Nadere regelgeving:
- Beroepsuitoefeningsverordening
registerloodsen
- Besluit markttoezicht registerloodsen
- Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart
- Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995
- Regeling markttoezicht registerloodsen
- Voorschriftenbesluit registerloodsen
WET van 7 juli 1988, houdende regels
betreffende loodsen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
uitvoerende taken van de overheid ten aanzien van het loodsen van
zeeschepen te beėindigen en in de plaats daarvan een openbaar lichaam
voor beroep in te stellen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet,
daarbij regels stellend over de opleiding tot loods en de bevoegdheid
tot uitoefening van dit beroep, aldus tevens de grondslag scheppend voor
de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, waaronder de Richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de
Noordzee en in het Kanaal (PbEG L33/32);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. loods:
1°. registerloods;
2°. degene die voldoet aan de eisen met betrekking tot de
vakbekwaamheid en geschiktheid vastgesteld krachtens artikel
5, eerste lid;
c. corporatie: de Nederlandse loodsencorporatie, bedoeld in
artikel 6, eerste lid;
d. algemene raad: de algemene raad van de Nederlandse
loodsencorporatie;
e. register: het loodsenregister, bedoeld in artikel 21, eerste
lid;
f. registerloods: degene die is ingeschreven in het register;
g. loodsplichtige scheepvaartwegen: de scheepvaartwegen waarop
krachtens wettelijk voorschrift de kapitein van een schip
verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods;
h. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk
verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
bescherming persoonsgegevens;
i. Nederlandse Mededingingsautoriteit: Nederlandse
Mededingingsautoriteit, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de
Mededingingswet;
j. raad van bestuur: raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit;
k. arbeidsvergoeding: arbeidsvergoeding voor registerloodsen,
bestaande uit de uurtarieven voor de directe loodsuren,
vermeerderd met een opslag voor de indirecte uren, bestaande uit
indirecte taken, reisuren, wachturen en beschikbaarheidsuren,
gedifferentieerd naar scheepsklassen.
2. De begrippen in deze wet en de daarop berustende bepalingen
hebben, tenzij anders is bepaald, dezelfde betekenis als in de
Scheepvaartverkeerswet.
Hoofdstuk II. De loodsen
§ 1. Algemeen
Artikel 2
1. De loods adviseert aan boord de kapitein of de verkeersdeelnemer
over de door deze te voeren navigatie. De loods mag met instemming van
de kapitein optreden als verkeersdeelnemer.
2. Voor zover de loods zijn functie niet aan boord van het te
loodsen schip kan uitoefenen mag deze de kapitein of de
verkeersdeelnemer vanaf een ander schip of vanaf de wal adviezen en,
voor zover hij daartoe ingevolge artikel 9 Scheepvaartverkeerswet
bevoegd is, verkeersinformatie geven. Indien zich aan boord van het te
loodsen schip een loods bevindt kan een loods vanaf de wal aan deze
loods adviezen en, voor zover hij daartoe ingevolge artikel 9
Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, verkeersinformatie geven, in het
geval van verminderd zicht, slechte weersomstandigheden of andere
bijzondere omstandigheden.
3. Ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 3, eerste
lid, van de Scheepvaartverkeerswet, worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld die de loodsen voor en
bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Deze
voorschriften hebben onder andere betrekking op de omstandigheden en
voorwaarden waaronder en de plaatsen vanaf waar de loods adviezen als
bedoeld in het tweede lid mag geven.
Artikel 3
De loods is, voor zover hij handelt in de uitoefening van de in
artikel 2 genoemde taken en bevoegdheden, slechts aansprakelijk voor
schade door hem veroorzaakt door opzet of grove schuld.
§ 2. Registerloodsen
Artikel 4
1. Bij of krachtens verordening worden regels gesteld met
betrekking tot de bevoegdheid van de registerloods ten aanzien van
loodsplichtige scheepvaartwegen en categorieėn van schepen. Deze
verordening en de krachtens die verordening te geven regels behoeven
de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden
wegens strijd met de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van
de Scheepvaartverkeerswet.
2. Het is degene die geen daartoe bevoegd registerloods is,
verboden diensten als loods aan te bieden dan wel te verlenen aan:
a. zeeschepen op loodsplichtige scheepvaartwegen; en
b. schepen die anderszins ingevolge een wettelijke regeling
verplicht zijn gebruik te maken van de diensten van een loods.
3. Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet met betrekking
tot schepen voor de vaart op loodsplichtige scheepvaartwegen,
aangewezen krachtens artikel 11, onderdeel b, van de
Scheepvaartverkeerswet, voor zover die schepen op binnenwateren varen.
4. Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet voor de tot de
Belgische loodsdienst behorende loods die krachtens het
Scheldereglement als zodanig optreedt en de tot de Duitse loodsdienst
behorende loods die krachtens het Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de
samenwerking in de Eemsmonding (Trb. 1960, 69) als zodanig optreedt.
§ 3. Niet-registerloodsen
Artikel 5
1. Onverminderd het in artikel 4 bepaalde kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld met betrekking tot
de vakbekwaamheid en geschiktheid voor het loodsen van schepen op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren.
2. Degene die heeft aangetoond, te voldoen aan de eisen als bedoeld
in het eerste lid, ontvangt daarvan een verklaring volgens een door
Onze Minister vast te stellen model. Bij of krachtens de in het eerste
lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke
gevallen de verklaring kan worden ingetrokken.
3. Voor de afgifte van een verklaring als bedoeld in het tweede lid
en de deelname aan de daarvoor vereiste examens is een vergoeding
verschuldigd volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief.
4. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde eisen worden
persoonsgegevens verwerkt betreffende de gezondheid. De verwerking van
deze gegevens strekt ertoe te kunnen beoordelen of de geschiktheid
voor het loodsen van schepen aanwezig is of niet meer aanwezig is.
Onze Minister, onderscheidenlijk de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur in te stellen examencommissies, zijn
verantwoordelijke voor deze verwerkingen.
Hoofdstuk III. De loodsencorporaties
§ 1. De Nederlandse loodsencorporatie
Artikel 6
1. De gezamenlijke registerloodsen vormen de Nederlandse
loodsencorporatie. De corporatie is een openbaar lichaam in de zin van
artikel 134 van de Grondwet. Zij is gevestigd te Rotterdam.
2. De corporatie heeft een voorzitter, een algemene raad en een
ledenvergadering.
Artikel 7
De voorzitter vertegenwoordigt de corporatie in en buiten rechte.
Artikel 8
1. De algemene raad voert het geldelijk beheer en het overig
bestuur. Deze raad bestaat uit de voorzitter en de voorzitters van de
regionale corporaties of hun plaatsvervangers.
2. De voorzitter wordt door de ledenvergadering benoemd voor een
termijn van ten hoogste vier jaren. Hij is geen lid van het bestuur
van een regionale corporatie.
3. De voorzitter wordt bij verhindering vervangen door een lid van
de algemene raad, daartoe door die raad aangewezen.
Artikel 9
1. De algemene raad heeft in het bijzonder tot taak:
a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
1°. het verzorgen van de algemene opleiding tot
registerloods;
2°. het verzorgen van de algemene opleiding tot het beroep
van registerloods van degene die daartoe op grond van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in aanmerking
komt, voor zover dit betreft het gedeelte van de opleiding dat
betrokkene dient te volgen nadat hij heeft aangetoond te
voldoen aan de eisen voor toelating als
adspirant-registerloods, zoals vastgesteld krachtens artikel
19, eerste lid, onderdeel a ;
3°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
4°. het bevorderen van de vakbekwaamheid;
5°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor
de registerloods van belang zijn; en
b. het geven van advies aan Onze Minister inzake de uitvoering
van deze wet, hetzij op verzoek van Onze Minister hetzij uit eigen
beweging.
2. De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, 2° en 4°,
worden uitsluitend verricht voor zover deze betrekking hebben op
registerloodsen in meer dan één regio.
3. Voor de deelname aan een van de opleidingen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, 2°, is een vergoeding verschuldigd voor de
kosten aan de algemene raad, volgens een bij besluit van de raad van
bestuur overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA
vast te stellen tarief.
§ 2. De regionale loodsencorporaties
Artikel 10
1. De gezamenlijke registerloodsen van eenzelfde regio vormen de
regionale loodsencorporatie in die regio.
2. De namen en de vestigingsplaatsen van de regionale
loodsencorporaties zijn als volgt:
a. Noord te Delfzijl;
b. Amsterdam-IJmond te IJmuiden;
c. Rotterdam-Rijnmond te Rotterdam;
d. Scheldemonden te Vlissingen.
3. De grenzen van een regio worden bij algemene maatregel van
bestuur vastgesteld.
4. Een regionale corporatie is rechtspersoon.
5. Een regionale corporatie heeft een voorzitter, een bestuur en
een ledenvergadering.
Artikel 11
De voorzitter van een regionale corporatie vertegenwoordigt de
regionale corporatie in en buiten rechte.
Artikel 12
1. Het bestuur voert het geldelijke beheer en het overige bestuur
van de regionale corporatie.
2. Het bestuur bestaat uit de voorzitter van de regionale
corporatie en:
a. ten minste twee en ten hoogste vier leden voor regionale
corporaties die niet meer dan honderd leden tellen;
b. en ten minste twee en ten hoogste zes leden voor regionale
corporaties die meer dan honderd leden tellen.
3. De voorzitter van de regionale corporatie, de andere leden van
het bestuur, alsmede hun plaatsvervangers, worden door de
ledenvergadering uit de leden van de regionale corporatie benoemd voor
een termijn van ten hoogste vier jaren.
4. De voorzitter van de regionale corporatie en de andere leden van
het bestuur worden bij verhindering vervangen door hun
plaatsvervangers.
Artikel 13
1. Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder
tot taak:
a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
1°. er voor zorg te dragen dat de regionale corporatie
leerovereenkomsten met adspirant-registerloodsen aangaat;
2°. het verzorgen van de lokale opleiding en de stage van
adspirant-registerloodsen;
3°. het verzorgen van de lokale opleiding van degene die
een van de algemene opleidingen, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel a, 2°, met goed gevolg heeft afgesloten;
4°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
5°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor
de registerloods van belang zijn; en
b. het verzorgen van een opleiding en het afnemen van examens
ter uitvoering van de krachtens artikel 10, tweede lid, onderdeel
b, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels; en
c. het voorbereiden van ledenvergaderingen.
2. De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, 3° en 4°,
worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien
krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, 2° of 4°.
3. Voor de deelname aan de opleiding, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, 3°, is een vergoeding verschuldigd aan het bestuur van
de regionale corporatie, volgens een bij besluit van de raad van
bestuur overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA
vast te stellen tarief.
§ 3. De vergaderingen
Artikel 14
1. De voorzitter van de corporatie of van een regionale corporatie,
roept een vergadering bijeen zo vaak hij zulks nodig acht of indien
zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen,
wordt verzocht:
a. voor de ledenvergadering van de corporatie: door de
ledenvergadering van ten minste een regionale corporatie;
b. voor een ledenvergadering van een regionale corporatie: door
ten minste tien procent van de leden;
c. voor de algemene raad en voor het bestuur van een regionale
corporatie: door ten minste twee leden.
2. De ledenvergaderingen van de corporatie zijn openbaar voor zover
daarin ontwerpen van verordeningen aan de orde zijn. Hiervan wordt
door de algemene raad op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze mededeling gedaan.
3. De ledenvergadering van een regionale corporatie voorziet bij
reglement in het doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen.
§ 4. Verordeningen
Artikel 15
1. De ledenvergadering van de corporatie stelt de verordeningen,
bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 19, tweede lid, en 26, eerste
lid, vast, alsmede andere verordeningen, waaronder die in het belang
van:
a. een goede beroepsuitoefening;
b. een doelmatige dienstverlening, waarbij ten minste dient te
worden voorzien in:
1°. de verplichting van de registerloods zijn diensten
tijdig en op non-discriminatoire wijze aan te bieden en te
verlenen aan schepen als bedoeld in artikel 4, tweede lid; en
2°. de verplichting van de registerloodsen om in onderling
verband zorg te dragen voor het vervoer ten behoeve van hun
beroepsuitoefening en de verdere organisatie van de
dienstverlening;
c. sociale voorzieningen voor registerloodsen en voor
nabestaanden van overleden registerloodsen; en
d. een doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen van de
corporatie.
2. In een verordening kan aan de algemene raad of aan het bestuur
van een regionale corporatie de bevoegdheid worden verleend tot het
geven van nadere voorschriften omtrent bij die verordening geregelde
onderwerpen.
Artikel 16
1. De ontwerpen van verordeningen worden door de algemene raad
opgesteld, hetzij op last van de ledenvergadering hetzij uit eigen
beweging.
2. Op de voorbereiding van verordeningen is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat
daaraan toepassing wordt gegeven door de algemene raad.
3. De algemene raad brengt de naar voren gebrachte zienswijzen ter
kennis van de leden.
4. De verordeningen worden na de vaststelling onverwijld ter kennis
gebracht van Onze Minister en vervolgens bekendgemaakt in de
Staatscourant. Indien zij de goedkeuring van Onze Minister behoeven,
wordt bij de bekendmaking aan de voet van de verordening het besluit
vermeld waarbij deze is goedgekeurd.
5. De verordeningen treden, tenzij zij anders bepalen, in werking
met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking.
6. Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing op de
nadere voorschriften, bedoeld in artikel 15, tweede lid.
Artikel 17
1. De verordeningen zijn slechts verbindend voor de leden, de
corporatie, de algemene raad, de regionale corporaties en hun
besturen.
2. Bepalingen gesteld bij of krachtens een verordening die strijdig
zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet zijn onverbindend.
Artikel 18
1. Besluiten van de algemene raad of van de ledenvergadering van de
corporatie kunnen op de voordracht van Onze Minister bij koninklijk
besluit worden vernietigd.
2. Ingeval van vernietiging geschiedt deze binnen zes maanden na de
in artikel 16, vierde lid, bedoelde ter kennis brenging of, wanneer
het een ander besluit betreft, binnen zes maanden nadat het besluit
ter kennis van Onze Minister is gekomen.
Hoofdstuk IV. Adspirant-registerloodsen
Artikel 19
1. Adspirant-registerloods is degene:
a. die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen eisen ten aanzien van leeftijd, opleiding,
ervaring en lichamelijke en geestelijke geschiktheid; en
b. met wie een leerovereenkomst als adspirant-registerloods is
aangegaan door een regionale corporatie.
2. De inhoud van de leerovereenkomst, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt vastgesteld bij verordening.
3. Ter uitvoering van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
eisen worden persoonsgegevens verwerkt betreffende de gezondheid. De
verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen
beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van lichamelijke en
geestelijke geschiktheid, nodig voor het aangaan van een
leerovereenkomst. De regionale loodsencorporatie die de
leerovereenkomst aangaat is verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 20
1. Na afloop van de algemene opleiding tot registerloods als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, 1°, en na afloop van
de lokale opleiding en stage als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdeel a, 2°, vindt een examen plaats.
2. De inhoud van de examens, het toezicht daarop door
gecommitteerden die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen en al
het overige betreffende de examens wordt vastgesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk V. Het loodsenregister
Artikel 21
1. Er is een openbaar loodsenregister. Ten behoeve van dit register
worden persoonsgegevens verwerkt met betrekking tot ingeschreven
registerloodsen. De verwerking van deze gegevens vindt plaats ten
behoeve van de waarborging van de kwaliteit, de continuļteit en de
rechtszekerheid van de loodsdienstverlening, alsmede van de uitvoering
van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels. De algemene raad
is verantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de inrichting van het register, de wijze van inschrijving
en van doorhaling en het geven van afschriften uit het register.
3. De tarieven voor de kosten van het verstrekken van afschriften
uit het register worden vastgesteld bij besluit van de raad van
bestuur, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA.
4. In het register wordt degene die voldoet aan artikel 22, eerste
lid, op zijn aanvraag ingeschreven als registerloods. Bij een
inschrijving worden in het register vermeld de naam, voornamen,
geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de aanvrager, alsmede
de loodsplichtige scheepvaartwegen en de categorieėn van schepen
waarvoor hij bevoegd is en tot welke regionale corporatie hij behoort.
5. Indien een registerloods in meer dan een regio bevoegd is,
bepaalt de algemene raad, gehoord de besturen van de betreffende
regionale corporaties en de betrokken registerloods, ten aanzien van
welke regionale corporatie de inschrijving zal plaatsvinden.
6. De algemene raad is belast met het beheer van het register.
Artikel 22
1. Degene die met goed gevolg de examens, bedoeld in artikel 20,
eerste lid, heeft afgelegd, of beschikt over een ten aanzien van het
beroep van registerloods verleende erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties" wordt op zijn aanvraag in het register
ingeschreven, indien hij:
a. beschikt over de geneeskundige verklaringen, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, onderdeel e , en
b. beschikt over een verklaring van toelating, afgegeven door
het bestuur van de desbetreffende regionale corporatie.
2. Ter uitvoering van de aanvraag om inschrijving in het register
worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De
verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen
beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor de inschrijving als
registerloods is voldaan. De algemene raad is verantwoordelijke voor
deze verwerking.
3. De aanvrager ontvangt van de inschrijving in het register een
verklaring volgens een bij verordening vast te stellen model.
Artikel 23
1. De inschrijving in het register wordt geweigerd, indien:
a. de aanvrager niet de bewijsstukken van het voldoen aan
artikel 22, eerste lid, binnen dertien weken nadat het laatste
bewijsstuk is uitgegeven, heeft overgelegd of, na het verstrijken
van deze termijn, niet tevens een aanvullende verklaring van
toelating, afgegeven door het bestuur van de betreffende regionale
corporatie, heeft overgelegd; of
b. ten aanzien van de aanvrager ingevolge artikel 28, eerste
lid, of artikel 48, de bevoegdheid als registerloods is geschorst
of vervallen verklaard.
2. De algemene raad doet van een beschikking tot weigering van de
inschrijving in het register mededeling door toezending van een
afschrift daarvan aan het bestuur van de regionale corporatie.
Artikel 24
1. De inschrijving in het register wordt doorgehaald:
a. bij overlijden van de ingeschrevene;
b. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;
c. indien ten aanzien van de ingeschrevene verval van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, of
artikel 48, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden;
d. bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet,
of van een bij verordening vastgestelde lagere leeftijd;
e. indien de ingeschrevene niet beschikt over geldige
geneeskundige verklaringen volgens de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te geven regels;
f. indien de ingeschrevene gedurende een termijn van
vierentwintig maanden niet ten minste een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal malen zijn
beroep feitelijk heeft uitgeoefend of die uitoefening niet volgens
de bij of krachtens die maatregel te geven regels heeft
aangetoond;
g. gedurende de termijn waarvoor de bevoegdheid ingevolge
rechterlijke uitspraak of als maatregel is geschorst; of
h. indien de reden voor weigering van de inschrijving eerst na
de inschrijving is gebleken.
2. Bij doorhaling is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
3. Doorhaling van de inschrijving brengt mee verlies van de
betrekkingen waarbij de hoedanigheid van lid van de corporatie of van
de regionale corporatie, ingevolge het bij of krachtens deze wet
bepaalde, vereiste voor benoembaarheid of verkiesbaarheid is.
4. Van de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, vastgestelde regels kan Onze
Minister, in de bij die maatregel aan te geven gevallen, ontheffing
verlenen. Ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan
een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Bij een doorhaling krachtens het gestelde in het eerste lid,
onderdeel g, eindigt de doorhaling van rechtswege na het verstrijken
van de in dat onderdeel bedoelde termijn.
Artikel 25
Degene die in het register ingeschreven is geweest, wordt, indien de
vorige inschrijving is doorgehaald op de grond, bedoeld in artikel 24,
eerste lid, onderdeel e, op zijn verzoek opnieuw in het register
ingeschreven als bij de aanvraag daarvoor het bewijs wordt overgelegd
dat deze grond heeft opgehouden te bestaan.
Hoofdstuk VI. Financiėn
Artikel 26
1. Bij verordening worden regels vastgesteld ten aanzien van de
bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de
vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot:
a. de diensten van registerloodsen;
b. de door de algemene raad en de besturen van de regionale
corporaties krachtens deze wet te verzorgen taken;
c. de taken ten behoeve van de door de registerloodsen te
verlenen diensten.
2. De regels, vastgesteld bij de verordening, bedoeld in het eerste
lid, houden rekening met de totale te verwachten opbrengst uit
loodsgelden en voorzien in ieder geval in:
a. een waarborg en een fonds of andere voorziening waarin
stortingen worden gedaan voor het kunnen voldoen aan
verplichtingen die voortvloeien uit het functioneel
leeftijdspensioen van registerloodsen en uit het krachtens
collectieve arbeidsovereenkomst toegekend recht op functioneel
leeftijdsontslag van het personeel, belast met de uitvoering van
de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde taken;
b. een evenredigheid voor de maatstaven met betrekking tot de
bedragen voor de diensten van registerloodsen en de verschillende
regio's;
c. een waarborg voor het kunnen verzorgen van de taken van de
algemene raad en de besturen van de regionale corporaties.
3. In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt de verordening,
bedoeld in het eerste lid, voor de eerste keer vastgesteld door de
algemene raad.
4. Artikel 16, eerste, tweede en derde lid, is op de vaststelling,
bedoeld in het derde lid, niet van toepassing.
5. Onder functioneel leeftijdspensioen, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, wordt verstaan de vergoeding op grond van het doorhalen
van de inschrijving in het register ten gevolge van het bereiken van
de bij of krachtens artikel 24, eerste lid, onderdeel d , vastgestelde
leeftijd, alsmede bij het bereiken van die leeftijd na een
voorafgegane doorhaling krachtens artikel 24, eerste lid, onderdeel e
.
Artikel 27
Vaststelling van een verordening tot wijziging van de verordening,
bedoeld in artikel 26, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op
een wijziging van de bedragen of de maatstaven voor de vaststelling
daarvan, vindt slechts plaats door een besluit van de ledenvergadering
met een meerderheid van twee derden van de in die ledenvergadering
uitgebrachte geldige stemmen.
Hoofdstuk VIA. Tarieven en markttoezicht
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 27a
De loodsgeldtarieven en de tarieven voor het verrichten van andere
diensten die bij of krachtens de wet bij uitsluiting aan registerloodsen
zijn opgedragen, onderscheidenlijk de vergoedingen voor de taken die bij
of krachtens de wet aan de algemene raad of een regionale
loodsencorporatie zijn opgedragen, worden vastgesteld overeenkomstig de
bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 2. Systeem van kostentoerekening
Artikel 27b
1. De ledenvergadering van de corporatie stelt in het belang van
een op de kosten gebaseerde tariefstelling een toerekeningssysteem
vast voor de kosten van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a,
en de verplichtingen, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a.
2. Het toerekeningssysteem bevat een omschrijving van:
a. de wijze waarop de kosten van de diensten en taken, bedoeld
in artikel 27a, in de tarieven worden doorberekend, en,
b. de wijze waarop en de frequentie waarmee reserveringen ten
behoeve van de financiering van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onder a, worden gedaan.
3. Het toerekeningssysteem wordt opgesteld met inachtneming van het
bepaalde bij en krachtens artikel 15ba, derde lid, van de
Scheepvaartverkeerswet.
4. Het toerekeningssysteem behoeft de instemming van de raad van
bestuur. Afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing op de instemming.
5. Voorafgaand aan de vaststelling van het toerekeningssysteem
stelt de algemene raad vertegenwoordigers van bij ministeriėle
regeling aan te wijzen openbare lichamen, betrokken bij het bestuur
van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van
ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf in staat hun
zienswijze over een ontwerp voor een toerekeningssysteem naar voren te
brengen. De ledenvergadering stelt de raad van bestuur in kennis van
de door hem ontvangen zienswijze. De ledenvergadering motiveert zijn
overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen.
6. De raad van bestuur kan de ledenvergadering opdragen een
vastgesteld toerekeningssysteem te wijzigen. De ledenvergadering is
verplicht aan een opdracht gevolg te geven. Het derde, vierde en
vijfde lid zijn van toepassing.
7. Onverminderd het zesde lid, wordt het toerekeningssysteem
uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding herzien.
§ 3. Voorstel tot vaststelling tarieven
Artikel 27c
1. De algemene raad doet de raad van bestuur een voorstel voor de
tarieven en vergoedingen voor de diensten en taken, bedoeld in artikel
27a.
2. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld met
inachtneming van het uitgangspunt dat elk afzonderlijk tarief redelijk
en non-discriminatoir is.
3. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de
loodsgeldtarieven wordt opgesteld met inachtneming van de volgende
uitgangspunten:
a. de loodsgeldtarieven zijn voor het geheel
kostengeoriėnteerd, en,
b. bij een voorstel voor gedifferentieerde aanpassing van de
tarieven per zeehavengebied wordt een bijdrage geleverd aan een
meer kostengeoriėnteerd tarief per individueel schip.
4. Voorafgaand aan de indiening van een voorstel als bedoeld in het
eerste lid met betrekking tot de loodsgeldtarieven vraagt de algemene
raad een zienswijze aan een bij ministeriėle regeling te bepalen
aantal regionale overlegcommissies, bestaande uit het bestuur van de
desbetreffende regionale loodsencorporatie, vertegenwoordigers van
openbare lichamen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens
en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en
havenbedrijf. De ontvangen zienswijzen worden bij het voorstel
gevoegd. De algemene raad motiveert in het voorstel zijn overwegingen
omtrent de ingebrachte zienswijzen.
5. Een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven wordt
jaarlijks ingediend, is mede gebaseerd op de financiėle
verantwoording van het aan de indiening voorafgaande kalenderjaar en
heeft betrekking op het volgende kalenderjaar.
6. Een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven bevat ten
minste:
a. een raming van alle in het desbetreffende kalenderjaar te
leveren loodsverrichtingen per tarief en het voorgenomen
kwaliteitsniveau;
b. een raming van de met de loodsverrichtingen, bedoeld onder
a, te behalen omzet, die mede is gebaseerd op de daadwerkelijk
gerealiseerde omzet in het kalenderjaar voorafgaande aan het
kalenderjaar waarin het voorstel wordt gedaan;
c. een raming van de arbeidsvergoeding die is gebaseerd op de
daadwerkelijk ontvangen vergoeding in het kalenderjaar
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het voorstel wordt
gedaan;
d. een raming van de wijzigingen in de kosten van de materiėle
vaste activa, de geraamde investeringen en het geraamde rendement;
e. een raming van de overige omzet en kosten, die mede is
gebaseerd op de daadwerkelijk gerealiseerde omzet en kosten in het
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het voorstel
wordt gedaan;
f. een raming van de kosten, de stortingen en het rendement van
de gestorte bedragen, gemoeid met de verplichtingen, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onder a, voor het desbetreffende
kalenderjaar;
g. een raming van de voor het desbetreffende kalenderjaar
voorziene algemene besparing op de kosten;
h. de voor het desbetreffende kalenderjaar voorziene correctie
in verband met bestaande onregelmatigheden in de mate van
kostendekkendheid van de tarieven voor de verschillende
zeehavengebieden;
i. een verrekening van het verschil tussen de geraamde en de
daadwerkelijk uitgevoerde wijzigingen in de materiėle activa en
investeringen in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin
het voorstel wordt gedaan;
j. een onderbouwing van de ramingen, bedoeld onder a tot en met
g.
7. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot
andere tarieven dan de loodsgeldtarieven is voor elk afzonderlijk
tarief kostengeoriėnteerd. Een voorstel bevat een onderbouwde raming
van de kosten en omzet voor elke afzonderlijke dienst of taak.
§ 4. Enige bij de vaststelling van de tarieven in aanmerking te
nemen bijzondere factoren
Artikel 27d
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de
vaststelling van kostengeoriėnteerde loodsgeldtarieven
zeehavengebieden aangewezen, worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de redelijkheid, bedoeld in artikel 27c, tweede lid, de
kostenoriėntatie, bedoeld in artikel 27c, derde lid, onder a, en
kunnen overige maatstaven voor de structuur van deze tarieven worden
geregeld. Bij deze maatregel kunnen taken en bevoegdheden aan de raad
van bestuur worden opgedragen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een jaarlijkse
indexering van de uurtarieven van de arbeidsvergoeding vastgesteld.
3. Bij ministeriėle regeling wordt een bij de vaststelling van de
loodsgeldtarieven in acht te nemen correctiefactor vastgesteld in
verband met bestaande onevenwichtigheden in de mate van
kostendekkendheid van de loodsgeldtarieven in de verschillende
zeehavengebieden.
4. Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de samenstelling van de regionale overlegcommissies,
bedoeld in artikel 27c, vierde lid.
Artikel 27e
1. De raad van bestuur stelt bij besluit een schema vast voor de
stortingen ten behoeve van de financiering van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a.
2. De raad van bestuur kan bij besluit een bij de vaststelling van
de loodsgeldtarieven in acht te nemen correctiefactor vaststellen in
verband met de evenwichtige wijze van financiering van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a.
Voorafgaand aan het nemen van het besluit wint de raad van bestuur het
advies in van een actuaris.
3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden
bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
§ 5. Vaststelling van de tarieven en voorwaarden
Artikel 27f
1. De raad van bestuur stelt voor elk kalenderjaar bij besluit de
loodsgeldtarieven vast.
2. De raad van bestuur stelt bij besluit de tarieven en
vergoedingen voor de overige diensten en taken, bedoeld in artikel
27a, vast.
3. De loodsgeldtarieven en de andere tarieven en vergoedingen
kunnen per zeehavengebied en per verrichting verschillen.
4. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden
bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 27g
1. De raad van bestuur stelt een besluit als bedoeld in artikel
27f, eerste en tweede lid, vast in afwijking van het desbetreffende
voorstel, indien het voorstel naar het oordeel van de raad van
bestuur:
a. niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 27c tot en
met 27e gestelde eisen;
b. in onvoldoende mate bijdraagt aan het bereiken van de meest
efficiėnte werkwijze van registerloodsen en de productiviteit en
kwaliteit van de loodsdienstverlening, of,
c. niet is gebaseerd op een redelijk rendement op
investeringen.
2. De raad van bestuur kan, ambtshalve of op verzoek van de
algemene raad, bij de vaststelling van de tarieven en vergoedingen
correcties aanbrengen in verband met bijzondere omstandigheden.
Artikel 27h
1. De raad van bestuur kan, onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 2, derde lid, 4, eerste lid, 15, eerste lid,
19, tweede lid, 20, tweede lid, 24, eerste lid, onder d, en26, eerste
lid, van deze wet en artikel 12 van de Scheepvaartverkeerswet,
voorwaarden vaststellen waaronder registerloodsen de diensten verlenen
die zij bij of krachtens de wet bij uitsluiting verrichten.
2. De voorwaarden hebben slechts betrekking op de kwaliteit van de
dienstverlening en zijn non-discriminatoir.
3. Voorafgaand aan de vaststelling van deze voorwaarden nodigt de
raad van bestuur de algemene raad uit hem een voorstel daarvoor te
doen. Artikel 27c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27i
1. De registerloods en de krachtens de artikelen 15a, tweede lid,
en 15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet aangewezen
organisaties zijn verplicht de overeenkomstig artikel 27f en27g
vastgestelde tarieven te hanteren.
2. De registerloods en de samenwerkingsverbanden van
registerloodsen die ter uitvoering van het bepaalde krachtens artikel
15, eerste lid, onder b, zijn of worden opgericht zijn verplicht de
overeenkomstig artikel 27h vastgestelde voorwaarden te hanteren.
§ 6. Financiėle verantwoording en vergelijkend onderzoek
Artikel 27j
1. De algemene raad stelt jaarlijks voor 1 mei een financiėle
verantwoording op over het voorafgaande kalenderjaar die bestaat uit:
a. een exploitatierekening van de diensten en taken, bedoeld in
artikel 27a, met inbegrip van een verantwoording van de omzet;
b. een overzicht van de aan de exploitatie van die diensten en
taken toegerekende materiėle vaste activa;
c. een verantwoording van de gehanteerde afschrijvingsmethoden
en afschrijvingstermijnen;
d. een verantwoording van de uitgaven, bedoeld in artikel 26,
tweede lid, onder a;
e. een verantwoording van de stortingen die zijn gedaan ten
behoeve van toekomstige uitgaven, bedoeld in artikel 26, tweede
lid, onder a;
f. een verantwoording van de algemene besparing, bedoeld in
artikel 27c, zesde lid, onder g;
g. een toelichting op de stukken, bedoeld onder a tot en met f;
h. een verklaring van een onafhankelijke accountant als bedoeld
in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De algemene raad draagt jaarlijks voor 1 mei zorg voor een
verantwoording over het gerealiseerde kwaliteitsniveau van de diensten
en taken, bedoeld in artikel 27a, over het voorafgaande kalenderjaar.
Voorafgaand aan de vaststelling van de verantwoording vraagt de
algemene raad een zienswijze van de bij ministeriėle regeling aan te
wijzen openbare lichamen, betrokken bij het bestuur van een of meer
zeehavens, bestuursorganen belast met het nautisch beheer van een of
meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het
scheepvaart- en havenbedrijf. De ontvangen zienswijzen worden bij de
verantwoording gevoegd. De algemene raad motiveert in de
verantwoording zijn overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen.
3. De algemene raad zendt de verantwoordingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, vergezeld van de ontvangen zienswijzen,
gelijktijdig aan de raad van bestuur.
Artikel 27k
1. De algemene raad voert in het belang van de bevordering van de
meest efficiėnte werkwijze van registerloodsen en de heffing van
redelijke, non-discriminatoire en kostengeoriėnteerde tarieven eens
per twee jaar een vergelijkend onderzoek uit naar de hoogte van de
loodsgeldtarieven, de methode van kostentoerekening, het gerealiseerde
kwaliteitsniveau en de productiviteitsontwikkeling.
2. Het vergelijkend onderzoek heeft in elk geval betrekking op de
loodsgeldtarieven die geheven worden in Nederland, Vlaanderen en de
Bondsrepubliek Duitsland. De raad van bestuur kan andere landen of
havengebieden aanwijzen die in het onderzoek moeten worden betrokken.
3. Het onderzoeksverslag bevat een toelichting op de geconstateerde
verschillen.
4. Het onderzoeksverslag wordt aan de raad van bestuur gezonden.
§ 7. Nadere regelgeving
Artikel 27l
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent:
a. de inrichting en de mate van detaillering van het
toerekeningssysteem, bedoeld in artikel 27b;
b. de termijn waarbinnen een vastgesteld toerekeningssysteem
ter verkrijging van instemming aan de raad van bestuur wordt
gezonden;
c. het tijdstip waarop de voorstellen, bedoeld in de artikelen
27c en 27h moeten zijn gedaan, en daarbij over te leggen stukken;
d. de termijn waarbinnen de vaststelling van de tarieven
plaatsvindt;
e. de inrichting en de mate van detaillering van de
verantwoordingen, bedoeld in artikel 27j.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting en mate van detaillering van het vergelijkend
onderzoek, bedoeld in artikel 27k.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken en
bevoegdheden aan de raad van bestuur worden opgedragen.
Hoofdstuk VII. Tuchtrechtspraak
§ 1. Tuchtvergrijpen en maatregelen
Artikel 28
1. De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake
van enige overtreding van een verordening of van de krachtens een
verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15.
Voor een dergelijke overtreding kan een van de volgende maatregelen
worden opgelegd:
a. berisping;
b. geldboete van ten hoogste 2 250;
c. schorsing of beperking van de bevoegdheid voor de duur van
ten hoogste één jaar;
d. verval of beperking van de bevoegdheid.
2. Indien een geldboete is opgelegd, komt de te betalen geldsom toe
aan de Staat. Betaling van de geldsom geschiedt aan Onze Minister. De
geldsom moet binnen zes weken na de datum waarop de uitspraak van het
tuchtcollege onherroepelijk is geworden worden betaald. Voor de
toepassing van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de
uitspraak van het tuchtcollege aangemerkt als beschikking als bedoeld
in artikel 4:86 van die wet. In de uitspraak van het tuchtcollege
kunnen twee of meer termijnen worden vastgesteld waarin de geldsom
moet worden voldaan.
3. Onze Minister is bevoegd tot uitvaardiging van een dwangbevel
tot invordering van de verschuldigde geldsom.
4. De betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel
geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en door de
belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j,
van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.
5. Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast,
kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de
Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van
die wet.
6. Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een
dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in dat artikel voor
"de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd"
telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel belaste ontvanger.
7. Met betrekking tot de kosten van aanmaning en verdere
invordering zijn de artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. Tuchtcollege loodsen
Artikel 29
1. Er is een tuchtcollege loodsen dat is gevestigd te
's-Gravenhage.
2. Het tuchtcollege loodsen is belast met de behandeling van zaken
als bedoeld in artikel 28.
3. Het tuchtcollege loodsen bestaat uit een voorzitter en vier
registerloodsen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een
universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan
gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de
toepasselijkheid van onderdeel a gelijk worden gesteld aan de in dat
onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
Artikel 30
1. De voorzitter en de overige leden, alsmede voor elk hunner een
of meer plaatsvervangers worden voor de tijd van zes jaren benoemd
door Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Zij zijn bij hun
aftreden weer benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Onze
voornoemde Ministers worden ontslagen. De benoemingstermijn van hem
die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature,
eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in
wiens plaats hij is getreden.
2. De voorzitter moet voldoen aan de vereisten voor benoeming tot
rechter in een rechtbank. Uit iedere regionale corporatie wordt een
registerloods benoemd uit een voordracht van het bestuur van een
regionale corporatie welke ten minste twee personen bevat die behoren
tot de betreffende regionale corporatie en geen lid of
plaatsvervangend lid van dat bestuur zijn.
3. Voor de in het eerste lid bedoelde plaatsvervangers is het
bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Het tuchtcollege loodsen heeft een secretaris en zo nodig een
plaatsvervangend secretaris:
a. aan wie op grond van een afsluitend examen van een opleiding
in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de
Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op
het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied
van het recht is verleend, of
b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op
het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open
Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht heeft
verkregen om de titel meester te voeren.
Zij worden door Onze Minister en Onze Minister van Justitie
benoemd, geschorst en ontslagen.
5. De voorzitter en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers,
worden in ieder geval ontslagen met ingang van de maand volgend op die
waarin zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.
Artikel 31
1. Echtgenoten of geregistreerde partners, bloedverwanten of
aanverwanten tot de derde graad ingesloten, kunnen niet tezamen zijn
voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, lid of plaatsvervangend lid
en secretaris van het tuchtcollege loodsen.
2. Indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap eerst
mocht worden aangegaan na de benoeming, zal de jongstbenoemde der
echtelieden of geregistreerde partners zijn ambt niet kunnen behouden.
3. Indien de aanverwantschap eerst mocht zijn ontstaan na de
benoeming, zal degene, die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen
behouden, behoudens door Onze Minister en Onze Minister van Justitie
te verlenen vergunning.
4. De aanverwantschap houdt op door de ontbinding van het huwelijk
of het geregistreerd partnerschap dat haar veroorzaakte.
Artikel 32
Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46l,
eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, 46m, 46o, en 46p van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor de leden van de rechterlijke
macht bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
leden van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers.
De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en
c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke
organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
gedragingen van de leden van het tuchtcollege loodsen en hun
plaatsvervangers, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder
«het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van
het tuchtcollege loodsen; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek,
bedoeld in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker
redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als
bedoeld in datzelfde artikel.
Artikel 33
1. De voorzitter is bevoegd ambtshalve aan de leden en hun
plaatsvervangers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden
of ambtsplichten verwaarlozen of die zich schuldig maken aan
overtreding van artikel 34, de nodige waarschuwing te doen, na hen in
de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.
2. De voorzitter van het College als bedoeld krachtens artikel 44,
heeft gelijke bevoegdheid ten aanzien van de voorzitter van het
tuchtcollege loodsen en diens plaatsvervangers.
Artikel 34
1. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun
plaatsvervangers mogen zich noch direct noch indirect over enige
aangelegenheid, welke door hen behandeld wordt of waarvan zij weten of
vermoeden dat deze door hen behandeld zal worden, in enig bijzonder
onderhoud of gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden of
gemachtigden, noch daarover enige bijzondere inlichting of
schriftelijk stuk aannemen.
2. Het is hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun
plaatsvervangers verboden hetgeen zij als zodanig te weten zijn
gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie
wordt gevorderd. De verplichting tot geheimhouding geldt niet
tegenover ambtenaren, voor zover mededeling aan hen op grond van een
wettelijk voorschrift is vereist.
3. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun
plaatsvervangers zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent de
gevoelens die in de raadkamer over aanhangige zaken zijn geuit.
4. Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor de secretaris
van het tuchtcollege loodsen en zijn plaatsvervanger.
Artikel 35
De voorzitter, de overige leden en de secretaris, alsmede hun
plaatsvervangers, ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van
reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten, volgens door Onze
Minister en Onze Minister van Justitie te stellen regels.
§ 3. Rechtsgang
Artikel 36
Het tuchtcollege loodsen houdt zitting in de samenstelling als
genoemd in artikel 29, derde lid.
Artikel 37
1. Een zaak betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, wordt bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door
een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een
regionale corporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is
getroffen.
2. Zodra een klacht is ingekomen stelt de voorzitter een voorlopig
onderzoek in. De organen van de corporatie of een regionale corporatie
verlenen daarbij desgevraagd medewerking.
3. Blijkt dat de klacht is ingediend door iemand die daartoe niet
ingevolge het eerste lid bevoegd is, dan verklaart de voorzitter van
het tuchtcollege loodsen de klager zonder nader onderzoek bij met
reden omklede beslissing schriftelijk niet ontvankelijk. Blijkt dat de
klacht kennelijk ongegrond is in die zin, dat de feiten waarop zij
berust niet tot toepassing van artikel 28, eerste lid, kunnen leiden,
dan kan de voorzitter van het tuchtcollege loodsen zonder verder
onderzoek de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk
afwijzen. Blijkt dat het tuchtcollege loodsen onbevoegd is, dan wijst
de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klacht bij met reden
omklede beslissing schriftelijk af.
4. Intrekken van de klacht, nadat deze is ingekomen, of staking van
de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft op de
verdere behandeling geen invloed, wanneer naar het oordeel van het
tuchtcollege loodsen het algemeen belang dat vermoedelijk is
geschonden vordert dat de behandeling wordt voortgezet of wanneer
degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting
van de behandeling van de klacht te verlangen.
Artikel 38
1. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen kunnen zich
verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten
of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Over wraking of verschoning wordt ten spoedigste beslist door
hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen, met uitzondering
van degene die wordt gewraakt of die verlangt zich te verschonen. Bij
staking van stemmen wordt de wraking onderscheidenlijk de verschoning
toegewezen.
Artikel 39
1. De behandeling van een zaak, betreffende een onderwerp als
bedoeld in artikel 28, eerste lid, door het tuchtcollege loodsen
geschiedt in een openbare zitting, tenzij het tuchtcollege loodsen om
gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of
gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe
houdt de overwegingen in waarop het steunt.
2. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde ter
zitting en kan daartoe de nodige maatregelen treffen.
3. De beslissing in een door het tuchtcollege loodsen behandelde
zaak wordt door de voorzitter in het openbaar uitgesproken in
tegenwoordigheid van de secretaris.
4. Van tijd en plaats van een openbare zitting of van een openbare
uitspraak wordt ten minste twee weken en ten hoogste vier weken
tevoren in de Staatscourant mededeling gedaan.
Artikel 40
1. Behoudens in de gevallen, als bedoeld in artikel 37, derde lid,
neemt het tuchtcollege loodsen geen beslissing aangaande een
ingediende klacht dan na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de
persoon over wie geklaagd is en van de klager.
2. De persoon over wie geklaagd is kan, tenzij het tuchtcollege
loodsen beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich ter
terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat of een daartoe
schriftelijk gemachtigd persoon. Hij kan zich door een raadsman doen
bijstaan.
3. Het tuchtcollege loodsen kan weigeren bepaalde personen die geen
advocaat zijn, als gemachtigde of als raadsman toe te laten. Bij
zodanige weigering houdt het tuchtcollege loodsen de zaak tot een
volgende zitting aan.
4. De persoon over wie geklaagd is en zijn raadsman worden in de
gelegenheid gesteld ten minste veertien dagen voor de aanvang van het
onderzoek op de terechtzitting van de processtukken kennis te nemen.
Artikel 41
1. Het tuchtcollege loodsen kan, hetzij op verzoek van de persoon
over wie geklaagd is, hetzij op verzoek van de klager, hetzij
ambtshalve, getuigen en deskundigen oproepen en horen. De oproeping
geschiedt bij aangetekende brief. Ieder die als getuige of deskundige
is opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
2. Verschijnt een getuige of een deskundige op de oproeping niet,
dan doet de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den
Haag op verzoek van het tuchtcollege loodsen hem dagvaarden.
3. Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan
doet de officier, bedoeld in het vorige lid, op verzoek van het
tuchtcollege loodsen hem andermaal dagvaarden, desverzocht met bevel
tot medebrenging.
4. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
5. De getuigen leggen in handen van de voorzitter van het
tuchtcollege loodsen de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid
en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen zijn verplicht
getuigenis af te leggen, de deskundigen hun diensten als zodanig te
verlenen.
6. Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217
tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
7. De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van
hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Stb. 1963,
130).
Artikel 42
1. De beslissing van het tuchtcollege loodsen aangaande een
ingediende klacht houdt de overweging in waarop zij steunt en wordt op
schrift gesteld.
2. De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van de
beslissing van het tuchtcollege loodsen onverwijld bij aangetekende
brief afschrift:
a. aan de persoon over wie geklaagd is;
b. aan de klager;
c. aan de algemene raad.
3. De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van een
beslissing van de voorzitter onverwijld bij aangetekende brief
afschrift aan de klager.
4. De secretaris van het tuchtcollege loodsen verstrekt desgevraagd
aan de gerechten en het openbaar ministerie inlichtingen omtrent
onherroepelijke beslissingen.
Artikel 43
Beslissingen van het tuchtcollege loodsen, genomen met een ander
aantal personen of in een andere samenstelling dan is voorgeschreven,
zijn nietig.
Artikel 44
De artikelen 1, onderdeel b, 3, 4, eerste lid, 5, 31 tot en met 43 en
44 eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. van artikel 4, eerste lid, slechts de minimumboete van
overeenkomstige toepassing is;
b. onder «de voorzitter van het bedrijfslichaam» in die
artikelen telkens moet worden verstaan: de algemene raad of het
bestuur van een regionale corporatie.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 45
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld inzake:
a. de tenuitvoerlegging van de maatregelen, vermeld in artikel
28, eerste lid, onderdelen a, c en d;
b. de klachten, als bedoeld in artikel 37;
c. de rechtsgang, welke waarborgen geven voor een deugdelijke
berechting.
Hoofdstuk VIIA. Toezicht op de naleving
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 45a
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk VIA, zijn belast de
ambtenaren aangewezen bij het besluit, bedoeld in artikel 49, eerste
lid, alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen andere
ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd
in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
Artikel 45b
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk VIA zijn belast de bij besluit van de raad van
bestuur aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd
in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 45c
1. De raad van bestuur is bevoegd van de organen, genoemd in de
artikelen 6, tweede lid, en 10, vijfde lid, van de
samenwerkingsverbanden van registerloodsen die ter uitvoering van het
bepaalde krachtens artikel 15, eerste lid, onder b, zijn of worden
opgericht, van de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b,
eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet aangewezen organisaties en
van de rechtspersoon, onderscheidenlijk rechtspersonen, die zijn
belast met de feitelijke uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onder a, alle inlichtingen en gegevens te
verlangen, die hij voor de uitoefening van zijn taak redelijkerwijs
nodig acht.
2. De organen, samenwerkingsverbanden van registerloodsen en de
organisaties en rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, verlenen
binnen de door de raad van bestuur gestelde termijn alle medewerking
die hij redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden op grond van deze wet.
Artikel 45d [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 45e
1. Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels
betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt
Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken.
2. Onze Minister verstrekt de raad van bestuur de nodige
inlichtingen en gegevens die de raad behoeft in verband met de
uitvoering van deze wet.
Hoofdstuk VIIB. Handhaving
§ 1. Overtredingen markttoezicht
Artikel 45f
1. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 27c, 27i, 27j, 27k en 27l, eerste lid, en45c, tweede lid,
kan de raad van bestuur de overtreder:
a. een bestuurlijke boete opleggen;
b. een last onder dwangsom opleggen.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde boete bedraagt ten
hoogste 450.000,=, of, indien dit meer is, 10% van de gezamenlijke
omzet van de organisaties, aangewezen krachtens de artikelen 15a,
tweede lid, en 15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, in het
boekjaar voorafgaande aan de beschikking. Indien op grond van artikel
5.0.1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toepassing is
gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van
Strafrecht, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste 450.000,=.
3. Bij de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste
lid, zijn de artikelen 56, 57, tweede lid, 58 tot en met 63, 65 tot en
met 68 van de Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Overtredingen medewerkingsplicht
Artikel 45g
1. De raad van bestuur kan aan degene die jegens een krachtens
artikel 45a, tweede lid, onderscheidenlijk 45b, eerste lid, aangewezen
ambtenaar handelt in strijd met artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen.
2. Ingeval de overtreding, bedoeld in het eerste lid, een weigering
inhoudt medewerking te verlenen aan de toepassing van artikel 5:17,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad van bestuur
een last onder dwangsom opleggen om inzage te verlenen in de in die
last aangegeven zakelijke gegevens en bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde boete bedraagt ten hoogste
450.000,=, of, indien dit meer is, 1% van de gezamenlijke omzet van de
organisaties, aangewezen krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en
15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, in het boekjaar
voorafgaande aan de beschikking.
4. Bij toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn de artikelen 57, tweede lid, 69, tweede lid, 77, en
78 tot en met 82 van de Mededingingswet van overeenkomstige
toepassing.
5. Indien op grond van artikel 5.0.1, derde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid,
onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt de bestuurlijke
boete ten hoogste 450.000,=.
§ 3. Overtreding verzegeling
Artikel 45h
1. De raad van bestuur kan degene die een verzegeling als bedoeld
in artikel 54 van de Mededingingswet verbreekt, opheft of beschadigt,
of de door de verzegeling bedoelde afsluiting op andere wijze
verijdelt, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste
450.000,= of, indien dit meer is, 1% van de gezamenlijke omzet van de
organisaties, aangewezen krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en
15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, in het boekjaar
voorafgaande aan de beschikking.
2. Artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht is niet van
toepassing op de in het eerste lid bedoelde overtreding.
3. Bij de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste
lid, zijn de artikelen 57, tweede lid, 77, 80 en 82 van de
Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
4. Indien op grond van artikel 5.0.1, derde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid,
onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt de bestuurlijke
boete ten hoogste 450.000,=.
§ 4. Onderzoek
Artikel 45i
1. Met het onderzoek zijn belast de krachtensartikel 45b, eerste
lid, aangewezen ambtenaren.
2. Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de
bevoegdheden die hun in deze paragraaf worden toegekend, alsmede met
de daaraan verbonden beperkingen, over de bevoegdheden die hun zijn
toegekend ter uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 45b.
3. De krachtens artikel 45baangewezen ambtenaren oefenen de hun in
artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht toegekende bevoegdheden
zo nodig uit met behulp van de sterke arm.
4. Op het onderzoek zijn de artikelen 53, 54 en 54a van de
Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Coördinatie begrippen Mededingingswet
Artikel 45j
Voorzover op grond van de artikelen 45f, derde lid, 45g, vierde lid,
45h, derde lid, en 45i, vierde lid, overeenkomstige toepassing van de
Mededingingswet plaatsvindt, wordt onder onderneming of
ondernemersvereniging in de desbetreffende bepalingen mede verstaan:
a. de organen, genoemd in artikel 6, tweede lid, en10, vijfde
lid;
b. samenwerkingsverbanden van registerloodsen die zijn of worden
opgericht ter uitvoering van het bepaalde krachtensartikel 15,
eerste lid, onder b;
c. de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en 15b, eerste lid,
van de Scheepvaartverkeerswet aangewezen organisaties, en,
d. registerloodsen.
§ 6. Bijzondere bepaling inzake bestuurlijke boetes
Artikel 45k
1. Indien krachtens de artikelen 45f, 45g, of45h een bestuurlijke
boete of een last onder dwangsom wordt opgelegd aan de corporatie is
deze bevoegd de verbeurde boete of dwangsom te voldoen ten laste van
het geļnde loodsgeld.
2. Indien een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom wordt
opgelegd aan een regionale loodsencorporatie of een
samenwerkingsverband van registerloodsen, opgericht ter uitvoering
vanartikel 15, eerste lid, onder b, zijn deze natuurlijke en
rechtspersonen bevoegd de verbeurde boete of dwangsom te voldoen ten
laste van het gedeelte van het geļnde loodsgeld waarop de
desbetreffende regionale loodsencorporatie, onderscheidenlijk het
desbetreffende samenwerkingsverband, recht heeft ingevolgde de bij en
krachtens artikel 26 en de krachtens de artikelen 15a, tweede lid, en
15b, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels en
voorschriften.
3. Een voldoening als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft
voorrang boven de bij en krachtens artikel 26 en de krachtens de
artikelen 15a, tweede lid, en 15b, derde lid, van de
Scheepvaartverkeerswet gestelde regels en voorschriften.
Hoofdstuk VIII. Dwang-, straf- en opsporingsbepalingen
Artikel 46
1. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel
9, eerste lid, onder a, 1°, artikel 13, eerste lid, onder a, 1° en
2°, en onder b, artikel 15, eerste lid, onder b, 2°, artikel 21,
vijfde lid, en artikel 26. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan
de corporatie onderscheidenlijk de regionale corporatie.
2. De raad van bestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 27b, eerste en zesde lid, en27l, eerste lid, onder a en b.
Van het besluit wordt mededeling gedaan aan de corporatie.
3. Van de krachtens het eerste of tweede lid genomen maatregelen
wordt binnen tweemaal vierentwintig uur een schriftelijk verslag
opgemaakt dat onverwijld in afschrift wordt gezonden aan de
belanghebbenden alsmede aan de algemene raad onderscheidenlijk het
bestuur van de regionale corporatie.
Artikel 47
1. Overtreding van de bepalingen, gesteld krachtens artikel 2,
derde lid, voor zover daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit
aangewezen, of overtreding van artikel 4, tweede lid, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde
categorie.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 48
1. Bij veroordeling wegens een overtreding genoemd in artikel 47,
eerste lid, kan het vonnis tevens inhouden:
a. schorsing of beperking van de bevoegdheid als registerloods
onderscheidenlijk schorsing of beperking van de krachtens artikel
5 verkregen bevoegdheid, voor de duur van ten hoogste een jaar;
b. verval of beperking van de bevoegdheid als registerloods
onderscheidenlijk verval of beperking van de krachtens artikel 5
verkregen bevoegdheid.
2. Het in het eerste lid gestelde geldt ook bij veroordeling van de
loods wegens een overtreding, genoemd in de Scheepvaartverkeerswet,
indien de loods die overtreding heeft begaan bij de uitoefening van
zijn beroep.
Artikel 49
1. Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten
zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering,
belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze
ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het
Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op
een bevel, een vordering of een handeling, gedaan of ondernomen door
henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. De artikelen 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met
medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder
toestemming van de bewoner.
Artikel 49a [Vervallen per 01-01-2008]
Hoofdstuk IX. Bijzondere bepalingen
Artikel 50
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van
de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 52 in werking worden
gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 51 [Vervallen per 01-05-1997]
Artikel 52 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
1. Onze Minister is bevoegd aanwijzingen te geven aan de
registerloodsen met betrekking tot de beschikbaarheid voor het
verrichten van de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde
diensten en het verrichten van die diensten alsmede aan de organen
van de corporatie en de regionale corporaties met betrekking tot het
verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten
aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten.
2. De bepalingen gesteld krachtens artikel 2, derde lid, en de
bepalingen gesteld bij of krachtens verordeningen als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, vinden geen toepassing,
voor zover zij onverenigbaar zijn met krachtens het eerste lid
gegeven aanwijzingen.
Artikel 53
Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen militair
gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene noodtoestand is
afgekondigd, in afwijking van de bepalingen gesteld bij of krachtens
deze wet, regels te stellen met betrekking tot de beschikbaarheid van
registerloodsen voor het verrichten van diensten als bedoeld in artikel
2, eerste en tweede lid, en het door registerloodsen verrichten van die
diensten, alsmede met betrekking tot het door de organen van de
corporatie en de regionale corporaties verzorgen van de hun bij of
krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de
registerloodsen te verlenen diensten, voor zover zulks met het oog op de
uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of
inwendige veiligheid noodzakelijk is.
Artikel 54
1. Een registerloods die als gevolg van een aanwijzing als bedoeld
in artikel 52, eerste lid, wordt beperkt in zijn mogelijkheden tot het
verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede
lid, en daardoor onevenredig financieel nadeel ondervindt, wordt door
Onze Minister een naar billijkheid te bepalen vergoeding toegekend,
die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
2. Ingeval artikel 53 toepassing vindt, kan aan de corporatie een
vergoeding worden toegekend die wordt berekend volgens bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels. Deze regels kunnen afwijken
van het bepaalde bij of krachtens artikel 26.
Artikel 55
1. Overtreding van de krachtens artikel 52 gegeven aanwijzingen en
van het bepaalde bij of krachtens de op grond van artikel 53 gestelde
regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk X. Overige bepalingen
Artikel 56
1. Het stellen van regels krachtens de artikelen 2, derde lid, 5,
eerste lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en 20, tweede lid, kan dienen
ter uitvoering van een verdrag of van een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie.
2. Daarbij wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet, voor zover
de bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie daartoe nopen.
Artikel 57
1. De verordeningsbevoegdheid van andere openbare lichamen dan
genoemd in artikel 6, eerste lid, blijft ten aanzien van het onderwerp
waarin bij of krachtens deze wet is voorzien, gehandhaafd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven met betrekking tot de financiėle gevolgen van een
verordening als bedoeld in het eerste lid.
3. De vaststelling van krachtens het tweede lid te stellen regels
geschiedt na overleg met het bestuur van het betrokken openbare
lichaam.
4. De vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voordracht van Onze Minister
en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 58 [Vervallen per 26-07-1995]
Artikel 59
De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede
degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste
lid, zijn verplicht Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die hij
nodig acht om te kunnen beoordelen of aanleiding bestaat tot toepassing
van artikel 46, eerste lid.
Hoofdstuk XA [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel II
Artikel 61
1. De Loodswet 1957 (Stb. 292) wordt ingetrokken.
2. Bij koninklijk besluit kunnen voorafgaand aan het tijdstip,
waarop het eerste lid in werking treedt, afzonderlijke artikelen van
de Loodswet 1957 worden ingetrokken.
Artikel III
Artikel 62
In de artikelen 63, 65, 67 en 68, wordt onder overgangsdatum
verstaan:
a. voor degenen, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel a,
en tweede lid: de datum waarop artikel 3, van de Loodswet 1957 wordt
ingetrokken;
b. voor degenen, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel b:
de datum waarop artikel 2, derde lid, van de Loodswet 1957 wordt
ingetrokken;
c. voor degenen, bedoeld in artikel 63, derde lid: de datum
waarop artikel 9, onderdeel a, van de Loodswet 1957 wordt
ingetrokken.
Artikel 63
1. Op hun verzoek worden in het register ingeschreven degenen die,
zonder te voldoen aan het bepaalde krachtens artikel 22, eerste lid,
op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum:
a. hetzij loods zijn als bedoeld in artikel 3 van de Loodswet
1957;
b. hetzij gemeentelijke havenloods zijn als bedoeld in artikel
2, derde lid, van de Loodswet 1957.
2. Op hun verzoek worden degenen die op de dag voorafgaande aan de
overgangsdatum adspirant-loods zijn als bedoeld in artikel 6 van het
Algemeen Loodsreglement (Stb. 1932, 433), of als zodanig zijn
aangesteld, aangemerkt als adspirant-loods als bedoeld in artikel 19,
eerste lid. Zij hebben het recht op een leerovereenkomst als bedoeld
in artikel 19, eerste lid,onderdeel b, met een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regionale corporatie,
ingaande op de overgangsdatum.
3. Degenen die op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum behoren
tot het personeel van de loodsdienst als bedoeld in artikel 4 van het
Algemeen Loodsreglement, en op wie het eerste of tweede lid niet van
toepassing is, hebben het recht om in dienst te treden bij een door
Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon op een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum. Dit geldt
eveneens voor het personeel in dienst van het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat onderscheidenlijk van een gemeente die een functie
vervullen ten behoeve van de uitoefening van de loodsdienst en waarvan
de functie als zodanig is aangewezen door Onze Minister. Voor het
personeel in dienst van een gemeente vindt die aanwijzing plaats in
overeenstemming met het bestuur van die gemeente. Aanwijzing van de
rechtspersoon vindt plaats in overeenstemming met het bestuur van die
rechtspersoon.
4. De arbeidsovereenkomst als bedoeld in het derde lid, geldt voor
onbepaalde tijd indien het personeelslid was aangesteld in vaste
dienst of voor onbepaalde tijd in tijdelijke dienst, dan wel werkzaam
was voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst. Indien het
personeelslid was aangesteld of werkzaam was op arbeidsovereenkomst
voor een bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet
verstreken tijd van de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst.
5. De arbeidsovereenkomst betreft een funktie welke overeenkomt met
de funktie welke het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van
het Ministerie van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk in dienst
van de gemeente, behoudens ten aanzien van de door Onze Minister nader
te bepalen funkties.
6. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zullen in het geheel
ten minste overeenkomen met die welke voor het personeelslid golden
uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het Ministerie van Verkeer en
Waterstaat. Dit geldt op overeenkomstige wijze voor het personeel van
de gemeente. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, ter zake nadere regels vaststellen.
7. De krachtens het derde lid aangewezen rechtspersoon is gehouden
de arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.
8. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, ter uitvoering van het eerste, tweede en derde
lid, nadere regels vaststellen.
Artikel 64
Degenen die krachtens artikel 63, eerste lid, worden ingeschreven in
het loodsenregister, degenen die een leerovereenkomst als bedoeld in
artikel 63, tweede lid, hebben gesloten, en degenen die een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 63, derde lid, hebben
gesloten, zijn met ingang van de datum van die inschrijving
onderscheidenlijk van ingang van die overeenkomst van rechtswege eervol
ontslagen uit het dienstverband met het Rijk onderscheidenlijk uit het
dienstverband met de betreffende gemeente.
Artikel 65
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in artikel 64
bedoelde personen aanspraken jegens een bij verordening aan te wijzen
pensioenfonds onderscheidenlijk een door het bestuur van de
rechtspersoon als bedoeld in artikel 63, derde lid, aan te wijzen
fonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet
(Stb. 1981, 18), welke gelijkwaardig zijn aan die welke deze personen
op de overgangsdatum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet
(Stb. 1986, 540) hebben jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds,
en neemt het hiervoor bedoelde fonds de daarmee verband houdende
verplichtingen op zich.
2. Bij toepassing van het eerste lid vervallen de aanspraken van de
in dat lid bedoelde personen krachtens de Algemene burgerlijke
pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens die personen op de
overgangsdatum.
3. Bij toepassing van het eerste lid draagt de directie van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds op de overgangsdatum aan het in dat
lid bedoelde fonds een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers
van Verkeer en Waterstaat, van Financiėn en van Binnenlandse Zaken
gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in
artikel L16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, gehoord, de
hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene
burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van
de in het eerste lid bedoelde personen.
4. Onze Minister en Onze Minister van Financiėn geven in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken regels met
betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in de voorgaande leden.
Artikel 66
1. Indien de vaststelling van het bedrag, bedoeld in artikel 65,
derde lid, niet plaatsvindt in overeenstemming met de krachtens het
eerste lid van dat artikel aangewezen pensioenfondsen, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende het
ondervangen van nadeel in de opbouw van pensioen, dat voor personen
als bedoeld in artikel 63, mogelijkerwijs ontstaat als gevolg van het
in artikel 64 bedoelde ontslag.
2. Degene bij wie het pensioen van een persoon als bedoeld in
artikel 63, is verzekerd, alsmede de rechtspersoon als bedoeld in
artikel 63, derde lid, zijn verplicht desgevraagd aan Onze Minister
binnen een door deze te stellen termijn de gegevens te verschaffen
waarvan kennisneming naar het oordeel van Onze Minister nodig is in
verband met het voorbereiden of uitvoeren van de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de vergoeding van kosten, verbonden aan het verschaffen van
gegevens als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 67
1. Onze Minister kan verordeningen als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, voor de eerste maal als ministeriėle regeling
vaststellen, voor zover deze, naar het oordeel van Onze Minister, op
de overgangsdatum, bedoeld in artikel 62, onderdeel a, in werking
dienen te treden. Zij blijven, behoudens eerdere intrekking door Onze
Minister, van kracht totdat zij bij verordening zijn ingetrokken en
vervangen.
2. Onze Minister benoemt, in overeenstemming met de meerderheid van
de personen als bedoeld in artikel 63, eerste lid, voor de eerste maal
de voorzitter van de corporatie. Dit geldt overeenkomstig voor het
bestuur van een regionale corporatie. Deze benoemingen gelden voor ten
hoogste negentig dagen. Binnen die termijn geven de ledenvergadering
van de corporatie onderscheidenlijk de ledenvergadering van een
regionale corporatie uitvoering aan artikel 8, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 12, derde lid.
3. Overdracht van de eigendom van de roerende en onroerende
goederen van het Rijk die worden gebruikt ten behoeve van de
uitoefening van de loodsdienst, vindt van rechtswege plaats. Onze
Minister en Onze Minister van Financiėn wijzen deze goederen aan.
4. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met de corporatie:
a. de organisaties aan wie de goederen worden overgedragen; en
b. de datum waarop de overdracht plaatsvindt.
5. Onze Minister en Onze Minister van Financiėn bepalen in
overeenstemming met de organisaties, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, de waarde van de aangewezen goederen.
Artikel 68
1. De rechtspersoon die is aangewezen krachtens artikel 63, derde
lid, is gehouden het geheel van de taken van het personeel als bedoeld
in artikel 63, derde lid, voor zover die tot de overgangsdatum door
Onze Minister onderscheidenlijk de gemeente in eigen beheer zijn
verzorgd, gedurende een termijn van ten minste vijf jaren na de
overgangsdatum eveneens in eigen beheer te verzorgen. De corporatie
is, behoudens bij toepassing van het tweede lid, gehouden om bij of
krachtens de verordening als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
onderdeel b, 2°, hiermee rekening te houden.
2. Onze Minister kan het bestuur van de rechtspersoon als bedoeld
in het eerste lid, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien dat
bestuur voldoende garanties heeft verkregen voor het behoud van de
werkgelegenheid van het betrokken personeel als bedoeld in artikel 63,
derde lid, tot afloop van de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel IV
Artikel 69
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 70
Deze wet wordt aangehaald als: Loodsenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1988
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|