| |
|
|
|
WET van 9 mei 1985, houdende regelen met
betrekking tot de inrichting van de landelijke gebieden
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen met betrekking tot inrichting van de landelijke
gebieden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
bevoegd bestuursorgaan: bestuursorgaan, dat bevoegd is tot
besluitneming inzake de verwezenlijking van infrastructurele
voorzieningen van nationaal of regionaal belang;
blok: een geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken;
eigenaar: hij, die eigenaar is van een tot het blok behorende
onroerende zaak en hij, aan wie een recht van opstal, erfpacht,
beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort, waaraan een
in het blok begrepen onroerende zaak is onderworpen, met dien verstande,
dat onder het recht van opstal niet wordt begrepen dat recht voor zover
het betreft het leggen en houden van leidingen in, op of boven de
onroerende zaak van een ander;
rechthebbende: de eigenaar en hij, aan wie een niet onder de
omschrijving van eigenaar genoemd beperkt recht toebehoort, waaraan een
tot het blok behorende onroerende zaak is onderworpen, hij aan wie met
betrekking tot zulk een zaak een recht van huur toebehoort of hij aan
wie met betrekking tot zulk een zaak een recht als bedoeld in artikel
252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek toebehoort;
structuurschema: het structuurschema, bedoeld in artikel 6;
voorbereidingsschema: het voorbereidingsschema, bedoeld in artikel
18;
herverkaveling: de samenvoeging, verkaveling en verdeling van
onroerende zaken met toepassing van Hoofdstuk VII;
openbare registers: de openbare registers, bedoeld in afdeling 1 van
titel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2 [Vervallen per 08-03-2006]
Artikel 3
1. Voor zover niet anders
bepaald wordt onder "gedeputeerde staten" verstaan het college
van gedeputeerde staten van de provincie, waarin het in te richten
gebied geheel of grotendeels is gelegen.
2. Het in het eerste lid bedoelde college neemt de besluiten,
bedoeld in de artikelen 42, 43, 46, 51, 80, 82, 85, eerste lid, 90, 92,
107, 109, 115, eerste lid, 131, derde lid, 133, eerste lid, en 137, niet
dan in overeenstemming met de colleges van gedeputeerde staten van de
andere provincies, waarin het in te richten gebied mede is gelegen.
3. Wij nemen de in het tweede lid bedoelde besluiten, indien de
betrokken organen ter zake niet tot overeenstemming zijn gekomen.
Artikel 4
Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het
landelijk gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze
in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.
Artikel 5
Landinrichting kan maatregelen en voorzieningen omvatten ten behoeve
van onder meer:
a. de land-, tuin- en bosbouw;
b. de natuur en het landschap;
c. de infrastructuur;
d. de openluchtrecreatie, en
e. de cultuurhistorie.
Artikel 6
1. Er is een Structuurschema Landinrichting.
2. Het structuurschema bevat voor een daarin vermelde tijd de
hoofdlijnen en beginselen van het nationale landinrichtingsbeleid en
geeft in het bijzonder inzicht in de ruimtelijke aspecten van dat
beleid. Het structuurschema wordt aangemerkt als een onderdeel van het
Regeringsbeleid als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286).
Artikel 7 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 8 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 9
1. Wanneer Onze Minister het
ten behoeve van de voorbereiding van landinrichting nodig acht, dat
grond wordt betreden of daarop gravingen of opmetingen worden verricht
of tekens gesteld, moet hij, die de eigendom van de grond heeft of hij,
aan wie een beperkt recht toebehoort, waaraan de grond is onderworpen,
dan wel de gebruiker van de grond, dit gedogen.
2. De burgemeester is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang
ter handhaving van de in het eerste lid bedoelde gedoogplicht.
3. De schade, die uit de toepassing van het eerste lid
voortvloeit, wordt vanwege de Staat vergoed. Het verzoek om
schadevergoeding moet worden ingediend bij Onze Minister. Bij geschil
over het beloop van de schade wordt dit op verzoek van de meest gerede
partij, nadat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar belangen te
verdedigen, door de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de desbetreffende onroerende zaak geheel of
grotendeels is gelegen, bij beschikking vastgesteld. Tegen de uitspraak
staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 10
1. Geen wijziging wordt gebracht in de rechten en de
gebruikstoestand ten aanzien van:
a. begraafplaatsen, crematoria en bewaarplaatsen bedoeld in
onderscheidenlijk de artikelen 23, 49, 62, eerste lid, onder c,
van de Wet op de lijkbezorging;
b. gesloten begraafplaatsen dan wel graven of grafkelders als
bedoeld in artikel 85 van de Wet op de lijkbezorging, binnen de
termijnen en anders dan op de wijze, omschreven in artikel 46, tweede
en derde lid, van die wet.
2. Zonder instemming van Onze Minister van Defensie wordt geen
wijziging gebracht in de gebruikstoestand van onroerende zaken die een
militaire bestemming hebben.
3. Zonder toestemming van de eigenaar wordt geen wijziging
gebracht in diens recht ten aanzien van gebouwen.
4. Onze Minister kan in overeenstemming met gedeputeerde staten
toestaan, dat van de bepaling in het derde lid wordt afgeweken, indien
zij de totstandkoming van de landinrichting in de weg zou staan.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk II. Vormen van landinrichting
Artikel 13
Op de voet van het bij of krachtens deze wet bepaalde kan
landinrichting plaatsvinden in de vorm van:
a. herinrichting;
b. ruilverkaveling;
c. aanpassingsinrichting, dan wel
d. ruilverkaveling bij overeenkomst.
Artikel 14
1. Voor herinrichting komen in aanmerking gebieden, die
ruimtelijk naast een agrarische functie ook in belangrijke mate een
niet-agrarische functie vervullen of moeten vervullen.
2. Bij herinrichting worden in ieder geval met betrekking tot
één of meer van de in artikel 5 genoemde aangelegenheden maatregelen
en voorzieningen getroffen, al dan niet met inbegrip van herverkaveling
op de voet van Hoofdstuk VII van het gehele in te richten gebied of van
één of meer gedeelten daarvan.
3. Herverkaveling van het in te richten gebied, of een gedeelte
daarvan, kan in één of meer blokken plaatsvinden.
Artikel 15
1. Voor ruilverkaveling komen in aanmerking gebieden, die
ruimtelijk een overwegend agrarische functie, doch niet in belangrijke
mate een niet-agrarische functie vervullen of moeten vervullen.
2. Bij ruilverkaveling worden in ieder geval met betrekking tot
één of meer van de in artikel 5 genoemde aangelegenheden, maatregelen
en voorzieningen getroffen, met inbegrip van herverkaveling op de voet
van Hoofdstuk VII van het gehele in te richten gebied.
3. Herverkaveling van het in te richten gebied kan in één of
meer blokken plaatsvinden.
Artikel 16
1. Aanpassingsinrichting vindt plaats in een gebied in
samenhang met het treffen van een op zichzelf staande infrastructurele
voorziening van nationaal of regionaal belang.
2. Bij aanpassingsinrichting vindt herverkaveling in één blok
plaats en kunnen maatregelen en voorzieningen worden getroffen met
betrekking tot de infrastructuur, de land-, tuin- en bosbouw, de natuur,
het landschap en de openluchtrecreatie.
3. De in het eerste lid bedoelde voorziening maakt geen deel uit
van het in het tweede lid bedoelde blok.
Artikel 17
Ruilverkaveling bij overeenkomst is de vorm van landinrichting,
waarbij drie of meer eigenaren zich verbinden bepaalde, hun toebehorende
onroerende zaken samen te voegen, de verkregen massa op bepaalde wijze
te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen.
Hoofdstuk III. Voorbereiding van en besluit tot herinrichting en
ruilverkaveling
Titel 1. Voorbereidingsschema landinrichting
Artikel 18
1. Er is een Voorbereidingsschema Landinrichting.
2. Het voorbereidingsschema geeft de gebieden aan met betrekking
waartoe herinrichting of ruilverkaveling wordt voorbereid.
3. Het voorbereidingsschema wordt jaarlijks vastgesteld.
4. De vaststelling van het voorbereidingsschema vindt, mede op de
grondslag van het structuurschema, plaats door Onze Minister.
Artikel 19
1. Gedeputeerde staten doen jaarlijks, elk voor hun provincie,
voorstellen aan Onze Minister toekomen ten behoeve van de vaststelling
van het voorbereidingsschema.
2. Gedeputeerde staten nemen bij het doen van de in het vorige
lid bedoelde voorstellen in aanmerking:
a. het structuurschema;
b. de zienswijze van Onze Minister omtrent een overeenkomstig
artikel 23 ingediend verzoek om landinrichting in voorbereiding te
nemen;
c. het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd
in een streekplan of een besluit van provinciale staten, de
provinciale planologische commissie gehoord.
3. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn een vorm van
landinrichting voor te stellen aan Onze Minister, die afwijkt van de
vorm van landinrichting zoals deze vervat is in het verzoek, als bedoeld
in artikel 23, horen zij de indieners van het verzoek, alvorens het
voorstel aan Onze Minister toe te zenden.
4. De voorstellen geven voor ieder gebied waarop zij betrekking
hebben aan, of herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorgesteld
en of het besluit tot herinrichting dan wel het besluit tot
ruilverkaveling wordt voorbereid, hetzij op de wijze als bedoeld in
Titel 3-6 van dit Hoofdstuk, hetzij op de wijze als bedoeld in Titel 7
van dit Hoofdstuk.
Artikel 20
1. Het voorbereidingsschema geeft voor ieder daarop vermeld
gebied aan of herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorbereid.
2. Indien een gebied voor de eerste keer op het
voorbereidingsschema wordt vermeld, worden daarbij aangegeven:
a. de voorlopige grenzen van het in te richten gebied alsmede van
ieder tot dat gebied behorend blok;
b. de overwegingen en uitgangspunten voor het in voorbereiding
nemen van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling.
3. Indien een gebied voor de eerste keer op het
voorbereidingsschema wordt vermeld en de daarbij aangegeven vorm van
landinrichting en de wijze van voorbereiding een andere is dan bij het
voorstel, dient daarover overeenstemming met de gedeputeerde staten te
zijn verkregen.
Artikel 21
1. Indien de vaststelling van het voorbereidingsschema tot
gevolg heeft dat:
a. de voorlopige grenzen van het in te richten gebied of van een
tot dat gebied behorend blok worden gewijzigd, dan wel
b. voor het in te richten gebied de in voorbereiding zijnde vorm
van landinrichting wordt gewijzigd,
is artikel 20, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de vaststelling van het voorbereidingsschema tot gevolg
heeft dat een gebied niet langer wordt vermeld, wordt zulks op het
voorbereidingsschema aangegeven.
Artikel 22
1. Onze Minister zendt het voorbereidingsschema toe aan de
colleges van gedeputeerde staten en maakt een uittreksel van het
voorbereidingsschema bekend in de
Nederlandse Staatscourant.
2. Een in het vorig lid bedoeld uittreksel geeft de op het
voorbereidingsschema vermelde gebieden aan, alsmede voor elk zodanig
gebied of herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorbereid.
Artikel 23
Een verzoek om landinrichting in voorbereiding te nemen, kan worden
ingediend door:
a. Onze Minister wie het aangaat;
b. provinciale staten, colleges van burgemeester en wethouders,
besturen van waterschappen en besturen van lichamen zoals bedoeld in
artikel 134 van de Grondwet,
c. verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen,
die belangen behartigen welke door landinrichting kunnen worden
gediend,
d. natuurlijke personen en rechtspersonen, die gezamenlijk ten
minste dertig procent van de oppervlakte van het in te richten
gebied in eigendom dan wel in gebruik hebben.
Artikel 24
1. Het verzoek moet schriftelijk en met redenen omkleed worden
ingediend bij Onze Minister.
2. Het verzoek gaat vergezeld van een kaart, waarop het in te
richten gebied is aangegeven.
Artikel 25
Onze Minister brengt het verzoek onverwijld ter kennis van:
a. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies,
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten,
c. de waterschappen,
op welker grondgebied het verzoek betrekking heeft.
Artikel 26
1. Onze Minister stelt binnen een tijdvak van twee jaren na
datum van de indiening van het verzoek, als bedoeld in artikel 24,
zijn zienswijze daaromtrent op en brengt deze schriftelijk ter kennis
van:
a. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies,
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten,
c. de waterschappen,
op welker grondgebied het verzoek betrekking heeft, alsmede van
d. de indieners van het verzoek of, indien er meer dan vijf
indieners zijn, tenminste de eerste vijf ondertekenaars van dit
verzoek.
2. De zienswijze bevat:
a. de grenzen van het gebied alsmede ingeval van herinrichting die
van de blokken;
b. met betrekking tot het gebied:
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. een beschrijving van de wenselijk geachte inrichting;
c. op grondslag van het bepaalde onder b en het structuurschema, de
motivering of landinrichting al dan niet wenselijk is en zo ja, in
welke vorm;
d. de wijze van voorbereiding.
Titel 2. Landinrichtingscommissie
Artikel 27
1. Nadat een gebied voor de eerste keer op het
voorbereidingsschema is vermeld stellen gedeputeerde staten een
landinrichtingscommissie met betrekking tot dat gebied in.
2. Gedeputeerde staten zenden bericht van de instelling van een
landinrichtingscommissie aan Onze Minister, alsmede aan:
a. de colleges van gedeputeerde staten van de overige provincies,
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en
c. de waterschappen,
op welker grondgebied het in te richten gebied is gelegen.
Artikel 28
1. Een landinrichtingscommissie bestaat uit ten hoogste zeven
leden, waaronder een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
2. Indien de aard of omvang van het gebied daartoe aanleiding
geeft, kunnen gedeputeerde staten besluiten, dat de
landinrichtingscommissie zal bestaan uit een daarbij vast te stellen
aantal van meer dan zeven leden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen
gegeven met betrekking tot de wijze van benoeming, de zittingsduur, de
schorsing en het ontslag van de leden van een landinrichtingscommissie
alsmede met betrekking tot de aan hen toe te kennen vergoedingen.
4. Gedeputeerde staten kunnen adviserende leden benoemen. Het
derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
De landinrichtingscommissie is bevoegd al dan niet uit haar midden,
sub-commissies in te stellen.
Artikel 30
1. Onze Minister voegt aan de landinrichtingscommissie een
secretaris toe.
2. Het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers wijst in overeenstemming met Onze Minister een ingenieur van
het kadaster en één of meer plaatsvervangers aan, die de
landinrichtingscommissie bijstaan.
Artikel 31
1. De landinrichtingscommissie kan geen besluiten nemen, indien
niet ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. De
voorzitter en de secretaris voeren de besluiten uit; zij kunnen
daartoe rechtshandelingen verrichten en in rechte optreden.
2. De Staat garandeert de nakoming van de verplichtingen, die
voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde rechtshandelingen.
Artikel 32
Onze Minister stelt regelen betreffende de werkwijze van de
landinrichtingscommissie vast.
Titel 3. Landinrichtingsprogramma
Artikel 33
Voor een gebied, waarvoor herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt
voorbereid, wordt een landinrichtingsprogramma vastgesteld.
Artikel 34
1. Indien herinrichting wordt voorbereid, wordt in het
programma aangegeven of herverkaveling op de voet van Hoofdstuk VII
zal plaatsvinden.
2. Indien ruilverkaveling, dan wel herinrichting waarbij
herverkaveling op de voet van Hoofdstuk VII zal plaatsvinden, wordt
voorbereid, wordt in het programma vermeld of zodanige herverkaveling in
één of meer blokken zal plaatsvinden. Daarbij wordt ieder blok
aangegeven.
Artikel 35
1. Het landinrichtingsprogramma bevat:
a. de zo nauwkeurig mogelijk bepaalde grenzen van het in te richten
gebied alsmede die van ieder tot dat gebied behorend blok;
b. met betrekking tot het in te richten gebied, op de grondslag van
de in artikel 20, tweede lid, onder b, bedoelde overwegingen en
uitgangspunten:
1. een beschrijving van de bestaande toestand;
2. de aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
3. de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de doeleinden
van herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling;
4. de aanduiding en de ruimtelijke aspecten van de te treffen
maatregelen en voorzieningen;
5. aanduidingen inzake de grondverwerving;
6. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder 4
en 5 bedoelde maatregelen en voorzieningen voor de economische
toestand met inbegrip van de werkgelegenheid, de leef- en
werkomstandigheden, de natuur en het landschap en de gesteldheid van
water, bodem en lucht;
7. een voorlopige raming van de kosten en de voorgestelde
verdeling daarvan;
c. een of meer kaarten waarop het onder a en b
gestelde alsmede in voorkomende gevallen de in artikel 36 bedoelde
beheersgebieden en reservaatsgebieden zoveel mogelijk afzonderlijk
worden weergegeven.
2. Onze Minister kan bepalen dat door Onze Minister aangewezen
voorzieningen van openbaar nut slechts in het kader van de
landinrichting tot stand worden gebracht, indien tussen de
landinrichtingscommissie en het betrokken openbaar lichaam
overeenstemming is verkregen over de geldelijke bijdrage van het lichaam
in de kosten van de verwezenlijking van het landinrichtingsplan en over
de voorwaarden waaronder de betaling zal plaatsvinden, en Onze Minister
instemt met deze bijdrage en voorwaarden.
Artikel 36
Het landinrichtingsprogramma bevat tevens
a. indien in één of meer gebieden de uitoefening van de
landbouw mede gericht dient te worden op doeleinden van natuur- of
landschapsbehoud,
b. indien in één of meer gebieden het beheer in de toekomst
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gericht dient te zijn op
doeleinden van natuur- of landschapsbehoud,
de begrenzing in hoofdlijnen van deze beheersgebieden
onderscheidenlijk reservaatsgebieden.
Artikel 37
1. Op de voorbereiding van een ontwerp-landinrichtingsprogramma
als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat daaraan toepassing wordt gegeven door de landinrichtingscommissie.
Onder het in het tweede lid bedoelde voorontwerp van het
landinrichtingsprogramma wordt het ingevolge artikel 3:11, eerste lid,
door de landinrichtingscommissie ter inzage te leggen ontwerp
verstaan.
2. De landinrichtingscommissie stelt een voorontwerp van het
landinrichtingsprogramma op na overleg met de colleges van burgemeester
en wethouders van de betrokken gemeenten en de besturen van de betrokken
waterschappen.
3. Het voorontwerp kan met betrekking tot eenzelfde
aangelegenheid meer dan één mogelijkheid van te treffen maatregelen of
voorzieningen bevatten.
4. Onder betrokken gemeenten en waterschappen worden verstaan de
gemeenten en waterschappen, waarin het gebied als bedoeld in artikel 35,
eerste lid, onder a, is gelegen.
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 39 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 40
1. De
landinrichtingscommissie stelt het landinrichtingsprogramma in ontwerp
vast en zendt dit aan gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten brengen het ontwerp onverwijld ter kennis
van de colleges van gedeputeerde staten van de andere provincies, op
welker grondgebied dit mede betrekking heeft.
Artikel 41
1. Gedeputeerde staten stellen het landinrichtingsprogramma
vast na toetsing van het ontwerp aan de hoofdlijnen van het
provinciaal ruimtelijk beleid, zoals deze hun grondslag vinden in of
redelijkerwijs voorvloeien uit een streekplan of een ander besluit van
provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
2. Op de voorbereiding van het landinrichtingsprogramma is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De
terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de gemeenten en de
waterschappen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in het in te
richten gebied. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 43
1. Indien provinciale staten
voornemens zijn af te wijken van het ontwerp, wordt alvorens zij het
landinrichtingsprogramma vaststellen, advies ingewonnen van de
landinrichtingscommissie.
2. Voorzover provinciale staten het landinrichtingsprogramma
vaststellen in afwijking van het in het vorige lid bedoelde advies,
zenden gedeputeerde staten het besluit daartoe binnen twee weken na
vaststelling aan Onze Minister.
3. Het gedeelte van het in het vorige lid bedoelde besluit,
waarbij wordt afgeweken van het in het eerste lid bedoelde advies, kan
door Ons worden vernietigd.
4. Het koninklijk besluit tot vernietiging wordt in het Staatsblad
geplaatst.
5. Een voordracht tot vernietiging wordt Ons door Onze Minister
gedaan.
6. Een besluit tot vernietiging kan niet worden genomen, indien
een jaar is verstreken na de ontvangst van het in het tweede lid
bedoelde besluit. Wij behouden Ons voor de termijn van een jaar met zes
maanden te verlengen.
7. Onze Minister zendt het besluit tot vernietiging onverwijld
aan:
a. de landinrichtingscommissie;
b. provinciale staten;
c. de gemeenten en de waterschappen op welker grondgebied het
besluit tot vernietiging betrekking heeft.
Artikel 44 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 45
1. Provinciale Staten
bezien, in hoeverre met toepassing van artikel 152 van de Provinciewet
de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 41, eerste lid, 43, eerste
en tweede lid, 46, eerste en tweede lid, en 51, eerste lid, kunnen
worden gedelegeerd aan gedeputeerde staten.
2. Voor zover de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid zijn
gedelegeerd aan gedeputeerde staten, is artikel 41,derde lid, niet van
toepassing.
Titel 4. Besluit tot herinrichting
Artikel 46
1. Provinciale staten nemen het besluit tot herinrichting
gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het
landinrichtingsprogramma.
2. Indien provinciale staten het landinrichtingsprogramma met
toepassing van artikel 43, tweede lid, vaststellen, nemen zij in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid het besluit tot
herinrichting eerst nadat de in artikel 43, zesde lid, bedoelde termijn
is verstreken of zo veel eerder als Onze Minister te kennen heeft
gegeven van een voordracht tot vernietiging af te zien.
Artikel 47
1. Gedeputeerde staten zenden afschrift van het besluit tot
herinrichting naar Onze Minister, de landinrichtingscommissie en,
indien met toepassing van Hoofdstuk VII herverkaveling zal
plaatsvinden, naar de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het in te
richten gebied geheel of grotendeels is gelegen.
2. De rechtbank benoemt na ontvangst van dit bericht één of
meer rechters-commissarissen en doet hiervan mededeling aan gedeputeerde
staten en aan de landinrichtingscommissie.
Artikel 48
1. Met ingang van het tijdstip waarop het ontwerp van het
landinrichtingsplan ter inzage is gelegd tot het tijdstip waarop het
landinrichtingsplan voor de betrokken onroerende zaken is
verwezenlijkt, is het, behoudens daartoe door de
landinrichtingscommissie verleende toestemming, verboden handelingen
te verrichten, die de verwezenlijking van het plan ernstig belemmeren.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het
landinrichtingsplan in gedeelten wordt voorbereid of vastgesteld, dan
wel wordt gewijzigd.
Artikel 49
1. Indien bij het besluit tot herinrichting is besloten tot
herverkaveling van het gebied of van één of meer gedeelten daarvan,
is het, nadat het besluit tot herinrichting is genomen, eigenaren en
gebruiksgerechtigden van in een blok gelegen onroerende zaken verboden
handelingen te verrichten, of handelingen welke voor een normale
bedrijfsvoering zijn vereist, achterwege te laten, indien daardoor de
waarde van de betrokken onroerende zaken zou veranderen, tenzij de
landinrichtingscommissie daarmee heeft ingestemd.
2. Waardevermeerdering, ontstaan nadat het besluit tot
herinrichting is genomen, behoeft niet te worden vergoed, tenzij deze
waardevermeerdering het gevolg is van handelingen, waarmee de
landinrichtingscommissie heeft ingestemd.
Artikel 50
Aan een werknemer wordt door Onze Minister uit ’s Rijks kas een
geldelijke bijdrage verleend in door hem te bepalen gevallen en volgens
door hem te stellen regelen, indien het bedrijf waarin de werknemer
werkzaam is, ten gevolge van de toepassing van artikel 11 of van artikel
146 wordt beëindigd.
Titel 5. Besluit tot ruilverkaveling
Afdeling I. Algemeen
Artikel 51
1. Provinciale staten nemen het besluit, dat een stemming wordt
gehouden ter verkrijging van de beslissing of ruilverkaveling zal
plaatsvinden, gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het
landinrichtingsprogramma.
2. Artikel 46, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat in plaats van "besluit tot herinrichting"
wordt gelezen: besluit, dat een stemming wordt gehouden ter verkrijging
van de beslissing of ruilverkaveling zal plaatsvinden.
Artikel 52
1. De beslissing of ruilverkaveling zal plaatsvinden, wordt
genomen door degenen, die met betrekking tot het in te richten gebied:
a. in de kadastrale registratie als eigenaar staan vermeld;
b. overeenkomstig de artikelen 54-61 als pachters van daartoe
behorende onroerende zaken zijn geregistreerd.
2. Ter verkrijging van de beslissing of ruilverkaveling zal
plaatsvinden wordt zo spoedig mogelijk na het tijdstip, waarop het
landinrichtingsprogramma is vastgesteld, onder verantwoordelijkheid van
gedeputeerde staten een stemming gehouden.
Afdeling II. Registratie van eigenaren en pachters
Artikel 53
1. De landinrichtingscommissie stelt met betrekking tot het in
te richten gebied een lijst vast van degenen, die in de kadastrale
registratie als eigenaar staan vermeld.
2. Op de voorbereiding van de lijst is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. De landinrichtingscommissie zendt de in artikel 3:12 van de
Algemene wet bestuursrecht bedoelde kennisgeving toe aan degenen die op
het ontwerp van de lijst zijn vermeld.
4. De terinzagelegging geschiedt ter secretarie van de provincies
en gemeenten die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in het in te
richten gebied.
Artikel 54
1. De landinrichtingscommissie registreert met betrekking tot
het in te richten gebied op hun daartoe strekkend verzoek de pachters,
die aan de in artikel 62, eerste lid, bedoelde stemming wensen deel te
nemen.
2. Voor registratie komt slechts in aanmerking de pachter:
a. van onroerende zaken, gelegen binnen de begrenzing van het in te
richten gebied, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a;
b. wiens schriftelijke pachtovereenkomst, welke zo nodig de
goedkeuring van de grondkamer heeft verkregen:
1°. geldt voor ten minste de wettelijke duur als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de Pachtwet (Stb. 1958, 37);
2°. is aangegaan voor een kortere duur als bedoeld in artikel
12, derde lid, van die wet, doch nadien voor zes jaren is verlengd;
3°. valt onder de termen van artikel 58 van de bedoelde wet en
voor ten minste zes jaren is aangegaan, dan wel
4°. met toepassing van artikel 70f, vijfde lid, van die
wet is aangegaan voor ten minste zes jaren.
3. Inzending van de pachtovereenkomst geldt als een verzoek tot
registratie.
Artikel 55
1. Het verzoek tot registratie moet binnen een maand na een
door de landinrichtingscommissie te bepalen tijdstip worden ingediend.
2. De landinrichtingscommissie maakt het in het eerste lid
bedoelde tijdstip bekend in ten minste twee dag- of nieuwsbladen, die in
zodanig gebied worden verspreid en in de gemeenten, die geheel of
gedeeltelijk in zodanig gebied zijn gelegen, op de aldaar gebruikelijke
wijze.
Artikel 56
1. Indien de pachter niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld
in artikel 54, tweede lid, deelt de landinrichtingscommissie hem mee,
dat hij niet in aanmerking komt voor registratie.
2. Indien de pachter voldoet aan de voorwaarden, gesteld in
artikel 54, tweede lid, beschrijft de landinrichtingscommissie het
gepachte door vermelding van de kadastrale aanduiding van die onroerende
zaken en van de grootte volgens de kadastrale registratie van elk der
desbetreffende percelen en, indien het gepachte een gedeelte van een
perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte; de
landinrichtingscommissie vermeldt tevens de oppervlakte, waarvoor de
pachter stemgerechtigd is.
3. De landinrichtingscommissie zendt zo spoedig mogelijk aan
partijen bij de pachtovereenkomst, voor zover deze bekend zijn, bij
aangetekende brief bericht van het verzoek, onder vermelding van de
kadastrale aanduiding van het gepachte, de grootte volgens de kadastrale
registratie van elk der desbetreffende percelen en, indien het gepachte
een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat
gedeelte, alsmede onder vermelding van de oppervlakte, waarvoor de
pachter stemgerechtigd is.
4. Op het niet-ontvangen van het bericht kan geen beroep worden
gedaan.
5. Partijen kunnen hun bedenkingen binnen veertien dagen na de
dagtekening van de in het derde lid bedoelde brief schriftelijk bij de
landinrichtingscommissie naar voren brengen.
6. Voor de toepassing van de vorige leden en van de artikelen
57-60 wordt onder partijen mede verstaan degene, die op het tijdstip van
de indiening van het verzoek tot registratie in de kadastrale
registratie als eigenaar staat vermeld, indien deze niet de verpachter
is.
Artikel 57
1. De landinrichtingscommissie beslist zo spoedig mogelijk of
al dan niet tot registratie wordt overgegaan.
2. De landinrichtingscommissie stelt bij aangetekende brief
partijen in kennis van haar beschikking.
Artikel 58
1. Partijen kunnen binnen een maand na de dagtekening van de in
artikel 57, tweede lid, bedoelde brief bij een met redenen omkleed
verzoekschrift, vergezeld van de nodige bewijsstukken en van een
afschrift van de beschikking van de landinrichtingscommissie, deze
onderwerpen aan de uitspraak van de voorzitter van de pachtkamer van
de rechtbank van het arrondissement waarin het gepachte geheel of
grotendeels is gelegen.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de partij,
die geen bedenkingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 56, vijfde
lid, naar voren heeft gebracht, geen gebruik maken van de hem in het
eerste lid verleende bevoegdheid, indien de landinrichtingscommissie
overeenkomstig het verzoek en de gegevens, vermeld in de brief, bedoeld
in artikel 56, derde lid, heeft beslist.
3. Alle stukken worden ingediend met afschriften voor de
partijen, die bij de procedure betrokken zijn, alsmede voor de
landinrichtingscommissie.
Artikel 59
1. De griffier van de rechtbank doet onverwijld bij
aangetekende brief afschriften van de ingediende stukken aan de andere
partij of partijen, voor zover deze hem bekend zijn, en aan de
landinrichtingscommissie toekomen.
2. Op het niet-ontvangen van de stukken kan geen beroep worden
gedaan.
3. Onverwijld zendt de landinrichtingscommissie alle haar ter
beschikking staande stukken aan de voorzitter van de pachtkamer.
4. Elke wederpartij kan binnen een maand na de dagtekening van de
in het eerste lid bedoelde brief een verweerschrift, al dan niet
vergezeld van bewijsstukken, bij de voorzitter van de pachtkamer
indienen.
5. De griffier doet onverwijld bij aangetekende brief afschrift
van de ingediende stukken aan de andere partij of partijen toekomen.
Artikel 60
1. De voorzitter van de pachtkamer kan nader bewijs of verhoor
van partijen of de landinrichtingscommissie bevelen.
2. Hij doet zo spoedig mogelijk uitspraak en bepaalt bij zijn
beschikking hetgeen geregistreerd wordt.
3. De beslissing van de voorzitter van de pachtkamer is niet een
uitspraak ten principale omtrent de rechtsverhouding tussen partijen.
4. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 61
De landinrichtingscommissie zendt met betrekking tot het in te
richten gebied aan gedeputeerde staten een lijst van hen, die als
pachter zijn geregistreerd.
Afdeling III. Stemming
Artikel 62
1. De oproeping tot de stemming geschiedt bij aangetekende
brief, waarin wordt gewezen op het rechtsgevolg, hetwelk de wet aan de
stemming verbindt.
2. Van de oproeping geschiedt openbare kennisgeving op de wijze,
in artikel 55, tweede lid, voorgeschreven.
3. Op het niet-ontvangen van de oproeping kan geen beroep worden
gedaan.
4. De stemming wordt niet gehouden, dan nadat ten minste drie
weken zijn verstreken sedert de verzending der aangetekende brieven,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 63
1. Men kan in persoon of bij gemachtigde aan de stemming
deelnemen.
2. Niemand kan als gemachtigde van meer dan één persoon
optreden.
3. Als gemachtigde wordt slechts toegelaten hij, die desverlangd
aan de voorzitter van het stembureau een schriftelijke volmacht overlegt
en van wiens machtiging gedeputeerde staten ten minste twee dagen vóór
de dag der stemming schriftelijk bericht van de lastgever hebben
ontvangen.
4. De voorzitter van het stembureau kan weigeren personen, die de
volle ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt of die onder
curatele zijn gesteld, als gemachtigde toe te laten.
5. De stemmen worden geheim uitgebracht.
Artikel 64
1. Ten behoeve van de stemopneming en de vaststelling van de
uitslag der stemming worden stembureaus en een hoofdstembureau
ingesteld.
2. De voorzitter van het hoofdstembureau wordt door gedeputeerde
staten uit hun midden benoemd.
3. Ter bijstand van het hoofdstembureau kan een administratief
bureau worden ingesteld.
Artikel 65
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met
betrekking tot de stemming nadere regelen gesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onder meer
betrekking hebben op:
a. de instelling, samenstelling en werkwijze van stembureaus, een
hoofdstembureau en een administratief bureau;
b. de oproeping voor de stemming;
c. het verlenen van een volmacht;
d. de verklaring van erfrecht;
e. de aanwijzing en beschikbaarstelling van stemlokalen en de
vergoeding van de daaruit voortvloeiende kosten;
f. de stembiljetten;
g. het stemmen.
Artikel 66
1. Voor het nemen van het besluit tot ruilverkaveling wordt
vereist de toestemming:
a. hetzij van de meerderheid van hen, die met betrekking tot het in
te richten gebied in de kadastrale registratie als eigenaar staan
vermeld, en van hen, die als pachters zijn geregistreerd, gezamenlijk
voor zover zij aan de stemming deelnemen, met dien verstande dat hij,
die met betrekking tot het in te richten gebied in de kadastrale
registratie als eigenaar staat vermeld en tevens als pachter is
geregistreerd, ten behoeve van zichzelf, slechts één stem kan
uitbrengen;
b. hetzij van hen, die gezamenlijk van meer dan de helft van de
totale grootte, waarvoor stemmen zijn uitgebracht, blijkens het
kadaster eigenaar dan wel blijkens de registratie pachter zijn van tot
het in te richten gebied behorende onroerende zaken.
2. Bij het bepalen van de meerderheid in kadastrale grootte
worden de volgende regels in acht genomen:
a. ingeval onroerende zaken aan twee of meer eigenaren gezamenlijk
toebehoren, wordt iedere mede-eigenaar geacht eigenaar te zijn van een
evenredig deel;
b. ingeval op onroerende zaken een recht van opstal, erfpacht,
vruchtgebruik, gebruik of bewoning bestaat, tellen de stemmen van
degenen aan wie de bezwaarde eigendom toebehoort en degenen aan wie
deze rechten toebehoren elk voor de helft van de oppervlakte van de
onroerende zaak waarop zodanig recht rust, met dien verstande dat,
indien een onroerende zaak aan meer dan één van de genoemde rechten
is onderworpen, de stemmen van degenen aan wie deze rechten toebehoren
elk voor een gelijk deel van de helft van de oppervlakte van de
onroerende zaak, welke aan deze rechten is onderworpen, tellen;
c. ingeval onroerende zaken verpacht zijn, tellen de stemmen van de
eigenaar en van de pachter elk voor de helft van de oppervlakte van de
onroerende zaak die verpacht is, met dien verstande dat:
1°. indien een onroerende zaak aan meerdere pachters gezamenlijk
is verpacht, de stemmen van de pachters elk voor een evenredig deel
van de helft van de grootte van de onroerende zaak, die verpacht is,
tellen, en
2°. indien een onroerende zaak is onderverpacht, de stemmen van
de pachter en van de onderpachter elk voor een evenredig deel van de
grootte van de onroerende zaak, waarvoor de pachter stemgerechtigd
is, tellen;
d. ingeval onroerende zaken aan een of meer van de onder b
bedoelde rechten zijn onderworpen en deze onroerende zaken tevens
verpacht zijn, tellen de stemmen van degenen aan wie de bezwaarde
eigendom toebehoort en degenen aan wie deze rechten toebehoren tezamen
voor de helft van de grootte van de onroerende zaken, die aan genoemde
rechten zijn onderworpen en die tevens verpacht zijn. Ten aanzien van
deze helft is het bepaalde onder b van overeenkomstige
toepassing.
3. Stemmen welke van onwaarde zijn worden voor de toepassing van
dit artikel niet in aanmerking genomen.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden met personen, die in
de kadastrale registratie als eigenaar staan vermeld, onderscheidenlijk
als pachter zijn geregistreerd, gelijkgesteld zij, die door een
verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek, aantonen erfgenaam van een zodanige persoon te zijn.
Is de nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek verdeeld, dan wordt met de in de vorige zin bedoelde eigenaar,
onderscheidenlijk pachter, gelijkgesteld de in de verklaring van
erfrecht genoemde echtgenoot of geregistreerde partner van de erflater.
Is de nalatenschap niet in Nederland opengevallen, dan wordt de
verklaring van erfrecht vervangen door een, door de ter plaatse bevoegde
autoriteit opgestelde en ondertekende, verklaring houdende:
a. voor zover bekend de naam, voornamen, geboortedatum, de
wettelijke woonplaats met adres, het beroep, de burgerlijke staat en
de datum van overlijden van de erflater;
b. voor zover bekend de naam, voornamen, geboortedatum, de
wettelijke woonplaats met adres, het beroep en de burgerlijke staat
van de erfgenamen met vermelding van ieders aandeel;
c. zo mogelijk de naam, voornamen, de geboortedatum en de
wettelijke woonplaats met adres van de wettelijke vertegenwoordigers
van de onder b bedoelde personen, daaronder begrepen de
bewindvoerders;
d. een nauwkeurige aanwijzing van de uiterste wil of, bij
wettelijke erfopvolging, van de betrekking tussen de erflater en de
erfgenamen;
e. een verklaring van de autoriteit, die de akte heeft opgemaakt,
dat hij zich van de juistheid van hetgeen daarin is vermeld, zo goed
mogelijk heeft overtuigd.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden als in de kadastrale
registratie vermelde eigenaren uitsluitend aangemerkt diegenen, die deze
hoedanigheid bezitten aan het einde van de zevende dag, voorafgaande aan
die der stemming. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet ten
aanzien van erfgenamen van personen die op grond van het aldaar bepaalde
als in de kadastrale registratie vermelde eigenaren worden aangemerkt.
6. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt
onder eigenaar niet verstaan degene aan wie de bezwaarde eigendom
toebehoort van onroerende zaken, voor zover daarop een recht van
beklemming rust.
7. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, wordt
onder grootte verstaan de grootte volgens de kadastrale registratie van
elk der betrokken percelen en, indien het een gedeelte van een perceel
betreft, bovendien de grootte van dat gedeelte.
Artikel 67
De voorzitter van het hoofdstembureau maakt onverwijld de uitslag van
de stemming bekend.
Artikel 68
Indien niet tot ruilverkaveling is besloten, stellen gedeputeerde
staten alle stukken die op de voorbereiding van de ruilverkaveling
betrekking hebben, in handen van Onze Minister.
Artikel 69
Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat
in de plaats van "besluit tot herinrichting" wordt gelezen:
"besluit tot ruilverkaveling".
Afdeling IV. Verbodsbepalingen
Artikel 70
1. Met ingang van het tijdstip waarop het ontwerp van het
landinrichtingsplan ter inzage is gelegd tot het tijdstip waarop het
landinrichtingsplan voor de betrokken onroerende zaken is
verwezenlijkt, is het, behoudens daartoe door de
landinrichtingscommissie verleende toestemming, verboden handelingen
te verrichten, die de verwezenlijking van het plan ernstig belemmeren.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het
landinrichtingsplan in gedeelten wordt voorbereid of vastgesteld, dan
wel wordt gewijzigd.
Artikel 71
1. Nadat het besluit tot ruilverkaveling is genomen is het
eigenaren en gebruiksgerechtigden van in een blok gelegen onroerende
zaken verboden handelingen te verrichten, of handelingen welke voor
een normale bedrijfsvoering zijn vereist, achterwege te laten, indien
daardoor de waarde van de betrokken onroerende zaken zou veranderen,
tenzij de landinrichtingscommissie daarmee heeft ingestemd.
2. Waardevermeerdering, ontstaan nadat het besluit tot
ruilverkaveling is genomen, behoeft niet te worden vergoed, tenzij deze
waardevermeerdering het gevolg is van handelingen, waarmee de
landinrichtingscommissie heeft ingestemd.
Artikel 72
Aan een werknemer wordt door Onze Minister uit ’s Rijks kas een
geldelijke bijdrage verleend in door hem te bepalen gevallen en volgens
door hem te stellen regelen, indien het bedrijf waarin de werknemer
werkzaam is, ten gevolge van de toepassing van artikel 11 of van artikel
146 wordt beëindigd.
Titel 6. Landinrichtingsplan
Artikel 73
1. Voor een gebied, met betrekking waartoe het besluit tot
herinrichting, onderscheidenlijk ruilverkaveling, is genomen wordt een
landinrichtingsplan vastgesteld.
2. Het met betrekking tot het gebied vastgestelde
landinrichtingsprogramma vormt de grondslag voor het in het vorige lid
bedoelde landinrichtingsplan.
3. Het landinrichtingsplan kan in gedeelten worden voorbereid of
vastgesteld.
Artikel 74
1. Het landinrichtingsplan bevat:
a. de grenzen van het in te richten gebied, alsmede die van ieder
tot dat gebied behorende blok;
b. een beschrijving van de bestaande toestand;
c. een aanduiding van de ruimtelijke ontwikkeling;
d. een omschrijving van de te treffen maatregelen en voorzieningen,
met, in voorkomende gevallen, vermelding van de daarvoor benodigde
gronden;
e. een raming van de kosten en de verdeling daarvan;
f. één of meer kaarten, die met inachtneming van artikel 75,
tweede lid, zijn vervaardigd.
2. De in het eerste lid, onder d, bedoelde maatregelen en
voorzieningen kunnen onder meer omvatten:
a. wijziging van het stelsel van wegen, waterlopen, dijken en kaden
met de daarbij behorende kunstwerken;
b. veiligstelling, aanleg en ontwikkeling van gebieden van belang
uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud en elementen van
landschappelijke, recreatieve, cultuurhistorische en
natuurwetenschappelijke waarde;
c. uitvoering van andere dan onder a en b begrepen
werken van openbaar nut.
3. Indien artikel 35, tweede lid, is toegepast worden de aldaar
bedoelde voorzieningen slechts in het landinrichtingsplan opgenomen,
nadat de aldaar bedoelde instemming is verkregen.
Artikel 75
1. Het landinrichtingsplan bevat tevens:
a. de begrenzing van de in artikel 36 bedoelde beheersgebieden
onderscheidenlijk reservaatsgebieden;
b. de voornemens inzake de toewijzing onderscheidenlijk regeling
van de eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare wegen,
waterlopen, dijken en kaden met de daarbij behorende kunstwerken;
c. de voornemens, alsmede de overwegingen waarop deze zijn gegrond,
inzake de toewijzing, met de daarbij in acht te nemen voorwaarden, van
de eigendom van
- gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en
landschapsbehoud;
- elementen van landschappelijke, recreatieve, cultuurhistorische
en natuurwetenschappelijke waarde;
- onroerende zaken, waarop andere werken van openbaar nut zullen
worden uitgevoerd,
die voor herinrichting overeenkomstig het derde lid, onder a,
en voor ruilverkaveling overeenkomstig het vierde lid, onder b,
op de kaarten zijn aangegeven.
2. Op de in artikel 74, eerste lid, onder f, bedoelde
kaarten worden zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. de grenzen van het in te richten gebied;
b. de grenzen van ieder blok;
c. de te handhaven openbare wegen, waterlopen, dijken en kaden;
d. de te handhaven gebieden van belang uit een oogpunt van natuur-
en landschapsbehoud en elementen van landschappelijke, recreatieve,
cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde;
e. de in artikel 74, eerste lid, onder d, bedoelde
maatregelen en voorzieningen;
f. in voorkomend geval, de grenzen van de in het eerste lid, onder a,
bedoelde gebieden.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid wordt bij
herinrichting ten aanzien van de in artikel 74, eerste lid, onder d,
bedoelde maatregelen en voorzieningen op de kaarten afzonderlijk en zo
nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. maatregelen en voorzieningen, voor de verwezenlijking waarvan de
verwerving van eigendom van grond noodzakelijk is;
b. maatregelen en voorzieningen, voor de verwezenlijking waarvan
artikel 141 kan worden toegepast.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid worden bij
ruilverkaveling ten aanzien van de in artikel 74, eerste lid, onder d,
bedoelde maatregelen en voorzieningen op de kaarten afzonderlijk en zo
nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. maatregelen en voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan
artikel 142, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden
toegepast;
b. maatregelen en voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan
artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en c, kan
worden toegepast.
Artikel 76
1. Op de voorbereiding van een ontwerp landinrichtingsplan als
bedoeld in artikel 79, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
daaraan toepassing wordt gegeven door de landinrichtingscommissie.
Onder het in het tweede lid bedoelde voorontwerp van het
landinrichtingsplan wordt het ingevolge artikel 3:11, eerste lid, door
de landinrichtingscommissie ter inzage te leggen ontwerp verstaan.
2. De landinrichtingscommissie stelt een voorontwerp van het
landinrichtingsplan op na overleg met de colleges van burgemeester en
wethouders van de betrokken gemeenten en de besturen van de betrokken
waterschappen.
3. Het voorontwerp kan met betrekking tot eenzelfde
aangelegenheid meer dan één mogelijkheid van te treffen maatregelen of
voorzieningen bevatten.
4. Voor zover het voorontwerp uitvoering van werken op onroerende
zaken bevat, waarvan de eigendom, het beheer of het onderhoud bij een
gemeente of waterschap berust, stelt de landinrichtingscommissie het
daarop betrekking hebbende gedeelte van het voorontwerp op in
overeenstemming met het college van burgemeester en wethouders van die
gemeente of dat waterschap.
5. Onder betrokken gemeenten en waterschappen worden verstaan de
gemeenten en waterschappen, waarin het gebied bedoeld in artikel 74,
eerste lid, onder a, is gelegen.
Artikel 77 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 78 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 79
1. De
landinrichtingscommissie stelt het landinrichtingsplan in ontwerp vast
en zendt dit aan gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten brengen het ontwerp onverwijld ter kennis
van de colleges van gedeputeerde staten van de andere provincies, op
welker grondgebied dit mede betrekking heeft.
Artikel 80
1. Gedeputeerde staten stellen het landinrichtingsplan vast.
2. Op de voorbereiding van het landinrichtingsplan afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging
geschiedt tevens ter secretarie van de gemeenten en de waterschappen die
geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in het in te richten gebied.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 81
De vaststelling van de hoogte van de door het Rijk te dragen kosten
zoals deze in het landinrichtingsplan worden opgenomen, geschiedt in
overeenstemming met Onze Minister.
Artikel 82
1. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn af te wijken van
het ontwerp, winnen zij advies in van de landinrichtingscommissie,
alvorens zij het landinrichtingsplan vaststellen.
2. Voor zover gedeputeerde staten het landinrichtingsplan
vaststellen in afwijking van het in het vorige lid bedoelde advies,
zenden zij hun besluit daartoe binnen twee weken na vaststelling aan
Onze Minister.
3. Het gedeelte van het in het vorige lid bedoelde besluit,
waarbij wordt afgeweken van het in het eerste lid bedoelde advies, kan
door Ons worden vernietigd.
4. Het koninklijk besluit tot vernietiging wordt in het Staatsblad
geplaatst.
5. Een voordracht tot vernietiging wordt Ons door Onze Minister
gedaan.
6. Een besluit tot vernietiging kan niet worden genomen, indien
een jaar is verstreken na de ontvangst van het in het tweede lid
bedoelde besluit. Wij behouden Ons voor de termijn van een jaar met zes
maanden te verlengen.
7. Onze Minister zendt het besluit tot vernietiging onverwijld
aan:
a. de landinrichtingscommissie;
b. gedeputeerde staten;
c. de gemeenten en de waterschappen op welker grondgebied het
besluit tot vernietiging betrekking heeft.
Artikel 83
Tegen de in artikel 75, eerste lid, onder c, bedoelde voornemens tot
toewijzing van de eigendom, voor zover zulks geschiedt met toepassing
van artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en c, dan wel met
toepassing van artikel 122 van de Onteigeningswet, kunnen uitsluitend
rechthebbenden en pachters die zich tijdig tot gedeputeerde staten
hebben gewend met bedenkingen tegen deze voornemens of die bedenkingen
hebben tegen deze voornemens voor zover deze afwijken van die in het ter
inzage gelegde ontwerp van het landinrichtingsplan beroep instellen bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 84
1. Een landinrichtingsplan kan worden gewijzigd tot het
tijdstip waarop voor het betrokken gedeelte van het gebied het besluit
tot vaststelling van het in artikel 131 bedoelde begrenzingenplan, of
een gedeelte daarvan, wordt genomen.
2. Gedeputeerde staten kunnen tot het tijdstip als bedoeld in het
eerste lid de landinrichtingscommissie een aanwijzing geven met
betrekking tot een op te stellen wijziging van het landinrichtingsplan,
indien zich zodanige omstandigheden voordoen, dat één of meer
wezenlijke onderdelen van het landinrichtingsplan niet of ontoereikend
kunnen worden verwezenlijkt.
3. De landinrichtingscommissie kan aan gedeputeerde staten haar
zienswijze kenbaar maken omtrent het bestaan van omstandigheden als
bedoeld in het tweede lid.
4. In afwijking van de artikelen 74 tot en met 83 kunnen de
grenzen van een blok worden gewijzigd door de landinrichtingscommissie
in overeenstemming met de belanghebbende eigenaren.
5. Maakt de landinrichtingscommissie van deze bevoegdheid gebruik
dan doet zij hiervan mededeling aan gedeputeerde staten, de
rechter-commissaris en de belanghebbende eigenaren.
6. In afwijking van het eerste lid kan een landinrichtingsplan
waarvoor geen begrenzingenplan als bedoeld in artikel 131 wordt
vastgesteld, worden gewijzigd tot het plan van toedeling overeenkomstig
artikel 199, eerste lid, ter inzage wordt gelegd.
Artikel 85
1. Bij het landinrichtingsplan kan worden bepaald dat, indien
het belang van de herverkaveling zulks vordert, gedeputeerde staten
bevoegd zijn op voorstel van de landinrichtingscommissie, met
instemming van Onze Minister en met inachtneming van in het plan
vervatte regelen het landinrichtingsplan uit te werken en de daarin
omschreven maatregelen en voorzieningen uit te breiden.
2. De in het eerste lid bedoelde uitwerking, onderscheidenlijk
uitbreiding, maakt deel uit van het landinrichtingsplan.
3. Op de voorbereiding van het plan tot uitwerking,
onderscheidenlijk uitbreiding is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Titel 7. Vereenvoudigde voorbereiding van een besluit tot
herinrichting of ruilverkaveling
Afdeling I. Algemeen
Artikel 86
Voor een gebied waarvoor op het voorbereidingsschema in een
vereenvoudigde voorbereiding van herinrichting dan wel ruilverkaveling
is voorzien, wordt geen landinrichtingsprogramma als bedoeld in Titel 3
vastgesteld, doch wordt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen
74-85 een landinrichtingsplan vastgesteld met inachtneming van de
artikelen 87-93.
Artikel 87
1. Indien een herinrichting wordt voorbereid op de wijze als
bedoeld in artikel 86, wordt in het plan aangegeven of herverkaveling
op de voet van Hoofdstuk VII zal plaatsvinden.
2. Indien ruilverkaveling, dan wel herinrichting, waarbij
herverkaveling op de voet van Hoofdstuk VII zal plaatsvinden, wordt
voorbereid op de wijze als bedoeld in artikel 86, wordt in het plan
vermeld of zodanige herverkaveling in één of meer blokken zal
plaatsvinden. Daarbij wordt ieder blok aangegeven.
3. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 74 en 75 bevat het
landinrichtingsplan voor een gebied waarop het bepaalde in artikel 86
van toepassing is tevens:
a. met betrekking tot het in te richten gebied, op de grondslag van
de in artikel 20, tweede lid, onder b, bedoelde overwegingen en
uitgangspunten, de nadere uitwerking van de uitgangspunten en de
doeleinden van herinrichting onderscheidenlijk ruilverkaveling;
b. een beschrijving van de te verwachten gevolgen van de onder
artikel 74, eerste lid, onder d, bedoelde maatregelen en
voorzieningen voor de economische toestand met inbegrip van de
werkgelegenheid, de leef- en werkomstandigheden, de natuur en het
landschap en de gesteldheid van water, bodem en lucht.
4. Onze Minister kan bepalen dat door Onze Minister in het
landinrichtingsplan aangewezen voorzieningen van openbaar nut slechts in
het kader van landinrichting tot stand worden gebracht, indien tussen de
landinrichtingscommissie en het betrokken openbaar lichaam
overeenstemming is verkregen over de geldelijke bijdrage van het lichaam
in de kosten van de verwezenlijking van het landinrichtingsplan en over
de voorwaarden waaronder de betaling zal plaatsvinden, en Onze Minister
instemt met deze bijdrage en voorwaarden.
Artikel 88
In afwijking van artikel 80, eerste lid, stellen gedeputeerde staten
het landinrichtingsplan vast na toetsing van het ontwerp aan de
hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals deze hun
grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of
een ander besluit van provinciale staten, de provinciale planologische
commissie gehoord.
Artikel 89
Gedeputeerde staten nemen het besluit tot herinrichting, dan wel het
besluit dat een stemming wordt gehouden ter verkrijging van de
beslissing of ruilverkaveling zal plaatsvinden met inachtneming van
onderscheidenlijk de afdeling II en III.
Afdeling II. Besluit tot herinrichting
Artikel 90
1. Gedeputeerde staten nemen het besluit tot herinrichting
gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het
landinrichtingsplan.
2. Indien gedeputeerde staten het landinrichtingsplan met
toepassing van artikel 82, tweede lid, vaststellen, nemen zij in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid het besluit tot
herinrichting eerst nadat de in artikel 82, zesde lid, bedoelde termijn
is verstreken of zoveel eerder als Onze Minister te kennen heeft gegeven
van een voordracht tot vernietiging af te zien.
Artikel 91
De artikelen 47-50 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat in artikel 48, tweede lid, de woorden "in gedeelten
wordt voorbereid of vastgesteld, dan wel" vervallen.
Afdeling III. Besluit tot ruilverkaveling
Artikel 92
1. Gedeputeerde staten nemen het besluit, dat een stemming
wordt gehouden ter verkrijging van de beslissing of ruilverkaveling
zal plaatsvinden, gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van
het landinrichtingsplan.
2. Indien gedeputeerde staten het landinrichtingsplan met
toepassing van artikel 82, tweede lid, vaststellen, nemen zij in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid, het besluit dat een
stemming wordt gehouden ter verkrijging van de beslissing of
ruilverkaveling zal plaatsvinden, eerst nadat de in artikel 82, zesde
lid, bedoelde termijn is verstreken of zoveel eerder als Onze Minister
te kennen heeft gegeven van een voordracht tot vernietiging af te zien.
Artikel 93
De artikelen 52-72 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat:
a. in artikel 52, tweede lid, het woord
"landinrichtingsprogramma" wordt vervangen door:
"landinrichtingsplan";
b. in artikel 70, tweede lid, de woorden "in gedeelten wordt
voorbereid of vastgesteld, dan wel" vervallen.
Hoofdstuk IV. Voorbereiding van en besluit tot aanpassingsinrichting
Artikel 94
Het bevoegd bestuursorgaan kan tot Onze Minister een met redenen
omkleed verzoek richten aanpassingsinrichting te bevorderen met
betrekking tot een gebied waarin een infrastructurele voorziening van
nationaal of regionaal belang zal worden verwezenlijkt.
Artikel 95 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 96
Onze Minister onderzoekt of, en zo ja, in hoeverre
aanpassingsinrichting wenselijk is.
Artikel 97
1. Onze Minister brengt haar zienswijze schriftelijk en met
redenen omkleed ter kennis van het bevoegd bestuursorgaan en van
gedeputeerde staten.
2. Indien Onze Minister op grond van het in artikel 96 bedoelde
onderzoek van mening is dat aanpassingsinrichting wenselijk is, doet hij
zijn zienswijze vergezeld gaan van een met redenen omkleed voorstel tot
aanpassingsinrichting met betrekking tot dat gebied.
Artikel 98
Het voorstel tot aanpassingsinrichting bevat:
a. een beschrijving van de te treffen infrastructurele
voorziening en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor de
inrichting van het gebied;
b. de zo nauwkeurig mogelijk bepaalde grenzen van het in te
richten gebied alsmede van het tot dat gebied behorende blok;
c. aanduidingen inzake de ter opvanging van de nadelige gevolgen
voor de inrichting van het gebied te treffen maatregelen en
voorzieningen;
d. aanduidingen inzake de grondverwerving;
e. een raming van de kosten en de voorgestane verdeling daarvan;
f. één of meer kaarten waarop de onder b bedoelde
grenzen zijn aangegeven.
Artikel 99
1. Gedeputeerde staten stellen, in overeenstemming met het
bevoegd bestuursorgaan, met betrekking tot het in te richten gebied
een landinrichtingscommissie in.
2. Artikel 27, tweede lid, alsmede het bij of krachtens de
artikelen 28-31 bepaalde is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat:
a. ten minste één van de leden van de landinrichtingscommissie
wordt benoemd op voorstel van het bevoegd bestuursorgaan;
b. het bevoegd bestuursorgaan één of meer adviserende leden van
de landinrichtingscommissie kan benoemen;
c. schorsing en ontslag van een onder a bedoeld lid en een
onder b bedoeld adviserend lid plaatsvindt door het bevoegd
bestuursorgaan.
Artikel 100
Onze Minister stelt in overeenstemming met het bevoegd bestuursorgaan
regelen betreffende de werkwijze van de landinrichtingscommissie vast.
Artikel 101
Voor een gebied met betrekking waartoe een landinrichtingscommissie
is ingesteld, wordt op de grondslag van het voorstel tot
aanpassingsinrichting een aanpassingsplan vastgesteld.
Artikel 102
1. Het aanpassingsplan bevat:
a. de grenzen van het in te richten gebied, alsmede de grenzen van
het blok;
b. de omschrijving van de in het blok te treffen maatregelen en
voorzieningen ten behoeve van de infrastructuur, de land-, tuin-, en
bosbouw, de natuur, het landschap en de openluchtrecreatie, met
vermelding van de daarvoor benodigde gronden;
c. de voornemens inzake de regeling van de eigendom, het beheer en
het onderhoud van de openbare wegen en waterlopen, met daarbij
behorende kunstwerken, alsmede van het beheer en het onderhoud van
dijken en kaden;
d. de voornemens, alsmede de overwegingen waarop deze zijn gegrond,
inzake de toewijzing, met de daarbij in acht te nemen voorwaarden, van
de eigendom van gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en
landschapsbehoud, van landschappelijke elementen en van elementen ten
behoeve van de openluchtrecreatie die overeenkomstig het tweede lid,
onder b, op de kaarten zijn aangegeven;
e. de raming van de kosten en de verdeling daarvan;
f. één of meer kaarten, waarop zo nauwkeurig mogelijk zijn
aangegeven:
1. de onder a bedoelde grenzen;
2. de in het blok te handhaven openbare wegen, waterlopen, dijken
en kaden;
3. de in het blok te handhaven gebieden van belang uit een
oogpunt van natuur- en landschapsbehoud en landschappelijke
elementen;
4. de onder b bedoelde maatregelen en voorzieningen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onder f,
worden op de kaarten afzonderlijk en zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:
a. maatregelen en voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan
artikel 143, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden
toegepast;
b. maatregelen en voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan
artikel 143, eerste lid, aanhef en onder b, kan worden
toegepast.
3. Artikel 35, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 103
1. Op de voorbereiding van een ontwerp-aanpassingsplan als
bedoeld in artikel 106, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat daaraan toepassing wordt gegeven door de landinrichtingscommissie.
Onder het in het tweede lid bedoelde voorontwerp van het
aanpassingsplan wordt het ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht door de landinrichtingscommissie ter inzage
te leggen ontwerp verstaan.
2. De landinrichtingscommissie stelt een voorontwerp van het
aanpassingsplan op na overleg met het bevoegd bestuursorgaan.
3. Het voorontwerp kan met betrekking tot eenzelfde
aangelegenheid meer dan één mogelijkheid van te treffen maatregelen of
voorzieningen bevatten.
Artikel 104 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 105 [Vervallen per 28-05-2004]
Artikel 106
1. De
landinrichtingscommissie stelt het aanpassingsplan in ontwerp vast na
overleg met het bevoegd bestuursorgaan en zendt dit aan gedeputeerde
staten en het bevoegd bestuursorgaan.
2. Gedeputeerde staten brengen het ontwerp onverwijld ter kennis
van de colleges van gedeputeerde staten van de andere provincies, op
welker grondgebied dit mede betrekking heeft.
3. Indien het ontwerp afwijkt van het voorontwerp, doet de
landinrichtingscommissie hiervan mededeling aan het bevoegd
bestuursorgaan.
Artikel 107
1. Gedeputeerde staten stellen het aanpassingsplan vast na
toetsing van het ontwerp aan de hoofdlijnen van het provinciaal
ruimtelijk beleid, zoals deze hun grondslag vinden in of
redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of een ander besluit
van provinciale staten, de provinciale planologische commissie
gehoord.
2. Op de voorbereiding van het aanpassingsplan is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging
geschiedt tevens ter secretarie van de gemeenten en de waterschappen die
geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in het in te richten gebied.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3. Het aanpassingsplan wordt vastgesteld binnen zes maanden nadat
de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.
Artikel 108
De vaststelling van de hoogte van de door het Rijk te dragen kosten
zoals deze in het aanpassingsplan worden opgenomen, geschiedt in
overeenstemming met Onze Minister.
Artikel 109
1. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn af te wijken van
het ontwerp winnen zij advies in van de landinrichtingscommissie en
het bevoegd bestuursorgaan, alvorens zij het aanpassingsplan
vaststellen.
2. Vaststelling van het aanpassingsplan door gedeputeerde staten
in afwijking van een in het eerste lid bedoeld advies geschiedt niet dan
nadat Onze Minister en het bevoegd bestuursorgaan gezamenlijk daarin
hebben toegestemd.
3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
4. In geval van toepassing van het eerste lid zijn gedeputeerde
staten bevoegd de in artikel 107, derde lid genoemde termijn met drie
maanden te verlengen.
Artikel 110
Tegen de in artikel 102, eerste lid, onder d, bedoelde voornemens
inzake toewijzing van de eigendom, voor zover zulks geschiedt met
toepassing van artikel 143, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kunnen
uitsluitend rechthebbenden en pachters die zich tijdig tot gedeputeerde
staten hebben gewend met bedenkingen tegen deze voornemens of die
bedenkingen hebben tegen deze voornemens voor zover deze afwijken van
die in het ter inzage gelegde ontwerp van het aanpassingsplan beroep
instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 111
1. Gedeputeerde staten nemen het besluit tot
aanpassingsinrichting gelijktijdig met het besluit tot vaststelling
van het aanpassingsplan dan wel binnen drie maanden na zodanig
besluit.
2. Indien het besluit van gedeputeerde staten tot vaststelling
van het aanpassingsplan ingevolge artikel 109, tweede lid, de
toestemming behoeft van Onze Minister en het bevoegd bestuursorgaan
gezamenlijk, nemen gedeputeerde staten, in afwijking van het bepaalde in
het eerste lid, het besluit tot aanpassingsinrichting eerst nadat die
toestemming is verkregen.
Artikel 112
1. Bij overschrijding van de in de artikelen 107, derde lid,
109 en 111, eerste lid, genoemde termijnen is Onze Minister bevoegd in
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen op verzoek van
het bevoegd bestuursorgaan de in die artikelen bedoelde besluiten te
nemen.
2. Onze Minister doet van een besluit als bedoeld in het eerste
lid mededeling aan gedeputeerde staten.
Artikel 113
1. Gedeputeerde staten zenden afschrift van het besluit tot
aanpassingsinrichting naar Onze Minister, het bevoegd bestuursorgaan,
de landinrichtingscommissie en de rechtbank, binnen welker
rechtsgebied het in te richten gebied geheel of grotendeels is
gelegen.
2. De rechtbank benoemt na ontvangst van dit bericht één of
meer rechters-commissarissen en doet hiervan mededeling aan gedeputeerde
staten en aan de landinrichtingscommissie.
Artikel 114
1. Een aanpassingsplan kan worden gewijzigd tot het tijdstip
waarop het besluit tot vaststelling van het begrenzingenplan, of een
gedeelte daarvan, wordt genomen.
2. Gedeputeerde staten kunnen tot het tijdstip als bedoeld in het
eerste lid de landinrichtingscommissie een aanwijzing geven met
betrekking tot een op te stellen wijziging van het aanpassingsplan,
indien zich zodanige omstandigheden voordoen, dat één of meer
wezenlijke onderdelen van het aanpassingsplan niet of ontoereikend
kunnen worden verwezenlijkt.
3. De landinrichtingscommissie kan aan gedeputeerde staten haar
zienswijze kenbaar maken omtrent het bestaan van omstandigheden als
bedoeld in het tweede lid.
4. De artikelen 103-110 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 115
1. Bij het aanpassingsplan kan worden bepaald dat, indien het
belang van de herverkaveling zulks vordert, gedeputeerde staten
bevoegd zijn op voorstel van de landinrichtingscommissie, met
instemming van Onze Minister en het bevoegd bestuursorgaan en met
inachtneming van in het plan vervatte regelen het aanpassingsplan uit
te werken en de daarin omschreven maatregelen en voorzieningen uit te
breiden.
2. De in het eerste lid bedoelde uitwerking, onderscheidenlijk
uitbreiding, maakt deel uit van het aanpassingsplan.
3. Op de voorbereiding van de in het eerste lid bedoelde
uitwerking, onderscheidenlijk uitbreiding is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 116
1. Met ingang van het tijdstip waarop het ontwerp van het
aanpassingsplan ter inzage is gelegd tot het tijdstip waarop het
aanpassingsplan voor de betrokken onroerende zaken is verwezenlijkt,
is het, behoudens daartoe door de landinrichtingscommissie verleende
toestemming, verboden handelingen te verrichten, die de
verwezenlijking van het plan ernstig belemmeren.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het
aanpassingsplan wordt gewijzigd.
Artikel 117
1. Nadat het besluit tot aanpassingsinrichting is genomen is
het eigenaren en gebruiksgerechtigden van in het blok gelegen
onroerende zaken verboden handelingen te verrichten, of handelingen
welke door een normale bedrijfsvoering zijn vereist, achterwege te
laten, indien daardoor de waarde van de betrokken onroerende zaken zou
veranderen, tenzij hun daartoe door de landinrichtingscommissie
toestemming is verleend.
2. Waardevermeerdering, ontstaan nadat het besluit tot
aanpassingsinrichting is genomen, behoeft niet te worden vergoed, tenzij
deze waardevermeerdering het gevolg is van handelingen, waarvoor de
landinrichtingscommissie toestemming heeft verleend.
Artikel 118
Aan een werknemer wordt door Onze Minister uit ’s Rijkskas een
geldelijke bijdrage verleend in door hem te bepalen gevallen en volgens
door hem te stellen regelen, indien het bedrijf waarin de werknemer
werkzaam is, ten gevolge van de toepassing van artikel 11 of van artikel
146 wordt beëindigd.
Hoofdstuk V. Ruilverkaveling bij overeenkomst
Artikel 119
1. Een ruilverkavelingsovereenkomst wordt schriftelijk
aangegaan en in de openbare registers ingeschreven.
2. Door de inschrijving in de openbare registers wordt de
ruilverkavelingsovereenkomst mede verbindend voor degenen, die na de
inschrijving onder bijzondere titel in de rechten van de eigenaren
opvolgen.
3. Indien een ruilverkavelingsovereenkomst onroerende zaken
omvat, waarop hypotheken, conservatoire of executoriale beslagen rusten,
is de overeenkomst slechts rechtsgeldig, indien zij door de
hypotheekhouders en beslagleggers is mede-ondertekend.
4. De in artikel 17 bedoelde notariële akte wordt namens
partijen ondertekend door hen, die daartoe bij de overeenkomst bevoegd
zijn verklaard en wordt ingeschreven in de openbare registers.
Artikel 120
Blijkt na het tot stand komen van de ruilverkavelingsovereenkomst,
dat daaraan hebben deelgenomen partijen, die geen eigenaar waren, doch
in de kadastrale registratie als zodanig vermeld stonden, dan wordt de
overeenkomst niettemin geacht rechtsgeldig te zijn tot stand gekomen en
treedt de werkelijke eigenaar in de rechten en verplichtingen, die de in
zijn plaats opgetreden partij onbevoegdelijk verworven en op zich
genomen heeft.
Artikel 121
Men kan mede tot een ruilverkavelingsovereenkomst toetreden, ten
einde tegen inbreng van geld kavels of tegen inbreng van onroerende
zaken een geldsom te bedingen.
Artikel 122
1. Een beding in de overeenkomst, waarbij bepalingen van
Hoofdstuk VI, VII en VIII toepasselijk worden verklaard, treedt
slechts in werking, indien en voor zover Onze Minister daarmee heeft
ingestemd. Aan de instemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
2. De bepalingen van Hoofdstuk VII, Titel 2 kunnen in de
overeenkomst niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
Artikel 123
Het in artikel 122 bedoelde, goedgekeurde beding, waarmee Onze
Minister heeft ingestemd, heeft overeenkomstige rechtsgevolgen als de
daarin van toepassing verklaarde wetsbepalingen. De in die
wetsbepalingen aangewezen autoriteiten, colleges en ambtenaren verlenen
op overeenkomstige wijze hun medewerking.
Hoofdstuk VI. Uitvoering van werken: begrenzingenplan; regeling
eigendom, beheer en onderhoud van onroerende zaken van algemeen nut
Titel 1. Uitvoering van werken
Artikel 124
1. Zodra een landinrichtingsplan of een gedeelte daarvan dan
wel een aanpassingsplan is vastgesteld, kan de uitvoering hiervan ter
hand worden genomen.
2. Indien een landinrichtingsplan of een gedeelte daarvan is
vastgesteld met toepassing van artikel 82, tweede lid, kunnen Wij
bepalen, dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de
uitvoering van het in artikel 82, derde lid, bedoelde gedeelte eerst ter
hand wordt genomen, nadat de in artikel 82, zesde lid, bedoelde termijn
is verstreken.
3. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 125-127 is de
landinrichtingscommissie belast met de uitvoering van het
landinrichtingsplan of het aanpassingsplan.
Artikel 125
1. Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met Onze
Minister bepalen, dat met name genoemde andere dan in artikel 127,
eerste lid, bedoelde werken worden uitgevoerd door openbare lichamen,
die met het beheer of onderhoud daarvan zijn of vermoedelijk zullen
worden belast, waarbij een doelmatig verband met andere werken voor
zoveel mogelijk verzekerd zal zijn.
2. Omtrent een gecoördineerde uitvoering der voorzieningen
plegen de in het eerste lid bedoelde openbare lichamen overleg met de
landinrichtingscommissie alsmede, indien aanpassingsinrichting
plaatsvindt, met het bevoegd bestuursorgaan.
3. Omtrent de uitvoering van werken waarvan het beheer en het
onderhoud vermoedelijk ten laste van het Rijk zullen komen, beslist de
daarbij betrokken Minister, gehoord Onze Minister.
Artikel 126
Voor zover toepassing is gegeven aan artikel 189, derde lid, kunnen
het Rijk en de in dat lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen
op de aan hen in tijdelijk gebruik gegeven gronden alle werkzaamheden
verrichten of doen verrichten, welke zij dienstig achten ter
verwezenlijking van de in het landinrichtingsplan dan wel
aanpassingsplan omschreven doeleinden.
Artikel 127
1. Indien aanpassingsinrichting plaatsvindt voert het bevoegd
bestuursorgaan de werken uit, die strekken tot de totstandkoming van
de in artikel 94 bedoelde voorziening.
2. Indien aanpassingsinrichting plaatsvindt plegen de
landinrichtingscommissie en het bevoegd bestuursorgaan overleg over een
gecoördineerde uitvoering der voorzieningen.
Artikel 128
1. Binnen het in te richten gebied kunnen op de terreinen
metingen en waarnemingen worden verricht en tekens worden gesteld en
binnen een blok kan houtgewas worden geplant en gekapt, en kunnen
zoden, aarde, grind en andere specie aan de terreinen worden
onttrokken of daarop worden neergelegd.
2. Binnen een blok kunnen werken worden uitgevoerd met betrekking
tot de ontsluiting, waterbeheersing, inrichting en profielopbouw der
gronden.
3. Binnen een blok kunnen opstallen worden afgebroken, verbouwd,
verplaatst, gebouwd of herbouwd, indien dit naar het oordeel van Onze
Minister nodig is ter verwezenlijking van het landinrichtingsplan, of
een vastgesteld gedeelte daarvan.
4. De uitvoering van de werken, bedoeld in het eerste-derde lid
mag niet ter hand worden genomen, alvorens door de zorg van de
landinrichtingscommissie een beschrijving is gemaakt van de betrokken
onroerende zaak, door middel van daartoe geschikte middelen, voor zover
dit niet bij de eerste schatting is geschied.
Artikel 129
1. Hij, die de eigendom van een onroerende zaak heeft of hij,
aan wie een beperkt recht toebehoort, waaraan een onroerende zaak is
onderworpen dan wel de gebruiker van een onroerende zaak, moet
gedogen, dat het bepaalde in de artikelen 124-128 wordt uitgevoerd en
dat daartoe zijn gebouwen en terreinen worden betreden. Artikel 9,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De schade, welke uit de toepassing van de artikelen 124-128
voortvloeit, wordt vergoed. Het verzoek om schadevergoeding wordt
ingediend bij de landinrichtingscommissie. Bij geschil over het beloop
der schade wordt dit op verzoek van de meest gerede partij, nadat de
wederpartij de gelegenheid heeft gehad haar belangen te verdedigen, door
de rechtbank bij beschikking vastgesteld. Tegen de uitspraak staat geen
rechtsmiddel open.
3. Aan de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, wordt op
zijn verzoek een voorschot op de schadevergoeding toegekend. Het bedrag
van het voorschot wordt op verzoek van de belanghebbende door de
rechter-commissaris vastgesteld, gehoord de landinrichtingscommissie.
Artikel 130 [Vervallen per 01-03-1986]
Titel 2. Begrenzingenplan en regeling eigendom, beheer en onderhoud
van de daarin opgenomen voorzieningen
Afdeling I. Begrenzingenplan
Artikel 131
1. De
landinrichtingscommissie stelt voor een gebied waarvoor een
landinrichtingsplan dan wel een aanpassingsplan is vastgesteld, in zijn
geheel of in gedeelten een ontwerp van een begrenzingenplan op. Zij
vervaardigt daartoe één of meer kaarten, waarop zo nauwkeurig mogelijk
worden aangegeven:
a. het stelsel van wegen, waterlopen, dijken en kaden met de
daartoe behorende kunstwerken, alsmede de voorzieningen samenhangende
met de wegen en waterlopen, zoals deze zijn omschreven in het
landinrichtingsplan dan wel aanpassingsplan;
b. de gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en
landschapsbehoud en elementen van landschappelijke, recreatieve,
cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarde, alsmede de
andere voorzieningen van openbaar nut zoals deze zijn omschreven in
het landinrichtingsplan dan wel aanpassingsplan.
2. De landinrichtingscommissie zendt het ontwerp toe aan
gedeputeerde staten vergezeld van een voorstel tot vaststelling van het
begrenzingenplan.
3. Gedeputeerde staten stellen het begrenzingenplan vast en doen
van hun besluit daartoe afschrift met de daarbij behorende kaart of
kaarten toekomen aan de landinrichtingscommissie en aan de betrokken
openbare lichamen.
4. De landinrichtingscommissie doet gedeputeerde staten,
gelijktijdig met het in het tweede lid bedoelde voorstel, toekomen:
a. een voorstel inzake de regeling van de eigendom, het beheer en
het onderhoud van de openbare wegen en waterlopen met de daarbij
behorende kunstwerken en het beheer en onderhoud van dijken en kaden
met de daarbij behorende kunstwerken;
b. een voorstel inzake de toewijzing van de eigendom van de in het
eerste lid, onder b, bedoelde gebieden, elementen en
voorzieningen.
5. Indien een landinrichtingsplan geen voornemens als bedoeld in
artikel 75, eerste lid, onder b en c, bevat, wordt geen
begrenzingenplan opgesteld.
Artikel 132
1. In elk blok zijn de wegen met de daartoe behorende
kunstwerken, welke voorheen voor het openbaar verkeer waren
opengesteld en niet in het begrenzingenplan zijn opgenomen, in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9 van de Wegenwet (Stb.
1930, 342) door het enkele feit van de- niet-opneming aan het openbaar
verkeer onttrokken. In elk blok is aan wegen met de daartoe behorende
kunstwerken, welke in het begrenzingenplan zijn opgenomen, maar die
voorheen niet voor het openbaar verkeer waren opengesteld, in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van de Wegenwet door
het enkele feit van de opneming in het begrenzingenplan de bestemming
van openbare weg gegeven.
2. Aan wegen met de daartoe behorende kunstwerken gelegen buiten
een blok is in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van de
Wegenwet door het enkele feit van de opneming in het begrenzingenplan de
bestemming van openbare weg gegeven.
3. De in de vorige leden bedoelde rechtsgevolgen gaan in op de
dag volgend op de in artikel 131, vijfde lid, bedoelde kennisgeving.
4. In afwijking van het derde lid kunnen gedeputeerde staten
besluiten dat de in dat lid bedoelde rechtsgevolgen ingaan op een nader
door hen te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene wegen met de
daartoe behorende kunstwerken verschillend kan zijn.
Afdeling II. Regeling eigendom, beheer en onderhoud van onroerende
zaken van algemeen nut
Artikel 133
1. Binnen zes maanden na ontvangst van de in artikel 131,
tweede en vierde lid, bedoelde voorstellen wijzen gedeputeerde staten
de eigendom van de openbare wegen en van de waterlopen met de daarbij
behorende kunstwerken toe aan de naar hun oordeel daarvoor in
aanmerking komende openbare lichamen of andere rechtspersonen, wijzen
gedeputeerde staten het beheer en het onderhoud van openbare wegen met
de daarbij behorende kunstwerken toe aan de naar hun oordeel daarvoor
in aanmerking komende openbare lichamen en regelen gedeputeerde staten
het beheer en het onderhoud van de waterlopen, dijken en kaden met de
daarbij behorende kunstwerken.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kunnen
gedeputeerde staten, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
geven, het onderhoud van openbare wegen toewijzen aan andere
rechtspersonen dan openbare lichamen.
3. Alvorens te besluiten horen gedeputeerde staten de in het
eerste lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen, voor zover deze
laatsten de eigendom, het beheer of het onderhoud hadden voor de
landinrichting.
4. Tenzij een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam,
voor de landinrichting de eigendom, het beheer en het onderhoud had,
geschiedt de toewijzing en de regeling als bedoeld in dit artikel, niet
dan nadat overeenstemming is verkregen met de betrokken rechtspersoon.
5. De toewijzing van de eigendom, het beheer en het onderhoud
geschiedt zonder geldelijke verrekening, met dien verstande dat dit in
de gegeven omstandigheden niet tot onredelijke gevolgen voor het
betrokken openbaar lichaam mag leiden.
Artikel 134
1. De eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare
wegen, en de waterlopen met de daartoe behorende kunstwerken kunnen
niet aan het Rijk worden toegewezen of onttrokken dan nadat Onze
betrokken Minister daarin heeft toegestemd, met dien verstande dat
toestemming niet vereist is voor toewijzing van eigendom, beheer en
onderhoud van openbare wegen en waterlopen met de daartoe behorende
kunstwerken welke voorheen bij het Rijk in eigendom, beheer en
onderhoud waren.
2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
3. Wanneer de in artikel 131, tweede en vierde lid, bedoelde
voorstellen betrekking hebben op een gebied, dat in meer dan een
provincie is gelegen, wordt het in artikel 133, eerste lid, bedoelde
besluit genomen door gedeputeerde staten van ieder van die provincies
voor het gedeelte van zodanig gebied, dat in hun provincies is gelegen.
Artikel 135
1. Tot het tijdstip van de toewijzing bedoeld in artikel 133,
eerste lid, berust het beheer en het onderhoud van de openbare wegen,
waterlopen, dijken en kaden met de daarbij behorende kunstwerken bij
de beheers- en onderhoudsplichtigen, die voor de desbetreffende
landinrichting daarmee belast waren.
2. In afwijking van het eerste lid berust het beheer en onderhoud
bij de landinrichtingscommissie indien het betreft verbetering van de in
dat lid bedoelde voorzieningen, vanaf het tijdstip waarop de
landinrichtingscommissie opdracht geeft tot de uitvoering van de
verbeteringswerken tot het tijdstip waarop de landinrichtingscommissie
aan het openbaar lichaam of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 133,
eerste lid, heeft verklaard dat de werken zijn voltooid.
3. Het beheer en het onderhoud van nieuwe voorzieningen als
bedoeld in het eerste lid, berust bij de landinrichtingscommissie tot
het tijdstip van de toewijzing bedoeld in dat lid, of indien dit later
valt, het tijdstip waarop de landinrichtingscommissie aan het openbaar
lichaam of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 133, eerste lid, heeft
verklaard dat de werken zijn voltooid.
Artikel 136
Voor zover het openbaar lichaam voorheen niet was belast met het
beheer en het onderhoud van openbare wegen, waterlopen, dijken en kaden
met de daartoe behorende kunstwerken gaan in afwijking van het bepaalde
in de artikelen 1 en 2 van de Waterstaatswet 1900 (Stb. 176) en
de artikelen 18a , 19 en 20 van de Wegenwet het beheer en het
onderhoud, door het enkele feit van de aanwijzing in beheer en
onderhoud, over op het tijdstip als bedoeld in de artikelen 133, eerste
lid, of 134.
Artikel 137
Binnen zes maanden na ontvangst van de in artikel 131, tweede en
vierde lid, bedoelde voorstellen, wijzen gedeputeerde staten de eigendom
van gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud,
elementen van landschappelijke, recreatieve, cultuurhistorische of
natuurwetenschappelijke waarde en de overige gronden bestemd voor
doeleinden van openbaar nut, met uitzondering van die, bedoeld in
artikel 133, toe aan
a. het Rijk, dan wel
b. in overeenstemming met Onze Minister aan een ander openbaar
lichaam of een andere rechtspersoon dan het Rijk, indien deze andere
rechtspersoon daarmee instemt.
Artikel 138
1. Gedeputeerde staten doen van hun besluiten, bedoeld in de
artikelen 133 en 137, mededeling door toezending van een afschrift aan
de landinrichtingscommissie.
2. Van de besluiten van gedeputeerde staten inzake de toewijzing
van de eigendom van
a. de openbare wegen en waterlopen met de daartoe behorende
kunstwerken;
b. gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en
landschapsbehoud en elementen van landschappelijke, recreatieve,
cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarde,
een en ander voor zover zij gelegen zijn buiten een blok, wordt een
akte opgemaakt door een door de landinrichtingscommissie aan te wijzen
notaris en ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
landinrichtingscommissie.
3. Door de inschrijving van de akte in de openbare registers
wordt de daarin omschreven eigendom verkregen.
4. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 133 kunnen
uitsluitend belanghebbende openbare lichamen en andere rechtspersonen,
met uitzondering van de rechtspersonen waarvan de toewijzing of regeling
is geschied met toepassing van artikel 133, vierde lid, beroep instellen
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5. Gedeputeerde staten doen van de uitspraak in beroep mededeling
door toezending van een afschrift ervan aan de landinrichtingscommissie,
alsmede ter inschrijving in de openbare registers, aan het
desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers:
a. indien door de uitspraak in beroep de eigendom aan een ander
openbaar lichaam wordt toegewezen dan in de in het tweede lid bedoelde
akte is vermeld;
b. indien de in artikel 207 bedoelde akte van toedeling is
ingeschreven in de openbare registers en door de uitspraak in beroep
de eigendom aan een ander openbaar lichaam of een andere rechtspersoon
wordt toegewezen dan in die akte is vermeld.
6. Door inschrijving van de uitspraak in beroep in de openbare
registers wordt de in die uitspraak omschreven eigendom verkregen door
de in die uitspraak genoemde openbare lichamen.
Hoofdstuk VII. Herverkaveling
Titel 1. Bepalingen omtrent het recht van de eigenaar
Artikel 139
1. Iedere eigenaar heeft aanspraak op het verkrijgen van een
recht van dezelfde aard als hij had op de in een blok gelegen
onroerende zaken, op de voet van het in de artikelen 141, 142 en 143
bepaalde.
2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet ten
aanzien van rechten op onroerende zaken, die voor de verwezenlijking van
het landinrichtingsplan ter onteigening zijn aangewezen.
Artikel 140
Onder waarde wordt in de artikelen 141-145 verstaan de waarde,
bedoeld in artikel 162, tweede lid, onder c, zoals deze op grond
van de schatting is komen vast te staan.
Artikel 141
1. Bij herinrichting wordt voor ieder blok de in het derde lid
bedoelde totale waarde tot een maximum van drie procent verminderd met
de waarde van de in dat blok gelegen gronden,
a. die in het belang van het blok benodigd zijn voor het tot stand
brengen of verbeteren van openbare wegen en waterlopen;
b. die benodigd zijn voor de aanleg van de met die wegen en
waterlopen samenhangende voorzieningen.
2. Bij herinrichting staat de aan een eigenaar toe te delen
waarde in kavels tot de na toepassing van het eerste lid verkregen
waarde als de waarde van zijn rechten op in het blok gelegen gronden,
tot de in het derde lid, bedoelde totale waarde.
3. De totale waarde is de waarde van alle tot het blok behorende
gronden, verminderd met de waarde van de voor de verwezenlijking van het
landinrichtingsplan ter onteigening aangewezen gronden.
Artikel 142
1. Bij ruilverkaveling wordt voor ieder blok de totale waarde
van alle in het blok opgenomen gronden tot een maximum van vijf
procent verminderd met de waarde van de in dat blok gelegen gronden,
benodigd voor:
a. de in artikel 141, eerste lid, onder a en b,
genoemde aangelegenheden, en, voor zover ten aanzien van de
betreffende gronden geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in
artikel 146, eerste lid:
b. het verwezenlijken van maatregelen en voorzieningen met
betrekking tot de natuur en het landschap,
c. het verwezenlijken van maatregelen en voorzieningen met
betrekking tot andere doeleinden van openbaar nut.
2. Bij ruilverkaveling staat de aan een eigenaar toe te delen
waarde in kavels tot de na toepassing van het eerste lid verkregen
waarde als de waarde van zijn rechten op de in het blok gelegen gronden
tot de totale waarde.
Artikel 143
1. Bij aanpassingsinrichting wordt de totale waarde van de in
het blok opgenomen gronden tot een maximum van drie procent verminderd
met de waarde van de in het blok gelegen gronden, benodigd voor:
a. de in artikel 141, eerste lid, onder a en b,
genoemde aangelegenheden, en, voor zover ten aanzien van de
betreffende gronden geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in
artikel 146, eerste lid:
b. het verwezenlijken van maatregelen en voorzieningen met
betrekking tot de natuur, het landschap en de openluchtrecreatie.
2. Bij aanpassingsinrichting staat de aan een eigenaar toe te
delen waarde in kavels tot de na toepassing van het eerste lid verkregen
waarde als de waarde van zijn rechten op de in het blok gelegen gronden
tot de totale waarde.
Artikel 144
1. Van het bepaalde in de artikelen 141, tweede lid, 142,
tweede lid, en 143, tweede lid, mag worden afgeweken, indien deze
bepalingen de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de
weg zouden staan. Deze afwijking mag, tegen de wil van de eigenaar en
van degene, die op de onroerende zaak een recht van hypotheek of van
grondrente heeft, niet meer bedragen dan vijf procent van de waarde,
waarop de eigenaar ingevolge de artikelen 141, tweede lid, 142, tweede
lid, en 143, tweede lid, aanspraak heeft.
2. Indien tengevolge van de in artikel 128 genoemde werkzaamheden
waardeverandering ontstaat, kan de landinrichtingscommissie hiermede bij
de toedeling rekening houden. Op verzoek van de eigenaar vindt echter
verrekening in geld plaats op grondslag van die waardeverandering, voor
zover het belang van de herverkaveling zich hiertegen niet verzet.
Artikel 145
Het verschil in waarde tengevolge van de toepassing van de artikelen
141, 142 of 143 en van artikel 144, eerste lid, wordt met de eigenaren
in geld verrekend.
Artikel 146
1. De eigenaar van onroerende zaken, die zijn begrepen in de
voornemens inzake de toewijzing als bedoeld in artikel 75, eerste lid,
onder c, en artikel 102, eerste lid, onder d, voorzover
zulks geschiedt met toepassing van de artikelen 142, eerste lid,
aanhef en onder b en c, en 143, eerste lid, aanhef en
onder b, ontvangt voor die zaken op zijn verzoek in afwijking
van het bepaalde in de artikelen 141-143, algehele vergoeding in geld.
2. De landinrichtingscommissie is, nadat Onze Minister daarin
heeft toegestemd, bevoegd te bepalen dat een eigenaar, in afwijking van
het bepaalde in de artikelen 141-143, algehele vergoeding in geld zal
ontvangen, wanneer de waarde van de rechten op zijn in een blok gelegen
onroerende zaken zo gering is, dat de toepassing van de artikelen
141-143 zou leiden tot de vorming van een niet behoorlijk te exploiteren
kavel en hij geen redelijk belang heeft bij het verkrijgen van een
zodanige kavel.
3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
4. De eigenaar van andere onroerende zaken dan de in het tweede
lid bedoelde, die zulks nadat het besluit tot landinrichting is genomen,
doch vóór een op voorstel van de landinrichtingscommissie door Onze
Minister te bepalen tijdstip schriftelijk aan de
landinrichtingscommissie verzoekt, ontvangt, in afwijking van het
bepaalde in de artikelen 141-143 een vergoeding in geld gelijk aan de
werkelijke waarde van zijn onroerende zaken.
5. Onze Minister maakt het in het vierde lid bedoelde tijdstip
bekend in de Staatscourant, in ten minste twee dag- of
nieuwsbladen die in het gebied, waarin het blok is gelegen worden
verspreid en in de gemeenten die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in
zodanig gebied, op de aldaar gebruikelijke wijze.
6. Zodra de lijst van rechthebbenden te zijnen aanzien vaststaat,
ontvangt de in het vierde lid bedoelde eigenaar, die schriftelijk
afstand heeft gedaan van het gebruik van de onroerende zaak waarop zijn
recht betrekking heeft, op zijn verzoek een voorschot in geld op de
vergoedingen bedoeld in het vierde lid.
7. De eigenaar kan de rechter-commissaris verzoeken het bedrag
van het voorschot vast te stellen. Alvorens het bedrag van het voorschot
vast te stellen hoort de rechter-commissaris de
landinrichtingscommissie.
Artikel 147
1. Toewijzing van gronden voor doeleinden van openbaar nut,
voor zover daarin is voorzien door middel van toepassing van artikel
142, eerste lid, aanhef en onder b en c, en artikel 143,
eerste lid, aanhef en onder b, vindt plaats tegen betaling van
een tussen de landinrichtingscommissie en het Rijk, een ander openbaar
lichaam of een andere rechtspersoon overeengekomen en door Onze
Minister goedgekeurd bedrag, dat niet minder bedraagt dan de
werkelijke waarde van de grond. Indien de toewijzing grond betreft
waarvan de eigenaar een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel
146, eerste lid, vindt deze toewijzing plaats tegen betaling van de in
die bepalingen omschreven vergoeding.
2. Behoudens in het geval van artikel 146, eerste lid, wordt het
door het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon betaalde bedrag in
mindering gebracht op de ingevolge artikel 222 ten laste van de
eigenaren vallende uitgaven.
Artikel 148
Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet
verzet, wordt aan iedere eigenaar een recht toegedeeld met betrekking
tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als
te zijnen aanzien in het blok is opgenomen.
Artikel 149
Elke kavel moet zo worden gevormd, dat hij:
a. uitweg heeft op een openbare land- of waterweg en zo mogelijk
daaraan belendt;
b. zonodig en mogelijk de gelegenheid tot behoorlijke afwatering
heeft.
Titel 2. Bepalingen omtrent pacht
Artikel 150
1. Iedere pachter van in een blok gelegen onroerende zaken
heeft aanspraak op het in pacht verkrijgen van een waarde in kavels,
naar de maatstaven, als bedoeld in het tweede lid.
2. Artikel 139, tweede lid, en de artikelen 140-144, 146, 147,
eerste lid, en 148, zijn van toepassing, met dien verstande dat, in
plaats van "eigenaar" wordt gelezen "pachter".
Artikel 151
1. De in artikel 150 bedoelde aanspraak bestaat slechts, indien
de pachtovereenkomst aan de landinrichtingscommissie ter registratie
is ingezonden.
2. De inzending ter registratie dient plaats te vinden binnen
dertig dagen na een door de landinrichtingscommissie te bepalen
tijdstip.
3. Indien de pachtovereenkomst na het in het tweede lid bedoelde
tijdstip is aangegaan, dient de inzending ter registratie plaats te
vinden binnen dertig dagen na de goedkeuring van die overeenkomst door
de grondkamer, doch uiterlijk tot een door de landinrichtingscommissie
vast te stellen tijdstip.
4. De landinrichtingscommissie maakt de in het tweede en derde
lid bedoelde tijdstippen bekend in ten minste twee dag- of nieuwsbladen
die in het gebied, waarin het blok is gelegen, worden verspreid en in de
gemeenten die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in zodanig gebied, op
de aldaar gebruikelijke wijze.
5. Van de registratie wordt door de landinrichtingscommissie een
bewijs afgegeven.
Artikel 152
1. De landinrichtingscommissie zendt aan de wederpartij van
degene, die een pachtovereenkomst ter registratie heeft ingezonden,
bij aangetekende brief bericht van de inzending ter registratie.
2. De wederpartij kan zijn bezwaren tegen de registratie binnen
veertien dagen na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde brief
schriftelijk aan de landinrichtingscommissie kenbaar maken.
3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid bezwaren
kenbaar zijn gemaakt, stelt de landinrichtingscommissie, onder
vaststelling van die bezwaren, bij aangetekende brief partijen ervan in
kennis, dat binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief bij de
landinrichtingscommissie dient te worden ingezonden, hetzij een door
beide partijen ondertekende akte, waaruit blijkt dat overeenstemming is
verkregen, hetzij een gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift,
waarbij de meest gerede partij de beslissing van de pachtkamer van de
rechtbank van het arrondissement waarin de desbetreffende onroerende
zaak geheel of grotendeels is gelegen, heeft ingeroepen. De waarmerking
van het afschrift geschiedt door de griffier van de rechtbank.
4. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking
tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst de artikelen 2,
tweede lid, en 158 van de Pachtwet (Stb. 1958, 37) niet zijn in
acht genomen, draagt zij voor zover nodig partijen bij aangetekende
brief op de beslissing van de grondkamer in te roepen en binnen dertig
dagen na de dagtekening van deze brief een door de secretaris van de
grondkamer gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
5. Indien de landinrichtingscommissie bevindt, dat met betrekking
tot de ter registratie ingezonden pachtovereenkomst artikel 2, eerste
lid, van de Pachtwet niet in acht is genomen, draagt zij voor zover
nodig partijen bij aangetekende brief op de beslissing van de pachtkamer
van de rechtbank in te roepen en binnen dertig dagen na de dagtekening
van deze brief een door de griffier van de rechtbank gewaarmerkt
afschrift van het verzoekschrift in te zenden.
6. Indien aan het bepaalde in het derde-vijfde lid geen gevolg is
gegeven, is de landinrichtingscommissie bevoegd met het bestaan der
pachtovereenkomst geen rekening te houden.
7. De grondkamer en de pachtkamer van de rechtbank en in beroep
de Centrale Grondkamer en de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem
behandelen de verzoeken en vorderingen, bedoeld in het derde-vijfde lid,
vóór alle andere zaken.
Artikel 153
1. Bestaande pachtverhoudingen blijven zoveel mogelijk
gehandhaafd. Wanneer het belang van de landinrichting zulks dringend
vordert, kan de landinrichtingscommissie een bestaande pachtverhouding
opheffen en een nieuwe pachtverhouding vestigen in dier voege, dat aan
een verpachter een pachter uit de in artikel 150 bedoelde pachters
wordt toegewezen.
2. De landinrichtingscommissie bepaalt tot welk tijdstip de uit
een nieuw gevestigde pachtverhouding voortvloeiende pachtovereenkomst
zal gelden en of deze overeenkomst, indien zij voor kortere dan de
wettelijke duur zal gelden, voor verlenging vatbaar zal zijn. Zij draagt
daarbij zorg, dat de pachter en de verpachter, wat het einde en de
verlengbaarheid der overeenkomst betreft, zoveel mogelijk dezelfde
aanspraken behouden als zij aan de opgeheven pachtverhouding konden
ontlenen.
Artikel 154
De landinrichtingscommissie deelt zo spoedig mogelijk nadat het plan
van toedeling is komen vast te staan, aan de grondkamer mede welke
pachtverhoudingen gehandhaafd, welke opgeheven en welke nieuw gevestigd
zijn onder vermelding van de namen en woonplaatsen van partijen in de
pachtverhoudingen, de onroerende zaken waarop deze betrekking hebben en
de bepalingen op grond van artikel 153 inzake de duur en de
verlengbaarheid der uit de gevestigde pachtverhoudingen voortvloeiende
pachtovereenkomsten.
Artikel 155
1. De grondkamer ontwerpt de pachtovereenkomsten, welke uit de
gevestigde pachtverhoudingen voortvloeien, en neemt daarin op de in
artikel 153, tweede lid, bedoelde bepalingen.
2. Indien ingevolge het bepaalde in artikel 153 een overeenkomst,
geldende voor kortere dan de wettelijke duur, verlengbaar zal zijn, doet
de grondkamer daarvan blijken door een op de ontwerp-pachtovereenkomst
gestelde en door haar ondertekende verklaring.
3. De grondkamer zendt de ontwerp-pachtovereenkomst aan hen, die
daarbij partijen zullen zijn, en stelt hen in de gelegenheid binnen
dertig dagen na toezending de ondertekende overeenkomst aan de
grondkamer te doen toekomen. Betrokkenen kunnen de door hen
overeengekomen pachtprijs, alsmede bijzondere bepalingen in de
overeenkomst opnemen.
4. Op de in het vorige lid bedoelde pachtovereenkomsten vinden de
bepalingen van de Pachtwet toepassing, met dien verstande dat de
grondkamer niet treedt in de beoordeling van de bepalingen der
overeenkomst, welke voortvloeien uit de pachtverhouding, zoals deze door
het plan van toedeling is komen vast te staan.
Artikel 156
Indien partijen niet binnen de in artikel 155, derde lid, gestelde
termijn tot inzending van de getekende pachtovereenkomst bij de
grondkamer zijn overgegaan, maakt de grondkamer een akte in drievoud op,
gelijkluidend aan de aan partijen gezonden ontwerp-pachtovereenkomst en
bepaalt daarin de pachtprijs. De grondkamer ondertekent de akte en zendt
een exemplaar daarvan bij aangetekende brief aan ieder der partijen toe.
Artikel 157
1. De akte heeft dezelfde kracht als een tussen partijen
gesloten, door de grondkamer goedgekeurde, pachtovereenkomst.
2. Het opmaken en ondertekenen van de akte is een beschikking van
de grondkamer, waartegen partijen beroep kunnen instellen. Het beroep
moet worden ingesteld binnen dertig dagen na de verzending van de in
artikel 156 bedoelde aangetekende brief.
3. De Centrale Grondkamer, beslissende op een beroep, als bedoeld
in het tweede lid, kan de akte wijzigen met uitzondering van bepalingen,
welke voortvloeien uit de pachtverhouding, zoals deze door het plan van
toedeling is komen vast te staan.
Artikel 158
1. Partijen in een gehandhaafde pachtverhouding zenden, binnen
dertig dagen, nadat het plan van toedeling is komen vast te staan, een
nieuwe overeenkomst ter goedkeuring bij de grondkamer in.
2. De nieuwe overeenkomst eindigt op hetzelfde tijdstip als
waarop de overeenkomst, waarvoor zij in de plaats treedt, zou zijn
geëindigd. Indien laatstbedoelde overeenkomst voor de wettelijke duur
gold, tekent de grondkamer op de nieuwe overeenkomst aan, dat deze
verlengbaar zal zijn.
3. Indien aan het bepaalde in het eerste lid niet is voldaan,
vinden op verzoek van de meest gerede partijen de artikelen 156 en 157
overeenkomstige toepassing.
Artikel 159
1. Alle pachtovereenkomsten, welke ingevolge de bepalingen van
deze titel tot stand komen, treden van rechtswege in werking op het
tijdstip, waarop de in artikel 207 bedoelde akte van toedeling in de
openbare registers wordt ingeschreven.
Op hetzelfde tijdstip eindigen de pachtovereenkomsten, voor welke de
eerstgenoemde pachtovereenkomsten in de plaats treden.
2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de rechtsverhoudingen, geregeld bij een akte,
als bedoeld in artikel 156.
Titel 3. Bepalingen omtrent andere rechten
Artikel 160
1. In elk blok worden de niet onder Titel 1 begrepen beperkte
rechten, het recht van huur en de lasten, welke met betrekking tot de
onroerende zaken bestaan, geregeld of opgeheven onder regeling van de
geldelijke gevolgen daarvan; ruilverkavelingsrenten,
herverkavelingsrenten, reconstructierenten, herinrichtingsrenten en
landinrichtingsrenten worden afgekocht overeenkomstig de daaromtrent
geldende wettelijke bepalingen.
2. In het belang der herverkaveling kunnen beperkte rechten
worden gevestigd.
3. De hypotheken gaan met behoud van haar rang over op de kavels
of gedeelten van kavels, welke in de plaats van de onroerende zaak,
waarop zij rusten, worden toegedeeld. In de gevallen, voorzien in
artikel 146, oefenen de hypotheekhouder en degene, die op de zaak een
recht van grondrente had, hun rechten uit op de wijze als omschreven in
artikel 43 van de onteigeningswet.
4. Conservatoire en executoriale beslagen gaan over op de kavels
of gedeelten van kavels, welke in de plaats van de onroerende zaak,
waarop zij gelegd zijn, worden toegedeeld, alsmede op de geldsommen,
welke in de plaats van kavels of ter zake van onderbedeling worden
toegekend.
Titel 4. De vaststelling van de rechten en van de schatting
Artikel 161
De landinrichtingscommissie stelt voor elk blok een zo volledig
mogelijke lijst van rechthebbenden samen met vermelding van de aard en
omvang van ieders recht.
Artikel 162
1. Met betrekking tot ieder blok wordt een stelsel van
classificatie van de gronden, hierna te noemen stelsel van
classificatie, vastgesteld.
2. Het stelsel van classificatie bevat:
a. een algemene beschrijving van de aard, de kenmerken, het gebruik
en zonodig de gesteldheid van de gronden;
b. de indeling in klassen van de te schatten gronden;
c. voor elke onder b bedoelde klasse de agrarische waarde
per hectare, die als grondslag voor de toedeling zal dienen.
3. Het stelsel van classificatie bevat tevens de grondslagen en
de uitgangspunten voor:
a. de bepaling van de waardeverandering van de tot het blok
behorende gronden en overige onroerende zaken als gevolg van de
verwezenlijking van het landinrichtingsplan;
b. de bepaling van de vergoedingen, die verband houden met de
overgang van onroerende zaken;
c. de schatting van de andere dan de agrarische waarde.
Artikel 163
Bij regeling van Onze Minister wordt het stelsel van classificatie
vastgesteld.
Artikel 164
1. De landinrichtingscommissie benoemt de schatters, die onder
haar leiding de eerste schatting zullen verrichten.
2. De landinrichtingscommissie kan zonodig voor de schatters
één of meer plaatsvervangers benoemen.
3. De schatters treden steeds in oneven getale op.
Artikel 165
De schatters verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van het
stelsel van classificatie.
Artikel 166
Met betrekking tot ieder blok wordt, met inachtneming van het stelsel
van classificatie een eerste schatting uitgevoerd, waarbij de gronden in
klassen worden ingedeeld, en de gegevens met betrekking tot de
inrichting van de gronden worden vastgelegd.
Artikel 167
De landinrichtingscommissie legt voor elk blok de uitkomsten van de
eerste schatting vast in een register van schattingsuitkomsten en op een
kaart waarop de klassegrenzen staan aangegeven.
Artikel 168
1. De landinrichtingscommissie legt op één of meer door haar
te bepalen plaatsen gedurende een maand kosteloos voor een ieder ter
inzage:
a. de lijst van rechthebbenden;
b. het register van schattingsuitkomsten met een kaart waarop de
klassegrenzen en de gegevens met betrekking tot de inrichting der
gronden zijn aangegeven.
2. Van de terinzagelegging geeft de landinrichtingscommissie
tevoren openbare kennis in ten minste twee dag- of nieuwsbladen die in
het gebied, waarin het blok is gelegen, worden verspreid en in de
gemeenten, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in zodanig gebied, op
de aldaar gebruikelijke wijze, alsmede bijzondere kennis bij
aangetekende brief aan de haar bekende belanghebbenden.
3. De kennisgevingen houden mededeling in van de bevoegdheid tot
het indienen van bezwaren.
4. Op het niet-ontvangen zijn van de bijzondere kennisgeving kan
geen beroep worden gedaan.
5. De landinrichtingscommissie stelt de lijst van rechthebbenden
in haar geheel of in uittreksel tegen betaling van de kosten
verkrijgbaar.
Artikel 169
Na de terinzagelegging bedoeld in artikel 168, eerste lid, kunnen de
grenzen van een blok niet meer worden gewijzigd.
Artikel 170
1. Uiterlijk veertien dagen na de laatste dag, waarop de in
artikel 168, eerste lid, bedoelde stukken ter inzage hebben gelegen,
kan iedere belanghebbende zijn bezwaren tegen de toekenning en
omschrijving van rechten op de lijst van rechthebbenden en tegen de
uitkomsten van de eerste schatting schriftelijk bij de
landinrichtingscommissie indienen.
2. Na verloop van de in het eerste lid bepaalde termijn kunnen
slechts zij als rechthebbende worden erkend, die voorkomen op de lijst
van rechthebbenden of die tegen de daarop voorkomende toekenning of
omschrijving van rechten bezwaren hebben ingediend, of hun
rechtverkrijgenden.
3. Rechtverkrijgende, als bedoeld in het tweede lid, is degene
die een onroerende zaak, een beperkt recht of een recht als bedoeld in
artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek verkrijgt en waarvan
de verkrijging blijkt uit in de openbare registers ingeschreven stukken,
alsmede degene die onder algemene titel een recht van huur verkrijgt dat
is vermeld op de lijst van rechthebbenden.
Artikel 171
Indien daartegen binnen de termijn en op de wijze, in artikel 170,
eerste lid, bepaald, geen bezwaren zijn ingediend, staan de rechten,
zoals zij op de lijst van rechthebbenden zijn omschreven en toegekend,
en de uitkomsten van de eerste schatting vast. Daarvan maakt de
landinrichtingscommissie proces-verbaal op.
Artikel 172
1. Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 170,
eerste lid, bepaald, bezwaren zijn ingediend, onderzoekt de
landinrichtingscommissie de bezwaren en tracht zij overeenstemming te
bereiken.
2. De landinrichtingscommissie maakt omtrent ieder bezwaarschrift
als bedoeld in het eerste lid en het daaromtrent verhandelde
afzonderlijk procesverbaal op en zendt daarvan zo spoedig mogelijk
afschrift aan degene, die het bezwaar heeft ingediend, alsmede aan de
haar bekende belanghebbenden.
3. Voor zover overeenstemming is verkregen, wijzigt de
landinrichtingscommissie zo nodig de lijst van rechthebbenden of het
register van schattingsuitkomsten. De wijzigingen worden vermeld in de
processen-verbaal als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 173
De landinrichtingscommissie maakt omtrent ieder bezwaarschrift dat
niet binnen de termijn of op de wijze in artikel 170, eerste lid,
bepaald, is ingediend, afzonderlijk proces-verbaal op waarin zij de
redenen vermeldt op grond waarvan naar haar oordeel de indiening in
strijd is met artikel 170, eerste lid. Zij zendt daarvan zo spoedig
mogelijk afschrift aan degene die het bezwaar heeft ingediend.
Artikel 174
De landinrichtingscommissie zendt zo spoedig mogelijk een afschrift
van de in artikel 168, eerste lid, bedoelde stukken, van de ingediende
bezwaarschriften en van de krachtens de artikelen 171, 172 en 173
opgemaakte processen-verbaal aan Onze Minister en aan de
rechter-commissaris.
Artikel 175
1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een proces-verbaal,
bedoeld in de artikelen 172 of 173 stelt de rechter-commissaris tijd
en plaats vast voor de behandeling van de bezwaren. Hij doet hiervan
mededeling aan de landinrichtingscommissie en aan Onze Minister.
2. De rechter-commissaris roept hen met wie omtrent hun bezwaar
geen overeenstemming is verkregen en hen, wier bezwaren zijn opgenomen
in een proces-verbaal als bedoeld in artikel 173, alsmede de hem bekende
belanghebbenden bij die bezwaren bij aangetekende brief op, om in
persoon of bij schriftelijke gemachtigde bij de behandeling aanwezig te
zijn.
3. In de oproeping wordt gewezen op het rechtsgevolg dat de wet
aan het niet-bijwonen van de behandeling en aan het vaststaan van de
rechten verbindt.
4. De behandeling vindt niet plaats dan nadat ten minste veertien
dagen na het verzenden van de oproepingen zijn verstreken.
5. Op het niet-ontvangen zijn van de oproeping kan geen beroep
worden gedaan.
Artikel 176
1. De rechter-commissaris tracht overeenstemming te verkrijgen
omtrent de door hem te behandelen bezwaren.
2. Van de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris
maakt deel uit een plaatsopneming als bedoeld in artikel 201 van het
Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, indien degene die bezwaar maakt
dit wenst.
3. De rechter-commissaris doet zich bij de behandeling bijstaan
door de griffier van de rechtbank.
4. Bij de behandeling zijn aanwezig één of meer
vertegenwoordigers van Onze Minister, één of meer vertegenwoordigers
van de landinrichtingscommissie en de aan deze toegevoegde ingenieur van
het kadaster of diens plaatsvervanger.
5. Indien de behandeling niet op één dag kan aflopen, verdaagt
de rechter-commissaris haar. Hij deelt het tijdstip van voortzetting mee
aan hen, die verschenen zijn. Een nadere oproeping heeft niet plaats.
6. Tijdens de behandeling worden eerst de toekenning en de
vaststelling van de rechten en daarna de schattingen behandeld. Van het
verhandelde omtrent elk van beide onderwerpen maakt de
rechter-commissaris een afzonderlijk proces-verbaal op, waarvan hij
afschrift zendt aan Onze Minister en de landinrichtingscommissie.
7. Zij, die niet in persoon noch bij schriftelijk gemachtigde bij
de behandeling van hun bezwaren aanwezig zijn, worden geacht die
bezwaren te hebben ingetrokken.
8. Het zesde lid is niet van toepassing op hen, die binnen een
week na de dag van de behandeling bij aangetekende brief, gericht aan de
rechter-commissaris, hun niet-verschijnen verklaren met een beroep op
overmacht en de gegrondheid van deze bewering binnen een door de
rechter-commissaris te bepalen termijn aan deze aannemelijk maken.
9. Indien de rechter-commissaris het beroep op overmacht gegrond
acht, stelt hij een nadere dag voor de behandeling van de bezwaren vast.
Artikel 177
1. Voor zover omtrent de toekenning, de aard en de omvang der
rechten overeenstemming is verkregen, dan wel het in het zesde lid van
het vorige artikel bedoelde geval zich voordoet, staan de rechten
vast.
2. Partijen, tussen wie geen overeenstemming is verkregen, worden
door de rechter-commissaris naar een door hem te bepalen zitting van de
rechtbank verwezen. Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
Artikel 178
1. Voor zover de behandeling door de rechter-commissaris tot
overeenstemming heeft geleid, wijzigt hij zonodig het register van
schattingsuitkomsten. De rechter-commissaris maakt daarvan melding in
het proces-verbaal.
2. Voor zover geschillen blijven bestaan, verwijst de
rechter-commissaris de zaak naar een nader te bepalen zitting van de
rechtbank. Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
Artikel 179
De rechtbank behandelt zaken betreffende de toekenning en de
vaststelling van de rechten en de schattingen vóór elke andere, met
uitzondering van die betreffende onteigening. Zaken betreffende de lijst
van rechthebbenden worden behandeld voor zaken betreffende het register
van schattingsuitkomsten.
Artikel 180
1. Op de voor de behandeling van de bezwaren vastgestelde
terechtzitting geven partijen wier zaken verwezen zijn ingevolge het
bepaalde in artikel 177, tweede lid, de gronden van hun beweringen en
de middelen tot staving daarvan op bij conclusie, door een procureur
ondertekend. Afschrift van de conclusie wordt op de terechtzitting in
handen gesteld van de procureur van de wederpartij.
2. Desgewenst kunnen partijen op een uiterlijk veertien dagen
hierna te stellen, door de rechtbank te bepalen dag hun conclusies bij
pleidooi door een advocaat doen toelichten.
Artikel 181
1. De rechtbank doet uiterlijk dertig dagen, nadat de in
artikel 180, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde
terechtzitting is gehouden, uitspraak.
2. Tegen de uitspraak staat uitsluitend het rechtsmiddel van
cassatie open.
Artikel 182
1. De cassatie wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen
van de dag, waarop het vonnis is uitgesproken.
2. Zij geschiedt door een verklaring ter griffie van de
rechtbank, die het vonnis heeft gewezen.
3. Deze verklaring wordt binnen veertien dagen met een
ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en
gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende terechtzitting na
verloop van de in het volgende lid bepaalde termijn.
4. De tegenpartij is bevoegd te antwoorden binnen veertien dagen
na de betekening ingevolge het vorige lid.
5. In de genoemde terechtzitting nemen de partijen haar
conclusies, desverkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde
terechtzitting, nader te ontwikkelen.
6. Het openbaar ministerie neemt zijn conclusie uiterlijk
veertien dagen na de terechtzitting.
7. Uiterlijk zes weken na de terechtzitting doet de Hoge Raad
uitspraak.
8. De Hoge Raad zendt een afschrift van de uitspraak aan de
rechter- commissaris.
Artikel 183
1. Zodra omtrent alle bezwaren tegen de lijst van
rechthebbenden onherroepelijk is beslist, sluit de rechtbank deze
lijst, na haar zo nodig overeenkomstig haar uitspraken,
onderscheidenlijk de arresten van de Hoge Raad, te hebben gewijzigd.
2. Indien de uitspraak van de Hoge Raad een verwijzing naar een
rechtbank behelst, dient de zaak binnen een maand na de uitspraak
opnieuw aanhanging te worden gemaakt.
3. Indien de in het vorige lid bedoelde termijn wordt
overschreden, wordt het bezwaar geacht te zijn ingetrokken.
Artikel 184
Nadat alle rechten betreffende de tot een blok behorende onroerende
zaken zijn komen vast te staan, worden zij met wie geen overeenstemming
omtrent de uitkomsten der schattingen is verkregen, één of meer
vertegenwoordigers van Onze Minister alsmede van de
landinrichtingscommissie en de aan deze toegevoegde ingenieur van het
kadaster of diens plaatsvervanger door de griffier van de rechtbank bij
aangetekende brief opgeroepen om te verschijnen op een door de rechtbank
vastgestelde terechtzitting.
Artikel 185
1. Op de voor de behandeling van de bezwaren vastgestelde
terechtzitting, als bedoeld in artikel 184, lichten zij van wie zaken
zijn verwezen hun standpunt, hetzij in persoon, hetzij bij
schriftelijk gemachtigde mondeling toe.
2. De rechtbank hoort de bij het bezwaar betrokken haar bekende
belanghebbenden, één of meer vertegenwoordigers van Onze Minister,
één of meer vertegenwoordigers van de landinrichtingscommissie en de
aan deze toegevoegde ingenieur van het kadaster of diens
plaatsvervanger.
3. Uiterlijk dertig dagen na de in het eerste lid bedoelde
terechtzitting doet de rechtbank uitspraak.
4. De rechtbank wijzigt zonodig het register van
schattingsuitkomsten overeenkomstig haar uitspraak na de bij de
wijziging betrokken belanghebbenden daarover te hebben gehoord.
5. De rechtbank sluit het register van schattingsuitkomsten nadat
zij in alle geschillen daaromtrent heeft beslist.
Artikel 186
Tegen de uitspraak van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open,
onverminderd de bevoegdheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad
om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
Artikel 187
1. Voor een geding, voortvloeiende uit een verwijzing door de
rechter-commissaris, als bedoeld in artikel 177, tweede lid, en in
artikel 178, tweede lid, is alleen door de indiener van het
bezwaarschrift, met wie geen overeenstemming is verkregen, vast recht,
als bedoeld in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Stb. 1960, 541),
verschuldigd.
2. De kosten van een geding, als bedoeld in het eerste lid, komen
ten laste van de belanghebbende, met wie geen overeenstemming is
verkregen, indien deze in het ongelijk is gesteld; ten laste van de
gezamenlijke belanghebbenden, indien hij in het gelijk wordt gesteld.
Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden van het
geding, kan hij de kosten geheel of voor een deel compenseren.
Artikel 188
Zodra de lijst van rechthebbenden en het register van
schattingsuitkomsten zijn gesloten, geeft de rechter-commissaris hiervan
kennis aan Onze Minister en aan de landinrichtingscommissie. Hij zendt
een afschrift van de lijst van rechthebbenden aan de
landinrichtingscommissie en aan het desbetreffende kantoor van de Dienst
voor het kadaster en de openbare registers.
Titel 5. Plan van tijdelijk gebruik
Artikel 189
1. Indien het belang van de landinrichting zulks vordert, kan
de landinrichtingscommissie tot een blok behorende gronden tijdelijk
in gebruik geven overeenkomstig een daartoe vastgesteld plan van
tijdelijk gebruik. Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.
2. Met betrekking tot het tijdelijk in gebruik geven van gronden
zijn de ter zake van pacht geldende wettelijke bepalingen niet van
toepassing.
3. Het plan van tijdelijk gebruik kan mede omvatten gronden die
met toepassing van artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en c,
dan wel artikel 143, eerste lid, aanhef en onder b, worden
toegewezen aan het Rijk, openbare lichamen en rechtspersonen, mits de
toewijzing vaststaat.
Artikel 190
1. De landinrichtingscommissie stelt voor het gehele blok of
een gedeelte daarvan een ontwerp van een plan van tijdelijk gebruik
op.
2. De landinrichtingscommissie legt het ontwerp gedurende
veertien dagen voor een ieder ter kosteloze inzage op een of meer door
haar te bepalen plaatsen.
3. Van de terinzagelegging geeft de landinrichtingscommissie
tevoren openbare kennis in één of meer in het gebied waarop het
ontwerp betrekking heeft, verspreide dag- of nieuwsbladen, en in de
gemeenten, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in zodanig gebied, op
de aldaar gebruikelijke wijze, alsmede bijzondere kennis bij
aangetekende brief aan de haar bekende belanghebbende
gebruiksgerechtigden.
4. De kennisgevingen houden mededeling in van de aan
belanghebbende gebruiksgerechtigden toekomende bevoegdheid bezwaren
tegen het ontwerp in te dienen.
5. Op het niet-ontvangen zijn van de bijzondere kennisgeving kan
geen beroep worden gedaan.
Artikel 191
Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag waarop het ontwerp ter
inzage heeft gelegen, kan iedere belanghebbende gebruiksgerechtigde
schriftelijk zijn bezwaren indienen bij de landinrichtingscommissie.
Artikel 192
Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 191 bepaald geen
bezwaren zijn ingediend, staat het plan van tijdelijk gebruik vast.
Daarvan maakt de landinrichtingscommissie proces-verbaal op.
Artikel 193
1. Indien binnen de termijn en op de wijze in artikel 191
bepaald bezwaren zijn ingediend, onderzoekt de
landinrichtingscommissie de bezwaren en tracht zij overeenstemming te
bereiken.
2. De landinrichtingscommissie maakt omtrent ieder bezwaarschrift
en het daaromtrent verhandelde proces-verbaal op en zendt daarvan zo
spoedig mogelijk afschrift aan degene, die het bezwaar heeft ingediend.
3. Indien in alle gevallen overeenstemming is verkregen vinden de
bepalingen van artikel 192 overeenkomstige toepassing.
4. Indien omtrent één of meer bezwaren geen overeenstemming is
verkregen, of de landinrichtingscommissie van oordeel is, dat de
bezwaren niet tijdig zijn ingediend, legt zij gelijktijdig het ontwerp,
de betrokken bezwaarschriften alsmede de daaromtrent opgemaakte
processen-verbaal, voorzien van haar beschouwingen ter beslissing voor
aan de rechter-commissaris.
Artikel 194
1. De artikelen 175 en 176 zijn van overeenkomstige toepassing
op de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris.
2. Na de behandeling van de bezwaren wijzigt de
rechter-commissaris zo nodig het plan van tijdelijk gebruik en stelt dit
vast.
3. Tegen de uitspraak van de rechter-commissaris staat geen
rechtsmiddel open.
Titel 6. Plan van toedeling
Artikel 195
1. Bij regeling van Onze Minister worden regels voor het plan
van toedeling vastgesteld.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, bevatten de
uitgangspunten voor:
a. de toedeling van de rechten met betrekking tot de gronden, voor
zover deze niet op de voet van de artikelen 133 en 137 worden
toegewezen;
b. de in artikel 160 bedoelde regeling, opheffing of vestiging van
de beperkte rechten, het recht van huur en lasten, welke met
betrekking tot de onroerende zaken bestaan.
Artikel 196
1. Met betrekking tot ieder blok ontwerpt de
landinrichtingscommissie, met inachtneming van de regels, bedoeld in
artikel 195, eerste lid, een plan van toedeling.
2. Het plan van toedeling bevat:
a. de kavelindeling;
b. de toedeling ingevolge Titel 1 van rechten met betrekking tot de
gronden, die niet ingevolge de artikelen 133 en 137 zijn toegewezen;
c. de ingevolge Titel 2 te handhaven, op te heffen en te vestigen
pachtverhoudingen, onder vermelding van de in artikel 153, tweede lid,
bedoelde bepalingen inzake de duur en de verlengbaarheid van de
pachtovereenkomst;
d. de in artikel 160 bedoelde regeling, opheffing of vestiging van
de beperkte rechten, het recht van huur en lasten, welke met
betrekking tot de onroerende zaken bestaan;
e. de bepalingen inzake de ingebruikneming van de kavels.
Artikel 197
In het plan van toedeling kunnen met toestemming van hen, die bevoegd
zijn te beschikken ten aanzien van niet in het blok gelegen onroerende
zaken, regelingen worden opgenomen betreffende grenswijzigingen,
burenrechten en erfdienstbaarheden.
Artikel 198
De landinrichtingscommissie stelt op één of meer door haar te
bepalen plaatsen en tijdstippen de eigenaren en gebruikers in de
gelegenheid hun wensen ten aanzien van het plan van toedeling kenbaar te
maken.
Artikel 199
1. Nadat met betrekking tot het blok:
a. de lijst van rechthebbenden in zoverre is komen vast te staan,
dat nog uitsluitend het rechtsmiddel van cassatie kan worden
toegepast;
b. het register van schattingsuitkomsten is gesloten;
c. het begrenzingenplan voor het gehele blok is vastgesteld;
d. het in het derde lid van artikel 151 laatstbedoelde tijdstip is
verstreken;
e. artikel 198 toepassing heeft gevonden;
legt de landinrichtingscommissie het plan van toedeling gedurende een
maand kosteloos voor een ieder ter inzage op één of meer door haar te
bepalen plaatsen.
2. Van de terinzagelegging geeft de landinrichtingscommissie
tevoren openbare kennis in ten minste twee dag- of nieuwsbladen die in
het gebied, waarin het blok is gelegen, worden verspreid en in de
gemeenten, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in zodanig gebied, op
de aldaar gebruikelijke wijze alsmede bijzondere kennis bij aangetekende
brief aan de haar bekende belanghebbenden.
3. De kennisgevingen houden mededeling in van de bevoegdheid tot
het indienen van bezwaren.
4. Op het niet-ontvangen zijn van de bijzondere kennisgeving kan
geen beroep worden gedaan.
Artikel 200
Uiterlijk veertien dagen na de laatste dag, waarop het plan van
toedeling ter inzage heeft gelegen, kan iedere belanghebbende zijn
bezwaren tegen het plan van toedeling schriftelijk bij de
landinrichtingscommissie indienen.
Artikel 201
Indien daartegen binnen de termijn en op de wijze in artikel 200
bepaald geen bezwaren zijn ingediend, staat het plan van toedeling vast.
Daarvan maakt de landinrichtingscommissie proces-verbaal op, waarvan zij
afschrift zendt aan de rechter-commissaris en Onze Minister.
Artikel 202
Op de behandeling van bezwaren zijn de navolgende artikelen van
overeenkomstige toepassing:
a. de artikelen 172, 173 en 174;
b. artikel 175, met dien verstande dat het derde lid als volgt
wordt gelezen: In de oproeping wordt gewezen op het rechtsgevolg dat
de wet aan het niet-bijwonen van de behandeling verbindt;
c. artikel 176, met uitzondering van het zesde lid, eerste
volzin;
d. de artikelen 178 en 179, eerste volzin;
e. artikel 185, met dien verstande dat het vijfde lid als volgt
wordt gelezen: de rechtbank stelt het plan van toedeling vast nadat
zij in alle geschillen daaromtrent heeft beslist;
f. de artikelen 186, 187 en 188, eerste volzin.
Artikel 203
Indien overeenkomstig de arresten van de Hoge Raad inzake de bezwaren
tegen de lijst van rechthebbenden door de rechtbank wijzigingen in die
lijst worden aangebracht, alsmede indien ingevolge het bepaalde in
artikel 152 wijzigingen worden aangebracht in de registratie, bedoeld in
artikel 151, brengt de rechtbank de daardoor noodzakelijk geworden
wijzigingen in het plan van toedeling aan.
Artikel 204
Op verzoek van de landinrichtingscommissie wordt degene, aan wie
krachtens het plan van toedeling een onroerende zaak in eigendom of in
gebruik toekomt, op bevelschrift van de rechter-commissaris desnoods
door middel van de sterke arm bij voorraad in de macht daarvan gesteld.
Titel 7. Gelijktijdig opmaken van de lijst van rechthebbenden, het
register van schattingsuitkomsten en het plan van toedeling en
gelijktijdige terinzagelegging daarvan
Artikel 205
1. De landinrichtingscommissie kan in afwijking van het
bepaalde in artikel 199, eerste lid, onder a, bepalen, dat de
lijst van rechthebbenden, het register van schattingsuitkomsten en het
plan van toedeling gelijktijdig zullen worden opgemaakt en ter inzage
gelegd.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval worden eerst de
bezwaren tegen de lijst van rechthebbenden en tegen het register van
schattingsuitkomsten en vervolgens die tegen het plan van toedeling
behandeld.
Artikel 206
1. Indien de behandeling van de bezwaren tegen de lijst van
rechthebbenden en tegen het register van schattingsuitkomsten
wijziging van het ter inzage gelegde plan van toedeling noodzakelijk
maakt, brengt de landinrichtingscommissie die wijziging in dat plan
aan, zodra en voor zover de lijst van rechthebbenden en het register
van schattingsuitkomsten zijn komen vast te staan.
2. De landinrichtingscommissie doet aan de betrokken
belanghebbenden schriftelijk mededeling van de door haar in het plan van
toedeling aangebrachte wijzigingen. Zij stelt de betrokken
belanghebbenden in de gelegenheid uiterlijk veertien dagen na de
verzending van die mededeling schriftelijke bezwaren tegen de
aangebrachte wijzigingen bij haar in te dienen.
3. Voor zover in het geval, bedoeld in het tweede lid, bezwaren
zijn ingediend, worden deze bezwaren te zamen met de eerder tegen het
plan van toedeling ingediende bezwaren behandeld.
Titel 8. Akte van toedeling
Artikel 207
1. Zodra gedeputeerde staten de besluiten inzake de toewijzing,
bedoeld in de artikelen 133 en 137 hebben genomen, het plan van
toedeling vaststaat en de lijst van rechthebbenden door de rechtbank
is gesloten, maakt een door de landinrichtingscommissie aangewezen
notaris de akte van toedeling op.
2. In de akte wordt opgenomen een kaart van het blok met
aanwijzing van de kavels, de wegen en waterlopen en de gronden die op de
voet van de artikelen 133 en 137 zijn toegewezen, een en ander voor
zover gelegen binnen het blok.
3. In de akte worden voorts opgenomen:
a. de in de artikelen 133 en 137 bedoelde besluiten, andere dan de
in artikel 138, tweede lid, bedoelde besluiten, voor zover deze niet
door Ons ingevolge artikel 138, vierde lid, zijn gewijzigd;
b. Onze ingevolge artikel 138, vierde lid, genomen besluiten, voor
zover deze geen betrekking hebben op de in artikel 138, tweede lid,
bedoelde besluiten;
een en ander voor zover deze besluiten betrekking hebben op
toewijzing in eigendom.
4. De omschrijving van de kavels, de wegen en de waterlopen,
begrepen in de in het derde lid onder a en b, bedoelde
besluiten, die op de in het tweede lid bedoelde kaart zijn afgebeeld en
die daarop voorzien zijn van een nummer, geschiedt door vermelding van
het nummer waarmee zij op die kaart voorkomen. Artikel 20, eerste lid,
van de Kadasterwet is niet van toepassing voor zover het betreft het
vermelden van de aard en de plaatselijke aanduiding zo deze er is, van
onroerende zaken.
5. In de akte van toedeling worden tevens vermeld de hypotheken
en de beslagen die door de inschrijving van de akte van toedeling niet
meer blijven bestaan.
6. Het bepaalde in de artikelen 18, eerste en vijfde lid, en 24,
tweede lid onder b, en vierde lid, tweede zin, van de
Kadasterwet, is van overeenkomstige toepassing op de akte van toedeling.
Artikel 208
1. De akte van toedeling wordt ondertekend door de
rechter-commissaris en de voorzitter en de secretaris van de
landinrichtingscommissie.
2. Zij geldt als titel voor de daarin omschreven rechten. Door de
inschrijving van de akte in de openbare registers worden de daarin
omschreven onroerende zaken en beperkte rechten verkregen.
3. Op grond van de akte wordt in de openbare registers bij elke
hypothecaire inschrijving, onderscheidenlijk bij elke inschrijving van
een beslag aangetekend, dat de hypotheek onderscheidenlijk het beslag in
het vervolg zal rusten op de in de akte aangewezen kavels of gedeelten
daarvan, dan wel op de rechten waaraan die kavels of gedeelten daarvan
zijn onderworpen.
4. De bewaarder van het kadaster en de openbare registers haalt
ambtshalve door de door de inschrijving van de akte van toedeling niet
meer bestaande inschrijvingen van de in artikel 207, vijfde lid,
bedoelde hypotheken en beslagen.
5. De bewaarder van het kadaster en de openbare registers zendt
zo spoedig mogelijk per brief aan elke eigenaar van, alsmede aan elke
beperkt gerechtigde met betrekking tot de onroerende zaak een
kennisgeving van het resultaat van de bijhouding van de kadastrale
registratie die op grond van de inschrijving van de akte plaatsvindt. De
brief vermeldt de dag van de verzending alsmede de in de kadastrale
registratie vermeld staande gegevens omtrent de rechten, de
rechthebbenden, als bedoeld in de Kadasterwet, de grootte en de
kadastrale aanduiding van de onroerende zaak, waarop de kennisgeving
betrekking heeft. De artikelen 56b tot en met 56e van de
Kadasterwet zijn niet van toepassing op de in de eerste zin bedoelde
bijhouding.
Artikel 209
Na de inschrijving van de akte van toedeling wordt hij, aan wie
daarbij enige onroerende zaak in eigendom of gebruik is toegedeeld, op
bevelschrift van de rechter-commissaris desnoods door middel van de
sterke arm, in de macht daarvan gesteld.
Titel 9. De tweede schatting en de lijst der geldelijke regelingen
Artikel 210
1. De landinrichtingscommissie geeft, op een tijdstip door haar
te bepalen, aan de schatters, bedoeld in artikel 164, opdracht tot het
schatten van:
a. voor iedere eigenaar de verandering van de waarde van de gronden
en de overige onroerende zaken als gevolg van de landinrichting, voor
zover niet begrepen onder b;
b. de in artikel 144, tweede lid, bedoelde verandering van de
waarde der gronden;
c. bij overgang der onroerende zaken de verrekenposten tussen de
oude en nieuwe eigenaar, te weten:
1°. de waardeveranderingen, bedoeld in de artikelen 49, 71 en
117, voor zover deze voor verrekening in aanmerking komen en
daarmede bij de eerste schatting nog geen rekening is gehouden;
2°. de waarde der gebouwen, werken en beplantingen;
3°. de andere dan agrarische waarde der gronden;
4°. de overige zaken.
2. De in het eerste lid, onder c, sub 1°, 2° en 3°,
bedoelde waarden worden vastgesteld naar het tijdstip van de in artikel
199, eerste lid, bedoelde ter inzagelegging van het plan van toedeling.
De schatting van de zaken bedoeld in het eerste lid, onder c, sub
4°, kan zo nodig plaatsvinden naar het tijdstip van de kavelovergang.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
over de wijze waarop de schatting wordt verricht.
Artikel 211
De landinrichtingscommissie gaat nadat artikel 210 toepassing heeft
gevonden zo spoedig mogelijk over tot het opmaken van de lijst der
geldelijke regelingen.
Artikel 212
1. De lijst der geldelijke regelingen houdt in:
a. de uitkomsten der schatting volgens artikel 210, eerste lid,
onder a, alsmede de zo nauwkeurig mogelijke opgave van de
daaruit op grond van artikel 223, eerste lid, voortvloeiende kosten
voor de betrokken eigenaren;
b. de uitkomsten der schatting volgens artikel 210, eerste lid,
onder b, alsmede een opgave van de daarmede verband houdende
geldelijke verrekeningen voor de betrokken eigenaren als gevolg van de
toepassing van artikel 144, tweede lid;
c. een opgave van de geldelijke verrekeningen voor de betrokken
eigenaren als gevolg van:
1°. de toepassing van de artikelen 145 en 146, eerste en tweede
lid;
2°. de toepassing van de artikelen 146, vierde lid, en 150;
3°. de toepassing van artikel 160;
4°. de toe te kennen schadevergoedingen, andere dan die bedoeld
in artikel 129;
5°. de overige zaken;
d. de uitkomsten der schatting volgens artikel 210, eerste lid,
onder c, alsmede een opgave van de daarmede verband houdende
geldelijke verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar.
2. Voor de bepaling van de in het eerste lid, onder b en
onder c, sub 1°, bedoelde verrekening kunnen de waarden, zoals
deze door de sluiting van het in artikel 185, vijfde lid, bedoelde
register van schattingsuitkomsten zijn komen vast te staan, worden
geactualiseerd met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regelen.
Artikel 213
1. De lijst der geldelijke regelingen wordt door de
landinrichtingscommissie gedurende een maand voor een ieder ter
kosteloze inzage gelegd op een door haar te bepalen plaats.
2. Artikel 199, tweede tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. De lijst der geldelijke regelingen wordt in haar geheel of in
uittreksel tegen betaling der kosten beschikbaar gesteld.
Artikel 214
Uiterlijk de veertiende dag na de laatste dag, waarop de in artikel
213 bedoelde lijst der geldelijke regelingen ter inzage heeft gelegen,
kan iedere belanghebbende schriftelijk zijn bezwaren tegen de lijst der
geldelijke regelingen bij de landinrichtingscommissie indienen.
Artikel 215
Indien binnen de termijn en op de wijze in het artikel 214 bepaald
geen bezwaren zijn ingediend, staat de lijst der geldelijke regelingen
vast. Daarvan maakt de landinrichtingscommissie een proces-verbaal op.
Artikel 216
Op de behandeling van bezwaren zijn de navolgende artikelen van
overeenkomstige toepassing:
a. de artikelen 172, 173 en 174;
b. artikel 175, met dien verstande dat het derde lid als volgt
wordt gelezen: In de oproeping wordt gewezen op het rechtsgevolg dat
de wet aan het niet-bijwonen van de behandeling verbindt;
c. de artikelen 176, met uitzondering van het zesde lid, eerste
volzin, 178, 179, eerste volzin, 185, eerste-vierde lid, en 187.
Artikel 217
1. Nadat zij omtrent alle geschillen betreffende de lijst der
geldelijke regelingen heeft beslist, sluit de rechtbank de lijst der
geldelijke regelingen. Zij geeft hiervan kennis aan Onze Minister en
aan de landinrichtingscommissie.
2. Tegen de uitspraak van de rechtbank bestaat behalve cassatie
geen rechtsmiddel open. Artikel 182 is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien de cassatie, als bedoeld in het tweede lid leidt tot
een vermindering van de schuldplichtigheid, worden de geldelijke
gevolgen daarvan door het Rijk gedragen.
Artikel 218
De lijst der geldelijke regelingen, zoals zij door de rechtbank is
gesloten, geldt als titel voor de daarin omschreven vorderingen.
Titel 10. Gelijktijdige opmaking van het plan van toedeling en de
lijst der geldelijke regelingen en gelijktijdige ter inzagelegging
daarvan
Artikel 219
1. De landinrichtingscommissie kan bepalen dat het plan van
toedeling en de lijst der geldelijke regelingen gelijktijdig zullen
worden opgemaakt en ter inzage gelegd. Alsdan worden eerst de bezwaren
tegen het plan van toedeling en vervolgens die tegen de lijst der
geldelijke regelingen behandeld.
2. In de lijst der geldelijke regelingen dienen te worden
opgenomen de geldelijke gevolgen van de behandeling van de bezwaren
tegen het plan van toedeling.
Artikel 220
1. Indien bij toepassing van artikel 219 de behandeling van de
bezwaren tegen het plan van toedeling wijzigingen van de ter inzage
gelegde lijst der geldelijke regelingen noodzakelijk maakt, doet de
landinrichtingscommissie de betrokken belanghebbenden schriftelijk
mededeling van de geldelijke gevolgen, welke de behandeling van de
bezwaren tegen het plan van toedeling heeft voor de lijst der
geldelijke regelingen.
2. De landinrichtingscommissie stelt in dat geval de betrokken
belanghebbenden in de gelegenheid uiterlijk veertien dagen na de
verzending van die mededeling schriftelijk bezwaren tegen die geldelijke
gevolgen in te dienen.
3. Voor zover in het geval, bedoeld in het tweede lid, bezwaren
zijn ingediend, worden deze bezwaren tezamen met de eerder tegen de
lijst der geldelijke regelingen ingediende bezwaren behandeld.
Titel 11. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 220a
De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet
van toepassing ten aanzien van de bezwaren, bedoeld in de artikelen 152,
tweede lid, 170, eerste lid, 191, 200, 205, tweede lid, 214, en 219,
eerste lid, en van het beroep, bedoeld in artikel 157, tweede lid.
Hoofdstuk VIII. Kosten
Artikel 221
De kosten van landinrichting worden gedragen door het Rijk, andere
openbare lichamen en eigenaren op de voet van de navolgende bepalingen.
Artikel 222
1. Ten laste van het Rijk komen de kosten van de Dienst voor
het kadaster en de openbare registers, van het bijeenroepen en houden
van vergaderingen en van het doen van openbare kennisgevingen.
2. Eveneens komen ten laste van het Rijk vergoedingen welke
voortvloeien uit de toepassing van het bepaalde in artikel 146, derde
lid, en welke niet in de verrekening, bedoeld in de artikelen 145 en
210, eerste lid, onder c, zijn begrepen.
3. Ten laste van andere openbare lichamen komen de kosten waartoe
zij zich op grond van artikel 35, tweede lid, en artikel 87, vierde lid,
dan wel anderszins bij overeenkomst, hebben verplicht.
4. Ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen de kosten van
landinrichting, die gemaakt zijn ten behoeve van het blok, voor zover
deze niet gedekt worden door een rijksbijdrage of voor zover de betaling
van deze lasten niet bij overeenkomst is verzekerd. Deze kosten worden
uit ’s Rijks kas voorgeschoten volgens een door Ons vastgestelde
regeling.
Artikel 223
1. De kosten die ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen
worden omgeslagen over de kavels naar de mate van het nut, zoals
bepaald op grond van de schatting bedoeld in artikel 210, eerste lid,
onder a, dat de landinrichting voor de eigenaar heeft gehad,
met dien verstande dat
a. geen heffing en invordering plaatsvindt indien de door een
eigenaar verschuldigde kosten geringer zijn dan een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen bedrag;
b. het door een eigenaar te betalen gedeelte der kosten, de
waardevermeerdering als gevolg van landinrichting niet te boven gaat.
2. Terzake van het op grond van de lijst der geldelijke
regelingen, zoals zij door de rechtbank is gesloten, door de eigenaar
verschuldigde bedrag rust op de hem toegedeelde kavels onder de naam van
"landinrichtingsrenten", verder te noemen rente, een
schuldplichtigheid ten behoeve van het Rijk.
Artikel 224
1. De rente wordt geheven van degene die als bezitter, eigenaar
of beperkt gerechtigde het genot heeft van één of meer toegedeelde
kavels, bedoeld in artikel 223.
2. In geval van vruchtgebruik op een toegedeelde kavel is de
eigenaar van die kavel verplicht aan de vruchtgebruiker daarvan bij het
eindigen van het recht van vruchtgebruik te vergoeden, hetgeen die
vruchtgebruiker in verband met de vermindering van de waarde van de op
de voet van artikel 230 berekende rente geacht moet worden voor
aflossing te hebben betaald.
3. In geval van het recht van opstal is de rente slechts
verschuldigd, voor zover zodanig recht niet betreft het leggen en houden
van leidingen in, op of boven de onroerende zaak van een ander.
Artikel 225
De rente bedraagt zes percent van het ingevolge artikel 223, eerste
lid, verschuldigde bedrag.
Artikel 226
1. De rente wordt geheven over zesentwintig achtereenvolgende
jaren, te beginnen met het kalenderjaar volgende op dat waarin de
kennisgeving van het bedrag van die rente ter opneming in de
kadastrale registratie door het desbetreffende kantoor van de Dienst
voor het kadaster en de openbare registers is ontvangen.
2. Op verzoek van degene die als bezitter, eigenaar of beperkt
gerechtigde het genot heeft wordt de rente voor de ten tijde van de
indiening van het verzoek nog niet aangevangen kalenderjaren ineens
voldaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 230.
Artikel 227
Het op de voet van artikel 225 berekende bedrag van de verschuldigde
rente wordt door de zorg van het bestuur van de Dienst voor het kadaster
en de openbare registers in de kadastrale registratie bij de
desbetreffende percelen opgenomen.
Artikel 228
1. Indien een perceel wordt gesplitst, wordt de voor dat
perceel vastgestelde rente van de nog niet aangevangen kalenderjaren
verdeeld over de na de splitsing ontstane percelen naar verhouding van
de grootten van die percelen volgens de kadastrale registratie.
2. Indien een perceel of een gedeelte daarvan wordt samengevoegd
met een ander perceel of met een gedeelte daarvan, wordt de rente voor
het door samenvoeging ontstane perceel voor de nog niet aangevangen
kalenderjaren bepaald door samenvoeging van de rentebedragen die rusten
op de bij die samenvoeging betrokken percelen of de gedeelten daarvan.
3. Artikel 227 vindt toepassing ten aanzien van rentebedragen die
op de voet van het eerste of het tweede lid zijn bepaald.
Artikel 229
1. De rente wordt geheven en ingevorderd door of vanwege Onze
Minister van Financiën.
2. De heffing en de invordering van de rente geschieden met
toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb.
1959, 301) en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) als ware die
rente een rijksbelasting.
3. De rente wordt geheven bij wege van aanslag. Indien met
betrekking tot een zelfde perceel twee of meer personen renteplichtig
zijn kan de rente bij wege van één aanslag worden geheven ten name van
één van hen.
4. Bezwaar en beroep bedoeld in Hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen kunnen niet zijn gegrond op de stelling dat het
op grond van artikel 223 verschuldigde bedrag ten onrechte of te hoog is
vastgesteld.
5. Indien met toepassing van de tweede volzin van het derde lid
de aanslag ten name van één renteplichtige is gesteld kan:
a. de ontvanger de aanslag op het gehele perceel verhalen ten name
van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te
houden met de rechten van de overige renteplichtigen;
b. de renteplichtige die de aanslag heeft voldaan hetgeen hij meer
heeft voldaan dan overeenkomt met zijn renteplicht verhalen op de
overige renteplichtigen naar evenredigheid van ieders renteplicht.
6. Van het vijfde lid, aanhef en onderdeel b, kan bij
overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 230
1. Vóór of op 1 juli van elk jaar kan de rente over de nog
niet ingetreden jaren worden afgekocht voor haar waarde op genoemde
dag.
2. Ter berekening van die waarde wordt het over een jaar
verschuldigde bedrag geacht op de eerste juli van dat jaar te
verschijnen. De berekening geschiedt voorts naar de rentevoet van drie
vijfachtste percent.
3. De verdere bepalingen omtrent de afkoop worden door Onze
Minister van Financiën vastgesteld.
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 231
1. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 48, 49, 70, 71,
116 en 117 wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
2. Het strafbare feit wordt als een overtreding beschouwd.
Artikel 232
1. Na beëindiging der werkzaamheden draagt de
landinrichtingscommissie alle stukken, op de landinrichting betrekking
hebbende, over aan Onze Minister.
2. Zodra de overdracht heeft plaatsgevonden is de
landinrichtingscommissie van rechtswege ontbonden.
Artikel 233
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 234
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 235
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 236
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 237
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 238
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 239
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 240
1. Wij behouden Ons voor te bepalen, dat een ruilverkaveling
waartoe het besluit tot ruilverkaveling is genomen voor het krachtens
artikel 241, tweede lid, bepaalde tijdstip zal worden voltooid volgens
de bepalingen van de Ruilverkavelingswet 1954, met dien verstande dat
artikel 125 van die wet als volgt wordt gelezen:
Artikel 125. - 1. De rente wordt geheven en ingevorderd door of
vanwege Onze Minister van Financiën.
2. De heffing en de invordering van de rente geschieden met
toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb.
1959, 301) en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) als ware die
rente een rijksbelasting.
3. [Vervallen.]
4. Bezwaar en beroep bedoeld in Hoofdstuk V van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen kunnen niet zijn gegrond op de stelling dat het
op grond van artikel 117 verschuldigde bedrag ten onrechte of te hoog is
vastgesteld.
5. Indien met toepassing van de tweede volzin van het derde lid
de aanslag ten name van één renteplichtige is gesteld kan:
a. de ontvanger de aanslag op het gehele perceel verhalen ten name
van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te
houden met de rechten van de overige renteplichtigen;
b. de renteplichtige die de aanslag heeft voldaan hetgeen hij meer
heeft voldaan dan overeenkomt met zijn renteplicht verhalen op de
overige renteplichtigen naar evenredigheid van ieders renteplicht.
6. [Vervallen.]
7. [Vervallen.]
8. Indien ten aanzien van een voorontwerp van een rapport als
bedoeld in het vorige lid inspraak heeft plaatsgevonden, kan Onze
Minister bepalen dat deze inspraak in de plaats treedt van de inspraak
bedoeld in artikel 38, dan wel dat deze inspraak in de plaats treedt van
de inspraak als bedoeld in artikel 77, voortvloeiende uit de toepassing
van Hoofdstuk III, Titel 7.
9. Voor een gebied, waarvoor een rapport als bedoeld in artikel
34 van de Ruilverkavelingswet 1954 aan gedeputeerde staten is
toegezonden, doch waarvoor de stemming als bedoeld in artikel 37 dier
wet nog niet is gehouden treedt genoemd rapport in de plaats van het
ontwerp-landinrichtingsplan zoals voorbereid op de wijze als bedoeld in
Hoofdstuk III, Titel 7.
10. Voor een gebied waarvoor een rapport als bedoeld in artikel
34 van de Ruilverkavelingswet 1954 door gedeputeerde staten is
vastgesteld en waarvoor de in artikel 37 dier wet bedoelde stemming nog
niet is gehouden, treedt het vorengenoemde rapport in de plaats van het
landinrichtingsplan dat met toepassing van Hoofdstuk III, Titel 7 is
vastgesteld.
11. De ingevolge artikel 51 van de Ruilverkavelingswet 1954
benoemde plaatselijke commissie wordt beschouwd als
landinrichtingscommissie als bedoeld in Hoofdstuk III, Titel 2.
12. [Vervallen.]
13. Onze Minister kan voor ruilverkavelingen waartoe het besluit
tot ruilverkaveling is genomen voor het krachtens artikel 241, tweede
lid, bepaalde tijdstip procedure-onderdelen en proceduremomenten
ingevolge de Ruilverkavelingswet 1954 gelijkstellen aan
procedureonderdelen en proceduremomenten ingevolge deze wet.
14. Op ruilverkavelingen waartoe is besloten vóór 1 juli 1975
blijven de artikelen 119, 121 en 127, van de Ruilverkavelingswet 1954,
zoals zij voor dat tijdstip luidden, van toepassing.
15. [Vervallen.]
16. de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op het uitvoeren
van ruilverkavelingen, als bedoeld in het eerste lid, met uitzondering
van ontgrondingen welke geschieden ter verkrijging van het voor de
werken nodige bodemmateriaal.
17. Geldig is een beding in een pachtovereenkomst, als bedoeld in
artikel 14 van de Pachtwet (Stb. 1958, 37), ingevolge hetwelk de
lasten, welke de verpachter krachtens een ruilverkaveling, als bedoeld
in het eerste lid, zijn opgelegd ten dele ten laste van de pachter
komen.
18. Een overeenkomst tot vervreemding van land, als bedoeld in
artikel 6 van de Wet agrarisch grondverkeer wordt goedgekeurd, indien
het een ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 4 van de
Ruilverkavelingswet 1954 betreft, welke voldoet aan door Onze Minister
te stellen eisen.
19. De ruilverkaveling Tubbergen waarvoor het besluit tot
ruilverkaveling is genomen op 21 december 1971, wordt niet in uitvoering
genomen.
20. Op nog ingevolge de bepalingen van de Ruilverkavelingswet
1954 verschuldigde ruilverkavelingsrente zijn, onverminderd het bepaalde
in het veertiende lid, de artikelen 224, 226, tweede lid, en 227 tot en
met 230 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 241
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Landinrichtingswet.
2. Zij treedt in werking op een door Ons nader te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 mei 1985
BEATRIX
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
De Staatssecretaris van Landbouw en Visserij,
A. Ploeg
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. Winsemius
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Minister van Financiën,
O. Ruding
Uitgegeven de achttiende juni 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|