerste aanmaning van den officier van justitie binnen een door dezen te
bepalen termijn door den ondernemer worden bekendgemaakt.
Artikel 19 [Vervallen per 01-09-1955]
Artikel 20 [Vervallen per 01-09-1955]
Artikel 21 [Vervallen per 01-05-1951]
Artikel 22
1. De opsporingsambtenaren, die op grond
van artikel 21 van de Wet op de economische delicten monsters nemen, en
de personen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, die gelijke bevoegdheid
uitoefenen, vergoeden de marktwaarde van de monsters, indien het
verlangen daartoe wordt te kennen gegeven.
2. Onze Minister kan nadere voorschriften geven met betrekking
tot de monsterneming, de verzegeling, de verzending, het onderzoek der
monsters en het toevoegen van bederfwerende middelen.
Artikel 23 [Vervallen per 01-05-1951]
Artikel 24 [Vervallen per 01-05-1951]
Artikel 25 [Vervallen per 01-05-1951]
Artikel 26 [Vervallen per 01-09-1955]
Artikel 27 [Vervallen per 01-09-1955]
Artikel 28 [Vervallen per 01-09-1955]
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 29
Met ingang van het tijdstip, waarop een Uitvoercontrôlebesluit in
werking treedt ten aanzien van eenig voortbrengsel, tot dan toe in een
van de navolgende wetten of wetsdeelen of van Onze navolgende besluiten
geregeld, wordt die wet, dat wetsdeel of dat besluit ten aanzien van dat
voortbrengsel buiten werking gesteld:
de artikelen 1 tot en met 7 der Landbouwuitvoerwet 1929;
de wet van den 18den Juli 1930, Staatsblad no. 294, tot
regeling van den uitvoer van uien, zooals zij is gewijzigd bij de wet
van den 7den Augustus 1933, Staatsblad no. 433;
de artikelen 1 tot en met 6 van de wet van den 29sten November 1930, Staatsblad
no. 441, tot regeling van den uitvoer alsmede wijziging en aanvulling
van de bepalingen betreffende den in- en doorvoer van kippen- en
eendeneieren, zooals zij zijn gewijzigd bij de artikelen I tot en met V
van de wet van den 8sten April 1932, Staatsblad no. 148;
de wet van den 19den December 1930, Staatsblad no. 482, tot
regeling van den uitvoer van melkproducten en van gepasteuriseerde en
gesteriliseerde melk en room;
de wet van den 31sten December 1931, Staatsblad no. 575,
houdende regeling van den uitvoer van bloembollen;
de wet van den 15den December 1932, Staatsblad no. 608, tot
regeling van den uitvoer van pootaardappelen;
Ons besluit van den 15den Maart 1934, Staatsblad no. 107, tot
toepassing van artikel 8 der Landbouwuitvoerwet 1929 met betrekking tot
andere dan gepasteuriseerde en gesteriliseerde melk en room, alsmede
ondermelk en karnemelk;
Ons besluit van den 16den September 1936, Staatsblad no. 772,
tot toepassing van de artikelen 8 en 11 der Landbouwuitvoerwet 1929 met
betrekking tot groenten en fruit;
Ons besluit van den 14den Januari 1937, Staatsblad no. 741,
tot toepassing van de artikelen 8 en 11 der Landbouwuitvoerwet 1929 op
den uitvoer van tulpenbloemen naar Groot-Britannië en Ierland.
Artikel 30
1. Met ingang van het tijdstip, waarop alle in het vorige
artikel genoemde wetten en wetsdeelen en al Onze in dat artikel
genoemde besluiten ten aanzien van alle voortbrengselen, waarop zij
betrekking hebben, buiten werking zijn gesteld, vervalt de
Landbouwuitvoerwet 1929.
2. De wijzigingen, bij artikel 24 van de Landbouwuitvoerwet 1929
aangebracht in de artikelen 66, 69 en 70 van de Veewet, behouden kracht
van wet.
Artikel 31
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel:
"Landbouwuitvoerwet", met vermelding van het jaartal van het Staatsblad,
waarin zij is afgekondigd.
Artikel 32
1. Artikel 2 van deze wet treedt in werking met ingang van een
door Ons te bepalen tijdstip, dat voor elk der daarin genoemde
voortbrengselen of soorten daarvan en voor den uitvoer naar
verschillende landen verschillend kan worden gesteld.
2. De overige artikelen van deze wet treden in werking met ingang
van den dag na dien harer afkondiging in het Staatsblad.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Soestdijk, den 4den Februari 1938
WILHELMINA
De Minister van Economische Zaken,
Steenberghe
Uitgegeven den vijf en twintigsten Februari 1938
De Minister van Justitie,
C. Goseling
|
|
|