Voor de toepassing van het bij of krachtens
deze wet bepaalde wordt verstaan onder
a. luchtvaart: het gebruik van
luchtvaartuigen;
b. luchtvaartuig: toestel, bedoeld in
artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
c. vliegtuigen: luchtvaartuigen zwaarder
dan lucht en voorzien van een voortstuwingsinrichting;
d. exploitant van een luchtvaartterrein:
degene, te wiens name ingevolge deze wet een luchtvaartterrein
wordt aangewezen;
e. [vervallen;]
f. buitenlandse luchtvaartuigen:
luchtvaartuigen, ingeschreven in een buitenlands
luchtvaartuigregister;
g. luchtvaartterreinen: een aangewezen
terrein ingericht voor het opstijgen en landen van
luchtvaartuigen;
h. luchtvaartmaatschappijen: eigenaren van
ondernemingen, die geheel of gedeeltelijk hun bedrijf maken van
het vervoer van personen, dieren of goederen met
luchtvaartuigen;
i. verkeersvlucht: een vlucht, die vervoer
door een luchtvaartmaatschappij ten doel heeft;
j. Onze Minister: voor wat de
burgerluchtvaart en de algemene verkeersveiligheid in de lucht
betreft: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat: voor wat de
militaire luchtvaart betreft: Onze Minister van Defensie;
Artikel 2
Voor de toepassing van het bij of krachtens
deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder
a. gezagvoerder: hij, die een
luchtvaartuig alleen bedient;
b. bedienen van een luchtvaartuig: het
verrichten van handelingen aan boord van een luchtvaartuig ten
behoeve van het gebruik van dat luchtvaartuig;
c. terreinen: watergebieden;
d. bouwwerken: getimmerten,
constructiemasten, bovengrondse geleidingen, dijken en kaden.
e. luchtwaardigheid: de toelaatbaarheid
van het door het luchtvaartuig veroorzaakte geluid.
Hoofdstuk II
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1993]
Hoofdstuk III. De Luchtvaart
Afdeling 1. Inschrijving, kenmerken en
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen
Artikel 4 [Vervallen per 01-10-2001]
Artikel 5 [Vervallen per 01-10-2001]
Artikel 6 [Vervallen per 01-10-2001]
Artikel 7 [Vervallen per 01-10-2001]
Afdeling 2. Bediening van luchtvaartuigen
Artikel 8 [Vervallen per 19-01-2000]
Artikel 8a [Vervallen per 19-07-2008]
Artikel 8b [Vervallen per 19-01-2000]
Artikel 9
Ten aanzien van het in luchtwaardige toestand
houden van Nederlandse luchtvaartuigen worden de bewijzen van
bevoegdheid afgegeven, geschorst of ingetrokken door Onze Minister
en wel, voor wat burgerluchtvaartuigen betreft, naar regelen,
gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Voorts kan
Onze Minister bewijzen van gelijkstelling van buitenlandse bewijzen
van bevoegdheid afgeven, schorsen en intrekken, naar regelen,
gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 3. Overige bepalingen
Artikel 10 [Vervallen per 19-01-2000]
Artikel 11 [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 14 [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 15 [Vervallen per 01-10-2001]
Artikel 16. Luchtvervoer
Voor zover bij internationale overeenkomst
niet anders is bepaald mag vervoer met luchtvaartuigen in, naar of
uit Nederland, of met Nederland als tussenstation, slechts
geschieden door luchtvaartmaatschappijen aan wie daartoe door Onze
Minister vergunning is verleend.
Artikel 16a
1. Ten aanzien
van vergunningen als bedoeld in artikel 16 die vallen onder
Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 inzake
gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in
de Gemeenschap (PbEU L 293), wordt toegepast hetgeen bij of
krachtens die verordening is bepaald.
2. Een wijziging
van het bepaalde bij of krachtens de verordening, genoemd in het
eerste lid, treedt voor de toepassing van het eerste lid in werking
met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsregeling in
werking treedt.
3. Aan een
vergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden
verbonden voor zover deze in overeenstemming zijn met de
verordening.
4. Onze Minister
kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met inachtneming
van de verordening, schorsen of intrekken.
5. Onze Minister
kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de
houder wijzigen.
Artikel 16b
1. Een
vergunning als bedoeld in artikel 16 die niet valt onder de in
artikel 16a, eerste lid genoemde verordening, wordt verleend voor
een bepaalde, daarin genoemde, termijn van ten hoogste vijf jaar.
Zij kan door Onze Minister worden verlengd.
2. Aan een
vergunning als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden.
3. Onze Minister
kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, schorsen of
intrekken:
a. indien de vergunninghouder daarom
verzoekt;
b. wegens niet-uitoefening van het vervoer;
c. wegens uitoefening van het vervoer in
strijd met bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften;
d. wegens niet-inachtneming van aan de
vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
e. indien ter verkrijging van de vergunning
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
4. Onze Minister
kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de
houder wijzigen.
5. Een
vergunning als bedoeld in het eerste lid verliest haar geldigheid
zolang en voor zover de vergunninghouder is geplaatst op de
communautaire lijst, bedoeld in Verordening (EG) nr. 2111/2005 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van
14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire
lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod
binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van
luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende
luchtvaartmaatschappij en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn
nr. 2004/36/EG.
6. Een aanvraag
voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid, of voor een
verlenging voor een dergelijke vergunning wordt afgewezen voor zover
de aanvraag betrekking heeft op activiteiten waarvoor de aanvrager
op de communautaire lijst, bedoeld in het vijfde lid, is geplaatst.
Artikel 16c
Bij ministeriële regeling kunnen
bepaalde soorten van vervoer worden uitgezonderd van de in artikel
16 vervatte verplichting.
Artikel 16d
1.
Onze
Minister kan ontheffing verlenen van de in artikel 16 vervatte
verplichting. Van de beschikking ter zake wordt mededeling in de Staatscourant
gedaan.
2. Aan de in het
eerste lid bedoelde ontheffingen kunnen voorschriften of beperkingen
worden verbonden.
3. Onze Minister
kan een ontheffing schorsen of intrekken wegens niet inachtneming
van de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen.
Artikel 17
1. Het is
verboden luchtvaartvertoningen of luchvaartwedstrijden te houden
zonder vergunning van Onze Minister.
2. Het is
verboden boven Nederland deel te nemen aan een vertoning of
wedstrijd als bedoeld in het eerste lid, waarvoor geen vergunning is
verleend.
3. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven waaraan bij het aanvragen van een vergunning tot het houden
van een luchtvaartvertoning of een luchtvaartwedstrijd en bij het
houden van zodanige vertoning of wedstrijd moet worden voldaan.
Hoofdstuk IV. Luchtvaartterreinen
Afdeling 1. Aanwijzing van luchtvaartterreinen
Artikel 18 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 19 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 20 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 21 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 22 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 23 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 24 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 24a [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 24b [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25a [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25b [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25c [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25d [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25e [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25f [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25g [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25h [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 25i [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 26 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 26a [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 26b [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 26c [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 26d [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 27 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 28 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 29 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 30 [Vervallen per 24-12-2008]
Afdeling 2. Voorschriften omtrent handhaving van geluidszones
Artikel 30a [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 30b [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 30c [Vervallen per 24-12-2008]
Afdeling 3. Gebruik van luchtvaartterreinen
Artikel 31 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 32 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 33 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 34 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 35 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 36 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 37 [Vervallen per 24-12-2008]
Afdeling 3A. Beveiliging van de burgerluchtvaart
§ 1. Algemeen
Artikel 37a
1. Voor
de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:
a. luchtvaartterreinen: een
luchtvaartterrein dat mede wordt gebruikt voor verkeersvluchten,
met uitzondering van die delen van een militair luchtvaartterrein
die niet uitsluitend ten behoeve van de burgerluchtvaart worden
gebruikt;
b. beveiligingspersoneel:
1°. personen in dienst van een
door de exploitant van een luchtvaartterrein met de uitvoering van
de beveiliging belaste particuliere beveiligingsorganisatie,
waaraan door Onze Minister van Justitie een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 3 van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, en
2°. de door Onze Minister van
Justitie aangewezen ambtenaren van politie, ambtenaren van de
Koninklijke marechaussee en de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane;
c. voor bedreiging geschikte voorwerpen:
wapens, explosieven of andere voorwerpen en stoffen, die voor de
bedreiging van personen geschikt zijn dan wel de veiligheid van het
luchtvaartuig in gevaar kunnen brengen;
d. gevaarlijke goederen: explosieven of andere
voorwerpen en stoffen, die de veiligheid van het luchtvaartuig in
gevaar kunnen brengen;
e. bagage: goederen toebehorende aan
passagiers,
1°. die deze zelf in het
luchtvaartuig meenemen als handbagage, of
2°. die deze in verband met hun
reis aan de luchtvaartmaatschappij hebben afgegeven teneinde in
het ruim van het luchtvaartuig te worden vervoerd als ruimbagage;
f. vracht: goederen, niet zijnde bagage, die
voor vervoer door de lucht worden aangeboden, daaronder begrepen
poststukken als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Postwet
2009, tenzij deze goederen door de lucht worden aangevoerd en het
vliegtuig niet verlaten.
2. Met
betrekking tot militaire luchtvaartterreinen waarvan delen
uitsluitend ten behoeve van de burgerluchtvaart worden gebruikt,
wordt in afwijking van artikel 1, eerste lid, onder d, voor de
toepassing van deze afdeling als exploitant van een
luchtvaartterrein aangemerkt, de bij koninklijk besluit aan te
wijzen rechtspersoon aan wie het medegebruik ten behoeve van de
burgerluchtvaart is verleend.
3. Een
koninklijk besluit als bedoeld in het tweede lid wordt genomen op
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in
overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Defensie.
Artikel 37ab
Onze Minister van Justitie is belast met de
beveiliging van de burgerluchtvaart. De exploitant van een
luchtvaartterrein, een luchtvaartmaatschappij en een persoon als
bedoeld in artikel 37p, eerste lid, zijn gehouden te voldoen aan
door Onze Minister van Justitie of namens deze door de Commandant
van de Koninklijke marechaussee gegeven aanwijzingen inzake de
nakoming van een verplichting die op hen rust ingevolge de artikelen
37ada, 37b, zesde lid, 37f, 37g, 37h, 37hb, 37hd, 37k, 37l, 37n of
37r, of ingevolge een verplichting die voortvloeit uit een
EG-verordening voor zover deze betrekking heeft op de beveiliging
van de burgerluchtvaart.
Artikel 37ac
1. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gegeven voor de uitvoering van de controle, bedoeld in
artikel 37b, zesde lid, en de paragrafen 3 en 4, alsmede voor de
afhandeling van daarbij geconstateerde onregelmatigheden. De
controle wordt verricht met inachtneming van de door Onze Minister
van Justitie gegeven algemene aanwijzingen.
2. Onze Minister
van Justitie kan naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden
bijzondere aanwijzingen geven voor de uitvoering van de controle,
bedoeld in het eerste lid. In dat geval bepaalt Onze Minister van
Justitie dat de kosten worden vergoed die redelijkerwijs zijn
gemaakt om de aanwijzing uit te voeren.
Artikel 37ad
1. Onze
Minister van Justitie kan op grond van omstandigheden of
inlichtingen vaststellen, dat er voor een luchtvaartterrein dan
wel bepaalde daar aanwezige luchtvaartuigen, een bijzonder gevaar
bestaat dat zij het object van geweldpleging, aanslagen of
bedreiging zullen vormen. Hij geeft hiervan onverwijld kennis aan
de exploitant van dat luchtvaartterrein en, in voorkomend geval,
aan de luchtvaartmaatschappij van die luchtvaartuigen.
2. Na toepassing
van het eerste lid worden geen goederen aan boord van de betrokken
luchtvaartuigen gebracht dan na, zonodig stuksgewijs, onderzoek op
de aanwezigheid van voor bedreiging geschikte voorwerpen.
3. Onze Minister
van Justitie kan in andere dan de in het eerste lid bedoelde
gevallen, luchtvaartuigen aanwijzen waarop het tweede lid van
toepassing is.
Artikel 37ada
1. Ter
beveiliging van de burgerluchtvaart kan Onze Minister van Justitie
vluchten van een luchtvaartmaatschappij aanwijzen waarop
ambtenaren van de Koninklijke marechaussee worden ingezet.
2. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 37ae
1. Indien de
naleving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde
voorschriften of van een verplichting die voortvloeit uit een
EG-verordening voor zover deze betrekking heeft op de beveiliging
van de burgerluchtvaart, gevaar dreigt te lopen, doet de
exploitant van een luchtvaartterrein, de betrokken
luchtvaartmaatschappij of een persoon als bedoeld in artikel 37p,
eerste lid, daarvan onverwijld mededeling aan de Commandant van de
Koninklijke marechaussee.
2. Bij wijze van
bestuursdwang kan Onze Minister van Justitie het opstijgen van een
luchtvaartuig verbieden en beletten indien er een redelijk vermoeden
bestaat dat wegens het niet naleven van de bij of krachtens deze
afdeling gestelde voorschriften of van een verplichting die
voortvloeit uit een EG-verordening voor zover deze betrekking heeft
op de beveiliging van de burgerluchtvaart, de beveiliging van de
burgerluchtvaart in gevaar kan komen.
3. Onze Minister
van Justitie kan de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid,
mandateren aan de Commandant van de Koninklijke marechaussee.
Artikel 37af
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de inhoud van
de opleiding in het kader van de beveiliging van de burgerluchtvaart
en de organisaties die deze opleiding verzorgen.
Artikel 37ag
1. De
exploitant van een luchtvaartterrein draagt ervoor zorg dat het
beveiligingspersoneel, bedoeld in artikel 37a, eerste lid,
onderdeel b, onder 1, en het personeel dat werkzaam is op de delen
van het luchtvaartterrein, bedoeld in artikel 37b, eerste lid,
onderdeel a tot en met c, met uitzondering van het
beveiligingspersoneel, bedoeld in artikel 37a, eerste lid,
onderdeel b, onder 2, een opleiding in het kader van de
beveiliging van de burgerluchtvaart hebben gevolgd.
2. De
luchtvaartmaatschappij draagt ervoor zorg dat het personeel dat
belast is met de taken, bedoeld in artikel 37g, en het personeel dat
direct toegang heeft tot of belast is met de beveiliging van
luchtvracht, een opleiding in het kader van de beveiliging van de
burgerluchtvaart hebben gevolgd.
3. De houder van
de concessie, bedoeld in artikel 2a van de Postwet, draagt ervoor
zorg dat het personeel dat direct toegang heeft tot of belast is met
de beveiliging van luchtpost, een opleiding in het kader van de
beveiliging van de burgerluchtvaart heeft gevolgd.
4. De personen,
bedoeld in artikel 37p, eerste lid, dragen ervoor zorg dat het
personeel dat direct toegang heeft tot of belast is met de
beveiliging van luchtvracht, een opleiding in het kader van de
beveiliging van de burgerluchtvaart heeft gevolgd.
§ 2. De verplichtingen van een
exploitant van een luchtvaartterrein
Artikel 37b
1. De
exploitant van een luchtvaartterrein wijst de delen daarvan aan:
a. die door het publiek slechts betreden
mogen worden, indien de betrokken personen in het bezit zijn van
een geldig reisbiljet of een daartoe afgegeven persoonsgebonden
kaart;
b. die niet voor het publiek toegankelijk
zijn;
c. die slechts voor een beperkte categorie
van de op het luchtvaartterrein werkzame personen toegankelijk
zijn;
d. die voor het publiek toegankelijk zijn.
2. Onze Minister
van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister, kan delen van
het luchtvaartterrein aanwijzen die in ieder geval tot een van de in
het eerste lid bedoelde delen behoren.
3. De exploitant
van een luchtvaartterrein draagt er zorg voor:
a. dat een ieder die toegang heeft tot een
van de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde
delen, over een door hem verstrekt of erkend toegangsbewijs
beschikt, waaruit tevens duidelijk kenbaar is tot welke delen de
drager toegang heeft;
b. dat een ieder die zich in een van de in
het eerste lid, onder b en c, bedoelde delen
bevindt, verplicht is het onder a bedoelde toegangsbewijs
zichtbaar te dragen;
c. dat een ieder die zich in een van de in
het eerste lid, onder a, bedoelde delen bevindt, verplicht
is het onder a bedoelde toegangsbewijs dan wel een geldig
reisbiljet of een daartoe afgegeven persoonsgebonden kaart bij
zich te hebben en dit te allen tijde op verzoek van een lid van
het beveiligingspersoneel ter inzage te geven;
d. dat voertuigen die worden gebruikt op de
delen, bedoeld in het eerste lid onder b en c, zijn voorzien van
een door de exploitant van een luchtvaartterrein afgegeven
toegangsbewijs dat duidelijk zichtbaar is aangebracht en waarop
duidelijk kenbaar is tot welke delen het voertuig toegang heeft.
4. De
exploitant van een luchtvaartterrein schermt de in het eerste lid,
onder b en c, bedoelde delen van het luchtvaartterrein
zodanig onderling van elkaar af dat zij slechts op een beperkt
aantal door beveiligingspersoneel of anderszins bewaakte plaatsen
toegankelijk zijn na controle van het toegangsbewijs. Delen als
bedoeld in het eerste lid, onder c, die voor onderscheiden
categorieën personeel toegankelijk zijn worden daarbij als
onderscheiden delen aangemerkt.
5. De
plaatsen bedoeld in het vierde lid, dienen duidelijk gemarkeerd te
zijn onder aanduiding van de categorieën personen die toegang
hebben. De plaatsen dienen steeds helder verlicht en afsluitbaar te
zijn.
6. Een
ieder die op de plaatsen, bedoeld in het vierde lid, toegang zoekt
tot of zich bevindt op een van de in het eerste lid, onder b en c,
bedoelde delen, gedoogt dat vanwege de exploitant van een
luchtvaartterrein onderzoek plaatsvindt aan zijn kleding, van
voorwerpen die hij bij zich heeft of van het voertuig dat hij
gebruikt.
7. De exploitant
van een luchtvaartterrein draagt er zorg voor, dat personen die niet
voldoen aan het derde lid, onder b en c, of het zesde
lid, de verdere toegang tot de in het eerste lid bedoelde delen van
het luchtvaartterrein wordt ontzegd.
Artikel 37c
1. De
exploitant van een luchtvaartterrein treft de nodige voorzieningen
om te voorkomen dat personen of bagage aan boord van een
luchtvaartuig gaan zonder dat deze zijn onderworpen aan een
controle overeenkomstig paragraaf 3.
2. De exploitant
van een luchtvaartterrein is verplicht te beschikken over:
a. voldoende en passende detectieapparatuur
voor de uitoefening van de controle door het beveiligingspersoneel
overeenkomstig paragraaf 3;
b. een ruimte voor vertrekkende passagiers
die zodanig is ingericht dat gecontroleerde passagiers en
handbagage zijn afgeschermd en een vermenging met niet
gecontroleerde personen en voorwerpen niet mogelijk is;
c. een ruimte voor onderzoek van bagage en
dieren bestemd voor vervoer en
d. een afsluitbare en beveiligde ruimte
bestemd voor het bewaren van verdachte bagage.
3. Onze Minister
van Justitie kan, in overeenstemming met Onze Minister, nadere
regels stellen met betrekking tot de voorzieningen die zijn vereist
ter beveiliging van de burgerluchtvaart.
4. Onze Minister
van Justitie kan de exploitant van een luchtvaartterrein een
aanwijzing geven inzake de aanschaf van detectie-apparatuur indien
deze apparatuur redelijkerwijs niet als passend kan worden
beschouwd.
Artikel 37d
De exploitant van een luchtvaartterrein richt
de luchthaven zodanig in, en treft zodanige voorzieningen dat:
a. een plaats beschikbaar is voor het
afzonderen van een luchtvaartuig;
b. het beveiligingspersoneel snel en op
eenvoudige wijze de verschillende delen van het
luchtvaartterrein kan bereiken en toezicht kan houden op daar
aanwezige personen;
c. redelijkerwijze voorkomen wordt dat
onbevoegden een geparkeerd luchtvaartuig betreden.
Artikel 37e
1. De
exploitant van een luchtvaartterrein is gehouden een plan op te
stellen met betrekking tot de beveiliging van het
luchtvaartterrein. Het plan behoeft de instemming van Onze
Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister. Het
plan wordt op hun verzoek, onder het stellen van een redelijke
termijn, aangepast.
2. Het plan,
bedoeld in het eerste lid, omvat onder meer:
a. de plichten, verantwoordelijkheden,
maatregelen en procedures die zijn vastgesteld met het oog op de
beveiliging van het luchtvaartterrein;
b. de bijzondere procedures en maatregelen
voor situaties als bedoeld in artikel 37ad, eerste lid;
c. de maatregelen en procedures in geval van
dreiging van onwettige daden van geweld, bomalarm, kaping of
gewapende aanvallen op het luchtvaartterrein en
d. andere bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen onderwerpen.
3. Met
het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16
van de Wet veiligheidsregio’s, wordt het bestuur van de
veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven
over een ontwerp van een plan als bedoeld in het eerste lid of een
wijziging van dat plan.
4. Indien
een onderdeel van het plan niet wordt uitgevoerd, kan Onze Minister
van Justitie de exploitant van een luchtvaartterrein een aanwijzing
geven die ertoe strekt zo veel mogelijk het oorspronkelijk in het
plan aangegeven niveau van beveiliging te benaderen.
§ 3. Controle van personen en bagage
Artikel 37f
1. De
exploitant van een luchtvaartterrein doet de personen die als
passagiers aan boord gaan van een luchtvaartuig, alsmede hun
handbagage, door het beveiligingspersoneel controleren op de
aanwezigheid van voor bedreiging geschikte voorwerpen.
2. De exploitant
van een luchtvaartterrein kan:
a. voor vervoer met een passagiersvlucht
aangeboden ruimbagage door het beveiligingspersoneel doen
controleren op de aanwezigheid van voor bedreiging geschikte
voorwerpen en
b. de personen die anders dan als passagier
aan boord kunnen gaan van een luchtvaartuig door het
beveiligingspersoneel doen controleren op hun identiteit en op de
rechtmatigheid van hun aanwezigheid op het luchtvaartterrein.
3. Indien bij
controle voor bedreiging geschikte voorwerpen worden aangetroffen of
de naleving van het gestelde in dit artikel met betrekking tot de
uitvoering van de controle in gevaar komt, doet de exploitant van
een luchtvaartterrein daarvan onverwijld mededeling aan de
Commandant van de Koninklijke marechaussee.
Artikel 37g
1. De
luchtvaartmaatschappij draagt zorg dat geen ruimbagage aan boord
is die niet toebehoort aan de aan boord zijnde passagiers. Bij
regeling van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met
Onze Minister, kan hiervoor vrijstelling worden verleend. Daarbij
worden voorschriften gegeven als vervangende waarborg met het oog
op de beveiliging. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van
Justitie ontheffing verlenen.
2. De
luchtvaartmaatschappij draagt zorg voor de controle op de
aanwezigheid van voor bedreiging geschikte voorwerpen van alle
goederen die aan boord gaan van een luchtvaartuig niet zijnde bagage
of vracht.
3. Het bepaalde
in artikel 37f, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37h
1. De
controle, bedoeld in artikel 37f, eerste lid, omvat:
a. een onderzoek met behulp van daartoe
bestemde detectieapparatuur van passagiers en handbagage;
b. steekproefsgewijs, en indien de
detectieapparatuur daartoe aanleiding geeft, een onderzoek van
passagiers aan hun kleding en een nader onderzoek van hun
handbagage;
c. de stelselmatige uitvoering van
het onderzoek aan kleding van passagiers en van handbagage in door
Onze Minister van Justitie bij ministeriële regeling te bepalen
gevallen;
d. een bevraging van de passagiers
met het oog op hun betrouwbaarheid in door Onze Minister van
Justitie bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.
2. De controle,
bedoeld in artikel 37f, tweede lid, onderdeel a, omvat in ieder
geval:
a. een onderzoek met behulp van daartoe
bestemde detectieapparatuur of andere technische hulpmiddelen;
b. een nader onderzoek naar de inhoud van de
bagage indien daartoe aanleiding is.
3. De controle,
bedoeld in artikel 37f, tweede lid, onderdeel b, kan omvatten:
a. een nader onderzoek van het
toegangsbewijs waarover de betrokkene beschikt;
b. een onderzoek met behulp van daartoe
bestemde detectieapparatuur;
c. een onderzoek, indien daartoe aanleiding
is, van meegevoerde goederen en aan de kleding.
4. De controle,
bedoeld in artikel 37g, tweede lid, omvat in ieder geval een visuele
uitwendige controle van de goederen of hun verpakking.
5. Bij regeling
van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze
Minister, kan ten aanzien van bepaalde soorten vluchten of
luchtvaartuigen, vrijstelling worden verleend van een controle als
bedoeld in het eerste en tweede lid, wanneer de dreiging voor deze
vluchten of luchtvaartuigen als gevolg van voor bedreiging geschikte
voorwerpen, verwaarloosbaar is. Daarbij kunnen nadere voorschriften
worden gegeven.
6. Onze Minister
van Justitie kan in bijzondere gevallen op de grond, bedoeld in het
vijfde lid, ontheffing verlenen van de controle.
Artikel 37ha
Een lid van het beveiligingspersoneel belast
met de controle, dat daarbij de beschikking krijgt over gegevens
waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijze moet
vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt of wettelijk
voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht
geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover
enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit
zijn taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 37hb
De exploitant van een luchtvaartterrein doet:
a. personen die weigeren zichzelf of hun
bagage te onderwerpen aan de controle bedoeld in artikel 37f,
eerste lid, verhinderen enig luchtvaartuig te betreden, hen de
verdere toegang tot de in artikel 37b, eerste lid, bedoelde
delen ontzeggen en hen daaruit zo nodig verwijderen;
b. bij de controle van personen
aangetroffen voor bedreiging geschikte voorwerpen, niet dan in
overeenstemming met door Onze Minister van Justitie te stellen
regels of te geven aanwijzingen, aan boord van een luchtvaartuig
brengen en
c. de maatregelen als bedoeld in onderdeel
a, treffen jegens degene bij wie of in wiens bagage voor
bedreiging geschikte voorwerpen worden aangetroffen, indien deze
niet overeenkomstig de regels of aanwijzingen als bedoeld in
onderdeel b, op verzoek van het beveiligingspersoneel zijn
afgegeven.
Artikel 37hc
De personen die aan boord gaan van een
luchtvaartuig, zijn verplicht:
a. zich te onderwerpen aan een controle
als bedoeld in artikel 37f, eerste lid en tweede lid, onderdeel
b en
b. medewerking te verlenen aan de
handelingen ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in
artikel 37hb, onderdeel a tot en met c.
Artikel 37hd
De bepalingen in deze paragraaf laten onverlet
dat de exploitant van een luchtvaartterrein op verzoek van een
luchtvaartmaatschappij of een buitenlandse overheid een verdergaande
controle kan uitvoeren, indien dit in de vervoersovereenkomst tussen
de passagier en de luchtvaartmaatschappij wordt bepaald.
Artikel 37i
[Vervallen.]
§ 4. Controle van vracht
Artikel 37j
1. De
luchtvaartmaatschappij draagt zorg voor de controle van vracht op
de aanwezigheid van gevaarlijke goederen.
2. Het gestelde
in het eerste lid kan, onverminderd het bepaalde bij of krachtens
deze of andere wetten, achterwege blijven indien er sprake is van:
a. vracht bestemd om te worden overgeladen
van het ene vliegtuig op het andere, voor zover deze is voorzien
van bescherming tegen bemoeienis door ongeautoriseerde personen;
b. vervoer van stoffelijke overschotten;
c. levende dieren;
d. levensreddende materialen, voor zover de
controle afbreuk kan doen aan de levensreddende kwaliteit van het
materiaal;
e. nucleair materiaal, of
f. andere bij regeling van Onze Minister van
Justitie aangewezen vracht, voor zover de controle afbreuk kan
doen aan de kwaliteit van de vracht.
Artikel 37k
1. De
controle, bedoeld in het artikel 37j, eerste lid, omvat in ieder
geval:
a. een onderzoek naar de identiteit van
degene die feitelijk vracht aanbiedt;
b. het stelselmatig uitvoeren van onderzoek
met de hand, met behulp van passende detectieapparatuur of van
andere technische hulpmiddelen en
c. de verificatie van de luchtvrachtbrief en
de verzamelstaat.
2. Voor zover de
aard of samenstelling van de vracht zich tegen controle verzet, kan
bij regeling van Onze Minister van Justitie vrijstelling worden
verleend van handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3. De artikelen
37c, derde en vierde lid, en 37f, derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. De
luchtvaartmaatschappij doet de bij de controle aangetroffen
gevaarlijke goederen of de vracht waarin gevaarlijke goederen zijn
aangetroffen, aan boord van een luchtvaartuig brengen overeenkomstig
door Onze Minister van Justitie vast te stellen regels of te geven
aanwijzingen.
Artikel 37l
1. Artikel 37k
is niet van toepassing indien vracht wordt aangeboden door de
personen, bedoeld in het tweede lid, en uit een uitwendige visuele
controle is gebleken, dat:
a. de vracht is verpakt;
b. de verpakking onbeschadigd is;
c. geen gevaarlijke goederen zijn
toegevoegd, en
d. geen onregelmatigheden met de verpakking
hebben plaatsgevonden.
2. De personen,
bedoeld in het eerste lid, aanhef, zijn:
a. een geregistreerde als bedoeld in artikel
37p, eerste lid;
b. een niet-geregistreerde voor zover de
vracht afkomstig is van een geregistreerde en deze is verpakt
overeenkomstig de bij regeling van Onze Minister van Justitie vast
te stellen voorschriften om te voorkomen dat daaraan gevaarlijke
goederen worden toegevoegd;
c. een rechtspersoon waarop een verplichting
tot vervoer van voorwerpen rust ingevolge de Postwet, of een
overeenkomstige buitenlandse postinstelling, of
d. de bij regeling van Onze Minister
van Justitie vast te stellen categorieën van natuurlijke personen
of rechtspersonen, die in het buitenland zijn gevestigd en ten
aanzien waarvan op grond van internationale afspraken toereikende
waarborgen aanwezig zijn dat maatregelen zijn genomen ter
beveiliging van de aangeboden vracht.
3. Onze Minister
van Justitie kan bepalen dat de uitzondering, bedoeld in het eerste
lid, niet van toepassing is op de rechtspersoon, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel c, indien er een gerechtvaardigd vermoeden is
dat bepaalde vracht gevaarlijke goederen bevat.
4. Bij regeling
van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze
Minister, kunnen ter voorkoming van vervoer van gevaarlijke goederen
door een luchtvaartmaatschappij, voorschriften worden gegeven met
betrekking tot vracht aangeboden door een rechtspersoon als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c.
5. Bij regeling
van Onze Minister van Justitie kunnen, met het oog op de controle
ter beveiliging van vracht, voorschriften worden gegeven over de
afhandeling van vracht door personen die in het buitenland zijn
gevestigd en vracht aanbieden door tussenkomst van de personen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
Artikel 37m
1. Aan de
luchtvaartmaatschappij voor vervoer toevertrouwde brieven worden
zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts
geopend indien de rechter-commissaris in de rechtbank van het
arrondissement waarbinnen de brief is aangetroffen, daartoe, op
verzoek van de luchtvaartmaatschappij, bevel heeft gegeven.
2. Het bevel,
bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gegeven indien het
vermoeden bestaat dat zich in de brief gevaarlijke goederen
bevinden.
Artikel 37n
1. De
luchtvaartmaatschappij beschikt over een afsluitbare en beveiligde
ruimte bestemd voor de ontvangst en bewaring van vracht.
2. Zij stelt de
identiteit van de aanbieders van vracht vast, indien deze personen
niet zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 37p, en registreert
of doet registreren de naam en het adres van die personen en van de
afzender.
3. Onze
Minister van Justitie kan, in overeenstemming met Onze Minister, bij
ministeriële regeling nadere voorschriften geven aan de
luchtvaartmaatschappij ter beveiliging van de burgerluchtvaart.
Artikel 37o
1.
Bij
regeling van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met
Onze Minister, kan ten aanzien van bepaalde vluchten of
luchtvaartuigen vrijstelling worden verleend voor de controle,
bedoeld in artikel 37j, eerste lid, indien de dreiging voor deze
vluchten of luchtvaartuigen als gevolg van gevaarlijke goederen
verwaarloosbaar is. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden
gegeven.
2. Onze Minister
van Justitie kan in bijzondere gevallen op de grond, bedoeld in het
eerste lid, ontheffing verlenen van de controle.
Artikel 37p
1. De
Commandant van de Koninklijke marechaussee houdt een register bij
van natuurlijke personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig
vracht aanbieden, doen vervoeren of vervoeren. In het register
staan slechts personen ingeschreven op hun verzoek. Daarin worden
in ieder geval vermeld de naam, het adres en de vestigingsplaats
van de geregistreerde, het nummer van inschrijving bij de Kamer
van Koophandel en de datum van inschrijving in het register.
2. Personen als
bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingeschreven onder afgifte
van een verklaring waaruit blijkt dat is voldaan aan de bij regeling
van Onze Minister van Justitie gestelde eisen, met het oog op de
veiligheid en de betrouwbaarheid van de door hen aangeboden vracht.
3. Personen als
bedoeld in het eerste lid kunnen zich in het register doen
inschrijven door inzending van een ingevuld aanmeldingsformulier
waarvan bij regeling van Onze Minister van Justitie een model wordt
vastgesteld.
4. In het
buitenland gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen die
bedrijfsmatig vracht aanbieden, doen vervoeren of vervoeren, kunnen
zich in het register doen inschrijven overeenkomstig bij regeling
van Onze Minister van Justitie nader te stellen regels.
5. De
Commandant van de Koninklijke marechaussee weigert inschrijving in
het register als bedoeld in het eerste lid, indien niet is voldaan
of in onvoldoende mate blijkt dat is voldaan aan de bij
ministeriële regeling gestelde eisen met het oog op de veiligheid
en de betrouwbaarheid van de door hen aangeboden vracht.
6. Bij
regeling van Onze Minister van Justitie kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van:
a. de inhoud van de verklaring, bedoeld in
het tweede lid;
b. de procedure van inschrijving en het
melden van wijzigingen;
c. op te nemen categorieën van
gegevens in het register.
Artikel 37q
1. De
geregistreerde, bedoeld in artikel 37p, is verplicht iedere
wijziging die optreedt in de in artikel 37p, tweede lid bedoelde
gegevens onverwijld door te geven.
2. De Commandant
van de Koninklijke marechaussee haalt de inschrijving in het
register, bedoeld in artikel 37p, door:
a. op verzoek van de geregistreerde, of
b. bij beëindiging van de
werkzaamheden tot het bedrijfsmatig aanbieden of vervoeren van
vracht.
3. De Commandant
van de Koninklijke marechaussee haalt de inschrijving in het
register, bedoeld in artikel 37p, op last van Onze Minister van
Justitie door:
a. indien bij controle blijkt dat de
geregistreerde aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gegeven
voorschriften geen uitvoering geeft, of
b. bij controle blijkt van zodanige
aanwijzingen van betrokkenheid bij gepleegde of te plegen
misdrijven dat gerechtvaardigde twijfel bestaat omtrent de
betrouwbaarheid van de geregistreerde.
4. Een
doorhaling als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, vindt plaats
voor ten hoogste twee jaren. Na verstrijken van deze termijn kan
opnieuw inschrijving overeenkomstig dit artikel plaatsvinden.
5. Een
doorhaling als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, vindt plaats
voor onbepaalde tijd. Hernieuwde inschrijving vindt slechts plaats
na toestemming van Onze Minister van Justitie.
6. De
inschrijving dan wel de doorhaling van de inschrijving in het
register bedoeld in het derde lid, wordt niet eerder van kracht dan
twee weken nadat de Commandant van de Koninklijke marechaussee
daarvan mededeling heeft gedaan aan de geregistreerde.
7. Voor zover
zij deze behoeven voor de vervulling van de in artikel 37j, eerste
lid, en artikel 37r bedoelde verplichtingen worden uit het register,
bedoeld in artikel 37p, eerste lid, gegevens verstrekt aan:
a. luchtvaartmaatschappijen, en
b. geregistreerde personen als bedoeld in
artikel 37p.
8. Aan andere
dan de in het zevende lid bedoelde personen wordt desgevraagd
meegedeeld of bepaalde natuurlijke personen of rechtspersonen die
bedrijfsmatig vracht aanbieden of vervoeren, zijn ingeschreven in
het register, bedoeld in artikel 37p, eerste lid.
9. Tegen
besluiten van de Commandant van de Koninklijke marechaussee verband
houdend met het register, bedoeld in artikel 37p, eerste lid, kan
een belanghebbende administratief beroep instellen bij de Minister
van Justitie.
Artikel 37r
De geregistreerde, bedoeld in artikel 37p,
doet vracht afkomstig van een niet-geregistreerde, controleren op de
aanwezigheid van gevaarlijke goederen. De artikelen 37f, derde lid,
en 37j tot en met 37o zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37s
In verband met de taakuitoefening,
bedoeld in artikel 37p, eerste lid, kan de Commandant van de
Koninklijke marechaussee onderzoek doen naar de betrouwbaarheid van
de geregistreerde personen, bedoeld in artikel 37p. Hij kan daartoe
inlichtingen en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden vragen
alsmede kopieën daarvan maken, alsmede politiegegevens raadplegen
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet politiegegevens.
§ 5. Handhaving
Artikel 37t
Met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze afdeling, dan wel van verplichtingen
die voortvloeien uit een EG-verordening voor zover deze betrekking
heeft op de beveiliging van de burgerluchtvaart en voor het toezicht
daarop geen andere autoriteit is aangewezen, is belast de Commandant
van de Koninklijke marechaussee. Onze Minister van Justitie kan
daartoe aanwijzingen geven.
Artikel 37u
1. Onze
Minister van Justitie is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens
deze afdeling, onverminderd de artikelen 29 en 35.
2. Onze Minister
van Justitie kan van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid
mandaat verlenen aan de Commandant van de Koninklijke marechaussee.
Artikel 37v
1.
Een
klacht tegen beveiligingspersoneel als bedoeld in artikel 37a,
eerste lid, onderdeel b, onder 1°, over een gedraging bij de
uitvoering van een taak ingevolge deze afdeling, kan worden
ingediend bij de Commandant van de Koninklijke marechaussee.
2. De
klacht wordt behandeld door Onze Minister van Justitie. Deze kan
hiervoor mandaat verlenen aan de Commandant van de Koninklijke
marechaussee.
3. Titel 9.1 van
de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De
regels vastgesteld krachtens artikel 6, onder i, van de Wet
particuliere beveiligingsorganisaties blijven buiten werking.
4. Voor de
toepassing van de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de
Algemene wet bestuursrecht wordt een gedraging als bedoeld in het
eerste lid, aangemerkt als een gedraging van Onze Minister van
Justitie.
5. Indien
de klacht zich tevens richt tegen beveiligingspersoneel als bedoeld
in artikel 37a, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en betrekking
heeft op hetzelfde feitencomplex, wordt deze behandeld volgens de
procedure die geldt voor dat beveiligingspersoneel.
Afdeling 4. Verbod van belemmeringen op
terreinen rondom luchtvaartterreinen
§ 1. Oplegging van het verbod
Artikel 38 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 39 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 40 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 41 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 42 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 43 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 44 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 45 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 47 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 48 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 2. Schadeloosstelling
Artikel 50 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 51 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 52 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 53 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 54 [Vervallen per 24-12-2008]
Artikel 55 [Vervallen per 24-12-2008]
Afdeling 5. Militaire werken
Artikel 56 [Vervallen per 24-12-2008]
Hoofdstuk V. Buitengewone omstandigheden
Artikel 57
1. Onverminderd
de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen
58, 59, 60 en 61 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden
gesteld.
2. Wanneer
het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld
een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het
voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde
bepalingen.
3. Wordt het
voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de
bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld,
onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar
Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit,
bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te
bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de
bekendmaking.
6. Het besluit,
bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval
geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 58
1. Onze
Minister kan bepalen, dat houders van luchtvaartuigen op daartoe
strekkende aanwijzing door Onze Minister verplicht zijn met deze
vervoermiddelen het vervoer van bepaalde personen of zaken te
bewerkstelligen en de vervoermiddelen daartoe volledig uitgerust
op een aangewezen plaats ter beschikking te stellen; deze plaats,
alsmede de plaats van bestemming kunnen buiten Nederland zijn
gelegen.
2. De aanwijzing
wordt zo mogelijk schriftelijk gegeven; een op andere wijze gegeven
aanwijzing wordt zo spoedig mogelijk door een schriftelijke
aanwijzing gevolgd. Voor de aanvang van het vervoer wordt de
vervoerder medegedeeld te wiens behoeve het vervoer plaats vindt.
3. Met
betrekking tot het in het eerste lid bedoelde vervoer gelden tussen
de vervoerder en hem te wiens behoeve het vervoer plaats vindt de
voor soortgelijk vervoer rechtens geldende dan wel gebruikelijke
tarieven en voorwaarden; bij gebreke zowel van gebruikelijke als van
rechtens geldende tarieven en voorwaarden gelden de door Onze
Minister vastgestelde tarieven en voorwaarden.
4. Onze
Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen ter
aanvulling of ter vervanging van de rechtens geldende of
gebruikelijke tarieven en voorwaarden.
5. Onze
Minister kan aan de houder van luchtvaartuigen aan wie een
aanwijzing is gegeven krachtens het eerste lid, een naar billijkheid
te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten
door betrokkene gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing.
6. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen op voordracht van Onze Ministers van
Verkeer en Waterstaat en van Defensie regels worden gesteld ter zake
van de toepassing van het vijfde lid.
Artikel 59
1. Onze
Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire
luchtvaartuigen en de leden van hun bemanning, alsmede ten aanzien
van militaire luchtvaartterreinen afwijken van het bij of
krachtens deze wet bepaalde.
2. Onze Minister
van Defensie kan, onverminderd de bevoegdheden bij andere wetten
verleend, bepalen dat houders van luchtvaartuigen op daartoe
strekkende aanwijzing door Onze Minister van Defensie verplicht zijn
met deze vervoermiddelen het vervoer van bepaalde personen of zaken
te bewerkstelligen en de vervoermiddelen daartoe volledig uitgerust
op een aangewezen plaats ter beschikking te stellen; deze plaats,
alsmede de plaats van bestemming kunnen buiten Nederland zijn
gelegen. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 58 zijn van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor Onze Minister
wordt gelezen: Onze Minister van Defensie.
3. Onze Minister
van Defensie is, onverminderd de bevoegdheden bij andere wetten
verleend, bevoegd ten behoeve van de krijgsmacht de
terbeschikkingstelling te vorderen van luchtvaartterreinen met
bijbehorende gebouwen en inrichtingen alsmede van de zich in die
gebouwen en inrichtingen bevindende roerende goederen. Het tweede
tot en met vijfde lid van artikel 58 zijn van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat voor Onze Minister wordt gelezen:
Onze Minister van Defensie.
4. Gedurende de
tijd, dat ingevolge het tweede en derde lid ten behoeve van de
krijgsmacht luchtvaartuigen zijn aangewezen en luchtvaartterreinen
ter beschikking zijn gesteld, worden deze beschouwd als militaire
luchtvaartuigen en als militaire luchtvaartterreinen.
Artikel 60
1. Onze
Minister van Defensie is, onverminderd de bevoegdheden bij andere
wetten verleend, bevoegd:
a. aanwijzingen te geven aan rechthebbenden
ten aanzien van luchtvaartterreinen met betrekking tot het beheer
en het gebruik van die luchtvaartterreinen;
b. aanwijzingen te geven aan rechthebbenden
ten aanzien van roerende en onroerende zaken, welke zich op
luchtvaartterreinen bevinden, met betrekking tot het beheer en het
gebruik van die zaken;
c. werken te doen uitvoeren op
luchtvaartterreinen;
d. voorzieningen te doen uitvoeren aan de
zich op luchtvaartterreinen bevindende roerende en onroerende
zaken, en
e. luchtvaartterreinen en de daarbij
behorende gebouwen en inrichtingen, met inbegrip van
woongedeelten, alsmede fabrieken, werkplaatsen en aanhorigheden,
welke dienstbaar zijn aan de luchtvaart, te doen betreden voor
zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig
is. In afwijking van artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden is het militaire gezag bevoegd zonder machtiging
binnen te treden. Het militaire gezag is bevoegd een machtiging
als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet op het binnentreden
te geven. Artikel 3 van die wet is van toepassing.
2. Op de
maatregelen getroffen krachtens dit artikel zijn het tweede tot en
met vijfde lid van artikel 58 van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat voor Onze Minister wordt gelezen: Onze Minister
van Defensie.
3. Op de
maatregelen getroffen krachtens dit artikel is tevens het zesde lid
van artikel 58 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
de voordracht geschiedt door Onze Minister van Defensie.
Artikel 61
1.
Onze
Minister van Defensie is bevoegd opdrachten te geven aan personen
die in het bezit zijn van een ingevolge deze wet uitgereikt bewijs
van bevoegdheid alsmede aan personen, behorende tot bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van personeel dat
werkzaam is ten behoeve van de luchtvaart.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
betreffende de aard en de duur van de opdrachten alsmede de wijze
waarop en de voorwaarden waaronder zij kunnen worden gegeven, zomede
betreffende de schadeloosstelling in verband met de verstrekte
opdrachten. De rechtspositie van de personen, die een opdracht
hebben ontvangen, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 61a
1. Voordat
Onze Minister van Defensie een hem krachtens dit hoofdstuk ten
aanzien van burgerluchtvaart toekomende bevoegdheid uitoefent,
richt hij een verzoek aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te
voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheden
krachtens dit hoofdstuk ten aanzien van burgerluchtvaart niet uit
dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te kennen heeft
gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
2. In dringende
omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het
eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het
oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat toelaten, wordt aan de door Onze Minister van
Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
3. Indien een in
deze wet toegekende bevoegdheid door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat wordt uitgeoefend ten behoeve van de uitvoering van de
militaire taak, vindt toekenning van een vergoeding krachtens
artikel 58, vijfde lid, plaats in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister
van Defensie.
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 62
1.
Hij,
die een van de artikelen 8, 9, 14, eerste lid onder c, 16, 17,
eerste lid, 30b, zesde lid, 31, 32, 33, 34, 36, 37, 38, vijfde
lid, of 74 overtreedt, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten
hoogste zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij
met één van deze straffen.
2. Met
dezelfde straf wordt gestraft de gezagvoerder, die een van de
artikelen 4, 14, eerste lid onder a en b, of 17, tweede lid,
overtreedt.
3. Overtreding
van een voorschrift gegeven bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur ingevolge deze wet, wordt, voor zover die overtreding
uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, gestraft hetzij met
hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde
categorie, hetzij met één van deze straffen.
4. De
eigenaar of houder van een luchtvaartuig, die in strijd met een van
de artikelen 4, 8 of 16 de luchtvaart doet of laat uitoefenen, wordt
gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste zes maanden en
geldboete van de derde categorie, hetzij met één van deze
straffen.
Artikel 62a
1.
Hij
die een op grond van artikel 37b, eerste lid, onder b en c,
aangewezen luchtvaartterrein wederrechtelijk binnendringt of
wederrechtelijk aldaar verblijft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
2. Hij die zich
wederrechtelijk toegang verschaft tot een in het eerste lid bedoeld
terrein door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van
een valse order, een vals kostuum of een valse of niet aan
betrokkene toebehorende toegangspas wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
3. De in het
eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een
derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het
misdrijf plegen.
Artikel 63
Overtreding van een van de artikelen 15 of 65
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 64
1. Bij
veroordeling wegens overtreding van:
a. een van de artikelen 4, 8, en 17,
b. een voorschrift van een krachtens deze
wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur, kan de schuldige
de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen voor ten hoogste drie
jaren worden ontzegd.
2. Bij
toepassing van het bepaalde in het eerste lid verliest een aan de
veroordeelde afgegeven bewijs van bevoegdheid of van gelijkstelling
zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de
rechterlijke uitspraak, voor wat betreft deze bijkomende straf, voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De betrokken ambtenaar van
het Openbaar Ministerie brengt dit onverwijld ter kennis van Onze
Minister, die daarvan aankondiging doet in de Staatscourant.
Artikel 65
Het is degene, die weet, of redelijkerwijze
moet weten, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid een
luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, verboden, gedurende de tijd,
dat hem die bevoegdheid ontzegd is, een luchtvaartuig te bedienen.
Artikel 66
1. Hij, die
opzettelijk niet voldoet aan een krachtens artikel 58 gegeven
aanwijzing, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die
opzettelijk in strijd handelt met een ingevolge artikel 59 gegeven
aanwijzing of gedane vordering, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Hij die
opzettelijk in strijd handelt met een ingevolge artikel 60 gegeven
aanwijzing, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren of geldboete van de vierde categorie.
4. Hij, die
opzettelijk een ingevolge artikel 61 gegeven opdracht niet uitvoert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 67
1.
Hij,
die niet voldoet aan een krachtens artikel 58 gegeven aanwijzing,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of
geldboete van de derde categorie.
2. Hij
die in strijd handelt met een ingevolge artikel 59 gegeven
aanwijzing of gedane vordering, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één jaar of geldboete van de derde categorie.
3. Hij,
die in strijd handelt met een ingevolge artikel 60 gegeven
aanwijzing, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden
of geldboete van de derde categorie.
4. Hij, die een
ingevolge artikel 61 gegeven opdracht niet uitvoert, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 68
Hij, die een handeling verricht met het
oogmerk de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in de artikelen
58 tot en met 61 te belemmeren, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 69 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 70
De feiten strafbaar gesteld bij de artikelen
62a, 63, 66 en 68 zijn misdrijven.
De feiten strafbaar gesteld bij de artikelen
62 en 67 zijn overtredingen.
Artikel 71
Als personen met de opsporing van de bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij
artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen,
belast:
a. de ambtenaren van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane;
b. de door Onze Minister aan te wijzen
personen.
Artikel 72
Onverminderd artikel 37h is Onze Minister
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter
handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 73
1. Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat kan:
a. ambtenaren aanwijzen, die voor zover het
betreft de burgerluchtvaart belast zijn met het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
b. personen aanwijzen, die bevoegd zijn de
opstijging van luchtvaartuigen te verbieden en te beletten.
2. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid onder a, kan eveneens worden
uitgeoefend met betrekking tot militaire luchtvaartterreinen, die
krachtens hun aanwijzing of een terzake verleende ontheffing mede
door burgerlijke luchtvaartuigen mogen worden gebruikt, en met
betrekking tot gedeelten van militaire fabrieken, werkplaatsen en
aanhorigheden, waar zich burgerlijke luchtvaartuigen bevinden, mits
een en ander geschiedt in overeenstemming met de door de militaire
autoriteiten gegeven richtlijnen.
Artikel 73a [Vervallen per 21-01-1998]
Artikel 73b
Ieder is verplicht aan de krachtens artikel 73
aangewezen ambtenaren desgevraagd alle medewerking te verlenen en
alle inlichtingen te verstrekken, die zij redelijkerwijs bij de
uitvoering van de hun op grond van deze wet opgedragen taak
behoeven.
Artikel 73c [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 73d [Vervallen per 21-01-1998]
Artikel 73e [Vervallen per 21-01-1998]
Artikel 73f [Vervallen per 21-01-1998]
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 75
Op de eerste vordering van de in artikel 71
bedoelde personen zijn de gezagvoerder en de overige leden van de
bemanning van een luchtvaartuig verplicht de bij of krachtens deze
wet vereiste bescheiden behoorlijk ter inzage af te geven.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 76
1. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven:
a. ter uitvoering van de voorafgaande
hoofdstukken of indien de in deze hoofdstukken geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet
nadere regeling behoeven;
b. [vervallen;]
c. [vervallen;]
d. ter beveiliging van militaire belangen;
e. ter beperking van de geluidhinder door
luchtvaartuigen met uitzondering van de geluidhinder ten gevolge
van de uitoefening van de burgerluchtvaart boven gebieden,
aangewezen overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, onder d, van de
Wet milieubeheer;
f. [vervallen;]
g. betreffende de opleiding van
vliegtuigbestuurders;
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. [vervallen;]
k. betreffende de regels, die
luchtvaartmaatschappijen in acht moeten nemen bij de uitvoering
van bepaalde soorten van luchtvervoer in, naar of uit Nederland of
met Nederland als tussenstation;
l. betreffende de door
luchtvaartmaatschappijen toe te passen tarieven en andere
vervoersvoorwaarden;
m. betreffende de regels, die in acht
moeten worden genomen bij de uitvoering van vluchten naar of uit
Nederland of met Nederland als tussenstation, waarop géén vervoer
plaats vindt, dan wel vluchten welke niet door
luchtvaartmaatschappijen worden uitgevoerd.
2. Voorts kunnen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de vergoedingen
worden geregeld, verschuldigd voor:
a. het gebruik van ’s lands
luchtvaartterreinen;
b. werkzaamheden, door de Staat verricht;
c. diensten, door de Staat verstrekt.
3. Indien een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid onder
e, normen bevat, welke betrekking hebben op aan
luchtvaartuigen aan te brengen technische voorzieningen ter zake
van een vermindering van de geluidsproduktie tijdens een vlucht,
bij opstijging of landing, of tijdens het proefdraaien op het
luchtvaartterrein anders dan bij de uitvoering van een vlucht, kan
tevens worden bepaald in welke mate deze normen in een aan te
geven toekomstige periode zullen worden verzwaard.
4. Een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid onder
a, e, k, l en m of een wijziging daarvan treedt niet
eerder in werking dan twee maanden na datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin deze wordt geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan
de Staten-Generaal mededeling gedaan.
Artikel 77 [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 77a [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 77b [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 77c [Vervallen per 01-11-2009]
Artikel 78
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 79
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 80
1. De wet van
30 Juli 1926, Stb. 249 (Luchtvaartwet), wordt ingetrokken.
2. De op grond
dier wet afgegeven bewijzen van inschrijving, van luchtwaardigheid,
van geschiktheid en van gelijkstelling blijven, voor zover zij hun
geldigheid krachtens de bepalingen dier wet niet hebben verloren,
hun geldigheid behouden, totdat bij algemene maatregel van bestuur
een nadere regeling te dien aanzien zal zijn getroffen.
Artikel 80a
1. Hoofdstuk
IV van deze wet, met uitzondering van de afdelingen 3A en 5, is
niet van toepassing op de luchthaven Schiphol.
2. Bij
toepassing van deze wet op de luchthaven Schiphol moet onder «luchtvaartterrein»
en «exploitant van het luchtvaartterrein» verstaan worden:
luchthavengebied onderscheidenlijk exploitant van de luchthaven als
bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.
Artikel 80b
1.
Afdeling
3A van hoofdstuk IV is van toepassing op burgerluchthavens van
regionale betekenis als bedoeld in titel 8.3 van de Wet
luchtvaart, burgerluchthavens van nationale betekenis, als bedoeld
in titel 8.4 van die wet en militaire luchthavens waarvan delen
uitsluitend ten behoeve van burgerluchtvaart worden gebruikt, als
bedoeld in titel 10.3 van die wet.
2. Bij
toepassing van afdeling 3A van hoofdstuk IV op burgerluchthavens van
regionale betekenis, burgerluchthavens van nationale betekenis en
militaire luchthavens waarvan delen uitsluitend ten behoeve van
burgerluchtvaart worden gebruikt, moet onder «luchtvaartterrein»
en «exploitant van het luchtvaartterrein» verstaan worden:
luchthaven onderscheidenlijk exploitant van de luchthaven als
bedoeld in de Wet luchtvaart.
Artikel 81
Deze wet treedt in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip; Wij kunnen Ons voorbehouden een ander tijdstip
vast te stellen, waarop artikel 56 in werking treedt.
Artikel 82