| |
|
|
|
|
vorige
LEERPLICHTWET
1969 (LPW)
Tekst zoals deze geldt op
15 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit vrijstelling leerplicht trekkende bevolking
WET van 30 mei 1968, houdende
vaststelling Leerplichtwet 1969
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Leerplichtwet (Stb.
1900, 111) dient te worden vervangen door een nieuwe wettelijke
regeling, die is aangepast aan het huidige onderwijsbestel en een
kortere procedure bevat voor de bestrijding van het onwettig
schoolverzuim, en dat het wenselijk is de leerplichtige leeftijd met een
jaar te verlengen en in de Arbeidswet 1919 daarmee verband houdende
wijzigingen aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze wet verstaat onder:
a. "Onze minister": Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald;
b. "school":
1. een openbare of een uit de openbare kas bekostigde
bijzondere basisschool, speciale school voor basisonderwijs,
school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs,
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of dagschool voor
voortgezet onderwijs, dan wel een openbare of een uit de
openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs;
2. een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voortgezet
onderwijs aangewezen bijzondere dagschool voor voortgezet
onderwijs;
3. een andere dagschool die wat de inrichting van het
onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in
artikel 1a1, en wat de bevoegdheden van de leraren betreft,
overeenkomt met een of meer van de onder 1 bedoelde scholen;
4. een andere krachtens artikel 1a, eerste lid, voor de
toepassing van deze wet als school aangewezen
onderwijsinstelling;
c. «instelling»:
1. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs;
2. beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven
aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
d. "hoofd":
1. hij die met de leiding van de school is belast;
2. hij die met de leiding van de instelling is belast;
e. "de ambtenaar": de ambtenaar, bedoeld in artikel 16;
f. "startkwalificatie": een diploma van een opleiding
als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als
bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
voortgezet onderwijs;
g. persoonsgebonden nummer: persoonsgebonden nummer als bedoeld
in artikel 24a, onderdeel c, van de Wet op het onderwijstoezicht;
h. meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief
verzuim als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het
onderwijstoezicht.
Artikel 1a. Aanwijzing scholen
1. Bij ministeriële regeling dan wel bij beschikking van Onze
minister kunnen onderwijsinstellingen dan wel groepen daarvan worden
aangewezen als school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 4. Aan de aanwijzing kunnen voorwaarden worden verbonden.
2. Onze minister kan de aanwijzing intrekken indien het hoofd of
het personeel van de school in strijd handelt met artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1a1. Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 3
1. Onverminderd titel I van de Wet op het primair onderwijs en
titel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, moet een school als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3,
a. wat de inrichting van het basisonderwijs betreft, voldoen
aan de criteria, bedoeld in de artikelen 8, eerste, tweede,
derde, vierde, zevende lid onderdeel a, achtste en negende lid,
9 en 10, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs, en
tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een
beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld
in artikel 8, derde lid, van genoemde wet;
b. wat de inrichting van het voortgezet onderwijs betreft,
voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 6a en 23a,
eerste volzin van de Wet op het voortgezet onderwijs, en tevens
heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving
bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 17
van genoemde wet en besteedt het onderwijs binnen de eerste twee
leerjaren van het voortgezet onderwijs aantoonbaar aandacht aan
de kerndoelen, bedoeld in artikel 11b van genoemde wet, en
aansluitend aan de kerndoelen als onderwijsprogramma voor de
eerste twee leerjaren, stelt het onderwijs de leerlingen
aantoonbaar in staat om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in
het vervolgonderwijs op een niveau dat van de leerling verwacht
mag worden.
2. Burgemeester en wethouders volgen bij hun oordeel of een
onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, subonderdeel 3, een door de inspectie van het onderwijs
ter zake gegeven advies.
3. Indien Onze Minister naar aanleiding van een melding als
bedoeld in artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht, aan
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is
gevestigd adviseert dat de school niet langer voldoet aan de
criteria die gelden voor een school als bedoeld inartikel 1,
onderdeel b, subonderdeel 3, dan volgen burgemeester en wethouders
dit advies en oordeelt dat de school niet langer een school is als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3.
4. Indien het advies, bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding
geeft, stellen burgemeester en wethouders de ouders van de
leerlingen van de onderwijsvoorziening binnen 7 dagen schriftelijk
op de hoogte van het feit dat de onderwijsvoorziening niet langer
een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3,
of verzekert hij er zich van dat de onderwijsvoorziening de ouders
daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gesteld.
Artikel 1b. Meerderjarige jongeren
Indien een leerplichtige jongere of een jongere die
kwalificatieplichtig is meerderjarig is rusten de verplichtingen en
bevoegdheden die in deze wet zijn toebedeeld aan de in artikel 2, eerste
lid, bedoelde personen op de jongere zelf.
Artikel 1c [Vervallen per 25-03-2009]
Artikel 1d. Maatregelen
1.Indien de kwaliteit van het niet uit 's Rijks kas bekostigde
onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op
verzoek van het hoofd van een school of instelling of uit eigen
beweging in overeenstemming met het hoofd maatregelen treffen.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de
mogelijkheid het hoofd van een school of instelling te laten bijstaan
door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra
financiële middelen aan de school of instelling ter beschikking
worden gesteld.
§ 2. Leerplicht
Artikel 2. Verantwoordelijke personen
1.Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die
zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn
verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de
jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school
na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van
overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van
een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere
betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht
en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn
onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde
personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen
burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen
overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van
de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben
verkregen.
2.De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor
zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor
niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.
3.De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is
verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan
hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken,
onverminderd het bepaalde in het eerste lid.
4.Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, eerste, tweede,
onderscheidenlijk derde lid, van de wet van 6 december 2001 tot
wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van
persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 681), kan, in
afwijking van de tweede volzin van het eerste lid, inschrijving van
een jongere als leerling van een school plaatsvinden zonder
overlegging van het onderwijsnummer en, indien de in het eerste lid
bedoelde personen aannemelijk maken dat zij geen burgerservicenummer
van de jongere kunnen overleggen, eveneens zonder overlegging van het
burgerservicenummer. Tot dat tijdstip is de derde volzin van het
eerste lid uitsluitend van toepassing met betrekking tot het
burgerservicenummer.
5.Het eerste lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid zijn
ten aanzien van scholen als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
onderwijs van toepassing met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel I, artikel II, onderscheidenlijk artikel
III, van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele
onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden
nummers in het onderwijs (Stb. 681).
Artikel 3. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving
1.De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van
een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de
maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar
bereikt, en eindigt:
a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de
jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer
scholen heeft bezocht;
b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
2.Een jongere die een basisschool in minder dan acht schooljaren
heeft doorlopen, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder a
geacht reeds acht schooljaren een school te hebben bezocht.
Artikel 3a. Vervangende leerplicht
1.Indien het betreft een jongere die tenminste de leeftijd van 14
jaar heeft bereikt en waarvan naar hun oordeel is komen vast te staan,
dat hij niet geschikt is volledig dagonderwijs aan een school te
volgen, kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is
ingeschreven, op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
personen, in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school,
toestaan dat gedurende een bepaald schooljaar, voor zover nodig, in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 11a, tweede lid, 11c, 11d
en 11e van de Wet op het voortgezet onderwijs de jongere aan de school
een programma volgt, dat naast algemeen vormend onderwijs en op het
beroep gericht onderwijs tevens praktijktijd bevat, bestaande uit
arbeid van lichte aard, te verrichten naast en in samenhang met het
onderwijs.
2.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
plan van aanpak dat voorziet in een begeleidingsprogramma ten behoeve
van de jongere dat is opgesteld door de school en dat tenminste bevat
een beschrijving van de onderwijsdoelen en van de praktijktijd.
3.Alvorens burgemeester en wethouders besluiten op het verzoek,
bedoeld in het eerste lid, horen burgemeester en wethouders in elk
geval:
a. degene die het verzoek heeft ingediend en de jongere zelf,
en
b. het hoofd van de school waar de jongere staat ingeschreven.
4.Burgemeester en wethouders besluiten binnen 4 weken na ontvangst
van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en zenden binnen 2 weken
na het nemen van het besluit daarvan afschrift aan de in artikel 2,
eerste lid, bedoelde personen.
5.Indien de jongere nog steeds niet geschikt is volledig
dagonderwijs als bedoeld in het eerste lid aan een school te volgen,
kunnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen burgemeester en
wethouders ten minste acht weken voor het verstrijken van de periode
waarvoor toestemming is verleend, verzoeken de toestemming voor het
daaropvolgend schooljaar te verlengen. Het verzoek gaat vergezeld van
een verklaring van het hoofd van de school waar de jongere staat
ingeschreven, waarin een overzicht is gegeven van de wijze waarop
uitvoering is gegeven aan het programma en waaruit blijkt dat een
terugkeer van de jongere naar het onderwijs, bedoeld in de artikelen
11a tot en met 11d van de Wet op het voortgezet onderwijs, te ontraden
is, alsmede dat voortzetting van het programma bijdraagt aan de
ontwikkeling van de jongere. Het tweede en derde lid zijn van
toepassing.
Artikel 3b. Vervangende leerplicht laatste schooljaar
1.Op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen
kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als
ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven,
toestaan dat de inschrijving van de jongere aan een school voor het
laatste schooljaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of b,
wordt vervangen door de inschrijving als leerling van een instelling
als bedoeld in paragraaf 2a.
2.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van plan
van aanpak dat voorziet in een begeleidingsprogramma ten behoeve van
de jongere dat is opgesteld door de instelling waar de jongere
ingeschreven wenst te worden. Het begeleidingsprogramma bevat ten
minste een beschrijving van de onderwijs- en vormingsdoelen, waaronder
algemeen vormend onderwijs en op het beroep gericht onderwijs, alsmede
de wijze waarop arbeid van lichte aard zal worden verricht, naast het
volgen van onderwijs aan een instelling als bedoeld in paragraaf 2a
doch niet in samenhang met het onderwijs. Indien het betreft een
jongere, die ten tijde van de indiening van het verzoek een programma
als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, volgt, gaat het verzoek tevens
vergezeld van een verklaring van het hoofd van de school waar de
jongere staat ingeschreven, waarin een overzicht is gegeven van de
wijze waarop uitvoering is gegeven aan het programma en waaruit blijkt
dat een terugkeer van de jongere naar het onderwijs, bedoeld in de
artikelen 11a tot en met 11d van de Wet op het voortgezet onderwijs,
dan wel een voortgezette toepassing van artikel 3a, eerste lid, te
ontraden is.
3.Alvorens burgemeester en wethouder besluiten op het verzoek,
bedoeld in het eerste lid, horen burgemeester en wethouder in elk
geval:
a. degene die het verzoek heeft ingediend en de jongere zelf;
b. het hoofd van de school waar de jongere het laatst stond
ingeschreven en het hoofd van de instelling waar de jongere
ingeschreven wenst te worden, en
c. de instellingen van maatschappelijke zorg die reeds bij de
begeleiding van de jongere betrokken zijn.
4.Burgemeester en wethouders besluiten binnen 4 weken na ontvangst
van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en zenden binnen 2 weken
na het nemen van het besluit daarvan afschrift aan de in artikel 2,
eerste lid, bedoelde personen.
Artikel 4. Begin en einde van de verplichting tot geregeld
schoolbezoek
1.De verplichting om te zorgen, dat een jongere de school waar hij
als leerling staat ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag
waarop hij na inschrijving op die school kan plaats nemen, en eindigt
tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van
een school staat ingeschreven.
2.Het schoolbezoek vindt geregeld plaats, zolang geen les of
praktijktijd wordt verzuimd.
§ 2a. Kwalificatieplicht
Artikel 4a. Inschrijving
1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te
zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf
staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of
instelling die volledig dagonderwijs dan wel een bij de wet geregelde
combinatie van leren en werken verzorgt en dat hij deze school of
instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in
paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en
b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
2.De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten
aanzien van jongeren die in het bezit zijn van een getuigschrift of
een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 29a van de
Wet op het voortgezet onderwijs en jongeren die een school voor
speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs hebben bezocht als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder j en n, van de Wet op de
expertisecentra.
3.Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.
4.Als de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaats vindt aan
een andere school of instelling dan daarvoor door de jongere werd
bezocht, wordt bij de inschrijving een van overheidswege verstrekt
document of een bewijs van uitschrijving van een andere school of
instelling overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende
zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en
burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn
onderwijsnummer zijn vermeld. Als de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat
zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen
overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van
de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben
verkregen.
5.Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, vijfde lid, van de wet
van 6 december 2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele
onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden
nummers in het onderwijs, kan, in afwijking van de eerste volzin van
het vierde lid, inschrijving van een jongere als deelnemer aan een
instelling plaatsvinden zonder overlegging van het onderwijsnummer en,
indien de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen aannemelijk
maken dat zij geen burgerservicenummer van de jongere kunnen
overleggen, eveneens zonder overlegging van het burgerservicenummer.
Tot dat tijdstip is de tweede volzin van het vierde lid uitsluitend
van toepassing met betrekking tot het burgerservicenummer.
6.Het vierde en vijfde lid zijn van toepassing met ingang van het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van de wet van 6 december
2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband
met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs.
Artikel 4b. Begin en einde verplichting tot inschrijving
De verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, vangt aan direct
na het einde van de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet, en
eindigt zodra de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt of een
startkwalificatie heeft behaald.
Artikel 4c. De invulling van de verplichting tot geregeld
schoolbezoek
1.De jongere die als leerling of deelnemer van een school of
instelling staat ingeschreven op grond vanartikel 4a, eerste lid, is
verplicht het volledige onderwijsprogramma respectievelijk het
volledige programma van de combinatie leren en werken te volgen dat
door die school of instelling wordt aangeboden.
2.De jongere voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 4a,
eerste lid, om de school of instelling na inschrijving geregeld te
bezoeken, zolang hij geen les of praktijktijd verzuimt anders dan op
een van de gronden, bedoeld inartikel 11.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 5. Gronden voor vrijstelling van inschrijving
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van
de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een
school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang
a. de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt
is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden
toegelaten;
b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen
redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste
verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen
onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou
kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;
c. de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs
buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld
bezoekt.
Artikel 5a. Trekkend bestaan
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van
de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een
school staat ingeschreven, zolang zij een bij algemene maatregel van
bestuur te omschrijven trekkend bestaan leiden waarbij de jongere hen
vergezelt. De algemene maatregel van bestuur kan bijzondere regelen
bevatten betreffende de vrijstelling in verband met:
a. de leeftijd van de jongere waarop de verplichting ingaat om te
zorgen dat een jongere als leerling van een school staat
ingeschreven;
b. de omstandigheden waarin de personen bedoeld in de eerste
volzin, verkeren die van invloed zijn op de bereikbaarheid van een
passende school voor de jongere.
Artikel 6. Kennisgeving
1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich
slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis
gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak
menen te mogen maken.
2.Deze kennisgeving moet worden ingediend:
a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt,
indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en
b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk
jaar opnieuw voor 1 juli.
3.Het tweede lid onder b is niet van toepassing, indien uit de in
artikel 7 bedoelde verklaring blijkt, dat de jongere nooit geschikt
zal zijn een school onderscheidenlijk een instelling te bezoeken.
Artikel 7. Lichamelijke of psychische ongeschiktheid
Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder a kan slechts
worden gedaan, indien bij de kennisgeving een verklaring van een door
burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de jongere als
ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven,
aangewezen arts - niet zijnde de behandelende arts - of van een door hen
aangewezen academisch gevormde of daarmede bij ministeriële regeling
gelijkgestelde pedagoog of psycholoog is overgelegd, waaruit blijkt, dat
deze de jongere niet geschikt achten om tot een school onderscheidenlijk
een instelling te worden toegelaten. Deze verklaring mag niet ouder zijn
dan drie maanden.
Artikel 8. Bedenkingen tegen richting van school
1.Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan
slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat
tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand
van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op
alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen
waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen
bestaan.
2.Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar,
voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is
geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting
waartegen bedenkingen worden geuit.
Artikel 9. Bezoeken van school in buitenland
Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder c kan slechts
worden gedaan, indien bij de kennisgeving een verklaring is overgelegd
van het hoofd van de inrichting van onderwijs waaruit blijkt, dat de
jongere als leerling van deze inrichting staat ingeschreven en haar
geregeld bezoekt.
Artikel 10. Afschrijving
Op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen wordt
een jongere binnen de in artikel 3, eerste lid, en artikel 4b omschreven
tijdvakken door het hoofd slechts van de lijst der leerlingen of
deelnemers afgevoerd
a. wegens inschrijving van de jongere op een andere school of
instelling;
b. wegens vrijstelling op een der gronden, genoemd in artikel 5,
nadat aan het hoofd gebleken is, dat aan de artikelen 6 tot en met 9
is voldaan;
c. wegens de vrijstelling, bedoeld in artikel 5a of artikel 15.
Artikel 11. Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van
de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat
ingeschreven, geregeld bezoekt, en de leerplichtige jongere die de
leeftijd van 12 jaren heeft bereikt alsmede de jongere die
kwalificatieplichtig is, zijn vrijgesteld van de verplichting de school
of de instelling geregeld te bezoeken, indien
a. de school onderscheidenlijk de instelling is gesloten of het
onderwijs is geschorst;
b. bij of op grond van algemeen verbindende voorschriften het
bezoeken van de school onderscheidenlijk de instelling is verboden;
c. de jongere bij wijze van tuchtmaatregel tijdelijk de toegang
tot de school onderscheidenlijk de instelling is ontzegd;
d. de jongere wegens ziekte verhinderd is de school
onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;
e. de jongere wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit
godsdienst of levensovertuiging verhinderd is de school
onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;
f. de jongere vanwege de specifieke aard van het beroep van één
van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen slechts buiten de
schoolvakanties met hen op vakantie kan gaan;
g. de jongere door andere gewichtige omstandigheden verhinderd is
de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken.
Artikel 11a. Leeftijd leerling
1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn met
betrekking tot de jongere die nog niet de leeftijd van zes jaar heeft
bereikt, voor ten hoogste 5 uren per week vrijgesteld van de
verplichting om te zorgen dat deze de school waarop hij staat
ingeschreven, geregeld bezoekt. Van een beroep op deze vrijstelling
wordt mededeling gedaan aan het hoofd.
2.Naast de vrijstelling bedoeld in het eerste lid, kan het hoofd op
verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen ten behoeve
van de jongere bedoeld in het eerste lid, tot ten hoogste 5 uren per
week vrijstelling verlenen van de verplichting om te zorgen dat deze
de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt.
Artikel 12. Ziekte van leerling
Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere kan slechts
worden gedaan, indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de
verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van
de aard van de ziekte.
Artikel 13. Plichten voortvloeiend uit godsdienst of
levensovertuiging
Een beroep op vrijstelling wegens vervulling van plichten
voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging kan slechts worden
gedaan indien daarvan uiterlijk twee dagen vóór de verhindering aan
het hoofd kennis is gegeven.
Artikel 13a. Vakantie
1.Een beroep op vrijstelling wegens vakantie van de jongere,
bedoeld in artikel 11, onder f, kan slechts worden gedaan indien het
hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen
verlof heeft verleend dat de jongere voor de duur van het verlof de
school onderscheidenlijk de instelling niet bezoekt.
2.Verlof als bedoeld in het eerste lid kan door het hoofd slechts
eenmaal voor ten hoogste tien dagen per schooljaar worden verleend en
kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het
schooljaar. Het verlof, bedoeld in de eerste volzin, kan aan de
jongere die kwalificatieplichtig is slechts worden verleend tot een
evenredig deel van het aantal dagen dat hij op grond van artikel 4c
verplicht is onderwijs te volgen.
Artikel 13b. Kennisgeving bij beroep op vrijstelling
Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere, wegens
vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of
levensovertuiging wordt gedaan door middel van kennisgeving aan het
hoofd door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, tenzij de
leerplichtige jongere of de jongere die kwalificatieplichtig is niet
meer woonachtig is bij deze personen, in welk geval de kennisgeving
wordt gedaan door de jongere zelf.
Artikel 14. Andere gewichtige omstandigheden
1.Een beroep op vrijstelling wegens andere gewichtige
omstandigheden bedoeld in artikel 11 onder g kan slechts worden
gedaan, indien het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde personen verlof heeft verleend, dat de jongere de school
onderscheidenlijk de instelling tijdelijk niet bezoekt.
2.Indien geen verlof is gevraagd, kan het hoofd alsnog verlof
verlenen, indien hem binnen twee dagen na het ontstaan van de
verhindering de redenen daarvan worden medegedeeld.
3.Het hoofd kan ten aanzien van dezelfde jongere wegens de in het
eerste lid bedoelde omstandigheden voor ten hoogste tien dagen per
schooljaar verlof als bedoeld in dat lid verlenen. Indien het verlof
ten aanzien van dezelfde jongere wordt gevraagd voor meer dan tien
dagen per schooljaar, besluit de ambtenaar van de woongemeente van de
jongere, het hoofd gehoord. Het verlof, bedoeld in de eerste volzin,
kan aan de jongere die kwalificatieplichtig is slechts worden verleend
tot een evenredig deel van het aantal dagen dat hij op grond
vanartikel 4c verplicht is onderwijs te volgen.
Artikel 15. Vrijstelling wegens het volgen van ander onderwijs
In andere gevallen dan genoemd in artikel 5 kunnen burgemeester en
wethouders op grond van bijzondere omstandigheden vrijstelling verlenen
van de in artikel 4a opgelegde verplichtingen, indien wordt aangetoond,
dat de jongere op andere wijze voldoende onderwijs geniet.
§ 4. Toezicht op de naleving van de wet
Artikel 16. Leerplichtambtenaren
1. Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de
hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen
daartoe een of meer ambtenaren aan.
2. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen deze ambtenaren in
handen van de burgemeester de eed of de belofte af, waarvan het
formulier bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
3. Deze ambtenaren zijn bevoegd hun taak uit te oefenen ten aanzien
van leerlingen die in Nederland woon- of verblijfplaats hebben.
4. Burgemeester en wethouders stellen een instructie vast voor deze
ambtenaren, die ten minste bevat:
a. de wijze waarop de ambtenaren aan de in de artikelen 14,
derde lid, 22 en 23 bedoelde taken uitvoering geven;
b. de wijze waarop de gevallen van schoolverzuim die ter kennis
van de gemeente worden gebracht, worden behandeld;
c. de wijze waarop de ambtenaren bij de uitvoering van hun
taken overleg plegen en samenwerken met hun ambtgenoten van de
omliggende gemeenten;
d. de aanwijzing van de diensten en instellingen waarmee de
ambtenaren bij de uitvoering van hun taken dienen samen te werken.
5. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, zijn
belast met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 16a. Inspectie van het onderwijs
Het toezicht op de naleving van deze wet door de hoofden is
opgedragen aan de Inspectie van het onderwijs.
Artikel 17. Gemeenschappelijke regeling betreffende toezicht
Gemeenschappelijke regelingen betreffende het toezicht op de naleving
van deze wet, alsmede wijziging of intrekking daarvan, worden mede ter
kennis gebracht van Onze minister en van de hoofden in de gemeenten die
bij de regeling zijn aangesloten.
Artikel 18. Kennisgeving in- en afschrijvingen
1. De hoofden geven aan burgemeester en wethouders binnen zeven
dagen kennis van de in- en afschrijving van leerlingen ten aanzien van
wie deze wet van toepassing is. Een beslissing tot verwijdering van
een leerling wordt terstond gemeld.
2. Indien de jongere geen volledig onderwijsprogramma volgt, geeft
het hoofd van een instelling aan burgemeester en wethouders bericht
van het programma van de combinatie leren en werken, bedoeld in
artikel 4c, eerste lid, dat door de jongere wordt gevolgd.
3. De hoofden geven aan burgemeester en wethouders en aan de
ambtenaar alle inlichtingen die deze in verband met de uitvoering van
deze wet verlangen.
4. In de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en in de
mededeling, bedoeld in het tweede lid, vermeldt het hoofd zo mogelijk
mede het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere.
6. Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van
deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, vindt de informatieverstrekking door de hoofden, bedoeld
in dit artikel, plaats aan het orgaan dat daartoe volgens die
gemeenschappelijke regeling is aangewezen.
Artikel 18a. Overgangsbepaling kennisgeving in- en afschrijvingen
primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs [Treedt in werking
op een nader te bepalen tijdstip]
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel
18, vijfde lid,voor «school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 1,» gelezen: dagschool voor voortgezet onderwijs.
Artikel 19. Controle absoluut schoolverzuim door burgemeester en
wethouders
Burgemeester en wethouders controleren, of de jongeren die als
ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven
en nog leerplichtig of kwalificatieplichtig zijn, overeenkomstig de
bepalingen van deze wet als leerling of deelnemer staan ingeschreven.
Artikel 20 [Vervallen per 01-10-1994]
Artikel 21. Decentrale kennisgeving relatief verzuim
1. Indien een ingeschreven leerling van een school ten aanzien van
wie deze wet van toepassing is, niet zijnde een dagschool voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft
verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende
lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt, geeft
het hoofd van de school hiervan onverwijld kennis aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats
heeft.
2. In de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het
hoofd zo mogelijk mede het burgerservicenummer of onderwijsnummer van
de jongere.
3. Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van
deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, vindt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaats
aan het orgaan dat daartoe volgens die gemeenschappelijke regeling is
aangewezen.
Artikel 21a. Centrale kennisgeving relatief verzuim
1. Indien een ingeschreven leerling van een dagschool voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft
verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende
lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt, geeft
het hoofd van de school hiervan onverwijld kennis aan Onze minister,
zo mogelijk onder opgave van de reden die naar zijn oordeel ten
grondslag ligt aan het verzuim.
2. Indien een ingeschreven leerling van een instelling als bedoeld
in artikel 1, onderdeel c, zonder geldige reden gedurende een periode
van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren van de lestijd
heeft verzuimd, geeft het hoofd van de instelling hiervan onverwijld
kennis aan Onze minister, zo mogelijk onder opgave van de reden die
naar zijn oordeel ten grondslag ligt aan het verzuim.
3. Onze minister neemt de op grond van dit artikel door het hoofd
verstrekte gegevens van de betrokken leerling op in het
meldingsregister relatief verzuim.
4. Onze minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na
de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, dat een zodanige
kennisgeving heeft plaatsgevonden.
5. Onze minister verstrekt uit het meldingsregister relatief
verzuim aan het betrokken hoofd van de school en aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of
verblijfplaats heeft de ter zake van die leerling geregistreerde
gegevens.
6. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken
leerling woon- of verblijfplaats heeft melden aan Onze minister
telkens de status van de behandeling van het ter zake van die leerling
gemelde verzuim.
7. Onze minister neemt de op grond van dit artikel door
burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het
meldingsregister relatief verzuim.
8. Het betrokken hoofd van de school en burgemeester en wethouders
van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats
heeft, zijn bevoegd het meldingsregister relatief verzuim te
raadplegen voor zover het betreft de ter zake van die leerling
geregistreerde gegevens.
9. Het hoofd kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, verstrekken
aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken
leerling woon- of verblijfplaats heeft.
10. Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt
het persoonsgebonden nummer van de betrokken leerling gebruikt.
11. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van
het eerste, tweede en zesde lid en wordt een nadere specificatie
gegeven van de gegevens die op grond van het eerste, tweede en zesde
lid worden verstrekt.
12. De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste en
tweede lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de
Wet bescherming persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van
gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het
lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens
noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de
achtergronden van het relatief verzuim.
13. Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van
deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen en daarvan mededeling hebben gedaan aan Onze minister,
komen hun rechten en verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan
het orgaan dat daartoe volgens die gemeenschappelijke regeling is
aangewezen.
Artikel 21b. Overgangsbepaling kennisgeving relatief verzuim primair
onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel
21, eerste lid, voor «niet zijnde een school als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, subonderdelen 1 en 2» gelezen «niet zijnde een dagschool
voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 1, of een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 2» en wordt in artikel 21a, eerste lid, voor«een
ingeschreven leerling van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, subonderdelen 1 en 2» gelezen: een ingeschreven leerling van een
dagschool voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, subonderdeel 1, of een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
subonderdeel 2.
Artikel 22. Onderzoek door leerplichtambtenaar
1. Indien blijkt, dat een leerplichtige of kwalificatieplichtige
jongere niet als leerling of deelnemer staat ingeschreven, zonder dat
een grond voor vrijstelling aanwezig is, of indien een kennisgeving is
ontvangen, als bedoeld in artikel 21, of bericht van een kennisgeving
is ontvangen als bedoeld in artikel 21a, vierde lid, stelt de
ambtenaar vanwege burgemeester en wethouders een onderzoek in. Hij
hoort de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen en tracht hen
ertoe te bewegen hun verplichtingen na te komen.
2. Blijkt aan de ambtenaar dat de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde personen weigeren de jongere als leerling van een school
onderscheidenlijk als deelnemer bij een instelling te laten
inschrijven, zonder dat zij op grond van artikel 5, 5a of 15 van deze
verplichting zijn vrijgesteld, of dat zij niet zorgen, dat de
leerplichtige jongere de school of de jongere die kwalificatieplichtig
is de school of instelling geregeld bezoekt, zonder dat zij op grond
van artikel 11 van deze verplichting zijn vrijgesteld, dan zendt hij
proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie.
3. Blijkt aan de ambtenaar, dat de leerplichtige jongere die de
leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die
kwalificatieplichtig is het onderwijs aan de school of aan de
instelling niet geregeld volgt zonder dat de jongere op grond van
artikel 11 van deze verplichting is vrijgesteld, dan hoort hij de
jongere en tracht hem ertoe te bewegen zijn verplichtingen na te
komen. Indien blijkt dat de leerplichtige jongere die de leeftijd van
12 jaren heeft bereikt, of de jongere die kwalificatieplichtig is,
weigert deze verplichtingen na te komen, zendt de ambtenaar
proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie.
4. Indien een onderwijsvoorziening niet langer een school is als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, onderzoekt de
ambtenaar binnen vier weken nadat de ouders hiervan op de hoogte zijn
gesteld, of de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen de jongere
bij een school hebben ingeschreven dan wel of een grond voor
vrijstelling aanwezig is. Indien geen sprake is van een inschrijving
bij een school dan wel een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, 5a
of 15, wijst hij onverwijld de in artikel 2, eerste lid, bedoelde
personen op de verplichting, bedoeld in dat artikel. Indien de jongere
niet binnen vier weken nadat de ambtenaar de in de vorige volzin
bedoelde personen op hun verplichting heeft gewezen op een school
staat ingeschreven en geen sprake is van een vrijstelling als bedoeld
in artikel 5, 5aof 15, zendt de ambtenaar proces-verbaal van zijn
bevindingen aan de officier van justitie.
5. Indien de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen reeds
eerder zijn veroordeeld wegens het niet nakomen van de verplichtingen,
opgelegd in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a, zendt de ambtenaar
een afschrift van het proces-verbaal aan de raad voor de
kinderbescherming.
Artikel 23. Overtreding arbeidsverbod
Indien aan het hoofd of aan de ambtenaar blijkt, dat een jongere in
strijd met de terzake geldende voorschriften arbeid verricht, geven zij
hiervan terstond kennis aan een daartoe door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar.
Artikel 24. Bevoegdheden politie
Ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn
bevoegd een jongere die zij onder schooltijd op een voor het publiek
toegankelijke plaats aantreffen, te brengen naar het hoofd van de school
waarop de jongere als leerling staat ingeschreven. Afdeling 5.3 van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 25. Jaarverslag gemeente en verstrekking statistische
gegevens
1.Burgemeester en wethouders brengen jaarlijks vóór 1 oktober
verslag uit aan de raad over het in het laatst afgesloten school- of
cursusjaar in de gemeente gevoerde beleid inzake de handhaving van de
leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan.
2.Burgemeester en wethouders doen jaarlijks een opgave aan Onze
minister van de omvang en behandeling van het aan hen gemelde
schoolverzuim in hun gemeente.
3.Het hoofd doet jaarlijks een opgave aan Onze minister van de
omvang van het schoolverzuim aan zijn school of instelling.
§ 5. Sanctiebepalingen
Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen
1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel
2, eerste lid, of artikel 4a opgelegde verplichtingen niet nakomen,
worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete
van de tweede categorie.
2.De leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft
bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is, die de verplichting
tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomt, wordt gestraft met
een hoofdstraf als genoemd in artikel 77h, eerste lid, onderdeel b,
van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat de geldboete
een geldboete van de tweede categorie is.
Artikel 27. Bestuurlijke boete hoofd
Onze minister dan wel, voor zover het betreft het onderwijs op het
gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kan een bestuurlijke boete van ten
hoogste 1 000 euro per overtreding, met een maximum van 100 000 euro per
schooljaar, opleggen aan het hoofd dat:
a. in strijd handelt met artikel 13a, tweede lid, of artikel 14,
derde lid, eerste volzin,
b. niet voldoet aan een der verplichtingen, opgelegd in
deartikelen 18, 21 en21a, of
c. bij de uitvoering van deze wet onjuiste of onvolledige
inlichtingen verstrekt.
Artikel 28. Overtreding
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als
overtredingen.
§ 6. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 29. Nadere voorschriften
1.Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven
voor de uitvoering van deze wet en worden de modellen vastgesteld van
de kennisgevingen en mededelingen, bedoeld in de artikelen 6, 18, 21
en 25, tweede en derde lid. Bij deze regeling kan tevens worden
bepaald dat de in artikel 25, tweede of derde lid, bedoelde opgave
niet wordt gedaan aan Onze minister maar aan het Centraal Bureau voor
de Statistiek.
2.De formulieren van de kennisgevingen en mededelingen, bedoeld in
de artikelen 6, 18 en 21 zijn voor de belanghebbenden kosteloos ter
gemeentesecretarie verkrijgbaar. De formulieren voor de opgaven van
gegevens ten behoeve van statistisch onderzoek als bedoeld in artikel
25, tweede en derde lid, worden door het Rijk verstrekt.
Artikel 30. Citeertitel
Deze wet kan worden aangehaald als: Leerplichtwet 1969. Zij treedt in
werking op 1 januari 1969.
Artikel 31 [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 32 [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 32a [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 32b [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 32c [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 33 [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 34 [Vervallen per 01-08-1994]
Artikel 35 [Vervallen per 01-08-1971]
Artikel 36 [Vervallen per 01-08-1971]
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 mei 1968
JULIANA
De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen,
Grosheide
De minister van sociale zaken en volksgezondheid,
B. Roolvink
De minister van landbouw en visserij,
P.J. Lardinois
Uitgegeven de twintigste juni 1968
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|
|
|