Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbeschikking ANP als organisatie van in Nederland verschijnende dag-
en nieuwsbladen (vervallen)
- Beleidsregels nevenactiviteiten
(vervallen)
- Beleidsregels ontheffingen
liefdadigheidsacties (vervallen)
- Beleidsregels ontheffingen nevenactiviteiten
(vervallen)
- Beleidsregels ontheffing programmatitel commerciële omroep 2007
(vervallen)
- Beleidsregels ontheffing
programmatitel publieke omroep (vervallen)
- Beleidsregels ontheffing zendernaam commerciële omroep 2007
(vervallen)
- Beleidsregels programmaquota
(vervallen)
- Beleidsregels sponsoring commerciële omroep 2005
(vervallen)
- Beleidsregels sponsoring
publieke omroep 2005 (vervallen)
- Beleidsregels verenigingsactiviteiten
(vervallen)
- Besluit ontheffing reclame-uitingen
(vervallen)
- Besluit ontheffing zelfpromotie commerciële omroep
(vervallen)
- Besluit ontheffing zelfpromotie
publieke omroep (vervallen)
- Besluit overdracht bevoegdheid tot ontheffing verbod reclame-uitingen
binnenlandse omroep aan Commissariaat voor de Media (vervallen)
- Besluit
rechtspositie en bezoldiging voorzitter en leden Commissariaat
voor de Media (vervallen)
- Mediabesluit
(vervallen)
- Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële
radio-omroep 2003
- Regeling toezichtskosten
commerciële omroep (vervallen)
WET van 21 april 1987, houdende regels
betreffende de verzorging van radio- en televisieprogramma's, de
omroepbijdrage en de steunverlening aan persorganen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Omroepwet, de Wet op de omroepbijdragen en de Wet Voorziening Perswezen
1951 te vervangen door een wet, die regels geeft over de
omroepbijdragen, de verzorging van radio- en televisieprogramma's, de
uitzending daarvan door middel van omroepzenders en
draadomroepinrichtingen en de steunmaatregelen ten behoeve van
persorganen, opdat de verscheidenheid in radio, televisie en pers
gewaarborgd wordt en de samenhang in regelgeving ten aanzien van deze
media tot uitdrukking wordt gebracht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
b. media: alle gedrukte en elektronische vormen van
massacommunicatie;
c. omroep: een elektronische mediadienst die betrekking heeft op
het verzorgen en uitzenden van programma's;
d. televisie-omroep: een elektronische mediadienst die betrekking
heeft op het verzorgen en uitzenden van televisieprogramma's;
e. radio-omroep: een elektronische mediadienst die betrekking
heeft op het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's;
f. programma: een elektronisch product met beeld- of
geluidsinhoud, dat bedoeld is te worden uitgezonden en bestemd is
voor ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan, met
uitzondering van datadiensten, diensten die uitsluitend op
individueel verzoek beschikbaar zijn, en andere interactieve
diensten;
g. programma-onderdeel: een duidelijk afgebakend en als zodanig
herkenbaar onderdeel van een programma;
h. televisieprogramma: een programma met beeldinhoud, al dan niet
mede met geluidsinhoud;
i. teletekstprogramma: een televisieprogramma dat uitsluitend
bestaat uit stilstaande beelden die door de kijker in een door hem
bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden
geraadpleegd, en dat wordt uitgezonden op dezelfde frequentieruimte
die, onderscheidenlijk op hetzelfde kanaal dat, tevens wordt
gebruikt voor het uitzenden van een ander televisieprogramma of een
toetsbeeld;
j. radioprogramma: een programma met geluidsinhoud;
k. programma voor algemene omroep: een programma dat bestemd is
voor ontvangst door het algemene publiek;
l. programma voor bijzondere omroep: een programma dat gecodeerd
wordt uitgezonden en bestemd is voor ontvangst door een deel van het
algemene publiek, bestaande uit diegenen die met de omroepinstelling
die het programma verzorgt, een tot het ontvangst van het programma
strekkende overeenkomst hebben gesloten;
m. verzorgen van een programma: een omroepdienst, bestaande uit
het voorbereiden, samenstellen en uitvoeren van een programma;
n. uitzenden van een programma: een omroepdienst, bestaande uit
het al dan niet gecodeerd verspreiden van een programma naar het
algemene publiek of een deel daarvan door middel van een
omroepzender of een omroepnetwerk;
o. omroepzender: een radiozendapparaat als bedoeld in artikel
1.1, onderdeel ii, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of
mede gebruikt voor het uitzenden van programma's;
p. aanbieder van een omroepzender: de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die uitzendcapaciteit door middel van een omroepzender
ter beschikking stelt;
q. omroepnetwerk: elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel e, van de Telecommunicatiewet, dat wordt
gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma's te
verspreiden;
r. aanbieder van een omroepnetwerk: de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die uitzendcapaciteit door middel van een
omroepnetwerk ter beschikking stelt;
s. binnenlandse omroep: publieke omroep en commerciële omroep;
t. publieke omroep: omroep door instellingen die zendtijd hebben
verkregen en de Wereldomroep;
u. landelijke omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene
publiek in het gehele land;
v. regionale omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene
publiek in een provincie;
w. lokale omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene
publiek in een gemeente;
x. commerciële omroep: omroep door commerciële
omroepinstellingen;
y. Programmastichting: de Nederlandse Programma Stichting,
genoemd in artikel 15;
z. Stichting: de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel
16;
aa. raad van bestuur: de raad van bestuur van de Stichting;
bb. raad van toezicht: de raad van toezicht van de Stichting;
cc. college van omroepen: het college van omroepen van de
Stichting;
dd. commerciële omroepinstelling: een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een programma verzorgt, met uitzondering van de
instellingen die zendtijd hebben verkregen, de Wereldomroep en
overheidsinstellingen, en die voor de toepassing van deze wet onder
de bevoegdheid van Nederland valt;
ee. Wereldomroep: de Stichting Radio Nederland Wereldomroep,
genoemd in artikel 76;
ff. Bedrijf: de naamloze vennootschap Nederlands Omroepproduktie
Bedrijf N.V., genoemd in artikel 83;
gg. toetsbeeld: een stilstaand beeld dat dient om de ontvangst
van televisieprogramma's te testen en dat wordt uitgezonden
gedurende de tijd dat geen televisieprogramma wordt uitgezonden;
hh. zendtijd: de tijd gedurende welke een instelling met
toepassing van de artikelen 39 tot en met 39i of met toepassing van
artikel 42 in de gelegenheid wordt gesteld programma's voor
landelijke, regionale of lokale omroep uit te doen zenden door
middel van een omroepzender;
ii. kanaal: als eenheid aanwezige transmissieruimte op een
omroepnetwerk;
jj. reclame-uiting: reclameboodschap, telewinkelboodschap of
andere uiting die onmiskenbaar ten gevolge heeft dat het publiek
wordt bewogen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik
maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig wordt
gestemd ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een
bepaalde instelling zodat de verkoop van producten of de afname van
diensten wordt bevorderd;
kk. reclameboodschap: boodschap, niet zijnde een
telewinkelboodschap, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek
te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik
maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen
ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde
instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van
diensten te bevorderen;
ll. sponsoren van een programma-onderdeel: het verstrekken van
financiële of andere bijdragen door een overheidsbedrijf of
particuliere onderneming die zich gewoonlijk niet bezighoudt met
omroepactiviteiten of met de vervaardiging van audiovisuele
producties, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van een
programma-onderdeel, teneinde de uitzending daarvan als
programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te maken;
mm. sponsor: het overheidsbedrijf dat, of de particuliere
onderneming die een programma-onderdeel sponsort;
nn. sponsorbijdrage: de door een sponsor verstrekte bijdrage;
oo. faciliteiten: het geheel van personele en materiële middelen
ten behoeve van de realisering van programma's;
pp. evenement: een tevoren georganiseerde publieke gebeurtenis op
het terrein van sport en cultuur;
qq. sportwedstrijd: een wedstrijd of de voorbereiding op een
wedstrijd, georganiseerd door of onder auspiciën van de door het
NOC*NSF erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of
door vergelijkbare internationale, al dan niet overkoepelende
sportorganisaties, dan wel een andere wedstrijd of de voorbereiding
op een wedstrijd van een sport die door het NOC*NSF als sport is
aangemerkt;
rr. politieke partij: een politieke partij als bedoeld in artikel
1, onderdeel b, van de Wet subsidiëring politieke partijen;
ss. uitgever van een persorgaan: een rechtspersoon die een
persorgaan uitgeeft;
tt. dagbladmarkt: de door het Stimuleringsfonds voor de pers
vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van
persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten
minste zes keer per week verschijnen;
uu. nieuwsbladmarkt: de door het Stimuleringsfonds voor de pers
vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van
persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten
minste één keer en maximaal vijf keer per week verschijnen;
vv. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
ww. Europese richtlijn: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de
coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in de lid-staten inzake de uitoefening van
televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298);
xx. telewinkelboodschap: boodschap in een televisieprogramma die
bestaat uit een rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog
op de levering tegen betaling van producten of diensten;
yy. een open net: een televisieprogrammanet, waarop
televisieprogramma's voor algemene omroep worden uitgezonden, met
een bereik van ten minste 75% van alle huishoudens in Nederland,
waarvoor geen andere kosten verschuldigd zijn dan:
– het tarief dat een aanbieder van een omroepnetwerk aan de
aangeslotenen op het omroepnetwerk in rekening brengt voor de
ontvangst van een door de aanbieder met inachtneming van artikel
82i vast te stellen aantal programma's; of
– de kosten van aankoop of gebruik van technische
voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma's mogelijk
maken;
zz. netredactie: de netredactie van een televisie- of
radioprogrammanet, bedoeld in artikel 40d.
Artikel 2 [Vervallen per 15-12-1998]
Artikel 3
Onder reclame-uiting als bedoeld in artikel 1, onderdeel jj, wordt
niet verstaan het oproepen tot steun aan, of het gunstig stemmen ten
aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel,
godsdienstig, levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor
zover deze niet betrekking hebben op het kopen van een bepaald produkt
of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, die in de handel
verkrijgbaar is.
Artikel 4
1. Onder de bevoegdheid van Nederland vallen omroepinstellingen
die een televisieprogramma verzorgen en krachtens artikel 2 van de
Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid vallen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
omroepinstelling die een radioprogramma verzorgt met dien verstande dat
in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland valt een
omroepinstelling die een radioprogramma verzorgt dat in Nederland door
middel van een omroepzender, satellieten daaronder niet begrepen, wordt
uitgezonden.
Artikel 5 [Vervallen per 15-12-1998]
Artikel 6 [Vervallen per 22-11-1995]
Artikel 7 [Vervallen per 22-11-1995]
Artikel 8 [Vervallen per 22-11-1995]
Hoofdstuk II. Het Commissariaat voor de Media
Artikel 9
Er is een Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat heeft
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Hilversum.
Artikel 10
1. Het Commissariaat voor de Media bestaat uit een voorzitter
en twee of vier andere leden. Zij worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen.
2. Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren.
Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.
3. Met het lidmaatschap van het Commissariaat zijn onverenigbaar:
a. een betrekking in dienst bij een ministerie, of bij een
instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat onder de
verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is;
b. een lidmaatschap van een der Kamers van de Staten-Generaal, een
provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
c. een bestuurslidmaatschap bij – of een betrekking in dienst van
– een instelling die in aanmerking komt voor zendtijd voor
binnenlandse omroep, een commerciële omroepinstelling, het Bedrijf
dan wel een uitgever van een persorgaan.
4. Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag
alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van
financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het
Commissariaat wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden van
een betrekking die, of een lidmaatschap dat met het lidmaatschap van het
Commissariaat onverenigbaar is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de leden van
het Commissariaat en van zijn personeel.
Artikel 11
1. Het Commissariaat voor de Media neemt besluiten bij
meerderheid van stemmen. Van besluiten wordt zo spoedig mogelijk na de
bekendmaking mededeling gedaan aan Onze Minister.
2. Het Commissariaat kan slechts met instemming van alle leden
aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen tot het
uitvoeren van delen van zijn taak.
3. Het Commissariaat stelt regels ten aanzien van zijn
besluitvorming en werkwijze. Deze regels behoeven de instemming van Onze
Minister.
Artikel 12
1. De kosten van het Commissariaat voor de Media worden door
Onze Minister vergoed. Het Commissariaat stelt voor 1 november een
begroting vast voor het volgende kalenderjaar. De begroting behoeft de
instemming van Onze Minister.
2. Het Commissariaat brengt jaarlijks aan Onze Minister voor
1 september een financieel verslag uit over de eigen organisatie en
over het beheer, bedoeld in artikel 170c, vierde lid. Dit verslag gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de
rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel verslag behoeft de
instemming van Onze Minister.
3. Het Commissariaat stelt de in het tweede lid bedoelde stukken
algemeen verkrijgbaar.
4. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de
begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de
accountantscontrole.
Artikel 13
1. Besluiten van het Commissariaat voor de Media kunnen
gedurende zes weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister, dan
wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, bij koninklijk
besluit worden vernietigd.
2. Schorsing van besluiten van het Commissariaat kan slechts
plaatsvinden gedurende vier weken na de mededeling daarvan aan Onze
Minister.
3. Een koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging
van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 13a
1. Het Commissariaat voor de Media verstrekt desgevraagd aan
Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde
inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens
en bescheiden, voor zover dat voor vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
2. Indien naar het oordeel van Onze Minister het Commissariaat
zijn taken niet of niet naar behoren uitvoert, kan Onze Minister, na
overleg met het Commissariaat, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
3. Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.
Artikel 13b
1. Het Commissariaat voor de Media stelt jaarlijks voor 1 juni
een verslag op van zijn werkzaamheden, het gevoerde beleid in het
algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn
werkzaamheden in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het
verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar
gesteld. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der
Staten-Generaal.
2. Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid
van het functioneren van het Commissariaat.
Hoofdstuk III. De publieke omroep
Titel 1. De taak van de publieke omroep
Artikel 13c
1. De publieke omroep heeft tot taak:
a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van een
pluriform en kwalitatief hoogstaand aanbod van programma's voor
algemene omroep op het gebied van informatie, cultuur, educatie en
verstrooiing en deze in ieder geval door middel van omroepzenders te
verspreiden naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de
programma's zijn bestemd en voor de ontvangst waarvan geen andere
kosten verschuldigd zijn dan de kosten van aankoop of gebruik van
technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken;
b. het verrichten van alle activiteiten met betrekking tot
programmaverzorging en uitzending die daartoe nodig zijn;
c. het verzorgen en uitzenden van programma's, bestemd voor landen
en gebieden buiten Nederland en voor Nederlanders die buiten de
landsgrenzen verblijven.
2. De programma's van de publieke omroep geven op evenwichtige
wijze een beeld van de samenleving en van de onder de bevolking levende
interesses en inzichten op maatschappelijk, cultureel en
levensbeschouwelijk gebied, en:
a. zijn toegankelijk voor de gehele bevolking in het
verzorgingsgebied waarvoor de programma's zijn bestemd;
b. dragen bij aan de ontwikkeling en verspreiding van de
pluriformiteit en culturele diversiteit in Nederland;
c. zijn onafhankelijk van commerciële invloeden en, behoudens het
bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden; en
d. zijn gericht op zowel een breed en algemeen publiek als op
bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en
samenstelling.
3. De publieke omroep kan mede invulling geven aan zijn taak,
bedoeld in het eerste lid, door tevens te voorzien in andere dan de in
het eerste lid, onderdeel a, bedoelde wijzen van aanbod en verspreiding
van programmamateriaal.
Titel 2. Omroepinstellingen
Afdeling 1. Omroepverenigingen
Artikel 14
1. Een omroepvereniging is een vereniging die voldoet aan de
volgende eisen:
a. de vereniging heeft volledige rechtsbevoegdheid;
b. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend,
althans hoofdzakelijk ten doel, ter uitvoering van de taak van de
publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, op landelijk niveau een
programma voor algemene omroep te verzorgen en alle activiteiten met
betrekking tot programmaverzorging en uitzending te verrichten die
daartoe nodig zijn;
c. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten ten doel in haar
programma een bepaalde, in de statuten aangeduide, maatschappelijke,
culturele of godsdienstige dan wel geestelijke stroming te
vertegenwoordigen en zich in haar programma te richten op de
bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele of
godsdienstige dan wel geestelijke behoeften.
2. Voor de toepassing van deze wet worden onder leden van een
omroepvereniging verstaan die leden die tenminste zestien jaren oud
zijn, in Nederland woonplaats hebben, en hun contributie, die is
vastgesteld met inachtneming van artikel 64, hebben voldaan.
Afdeling 2. De Nederlandse Programma Stichting
Artikel 15
1. De Nederlandse Programma Stichting verzorgt een programma
dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het
volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke
behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma’s van
de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben
verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.
2. Het bestuur van de Programmastichting bestaat uit een
voorzitter en zes andere leden.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter en de andere leden van het
bestuur. Voor benoeming komen in aanmerking personen die deskundig zijn
op het gebied van het programma dat de Programmastichting verzorgt.
4. De leden van het bestuur worden telkens voor een termijn van
vier jaren benoemd. Herbenoeming voor een aansluitende periode is
éénmaal mogelijk.
5. Naast ontslag op eigen verzoek van een bestuurder is ontslag
alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid.
Artikel 15a
1. De Programmastichting heeft een programmaraad, die het
bestuur adviseert over het programma dat de Programmastichting
verzorgt.
2. De programmaraad bestaat uit een voorzitter en negentien
andere leden.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter van de programmaraad. De
andere leden van de programmaraad worden benoemd door maatschappelijke
en culturele organisaties die daartoe door Onze Minister zijn
aangewezen.
4. De leden van de programmaraad worden telkens voor een termijn
van vijf jaren benoemd. De leden die in de loop van de vijfjarige
termijn zijn benoemd, treden tegelijk met de andere leden af. De leden
zijn terstond herbenoembaar.
5. De programmaraad regelt zijn werkzaamheden. Deze regels
behoeven de instemming van het bestuur van de Programmastichting.
Artikel 15b
1. Wijzigingen in de statuten van de Programmastichting
behoeven de instemming van Onze Minister.
2. Het bestuur van de Programmastichting kan niet besluiten tot
ontbinding van de Programmastichting.
Afdeling 3. De Nederlandse Omroep Stichting
§ 1. Taken
Artikel 16
1. De Nederlandse Omroep Stichting is het samenwerkings- en
coördinatieorgaan van de landelijke omroep.
2. Naast andere taken die de Stichting heeft op grond van deze
wet, is zij belast met:
a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie binnen de
landelijke omroep met het oog op de uitvoering van de publieke
omroeptaak, bedoeld in artikel 13c;
b. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten,
van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep;
c. het verzorgen van een programma;
d. het iedere zes maanden maken van verslagen, waarin de
uitgezonden programma-onderdelen van de Stichting, de
Programmastichting en de omroepverenigingen zowel per afzonderlijke
omroepinstelling, per televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet,
als voor de genoemde omroepinstellingen gezamenlijk worden opgesomd en
ingedeeld overeenkomstig de omschrijvingen, bedoeld in de artikelen
40, tweede en vierde lid, 50, eerste tot en met derde lid, 51, eerste
lid, 51b, tweede en derde lid, 51d, tweede lid, 54, eerste tot en met
vierde lid, en 54a, eerste en derde lid.
e. de vertegenwoordiging, na overleg met Onze Minister, van de
instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen en
de Wereldomroep als geheel, in internationale organisaties op het
gebied van radio- en televisieprogramma’s en het uitzenden daarvan,
alsmede de medewerking aan de oprichting van zodanige organisaties;
f. het, na toestemming van Onze Minister, meewerken aan een
Europees televisieprogramma, dat mede op het Nederlandse publiek is
gericht, in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen;
g. het ter beschikking stellen van programma’s aan het
buitenland;
h. het behartigen van aangelegenheden die van gemeenschappelijk
belang zijn voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep;
i. het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd
hebben verkregen voor landelijke omroep;
j. het opstellen van een begroting als bedoeld in artikel 99;
k. het in samenwerking met de Wereldomroep binnen de grenzen van de
de begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd sluiten van
collectieve arbeidsovereenkomsten, mede in naam van de instellingen
die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering
van politieke partijen;
l. het in samenwerking met de Wereldomroep vaststellen van normen
voor de honorering van losse medewerkers, mede in naam van de
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met
uitzondering van politieke partijen;
m. de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, waaronder het bevorderen van een doelmatige
inzet van de door Onze Minister beschikbaar gestelde bedragen, bedoeld
in artikel 101, eerste lid;
n. het inrichten, instandhouden, beheren en het regelen van het
gebruik van organen, diensten en hulpmiddelen, die nodig zijn voor een
goede uitvoering van de onder a tot en met m genoemde taken, voor
zover dit niet behoort tot de in artikel 83 bedoelde taak van het
Bedrijf.
3. De verslagen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden
gezonden aan het Commissariaat voor de Media.
4. De Stichting is bevoegd om binnen het kader van haar taak,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel h, in naam van de gezamenlijke
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep,
overeenkomsten met derden aan te gaan.
5. In het kader van haar taak, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel h, draagt de Stichting zorg voor de totstandkoming van een
gedragscode ter bevordering van goed bestuur en integriteit ten behoeve
van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep. Een gedragscode als bedoeld in de eerste volzin heeft in elk
geval betrekking op:
a. aanbevelingen terzake van bestuurlijke organisatie, waaronder
beloningen en toezicht;
b. gedragsregels terzake van integer handelen;
c. gedragsregels terzake van publieke en transparante
verantwoording en verslaglegging;
d. procedures voor de behandeling van meldingen en vermoedens over
mogelijke misstanden; en
e. toezicht en naleving van de gedragscodes.
Artikel 17
De Stichting verzorgt het teletekstprogramma voor landelijke omroep.
§ 2. De organisatie
Artikel 18
De Stichting heeft drie organen: een raad van toezicht, een raad van
bestuur en een college van omroepen.
Artikel 18a
1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en zes
andere leden.
2. De voorzitter en de andere leden worden benoemd bij koninklijk
besluit.
Ten aanzien van één van de andere leden kunnen de ondernemingsraden
van de Stichting, de Programmastichting en de omroepverenigingen die een
erkenning hebben verkregen gezamenlijk personen voor benoeming
aanbevelen.
3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een
termijn van 5 jaar. Herbenoeming voor een aansluitende periode is
éénmaal mogelijk.
4. Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar
met:
a. het lidmaatschap van het college van omroepen;
b. het lidmaatschap van de raad van bestuur;
c. het lidmaatschap van een netredactie;
d. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij
een instelling die zendtijd heeft verkregen;
e. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij
een commerciële omroepinstelling;
f. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal,
een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
g. het werkzaam zijn bij een ministerie of bij een instelling, een
dienst of een bedrijf, ressorterende onder de verantwoordelijkheid van
een minister;
h. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of
instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede
vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid
van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan
zijn.
5. De raad van toezicht kan leden van het Commissariaat voor de
Media uitnodigen vergaderingen van de raad van toezicht bij te wonen.
Artikel 18b
1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op
het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken in
de Stichting.
De raad van toezicht staat de raad van bestuur met advies terzijde.
Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht
zich naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke
omroep.
2. De raad van toezicht is voorts belast met:
a. het vaststellen van de jaarrekening;
b. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van
de raad van bestuur.
3. De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de
goedkeuring van de raad van toezicht:
a. het vaststellen van het concessiebeleidsplan en het tussentijds
concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste en derde lid;
b. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel
30b, zevende lid;
c. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 99;
d. het vaststellen van het jaarverslag, bedoeld in artikel 23a;
e. investeringen die een in de statuten vastgesteld bedrag te boven
gaan;
f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de
Stichting met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien deze
samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de
Stichting of voor andere instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep;
g. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers;
h. ingrijpende wijziging in de arbeidsomstandigheden van een
aanmerkelijk aantal werknemers.
4. De raad van bestuur en de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep verstrekken aan de raad van toezicht
desgevraagd en tijdig alle voor de uitvoering van diens taak benodigde
inlichtingen.
Artikel 18c
1. Het college van omroepen bestaat uit een voorzitter en een
aantal andere leden.
2. Het college van omroepen heeft tot taak de raad van toezicht
en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging van advies te
dienen over het programmabeleid van de landelijke publieke omroep.
3. Het college van omroepen is als volgt samengesteld:
a. omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die een
erkenning hebben verkregen, alsmede de Programmastichting benoemen elk
één lid;
b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke
grondslag die zendtijd hebben verkregen, benoemen gezamenlijk één
lid;
c. de programmadirecteur van de Stichting, genoemd in artikel 19a,
vierde lid, is lid met raadgevende stem.
4. De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben
verkregen kunnen elk één waarnemer in het college van omroepen
aanwijzen.
5. Het lidmaatschap van het college van omroepen is onverenigbaar
met:
a. het lidmaatschap van de raad van bestuur; en
b. het lidmaatschap van een netredactie.
6. Het college van omroepen wijst uit zijn midden de voorzitter
aan.
7. Het college van omroepen regelt zijn eigen werkwijze.
8. Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de
programmadirecteur van de Stichting, genoemd in artikel 19a, vierde lid.
Artikel 19
1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee
andere leden. De voorzitter en de andere leden zijn in dienst van de
Stichting.
2. De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de raad
van toezicht. Beslissingen van de raad van toezicht tot benoeming
behoeven de instemming van Onze Minister.
3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd voor een
periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is
eenmaal mogelijk.
4. De raad van toezicht stelt de arbeidsvoorwaarden van de leden
van de raad van bestuur vast.
5. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is onverenigbaar met:
a. het lidmaatschap van een orgaan van, en een dienstbetrekking
bij, een instelling die zendtijd heeft verkregen, met uitzondering van
de Stichting Etherreclame;
b. het lidmaatschap van een netredactie.
6. De raad van bestuur regelt zijn eigen werkwijze.
7. Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Artikel 19a
1. Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van
bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:
a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de Stichting,
waaronder de verzorging van haar programma;
b. het sluiten van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel
30b, zevende lid;
c. het vaststellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel
30b, eerste lid;
d. het vaststellen van het tussentijds concessiebeleidsplan,
bedoeld in artikel 30b, derde lid;
e. het vaststellen van de netprofielen van de landelijke televisie-,
onderscheidenlijk radioprogrammanetten, inhoudende de programmatische
uitgangspunten van een herkenbare programmering op de onderscheiden
televisie- en radioprogrammanetten als bedoeld in artikel 40, tweede
en vierde lid, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens
artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald
ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en
radioprogrammanetten;
f. het vaststellen van een reglement voor de coördinatie van de
programma-onderdelen voor televisie, onderscheidenlijk voor radio, op
en tussen de verschillende programmanetten;
g. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten,
van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep;
h. het vaststellen van nadere regelingen ter uitvoering van de
wettelijke taken van de Stichting, met uitzondering van de taken,
bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdelen c en f.
2. De raad van bestuur vertegenwoordigt de Stichting in en buiten
rechte. De statuten van de Stichting kunnen de bevoegdheid tot
vertegenwoordiging, bedoeld in de vorige volzin, bovendien toekennen aan
een of meer leden van de raad van bestuur of aan anderen.
3. De raad van bestuur is voorts belast met alles wat niet
uitdrukkelijk tot de taak of bevoegdheid van de raad van toezicht
behoort.
4. Ten behoeve van de verzorging van het programma van de
Stichting benoemt de raad van bestuur een programmadirecteur. De
programmadirecteur is in dienst van de Stichting. De functie van
programmadirecteur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van
toezicht en van de raad van bestuur.
Artikel 19b
1. De raad van bestuur gaat geen overeenkomsten als bedoeld in
artikel 16, vierde lid, aan en neemt de besluiten, bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdelen b tot en met e, niet dan nadat het college
van omroepen in de gelegenheid is gesteld daarover binnen een daartoe
door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn zijn zienswijze
te geven.
2. Het uitblijven van een zienswijze na het verstrijken van de
termijn staat aan het aangaan van de desbetreffende overeenkomst of het
nemen van het desbetreffende besluit door de raad van bestuur niet in de
weg.
3. Indien uit de zienswijze van het college van omroepen blijkt
dat hij niet instemt met (belangrijke onderdelen van) een voorgenomen
overeenkomst of een voorgenomen besluit en de raad van bestuur zijn
voornemen ongewijzigd wenst te handhaven, legt de raad van bestuur de
voorgenomen overeenkomst dan wel het door de raad van bestuur
vastgestelde besluit tezamen met de zienswijze van het college van
omroepen ter instemming voor aan de raad van toezicht.
Artikel 20
Het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel f, bevat in ieder geval:
a. een regeling inzake de voorbereiding van de zendtijdindeling
door de raad van bestuur;
b. een nadere regeling inzake de coördinatie van
programma-onderdelen op en tussen de verschillende programmanetten,
gericht op een evenwichtig programma-aanbod voor publieksgroepen van
verschillende omvang en samenstelling, gespreid over de
verschillende programmanetten, rekening houdend met de netprofielen
van de onderscheiden programmanetten;
c. een regeling die beoogt tegen te gaan dat op hetzelfde
tijdstip op verschillende programmanetten gelijksoortige
programma-onderdelen worden uitgezonden;
d. een regeling die beoogt te bevorderen dat op hetzelfde
tijdstip op verschillende programmanetten nieuwe
programma-onderdelen beginnen;
e. een regeling inzake het verwijzen naar programma-onderdelen op
andere programmanetten;
f. een nadere regeling inzake de uitoefening van de bevoegdheid
van de raad van bestuur om in het kader van de coördinatie, bedoeld
in onderdeel b, de beoogde uitzenddag of het beoogde uitzendtijdstip
van een programma-onderdeel te wijzigen of een programmaonderdeel
niet op te nemen in het uitzendschema;
g. de vaststelling van het in artikel 40d, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde deel van de zendtijd tussen 16.00 uur en 24.00 uur;
h. een nadere regeling inzake de wijze waarop het totstandkomen
van afspraken als bedoeld in artikel 40, zesde lid, wordt bevorderd.
§ 3. Overige bepalingen
Artikel 21
1. Onverminderd artikel 48, zijn de volgende besluiten van de
raad van bestuur bindend voor de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep, voor zover deze besluiten hen
aangaan:
a. de besluiten omtrent het indelen van de zendtijd van de
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de besluiten omtrent de bekostiging van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
c. de besluiten omtrent vaststelling van het coördinatiereglement,
bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f;
d. de besluiten omtrent de coördinatie, op en tussen de
verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
e. de besluiten omtrent vaststelling van een nadere regeling als
bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel h;
f. de besluiten omtrent de toepassing van artikel 22;
g. de besluiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in de
artikelen 40, vijfde en zevende lid, 50, negende lid, 51, tweede lid,
54, zevende lid, en 54a, vierde lid, voor zover niet reeds vallend
onder de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
2. De raad van bestuur ziet erop toe dat de besluiten, bedoeld in
het eerste lid, worden nageleefd.
Artikel 22
De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van
de Stichting zijn bevoegd inlichtingen te verlangen van instellingen die
zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23
1. De Stichting verstrekt Onze Minister alle inlichtingen met
betrekking tot de werkzaamheden van de Stichting.
2. Onze Minister kan inzage verlangen van zakelijke gegevens en
bescheiden van de Stichting, voor zover dat voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23a
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 mei een
jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar. In het jaarverslag
wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Stichting, het
gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en
doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.
2. De raad van bestuur zendt het verslag aan Onze Minister en
stelt het algemeen verkrijgbaar.
Artikel 24
1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting behoeven de
instemming van Onze Minister.
2. De raad van bestuur kan niet besluiten tot ontbinding van de
Stichting.
Afdeling 4. Educatieve omroepinstellingen
Artikel 25
1. Een educatieve omroepinstelling is een instelling die
voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. zij stelt zich uitsluitend ten doel het verzorgen van een breed
en samenhangend educatief programma op het gebied van onderwijs,
scholing en vorming;
c. zij heeft blijkens de statuten een bestuur, dat zodanig is
samengesteld dat deskundigen uit de kring van representatieve
landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en
vorming daarin zitting hebben; en
d. zij in de statuten een regeling heeft opgenomen die voorziet in
de instelling van een programmaraad die het programmabeleid bepaalt.
De programmaraad heeft een zodanige samenstelling dat deze voorziet in
representatieve vertegenwoordiging van maatschappelijke en
levensbeschouwelijk organisaties op het terrein van onderwijs,
scholing en vorming.
2. De statuten alsmede wijzigingen daarvan behoeven de instemming
van Onze Minister.
Afdeling 5. De Stichting Etherreclame
Artikel 26
1. De Stichting Etherreclame verzorgt een programma voor
algemene omroep dat bestaat uit reclameboodschappen en
telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een
omlijsting daarvan.
2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame bestaat uit een
voorzitter en vier andere leden.
3. De leden van het bestuur worden door Onze Minister benoemd en
ontslagen. Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de
Stichting. Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.
4. Onze Minister kan twee waarnemers aanwijzen. Deze waarnemers
hebben in het bestuur een raadgevende stem.
Artikel 27
1. Het bestuur van de Stichting Etherreclame stelt de tarieven
vast voor het door haar in haar programma opnemen van
reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.
2. Een besluit tot vaststelling van de tarieven wordt terstond
aan Onze Minister medegedeeld.
3. Binnen één maand na ontvangst van het besluit kan Onze
Minister het besluit geheel of ten dele vernietigen. Bij dit besluit kan
Onze Minister zelf de tarieven vaststellen, dan wel bepalen dat het
bestuur van de Stichting Etherreclame opnieuw ter zake een besluit neemt
met inachtneming van het besluit van Onze Minister.
4. Ter zake van het nieuwe besluit van het bestuur van de
Stichting Etherreclame zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 28
De inkomsten die de Stichting Etherreclame verwerft stelt zij, na
aftrek van haar door Onze Minister goedgekeurde uitgaven, ter
beschikking van Onze Minister. De afgedragen inkomsten dienen ter
bestrijding van de kosten verbonden aan:
a. de vergoedingen aan instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen;
b. de Wereldomroep;
c. het Europees programma, bedoeld in artikel 16, tweede lid,
onderdeel f;
d. de uitkering uit de inkomsten van de Stichting Etherreclame
ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers als bedoeld in
artikel 128;
e. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de
advisering ten aanzien van radio, televisie, pers en andere vormen
van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag;
f. het Commissariaat voor de Media;
g. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de
massacommunicatie;
h. uitkeringen door Onze Minister aan het fonds, bedoeld in
artikel 170;
i. vergoedingen aan het Bedrijf ten behoeve van de uitvoering van
de taak, bedoeld in artikel 83;
j. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen
instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van
een omroeparchief;
k. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen
instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van
omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek;
l. een door Onze Minister aan te wijzen overlegorgaan van lokale
omroepinstellingen en bijdragen aan regionale en lokale omroep ten
behoeve van minderhedenprogrammering;
m. een landelijk orgaan dat informatie verstrekt en anderszins
ondersteuning biedt aan de programmaraden, bedoeld in artikel 82k,
eerste lid.
Artikel 28a
1. De Stichting Etherreclame doet jaarlijks voor 1 augustus aan
Onze Minister een opgave toekomen van de inkomsten die zij naar
verwachting in het volgende kalenderjaar zal verwerven. Zij doet
bovendien jaarlijks voor 1 september aan Onze Minister een opgave
toekomen van de inkomsten die zij naar verwachting in het lopende
kalenderjaar zal verwerven.
2. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van deze
opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat voor de Media, de
Stichting en de Wereldomroep.
Artikel 29
1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting Etherreclame
behoeven de instemming van Onze Minister.
2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame kan niet besluiten
tot ontbinding van de stichting.
Afdeling 6. Lokale en regionale omroepinstellingen
Artikel 30
Een lokale, onderscheidenlijk regionale omroepinstelling, is een
instelling die voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. zij stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans
hoofdzakelijk ten doel, ter uitvoering van de taak van de publieke
omroep, bedoeld in artikel 13c, op lokaal, onderscheidenlijk
regionaal niveau een programma voor algemene omroep te verzorgen en
alle activiteiten met betrekking tot programmaverzorging en
uitzending te verrichten die daartoe nodig zijn. Het programma is in
zodanige mate gericht op de bevrediging van de in de gemeente of
provincie, of een deel van de provincie waarop de omroepinstelling
zich richt, levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en
geestelijke behoeften, dat de instelling geacht kan worden van
algemeen nut te zijn; en.
c. zij heeft op grond van de statuten een orgaan dat het
programmabeleid bepaalt. Dit orgaan heeft een zodanige samenstelling
dat het representatief is voor de belangrijkste in de gemeente of
provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en
geestelijke stromingen. De leden van dit orgaan worden op voordracht
van de omroep benoemd door het College van Burgemeester en
Wethouders, respectievelijk Gedeputeerde Staten.
Titel 3. De landelijke omroep
§ 1. Concessieverlening voor landelijke omroep
Artikel 30a
1. Ten behoeve van de verwezenlijking van de in artikel 13c,
eerste lid, onderdelen a en b, en tweede en derde lid, bedoelde taak
van de publieke omroep op landelijk niveau wordt aan de Stichting een
concessie voor landelijke omroep verleend.
2. De concessie wordt op voordracht van Onze Minister bij
koninklijk besluit telkens verleend voor een periode van 10 jaar en
treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
3. Indien de Stichting zijn uit de wet voortvloeiende taak
ernstig verwaarloost, kunnen, gehoord de Stichting, bij algemene
maatregel van bestuur voorzieningen worden getroffen.
Artikel 30b
1. Ten behoeve van de concessieverlening doet de Stichting een
concessiebeleidsplan voor de landelijke omroep toekomen aan het
Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het
concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze
Minister.
2. In het concessiebeleidsplan is in elk geval opgenomen:
a. de wijze waarop met inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens deze wet gedurende de concessieperiode door de instellingen
die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk en
individueel invulling wordt gegeven aan de taakopdracht van de
landelijke omroep, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve
doelstellingen die betrekking hebben op het programma-aanbod en het
publieksbereik van de landelijke publieke omroep;
b. een overzicht van de daartoe naar verwachting benodigde
organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en
c. de wijze van samenwerking met de Wereldomroep.
3. Gedurende de concessieperiode doet de Stichting voor het
verstrijken van een periode van vijf jaren een tussentijds
concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaren toekomen aan het
Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het tussentijds
concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze
Minister.
4. Het concessiebeleidsplan en het tussentijds
concessiebeleidsplan worden door de raad van bestuur opgesteld na
overleg met de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep en voorzover het de samenwerking met de Wereldomroep
betreft, de Wereldomroep.
5. Over het concessiebeleidsplan en het tussentijds
concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor
cultuur.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent het tijdstip waarop het concessiebeleidsplan en
het tussentijds concessiebeleidsplan moeten worden ingediend.
7. Mede op basis van het concessiebeleidsplan en het tussentijds
concessiebeleidsplan worden de doelstellingen met betrekking tot het
programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep
vastgelegd in een prestatieovereenkomst tussen Onze Minister en de
Stichting. De duur van de prestatieovereenkomst is gelijk aan de periode
waarvoor de erkenningen en voorlopige erkenningen, bedoeld in de
artikelen 31 en 37, zijn verleend.
8. De prestatieovereenkomst regelt voorts de maatregelen bij niet
naleving van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en
bevat een procedure die voorziet in tussentijdse wijziging indien
veranderde inzichten of omstandigheden dat gewenst maken.
9. De in het zevende lid bedoelde prestatieovereenkomst heeft
geen betrekking op de inhoud van programma's of programmaonderdelen.
Artikel 30c
1. Gedurende de concessieperiode draagt de Stichting zorg voor
een regelmatige beoordeling van de wijze waarop door de Stichting en
de overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep uitvoering wordt gegeven aan de taakopdracht van de landelijke
omroep. Een beoordeling als bedoeld in de vorige volzin vindt in elk
geval plaats telkens voor afloop van een periode van vijf jaar.
2. Ter uitvoering van het eerste lid stelt de Stichting telkens
een commissie in, die bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke
deskundigen. Bij de samenstelling van de commissie draagt de Stichting
er zorg voor dat deze zoveel mogelijk representatief is voor het kijk-
en luisterpubliek.
3. De leden van de commissie worden op voordracht van de raad van
bestuur en gehoord Onze Minister benoemd door de raad van toezicht. Een
commissie wordt ingesteld en de leden worden benoemd voor de duur van de
werkzaamheden van de commissie.
4. Een commissie als bedoeld in het tweede lid heeft tot taak de
wijze waarop uitvoering is gegeven aan de taakopdracht van de landelijke
omroep te beoordelen. Daartoe rapporteert de commissie in elk geval
over:
a. de wijze waarop de Stichting en de overige instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk via het
programma-aanbod invulling hebben gegeven aan de taakopdracht van de
landelijke omroep;
b. de wijze waarop de afzonderlijke instellingen die zendtijd
hebben verkregen voor landelijke omroep hebben bijgedragen aan de
verwezenlijking van de taakopdracht van de landelijke omroep;
c. de mate waarin met het programma-aanbod is voldaan aan de
interesses en inzichten van het algemene publiek, alsmede van
specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen;
d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot
instelling of die door Onze Minister zijn aangegeven.
5. De commissie kan aanbevelingen doen voor de volgende periode
van vijf jaar omtrent de taakopdracht en doelstellingen van de
landelijke omroep en de wijze waarop daaraan uitvoering kan worden
gegeven.
6. De commissie brengt van zijn werkzaamheden en bevindingen voor
1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de periode waarvoor
de concessie, bedoeld in artikel 30a en de erkenningen, bedoeld in
artikel 31, zijn verleend eindigt, een rapport uit en zendt dit aan de
raad van toezicht.
7. De raad van toezicht maakt het rapport openbaar.
§ 2. Erkenning van omroepinstellingen voor programmaverzorging voor
landelijke omroep
Artikel 31
1. Voor programmaverzorging voor landelijke omroep kan Onze
Minister omroepverenigingen en één educatieve omroepinstelling
erkennen.
2. Erkenningen worden eenmaal in de vijf jaren verleend voor een,
voor alle erkende omroepinstellingen tegelijk aanvangende periode van
vijf jaren, met dien verstande dat het tijdstip waarop de erkenningen in
werking treden samenvalt met het tijdstip waarop de concessie, bedoeld
in artikel 30a, in werking treedt, dan wel met het tijdstip waarop de
vijfjaarlijkse perioden, bedoeld in artikel 30b, derde lid, aanvangen.
3. Een omroepvereniging komt slechts in aanmerking voor een
erkenning, indien:
a. de omroepvereniging in het jaar voorafgaande aan de periode van
erkenning, zendtijd als omroepvereniging heeft gehad; en
b. door het Commissariaat voor de Media is vastgesteld dat de
omroepvereniging ten minste 150 000 leden heeft.
4. Een erkenning geeft aan de erkende omroepinstelling gedurende
de periode waarvoor erkenning is verleend recht op zendtijd en een
financiële bijdrage voor de verzorging van het programma.
5. Een erkende omroepinstelling is verplicht gedurende de periode
waarvoor erkenning is verleend een televisie- en een radioprogramma voor
landelijke omroep te verzorgen.
Artikel 32
1. Een erkenning wordt op aanvraag verleend en heeft betrekking
op de verzorging van zowel televisie- als radioprogramma's. De
aanvraag wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media, die deze
voorzien van zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister
zendt.
2. Een aanvraag voor een erkenning gaat vergezeld van een
beleidsplan. Een aanvraag van een omroepvereniging bevat tevens een
opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de
omroepvereniging.
3. Het beleidsplan, bedoeld in het tweede lid, bevat in elk geval
het voorgenomen programmabeleid van de omroepinstelling, met
inachtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen
ten aanzien van de programma's voor landelijke omroep, alsmede de
voornemens en afspraken met betrekking tot de samenwerking met andere
aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de Stichting
of de Programmastichting, mede in het licht van de uitvoering van de
taak van de publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, de concessie,
bedoeld in artikel 30a, eerste lid, en de daaraan verbonden
voorschriften en aanwijzingen. Het deel van het beleidsplan dat
betrekking heeft op de samenwerking met andere aanvragers, de Stichting
of de Programmastichting, kan door de desbetreffende aanvragers,
onderscheidenlijk door de desbetreffende aanvragers in overeenstemming
met de Stichting of de Programmastichting, gezamenlijk worden ingediend.
4. De vaststelling van het aantal leden door het Commissariaat
geschiedt op een door Onze Minister te bepalen peildatum.
5. Het Commissariaat kan nadere regels stellen omtrent de
gegevens die door de omroepverenigingen ten behoeve van de vaststelling
van het aantal leden ter beschikking worden gesteld, de wijze waarop
deze gegevens ter beschikking worden gesteld, en de wijze waarop de
vaststelling geschiedt.
Artikel 33
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de inhoud van het beleidsplan, bedoeld in artikel
32, tweede lid, het tijdstip waarop en de wijze waarop aanvragen voor
een erkenning worden ingediend, de terinzagelegging van de aanvragen en
de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen.
Artikel 34
Alvorens op de ingediende aanvragen voor een erkenning of voorlopige
erkenning te beslissen vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor
cultuur.
Artikel 34a [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 34b [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 36
1. Een aanvraag voor een erkenning wordt
afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de artikelen 14, eerste lid, 25
of 31, derde lid.
2. Een aanvraag voor een erkenning kan daarnaast slechts worden
afgewezen, indien:
a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens de artikelen 32,
tweede tot en met vijfde lid, en 33 gesteld vereiste;
b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn
handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij zendtijd heeft
gehad, niet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zal
houden; of
c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister
onvoldoende blijkt dat:
1°. indien het een omroepvereniging betreft in het
programmabeleid de identiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt;
2°. het programma voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze
wet gestelde eisen;
3°. de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde
lid, bestaat.
3. Een aanvraag voor een erkenning van een omroepvereniging die
een voorlopige erkenning heeft verkregen en aansluitend voor een
erkenning in aanmerking wenst te komen, kan tevens worden afgewezen,
indien gedurende de periode waarvoor een voorlopig erkenning is
verkregen, onvoldoende is gebleken dat het programma voldoet aan de
vereisten, bedoeld in artikel 37a, eerste lid.
Artikel 36a
1. Indien een omroepvereniging of de educatieve
omroepinstelling die een erkenning heeft verkregen, tijdens de periode
waarvoor erkenning is verleend wijzigingen wil aanbrengen in zijn
beleidsplan, brengt hij de voorgenomen wijzigingen ter kennis van Onze
Minister.
2. De wijzigingen kunnen worden aangebracht, indien Onze Minister
niet binnen acht weken nadat hij van de voorgenomen wijzigingen in
kennis is gesteld, daartegen bedenkingen heeft ingebracht.
3. Onze Minister brengt uitsluitend bedenkingen in tegen
voorgenomen wijzigingen, indien hij een aanvraag voor een erkenning,
vergezeld van het beleidsplan zoals het zou luiden na het aanbrengen van
de voorgenomen wijzigingen, zou hebben afgewezen op een of meer van de
gronden, bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c.
Artikel 36b
1. Onze Minister trekt een erkenning in, indien de
omroepvereniging respectievelijk de educatieve omroepinstelling niet
meer voldoet aan artikel 14, eerste lid, respectievelijk artikel 25.
2. Onze Minister kan een erkenning intrekken, indien het
Commissariaat aan de omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling
binnen een periode van een jaar ten minste tweemaal terzake van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet een sanctie heeft
opgelegd, waaronder ten minste eenmaal een sanctie als bedoeld in
artikel 46, eerste lid.
3. Indien aan een omroepvereniging of de educatieve
omroepinstelling voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als
bedoeld in artikel 103a is opgelegd, dan wel indien een omroepvereniging
of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel van de raad van
bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking,
bedoeld in artikel 32, derde lid, kan de raad van bestuur Onze Minister
verzoeken de erkenning in te trekken.
Artikel 36c [Vervallen per 01-09-2000]
§ 3. Voorlopige erkenning van omroepverenigingen voor
programmaverzorging voor landelijke omroep
Artikel 37
1. Voor programmaverzorging voor
landelijke omroep kan Onze Minister omroepverenigingen voorlopig
erkennen.
2. Voorlopige erkenningen worden eenmaal in de vijf jaren
verleend voor een, voor alle voorlopig erkende omroepverenigingen
tegelijk aanvangende, periode van vijf jaren, samenvallend met de
erkenningsperiode, bedoeld in artikel 31, tweede lid.
3. Een omroepvereniging komt slechts in aanmerking voor een
voorlopige erkenning, indien:
a. de omroepvereniging geen erkenning als bedoeld in artikel 31
heeft verkregen; en
b. door het Commissariaat voor de Media is vastgesteld dat de
omroepvereniging ten minste 50 000 leden heeft.
4. Artikel 31, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 37a
1. Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op aanvragen
voor een voorlopige erkenning, met dien verstande dat uit het
beleidsplan tevens dient te blijken dat het programma dat de
omroepvereniging voornemens is te verzorgen, naar inhoud en strekking
zodanig afwijkt van de door de omroepverenigingen die een erkenning
hebben verkregen verzorgde programma's, dat het de verscheidenheid in
de landelijke omroep vergroot en daarmee een vernieuwende bijdrage
levert aan de verwezenlijking van de taakopdracht van de landelijke
omroep.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de inhoud van het beleidsplan, het tijdstip
waarop en de wijze waarop aanvragen voor een voorlopige erkenning worden
ingediend, de terinzagelegging van de aanvragen en de termijn waarbinnen
besluiten op een aanvraag worden genomen.
Artikel 37b
1. Een aanvraag voor een voorlopige erkenning wordt afgewezen,
indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 14, eerste
lid, en 37, derde lid.
2. Een aanvraag voor een voorlopige erkenning kan daarnaast
slechts worden afgewezen, indien:
a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens artikel 37a gesteld
vereiste;
b. aannemelijk is dat de aanvrager zich niet aan de bij of
krachtens de wet gestelde voorschriften zal houden; of
c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister
onvoldoende blijkt dat in het programmabeleid de identiteit van de
aanvrager tot uitdrukking komt, het programma voldoet aan de daaraan
bij of krachtens deze wet gestelde eisen of de bereidheid tot
samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, bestaat.
Artikel 37c [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 37d [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 37e [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 38
De artikelen 36a en 36b zijn van overeenkomstige toepassing op
omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, met
dien verstande dat bedenkingen als bedoeld in artikel 36a, derde lid,
tegen voorgenomen wijzigingen in het beleidsplan van een
omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen,
uitsluitend kunnen worden ingebracht indien een aanvraag voor een
voorlopige erkenning zou zijn afgewezen op een of meer van de gronden,
bedoeld in artikel 37b, tweede lid, onderdelen a en c.
Titel 4. De zendtijd en de programmanetten
Afdeling 1. Landelijke Omroep
§ 1. Beschikbaarstelling en toewijzing van zendtijd
Artikel 39
1. De omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen,
hebben jaarlijks de beschikking over de volgende hoeveelheid zendtijd:
a. omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de
erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij 300 000 of meer leden
hebben: 650 uren voor televisie en 3000 uren voor radio;
b. omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de
erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij ten minste 150 000, doch
minder dan 300 000 leden hebben: 325 uren voor televisie en 1500 uren
voor radio.
2. De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben
verkregen, hebben jaarlijks de beschikking over 100 uren zendtijd voor
televisie en 450 uren zendtijd voor radio.
3. De educatieve omroepinstelling die een erkenning heeft
verkregen, heeft jaarlijks de beschikking over 500 uren zendtijd voor
televisie en 475 uren zendtijd voor radio.
4. De omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling zijn
gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan het aantal uren
zendtijd voor televisie, onderscheidenlijk radio, bedoeld in het eerste
tot en met derde lid, worden herzien indien het aantal
omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning hebben
verkregen, daartoe aanleiding geeft.
Artikel 39a
1. De Programmastichting heeft per jaar de beschikking over 650
uren zendtijd voor televisie en 3000 uren zendtijd voor radio.
2. De Programmastichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken
dan de zendtijd, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 39a1
1. De Stichting heeft per jaar de beschikking over 1.300 uren
zendtijd voor televisie en 1.500 uren zendtijd voor radio.
2. De Stichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de
zendtijd, bedoeld in het eerste lid.
3. De Stichting heeft tevens, met uitsluiting van de andere
instellingen die zendtijd hebben verkregen, de beschikking over zendtijd
voor een teletekstprogramma voor landelijke omroep. Deze zendtijd is
gelijk aan de tijd dat door middel van de desbetreffende omroepzenders
het programma van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep, of een toetsbeeld wordt uitgezonden.
4. In afwijking van het derde lid, is het toegestaan dat de
Stichting Etherreclame, met inachtneming van artikel 39b, een
deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma voor landelijke omroep
gebruikt.
Artikel 39b
De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de totale
gebruikte zendtijd voor landelijke omroep. Dit percentage is niet hoger
dan tien en kan verschillen voor televisie en voor radio.
Artikel 39c
1. Onze Minister stelt jaarlijks vast hoeveel zendtijd voor
landelijke televisie-omroep, onderscheidenlijk radio-omroep,
beschikbaar is voor de instellingen die in aanmerking komen voor
toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep door het Commissariaat
voor de Media overeenkomstig de artikelen 39f tot en met 39h.
2. Het Commissariaat voor de Media wijst de zendtijd, bedoeld in
het eerste lid, jaarlijks toe.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de periode waarin en de wijze waarop aanvragen voor toewijzing
van zendtijd worden ingediend, de termijn waarbinnen besluiten op een
aanvraag worden genomen, en het tijdstip waarop de toewijzing van
zendtijd in werking treedt.
Artikel 39d [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 39e [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 39f
1. Het Commissariaat voor de Media kan
eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren zendtijd voor
landelijke omroep toewijzen aan kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag, dan wel aan rechtspersonen waarin twee of meer
van deze genootschappen samenwerken. De zendtijd vervalt na afloop van
deze periode.
2. De kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag die zendtijd hebben verkregen, zijn gerechtigd de verzorging
van hun programma’s op te dragen aan hetzij de Stichting, hetzij een
omroepvereniging die zendtijd heeft verkregen, hetzij een door hen in
het leven geroepen orgaan.
Artikel 39g
1. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor
landelijke omroep toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden
verkiezing van de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een of
meer zetels hebben verworven.
2. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor landelijke
omroep toe aan politieke partijen die in alle kieskringen aan de
verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
deelnemen, alsmede aan politieke partijen die in Nederland aan de
verkiezing van leden van het Europees Parlement deelnemen. In afwijking
van artikel 39c, tweede lid, wordt deze zendtijd niet jaarlijks
toegewezen, doch uitsluitend in een door het Commissariaat te bepalen
periode, onmiddellijk voorafgaande aan de dag die in Nederland voor de
desbetreffende verkiezing is vastgesteld.
3. Indien een politieke partij op grond van de artikelen 137c, d,
e, f, of g, of artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht, is
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, wijst het Commissariaat
voor de Media, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan deze
politieke partij geen zendtijd toe gedurende een periode die ingaat op
de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze periode
is:
a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder
dan € 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder
dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.
4. Indien aan de lijst van een politieke partij aan de lijst
waarvan op de dag waarop de veroordeling, bedoeld in het derde lid,
onherroepelijk wordt, op grond van de Kieswet geen zetels zijn
toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden toegewezen,
gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij geen zendtijd
als bedoeld in het eerste lid wordt toegewezen, in op de dag waarop de
verkiezing heeft plaatsgevonden.
5. Na een veroordeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de
politieke partij, zo nodig in afwijking van het derde lid, onder a, in
ieder geval geen zendtijd als bedoeld in het tweede lid toegewezen
binnen twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is
geworden.
Artikel 39h
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, op
voordracht van Onze Minister-President na overleg met Onze Minister,
regels gesteld met betrekking tot het toewijzen van zendtijd voor
landelijke omroep door het Commissariaat voor de Media ten behoeve van
overheidsvoorlichting. Bij deze algemene maatregel van bestuur kan
tevens worden bepaald dat, in afwijking van artikel 39a1, derde
lid, daarvoor ook een deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma
voor landelijke omroep kan worden toegewezen.
2. De zendtijd wordt toegewezen aan de ministers voor het gebruik
door overheidsinstellingen of personen die daartoe door hen zijn
aangewezen.
Artikel 39i
1. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen
of voor bijzondere doeleinden zendtijd toewijzen boven de zendtijd,
bedoeld in artikel 39c, eerste lid.
2. Over de met toepassing van het eerste lid toegewezen zendtijd
bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, derde lid.
§ 2. De televisie- en radioprogrammanetten
Artikel 40
1. Voor landelijke televisie-omroep door instellingen die
zendtijd hebben verkregen, zijn gedurende de concessieperiode, bedoeld
in artikel 30a, tweede lid, drie televisieprogrammanetten beschikbaar:
TV 1, 2 en 3.
2. De programmering op de onderscheiden televisieprogrammanetten
omvat onderdelen van culturele, educatieve, informatieve en
verstrooiende aard en bevat in elk geval programma-onderdelen die
bestaan uit nieuws en actualiteiten. De programmering richt zich tevens
op programma-onderdelen of bevolkings- en leeftijdsgroepen voor zover
die met betrekking tot de televisieprogrammanetten zijn aangegeven bij
of krachtens het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid,
onderdeel a, 19a, eerste lid, onderdeel e, 30a en 30b. De programmering
is voorts zodanig dat op de onderscheiden televisieprogrammanetten een
herkenbare programmering wordt bereikt.
3. Voor landelijke radio-omroep door instellingen die zendtijd
hebben verkregen, zijn gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel
30a, tweede lid, vijf radioprogrammanetten beschikbaar: Radio 1, 2, 3, 4
en 5.
4. De programmering op de radioprogrammanetten omvat onderdelen
van culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard en bevat
in elk geval programma-onderdelen die bestaan uit nieuws en
actualiteiten en een gevarieerd aanbod van muziek. De programmering
richt zich op programma-onderdelen en bevolkingsen leeftijdsgroepen voor
zover die met betrekking tot de radioprogrammanetten zijn aangegeven bij
of krachtens het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid,
onderdeel a, 19a, eerste lid, onderdeel e, 30a en 30b. De programmering
is voorts zodanig dat op de onderscheiden radioprogrammanetten een
herkenbare programmering wordt bereikt.
5. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat de op de televisie- en radioprogrammanetten uit te
zenden programma-onderdelen passen binnen het kader dat bij of krachtens
het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid, onderdeel a, 19a,
eerste lid, onderdeel e, 30a, 30b, en dit artikel voor het
desbetreffende programmanet wordt aangegeven.
6. Ten behoeve van de in het vijfde lid bedoelde taak bevordert
de raad van bestuur dat voor de onderscheiden televisie- en
radioprogrammanetten afspraken tussen de Stichting en de instellingen
die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep tot stand komen
over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die betrekking
hebben op het programma-aanbod en het publieksbereik op de onderscheiden
programmanetten, alsmede de wederzijdse inspanningen en bijdragen ten
behoeve van de programmering op de programmanetten.
Artikel 40a [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 40b [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 40c [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 40d
1. Ten behoeve van de coördinatie op een
televisieprogrammanet wordt de raad van bestuur bijgestaan door een
netredactie die als volgt is samengesteld:
a. de instellingen, wier zendtijd voor televisie krachtens artikel
41b, eerste lid, onderdelen a en b, is ingedeeld op het desbetreffende
programmanet benoemen elk één lid;
b. de instellingen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame,
de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, de
politieke partijen en de overheid, van wie een bij het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
te bepalen belangrijk deel van de zendtijd tussen 16.00 uur en 24.00
uur is ingedeeld op het desbetreffende programmanet benoemen elk één
lid;
c. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag, wier zendtijd is ingedeeld op het desbetreffende
programmanet, benoemen gezamenlijk één lid.
2. Ten behoeve van de coördinatie op een radioprogrammanet wordt
de raad van bestuur bijgestaan door een netredactie die bestaat uit een
aantal leden dat gelijk is aan het aantal instellingen wier zendtijd op
het desbetreffende programmanet is ingedeeld, met uitzondering van de
Stichting Etherreclame, de politieke partijen en de overheid. Iedere
instelling benoemt één lid, met uitzondering van de instellingen,
genoemd in de vorige volzin.
3. Het lidmaatschap van een netredactie is onverenigbaar met het
lidmaatschap van het bestuur van een omroepvereniging, de educatieve
omroepinstelling of de Programmastichting.
Artikel 40e [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 40f [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 40g [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 40h [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 40i [Vervallen per 01-09-2000]
§ 3. Indeling van zendtijd
Artikel 41
1. De raad van bestuur deelt jaarlijks,
de zendtijd voor landelijke omroep in.
2. De raad van bestuur kan, voor zover nodig, de zendtijdindeling
herzien, indien:
a. met toepassing van artikel 36b of artikel 38 een erkenning,
onderscheidenlijk een voorlopige erkenning, wordt ingetrokken;
b. met toepassing van een van de artikelen 45 tot en met 47 de aan
een instelling toegewezen zendtijd voor landelijke omroep wordt
ingetrokken of verminderd; of
c. tussentijds door het Commissariaat voor de Media aan een
instelling zendtijd voor landelijke omroep wordt toegewezen.
3. De raad van bestuur kan voorts de zendtijdindeling herzien,
voor zover hij dat nodig acht:
a. in het kader van de coördinatie, op en tussen de verschillende
programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; of
b. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde
van de zendtijdindeling.
Artikel 41a
1. Met inachtneming van artikel 39b wordt de zendtijd van de
Stichting Etherreclame zodanig ingedeeld, dat:
a. deze zendtijd per dag op een programmanet niet meer bedraagt dan
vijftien procent van de op dat programmanet gebruikte zendtijd;
b. deze zendtijd per klokuur niet meer bedraagt dan twaalf minuten;
c. op zondagen de programma-onderdelen van de Stichting
Etherreclame niet onmiddellijk voorafgaan aan of aansluiten op
programma-onderdelen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard,
tenzij de voor dat programma-onderdeel verantwoordelijke instelling
die zendtijd heeft verkregen, daartegen geen bedenkingen heeft
ingebracht; en
d. de programmaonderdelen van de andere instellingen die zendtijd
hebben verkregen voor landelijke omroep, slechts worden onderbroken
door programmaonderdelen van de Stichting Etherreclame, indien:
1°. het te onderbreken programmaonderdeel langer duurt dan
anderhalf uur voor televisie, onderscheidenlijk drie kwartier voor
radio;
2°. het programmaonderdeel bestaat uit het verslag of de
weergave van een evenement;
3°. het programmaonderdeel het volledige verslag van het
evenement bevat;
4°. de onderbreking geschiedt tijdens de in het evenement
voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende
zelfstandige onderdelen;
5º. de onderbreking ten minste anderhalve minuut duurt voor
televisie, onderscheidenlijk één minuut voor radio;
6º. de voor het programmaonderdeel verantwoordelijke instelling
die zendtijd heeft verkregen, geen bedenkingen heeft ingebracht
tegen de onderbreking wegens afbreuk aan de integriteit, het
karakter of de samenhang van het programmaonderdeel; en
7º. de onderbreking geen afbreuk doet aan de rechten van
rechthebbenden.
2. Programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep, kunnen ten hoogste eenmaal per
vijfenveertig minuten voor televisie, onderscheidenlijk ten hoogste
eenmaal per dertig minuten voor radio, worden onderbroken door een
programmaonderdeel van de Stichting Etherreclame.
3. Programmaonderdelen van godsdienstige of geestelijke aard en
programmaonderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen
beneden de leeftijd van twaalf jaar, worden niet onderbroken door
programmaonderdelen van de Stichting Etherreclame.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld
worden omtrent de indeling van zendtijd van de Stichting Etherreclame
direct voorafgaande aan of direct volgend op programma-onderdelen die in
het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van
twaalf jaar.
5. De zendtijd voor televisie van de Stichting Etherreclame kan
slechts worden ingedeeld met inachtneming van een minimum duur van
anderhalve minuut per blok.
Artikel 41b
1. Met inachtneming van artikel 41a wordt de zendtijd voor
landelijke televisie-omroep zodanig ingedeeld, dat:
a. de programmaonderdelen van de Programmastichting tussen 16.00
uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde televisieprogrammanet wordt
uitgezonden;
b. de programmaonderdelen van een omroepvereniging die zendtijd
heeft verkregen, tussen 16.00 uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde
televisieprogrammanet worden uitgezonden; en
c. op ieder televisieprogrammanet in ieder geval dagelijks tussen
16.00 uur en 24.00 uur programmaonderdelen van instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.
2. De raad van bestuur kan in het kader van de coördinatie op en
tussen de verschillende programmanetten tot ten hoogste 325 uren per
jaar per instelling afwijken van het eerste lid, onderdelen a en b.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het
teletekstprogramma.
Artikel 41c
1. Met inachtneming van de artikelen 40, vierde lid, en 41a
wordt de zendtijd voor landelijke radio-omroep zodanig ingedeeld, dat:
a. de programmaonderdelen van de omroepverenigingen welke niet de
wens te kennen hebben gegeven dat hun programmaonderdelen op alle
radioprogrammanetten worden uitgezonden, op ten minste een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal
radioprogrammanetten worden uitgezonden;
b. op ten minste twee radioprogrammanetten 24 uur per dag
programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, worden uitgezonden; en
c. op de overige radioprogrammanetten in ieder geval dagelijks
tussen 07.00 uur en 24.00 uur programmaonderdelen van instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald hoeveel
uren zendtijd voor radio van een omroepvereniging jaarlijks ten minste
op de radioprogrammanetten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
zullen worden ingedeeld.
Afdeling 2. Lokale en regionale omroep
Artikel 42
1. Het Commissariaat voor de Media kan voor lokale en regionale
omroep zendtijd toewijzen aan een lokale onderscheidenlijk een
regionale omroepinstelling, op aanvraag van die instelling.
2. Er kan per gemeente slechts aan één lokale omroepinstelling
zendtijd worden toegewezen. Indien meer dan één omroepinstelling aan
de eisen voldoet die deze wet aan een lokale omroepinstelling stelt,
bevordert het College van Burgemeester en Wethouders het samengaan van
die instellingen. Indien het college daarin niet slaagt wijst het
Commissariaat de zendtijd toe aan één van de instellingen. Het slaat
daarbij acht op alle factoren die voor het functioneren van de
instelling van belang kunnen zijn. Het Commissariaat kan daarbij tevens
op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 51f, tweede lid, de
dagen en uren aanwijzen waarop de programma’s van de lokale
omroepinstelling en de regionale omroepinstelling worden uitgezonden op
de voor de lokale omroepinstelling aangewezen omroepzender.
3. Aan een omroepinstelling wier programma bestemd is voor meer
dan één gemeente of provincie, wordt alleen dan voor dat gebied
zendtijd toegewezen, indien de gemeenteraden of Provinciale Staten van
de desbetreffende gemeenten of provincies het in artikel 43, eerste lid,
bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.
4. De zendtijd voor lokale en regionale omroep wordt telkenmale
voor tenminste vijf jaar toegewezen. Het Commissariaat kan jaarlijks de
totale hoeveelheid zendtijd voor lokale of regionale omroep toewijzen.
Het Commissariaat kan de dagen, uren en programmanetten aanwijzen waarop
de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
lokale en regionale omroep zullen worden uitgezonden.
5. De wijze waarop aanvragen tot toewijzing van zendtijd worden
ingediend, de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen en
de termijn waarop adviezen worden uitgebracht en waarop beslissingen
inzake toewijzing of intrekking van zendtijd voor lokale en regionale
omroep in werking treden, worden bij algemene maatregel van bestuur
geregeld.
6. Indien zendtijd is toegewezen aan een lokale of regionale
omroepinstelling kan het Commissariaat zendtijd toewijzen voor lokale en
regionale omroep aan een gemeente en provincie ten behoeve van
overheidsvoorlichting. Deze zendtijd bedraagt ten hoogste vijf percent
van de zendtijd toegewezen aan de omroepinstelling. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.
7. Indien aan een lokale of regionale omroepinstelling zendtijd
is toegewezen voor een televisieprogramma, is het die instelling tevens
toegestaan een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden en heeft
zij tevens zendtijd voor een teletekstprogramma dat op dezelfde
frequentieruimte tegelijkertijd met het televisieprogramma of met het
toetsbeeld wordt uitgezonden.
8. Toewijzing van zendtijd aan een regionale instelling die
binnen twee jaar in de plaats komt van een instelling die eerder
zendtijd voor regionale omroep had verkregen, houdt in dat de
eerstgenoemde voor de toepassing van deze wet wordt gezien als
rechtsopvolger van de laatstgenoemde.
Artikel 43
1. De toewijzing van zendtijd aan lokale en regionale
omroepinstellingen geschiedt eerst nadat de gemeenteraad dan wel
Provinciale Staten heeft respectievelijk hebben geadviseerd over de
vraag of de instelling aan de eisen voldoet die deze wet stelt.
2. De gemeenteraad dan wel Provinciale Staten brengt
respectievelijk brengen éénmaal in de vijf jaren aan het Commissariaat
voor de Media advies uit over de vraag of de lokale of regionale
omroepinstelling naar zijn of hun oordeel nog voldoet aan de in artikel
30 gestelde eisen. Indien binnen deze termijn ernstige twijfel bestaat
of de lokale of regionale omroepinstelling nog aan de in artikel 30
gestelde eisen voldoet, kan het Commissariaat een tussentijds advies
vragen.
3. Er wordt slechts zendtijd toegewezen aan regionale
omroepinstellingen voor welke het provinciebestuur heeft verklaard zorg
te dragen voor de bekostiging van het functioneren van die instelling.
Artikel 43a
Het is een lokale of regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is
toegewezen, toegestaan programma-onderdelen te verzorgen die bestaan uit
reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door
derden, alsmede een omlijsting daarvan.
Artikel 43b
1. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a
en 50, achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting
Etherreclame is van overeenkomstige toepassing op de verzorging door
lokale en regionale omroepinstellingen van programma-onderdelen als
bedoeld in artikel 43a.
2. Lokale en regionale omroepinstellingen die
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, dragen
er zorg voor dat zij rechtstreeks of door middel van een
belangenorganisatie aangesloten zijn bij de Nederlandse Reclame Code of
een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte
regeling en ter zake onderworpen zijn aan het toezicht van de Stichting
Reclame Code. Zij tonen dit aan door middel van een aan het
Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van
de Stichting Reclame Code.
Artikel 43c
1. De inkomsten die worden verworven door de uitzending van de
in artikel 43a bedoelde programma-onderdelen worden, na aftrek
van de kosten die verband houden met de verzorging van die
programma-onderdelen en het met toepassing van artikel 128
vastgestelde bedrag, aangewend voor de verzorging van de overige
programma-onderdelen.
2. Lokale en regionale omroepinstellingen die
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen,
voldoen jaarlijks het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag
aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat stelt dit bedrag
ter beschikking van Onze Minister.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de wijze waarop inzicht moet worden verschaft in de
financiën die op de exploitatie van de verzorging en uitzending van de
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a betrekking
hebben.
4. Artikel 64, eerste lid, onderdeel d, is van
overeenkomstige toepassing op lokale en regionale omroepinstellingen die
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, en hun
medewerkers.
Artikel 43d [Vervallen per 01-01-1996]
Afdeling 3. Het vervallen, intrekken en herzien van zendtijd
Artikel 44
De zendtijd van een omroepvereniging en de educatieve
omroepinstelling die een erkenning of een voorlopige erkenning heeft
verkregen, vervalt op het tijdstip waarop de erkenning of voorlopige
erkenning vervalt of wordt ingetrokken.
Artikel 45
1. Het Commissariaat voor de Media trekt de met toepassing van
een van de artikelen, 39f, 39g of 42 toegewezen zendtijd in, wanneer
de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan de eisen die worden
gesteld om voor toewijzing in aanmerking te komen.
2. Indien van een instelling de toegewezen zendtijd is
ingetrokken op grond van het eerste lid, kan zij gedurende één jaar
daarna geen aanvraag tot toewijzing van zendtijd indienen.
3. In afwijking van het eerste lid trekt het Commissariaat de
zendtijd die is toegewezen aan een lokale of regionale omroepinstelling
die niet meer voldoet aan een in artikel 30, onderdeel b of c, gesteld
vereiste, niet in dan nadat de desbetreffende omroepinstelling gedurende
vier maanden, gerekend van de dag waarop dit feit is geconstateerd, in
de gelegenheid is gesteld wederom aan dit vereiste te voldoen en zij
daarin niet is geslaagd.
4. De aan een lokale of regionale omroepinstelling toegewezen
zendtijd kan door het Commissariaat worden ingetrokken indien de lokale
of regionale omroepinstelling in een periode van een jaar geen
programma, dat voldoet aan de eisen van deze wet, heeft verzorgd dat
gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is
uitgezonden.
5. Het Commissariaat stelt de gemeente, respectievelijk de
provincie in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen
alvorens te beslissen over intrekking van de zendtijd.
Artikel 45a
Indien aan een politieke partij met toepassing van artikel 39g, derde
lid, geen zendtijd meer wordt toegewezen, dan vervalt met ingang van de
dag waarop de veroordeling, bedoeld in artikel 39g, derde lid,
onherroepelijk is geworden, ook de zendtijd die reeds is toegewezen van
rechtswege.
Artikel 46
1. Indien de Programmastichting, een omroepvereniging of de
educatieve omroepinstelling die een erkenning of een voorlopige
erkenning heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij
of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de
aan de desbetreffende instelling ter beschikking gestelde zendtijd
voor een periode van ten hoogste twaalf weken intrekken.
2. In geval van zendtijdintrekking als bedoeld in het eerste lid
wordt de zendtijd die krachtens artikel 39, eerste tot en met derde lid,
onderscheidenlijk artikel 39a, eerste lid, in het jaar waarin de
intrekking plaatsvindt aan de desbetreffende instelling ter beschikking
is gesteld, van rechtswege evenredig verminderd.
3. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het
eerste lid is ingetrokken, is artikel 39, vierde lid, onderscheidenlijk
artikel 39a, tweede lid, niet van toepassing.
4. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het
eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld
in artikel 104, eerste lid.
Artikel 46a
1. Indien een andere instelling dan bedoeld in artikel 46,
eerste lid, die zendtijd heeft verkregen, niet voldoet aan de
verplichtingen die bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht voor haar gelden, kan het Commissariaat
voor de Media de aan die instelling toegewezen zendtijd intrekken of
verminderen.
2. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het
eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld
in artikel 104, tweede en derde lid. Gedurende de periode waarvoor de
zendtijd op grond van het eerste lid is verminderd, wordt de vergoeding,
bedoeld in artikel 104, tweede en derde lid, evenredig verminderd.
Artikel 47
1. Indien aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor
landelijke omroep voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als
bedoeld in artikel 103a is opgelegd, dan wel indien een
omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel
van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid
tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, kan de raad van
bestuur het Commissariaat voor de Media verzoeken met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 46 en 46a de aan de desbetreffende
instelling toegewezen zendtijd in te trekken of te verminderen.
2. Bij een intrekking of vermindering van zendtijd voor
landelijke omroep krachtens artikel 46a, alsmede bij een tussentijdse
toewijzing van zendtijd op grond van een van de artikelen 39f tot en met
39h, kan het Commissariaat voor de Media, voor zover nodig, de
toewijzing van zendtijd aan de andere instellingen, bedoeld in de
artikelen 39f tot en met 39h, herzien.
Titel 5. Rechten en verplichtingen van de instellingen die zendtijd
hebben verkregen
Afdeling 1. Rechten en verplichtingen ten aanzien van de programma’s
Artikel 48
Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen bepaalt, onverminderd
het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma
en is verantwoordelijk voor hetgeen in haar zendtijd wordt uitgezonden.
Artikel 49
1. De omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die
zendtijd hebben verkregen, gebruiken de hun krachtens artikel 39,
eerste tot en met derde lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
2. De Programmastichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a,
eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
3. De Stichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a1,
eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
4. De overige instellingen die zendtijd voor landelijke omroep
hebben verkregen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame,
gebruiken de hun met toepassing van de artikelen 39f tot en met 39i
toegewezen zendtijd geheel.
Artikel 50
1. De zendtijd voor televisie van de omroepverenigingen
gezamenlijk wordt gebruikt voor een volledig programma, dat ten minste
omvat onderdelen van culturele, informatieve, educatieve en
verstrooiende aard.
2. Onverminderd het eerste lid, wordt jaarlijks van de zendtijd,
bedoeld in het eerste lid, ten minste vijfentwintig procent gebruikt
voor onderdelen van culturele aard en vijfendertig procent voor
onderdelen van informatieve of educatieve aard. Een deel van de
programma-onderdelen van culturele aard, dat ten minste gelijk is aan
twaalf en een half procent van de gebruikte zendtijd voor televisie van
de omroepverenigingen gezamenlijk, bestaat uit of heeft betrekking op
kunst.
3. Indien een programma-onderdeel van informatieve, educatieve of
verstrooiende aard tevens wat zijn inhoud betreft voor meer dan de helft
van culturele aard is, kan dit programma-onderdeel meegeteld worden bij
de berekening van het percentage programma-onderdelen van culturele
aard, bedoeld in het tweede lid.
4. De educatieve omroepinstelling gebruikt haar zendtijd geheel
voor een educatief programma.
5. Een kerkgenootschap gebruikt zijn zendtijd geheel voor een
kerkelijk programma.
6. Een genootschap op geestelijke grondslag gebruikt zijn
zendtijd geheel voor een programma op geestelijk terrein.
7. Een politieke partij gebruikt haar zendtijd geheel voor een
programma op politiek terrein.
8. De Stichting Etherreclame gebruikt haar zendtijd voor een
programma bestaande uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen
die zijn aangeboden door derden. Voor ten hoogste een derde deel kan de
zendtijd worden gebruikt voor omlijsting van de reclameboodschappen en
telewinkelboodschappen. Telewinkelboodschappen die in het programma van
de Stichting Etherreclame worden opgenomen duren elk ten hoogste één
minuut. Een blok als bedoeld in artikel 41a, vijfde lid, bestaat voor
ten hoogste tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen. Het
programma van de Stichting Etherreclame is als zodanig herkenbaar en
door optische of akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de
programma-onderdelen van de andere instellingen die zendtijd hebben
verkregen. In het programma van de Stichting Etherreclame wordt geen
gebruik gemaakt van subliminale technieken.
9. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd op de
televisieprogrammanetten voldoet aan het eerste en tweede lid.
Artikel 51
1. Op elk televisieprogrammanet wordt ten hoogste vijfentwintig
procent van de totale hoeveelheid zendtijd op het
televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep besteed aan programma-onderdelen van
verstrooiende aard.
2. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd op de
televisieprogrammanetten voldoet aan het eerste lid.
Artikel 51a [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 51b
1. De Programmastichting gebruikt haar
zendtijd geheel voor een programma dat bestaat uit onderdelen die
voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke,
culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit
programma te zamen met de programma’s van de andere instellingen die
zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld
oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en
geestelijke verscheidenheid in Nederland.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in het programma van
de Programmastichting worden opgenomen. Bij deze algemene maatregel van
bestuur kan tevens worden bepaald welke percentages van het programma
van de Programmastichting ten minste dienen te bestaan uit de
onderscheidene programma-onderdelen, bedoeld in de vorige zin.
3. Naast de programma-onderdelen, bedoeld in het tweede lid,
bevat het programma van de Programmastichting ten minste veertig procent
onderdelen van culturele aard, waarvan een deel dat ten minste gelijk is
aan twintig procent van de gebruikte zendtijd van de Programmastichting,
bestaat uit of betrekking heeft op kunst.
Artikel 51c
De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste en tweede lid,
en 51b, tweede en derde lid, gelden met betrekking tot televisie
zowel voor de gehele zendtijd die is gebruikt, als afzonderlijk voor de
zendtijd die is gebruikt tussen 16.00 uur en 24.00 uur.
Artikel 51d
1. De Stichting gebruikt haar zendtijd, bedoeld in artikel 39a1,
eerste en tweede lid, geheel voor een programma dat bestaat uit
onderdelen die zich bij uitstek voor een gezamenlijke verzorging
lenen. Hiertoe behoren die programma-onderdelen die een hoge
frequentie en vaste regelmaat van uitzending vereisen, een algemeen
dienstverlenend karakter dragen, of met een doelmatiger inzet van
omroepmiddelen beter gezamenlijk tot stand kunnen worden gebracht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in ieder geval in het
programma van de Stichting worden opgenomen.
Artikel 51e
Een regionale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een
programma dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van
informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder
betrekking hebben op de provincie waarvoor het programma bestemd is;
en
b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen percentage bestaat uit onderdelen die door haarzelf of
uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.
Artikel 51f
1. Een lokale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een
programma dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van
informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder
betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is; en
b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen percentage bestaat uit onderdelen die door haarzelf of
uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.
2. Het is een lokale omroepinstelling toegestaan met de regionale
omroepinstelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is, een
overeenkomst te sluiten met het oog op de samenwerking bij de verzorging
van haar radioprogramma, onderscheidenlijk televisieprogramma. Daarbij
kan worden overeengekomen dat de regionale omroepinstelling
programma-onderdelen produceert ten behoeve van de lokale
omroepinstelling. Tevens kan worden overeengekomen dat de lokale
omroepinstelling programma-onderdelen produceert ten behoeve van de
regionale omroepinstelling.
3. Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid wordt
overgelegd aan het Commissariaat voor de Media.
4. In afwijking van het eerste lid is het een lokale
omroepinstelling die een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid
heeft gesloten en deze aan het Commissariaat heeft overgelegd,
toegestaan haar zendtijd te gebruiken voor een radioprogramma,
onderscheidenlijk televisieprogramma, dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van
informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder
betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is, of
op de provincie waarbinnen die gemeente gelegen is, met dien verstande
dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
gedeelte daarvan in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente
waarvoor het programma bestemd is; en
b. voor ten minste het percentage, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, bestaat uit onderdelen die door haarzelf of door
de regionale omroepinstelling waarmee zij de overeenkomst heeft
gesloten, dan wel uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen
beiden, zijn geproduceerd, met dien verstande dat ten minste een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen gedeelte daarvan door
de lokale omroepinstelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is
geproduceerd.
Artikel 52
1. De programma’s van instellingen die zendtijd hebben
verkregen bevatten geen reclameboodschappen en telewinkelboodschappen
tenzij zulks bij deze wet uitdrukkelijk wordt toegestaan.
2. De programma’s als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts
geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een
reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht,
alsmede wanneer het is toegestaan dat programma’s reclame-uitingen
bevatten.
3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen
van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid. Hij kan deze
bevoegdheid delegeren aan het Commissariaat voor de Media.
4. Behoudens toestemming van het Commissariaat bevatten programma’s
van instellingen die zendtijd hebben verkregen geen oproepen in het
kader van ledenwerving, verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten.
Artikel 52a
1. Programma-onderdelen van instellingen die zendtijd hebben
verkregen worden niet gesponsord.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. programma-onderdelen van culturele aard;
b. programma-onderdelen, bestaande uit het verslag of de weergave
van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden;
c. programma-onderdelen bestaande uit het verslag of de weergave
van evenementen ten behoeve van ideële doeleinden.
3. Programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid worden niet
gesponsord indien:
a. deze geheel of gedeeltelijk bestaan uit nieuws, actualiteiten of
politieke informatie; of
b. in het bijzonder zijn bestemd voor minderjarigen beneden de
leeftijd van twaalf jaar.
Artikel 52b
1. In afwijking van de eerste volzin van artikel 52, tweede
lid, worden aan het begin of aan het einde van een gesponsord
programma-onderdeel van een instelling die zendtijd heeft verkregen,
ter informatie van het publiek alle sponsors vermeld.
2. Met betrekking tot een gesponsord programma-onderdeel voor
televisie duurt de vermelding van de sponsors in totaal ten hoogste vijf
seconden. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk.
Voor zover de vermelding niet plaatsvindt op de aan- of aftitelrol,
bestaat zij uitsluitend uit stilstaande beelden. De vermelding is niet
beeldvullend en is voorts zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan
de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.
3. In een gesponsord programma-onderdeel worden geen produkten of
diensten van een sponsor getoond of vermeld, indien deze een
sponsorbijdrage in geld heeft verstrekt.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een programma-onderdeel waarvoor een overheidsinstelling
of een andere instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een
financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de
totstandkoming of aankoop van dat programma-onderdeel, teneinde de
uitzending daarvan als programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te
maken.
Artikel 52c
Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is
aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als
programma is uitgezonden, zijn de artikelen 52a en 52b
slechts van toepassing, voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt
ten behoeve van de aankoop van het programma-onderdeel door de
instelling die zendtijd heeft verkregen.
Artikel 52d
1. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft
verkregen bevat geen programma-onderdelen die de lichamelijke,
geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien
jaar ernstige schade zouden kunnen toebrengen.
2. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft
verkregen mag slechts programma-onderdelen bevatten die schade kunnen
toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling
van personen jonger dan zestien jaar, indien die instelling is
aangesloten bij een door Onze Minister erkende organisatie als bedoeld
in artikel 53, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de regels en het
toezicht daarop van die erkende organisatie met betrekking tot het
uitzenden van de hiervoor bedoelde programma-onderdelen. De instelling
die zendtijd heeft verkregen en die is aangesloten toont dit aan door
middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen
schriftelijke verklaring van de erkende organisatie.
Artikel 53
1. Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in
regelingen omtrent classificatie en het uitzenden van
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 52d, tweede lid, en het
toezicht daarop. De regelingen hebben in ieder geval betrekking op:
a. criteria voor de classificatie van programma-onderdelen,
waaronder in ieder geval de mate waarin:
1°. angst wordt opgewekt;
2°. brutaliserend geweld wordt vertoond of gerechtvaardigd;
3°. het gebruik van drugs aantrekkelijk wordt voorgesteld of
vergoelijkt;
4°. sprake is van pornografie;
5°. op andere gronden volgens algemeen geldende opvattingen
producten niet geschikt zijn voor vertoning aan bepaalde
categorieën personen jonger dan zestien jaar;
b. de uitzendtijdstippen van de hiervoor bedoelde
programma-onderdelen;
c. de wijze waarop de uitzending van deze programma-onderdelen
wordt voorafgegaan door of is voorzien van symbolen of waarschuwingen.
2. Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden. Van
een beschikking tot erkenning wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
3. Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking
indien:
a. onafhankelijk toezicht door de organisatie op de naleving van de
regelingen, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd;
b. voorzien is in voldoende betrokkenheid van belanghebbenden,
waaronder in ieder geval vertegenwoordigers uit de consumentensfeer,
instellingen die zendtijd hebben verkregen, deskundigen op het gebied
van de audiovisuele media en producenten van audiovisuele media;
c. de financiële positie van de organisatie een adequate
uitvoering van de werkzaamheden waarborgt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de eisen bedoeld in het derde
lid en kunnen andere eisen ten aanzien van de erkenning worden gesteld.
5. Onze Minister trekt een erkenning in indien de organisatie
niet meer voldoet aan de bij of krachtens het eerste of derde lid
gestelde eisen. Onze Minister kan voorts een erkenning intrekken indien
de organisatie niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde
voorschriften of de in het vierde lid bedoelde nadere en andere eisen.
Van een beschikking tot intrekking wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen het eerste tot en
met vierde lid en artikel 52d, tweede lid, buiten werking worden gesteld
en kunnen regels worden gesteld omtrent het uitzenden van
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 52d, tweede lid, voor zover
dat noodzakelijk is voor een juiste en tijdige uitvoering van artikel 22
van de Europese richtlijn.
7. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het zesde
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van
wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de
Staten-Generaal ingediend. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan
wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet.
8. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.
Artikel 53a
Een instelling die zendtijd heeft verkregen neemt in haar programma
geen films op buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.
Artikel 54
1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid
zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig
procent besteed aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt
als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese
richtlijn.
2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste
vijfentwintig procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in
het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke
producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid
zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste
zeventieneneenhalf procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld
in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt
programma-onderdelen die niet zijn geproduceerd door:
a. een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft
verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;
b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma
verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar
dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent
heeft;
c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een
programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun
onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan
vijftig procent hebben; of
d. een vennootschap waarin een instelling die een programma
verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als
vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de
schulden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen
a tot en met d, bedoelde gevallen programma-onderdelen worden aangemerkt
als onafhankelijke producties.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende
programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:
a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met
uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve
aard, die mede het karakter van een spel hebben;
d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de
Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen,
genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.
6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale
omroep, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan
programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese
producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.
Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep,
besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan
programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden
aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin
en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde
bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.
8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld
in het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is
niet ouder dan vijf jaar.
Artikel 54a
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten
minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan
oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting
Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen
op geestelijke grondslag en politieke partijen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk
percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van
de Stichting Etherreclame, bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld
in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van
mensen met een auditieve beperking.
4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde
bij of krachtens het derde lid.
Afdeling 2. Overige rechten en verplichtingen
Artikel 55
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen zijn met al hun
activiteiten, behoudens het bepaalde in de artikelen 26, 43a,
52 en 52b, niet dienstbaar aan het maken van winst door derden.
Desgevraagd tonen zij dit ten genoegen van het Commissariaat voor de
Media aan.
2. Indien een instelling voornemens is een overeenkomst te
sluiten met een werknemer, een bestuurslid van de instelling of een van
hun huisgenoten, dan wel met een rechtspersoon waarin een of meer van de
genoemde personen alleen of tezamen een financieel belang hebben van
tenminste tien percent of ten aanzien waarvan zij tantième- of
winstrechten hebben, terwijl die overeenkomst geen betrekking heeft op
de relatie die de instelling met de betrokkene heeft als werknemer of
bestuurslid, meldt de instelling dit schriftelijk bij het Commissariaat
voor de Media onder overlegging van het ontwerp van de overeenkomst. Een
dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
3. Het bepaalde in de voorgaande leden heeft ten aanzien van de
educatieve omroepinstelling, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen,
genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen
uitsluitend betrekking op hun werkzaamheden die strekken tot de
verzorging van hun radio- en televisieprogramma's.
Artikel 55a
1. Onverminderd artikel 48 is het aan een instelling die
zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep uitsluitend toegestaan
overeenkomsten te sluiten met omroepinstellingen, dan wel met
rechtspersonen of vennootschappen waarmee bedoelde instellingen in een
groep zijn verbonden, indien die instelling het voornemen hiertoe
schriftelijk heeft gemeld bij de raad van bestuur, onder overlegging
van het ontwerp van de overeenkomst, en de raad van bestuur binnen
twee maanden niet heeft medegedeeld dat de desbetreffende overeenkomst
in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke
omroep. Een dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten die
worden gesloten met instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
binnenlandse omroep.
3. Het eerste lid heeft ten aanzien van de educatieve
omroepinstelling, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen,
genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen
uitsluitend betrekking op overeenkomsten die betrekking hebben op hun
werkzaamheden die strekken tot de verzorging van hun radio- en
televisieprogramma's.
Artikel 55b
1. Het is aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor
landelijke omroep uitsluitend toegestaan activiteiten als bedoeld in
artikel 13c, derde lid, te verrichten, indien die instelling het
voornemen daartoe schriftelijk heeft gemeld bij de raad van bestuur,
en de raad van bestuur niet binnen twee maanden heeft meegedeeld dat
het verrichten van de desbetreffende activiteiten in strijd is met het
gemeenschappelijke belang van de landelijke omroep.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel
13c, derde lid.
3. Dit artikel is niet van toepassing op overheidsinstellingen,
kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke
partijen.
Artikel 56
1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen draagt er zorg
voor dat noch de leden van het bestuur, noch haar werknemers,
behoudens met toestemming van het bestuur, en andere personen of
rechtspersonen waarmee de instelling een overeenkomst heeft gesloten
met het oog op de verzorging van haar programma voor zichzelf, voor
andere personen of voor rechtspersonen een op geld waardeerbaar
voordeel van derden bedingen of aanvaarden, dat direct of indirect
verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling.
2. De in het eerste lid bedoelde toestemming geeft de instelling
slechts indien de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is
bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn
werkzaamheden voor de instelling bieden of bevorderen van mogelijkheden
tot het maken van winst door derden of het dienstbaar maken van het
radio- of televisieprogramma aan reclamedoeleinden.
3. Voor personen die werken in dienst van een persoon of
rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft
gesloten met een instelling die zendtijd heeft verkregen, wordt die
persoon of rechtspersoon ten opzichte van degenen die in zijn dienst
werken niet aangemerkt als een derde.
Artikel 56a
1. Onverminderd artikel 52a, eerste en derde lid, mogen
instellingen die zendtijd hebben verkregen, sponsorbijdragen
uitsluitend rechtstreeks van de sponsors en door middel van een
schriftelijke overeenkomst bedingen of aanvaarden.
2. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep, doen binnen één week na de totstandkoming van een overeenkomst
als bedoeld in het eerste lid, doch in ieder geval vóór de beoogde
datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst
betrekking heeft, een afschrift hiervan toekomen aan de raad van
bestuur.
3. Indien de raad van bestuur een dergelijke overeenkomst in
strijd acht met het gemeenschappelijk belang van de landelijke omroep,
en de raad van bestuur dit binnen twee weken na ontvangst van het
afschrift van de overeenkomst, doch in ieder geval vóór de beoogde
datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst
betrekking heeft, schriftelijk heeft medegedeeld aan de instelling die
de overeenkomst heeft overgelegd, neemt deze instelling het
programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, niet in
haar programma op, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.
4. Indien de overeenkomst wordt gewijzigd, zijn het tweede en
derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, bedingen of
aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of
instellingen:
a. die zich voornamelijk bezighouden met de produktie of verkoop
van sigaretten of andere tabaksprodukten, of
b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden
gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in
onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het
publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het
(beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in
onderdeel a betreft.
6. Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland
is aangekocht en ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als
programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing, voor
zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop
van het programma-onderdeel door de instelling die zendtijd heeft
verkregen.
Artikel 57
1. Alle activiteiten en werkzaamheden van een instelling die
zendtijd heeft verkregen, die niet rechtstreeks verband houden met of
ten dienste staan van de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel
13c, eerste lid, worden aangemerkt als nevenactiviteiten, met
uitzondering van de verenigingsactiviteiten van een omroepvereniging.
2. Met het verrichten van een nevenactiviteit wordt gelijkgesteld
het hebben van een direct of indirect belang in een rechtspersoon die
een dergelijke activiteit verricht.
Artikel 57a
1. Het is instellingen die zendtijd hebben verkregen,
uitsluitend toegestaan nevenactiviteiten te verrichten, indien:
a. het verrichten van de nevenactiviteit geen nadelige invloed
heeft of kan hebben op de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
13c, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel 13c,
derde lid;
b. de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de
taak, bedoeld in artikel 13c, met uitzondering van de activiteiten,
bedoeld in artikel 13c, derde lid; en
c. het verrichten van de nevenactiviteit niet leidt of kan leiden
tot concurrentievervalsing ten opzichte van andere aanbieders van
dezelfde of vergelijkbare goederen of diensten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het verrichten
van nevenactiviteiten als bedoeld in het eerste lid nadere eisen worden
gesteld.
Artikel 57b [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 57c
1. Alle inkomsten van een instelling die
zendtijd heeft verkregen, waaronder de inkomsten uit nevenactiviteiten
en vermogen, worden, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is
bepaald, aangewend voor de verzorging van het programma waarvoor zij
zendtijd heeft verkregen.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen inkomsten uit
programmabladen van omroepverenigingen tot ten hoogste een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag worden besteed aan
verenigingsactiviteiten.
Artikel 57d
De artikelen 57, 57a en 57c zijn niet van toepassing op
overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke
grondslag en politieke partijen.
Artikel 58
1. De instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben
verkregen stellen de gegevens van de door haar uit te zenden programma’s
voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van uit te zenden programma’s
in de programmabladen, ter beschikking van de Stichting.
2. Zij gedogen dat de Stichting de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, ter verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt
van de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen alsmede van
anderen die daartoe een overeenkomst met de Stichting hebben gesloten.
Artikel 59
Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven
van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van
omroepverenigingen, de Stichting of enige andere instelling die zendtijd
voor landelijke omroep heeft verkregen, wordt voor de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken
van lijsten of andere opgaven van die programma’s anders dan met
toepassing van artikel 58 of met toestemming van de desbetreffende
instelling die zendtijd heeft verkregen, tenzij wordt bewezen dat de
gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn
ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 61 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 61a
De Stichting Etherreclame draagt er zorg voor dat zij aangesloten is
bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting
Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan
het toezicht van de Stichting Reclame Code. De Stichting Etherreclame
toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media
over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.
Artikel 62 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 63
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de wijze waarop de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep
hebben verkregen hun programma aan het Bedrijf ter uitzending aanbieden.
Artikel 64
1. Omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep:
a. heffen een contributie van hun leden met een minimumbedrag van
€ 4,54 per jaar,
b. verstrekken hun leden geen op geld waardeerbare voordelen zonder
toestemming van het Commissariaat voor de Media,
c. tonen ten genoegen van het Commissariaat aan dat hun leden op
een democratisch aanvaardbare wijze invloed op hun beleid kunnen
uitoefenen en
d. brengen, in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast
met de samenstelling van programma's, een programmastatuut tot stand
waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers
worden geregeld.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van de ontwikkeling van de
door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde
consumentenprijsindex worden bijgesteld.
3. In de contributie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is
de verstrekking van een programmablad niet begrepen.
4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is van overeenkomstige
toepassing op de Programmastichting, de Stichting en de educatieve
omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen.
Artikel 64a [Vervallen per 21-07-2004]
Artikel 64b
1. Onverminderd artikel 64, aanhef en
onderdeel d, brengen instellingen die zendtijd hebben verkregen,
een programmastatuut tot stand waarin ten minste waarborgen zijn
opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van hun werknemers,
belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de
sponsors.
2. Dit artikel geldt niet voor overheidsinstellingen,
kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke
partijen.
Artikel 64c
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, brengen
jaarlijks schriftelijk verslag uit aan het Commissariaat voor de Media
omtrent de inkomsten uit sponsorbijdragen, de gesponsorde
programma-onderdelen en de hoedanigheid van de sponsors,
gespecificeerd per programma-onderdeel.
2. Het Commissariaat voor de Media kan nadere regels stellen
omtrent de inrichting van het verslag, de termijn waarbinnen het verslag
moet worden uitgebracht, en de periode waarop het verslag betrekking
heeft.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op bijdragen van overheidsinstellingen en andere instellingen dan
bedoeld in artikel 1, onderdeel ll.
Titel 6. Uitzending door middel van omroepnetwerken
Artikel 65 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 66
1. Het Commissariaat voor de Media kan
aan een instelling die voor toewijzing van zendtijd voor lokale omroep
in aanmerking komt, op verzoek van die instelling, in plaats van het
toewijzen van zendtijd toestemming verlenen een programma voor lokale
omroep, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51f, te verzorgen
dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.
2. Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van
zendtijd voor lokale omroep is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst waarop
het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder van het
omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt bereikt over
de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, kan het
Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.
Artikel 67
1. Het Commissariaat voor de Media kan aan een instelling die
voor toewijzing van zendtijd voor regionale omroep in aanmerking komt,
op verzoek van die instelling, in plaats van het toewijzen van
zendtijd toestemming verlenen een programma voor regionale omroep,
bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51e, te verzorgen dat
wordt uitgezonden door middel van de omroepnetwerken in de
desbetreffende provincie.
2. Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van
zendtijd voor regionale omroep is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst
waarop het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder
van het omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt
bereikt over de dagen en uren waarop het programma zal worden
uitgezonden, kan het Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld omtrent de dagen en uren waarop een programma als bedoeld in het
eerste lid kan worden uitgezonden. Deze regels hebben uitsluitend
betrekking op televisieprogramma's.
Artikel 68
1. Het Commissariaat voor de Media kan aan een lokale
omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, op verzoek van die
instelling, toestemming verlenen naast het programma, bedoeld in
artikel 51f, een ander programma te verzorgen dat wordt
uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.
2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
verleend, indien:
a. het programma wordt uitgezonden op een ander kanaal dan het
kanaal waarop het programma, bedoeld in artikel 51f, wordt
uitgezonden;
b. het programma wordt geproduceerd door een lokale
omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, of door een andere
instelling zonder winstoogmerk;
c. het programma, naast de onderdelen, bedoeld in artikel 43a,
voor ten minste vijfenzeventig procent bestaat uit onderdelen van
culturele aard en voor het overige deel, doch voor ten minste tien
procent, bestaat uit onderdelen van culturele aard, die in het
bijzonder betrekking hebben op de desbetreffende gemeente; en
d. de aanvraag vergezeld gaat van een advies van de Raad voor
cultuur, waaruit blijkt dat het programma naar het oordeel van de Raad
voor cultuur van bijzonder belang is voor de verscheidenheid van het
aanbod van kwalitatief hoogstaande programma-onderdelen van culturele
aard in Nederland.
3. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor
de duur van vijf jaar. De toestemming vervalt, indien de lokale
omroepinstelling niet meer over zendtijd beschikt.
Artikel 69 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 70 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 70a [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 71 [Vervallen per 24-04-1996]
HOOFDSTUK IV. DE COMMERCIËLE OMROEP
§ 1. Toestemmingen voor commerciële omroep
Artikel 71a
1. Onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de Telecommunicatiewet, is het een commerciële
omroepinstelling slechts toegestaan een door haar verzorgd programma uit
te zenden of te doen uitzenden, indien zij daarvoor toestemming van het
Commissariaat voor de Media heeft verkregen. De toestemming is voor
ieder programma afzonderlijk vereist. In de toestemming wordt aangegeven
of zij betrekking heeft op een programma voor algemene omroep dan wel op
een programma voor bijzondere omroep.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de wijze waarop aanvragen tot het verlenen van
toestemming worden ingediend en de termijn waarbinnen beslissingen
daarop worden genomen.
3. Indien toestemming is verleend voor het uitzenden of doen
uitzenden van een televisieprogramma, is het de commerciële
omroepinstelling tevens toegestaan:
a. een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden;
b. een teletekstprogramma uit te zenden of te doen uitzenden,
indien dat op dezelfde frequentieruimte of hetzelfde kanaal
tegelijkertijd met het in de aanhef bedoelde televisieprogramma of met
het toetsbeeld wordt uitgezonden.
4. De toestemming wordt verleend voor de duur van vijf jaren.
5. De toestemming is niet overdraagbaar.
Artikel 71b
De toestemming kan uitsluitend worden geweigerd, indien:
a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens
onjuist of onvolledig zijn; of
b. redelijkerwijs te verwachten is dat de commerciële
omroepinstelling de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen niet in acht zal nemen.
Artikel 71c
1. Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in,
indien:
a. de commerciële omroepinstelling het Commissariaat daarom
verzoekt; of
b. de commerciële omroepinstelling in gebreke blijft met de
betaling van hetgeen krachtens artikel 71u verschuldigd is.
2. Het Commissariaat kan de toestemming intrekken, indien:
a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens
onjuist blijken te zijn; of
b. de commerciële omroepinstelling overigens niet voldoet aan de
verplichtingen gesteld bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 71d [Vervallen per 13-06-2007]
§ 2. Rechten en verplichtingen ten aanzien van de programma's van
commerciële omroepinstellingen
Artikel 71e
1. Iedere commerciële omroepinstelling
bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en
inhoud van haar programma en is daarvoor verantwoordelijk.
2. De artikelen 52d en 53 zijn van overeenkomstige toepassing op
een commerciële omroepinstelling en op het door haar verzorgde
programma.
Artikel 71f
1. Reclameboodschappen of telewinkelboodschappen die zijn
opgenomen in het programma van een commerciële omroepinstelling zijn
als zodanig herkenbaar en door optische of akoestische middelen
duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen. Er wordt
geen gebruik gemaakt van subliminale technieken.
2. De blokken van telewinkelboodschappen, bedoeld in artikel 71g,
zesde lid, zijn gedurende de gehele uitzending daarvan door optische
middelen als zodanig herkenbaar en door optische en akoestische middelen
duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen.
Artikel 71g
1. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat
voor ten hoogste vijftien procent van de totale duur per dag uit
reclameboodschappen.
2. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat
voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit
telewinkelboodschappen.
3. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat
voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit een
combinatie van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.
4. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat
voor ten hoogste twaalf minuten per uur uit reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen.
5. Reclameboodschappen in televisieprogramma's, of
telewinkelboodschappen worden uitsluitend uitgezonden in blokken die,
met inbegrip van de eventuele omlijsting, ten minste anderhalve minuut
duren.
6. In het programma van een commerciële omroepinstelling zijn
ten hoogste acht blokken van telewinkelboodschappen per dag opgenomen,
die per blok zonder onderbreking ten minste vijftien minuten duren en
waarvan de totale duur ten hoogste drie uur per dag is. Het tweede tot
en met vijfde lid zijn niet van toepassing op deze blokken van
telewinkelboodschappen.
Artikel 71h
1. Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen
worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen, indien de onderbreking geen afbreuk doet aan
de integriteit, het karakter en de samenhang van het desbetreffende
programmaonderdeel of aan de rechten van rechthebbenden.
2. Programmaonderdelen, bestaande uit de weergave van
godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomsten, worden niet
onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen.
3. De volgende programmaonderdelen worden uitsluitend onderbroken
door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien zij ten
minste dertig minuten duren:
a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws of commentaar op het
nieuws;
b. programmaonderdelen van godsdienstige of geestelijke aard, niet
zijnde programmaonderdelen als bedoeld in het tweede lid;
c. programmaonderdelen die bestemd zijn voor minderjarigen beneden
de leeftijd van twaalf jaar; en
d. niet-gedramatiseerde documentaires.
4. Films worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen
of telewinkelboodschappen, indien zij ten minste vijfenveertig minuten
duren.
5. Onverminderd het vierde lid, worden films ten hoogste eenmaal
per volledig tijdvak van vijfenveertig minuten onderbroken door
reclameboodschappen of telewinkelboodschappen. Indien een film ten
minste twintig minuten langer duurt dan twee of meer volledige
tijdvakken van vijfenveertig minuten, kan hij nog eenmaal worden
onderbroken.
Artikel 71i
1. Bij opeenvolgende onderbrekingen door reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen in één programmaonderdeel voor televisie
worden tussenpozen van ten minste twintig minuten in acht genomen.
2. In afwijking van het eerste lid, worden programmaonderdelen
voor televisie die bestaan uit het verslag van een evenement uitsluitend
onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen tijdens
de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin
voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.
Artikel 71j
1. In afwijking van artikel 71g, eerste, vierde en vijfde lid,
is het een commerciële omroepinstelling toegestaan een
televisieprogramma te verzorgen dat uitsluitend bestaat uit ten
behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen.
2. In een programma als bedoeld in het eerste lid mogen andere
reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen
die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.
3. In afwijking van artikel 71g, tweede tot en met zesde lid, is
het een commerciële omroepinstelling toegestaan een programma te
verzorgen dat uitsluitend bestaat uit telewinkelboodschappen.
4. In een programma als bedoeld in het derde lid mogen
reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen
die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.
Artikel 71k
1. De programmaonderdelen van een commerciële omroepinstelling
worden uitsluitend gesponsord, indien die instelling een
programmastatuut tot stand heeft gebracht waarin ten minste waarborgen
zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van haar
werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten
opzichte van de sponsors.
2. Aan het begin of aan het einde van een gesponsord
programmaonderdeel worden, ter informatie van het publiek, alle sponsors
vermeld. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk en is
zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van
reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.
3. In een gesponsord programmaonderdeel mogen producten of
diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, indien het publiek
niet door middel van specifieke aanprijzingen of anderszins wordt
aangespoord tot het kopen of huren van die producten of tot het afnemen
van die diensten.
4. Commerciële omroepinstellingen bedingen of aanvaarden geen
sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen:
a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop
van sigaretten of andere tabaksproducten, of
b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden
gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in
onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het
publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het
(beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in
onderdeel a betreft.
5. Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen die
toestemming hebben verkregen, bestaande uit nieuws, actualiteiten of
politieke informatie, worden niet gesponsord.
6. Indien een gesponsord programmaonderdeel uit het buitenland is
aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als
programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing voor
zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop
van het programmaonderdeel door de commerciële omroepinstelling.
7. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een
programmaonderdeel waarvoor een overheidsinstelling of een andere
instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een financiële of
andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming of
aankoop van dat programmaonderdeel, teneinde de uitzending daarvan als
programmaonderdeel te bevorderen of mogelijk te maken.
Artikel 71l
1. Aan het begin of aan het einde van een programmaonderdeel
van een commerciële omroepinstelling bestaande uit het verslag of de
weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als
programmaonderdeel te worden uitgezonden, mogen de namen of
(beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een
financiële of andere bijdrage hebben verstrekt aan de totstandkoming
van het evenement, worden vermeld of getoond. De vermelding of
vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie
van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
personen, bedrijven of instellingen;
a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop
van sigaretten of andere tabaksproducten; of
b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden
gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in
onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het
publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het
(beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in
onderdeel a betreft.
Artikel 71m
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 71j, 71k, tweede
en derde lid, en 71l, eerste lid, worden in de programma's van
commerciële omroepinstellingen geen namen, (beeld)merken, producten,
diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen
vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële
omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee
beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een
bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening,
dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een
bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van
producten of de afname van diensten te bevorderen.
2. Het vermelden of tonen van een naam, (beeld)merk, product,
dienst of activiteit van een persoon, bedrijf of instelling in een
programma wordt geacht te geschieden met het oogmerk, bedoeld in het
eerste lid, indien zulks tegen betaling geschiedt.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen
ontheffing verlenen van het eerste lid.
4. Dit artikel is niet van toepassing op reclameboodschappen en
telewinkelboodschappen.
Artikel 71n
1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling
bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die
kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel
6 van de Europese richtlijn.
2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling,
bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld
in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:
a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere
instelling die een programma verzorgt;
b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma
verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar
dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent
heeft;
c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een
programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun
onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan
vijftig procent hebben; of
d. een vennootschap waarin een instelling die een programma
verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als
vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de
schulden.
3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld
in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende
programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:
a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met
uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard,
die mede het karakter van een spel hebben;
d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen; en
e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.
5. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een
beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;
b. televisieprogramma's als bedoeld in artikel 71j;
c. televisieprogramma's die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst
in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of
indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer
lidstaten van de Europese Unie.
6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten
aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk
gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande
dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.
Artikel 71o
1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling
bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands-
of Friestalige programmaonderdelen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk
percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten
minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een
auditieve beperking.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten
aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en
onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages
lager vaststellen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor
bijzondere omroep.
Artikel 71p
Een commerciële omroepinstelling neemt in haar programma geen films
op buiten de met de rechthebbenden op de film overeengekomen periodes.
Artikel 71q
De artikelen 71g, 71h, tweede tot en met vijfde lid, 71i, 71j, 71l en
71n tot en met 71p zijn niet van toepassing op een televisieprogramma
dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden, en
dat:
a. voorzover het de beeldinhoud betreft, uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden; of
b. hoofdzakelijk bestaat uit informatie met betrekking tot de
door middel van een omroepzender of omroepnetwerk aangeboden
programma's en diensten.
§ 3. Overige rechten en verplichtingen van commerciële
omroepinstellingen
Artikel 71r
Een commerciële omroepinstelling die programmaonderdelen bestaande
uit reclameboodschappen verzorgt, draagt er zorg voor dat zij
aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door
de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake
onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De
commerciële omroepinstelling toont dit aan door middel van een aan het
Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van
de Stichting Reclame Code.
Artikel 71s
Een commerciële omroepinstelling brengt in overeenstemming met de
werknemers die zijn belast met de samenstelling van programma's, een
programmastatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten
van deze werknemers worden geregeld.
Artikel 71t
Het is een commerciële omroepinstelling niet toegestaan een
programmaonderdeel als bedoeld in artikel 51d, tweede lid, voor zover
het betreft een onderdeel van een televisieprogramma waarvan de
verspreiding in Nederland slechts mogelijk is na verwerving van de
daarop betrekking hebbende rechten, uit te zenden of te doen uitzenden,
indien:
a. de commerciële omroepinstelling niet tijdig aan de Stichting
heeft medegedeeld dat zij de rechten, bedoeld in de aanhef, wenst te
verwerven met uitsluiting van de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep; en
b. de Stichting binnen een redelijke termijn na de mededeling,
bedoeld in onderdeel a, aan de commerciële omroepinstelling te
kennen heeft gegeven dat zij of een andere instelling die zendtijd
heeft verkregen voor landelijke omroep, het desbetreffende
programmaonderdeel in haar programma wenst op te nemen.
Artikel 71u
1. Een commerciële omroepinstelling is aan het Commissariaat
voor de Media jaarlijks een bedrag verschuldigd ter vergoeding van de
kosten die verbonden zijn aan het toezicht.
2. De hoogte van de verschuldigde bedragen wordt vastgesteld bij
regeling van Onze Minister, die hierbij een onderscheid maakt tussen
radio- en televisieprogramma's en voorts in ieder geval rekening houdt
met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens
in Nederland, dat het programma kan ontvangen.
3. Een commerciële omroepinstelling voldoet jaarlijks het met
toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag aan het Commissariaat.
Het Commissariaat stelt dit bedrag ter beschikking van Onze Minister.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gegeven met betrekking tot de betaling van voorschotten op hetgeen een
commerciële omroepinstelling ingevolge deze wet aan het Commissariaat
verschuldigd zal zijn.
Artikel 71v
Een commerciële omroepinstelling doet jaarlijks aan het
Commissariaat voor de Media een opgave toekomen van het aantal
huishoudens in Nederland, dat het programma op een door het
Commissariaat te bepalen peildatum kan ontvangen.
Artikel 71w
Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven
van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van een
commerciële omroepinstelling, wordt voor de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken
van lijsten of andere opgaven van die programma's anders dan met
toestemming van de desbetreffende commerciële omroepinstelling, tenzij
wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet
direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de
aanhef van dit artikel.
Artikel 71x
1. Indien een omroepvereniging die een erkenning,
onderscheidenlijk een voorlopige erkenning, heeft verkregen,
voornemens is na afloop van de periode waarvoor erkenning,
onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als commerciële
omroepinstelling een programma te verzorgen, dan wel een belang te
verwerven in een commerciële omroepinstelling, meldt zij dit aan het
Commissariaat voor de Media.
2. Na de melding is het die omroepvereniging in het laatste jaar
van de periode waarvoor de erkenning, onderscheidenlijk voorlopige
erkenning, is verleend toegestaan die activiteiten te verrichten die
noodzakelijk zijn om ervoor zorg te dragen dat zij of de rechtspersoon
waarin zij een belang verwerft, na afloop van de periode waarvoor de
erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als
commerciële omroepinstelling een programma kan verzorgen. Indien zij
daardoor niet meer voldoet aan een of meer van de eisen genoemd in
artikel 14, eerste lid, wordt zij voor de toepassing van de wet toch
aangemerkt als een omroepvereniging.
Hoofdstuk IVA. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving
Artikel 72
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst opgesteld
van evenementen die, indien zij als een onderdeel van een
televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden
uitgezonden op een open net. Daarbij kan worden bepaald welke van die
evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in
artikel 3 bis van de Europese richtlijn.
2. Een evenement kan op de in het eerste lid bedoelde lijst
worden geplaatst indien in ieder geval wordt voldaan aan twee van de
volgende voorwaarden:
a. het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse
samenleving;
b. het evenement is van bijzondere culturele betekenis;
c. het evenement werd in het verleden ook reeds op een open net
uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid;
d. het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan het
nationale team deelneemt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.
Hiertoe behoren in ieder geval regels die bepalen of de op de lijst
genoemde evenementen, indien zij als onderdeel van een
televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden
op een open net door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse
verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke
uitgestelde verslaggeving.
Artikel 73
1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een
commerciële omroepinstelling oefent verworven uitzendrechten die
betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld
in artikel 72, eerste lid, uit overeenkomstig de krachtens artikel 72
gestelde regels.
2. Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een
commerciële omroepinstelling oefent na 30 juli 1997 verworven
uitzendrechten uit overeenkomstig de regels, die door andere lidstaten
van de Europese Unie overeenkomstig artikel 3 bis, eerste lid, van de
Europese richtlijn zijn gesteld.
Hoofdstuk V. De Wereldomroep
Artikel 73a [Vervallen per 15-12-1998]
Artikel 74 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 75 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 75a [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 75b [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 76
1. De Stichting Radio Nederland
Wereldomroep heeft onder meer tot taak:
a. de uitvoering van de in artikel 13c, eerste lid, onderdeel c,
bedoelde taak van de publieke omroep; en
b. het vastleggen of doen vastleggen van programma-onderdelen op
beeld- en geluidsdragers en het ter beschikking stellen daarvan ten
behoeve van omroepinstellingen buiten Nederland ter opneming in hun
eigen programma's.
2. Het verzorgen van televisieprogramma’s door de Wereldomroep
geschiedt in samenwerking met de Stichting. Ten behoeve van de
verzorging van radioprogramma's door de Wereldomroep vindt samenwerking
plaats met de Stichting.
3. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 52 tot en met 53a,
56a, eerste, vijfde en zesde lid, 64, eerste lid, aanhef en
onderdeel d, 64b, eerste lid, en 64c is van
overeenkomstige toepassing op de Wereldomroep en de door haar verzorgde
programma's.
4. Ten minste vijftig procent van het televisieprogramma van de
Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen die kunnen worden
aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de
Europese richtlijn. Ten minste tien procent van het televisieprogramma
van de Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in de
vorige volzin die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke
producties. Artikel 54, tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en
met d, en derde tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 76a
1. In de programma’s van de Wereldomroep mogen
programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame worden opgenomen
die bestaan uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn
aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.
2. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a en 50,
achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting
Etherreclame, is van overeenkomstige toepassing op het opnemen van
programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in de programma’s
van de Wereldomroep.
Artikel 77
1. Wijzigingen in de statuten van de Wereldomroep behoeven de
instemming van Onze Minister.
2. Het bestuur van de Wereldomroep kan niet besluiten tot
ontbinding van de Wereldomroep.
Artikel 78
De leden van het bestuur van de Wereldomroep worden door Onze
Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Onze Minister wijst uit de
leden de voorzitter aan.
Artikel 79
Het bestuur van de Wereldomroep is voor zijn beleid verantwoording
schuldig aan Onze Minister. Het bestuur maakt jaarlijks een verslag van
de werkzaamheden van de Wereldomroep openbaar.
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 81
1. Er is een programmaraad die het
bestuur van de Wereldomroep van advies dient over de inhoud van de
programma's.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de
programmaraad. De leden worden benoemd voor een periode van vijf jaren.
Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.
3. Het huishoudelijk reglement van de programmaraad behoeft de
instemming van het bestuur van de Wereldomroep.
Artikel 82
1. De Stichting en de Wereldomroep roepen een commissie van
overleg in het leven ter behartiging van aangelegenheden die van
gemeenschappelijk belang zijn.
2. De commissie pleegt onder meer overleg over:
a. het wederzijds tegen betaling van vergoeding ter beschikking
stellen van daarvoor in aanmerking komende omroepfaciliteiten,
organen, diensten, alsmede van het hierbij werkzame personeel, en
hulpmiddelen;
b. buitenlandse aangelegenheden, die voor de instellingen die
zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep als geheel van belang
zijn; en
c. de wijze waarop de Stichting en de Wereldomroep samenwerken met
het oog op de uitvoering van hun taken, alsmede het opstellen van het
concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, de
tussentijdse concessiebeleidsplannen, bedoeld in artikel 30b, derde
lid, de begroting, bedoeld in artikel 98b, en de begrotingen, bedoeld
in de artikelen 99 en 108.
Hoofdstuk VI. Het uitzenden van programma’s
§ 1. Het gebruik van omroepzenders
Artikel 82a
1. Het is de aanbieder van een omroepzender toegestaan:
a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of
instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het
programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of
instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd
is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen;
b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden
verzorgd, indien deze een instelling is die zendtijd heeft verkregen,
of krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming heeft verkregen een
programma uit te zenden of te doen uitzenden;
c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en
rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare vergadering
van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale
Staten of van een gemeenteraad;
d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel van
de omroepzender aangeboden programma’s en diensten uit te zenden.
2. Het uitzenden van een programma door middel van een
omroepzender wordt steeds als een oorspronkelijke uitzending aangemerkt.
Artikel 82b [Vervallen per 15-12-1998]
Artikel 82c
1. Het Commissariaat voor de Media kan
aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen door middel van
een omroepzender een programma voor een bijzonder doel uit te zenden dat
een beperkt bereik heeft of van beperkte duur is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen
bijzonder doel, beperkt bereik en beperkte duur, bedoeld in het eerste
lid, nader omschreven worden.
3. Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming als
bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.
§ 2. Het gebruik van frequentieruimte
Artikel 82d [Vervallen per 15-12-1998]
Artikel 82e
1. Onze Minister, handelend in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, wijst de
frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het uitzenden
van een radioprogramma dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige
muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke
gevallen een radioprogramma aan deze eis voldoet.
2. Onze Minister wijst, handelend in overeenstemming met het
gevoelen van de ministerraad, andere frequentieruimte in de FM-band aan
die slechts mag worden gebruikt voor het uitzenden van bij die
aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma’s die, gelet op
hun aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit
reclame of verhoudigingsgewijs hoge kosten meebrengen.
3. Indien aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band
die beschikbaar is voor het uitzenden van radioprogramma’s daartoe
aanleiding geeft, kan Onze Minister, handelend in overeenstemming met
het gevoelen van de ministerraad, afzien van het aanwijzen van
frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.
Artikel 82f
1. Voor de uitzending van radioprogramma’s van eenzelfde
instelling wordt niet meer frequentieruimte gebruikt dan één
FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
in welke gevallen een aantal met elkaar verbonden instellingen voor de
toepassing van het eerste lid als één instelling wordt aangemerkt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
afgeweken van het eerste lid, indien dat wenselijk is vanuit een oogpunt
van doelmatig gebruik van frequentieruimte. Hierbij kan een onderscheid
worden gemaakt tussen verschillende categorieën frequentieruimte,
bestaande uit FM-frequenties en samenstellen van FM-frequenties.
Artikel 82g
De artikelen 82e en 82f zijn niet van toepassing op:
a. de frequentieruimte die wordt gebruikt voor de uitzending van
de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen,
of van de programma’s van de Wereldomroep;
b. frequentieruimte die wordt gebruikt ten behoeve van uitzending
door middel van een satelliet.
§ 3. Het gebruik van omroepnetwerken
Artikel 82h
Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan:
a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of
instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het
programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of
instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd
is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen;
b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden
verzorgd, indien deze krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming
heeft verkregen een programma uit te zenden of te doen uitzenden;
c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en
rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare
vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van
Provinciale Staten of van een gemeenteraad;
d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel
van het omroepnetwerk aangeboden programma’s en diensten uit te
zenden.
Artikel 82i
1. De aanbieder van een omroepnetwerk zendt onverkort,
ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending naar
alle aangeslotenen op het omroepnetwerk ten minste vijftien
televisieprogramma's voor algemene omroep en ten minste vijfentwintig
radioprogramma's voor algemene omroep uit, waaronder in ieder geval:
a. de televisie- en radioprogramma's waarvoor zendtijd is verkregen
voor landelijke omroep en die worden uitgezonden op de televisie- en
radioprogrammanetten, bedoeld in artikel 40, eerste en derde lid;
b. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30,
onderdeel b, en 51e, waarvoor zendtijd is verkregen voor regionale
omroep dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in
artikel 67, eerste lid, bestemd voor de provincie of deel van de
provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt;
c. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30,
onderdeel b, en 51f, waarvoor zendtijd is verkregen voor lokale
omroep, dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in
artikel 66, eerste lid, bestemd voor de gemeente waarbinnen het
omroepnetwerk zich bevindt;
d. twee televisieprogramma's en twee radioprogramma's van de
Nederlandstalige landelijke Belgische omroepdienst.
2. Voor zover een instelling die zendtijd heeft verkregen voor
lokale omroep andere programma's voor algemene omroep dan bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, verzorgt, die gericht zijn op specifieke
bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden, zendt de
aanbieder van een omroepnetwerk deze onverkort, ongewijzigd en
gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending uit naar alle
aangeslotenen op het omroepnetwerk, met dien verstande dat deze
verplichting geldt voor uitzendingen op ten hoogste twee kanalen voor
televisie en vijf kanalen voor radio. Op de volgens de vorige volzin
doorgegeven programma's is artikel 51f, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, van overeenkomstige toepassing.
3. Indien op eenzelfde kanaal van een omroepnetwerk niet
gelijktijdig verschillende programma's voor algemene omroep worden
uitgezonden, worden deze programma's voor de toepassing van het eerste
lid als één programma aangemerkt.
4. Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan naar een
aangeslotene op het omroepnetwerk, op diens verzoek, minder dan vijftien
televisieprogramma's voor algemene omroep en minder dan vijfentwintig
radioprogramma's voor algemene omroep uit te zenden, mits ten minste de
programma's genoemd in het eerste lid, onder a tot en met d, worden
uitgezonden, en mits aan de desbetreffende aangeslotene een tarief in
rekening wordt gebracht dat evenredig lager is dan het tarief dat in
rekening wordt gebracht voor de ontvangst van het met inachtneming van
het eerste lid uitgezonden aantal programma's. Het derde lid is daarbij
van overeenkomstige toepassing.
5. Het Commissariaat voor de Media kan een aanbieder van een
omroepnetwerk desgevraagd geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van
de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de kosten
voor het onverkort nakomen van deze verplichtingen niet opwegen tegen
het belang dat de aangeslotenen op het omroepnetwerk verzekerd zijn van
de ontvangst van de programma's, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 82j [Vervallen per 01-02-2007]
Artikel 82k
1. In gemeenten waar een omroepnetwerk
aanwezig is, stelt de gemeenteraad een programmaraad in die de aanbieder
van het omroepnetwerk adviseert welke vijftien televisieprogramma's voor
algemene omroep en vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep
hij krachtens artikel 82i, eerste lid, ten minste uitzendt naar alle
aangeslotenen op het netwerk.
2. De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad voorts
een advies vragen over de overige programma's voor algemene omroep die
hij uitzendt naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk.
3. De programmaraad maakt in zijn advies een duidelijk
onderscheid tussen advisering als bedoeld in het eerste lid en
advisering als bedoeld in het tweede lid.
4. Onverminderd artikel 82i, gaat de programmaraad in zijn
advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket
programma's voor algemene omroep, rekening houdend met de in de gemeente
levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
behoeften.
5. De aanbieder van een omroepnetwerk volgt het advies, bedoeld
in het eerste lid, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen
verzetten.
Artikel 82l
1. De leden van een programmaraad als bedoeld in artikel 82k,
eerste lid, worden benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar
het omroepnetwerk aanwezig is. In gemeenten waar reeds een
programmaraad functioneert, vindt de benoeming plaats na overleg met
deze programmaraad.
2. Indien een aantal omroepnetwerken gekoppeld is en daardoor
feitelijk als één omroepnetwerk functioneert, wordt met betrekking tot
die gekoppelde omroepnetwerken één programmaraad ingesteld door de
onderscheidene gemeenteraden gezamenlijk. Het eerste lid, tweede volzin,
is van overeenkomstige toepassing.
3. Voor benoeming tot lid van een programmaraad komen in
aanmerking personen die:
a. woonachtig zijn in het gebied waarop het advies van de
programmaraad betrekking heeft, en
b. die aangesloten zijn op het omroepnetwerk in dat gebied, dan wel
deel uitmaken van een huishouden dat daarop is aangesloten.
4. Met het lidmaatschap van een programmaraad zijn onverenigbaar:
a. een lidmaatschap van een gemeenteraad in een gemeente die
behoort tot het gebied waarop het advies van de programmaraad
betrekking heeft,
b. een lidmaatschap van een College van Burgemeester en Wethouders
in een gemeente als bedoeld in onderdeel a,
c. een binding met de aanbieder van het omroepnetwerk dat aanwezig
is in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking
heeft, en
d. een lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking, al dan
niet tegen betaling, bij een instelling van de publieke omroep dan wel
een commerciële omroepinstelling.
5. Een vacature van de programmaraad wordt zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen zes maanden vervuld.
6. De leden van een programmaraad worden benoemd voor een periode
van vier jaar met de mogelijkheid van een eenmalige herbenoeming voor
dezelfde periode.
Artikel 82m
1. De programmaraad is representatief voor de belangrijkste in
de gemeente of gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele,
godsdienstige en geestelijke stromingen en beschikt als geheel over
voldoende kennis van de informatiebehoeften van bevolkings- en
leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling binnen het
kijk- en luisterpubliek.
2. De gemeenteraad bepaalt de omvang van een programmaraad, met
dien verstande dat een programmaraad bestaat uit ten minste zeven en ten
hoogste vijftien leden. Artikel 82l, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 82n
1. Een programmaraad beschikt over een reglement waarin in
ieder geval regels zijn opgenomen over:
a. de wijze waarop de instelling, de taak en de samenstelling van
de programmaraad kenbaar wordt gemaakt aan de aangeslotenen op het
omroepnetwerk in het gebied waarop het advies van de programmaraad
betrekking heeft, en
b. de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking
en de geldigheidsduur van het advies van de programmaraad.
2. Het reglement van een programmaraad voorziet in een
transparante adviesprocedure.
Artikel 82o
De artikelen 82k tot en met 82n zijn niet van toepassing op de
aanbieder van een omroepnetwerk waaraan het Commissariaat voor de Media
ontheffing heeft verleend op grond van artikel 82i, vijfde lid.
Hoofdstuk VII. Het Bedrijf
Artikel 83
Het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. maakt de programma's van
de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep,
gereed voor uitzending en doet deze programma's uitzenden.
Artikel 84
1. Het is het Bedrijf, na toestemming door Onze Minister,
toegestaan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 83, geheel
of ten dele te doen geschieden door een andere rechtspersoon, indien
de desbetreffende rechtspersoon:
a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der
lidstaten van de Europese Unie;
b. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste eenenvijftig
procent wordt verschaft door het Bedrijf; en
c. een rechtspersoon is waarin het Bedrijf de bevoegdheid heeft de
meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te
ontslaan.
2. Onze Minister kan aan het verlenen van toestemming
voorschriften verbinden.
3. In geval van toepassing van het eerste lid, blijft het Bedrijf
jegens Onze Minister verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het
eerste lid, is jegens het Bedrijf verplicht tot naleving van de
ingevolge deze wet op het Bedrijf rustende verplichtingen. Het Bedrijf
geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, daartoe de nodige
instructies, die deze gehouden is op te volgen.
4. In geval van toepassing van het eerste lid, geldt het bij of
krachtens de artikelen 88 tot en met 95 en artikel 173 bepaalde met
betrekking tot het Bedrijf mede ten aanzien van de rechtspersoon,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 85 [Vervallen per 01-05-1999]
Artikel 86 [Vervallen per 01-05-1999]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 88
1. Het Bedrijf draagt er zorg voor dat de
programma's die worden aangeboden door instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.
2. Indien zich een onverwachte gebeurtenis van nationaal of groot
maatschappelijk belang of een onverwachte internationale gebeurtenis van
bijzondere aard voordoet, stelt het Bedrijf op verzoek van de Stichting
de faciliteiten ter beschikking die nodig zijn om de verslaglegging van
die gebeurtenis door de Stichting mogelijk te maken.
Artikel 89
1. Voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 83, stelt
Onze Minister gelden ter beschikking.
2. Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen
voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het
ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan
de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.
Artikel 90
Het Bedrijf brengt aan de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, geen tarieven in rekening voor de activiteiten
waarvoor Onze Minister met toepassing van artikel 89 aan het Bedrijf
gelden ter beschikking stelt.
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 92
Het Bedrijf voert voor de taak, bedoeld in artikel 83, een
boekhouding die inzicht geeft in de financiën die op die taak
afzonderlijk betrekking hebben.
Artikel 93
De begroting en jaarrekening van het Bedrijf met betrekking tot de
taak, bedoeld in artikel 83, behoeven de instemming van Onze Minister.
Deze hoort daaromtrent de Stichting.
Artikel 94
Op vordering van de Staat heft de voorzieningenrechter in kort geding
een beslag op bezittingen van het Bedrijf op voor zover het beslag de
uitzending van programma’s in gevaar brengt en dit naar het oordeel
van de voorzieningenrechter in strijd is met het algemeen belang.
Artikel 95
Indien het Bedrijf in strijd handelt met artikel 83, is Onze Minister
bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Artikel 96 [Vervallen per 01-05-1999]
Artikel 97 [Vervallen per 01-05-1999]
Artikel 98 [Vervallen per 01-05-1999]
Hoofdstuk VIII. Financiering
§ 1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep
Artikel 98a
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks
vóór 1 augustus voor elk televisie- en radioprogrammanet een
netbegroting op.
2. De netbegrotingen bevatten in ieder geval:
a. een beschrijving van de wijze waarop op het televisie-,
onderscheidenlijk radioprogrammanet, invulling wordt gegeven aan de
voorgenomen programmering, rekening houdend met het netprofiel van het
televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdeel e, en met inachtneming van het bepaalde bij
of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze
wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op
de televisie- en radioprogrammanetten;
b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en wier zendtijd op
het net is ingedeeld met betrekking tot activiteiten als bedoeld in
artikel 13c, derde lid;
c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar
nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de programmering op het
televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, en de activiteiten
als bedoeld in artikel 13c, derde lid, te verwezenlijken, alsmede een
financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde
middelen voor de daarop volgende vier jaren;
d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en
begrotingsposten.
3. De netbegrotingen hebben geen betrekking op het programma en
de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting.
4. De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van
de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing
op de netbegrotingen.
Artikel 98b
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 augustus een
begroting voor het televisieprogramma, onderscheidenlijk
radioprogramma, alsmede de activiteiten als bedoeld in artikel 13c,
derde lid, van de Stichting vast.
2. De begroting, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan
de voorgenomen programmering van de Stichting, met inachtneming van
het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of
krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de
programmering op de televisie- en radioprogrammanetten;
b. een beschrijving van de voornemens van de Stichting met
betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid;
c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar
naar het oordeel van de raad van bestuur nodig zullen zijn ter
bestrijding van de kosten van de verzorging van het
televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de
activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting,
alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de
voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren;
d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en
begrotingsposten;
e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.
3. De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van
de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing
op de begroting van de Stichting.
Artikel 98c [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 99
1. De Stichting doet jaarlijks voor 1
oktober een begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat
voor de Media. De begroting wordt, rekening houdende met de
netbegrotingen, bedoeld in artikel 98a, door de raad van bestuur
vastgesteld.
2. De begroting bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die
zendtijd hebben verkregen op de televisie- en radioprogrammanetten
invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering, met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen
overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de
programma's en de programmering op de televisieen
radioprogrammanetten;
b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep met betrekking tot
activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid;
c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar
nodig zullen zijn om de voornemens van de landelijke omroep en van de
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, te
verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een
raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende
vier jaren;
d. een beschrijving van de wijze waarop de raad van bestuur
voornemens is het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de
programmering, de gelden, bedoeld in artikel 106a, alsmede de
uitkeringen, bedoeld in artikel 170c, tweede lid, te besteden;
e. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en
begrotingsposten;
f. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.
3. In de begroting worden afzonderlijk opgenomen:
a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten
van de verzorging van:
1°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's,
van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd
hebben verkregen;
2°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma,
van de Stichting;
3°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma,
van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen voor
landelijke omroep;
4°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's
van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
die zendtijd hebben verkregen;
b. de bedragen die nodig zullen zijn voor het verrichten van
activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, door de
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
c. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten
van:
1°. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van haar programma en het verrichten
van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; en
2°. het uitzenden van de programma's van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
d. de bedragen die nodig zullen zijn voor de versterking van de
programmering;
e. de eigen inkomsten van de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor landelijke omroep, voor zover die moeten worden
aangewend voor de verzorging van het programma;
f. het aantal uren zendtijd, dat de Programmastichting en de
omroepverenigingen ten minste zullen gebruiken.
4. In de begroting wordt tevens aangegeven de hoogte van de
bedragen:
a. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan
programma-onderdelen van informatieve, educatieve en culturele aard,
waaronder programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst;
b. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan
programma-onderdelen die gericht zijn op specifieke bevolkings- en
leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden;
c. die de Programmastichting voornemens is te besteden aan
programma-onderdelen van culturele aard en programma-onderdelen
gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in
elk geval jeugd en minderheden;
d. de bedragen die de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijk omroep voornemens zijn te besteden aan
programma-onderdelen als bedoel in artikel 54, tweede lid.
5. De begroting bevat tevens:
a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep in het afgelopen jaar
invulling is gegeven aan de programmering;
b. een beschrijving van de mate waarin in het afgelopen jaar de in
de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 30b, zevende lid,
vastgelegde doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en
het publieksbereik van de landelijke omroep zijn bereikt;
c. een overzicht van de feitelijke bestedingen van de instellingen
die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, ingedeeld
volgens de onderverdeling die in het tweede tot en met vierde lid is
opgenomen, welk overzicht in ieder geval betrekking heeft op de twee
voorafgaande kalenderjaren;
d. een verslag over de naleving van de gedragscode, bedoeld in
artikel 16, vijfde lid, in het afgelopen jaar.
6. Ten behoeve van het opstellen van het overzicht van de
feitelijke bestedingen doet elke instelling die zendtijd heeft verkregen
voor landelijke omroep, jaarlijks voor 1 mei aan de Stichting
toekomen een individuele opgave van haar feitelijke bestedingen in het
voorafgaande kalenderjaar, ingedeeld volgens de onderverdeling die in
het tweede tot en met vierde lid is opgenomen.
7. De begroting wordt door de raad van bestuur openbaar gemaakt.
Artikel 99a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld
in artikel 99.
Artikel 100
Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn
opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 99, aan
Onze Minister.
Artikel 101
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke
bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de
kosten van:
a. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk
radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde
lid, van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd
hebben verkregen tezamen;
b. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk
radioprogramma, en de activiteiten, als bedoeld in artikel 13c, derde
lid, van de Stichting;
c. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk
radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde
lid, van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen;
d. de verzorging van televisieprogramma's onderscheidenlijk
radioprogramma's en de activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde
lid, van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag die zendtijd hebben verkregen tezamen;
e. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk
radioprogramma's, van de overige instellingen die zendtijd hebben
verkregen, te zamen;
f. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van haar programma;
g. het uitzenden van de programma’s van de instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; en
h. de versterking van de programmering.
2. Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende
kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, vast
op tachtig procent van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld
voor het lopende kalenderjaar, indien de Stichting de begroting, bedoeld
in artikel 99, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld
krachtens artikel 99a, aan Onze Minister heeft doen toekomen.
3. Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de
programmering, bedraagt vijfentwintig procent van het totaal van de
bedragen die beschikbaar zijn voor de verzorging van de programma’s
van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag. Onder versterking van de programmering wordt
verstaan:
a. versterking van het onderscheidend karakter van de programmering
van de publieke omroep;
b. bevordering van een herkenbare programmering op de onderscheiden
televisie- en radioprogrammanetten, waaronder tevens wordt verstaan
bevordering van samenwerkingsprojecten op en tussen de
programmanetten;
c. bevordering van de programmering van programma-onderdelen
gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in
elk geval jeugd en minderheden;
d. bevordering van de programmering van programma-onderdelen van
culturele aard en programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst,
waaronder in elk geval toneel, documentaires, film, hoorspelen,
klassieke muziek en opera.
4. Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de
programmering, komt geheel ten goede aan de instellingen die zendtijd
hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de
kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.
Artikel 102
Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid,
ter beschikking van de raad van bestuur. De raad van bestuur verdeelt de
bedragen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 103
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis
van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid,
onderdeel a, genomen besluit, vast welke bedragen voor het volgende
kalenderjaar ter beschikking worden gesteld aan de Programmastichting
en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, ten behoeve
van de verzorging van hun televisieprogramma's, onderscheidenlijk
radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde
lid, met dien verstande dat:
a. de Programmastichting en de omroepverenigingen, bedoeld in
artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel a, elk hetzelfde bedrag
ontvangen;
b. de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid,
aanhef en onderdeel b, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftig
procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a; en
c. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben
verkregen, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftien procent
van het bedrag, bedoeld in onderdeel a.
2. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis
van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid,
onderdelen d en e, genomen besluit, vast welk bedrag per uur zendtijd
voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, die is
toegewezen en gebruikt, voor het volgende kalenderjaar ter beschikking
wordt gesteld aan de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke
grondslag die zendtijd hebben verkregen, en aan de overheid ten behoeve
van overheidsvoorlichting.
3. Het bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's,
onderscheidenlijk radioprogramma's, bedoeld in het tweede lid, kan
verschillend zijn per categorie instellingen.
Artikel 103a
De raad van bestuur kan voor een instelling die zendtijd heeft
verkregen voor landelijke omroep, de voor het volgende kalenderjaar vast
te stellen bedragen, bedoeld in artikel 103, eerste en tweede lid,
verminderen met ten hoogste 15% van de overeenkomstige bedragen die zijn
vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de desbetreffende
instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van
bestuur, dan wel indien een omroepvereniging of de educatieve
omroepinstelling naar het oordeel van de raad van bestuur onvoldoende
uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel
32, derde lid.
Artikel 103b
Voor zover er een verschil bestaat tussen het totaal van de bedragen
die op basis van artikel 102 door Onze Minister ter beschikking zijn
gesteld van de raad van bestuur, en het totaal van de bedragen die op
basis van de artikelen 103 en 103a door de raad van bestuur ter
beschikking worden gesteld aan de instellingen die zendtijd voor
landelijke omroep hebben verkregen, wordt dit verschil door de raad van
bestuur aangewend ter versterking van de programmering. Artikel 101,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 104
1. De Programmastichting , de omroepverenigingen en de
educatieve omroepinstelling die zendtijd hebben verkregen, ontvangen
van de raad van bestuur het op basis van artikel 103, eerste lid, of
artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten
van de verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk
radioprogramma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde
lid.
2. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel b, of
artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het
televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten
als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting blijft ter
beschikking van de raad van bestuur.
3. De overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame,
ontvangen van de raad van bestuur ter vergoeding van de kosten van de
verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma,
een bedrag dat verkregen wordt door vermenigvuldiging van het aantal
toegewezen en gebruikte uren zendtijd voor televisieprogramma's,
onderscheidenlijk radioprogramma's, met het op basis van artikel 103,
tweede en derde lid, of artikel 103a berekende bedrag per uur
zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's.
4. In bijzondere gevallen kan de raad van bestuur op aanvraag van
een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep,
bepalen dat ten hoogste tien procent van het bedrag dat aan die
instelling ter beschikking wordt gesteld ter vergoeding van de kosten
van de verzorging van haar radioprogramma, kan worden besteed aan de
kosten van de verzorging van haar televisieprogramma, of andersom.
Artikel 105
1. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel f,
vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van het programma en de activiteiten als
bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting die niet
rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het programma van de
Stichting, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.
2. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel g,
vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van
de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.
Artikel 106
1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame,
ontvangen van de raad van bestuur voorschotten volgens bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels.
2. Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere
doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan de raad van bestuur de
verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.
Artikel 106a
1. Onze Minister kan – naast de bedragen, bedoeld in artikel
101, eerste lid – gelden ter beschikking stellen van de raad van
bestuur, welke gelden voor doeleinden die door Onze Minister bij het
ter beschikking stellen zijn vastgesteld, kunnen worden aangewend ten
behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep.
2. Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen
voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het
ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan
de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.
Artikel 106b
Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.
§ 2. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale
omroep
Artikel 107
1. Het provinciebestuur draagt zorg voor de bekostiging van het
functioneren van ten minste één regionale omroepinstelling in de
provincie door vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband
houden met het functioneren van de regionale omroepinstelling, voor
zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze
dat een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk is en
continuïteit van bekostiging is gewaarborgd. Deze bekostiging
waarborgt in ieder geval dat per provincie het in 2004 bestaande
niveau van de activiteiten met betrekking tot de verzorging van radio-
en televisieprogramma’s en van de activiteiten als bedoeld in
artikel 13c, derde lid, van de regionale omroepinstelling(en) ten
minste gehandhaafd blijft.
2. Aan de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, worden geen
voorwaarden gesteld of voorschriften verbonden die in strijd zijn met
het bepaalde bij of krachtens deze wet.
3. Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding
van dit artikel, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
het bepaalde in dit artikel in de praktijk.
§ 3. De Wereldomroep
Artikel 108
1. De Wereldomroep doet jaarlijks voor 1 oktober een begroting
toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat voor de Media.
2. De begroting bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de wijze waarop door de Wereldomroep
uitvoering wordt gegeven aan haar taak, bedoeld in artikel 76;
b. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar
nodig zullen zijn om de voornemens van de Wereldomroep te
verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een
raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende
vier jaren;
c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en
begrotingsposten;
d. een beschrijving van de wijze van samenwerking met de Stichting.
3. In de begroting worden afzonderlijk opgenomen:
a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten
van de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep;
b. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten
van:
1°. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van haar programma's; en
2°. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep;
c. de eigen inkomsten van de Wereldomroep, voor zover die moeten
worden aangewend voor de verzorging van de programma's.
4. In de begroting wordt tevens een overzicht gegeven van de
feitelijke bestedingen van de Wereldomroep. Het overzicht heeft in ieder
geval betrekking op de twee voorafgaande kalenderjaren.
5. In de begroting wordt tevens aangegeven het aantal uren dat de
Wereldomroep voornemens is te besteden aan programma-onderdelen die zijn
geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft
verkregen voor landelijke omroep, dan wel voor programma-onderdelen die
reeds als programma-onderdelen van een instelling die zendtijd heeft
verkregen voor landelijke omroep, zijn uitgezonden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting.
Artikel 108a
Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn
opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 108, aan
Onze Minister.
Artikel 108b
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke
bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de
kosten van:
a. de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep;
b. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van haar programma's; en
c. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep.
2. Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende
kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, vast op tachtig procent van de
overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende
kalenderjaar, indien de Wereldomroep de begroting, bedoeld in artikel
108, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld krachtens
artikel 108, zesde lid, aan Onze Minister heeft doen toekomen.
Artikel 108c
Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 108b,
eerste lid, ter beschikking van het Commissariaat voor de Media. Het
Commissariaat besteedt deze bedragen met inachtneming van het bepaalde
bij of krachtens deze wet.
Artikel 108d
1. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media
het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel a,
vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van de verzorging van
haar programma's.
2. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media
het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel b,
vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks
samenhangen met de verzorging van haar programma's.
3. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media
het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel c,
vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van
haar programma's.
Artikel 108e
1. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media
voorschotten volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels.
2. Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere
doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan het Commissariaat de
verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.
§ 4. De rekening en verantwoording
Artikel 109
1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep – met uitzondering van de overheid – en de
Wereldomroep leggen financiële rekening en verantwoording af aan het
Commissariaat voor de Media ten behoeve van de rechtmatigheidstoetsing
van de uitgaven. Zij doen daartoe jaarlijks voor 1 mei hun
jaarrekening toekomen aan het Commissariaat. Het boekjaar is gelijk
aan een kalenderjaar.
2. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep – met uitzondering van de overheid – doen jaarlijks voor
1 mei een afschrift van hun jaarrekening over het voorafgaande
boekjaar toekomen aan de raad van bestuur. De raad van bestuur zendt
voor 1 juni zijn opmerkingen met betrekking tot de jaarrekeningen
aan het Commissariaat.
3. Titel 9 van het Tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek is van
toepassing op de instellingen, bedoeld in het eerste lid, met dien
verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een
exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de
winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
4. De jaarrekening bevat tevens de gegevens, bedoeld in artikel
99, zesde lid.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de inrichting van de jaarrekening.
6. Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel
verslag, bedoeld in artikel 12, tweede lid, verslag uit over de
rechtmatigheidstoetsing, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 109a
1. Indien het bedrag dat aan een instelling die zendtijd heeft
verkregen voor landelijke omroep, ter beschikking is gesteld voor de
verzorging van haar televisieprogramma, onderscheidenlijk
radioprogramma, en activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid,
de blijkens de jaarrekening daarvoor gemaakte kosten te boven gaat,
wordt het resterende deel door die instelling gereserveerd ter
besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter
beschikking was gesteld, onverminderd artikel 104, vierde lid. De raad
van bestuur kan voor deze reserveringen een maximum per categorie
instellingen vaststellen. Indien het deel van het ter beschikking
gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken, groter is
dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil door de
instelling terugbetaald aan de raad van bestuur.
2. Indien het bedrag dat krachtens artikel 108d, eerste,
tweede, onderscheidenlijk derde lid, aan de Wereldomroep ter beschikking
is gesteld, de blijkens de jaarrekening gemaakte kosten te boven gaat,
wordt het resterende deel door de Wereldomroep gereserveerd ter
besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter
beschikking was gesteld. Het Commissariaat voor de Media kan voor deze
reserveringen een maximum vaststellen. Indien het deel van het ter
beschikking gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken,
groter is dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil
door de instelling terugbetaald aan het Commissariaat.
3. Voor zover ter beschikking gestelde bedragen zijn gebruikt
voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven:
a. betaalt de instelling op eerste vordering van het Commissariaat
deze bedragen terug aan de raad van bestuur, tenzij het de Stichting
of de Wereldomroep betreft;
b. betaalt de Stichting of de Wereldomroep op eerste vordering van
het Commissariaat deze bedragen terug aan het Commissariaat;
c. betaalt, indien het gelden als bedoeld in artikel 101, eerste
lid, onderdeel h, en derde en vierde lid, artikel 106a, of artikel
170c, tweede lid, betreft die aan de instellingen die zendtijd voor
landelijke omroep hebben verkregen beschikbaar zijn gesteld en
onverminderd de onderdelen a en b, de instelling op eerste vordering
van de raad van bestuur deze bedragen terug aan de raad van bestuur;
d. betaalt, indien de in onderdeel c bedoelde gelden met instemming
van de raad van bestuur zijn gebruikt, de raad van bestuur op eerste
vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan het
Commissariaat.
4. Indien de toewijzing van zendtijd aan een instelling wordt
beëindigd, betaalt zij de reserveringen, bedoeld in het eerste lid, en
de ter beschikking gestelde bedragen, voor zover deze niet zijn gebruikt
overeenkomstig artikel 104, op eerste vordering aan de raad van bestuur
terug.
Artikel 109b
1. Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in
investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor
landelijke omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij
vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging
van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan de raad van
bestuur. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de
door de raad van bestuur vast te stellen afschrijvingspercentages voor
elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven.
Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter versterking van de
programmering en de coördinatie; artikel 101, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in
investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor regionale
omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij vervreemding van het
desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen
zendtijd de vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De
terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het
Commissariaat vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar
dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde
vergoedingen worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in
artikel 28, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28,
onderdeel d.
Artikel 109c
1. Indien een instelling die zendtijd voor landelijke omroep
heeft verkregen, haar jaarrekening niet tijdig aan het Commissariaat
voor de Media doet toekomen, vermindert de raad van bestuur op eerste
verzoek van het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting,
bedoeld in artikel 106, eerste lid, met twintig procent. Indien een
instelling ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in
gebreke blijft met het indienen van haar jaarrekening, kan het
Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de verstrekking van de
bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen. De raad van
bestuur voldoet terstond aan een dergelijk verzoek.
2. Indien de Wereldomroep zijn jaarrekening niet tijdig aan het
Commissariaat doet toekomen, vermindert het Commissariaat de
verstrekking van de bevoorschotting, bedoeld in artikel 108e,
eerste lid, met twintig procent. Indien de Wereldomroep ondanks
herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in gebreke blijft met het
indienen van zijn jaarrekening, kan het Commissariaat de verstrekking
van de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen.
Artikel 109d
1. Deze paragraaf is op kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag slechts van toepassing, voor zover het betreft
de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de
omroepactiviteiten.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.
Artikel 109e [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 110
De instellingen die zendtijd hebben verkregen voorzien op
onafhankelijke wijze in publieke omroep door verzorging van publieke
omroepprogramma's. Daartoe hebben de instellingen die zendtijd hebben
verkregen op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op
bekostiging uit 's Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardige
programmering mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering
gewaarborgd is.
Artikel 111
1. Ter uitvoering van artikel 110 en ter bestrijding van de
overige kosten genoemd in artikel 28, met uitzondering van de onder d
bedoelde, wordt onder de naam rijksomroepbijdrage jaarlijks door Onze
Minister een bedrag beschikbaar gesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde rijksomroepbijdrage bestaat ten
minste uit het bedrag van de in het jaar 1998 door de Dienst
omroepbijdragen op grond van de toen geldende bepalingen van deze wet
aan Onze Minister afgedragen inkomsten. Onze Minister stelt het in de
vorige volzin bedoelde bedrag jaarlijks bij met de door het Centraal
Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index
voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland en met de door het
Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde
consumentenprijsindex.
3. Het op grond van het tweede lid vastgestelde bedrag van de
rijksomroepbijdrage wordt verminderd met € 92,448 miljoen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met
derde lid.
5. Aan de beschikbaarheid van de rijksomroepbijdrage worden geen
andere voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die bij of krachtens deze
wet zijn of kunnen worden gesteld.
6. Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt verlaagd met het
bedrag dat over het kalenderjaar voorafgaande aan de inwerkingtreding
van dit artikellid ten laste van de begroting van het Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Media, beschikbaar
wordt gesteld ten behoeve van regionale omroep.
Artikel 111a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 111b [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 111c [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 116 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 117 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 117a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 118 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 120 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 121 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122b [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122c [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122d [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122e [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122f [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122g [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122h [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122i [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122j [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122k [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122l [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122m [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 122n [Vervallen per 01-01-2000]
Hoofdstuk IX. Steunmaatregelen voor persorganen
Artikel 123
1. Er is een Stimuleringsfonds voor de
pers dat ten doel heeft het handhaven en bevorderen van de
pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de
informatie en opinievorming. Het Stimuleringsfonds heeft
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente 's-Gravenhage.
2. Naast de taken die het Stimuleringsfonds heeft op grond van
andere wettelijke bepalingen, heeft het Stimuleringsfonds tot taak:
a. het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde met betrekking tot de pers
b. het verrichten dan wel doen verrichten van onderzoek met
betrekking tot het functioneren van de pers.
3. Met het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde toezicht op
de naleving zijn belast de leden van het bestuur van het
Stimuleringsfonds en de bij besluit van het bestuur daartoe aangewezen
medewerkers van het Stimuleringsfonds.
4. Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 124
1. Het Stimuleringsfonds voor de pers heeft een bestuur dat
bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. Zij worden bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en
ontslagen.
2. Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren.
Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.
3. Met het lidmaatschap van het bestuur zijn onverenigbaar:
a. een betrekking in dienst bij een ministerie of bij een
instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat, onder de
verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is;
b. een bestuurslidmaatschap bij, of een betrekking in dienst van
een persorgaan, of de uitgever van een persorgaan.
4. Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag
alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van
financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het
Stimuleringsfonds wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden
van een betrekking die, of van een lidmaatschap dat met het lidmaatschap
van het bestuur van het Stimuleringsfonds onverenigbaar is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de bezoldiging en de verdere rechtspositie
van de bestuursleden van het Stimuleringsfonds en van zijn personeel.
Artikel 125
1. Het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers neemt
besluiten bij meerderheid van stemmen. Van een besluit tot
steunverlening wordt binnen een week nadat het is genomen mededeling
gedaan aan Onze Minister.
2. Het bestuur stelt regels vast over de besluitvorming en de
werkwijze van het bestuur. Deze regels behoeven de instemming van Onze
Minister.
Artikel 126
De kosten van het Stimuleringsfonds voor de pers worden door Onze
Minister vergoed. De begroting en de jaarrekening behoeven zijn
instemming.
Artikel 127
1. Besluiten van het Stimuleringsfonds voor de pers kunnen
gedurende zes weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister, dan
wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, bij koninklijk
besluit worden vernietigd.
2. Schorsing van besluiten van het Stimuleringsfonds kan slechts
plaatsvinden gedurende vier weken dagen na de mededeling daarvan aan
Onze Minister.
3. In afwijking van artikel 10:35 van de Algemene wet
bestuursrecht kan schorsing of vernietiging alleen geschieden wegens
strijd met het recht.
4. Een koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging
van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
5. Een besluit tot toekenning van financiële steunverlening
treedt eerst in werking na afloop van een termijn van vier weken of
zoveel eerder als Onze Minister heeft medegedeeld niet tot een
voordracht voor schorsing of vernietiging over te gaan.
Artikel 128
1. Onze Minister bepaalt welk percentage van de inkomsten uit
reclameboodschappen en telewinkelboodschappen van de Stichting
Etherreclame, de lokale en regionale omroepinstellingen die zendtijd
hebben verkregen, en de commerciële omroepinstellingen jaarlijks
wordt uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers.
Dit percentage is niet hoger dan vier.
2. De uitgaven van het Stimuleringsfonds worden bestreden uit de
in het eerste lid bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare middelen.
3. Onze Minister kan nadere regels geven over de vaststelling van
de in het eerste lid bedoelde inkomsten.
Artikel 129
1. Het Stimuleringsfonds voor de pers kan binnen de door Onze
Minister met toepassing van artikel 128 beschikbaar gestelde bedragen
ten behoeve van persorganen aan de uitgever van een persorgaan
financiële steun verlenen.
2. Financiële steun kan uitsluitend worden verleend ten behoeve
van persorganen die voldoen aan de volgende eisen:
a. zij worden in Nederland uitgegeven en zijn bestemd voor het
publiek in Nederland;
b. zij bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en
achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke
actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming;
c. zij worden geredigeerd door een zelfstandige redactie op basis
van een statuut waarin de redactionele identiteit is neergelegd;
d. zij verschijnen regelmatig en tenminste maandelijks;
e. zij zijn voor iedereen verkrijgbaar;
f. zij worden verkrijgbaar gesteld tegen betaling;
g. zij worden niet uitgegeven door of vanwege de overheid;
h. zij worden niet uitgegeven of verspreid in samenhang met het
lidmaatschap, donateurschap of deelnemerschap van een vereniging,
kerkgenootschap of andere organisatie.
Artikel 130
1. Het Stimuleringsfonds voor de pers kan ten behoeve van
persorganen individuele financiële steun verlenen in de vorm van
krediet en kredietfaciliteiten, indien de continuïteit dan wel het
starten van de exploitatie van het persorgaan in gevaar is
respectievelijk niet mogelijk is en de noodzakelijke steun niet of
niet afdoende op andere wijze kan worden verkregen.
2. De financiële steun wordt slechts verleend indien de
verantwoordelijke uitgever een project indient dat uitzicht biedt op een
rendabele exploitatie binnen een redelijke periode. De financiële steun
wordt slechts verleend onder voorwaarde van uitvoering van het door het
Stimuleringsfonds goedgekeurde project.
3. Financiële steun voor de start van de exploitatie van een
persorgaan kan uitsluitend worden verleend aan persorganen die tenminste
zes keer per week verschijnen en voor ten hoogste de helft van de
begrote kosten van het in het tweede lid bedoelde project.
4. Uitsluitend ten behoeve van een éénmalige reorganisatie van
een persorgaan kan de in het eerste lid bedoelde financiële steun
worden verleend in de vorm van een uitkering indien het in het tweede
lid bedoelde project niet op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd
met behulp van kredietverlening en kredietfaciliteiten.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de
in het eerste lid bedoelde gevallen nadere regels worden gesteld.
Artikel 131
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
Stimuleringsfonds voor de pers in andere gevallen dan bedoeld in artikel
130, vierde lid, financiële steun aan persorganen kan verlenen in de
vorm van uitkeringen. Daarbij wordt bepaald voor welke doeleinden de
uitkering kan worden verleend, alsmede aan welke nadere eisen
persorganen en de uitgevers van die persorganen dienen te voldoen om
voor een uitkering in aanmerking te komen.
Artikel 132
1. Financiële steun wordt verleend op aanvraag. Het
Stimuleringsfonds voor de pers beslist schriftelijk op de aanvraag.
Aanvragen voor individuele financiële steun op grond van artikel 130
worden in volgorde van ontvangst in behandeling genomen en beslist.
Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor
steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen
afgewezen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over
de aard van de voorschriften die het Stimuleringsfonds aan een besluit
tot financiële steunverlening kan verbinden. De voorschriften hebben
geen betrekking op de inhoud van de persorganen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de indiening en de wijze van behandeling van de aanvragen
tot financiële steun, de hoogte en de wijze van berekening daarvan, de
er aan te verbinden voorschriften, de verstrekking van voorschotten, de
beëindiging en de terugvordering van de steun.
Artikel 133 [Vervallen per 01-01-1992]
Hoofdstuk X. Bestuursrechtelijke handhaving door het commissariaat
voor de media
Artikel 134
1. Het Commissariaat voor de Media is
belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of
krachtens:
a. de hoofdstukken III tot en met VI, met uitzondering van de
artikelen 18 tot en met 24, 31 tot en met 38, 40 tot en met 41, 41b en
41c;
b. de artikelen 98b tot en met 99a, 103b, 106a en 107 tot en met
109e;
c. hoofdstuk XI.
2. Het Commissariaat oefent geen voorafgaand toezicht uit op de
inhoud van een programma.
3. Met het toezicht op de naleving van de in het eerste lid
genoemde onderdelen van deze wet zijn belast de leden van het
Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen
medewerkers van het Commissariaat.
4. Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
5. Het Commissariaat stelt jaarlijks voor 1 november Onze
Minister in kennis van het voorgenomen handhavingsbeleid in het volgende
kalenderjaar.
Artikel 134a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 135
1. Het Commissariaat voor de Media kan de
Stichting, de verzorger van een programma dat door middel van een
omroepzender of een omroepnetwerk wordt uitgezonden, de aanbieder van
een omroepzender of een omroepnetwerk en de Wereldomroep een
bestuurlijke boete opleggen:
a. van ten hoogste € 225 000,– per overtreding, bij
overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 71t, 72,
73, 82i, 82j, 82f, 82k, tweede lid, 173 en 174;
b. van ten hoogste € 135 000,– per overtreding, bij
overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 39b,
41a, 43b, 43c, 48 tot en met 52d, 53, zesde lid, 53a tot en met 58,
61a tot en met 68, 71a, 71e tot en met 71s, 76, vierde lid, 82a tot en
met 82e, 82h, 161, 166, 167c en 168;
c. van ten hoogste € 35 000,–, per overtreding, bij
overtreding van het bepaalde bij of krachtens enig ander bij of
krachtens deze wet gesteld voorschrift of artikel 5:20 van de Algemene
wet bestuursrecht.
2. Het Commissariaat draagt de opbrengst van de bestuurlijke
boeten af aan Onze Minister. De afgedragen opbrengst dient ter
aanwending voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede
zin.
Artikel 136 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 137
Een boete opgelegd krachtens artikel 135 kan bij dwangbevel door het
Commissariaat voor de Media worden ingevorderd. Het dwangbevel wordt op
kosten van degene tot wie het gericht is bij deurwaardersexploit
betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke
akten voorgeschreven. Binnen 30 dagen na de betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het Commissariaat. Het
verzet schorst de tenuitvoerlegging.
Artikel 138 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 138a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 138b
De in artikel 134, derde lid, bedoelde toezichthouders zijn bevoegd,
met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden
zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 138c [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 138d
Instellingen die een programma voor binnenlandse omroep verzorgen en
de Wereldomroep bewaren gedurende twee weken na de uitzending opnamen
van hun uitgezonden programma's. Zij stellen deze opnamen desgevraagd
ter beschikking van het Commissariaat voor de Media.
Artikel 138e [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 139
Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen en de Wereldomroep
dragen er zorg voor dat de leden van het Commissariaat voor de Media en
de door hen daartoe aangewezen medewerkers van het Commissariaat
desgevraagd inzage verkrijgen in - en kopieën kunnen maken van - de
zakelijke gegevens en bescheiden van de bedrijven of ondernemingen die
hebben meegewerkt aan de verzorging van hun programma-onderdelen, voor
zover dat voor de vervulling van de toezichthoudende taak van het
Commissariaat met betrekking tot de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 52, 52a, 52b, 55, 56 en 56a
door de instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep,
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 140 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 141 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 142 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 143 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 144 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 144a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 144b [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 144c [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 144d [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145b [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145c [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145d [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145e [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145f [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145g [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 145h [Vervallen per 01-01-2000]
Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 146
Het Commissariaat voor de Media, de Stichting en het Bedrijf staan
als hoofdelijke schuldenaar over en weer garant voor de nakoming van de
financiële verplichtingen die voor 1 januari 1988 door de Nederlandse
Omroep Stichting zijn aangegaan.
Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 148 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 149 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 150 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 151 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 152 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 153
Indien het Rijk met toepassing van de Omroepwet aan een instelling
die zendtijd heeft verkregen, een bijdrage in investeringen heeft
verleend, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende
onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de
vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De terug te
betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het Commissariaat
vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is
verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen
worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 28,
met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28, onderdeel d.
Artikel 154 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 155 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 157 [Vervallen per 25-01-1991]
Artikel 158 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 159 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 160 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 161
1. Het is de Kerkeraad van de
Gereformeerde Kerk van Bloemendaal toegestaan een radioprogramma voor
algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van
kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Bloemendaal. De uitzendingen
zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Bloemendaal.
2. Het is de Generale Synode der Gereformeerde Kerken toegestaan
een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de
weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. De
uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Apeldoorn.
3. Met betrekking tot het in dit artikel bepaalde kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld,
daaronder begrepen de mogelijkheid tot intrekking van de in dit artikel
gegeven toestemmingen.
Artikel 162 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 163 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 164 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 165 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 165a [Vervallen per 31-12-2003]
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 166
1. Het Commissariaat voor de Media kan
eenmaal voor een periode van drie jaren zendtijd voor televisie
toewijzen aan de Stichting ten behoeve van een programma dat bestaat uit
een samenstel van ten minste zeven verschillende regionale
programma-edities die tegelijkertijd op een van de
televisieprogrammanetten, genoemd in artikel 40, worden uitgezonden.
2. De zendtijd, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts
verleend, indien:
a. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt zowel over
de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, als over
de inhoud van de verschillende regionale programma-edities;
b. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt over de
verdeling van de inkomsten uit de reclameboodschappen en
telewinkelboodschappen in en aansluitend op de verschillende regionale
programma-edities; en
c. de verschillende regionale programma-edities worden geproduceerd
door de regionale omroepinstellingen.
3. Voor de toepassing van deze wet wordt het programma, bedoeld
in het eerste lid, aangemerkt als een programma voor landelijke omroep,
onderscheidenlijk een programma van een instelling die zendtijd heeft
verkregen voor landelijke omroep, met dien verstande dat op de
verschillende programma-edities niet artikel 51d, maar artikel 51e van
toepassing is.
Artikel 167 [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 167a [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 167b [Vervallen per 01-09-1997]
Artikel 167c
1. Het Commissariaat voor de Media kan
regels stellen met betrekking tot het uitzenden van toetsbeelden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen of op welke tijden geen toetsbeelden worden uitgezonden door
middel van de omroepzenders door middel waarvan ook de programma’s van
de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen,
worden uitgezonden.
Artikel 168
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het
uitzenden van programma’s uitsluitend bestemd voor de in Nederland
gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.
Artikel 169
Onze Minister stelt regels ter uitvoering van de artikelen 12, 15 en
16 van de Europese richtlijn, voor zover naar het oordeel van Onze
Minister een of meer van deze artikelen niet, niet voldoende, niet juist
of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse Reclame Code of in een
vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte
regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke blijft met het
toezicht daarop.
Artikel 170
1. Onze Minister richt de Stichting stimuleringsfonds
Nederlandse culturele omroepprodukties op.
2. De stichting heeft tot taak het verstrekken van financiële
bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van programmaonderdelen
en programmamateriaal voor activiteiten als bedoeld in artikel 13c,
derde lid, van bijzondere Nederlandse culturele aard, ten behoeve van
omroepverenigingen, de Stichting, de Programmastichting, de educatieve
omroepinstelling, dan wel kerkgenootschappen of genootschappen op
geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep, de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale
omroep, alsmede de Wereldomroep.
3. De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter
en zes andere leden. De leden van het bestuur worden benoemd en
ontslagen door Onze Minister. Twee leden worden benoemd uit de kring van
de omroep en twee leden uit de kring van de film- en podiumkunsten. Van
de andere leden wordt één tot voorzitter benoemd.
4. Wijzigingen in de statuten van de stichting behoeven de
instemming van Onze Minister. Het bestuur van de stichting kan niet
besluiten tot ontbinding van de stichting.
5. Onze Minister verstrekt jaarlijks aan de stichting uit de
middelen bedoeld in artikel 28 en artikel 110 een uitkering. De hoogte
van de uitkering is tenminste gelijk aan eenzestiende deel van de
afgedragen inkomsten van de Stichting Etherreclame van dat jaar. De
begroting en jaarrekening behoeven zijn instemming.
6. De stichting verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor
de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak nodig is.
7. Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid
van het functioneren van de stichting.
Artikel 170a
1. De instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 28,
onderdelen j en k, dienen eenmaal per vier jaren bij Onze Minister een
meerjarenplan voor de volgende periode van vier jaren in. Deze
meerjarenplannen zijn afgestemd op de voor de desbetreffende periode
geldende cultuurnota, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het specifiek
cultuurbeleid, en op de voor de desbetreffende periode geldende
begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep, bedoeld in artikel 99.
2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen jaarlijks
voor 1 juni bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande
kalenderjaar in.
3. Het meerjarenplan en de jaarrekening behoeven de instemming
van Onze Minister. Met betrekking tot het meerjarenplan hoort Onze
Minister daaromtrent de Stichting.
4. Aan het ter beschikking stellen van een vergoeding als bedoeld
in artikel 28, onderdelen j en k, kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Indien niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, of de aan de beschikking verbonden voorschriften niet
worden nageleefd, kan Onze Minister de beschikking waarbij de
desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken, dan wel de
beschikking tot het ter beschikking stellen van een vergoeding wijzigen.
Artikel 170b [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 170c
1. Onze Minister kan een deel van de
inkomsten van de Stichting Etherreclame, bedoeld in artikel 28, en de
rijksomroepbijdrage, bedoeld in artikel 111, reserveren ten behoeve van
de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep,
met uitzondering van politieke partijen, en de Wereldomroep (de algemene
omroepreserve).
2. Onze Minister kan uit de algemene omroepreserve uitkeringen
doen aan de raad van bestuur en, ten behoeve van de Wereldomroep, aan
het Commissariaat voor de Media. Het doen van uitkeringen aan de raad
van bestuur geschiedt met toepassing van artikel 106a.
3. Aan het doen van uitkeringen kunnen voorschriften worden
verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het doen van uitkeringen
intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden
voorschriften niet worden nageleefd.
4. Het beheer van de algemene omroepreserve berust bij het
Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat legt over het beheer
jaarlijks verantwoording af aan Onze Minister.
Artikel 171
Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van
de artikelen 4, 54, 71n, 72, 73, en 76 en de daarop berustende
bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 172
Besluiten van het Commissariaat voor de Media houdende nadere regels
die op grond van deze wet worden vastgesteld worden gepubliceerd in de
Nederlandse Staatscourant.
Artikel 173
Bij algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze
Minister-President na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond
waarvan in geval van buitengewone omstandigheden zendtijd en het gebruik
van studio's, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen ter beschikking
worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene maatregel van
bestuur aangewezen autoriteiten.
Artikel 174
1. Onze Minister-President is bevoegd in de algemene
noodtoestand, na overleg met Onze Minister, regels te stellen ten
aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s en het
toezicht daarop. In die regels kan worden afgeweken van het bepaalde
in artikel 134.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt onverwijld
beëindigd zodra artikel 31, eerste lid, van de Oorlogswet voor
Nederland in werking wordt gesteld.
Artikel 175
Een krachtens de artikelen 30a, vijfde lid, 39, vijfde lid, 39b, 41c,
eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 43c, derde lid, 52, tweede lid,
57a, tweede lid, 64, tweede lid, 71o, tweede lid, 130, vijfde lid, 131
en 132, tweede en derde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in
werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die
termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen
wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval
wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk
ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een
van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan
te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 176
Bij koninklijk besluit wordt bepaald op welk tijdstip deze wet in
werking treedt, welk tijdstip voor de onderscheidene artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan zijn.
Artikel 177
Deze wet kan worden aangehaald als Mediawet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 april 1987
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de vierde juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|