Nadere regelgeving:
- Besluit
berekening afkoopsommen ongevalsuitkeringen 2008
- Besluit overdracht contante
waarden verplichtingen ongevallenverzekering aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds
- Besluit uitvoering afwikkeling liquidatie-uitkeringen en
voorzieningen
WET van 2 februari 1967, houdende
liquidatie wettelijke ongevallenverzekering in verband met de invoering
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
verband met de regeling inzake een verplichte verzekering van
loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid de wettelijke ongevallenverzekering te liquideren
en daarmede verband houdende voorzieningen te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen
besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
b. Ongevallenwet 1921, Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en
Zeeongevallenwet 1919: de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919,
zoals deze wetten luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij
werden ingetrokken;
c. ongeval: een ongeval, in verband met de dienstbetrekking of de
uitoefening van een verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als bedoeld
in de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de
Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die wetten mede als ongeval,
in verband met de dienstbetrekking overkomen, werd beschouwd, dan wel
daarmede werd gelijkgesteld;
d.
1. Ongevallenfonds: het Ongevallenfonds als bedoeld in artikel 40, zesde
lid, van de Ongevallenwet 1921;
2. Landbouwongevallenfonds: het Landbouwongevallenfonds als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder d, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922;
e. risicodrager ingevolge de Ongevallenwet 1921: de Sociale
Verzekeringsbank als beheerder van het Ongevallenfonds, de werkgever aan
wie krachtens artikel 54 van genoemde wet is toegestaan het risico der
bij die wet geregelde verzekering zelf te dragen en de naamloze
vennootschap of de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging -
daaronder begrepen een wederkerige verzekerings- of waarborgmaatschappij
- aan wie krachtens artikel 54 van de Ongevallenwet 1921 door een
werkgever het risico der in die wet geregelde verzekering is
overgedragen;
f. risicodrager ingevolge de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922: de
Sociale Verzekeringsbank als beheerder van het Landbouwongevallenfonds
en de bedrijfsvereniging, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van
genoemde wet;
g. risicodrager ingevolge de Zeeongevallenwet 1919:
1. in het geval, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder I, van die wet:
de reder;
2. in het geval, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder II, van die
wet: de reder alsmede de verzekeraar of andere derde als daar bedoeld;
3. in het geval, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van die wet: de reder
alsmede de Staat der Nederlanden als verzekeraar als daar bedoeld;
4. het Rijk voor zover ingevolge artikel 10, derde lid, van die wet de
uitkeringen ingevolge die wet ten laste van het Rijk komen;
h. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het Arbeidsongeschiktheidsfonds als
bedoeld in hoofdstuk III, § 2, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 2
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt met
lichamelijk letsel, gevolg van een ongeval, gelijkgesteld lichamelijk
letsel in een betrekkelijk korte tijd ontstaan als bedoeld in artikel 1,
vierde lid, van de Ongevallenwet 1921 en artikel 2, vierde lid, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
Hoofdstuk II. Intrekking ongevallenwetten en toeslagwetten, handhaving
rechten en verplichtingen over tijdvakken, gelegen vóór de
liquidatiedatum
Artikel 3
1.Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde worden
met ingang van de dag, waarop artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking treedt, ingetrokken:
a. de wet van 2 januari 1901, Stb. 1, (Ongevallenwet 1921);
b. de wet van 20 mei 1922, Stb. 365, (Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922);
c. de wet van 8 mei 1915, Stb. 214, (Zeeongevallenwet 1919);
d. de wet van 26 mei 1950, Stb. K 191, (Wet tot aanvulling der
ongevallenrenten);
e. de wet van 4 juli 1957, Stb. 223, (Wet compensatie premie Algemene
Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers);
f. de wet van 10 oktober 1962, Stb. 394, tot tijdelijke verdere
verhoging van ongevalsuitkeringen;
g. de wet van 13 februari 1964, Stb. 62, tot tijdelijke verdere
verhoging van ongevalsuitkeringen;
h. de wet van 1 maart 1946, Stb. G 46, betreffende ongevallenverzekering
van werknemers, die bij hun arbeid in ernstige mate aan het gevaar
blootstaan te worden getroffen door ongevallen, welke als gevolg van
oorlogshandelingen plaatshebben;
i. de wet van 24 juli 1903, Stb. 245, ter voorkoming van gelijktijdig
genot van wegens hetzelfde feit toegekende tijdelijke uitkering of rente
ingevolge de Ongevallenwet 1901 en pensioen of onderstand ten laste van
de Staat;
j. de wet van 25 november 1953, Stb. 560, betreffende
ongevallenverzekering van de vrijwillige brandweer.
2.De bepalingen van de in het vorige lid genoemde wetten en van haar
uitvoeringsbesluiten, zoals deze luidden op de dag, voorafgaande aan
die, waarop die wetten werden ingetrokken, blijven van toepassing ten
aanzien van rechten, bevoegdheden en verplichtingen, betrekking hebbende
op tijdvakken, gelegen vóór de in het vorige lid bedoelde dag.
3.Het bepaalde in artikel 10 van de in het eerste lid, onder f, in
artikel 4 van de in dat lid, onder h, en in artikel 9 van de in dat lid,
onder j, genoemde wet blijft van kracht.
Hoofdstuk III. Afwikkeling rechten en verplichtingen over tijdvakken,
gelegen na de liquidatiedatum
§ 1. Afwikkeling uitkeringen aan ongevalsgetroffenen
Artikel 4
1.Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a en b, genoemde wetten worden ingetrokken, recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 15 van de Ongevallenwet
1921 of artikel 36 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, behoudt
dit recht en heeft vervolgens recht op een uitkering als bedoeld in
artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, indien en voor zolang hij deze rechten zou
hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken.
2.Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a en b, genoemde wetten worden ingetrokken, ten
gevolge van een hem op eerstbedoelde dag overkomen ongeval ongeschikt
wordt tot het verrichten van zijn werk, heeft recht op een uitkering als
bedoeld in artikel 15 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en vervolgens ter zake van aan
vorenbedoelde ongeschiktheid aansluitende gehele of gedeeltelijke
ongeschiktheid tot werken ten gevolge van dat ongeval, recht op een
uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel
37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, indien en voor zolang hij
deze rechten zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken.
3.Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, ten
gevolge van een hem op eerstbedoelde dag overkomen ongeval ongeschikt
wordt tot werken, terwijl hij ter zake van die ongeschiktheid geen recht
heeft op uitkering ingevolge het bepaalde in het vorige lid, heeft recht
op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, indien en voor zolang
hij dit recht zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken.
Artikel 5
1.Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel
2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, terwijl alsdan nog
geen jaar is verstreken na de dag van het ongeval, ter zake waarvan die
uitkering is verleend, behoudt bedoeld recht, indien en voor zolang hij
dit recht zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken.
2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid vervalt het daar
bedoelde recht met ingang van de dag, waarop de in artikel 3, eerste
lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, indien de
betrokkene met ingang van die dag uit anderen hoofde een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 6
1. Degene, die op of na de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid,
onder a en b, genoemde wetten worden ingetrokken, doch binnen 183 dagen
na een hem vóór bedoelde dag overkomen ongeval, ten gevolge van dat
ongeval ongeschikt wordt tot het verrichten van zijn werk, heeft ter
zake van die ongeschiktheid recht op een uitkering als bedoeld in
artikel 15 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en vervolgens, ter zake van aan vorenbedoelde
ongeschiktheid aansluitende gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot
werken ten gevolge van dat ongeval, recht op een uitkering als bedoeld
in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, indien en voor zolang hij deze rechten zou
hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken.
2. Degene, die op of na de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid,
onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, doch binnen een
jaar na een hem vóór bedoelde dag overkomen ongeval ten gevolge van
dat ongeval geheel of gedeeltelijk ongeschikt wordt tot werken, terwijl
hij ter zake van die ongeschiktheid geen recht heeft op uitkering
ingevolge het bepaalde in het vorige lid, heeft ter zake van die
ongeschiktheid recht op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919,
indien en voor zolang hij dat recht zou hebben gehad, indien genoemde
wetten niet zouden zijn ingetrokken.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 komen de in de vorige leden
bedoelde rechten op uitkering slechts toe aan degene, die op de dag,
waarop de ongeschiktheid intreedt, de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft
bereikt of op bedoelde dag anders dan op grond van het bepaalde in
artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering niet ingevolge die wet verzekerd is,
noch op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van die wet
beschouwd wordt alsof hij verzekerd was gebleven.
4. Het in het tweede lid bedoelde recht op uitkering komt niet toe aan
degene, die op de dag, waarop de in dat lid bedoelde ongeschiktheid
intreedt, aan de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
een vóór die dag ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
5. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitkering wordt over het
tijdvak, gedurende hetwelk ter zake van de in die leden bedoelde
ongeschiktheid tevens recht bestaat op ziekengeld ingevolge de
Ziektewet, slechts uitbetaald, indien en voor zover die uitkering het
ziekengeld overtreft.
Artikel 7
1.Degene, die binnen het jaar, aanvangende op de dag, waarop de in
artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden
ingetrokken, geheel of gedeeltelijk ongeschikt wordt tot werken ten
gevolge van een hem vóór die dag overkomen ongeval, terwijl hij ter
zake van die ongeschiktheid geen recht heeft op uitkering ingevolge het
bepaalde in artikel 6, heeft ter zake van die ongeschiktheid recht op
een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, mits hij dit recht
zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken.
2.Het in het vorige lid bedoelde recht op uitkering komt niet toe aan
degene, die op de dag, waarop de in het vorige lid bedoelde
ongeschiktheid intreedt, aan de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering een vóór die dag ingegane
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
3.Het bepaalde in artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8
1. Het dagloon, dat aan de in artikel 4, eerste lid, genoemde uitkering
als bedoeld in artikel 15 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en aan de in artikel 5, eerste lid,
genoemde uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 ten grondslag is
gelegd, wordt - indien dit dagloon is vastgesteld op het bedrag, bepaald
krachtens het eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die,
waarop de in artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten
werden ingetrokken - opnieuw vastgesteld met inachtneming van het
bepaalde bij of krachtens het vierde lid of artikel 22 en met
inachtneming van het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen bedoelde bedrag, eventueel verhoogd of verlaagd
krachtens artikel 9a van die wet.
2. Aan de aan artikel 4, 5, 6 of 7 ontleende uitkering wordt geen hoger
dagloon ten grondslag gelegd dan het bedrag, bepaald krachtens het
eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in
artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten werden
ingetrokken:
a. indien en voor zolang die uitkering is berekend naar een verlies aan
geschiktheid tot werken van niet meer dan 25%;
b. voor zover die uitkering wordt verleend over een tijdvak, gelegen na
de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft
bereikt.
3. Bij toekenning van een uitkering op grond van het bepaalde in artikel
4, 6 of 7 en bij toepassing van het eerste lid, een en ander zonder
toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 15, derde lid, van
de Ongevallenwet 1921 of artikel 36, derde lid, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, komt bij de berekening van het dagloon, dat
aan de uitkering ten grondslag wordt gelegd, het dagloon, hetwelk meer
bedraagt dan 5/6 van het in het eerste lid bedoelde maximum dagloon,
voor dat meerdere niet in aanmerking.
4. Onze Minister stelt, onverminderd het overigens in dit artikel
bepaalde, de bedragen vast, welke voor de toepassing van deze wet zullen
gelden als daglonen, die aan de uitkeringen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 ten grondslag worden
gelegd.
5. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 20, 23, 24, 25 en
27 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering en
artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering - met
uitzondering van het vijfde lid en de tweede volzin van het achtste lid
van dat artikel - is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
het dagloon, waarnaar de aan artikel 4, 5, 6 of 7 ontleende uitkering
als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919 ingevolge het bepaalde in de voorgaande
leden en in artikel 22 is berekend. Het bepaalde in de vorige volzin is
niet van toepassing in de gevallen, omschreven in het tweede lid, onder
a en b.
Artikel 9
1. Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel
2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, ter zake van een
ongeval, dat plaatsvond een jaar of langer vóór laatstbedoelde dag,
heeft - onverminderd het bepaalde in artikel 13 van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering en in artikel 17 -
indien hij op de laatste dag van de maand, met ingang van welke die
wetten worden ingetrokken, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, niet heeft
bereikt, geen recht meer op bedoelde uitkering met ingang van de eerste
dag van die maand.
2. De in het eerste lid bedoelde persoon behoudt, mits hij op de laatste
dag van de maand, met ingang van welke de in artikel 3, eerste lid,
onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, het recht op de in het eerste lid
bedoelde uitkering, indien en voor zolang hij dat recht zou hebben
behouden, indien bedoelde wetten niet zouden zijn ingetrokken.
Artikel 10
1. Degene, die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 4, 5
of 6, heeft - onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering en in artikel 17 -
indien hij op de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin een
jaar na het ongeval, ter zake waarvan bedoelde uitkering is verleend, is
verstreken, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, niet heeft bereikt, geen recht
meer op die uitkering met ingang van de dag, volgende op de laatste dag
van eerderbedoeld jaar.
2. Het recht op een uitkering als bedoeld in artikel 7 van degene, die
op de laatste dag van de maand, waarin de in dat artikel bedoelde
ongeschiktheid intreedt, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, niet heeft
bereikt, wordt omgezet, hetzij in een recht op een uitkering
overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hetzij in een recht op een afkoopsom
als bedoeld in artikel 17.
3. Degene, die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 7 en
op de laatste dag van de maand, waarin de in dat artikel bedoelde
ongeschiktheid intreedt, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt,
behoudt dat recht, indien en voor zolang hij dat recht zou hebben
behouden, indien de in artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde
wetten niet zouden zijn ingetrokken. Het bepaalde in artikel 6, vijfde
lid, is van toepassing.
Artikel 11
1.Het in artikel 4, 5 of 6 geregelde recht op een uitkering als bedoeld
in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919 eindigt indien of zodra de betrokkene aan de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
2.Het in de artikelen 4, 5, 6, 7 en 9, tweede lid, geregelde recht op
een uitkering bestaat slechts zolang de ongeschiktheid, ter zake waarvan
de in genoemde artikelen bedoelde uitkering wordt verleend, onafgebroken
voortduurt.
§ 2. Afwikkeling genees- en heelkundige behandeling, opleiding en
toelagen
Artikel 12
1.Het recht op genees- en heelkundige behandeling of vergoeding daarvoor
als bedoeld in artikel 14 van de Ongevallenwet 1921, artikel 35 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, achtste lid, van de
Zeeongevallenwet 1919 ter zake van een vóór de dag, waarop de in
artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden
ingetrokken, plaatsgevonden hebbend ongeval, vervalt met ingang van
bedoelde dag, onverminderd het bepaalde bij of krachtens het tweede lid,
artikel 44 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk II, § 3, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en hoofdstuk III van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten.
2.Degene, die op de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid, onder c,
genoemde wet wordt ingetrokken, ter zake van een hem vóór die dag
overkomen ongeval ingevolge het bepaalde in artikel 2, achtste lid, van
de Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met het bepaalde in artikel 1,
derde lid, van het Koninklijk besluit van 22 mei 1947, Stb. H 153, recht
heeft op vrij vervoer, hieronder begrepen de kosten van onderhoud en
nachtverblijf gedurende de reis, behoudt dit recht, indien hij dit recht
zou hebben behouden, indien genoemde wet niet zou zijn ingetrokken.
Artikel 13
Het op grond van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, of artikel 87c,
derde lid, van de Ongevallenwet 1921, dan wel artikel 48, eerste lid, of
artikel 95c, derde lid, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 geven
van een opleiding alsmede het op grond van het bepaalde in artikel 25,
tweede lid, of artikel 87c, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921, dan
wel artikel 48, derde lid, of artikel 95c, eerste lid, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, verlenen van een toelage wegens kosten van
onderhoud en huisvesting, onderscheidenlijk wegens loonschade, worden -
onverminderd het bepaalde in artikel 45 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering - beëindigd met ingang van de dag,
waarop de in artikel 3, eerste lid, onder a en b, genoemde wetten worden
ingetrokken.
§ 3. Afwikkeling renten aan nagelaten betrekkingen
Artikel 14
Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten worden ingetrokken, recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2°, van de
Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, tweede lid, van de
Zeeongevallenwet 1919, behoudt dit recht, indien en voor zolang hij dit
recht zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken.
Artikel 15
1.De nagelaten betrekkingen van degene, die ten gevolge van een hem
vóór de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid, onder a, b en c,
genoemde wetten worden ingetrokken, overkomen ongeval overlijdt:
a. hetzij binnen een jaar na de dag, voorafgaande aan eerstbedoelde dag;
b. hetzij tijdens het genot van een uitkering ontleend aan deze wet of
ontleend aan de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
met toepassing van artikel 13, 14 of 15 van die wet dan wel terwijl
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid,
van deze wet toepassing heeft gevonden,
hebben recht op een uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2°, van
de Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, tweede lid, van de
Zeeongevallenwet 1919, indien en voor zolang zij dit recht zouden hebben
gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken. Bij de
berekening van de in de vorige volzin laatstbedoelde uitkering komt het
dagloon, hetwelk meer bedraagt dan het bedrag, bepaald krachtens het
eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in
artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten werden
ingetrokken, voor dat meerdere niet in aanmerking.
2.Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid is niet van
toepassing, indien het recht op een uitkering als bedoeld in artikel 16
van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919 van degene, aan wiens overlijden het in het vorige
lid bedoelde recht wordt ontleend, ingevolge het bepaalde in artikel 17
of 18 wordt afgekocht.
§ 4. Afwikkeling schadeloosstelling voor lijkbezorging
Artikel 16
Ten aanzien van een overlijden als bedoeld in artikel 15 bestaat recht
op schadeloosstelling voor lijkbezorging als bedoeld in artikel 19,
onder 1°, van de Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 1°, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, twaalfde lid, van de
Zeeongevallenwet 1919, voor degene, die dit recht zou hebben gehad,
indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken. Het bepaalde in de
tweede volzin van het eerste lid van artikel 15 is van overeenkomstige
toepassing.
§ 5. Afkoop van uitkeringen
Artikel 17
1. Degene, die op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, geen
recht meer heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 en
die op de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid, onder a, b en c,
genoemde wetten worden ingetrokken, recht op die uitkering, berekend
naar een ongeschiktheid tot werken van niet meer dan 25%, zou hebben
gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, heeft recht
op een afkoopsom ter hoogte van de contante waarde van laatstbedoelde
uitkering.
2. Degene, die op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, geen
recht meer heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 4, 5 of 6 en
die op de dag, met ingang van welke het recht op die uitkering vervalt,
recht op die uitkering, berekend naar een ongeschiktheid tot werken van
niet meer dan 25%, zou hebben behouden, indien het bepaalde in artikel
10, eerste lid, niet op hem van toepassing zou zijn geweest, heeft recht
op een afkoopsom ter hoogte van de contante waarde van laatstbedoelde
uitkering.
3. Degene, die op grond van het bepaalde in artikel 7 recht heeft op een
uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel
37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid,
onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, berekend naar een ongeschiktheid
tot werken van niet meer dan 25%, en die op de laatste dag van de maand,
waarin de in eerstgenoemd artikel bedoelde ongeschiktheid intreedt, de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, niet heeft bereikt, heeft recht op een afkoopsom
ter hoogte van de contante waarde van die uitkering.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene, die
op de in dat lid bedoelde dag:
a. recht op meer dan één uitkering als bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922, of artikel 2, eerste lid, onder a van de Zeeongevallenwet 1919,
zou hebben gehad, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken,
mits de som van de percentages ongeschiktheid tot werken, waarnaar deze
uitkeringen zouden zijn berekend, meer dan 25 zou hebben bedragen;
b. recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
artikel 3, 4 of 12 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering ontleent.
5. Het bepaalde in het tweede onderscheidenlijk het derde lid is niet
van toepassing op degene, die op de in het tweede lid bedoelde dag
onderscheidenlijk op de dag, waarop de in artikel 7 bedoelde
ongeschiktheid tot werken intreedt:
a. aan artikel 4, 5, 6 of 7 recht op meer dan één uitkering als
bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919 zou hebben ontleend, indien het bepaalde in
artikel 10 of 11, eerste lid, niet op hem van toepassing zou zijn
geweest, mits de som van de percentages ongeschiktheid tot werken,
waarnaar deze uitkeringen zouden zijn berekend, meer dan 25 zou hebben
bedragen;
b. recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
artikel 4 of 12 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering ontleent.
Artikel 18
1. Degene, die arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, dan wel mede
ontleent, aan artikel 13, 14 of 15 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering, onderscheidenlijk degene, ten aanzien
van wie artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, toepassing vindt en die van de dag, waarop zijn recht op
bedoelde uitkering is ingegaan, onderscheidenlijk van de dag, met ingang
van welke artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, toepassing vindt, tot en met de dag voorafgaand aan die
waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt, onafgebroken recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft gehad, heeft recht op een
afkoopsom ter hoogte van de contante waarde van de uitkering als bedoeld
in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919, waarop hij - indien genoemde wetten niet zouden
zijn ingetrokken - recht zou hebben gehad op de dag waarop hij de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, bereikt, ter zake van het ongeval, waarvoor hem
het recht op uitkering is verleend in aansluiting waaraan hem
vorenbedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend,
onderscheidenlijk ter zake van het ongeval, waarvoor hem het recht op
uitkering is verleend, ten aanzien waarvan artikel 11, eerste lid, is
toegepast of waarvoor hem op grond van het bepaalde in artikel 6, vierde
lid, of artikel 7, tweede lid, geen recht op uitkering is toegekend.
2. Bij de berekening van de in het vorige lid bedoelde afkoopsom komt
het dagloon, hetwelk meer bedraagt dan het bedrag, bepaald krachtens het
eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
zoals dat artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in
artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten werden
ingetrokken, voor dat meerdere niet in aanmerking.
Artikel 19
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld
voor de berekening van de contante waarde als bedoeld in de artikelen 17
en 18.
§ 6. Afwikkeling bijslagen
Artikel 20
Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder d tot en met g, genoemde wetten worden ingetrokken,
recht heeft op een bijslag ingevolge het bepaalde bij of krachtens die
wetten uit hoofde van een recht op een uitkering ingevolge artikel 16
van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919, heeft geen recht meer op bedoelde bijslag met
ingang van de dag, waarop de in artikel 3, eerste lid, onder d tot en
met g, genoemde wetten worden ingetrokken.
Artikel 21
Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder d tot en met g, genoemde wetten worden ingetrokken,
recht heeft op een bijslag ingevolge het bepaalde bij of krachtens die
wetten uit hoofde van een recht op een uitkering ingevolge artikel 19,
onder 2°, van de Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, tweede lid, van de
Zeeongevallenwet 1919, behoudt het recht op bedoelde bijslag, indien en
voor zolang hij dat recht zou hebben behouden, indien de in artikel 3,
eerste lid, onder d tot en met g, genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken.
§ 7. Algemeen
Artikel 22
De bepalingen van de in artikel 3, eerste lid, genoemde wetten en van
haar uitvoeringsbesluiten, zoals deze luidden op de dag, voorafgaande
aan die, waarop die wetten werden ingetrokken, blijven, voor zover bij
of krachtens deze wet niet anders is bepaald, van kracht ten aanzien van
de in dit hoofdstuk vervatte regeling.
Artikel 23
1.De in artikel 17 bedoelde afkoopsommen worden vastgesteld en
betaalbaar gesteld door het uitvoeringsorgaan, dat de uitkering,
waarvoor de afkoopsom in de plaats treedt, heeft toegekend.
2.De in artikel 18 bedoelde afkoopsommen worden vastgesteld en
betaalbaar gesteld door de bedrijfsvereniging, die de aldaar genoemde
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft beëindigd.
Artikel 24
1. Aan de belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een
beslissing, welke verband houdt met het recht op een afkoopsom als
bedoeld in artikel 17 of 18.
2. Een kennisgeving als bedoeld in het vorige lid, is gedagtekend,
vermeldt de gronden, waarop de beslissing berust, alsmede naam en adres
van het college, waarbij ingevolge het bepaalde in het vierde lid beroep
kan worden ingesteld en de termijn van beroep.
3. Tegen een beslissing, waarvan ingevolge het bepaalde in het eerste
lid schriftelijk kennis wordt gegeven, staat voor de belanghebbende
beroep open.
Artikel 25
1.De op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk te verlenen uitkeringen,
afkoopsommen en bijslagen, alsmede de administratiekosten ter zake
daarvan en de daarover door de in het tweede lid of in artikel 23,
tweede lid, genoemde organen ingevolge enige wet verschuldigde premies,
die niet daarop in mindering kunnen worden gebracht, komen ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds, met uitzondering van:
a. de aan artikel 4 of 5 ontleende uitkering gedurende het eerste jaar
na de dag van het ongeval, ter zake waarvan bedoelde uitkering is
verleend, tot het bedrag, waarop die uitkering, ten hoogste berekend
naar een dagloon ter hoogte van het bedrag, bepaald krachtens het eerste
lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, zoals dat
artikel luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop de in artikel 3,
eerste lid, onder a, b en c, genoemde wetten werden ingetrokken, en
voorts zonder toepassing van artikel 8, vijfde lid, zou zijn gesteld;
b. de administratiekosten ter zake van de aan artikel 4 ontleende
uitkering gedurende de eerste zes weken na de dag van het ongeval.
2.Het Arbeidsongeschiktheidsfonds schiet aan de Sociale
Verzekeringsbank, de bedrijfsverenigingen als bedoeld in artikel 13 van
de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Vereeniging "Zee-Risico"
desgevraagd gelden voor ter financiering van de door haar ingevolge het
bepaalde in dit hoofdstuk te verrichten betalingen.
3.De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen omtrent de verrekening
van betalingen tussen de in het vorige lid genoemde organen alsmede
omtrent de berekening van de ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds te brengen administratiekosten.
Artikel 26
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van
de uitvoering van de afwikkeling van de in de artikelen 3, tweede lid, 4
tot en met 7, 9 tot en met 11, 14 tot en met 18 en 21 geregelde rechten
regelen worden gesteld, waarbij van het bij de artikelen 3, tweede lid,
22 en 23 bepaalde kan worden afgeweken.
Hoofdstuk IV. Beëindiging verplichtingen van risicodragers en
overdracht contante waarde van verplichtingen
§ 1. Beëindiging van verplichtingen
Artikel 27
Onverminderd het bepaalde in de volgende paragraaf vervallen de
verplichtingen ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 van de
risicodragers ingevolge die wetten met ingang van de dag, waarop die
wetten worden ingetrokken, met uitzondering van de verplichtingen, welke
betrekking hebben op tijdvakken, gelegen vóór die dag en van de
verplichtingen, omschreven in artikel 25, eerste lid, onder a en b.
§ 2. Overdracht contante waarde van verplichtingen aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds
Artikel 28
1.De risicodragers ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 dragen de
contante waarde van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
verplichtingen ingevolge genoemde wetten over aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds. In het geval, bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onder II, van de Zeeongevallenwet 1919 zijn de reder en de
verzekeraar of andere derde als daarbedoeld hoofdelijk verbonden
tegenover het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
2.Al hetgeen betrekking heeft op de vaststelling van de in het vorige
lid bedoelde contante waarde, de vaststelling van de waarde der door de
in dat lid bedoelde risicodragers aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
over te dragen vermogensbestanddelen en de overdracht daarvan wordt bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 29
Het Rijk draagt de volgens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regelen vast te stellen contante waarde van de op
grond van het bepaalde in artikel 21 gehandhaafde bijslagen over aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
§ 3. Overdracht contante waarde van verplichtingen door het
Arbeidsongeschiktheidsfonds aan het College voor zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk V. Liquidatie vermogenssaldi
§ 1. Bestemming vermogenssaldo van het Ongevallenfonds
Artikel 31
Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank doet per de dag,
voorafgaande aan die, waarop de Ongevallenwet 1921 wordt ingetrokken, en
per een door Onze Minister nader te bepalen tijdstip een
liquidatiebalans van het Ongevallenfonds opmaken. In afwijking van het
bepaalde in artikel 40, zesde lid, van genoemde wet worden de in de
vorige volzin bedoelde balansen opgemaakt op de grondslagen, vastgesteld
bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 28, tweede lid. Onder de passiva worden opgenomen de op grond
van artikel 3, tweede lid, de artikelen 4 en 5, in verbinding met de
artikelen 22 en 25, eerste lid, onder a en b, en het bepaalde bij of
krachtens artikel 28 ten laste van genoemd fonds komende verplichtingen
alsmede de kosten, welke naar schatting aan de liquidatie van genoemd
fonds zijn verbonden. Onder de passiva wordt geen algemene reserve als
bedoeld in artikel 40, zevende lid, van de Ongevallenwet 1921 opgenomen.
Artikel 32
1.Bij de vaststelling van de bijdrage als bedoeld in de laatste volzin
van artikel 40, tweede lid, van de Ongevallenwet 1921 over het jaar 1966
wordt met het saldo van de in artikel 31 eerstbedoelde balans rekening
gehouden.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 40, zesde lid, van de
Ongevallenwet 1921 doet het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank aan
het einde van het boekjaar 1966 geen wetenschappelijke balans van het
Ongevallenfonds opmaken.
Artikel 33
1.Het saldo van de balans, opgemaakt per het door Onze Minister
ingevolge artikel 31 bepaalde tijdstip, wordt - onverminderd het
bepaalde in het volgende lid - terugbetaald aan of verrekend met
degenen, die over het jaar 1966 ten bate van het Ongevallenfonds premie
ingevolge die wet hebben betaald onderscheidenlijk verschuldigd zijn,
naar evenredigheid van de door hen betaalde onderscheidenlijk
verschuldige premie ingevolge die wet.
2.Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, bepalen, dat
de in het vorige lid bedoelde terugbetaling of verrekening achterwege
blijft, indien de geringe omvang van het terug te betalen
onderscheidenlijk te verrekenen bedrag daartoe aanleiding geeft.
3.Het na toepassing van de vorige leden bij de afwikkeling van de ten
laste van het Ongevallenfonds komende verplichtingen blijkend overschot
onderscheidenlijk tekort in dat fonds komt ten bate onderscheidenlijk
ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
4.Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in
de vorige leden.
§ 2. Aanzuivering van het tekort in het Landbouwongevallenfonds
Artikel 34
Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank doet per de dag,
voorafgaande aan die, waarop de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922
wordt ingetrokken, een liquidatiebalans van het Landbouwongevallenfonds
opmaken. De in de vorige volzin bedoelde balans wordt opgemaakt op de
grondslagen, vastgesteld bij of krachtens de algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 28, tweede lid. Onder de passiva worden
opgenomen de op grond van artikel 3, tweede lid, de artikelen 4 en 5, in
verbinding met de artikelen 22 en 25, eerste lid, onder a en b, en het
bepaalde bij of krachtens artikel 28 ten laste van genoemd fonds komende
verplichtingen alsmede de kosten, welke naar schatting aan de liquidatie
van genoemd fonds zijn verbonden.
Artikel 34a
Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank doet aan het einde van het
boekjaar 1966 geen wetenschappelijke balans van het
Landbouwongevallenfonds opmaken.
Artikel 35
1.Het saldo van de in artikel 34 bedoelde balans komt ten laste van het
Rijk.
2.Het na toepassing van het vorige lid bij de afwikkeling van de ten
laste van het Landbouwongevallenfonds komende verplichtingen blijkend
tekort onderscheidenlijk overschot komt ten laste onderscheidenlijk ten
bate van het Rijk.
3.Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen met betrekking
tot het bepaalde in de vorige leden regelen stellen.
§ 3. Collectieve overdracht van vermogenssaldi
Artikel 36
1.Een besluit van een risicodrager ingevolge de Ongevallenwet 1921, de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919 tot
collectieve overdracht van een vermogensoverschot behoeft de goedkeuring
van Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad.
2.Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, bepalen, dat
een door hem aan te geven gedeelte van het in het vorige lid bedoelde
overschot van de collectieve overdracht wordt uitgezonderd en aan door
hem aan te wijzen personen wordt uitbetaald.
Hoofdstuk VI. Liquidatie vrijwillige verzekering
Artikel 37
1.Een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 87 van de
Ongevallenwet 1921 of artikel 99 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 eindigt met ingang van de dag, waarop genoemde wetten worden
ingetrokken.
2.De over een tijdvak, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop
de in het vorige lid genoemde wetten worden ingetrokken, betaalde premie
wordt aan de verzekerde terugbetaald.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 38a
1. Er bestaat geen burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade,
welke het gevolg is van ongevallen, plaatsgevonden hebbend vóór de
dag, waarop de in artikel 3, eerste lid, onder a, b, en c, genoemde
wetten worden ingetrokken, indien en voorzover zulks ook niet het geval
zou zijn geweest, indien die wetten niet zouden zijn ingetrokken.
2. Degene, die naar burgerlijk recht gehouden is tot vergoeding van
schade als gevolg van een vóór de dag, waarop de in artikel 3, eerste
lid, onder a en b, genoemde wetten worden ingetrokken, plaatsgevonden
hebbend ongeval, terzake waarvan een risicodrager in de zin van bedoelde
wetten lasten heeft te dragen, is jegens die risicodrager aansprakelijk
tot zodanig bedrag als betrokkene jegens die risicodrager aansprakelijk
zou zijn geweest, indien die wetten niet zouden zijn ingetrokken.
3. Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop degene, aan wie
een uitkering, afkoopsom of bijslag ingevolge deze wet wordt verleend,
naar burgerlijk recht aanspraak kan maken, houdt de rechter rekening met
de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.
Artikel 39
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze
Minister geregeld.
Artikel 40
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Liquidatiewet
ongevallenwetten".
Artikel 41
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door
Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2 februari 1967
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de achtentwintigste februari 1967
De Minister van Justitie,
Struycken
|