Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit spoorwegen
als lokaalspoorweg
- Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen
- Besluit spoorwegbruggen
- Metroreglement
- Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (RDHL)
- Reglement op de Raccordementen 1966
- Tramwegreglement
WET van 9 juli 1900, houdende nadere
regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop
uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is den dienst
en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid
wordt vervoerd, nader te regelen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt, welke
spoorwegen in de zin dezer wet als locaalspoorwegen, welke als
stadsspoorwegen en welke als tramwegen worden beschouwd.
2. Als tramwegen beschouwde spoorwegen, welke alleen voor vervoer
van goederen bestemd zijn, kunnen door Onzen Minister voornoemd,
bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, ten deele met
locaalspoorwegen worden gelijkgesteld.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder Spoorwegwet: Spoorwegwet 1875.
Artikel 2
1. Voor de aanleg van een locaalspoorweg, een stadsspoorweg of een
tramweg en de uitoefening van de dienst op die locaalspoorweg, die
stadsspoorweg of die tramweg wordt een door Ons of met Onze machtiging
verleende concessie vereist.
2. De concessie wordt niet verleend, dan nadat Gedeputeerde Staten
zijn gehoord.
3. De concessie houdt, voor zooveel tramwegen betreft,
voorschriften in ter verzekering, dat bepalingen omtrent rechten en
verplichtingen der beambten en bedienden van den spoorwegdienst worden
onderworpen aan de instemming van Onzen Minister voornoemd, en door
dezen kunnen worden vastgesteld, voor zooveel overeenstemming met
bestuurders van den spoorwegdienst ontbreekt.
4. Ten aanzien van buitenlandsche spoorwegdiensten, welke mede hier
te lande worden uitgeoefend, kan worden afgeweken van het bepaalde in
het voorgaande lid.
Artikel 3
Uitoefening van den dienst op een locaalspoorweg, op een
stadsspoorweg of op een tramweg is den bestuurders verboden, tenzij eene
concessie, als bedoeld in artikel 2, van kracht is.
Artikel 4
1. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen omtrent den dienst
en het gebruik van locaalspoorwegen bepalingen worden gemaakt, waarbij
wordt afgeweken van de artikelen 27, 33 en 36, tweede lid, van de
Spoorwegwet.
2. Zijn gedeelten van die spoorwegen op openbare wegen aangelegd,
dan kan daarvoor ook van artikel 1 dier wet worden afgeweken, behalve
met betrekking tot de verantwoordelijkheid ten aanzien van reizigers
en tot vervoer aangenomen goederen, alsmede van de artikelen 34, 35,
43 en 44 dier wet.
Artikel 4a
1. Op stadsspoorwegen zijn van de in artikel 4 aangehaalde wet
hoofdstuk III en artikel 35 niet van toepassing. Het bij of krachtens
de artikelen 27 en 52 bepaalde inzake goederen is op deze spoorwegen
niet van toepassing.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent de dienst op,
alsmede de afsluiting van stadsspoorwegen bepalingen worden
vastgesteld, waarbij wordt afgeweken van de artikelen 26 en 34 van de
in artikel 4 aangehaalde wet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van
stadsspoorwegdiensten onder beheer van een publiekrechtelijk lichaam
worden bepaald, dat voor de naleving van die algemene maatregel van
bestuur zij als bestuurders worden aangemerkt, die door dit
publiekrechtelijk lichaam aan het hoofd van die stadsspoorwegdienst
zijn gesteld.
4. Indien het gezag, gesteld boven de bestuurders, in het vorige
lid bedoeld, deze de middelen onthoudt, welke nodig zijn hen in staat
te stellen de verplichtingen na te komen, welke bij of krachtens de in
het vorige lid bedoelde algemene maatregel van bestuur op hen zijn
gelegd, wordt echter dat gezag als bestuurder aangemerkt.
Artikel 5
1. Op tramwegen zijn van de in artikel 4 aangehaalde wet van
toepassing de artikelen 4, 5, 7, 9 tot en met 12, 16, 17, 20 tot en
met 22, 42, 69a en 71; de artikelen 34, 35, 43 en 44 zijn van
toepassing op spoorweggedeelten niet op openbare wegen aangelegd.
2. Onder voorbehoud van afdeling 5 van titel 2 van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek is de ondernemer verantwoordelijk voor de schade
door de reizigers bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware
de schade buiten zijne schuld of die zijner beambten of bedienden zij
ontstaan.
3. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt geregeld:
a. hetgeen ter verzekering van het veilig en ordelijk verkeer
over deze spoorwegen en omtrent de aankondiging van de opening en
van de regeling van den dienst, alsmede omtrent de openbaarmaking
van de tarieven is voor te schrijven;
b. de wijze, waarop ten aanzien van deze spoorwegen, op verzoek
van bestuurders van den spoorwegdienst, het tweede lid van dit
artikel op tot vervoer aangenomen goederen van toepassing kan
worden verklaard, en de artikelen 3, 25 en 27 der in artikel 4
aangehaalde wet behoudens voor te schrijven afwijkingen van
toepassing kunnen worden verklaard;
c. de wijze, waarop ten aanzien van niet op openbare wegen
aangelegde gedeelten van deze spoorwegen de artikelen 33a, 36 tot
en met 41 en 68 der in artikel 4 aangehaalde wet behoudens voor te
schrijven afwijkingen van toepassing kunnen worden verklaard.
4. De ondernemer is verplicht tot uitoefening van de dienst
overeenkomstig de vastgestelde dienstregeling.
Artikel 6
1. Op spoorwegen, welke niet voor openbaar vervoer van personen of
van goederen zijn opengesteld, zijn artikel 1 en de in artikel 4
aangehaalde wet niet van toepassing.
2. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven ter verzekering van het veilig gebruik van deze spoorwegen,
indien zij aansluiten aan spoorwegen, in de in artikel 4 aangehaalde
wet bedoeld, aan locaalspoorwegen, aan stadsspoorwegen of aan
tramwegen.
Artikel 7
1. De Staten der provinciën zijn bevoegd omtrent den dienst en het
gebruik van tramwegen voor spoorweggedeelten op openbare wegen
aangelegd voorschriften te geven voor zooveel betreft punten,
waaromtrent in artikel 5 niet is voorzien.
2. Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijken aard in eene
gemeente voorschriften noodig maken omtrent den dienst en het gebruik
van locaalspoorwegen of van tramwegen, kunnen deze voorschriften, voor
zoover zij spoorweggedeelten betreffen op openbare wegen aangelegd,
door den gemeenteraad worden vastgesteld.
3. De artikelen 139 tot en met 144 en artikel 154 van de
Gemeentewet (Stb. , ) zijn op deze plaatselijke verordening van
toepassing. Van de intrekking van deze verordening geschiedt binnen
acht dagen mededeling aan Ons.
4. De Staten der provinciën en de gemeenteraden zijn bevoegd
omtrent het veilig gebruik van spoorwegen, in artikel 6, tweede lid,
bedoeld, voor spoorweggedeelten op openbare wegen aangelegd
voorschriften te geven voor zooveel betreft punten, waaromtrent bij
den aldaar bedoelden algemeenen maatregel van bestuur niet is
voorzien.
Artikel 8
1. Op spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan
personenvervoer binnen ééne gemeente, zijn artikel 1 en de in
artikel 4 aangehaalde wet niet van toepassing. Artikel 5, vierde lid,
blijft op deze spoorwegen van toepassing.
2. Met die spoorwegen kunnen door Ons, den Raad van State gehoord,
worden gelijk gesteld spoorwegen of spoorweggedeelten, waarop in
hoofdzaak geen ander dan zoodanig vervoer plaats heeft, of welke uit
anderen hoofde niet van aanmerkelijke beteekenis zijn voor het
doorgaand verkeer.
3. Bij Ons besluit tot gelijkstelling kan worden bepaald, dat de
artikelen 2 en 3 op in dat besluit bedoelde spoorwegen of
spoorweggedeelten van toepassing blijven.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op stadsspoorwegen.
Artikel 9
1. Overtreding van de bepalingen van:
artikel 5,
de in artikel 5 toepasselijk verklaarde wetsartikelen, voor zooveel
deze overtreding betrekking heeft op tramwegen, daaronder begrepen
niet-naleving van artikel 35, tweede lid, der in artikel 4 aangehaalde
wet door de bij artikel 63, tweede lid, dier wet deswege aansprakelijk
gestelden,
de in de artikelen 4, 4a, 5 en 6 bedoelde algemeene maatregelen van
bestuur,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie
2. De beambten en bedienden zijn niet strafbaar zoo hunne
overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van den
spoorwegdienst gegeven.
3. Die beambten en bedienden kunnen de reizigers, die zich aan
overtreding der bepalingen van den in de artikelen 4, 4a en 5
bedoelden algemeenen maatregel van bestuur schuldig maken, uit de
rijtuigen weren of verwijderen.
4. Overtreding van artikel 3 wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging
van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het in artikel 3
neergelegde verbod, alsmede ter handhaving van de in de artikelen 4,
4a, 5 en 6 bedoelde algemene maatregelen van bestuur.
6. Ten aanzien van beschadiging van waterstaatswerken, in beheer of
onderhoud bij ondernemers van locaal-, stadsspoor- of tramwegdiensten,
voor welke schippers, reeders, eigenaars of gebruikers van vaartuigen
of vlotten volgens de wet aansprakelijk zijn, vindt § 6a der
Waterstaatswet 1900 overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1. Met de opsporing van de bij artikel 9 strafbaar gestelde feiten
zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de in artikel 10 van de Spoorwegwet bedoelde ambtenaren. Deze
ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het
Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op
een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. De artikelen 5:13, 5:15 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
in artikel 10 van de Spoorwegwet bedoelde ambtenaren.
3. Ook zijn tot het opsporen der overtredingen in artikel 9 bedoeld
bevoegd de beambten en bedienden van den spoorweg, beëedigd volgens
regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, over de
geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen
den kring van honderd meter aan beide zijden van dien weg.
Artikel 11
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als
overtredingen.
Artikel 12
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 13
De wet van 28 October 1889 (Staatsblad n°. 146) wordt
ingetrokken.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Soestdijk, den 9den Juli 1900
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,
C. Lely
Uitgegeven den vijf en twintigsten Juli 1900
De Minister van Justitie,
Cort v.d. Linden
|