Nadere regelgeving:
- Diergeneesmiddelenregeling
- Regeling
aquacultuur
- Regeling GLB-inkomenssteun 2006
- Regeling
handel levende dieren en levende producten
- Regeling interventie melk en zuivelproducten
(vervallen)
- Regeling
preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten
en zoönosen en TSE’s
- Regeling superheffing 2008
- Regeling vleeskeuring
- Uitvoeringsregeling
pacht
WET van 26 juli 1957, houdende nieuwe
regelen ter bevordering van de voortbrenging, de afzet en een redelijke
prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij en in
verband daarmede ten behoeve van de afnemers van produkten
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen vast te stellen om de voortbrenging, de afzet en een redelijke
prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij te
bevorderen en in verband daarmede ten behoeve van de afnemers van
produkten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet
wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening;
landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij,
tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen,
bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van
bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw;
produkten:
a. alle voortbrengselen, welke, al dan niet na be- of
verwerking, kunnen dienen als voedsel voor mens of dier, alsmede
de bij be- of verwerking van die voortbrengselen verkregen
derivaten en afvallen;
b. de niet reeds onder a begrepen voortbrengselen van de
landbouw;
bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66,
vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, ingesteld voor
ondernemingen, die in het bedrijfsleven een functie vervullen ten
aanzien van enig produkt;
samenwerkingslichaam: rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als
bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie.
2.Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet
wordt mede verstaan onder:
handelaren: tussenpersonen;
visserij: de mosselteelt, de oesterteelt en de viskwekerij.
Hoofdstuk II. Het Landbouw-Egalisatiefonds
Artikel 2 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 3 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 4 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 5 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 6 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 7 [Vervallen per 16-07-1979]
Artikel 8 [Vervallen per 16-07-1979]
Artikel 9 [Vervallen per 16-07-1979]
Artikel 10 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 11 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 12 [Vervallen per 08-03-2000]
Hoofdstuk III. Regelen ten aanzien van de binnenlandse markt
§ 1. Algemene regelen
Artikel 13
1.Onze Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken
regeling de verplichting opleggen tot het betalen van een geldsom
terzake van een of meer der in het tweede lid van dit artikel genoemde
gedragingen. Een zodanige regeling wordt slechts vastgesteld:
a. ter bevordering van de voortbrenging, de afzet en een
redelijke prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de
visserij en in verband daarmede ten behoeve van de afnemers van
produkten;
b. ter uitvoering van verordeningen, richtlijnen, beschikkingen
en aanbevelingen van de Europese Economische Gemeenschap,
voorzover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk
landbouwbeleid, voorzien in de tweede titel van het tweede deel
van het verdrag tot oprichting van die Gemeenschap.
2.De in het eerste lid bedoelde gedragingen zijn:
a. het telen, kweken, fokken, vangen en broeden van produkten;
b. het bereiden, vervaardigen, oogsten, voorhanden en in
voorraad hebben, bewaren, opslaan, be- en verwerken, ge- en
verbruiken, vervoederen, slachten, vervoeren, aanvoeren, veilen,
ontvangen, afleveren, te koop aanbieden, kopen en vervreemden van
produkten.
3.Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van
gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen
ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele
of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid
opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.
Artikel 14
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13,
onder a , vermelde doeleinden kan het bestuur van het betrokken
bedrijfslichaam bij verordening de verplichting opleggen tot het
betalen van een geldsom ter zake van een of meer der in het tweede lid
van dat artikel genoemde gedragingen.
2.In een verordening, als bedoeld in het eerste lid, kan worden
bepaald, dat een daarbij aangewezen orgaan van het produktschap of
bedrijfschap kan besluiten in door hem te bepalen gevallen of groepen
van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie over te gaan van
hetgeen krachtens de verordening is betaald en gehele of gedeeltelijke
ontheffing te verlenen van de bij de verordening opgelegde
verplichting tot het betalen van een geldsom.
3.Een verordening, als bedoeld in het eerste lid, behoeft de
goedkeuring van Onze Minister; bij de goedkeuring kan worden bepaald,
dat krachtens die verordening vast te stellen nadere regelen en te
nemen besluiten eveneens zodanige goedkeuring behoeven.
4.Een verordening, als bedoeld in het eerste lid, is verbindend
voor een ieder voorzover daarin niet anders is bepaald.
Artikel 15
Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13 vermelde
doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend te maken
regeling regelen vaststellenten aanzien van het verstrekken van een
subsidie of andere geldelijke bijdrage aan producenten of groepen van
producenten van en aan handelaren of groepen van handelaren in produkten.
Artikel 16
Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13 vermelde
doeleinden kan Onze Minister subsidies in de vorm van al dan niet
rentedragende kredieten verstrekken aan openbare lichamen en andere
instellingen, werkzaam op het gebied van de landbouw, de visserij en de
voedselvoorziening.
Artikel 17
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13
vermelde doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend
te maken regeling regelen vaststellen ten aanzien van de prijzen voor
produkten.
2.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, in welke
gevallen Onze Minister regelen, als bedoeld in het eerste lid, ten
aanzien van ondernemingen, waarin daarbij aan te wijzen bedrijven op
het gebied van industrie, handel en ambacht worden uitgeoefend, niet
vaststelt dan in overeenstemming met Onze Minister van Economische
Zaken.
Artikel 18
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13
vermelde doeleinden kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regelen worden vastgesteld ten aanzien van de in het tweede
lid , onder a, van dat artikel genoemde gedragingen.
2.Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
die strekt ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel
13, onder a, vermelde doeleinden wordt slechts vastgesteld, indien
zulks naar Ons oordeel noodzakelijk is in verband met een aan artikel
13, 14, 15 of 17 gegeven toepassing.
3.[Vervallen.]
4.Tegelijk met de afkondiging in het Staatsblad van een algemene
maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, zendt Onze
Minister een toelichting op het besluit aan de Staten-Generaal.
Artikel 19
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13
vermelde doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend
te maken regeling regelen vaststellen ten aanzien van de in het tweede
lid, onder b, van dat artikel genoemde gedragingen.
2.De in het eerste lid bedoelde regelen, die strekken ter
verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13, onder a,
vermelde doeleinden, worden slechts vastgesteld, indien zulks naar het
oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met een aan
artikel 13, 14, 15 of 17 gegeven toepassing.
3.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, in welke
gevallen Onze Minister regelen, als bedoeld in het eerste lid, ten
aanzien van ondernemingen, waarin daarbij aan te wijzen bedrijven op
het gebied van industrie, handel en ambacht worden uitgeoefend, niet
vaststelt dan in overeenstemming met Onze Minister van Economische
Zaken.
Artikel 20
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13
vermelde doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend
te maken regeling regelen vaststellen met betrekking tot het ge- en
verbruik van grond- en hulpstoffen en verpakkingsmateriaal voor
produkten, alsmede met betrekking tot het voorhanden- en in voorraad
hebben, gebruiken en vervoeren van fust en van machines, werktuigen en
gereedschappen - alsmede onderdelen daarvan - welke worden gebezigd
voor het broeden en bij het bereiden en vervaardigen van produkten.
2.De in het eerste lid bedoelde regelen, die strekken ter
verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13, onder a ,
vermelde doeleinden, worden slechts vastgesteld, indien zulks naar het
oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met een aan
artikel 18 of 19 gegeven toepassing of in verband met een verordening
van een bedrijfslichaam. In het laatste geval worden de regelen
slechts vastgesteld op verzoek van het betrokken produktschap of
bedrijfschap.
Artikel 21
Onze Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken regeling
regelen vaststellen inzake het verlenen van vergoedingen aan degenen,
die door enige maatregel krachtens de artikelen 18, 19 of 20 naar zijn
oordeel ernstig economisch nadeel ondervinden.
Artikel 22
1.Ter verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13
vermelde doeleinden kan Onze Minister bij in de Staatscourant bekend
te maken regeling de verplichting opleggen tot het ter beschikking
houden van produkten voor of het inleveren daarvan bij een door hem
aan te wijzen natuurlijke of rechtspersoon.
2.Een verplichting, als bedoeld in het eerste lid, die strekt ter
verwezenlijking van de in het eerste lid van artikel 13, onder a ,
vermelde doeleinden, wordt slechts opgelegd, indien zulks naar het
oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met een aan
artikel 13, 14, 15, 17, 18 of 19 gegeven toepassing of in verband met
een verordening van een bedrijfslichaam. In het laatste geval wordt
een verplichting slechts opgelegd op verzoek van het betrokken
bedrijfslichaam.
3.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, in welke
gevallen Onze Minister een verplichting, als bedoeld in het eerste
lid, aan ondernemingen, waarin daarbij aan te wijzen bedrijven op het
gebied van industrie, handel en ambacht worden uitgeoefend, niet
oplegt dan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
4.Voor de ingeleverde produkten wordt door Onze Minister een
redelijke vergoeding uitbetaald.
5.Onze Minister kan een geldelijke tegemoetkoming verlenen in de
kosten, vallende op het ter beschikking houden van produkten.
Artikel 22a
1.Onze Minister kan een vergoeding van kosten heffen overeenkomstig
een door hem vastgesteld tarief ter zake van:
a. de behandeling van een aanvraag om een krachtens deze wet
voorgeschreven vergunning, toelating, aanwijzing, erkenning of
registratie danwel een aanvraag tot wijziging daarvan;
b. de instandhouding van de krachtens deze wet verleende
vergunning, toelating, aanwijzing, erkenning of registratie.
2.Onverminderd artikel 13, eerste lid, kan Onze Minister bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur een vergoeding van kosten
heffen overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van bij
die maatregel benoemde onderzoeken of verrichtingen met betrekking tot
producten.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste en
tweede lid.
Artikel 22b
Een tarief als bedoeld in artikel 22a, eerste en tweede lid, wordt
zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde
kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden
waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij
besluit krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
vastgestelde verplichtingen.
§ 2. De medewerking van produktschappen en bedrijfschappen
Artikel 23
1.Onze Minister kan bevoegdheden, welke hem ingevolge het bij of
krachtens de artikelen 13, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 22a en 26 dan wel
bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in
artikel 18 bepaalde toekomen, aan het bestuur van een bedrijfslichaam
of een samenwerkingslichaam delegeren.
Indien het bevoegdheden betreft die door Onze Minister slechts
mogen worden uitgeoefend in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken, geschiedt zodanige delegatie slechts in
overeenstemming met die Minister.
2.Verordeningen, vastgesteld met gebruikmaking van een overgedragen
bevoegdheid behoeven de goedkeuring van Onze Minister en indien het
voorschrift waarbij de overgedragen bevoegdheid is toegekend, door
Onze Minister is vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken, mede van die Minister. Krachtens de verordening
vastgestelde genomen besluiten behoeven, voorzover dit bij de
overdracht, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, de goedkeuring van
de daarbij aangewezen autoriteit. Verordeningen zijn verbindend voor
een ieder behoudens voorzover bij de overdracht dan wel in de
verordening zelf anders is bepaald.
3.Besluiten zonder algemene gelding, tot het nemen waarvan de
bevoegdheid is gedelegeerd, kunnen worden genomen ten aanzien van een
ieder.
4.Het bedrijfslichaam stelt jaarlijks een begroting en een
jaarrekening op met betrekking tot de werkzaamheden voortvloeiend uit
de overgedragen bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid. De begroting
en de jaarrekening behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere
voorschriften worden gesteld.
5.Een krachtens het eerste lid vastgestelde regeling wordt, evenals
een regeling tot haar wijziging of intrekking, in de Staatscourant
bekendgemaakt.
§ 2a. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 23a
Ten aanzien van beschikkingen, gegeven krachtens regelen als bedoeld
in de artikelen 18, eerste lid, 19, eerste lid, en 20, eerste lid, dan
wel krachtens artikel 23 in samenhang met deze artikelen, blijven de
artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten
toepassing, indien de gestelde regelen strekken tot verwezenlijking van
de in artikel 13, eerste lid, onder b , vermelde doeleinden.
§ 3. De landbouwtelling
Artikel 24
1.Onze Minister kan aan degenen, die in de landbouw hun
hoofdbestaan of een gedeelte van hun bestaan vinden of plegen te
vinden, beschrijvingsbiljetten uitreiken of zenden, bestemd tot het
doen van opgave van de landbouwkundige en technische gegevens van hun
onderneming.
2.Degene, aan wie een beschrijvingsbiljet is uitgereikt of
gezonden, is verplicht de daarin gestelde vragen duidelijk, zonder
voorbehoud en naar waarheid te beantwoorden en het aldus ingevulde
biljet ondertekend binnen de daartoe door Onze Minister vastgestelde
termijn in te leveren.
Artikel 25
1.De tijdvakken, waarin of het tijdstip, waarop een landbouwtelling
plaats heeft, zomede het model van het beschrijvingsbiljet worden door
Onze Minister vastgesteld.
2.Onze Minister kan nadere regelen vaststellen met betrekking tot
de uitvoering van de landbouwtelling.
3.Regelingen, als bedoeld in de voorgaande leden, worden bekend
gemaakt in de Staatscourant.
§ 4. Bijzondere regelen
Artikel 26
Indien krachtens enige bepaling van deze wet regelen zijn vastgesteld
ten aanzien van het voorzien zijn van produkten van merken of kentekenen
dan wel het voorzien zijn van produkten van zodanige merken of
kentekenen als vereiste wordt gesteld voor de bevoegdheid tot enige
gedraging met betrekking tot die produkten, kan Onze Minister bij in de
Staatscourant bekend te maken regeling regelen vaststellen ten aanzien
van het vervaardigen, vervoeren, te koop aanbieden, verkopen, voorhanden
en in voorraad hebben, afleveren en gebruiken van zodanige merken of
kentekenen en van stempels en andere werktuigen, waarmede de merken en
kentekenen kunnen worden vervaardigd of aangebracht.
Artikel 27
Onze Minister kan aan producenten van en aan handelaren in produkten
de verplichting opleggen, aan door hem aangewezen gemachtigden
desgevraagd binnen de daarvoor gestelde termijn duidelijk, zonder
voorbehoud en naar waarheid de inlichtingen met betrekking tot hun
onderneming te verstrekken, die naar zijn oordeel nodig zijn ter
voorbereiding of uitvoering van enige krachtens deze wet te nemen of
genomen maatregel.
Artikel 28
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in
artikel 18, en bij een regeling krachtens de artikelen 13, 15, 17, 19,
20, 21 en 22 kan worden bepaald, dat tot een bepaalde groep of tot
bepaalde groepen behorende producenten van of handelaren in produkten
verplicht zijn, van alles wat hun onderneming betreft op zodanige wijze
aantekening te houden, dat daaruit te allen tijde de produktie, de
voorraad en de ontvangen, be- of verwerkte en afgeleverde hoeveelheden
van enig produkt, alsmede de op een en ander betrekking hebbende
financiële gegevens kunnen worden gekend.
Artikel 29
Degene, die ingevolge een voorschrift, krachtens een bepaling van dit
Hoofdstuk vastgesteld, in het bezit dient te zijn van een of meer
bescheiden, is verplicht die bescheiden steeds bij zich te hebben bij
gedragingen met betrekking tot welke het bezit van zodanige bescheiden
verplicht is gesteld. Hij is verplicht deze bescheiden op eerste
vordering te tonen of tegen bewijs van ontvangst af te geven aan de
ambtenaren, die zijn belast met de opsporing van overtredingen van
voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.
Artikel 30
Onze Minister brengt ieder kwartaal verslag uit aan de
Staten-Generaal over de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk.
Hoofdstuk IV. Het in- en verkoopbureau
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 32 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 37 [Vervallen per 16-07-1979]
Artikel 38 [Vervallen per 16-07-1979]
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk V. De in- en uitvoer
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1963]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1963]
Hoofdstuk VI. Beroep
Artikel 46
Tegen een op grond van de artikelen 13, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22,
26 en 32 genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het
College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
Artikel 47
Het is verboden terzake van een aanvrage om een vergunning of een
ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.
Artikel 48
Indien aan een vergunning of een ontheffing, krachtens de bepalingen
van deze wet verleend, voorwaarden zijn verbonden, wordt degene, die de
voorwaarden niet nakomt, in zoverre geacht zonder vergunning of
ontheffing te handelen.
Artikel 48a
1.Onze Minister wijst in overeenstemming met Onze bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen Ministers ambtenaren aan, belast met
het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde
regelen.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 49
1. Hetgeen krachtens de artikelen 13 en 14 is verschuldigd, kan
door de Staat, onderscheidenlijk door de voorzitter van het betrokken
bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam bij dwangbevel worden
ingevorderd.
2. Verzet tegen de executie geschiedt door dagvaarding van de
Staat, onderscheidenlijk het betrokken productschap, bedrijfschap of
samenwerkingslichaam voor de rechtbank van het arrondissement, binnen
hetwelk zijn woonplaats is gelegen.
Artikel 49a [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 51
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
2.Een gedraging in strijd met een dergelijke regel is een strafbaar
feit, voorzover uitdrukkelijk als zodanig aangeduid.
Artikel 52
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 53
1.[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
2.De rechten, lasten, verplichtingen en bezittingen van de
Stichting "Voedselvoorziening Import Bureau" gaan bij haar
opheffing over op het voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau.
Artikel 54
1.De Landbouw-Crisiswet 1933 wordt ingetrokken.
2.Het Voedselvoorzieningsbesluit en alle op grond van, ter
uitvoering van of krachtens dit besluit uitgevaardigde voorschriften
vervallen.
Artikel 55 [Vervallen per 08-03-2000]
Artikel 56
1.Deze wet kan worden aangehaald als: Landbouwwet.
2.Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Londen, 26 juli 1957
JULIANA
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Justitie,
Samkalden
De Minister van Financiën,
Hofstra
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
N. Schmelzer
Uitgegeven de derde september 1957
De Minister van Justitie,
Samkalden
|