Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
- Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
WET van 27 november 1986,
houdende regelen inzake het verhandelen van meststoffen en de
afvoer van mestoverschotten
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
regelen te stellen met betrekking tot het verhandelen van
meststoffen, zowel in het belang van de bevordering van de
deugdelijkheid voor het doel waarvoor zij zijn bestemd als
in het belang van de bescherming van de bodem, en voorts
regelen te stellen in het belang van een doelmatige afvoer
van mestoverschotten;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. grond: dat deel van de bodem
dat wordt gebruikt of is bestemd om te worden gebruikt als
voedingsbodem voor planten;
b. groeimedium: materiaal in
vaste of vloeibare vorm, niet zijnde grond, dat wordt gebruikt
of is bestemd om te worden gebruikt als voedingsbodem voor
planten;
c. dierlijke meststoffen:
uitwerpselen van voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden
dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde
maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel
met de uitwerpselen, alsook producten daarvan;
d. meststoffen: dierlijke
meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn
bestemd om:
1°. te worden toegevoegd
aan grond of aan een groeimedium en die geheel of
gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder
begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen
dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter
geschikt te maken als voedingsbodem voor planten;
2°. te worden gebruikt als
groeimedium;
3°. te worden gebruikt als
voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze
producten niet reeds zijn begrepen onder 1° of 2°;
e. verhandelen van meststoffen:
afleveren van meststoffen aan handelaren in of gebruikers van
meststoffen alsmede het met het oog daarop voorhanden of in
voorraad hebben, aanbieden of vervoeren van meststoffen;
f. Onze Minister: Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
g. landbouw: akkerbouw,
veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm
van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – ,
tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van
bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan
bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet;
h. landbouwgrond: grond waarop
daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend;
i. bedrijf: geheel van
productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of
afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende
landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de
uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar
de feitelijke omstandigheden;
j. stikstof: stikstof, in welke
vorm of verbinding dan ook;
k. fosfaat: fosfor, in welke
vorm of verbinding dan ook, vermenigvuldigd met de factor
2,29;
l. hectare: hectare in gemeten
maat;
m. tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond: in Nederland gelegen oppervlakte
landbouwgrond, die in het kader van een normale
bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is;
n. veengrond: perceel waarvan
blijkens representatieve grondmonsters ten minste de helft van
de oppervlakte voor meer dan de helft van de dikte van de
grondlaag tot een diepte van 80 centimeter onder het maaiveld
bestaat uit veen;
o. zand- of lössgrond: perceel
waarvan blijkens representatieve grondmonsters ten minste de
helft van de oppervlakte voor meer dan de helft van de dikte
van de grondlaag tot een diepte van 80 centimeter onder het
maaiveld bestaat uit zand of löss;
p. kleigrond: grond niet zijnde
veengrond of zand- of lössgrond;
q. grasland: landbouwgrond
waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt
als veevoer;
r. bouwland: landbouwgrond,
niet zijnde grasland;
s. Pw-getal: waarde voor de
fosfaattoestand van bouwland, uitgedrukt in milligrammen P2O5
per liter grond;
t. PAL-getal: waarde voor de
fosfaattoestand van grasland, uitgedrukt in milligrammen P2O5
per 100 gram grond;
u. grond met lage
fosfaattoestand: landbouwgrond waarvan blijkens de aan Onze
Minister verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand
van de bodem lager is dan het Pw-getal 36 of een daarmee
overeenkomende bij ministeriële regeling vastgestelde
aanduiding, indien het bouwland betreft, dan wel lager is dan
het PAL-getal 27 of een daarmee overeenkomende bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding, indien het
grasland betreft;
v. grond met neutrale
fosfaattoestand: landbouwgrond waarvan blijkens de aan Onze
Minister verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand
van de bodem hoger is dan of gelijk is aan het Pw-getal 36 of
een daarmee overeenkomende bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, en lager is dan of gelijk is aan het
Pw-getal 55 of een daarmee overeenkomende bij ministeriële
regeling vastgestelde aanduiding, indien het bouwland betreft,
dan wel hoger is dan of gelijk is aan het PAL-getal 27 of een
daarmee overeenkomende bij ministeriële regeling vastgestelde
aanduiding, en lager is dan of gelijk is aan het PAL-getal 50
of een daarmee overeenkomende bij ministeriële regeling
vastgestelde aanduiding, indien het grasland betreft;
w. grond met hoge
fosfaattoestand: landbouwgrond niet zijnde grond met lage
fosfaattoestand of grond met neutrale fosfaattoestand;
x. mestoverschot: de in een
bepaald kalenderjaar geproduceerde, aangevoerde of uit opslag
komende hoeveelheid dierlijke meststoffen, die van een bedrijf
moet worden afgevoerd om te voldoen aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 8, en om te voldoen aan artikel 14;
y. varkensrecht: gemiddeld
aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat op grond
van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste mag worden
gehouden;
z. pluimveerecht: gemiddeld
aantal kippen en kalkoenen, uitgedrukt in pluimvee-eenheden,
dat op grond van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste
mag worden gehouden;
aa. productierecht:
varkensrecht of pluimveerecht;
bb. concentratiegebied:
concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als
aangegeven in bijlage I.
2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder bedrijf mede verstaan: een op
het Nederlands grondgebied gelegen deel van een in het buitenland
gevestigd bedrijf.
3. In het eerste lid, onderdelen n
en o, wordt onder perceel verstaan: aaneengesloten, door wegen,
waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins
topografisch begrensde oppervlakte grond.
4. Voor de toepassing van deze wet
wordt veengrond, zand- of lössgrond, en kleigrond aangeduid op
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde kaarten.
Artikel 2
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan
landbouwgrond moet voldoen om te worden aangemerkt als tot het
bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder, in afwijking van artikel 1, eerste lid,
onderdeel m, ook in de grensgebieden gelegen landbouwgrond buiten
Nederland tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond wordt gerekend.
Artikel 3
1.Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde wordt geen rekening gehouden met
handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen
wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel
gehad of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden,
moet worden aangenomen dat zij achterwege zouden zijn gebleven,
indien daarmee niet de toepassing van deze wet voor het vervolg
geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt.
2.Hoofdstuk III van deze wet is
niet van toepassing op natuurterreinen die de hoofdfunctie natuur
hebben.
Hoofdstuk II. Regels inzake het
verhandelen van meststoffen
Artikel 4
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan, in het belang van de bevordering van de
deugdelijkheid voor het doel waarvoor meststoffen zijn bestemd,
alsmede in het belang van de bescherming van de bodem, het
verhandelen van meststoffen worden verboden indien deze meststoffen
niet voldoen aan de bij of krachtens die maatregel gestelde eisen
met betrekking tot:
a. de hoedanigheid, de aard, de
gehalten aan bepaalde stoffen en verdere samenstelling, het
gewicht en de verpakking van meststoffen;
b. de benaming, de
gebruiksaanwijzing en andere vermeldingen voor meststoffen;
c. de wijze waarop de
vermeldingen van meststoffen worden aangebracht.
Deze eisen kunnen verschillend worden
vastgesteld afhankelijk van het gebruiksdoel van de desbetreffende
meststof.
Artikel 5
Het is verboden een product, dat
blijkens zijn aanduiding of anderszins kennelijk bestemd is om als
meststof te worden gebruikt, te verhandelen, indien dat product niet
voldoet aan de krachtens artikel 4 met betrekking tot meststoffen
gestelde eisen.
Artikel 6
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bedoeld in artikel 4 kan het verhandelen als
meststof van producten die geheel of gedeeltelijk uit
zuiveringsslib, havenslib, compost of andere soortgelijke voor
bemesting bruikbare producten bestaan, zonder vergunning verleend
door Onze Minister of door een bij de maatregel aangewezen
overheidsorgaan, worden verboden. Daarbij kunnen tevens regels
worden gesteld met betrekking tot het verlenen, weigeren of
intrekken van een vergunning.
2.Aan een vergunning, als bedoeld
in het vorige lid, kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan
onder beperkingen worden verleend. Tot de voorschriften kunnen
onder meer behoren:
a. de verplichting om van
monsters, welke op een daarbij aangegeven wijze zijn genomen,
analyses te verrichten ten aanzien van de hoedanigheid, de
aard, de gehalten aan bepaalde stoffen en verdere
samenstelling van de meststof;
b. de verplichting de
uitkomsten van de onder a bedoelde analyses ter beschikking te
stellen aan afnemers van de betrokken meststof of aan te
wijzen overheidsorganen;
c. een verbod de meststof af te
leveren aan bepaalde, bij het voorschrift aangewezen
gebruikers of groepen van gebruikers, in grotere dan bij het
voorschrift vastgestelde hoeveelheden;
d. de verplichting om de
naleving van de onder c bedoelde voorschriften te staven met
bij het voorschrift vastgestelde bewijsstukken;
e. voorschriften inzake het
voeren van een administratie, welke worden gesteld om de
naleving van de onder c bedoelde voorschriften genoegzaam te
kunnen controleren.
3.De aan een vergunning, als
bedoeld in het eerste lid, verbonden voorschriften en de
beperkingen waaronder zij is verleend, kunnen worden gewijzigd,
aangevuld of ingetrokken.
Hoofdstuk III. Gebruiksnormen
Artikel 7
Het is verboden in enig kalenderjaar
op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.
Artikel 8
Het inartikel 7 gestelde verbod geldt
niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid
meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen
overschrijdt:
a. de gebruiksnorm voor dierlijke
meststoffen;
b. de stikstofgebruiksnorm voor
meststoffen;
c. de fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen.
Artikel 9
1. De gebruiksnorm voor dierlijke
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram
stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond.
2. Bij ministeriële regeling kan
een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden
vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de
voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan voor de bij of krachtens die maatregel
aangegeven gevallen en onder de bij of krachtens die maatregel
vastgestelde voorwaarden en beperkingen een lagere gebruiksnorm
voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld of kan de
gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen op nul worden gesteld voor
zover dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om
waterverontreiniging door stikstof uit meststoffen te verminderen
en verdere verontreiniging te voorkomen. Dit is in het bijzonder
het geval als bij het achterwege blijven van deze maatregel de
hoeveelheid van 11,3 milligram stikstof per liter in zoet
oppervlaktewater of van 50 milligram nitraat per liter in
grondwater dreigt te worden overschreden of een betekenisvolle
bijdrage aan de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren,
andere zoetwatermassa’s, estuaria, kustwateren of zeewater mag
worden verwacht.
Artikel 10
1. De stikstofgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel b, is een bij
ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid stikstof per
hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond.
2. De hoeveelheid stikstof per
hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond
kan verschillend worden vastgesteld al naar gelang het gewas, de
gewasopbrengst, de toegepaste landbouwpraktijk, de ecologische
kenmerken van een waterlichaam en de kenmerken van de bodem, en al
naar gelang sprake is van kleigrond, veengrond, of zand- of
lössgrond.
3. De hoeveelheid stikstof per
hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond
wordt gebaseerd op een balans tussen enerzijds de te verwachten
stikstofbehoeften van de gewassen en anderzijds de stikstoftoevoer
naar de gewassen uit de bodem en uit meststoffen. De
stikstoftoevoer naar de gewassen uit de bodem komt overeen met de
hoeveelheid stikstof die in de bodem aanwezig is op het moment dat
het gewas begint de stikstof in betekenisvolle mate te gebruiken
en de toevoer van stikstof door nettomineralisatie van de
voorraden organische stikstof in de bodem.
4. De overeenkomstig het derde lid
bepaalde hoeveelheid stikstof wordt verlaagd voor zover dit naar
het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om
waterverontreiniging door stikstof uit meststoffen te verminderen
en verdere verontreiniging te voorkomen. Dit is in het bijzonder
het geval als bij het achterwege blijven van deze verlaging de
hoeveelheid van 11,3 milligram stikstof per liter in zoet
oppervlaktewater of van 50 milligram nitraat per liter in
grondwater dreigt te worden overschreden of een betekenisvolle
bijdrage aan de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren,
andere zoetwatermassa’s, estuaria, kustwateren of zeewater mag
worden verwacht.
Artikel 11
1. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, is in de jaren
2010 tot en met 2013 per hectare grasland van de tot het bedrijf
behorende oppervlakte landbouwgrond voor zover het grond met
neutrale fosfaattoestand betreft, 95 kilogram fosfaat.
2. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, is per hectare
bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond voor zover het grond met neutrale fosfaattoestand
betreft:
a. 80 kilogram fosfaat in 2010;
b. 75 kilogram fosfaat in 2011;
c. 70 kilogram fosfaat in 2012;
d. 65 kilogram fosfaat in 2013.
3. De fosfaatgebruiksnormen voor
meststoffen voor de jaren 2014 en volgende voor grond met neutrale
fosfaattoestand worden vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur. De normen kunnen verschillend worden vastgesteld al naar
gelang het gewas, de gewasopbrengst, de toegepaste
landbouwpraktijk, de kenmerken van de bodem en de grondsoort, de
grondwaterstand en de mate waarin de ecologische toestand van een
gebied afhankelijk is van de hoeveelheid fosfaat in het
oppervlaktewater en kunnen telkens ten opzichte van de voor het
voorgaande jaar geldende norm met ten hoogste 5 kilogram fosfaat
per hectare per jaar worden verlaagd, met het oog op het in 2015
bereiken van een situatie waarbij de toevoer van fosfaat uit
meststoffen en uit de bodem gemiddeld in evenwicht is met de
fosfaatbehoefte van de gewassen. Zolang de algemene maatregel van
bestuur niet in werking is getreden, blijft voor de jaren 2014 en
volgende de in het eerste en tweede lid genoemde
fosfaatgebruiksnorm voor 2013 van toepassing.
4. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen voor grond met hoge fosfaattoestand wordt bij algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. De norm kan ten opzichte van de
bij of krachtens het eerste tot en met derde lid voor grond met
neutrale fosfaattoestand geldende norm ten hoogste 10 kilogram
fosfaat per hectare lager worden vastgesteld. De norm kan
verschillend worden vastgesteld al naar gelang het gewas, de
toegepaste landbouwpraktijk, de kenmerken van de bodem en de
grondsoort, de grondwaterstand en de mate waarin de ecologische
toestand van een gebied afhankelijk is van de hoeveelheid fosfaat
in het oppervlaktewater. Zolang de algemene maatregel van bestuur
niet in werking is getreden, is de bij of krachtens het eerste tot
en met derde lid voor grond met neutrale fosfaattoestand geldende
norm van toepassing.
5. Bij ministeriële regeling wordt
voor grond met lage fosfaattoestand een hogere fosfaatgebruiksnorm
voor meststoffen vastgesteld dan de bij of krachtens het eerste,
tweede of derde lid voor grond met neutrale fosfaattoestand
vastgestelde fosfaatgebruiksnorm. De norm is van toepassing onder
bij de regeling bepaalde voorwaarden en beperkingen. Zolang de
ministeriële regeling niet in werking is getreden, is de bij of
krachtens het eerste tot en met derde lid voor grond met neutrale
fosfaattoestand geldende norm van toepassing.
6. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat een bedrijf in enig jaar, in afwijking van het
tweede en derde lid, een hogere fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen op bouwland kan toepassen, ingeval de hoeveelheid
fosfaat waarmee de ingevolge het tweede of derde lid geldende
fosfaatgebruiksnorm is overschreden in het navolgende jaar
volledig wordt gecompenseerd. Compensatie geschiedt door
vermindering van de hoeveelheid fosfaat die ingevolge de in het
navolgende jaar geldende fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op
of in de bodem kan worden gebracht met de hoeveelheid waarmee in
het voorgaande jaar de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen is
overschreden. De afwijkende gebruiksnorm, bedoeld in de eerste
volzin, bedraagt ten hoogste de bij de ministeriële regeling
bepaalde hoeveelheid fosfaat, die niet meer dan 20 kilogram
fosfaat per hectare per jaar hoger is dan de fosfaatgebruiksnorm
die geldt ingevolge het tweede of derde lid.
Artikel 12
1. Voor de toepassing van artikel
8, aanhef en onderdeel a, wordt de op of in de bodem gebrachte
hoeveelheid meststoffen bepaald door bij elkaar op te tellen de in
het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde
en per saldo uit opslag gekomen hoeveelheden dierlijke
meststoffen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van
het bedrijf afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen. De
hoeveelheden worden uitgedrukt in kilogrammen stikstof.
2. Voor de toepassing van artikel
8, aanhef en onderdeel b, wordt de op of in de bodem gebrachte
hoeveelheid meststoffen bepaald overeenkomstig het eerste lid, met
dien verstande dat niet alleen dierlijke meststoffen maar ook
andere meststoffen in aanmerking worden genomen.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat bij de bepaling van de in het tweede lid
bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in
dierlijke meststoffen of in andere, bij de regeling omschreven
organische meststoffen slechts voor een bij de regeling bepaald
percentage in aanmerking wordt genomen. Het percentage kan al naar
gelang de aard van de meststoffen, de periode waarin zij op of in
de bodem worden gebracht en de daarbij toegepaste landbouwpraktijk
en al naar gelang er sprake is van kleigrond, veengrond, of zand-
of lössgrond, dan wel van bouwland of grasland verschillend
worden vastgesteld.
4. Voor de toepassing van artikel
8, onderdeel c, wordt de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid
meststoffen bepaald overeenkomstig het tweede lid in samenhang met
het eerste lid, met dien verstande dat de hoeveelheden meststoffen
steeds worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat.
5. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat bij de bepaling van de in het vierde lid
bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid fosfaat in bij de
regeling omschreven organische meststoffen slechts voor een bij de
regeling bepaald deel in aanmerking wordt genomen. Dit deel kan al
naar gelang de aard van de meststoffen verschillend worden
vastgesteld.
Artikel 13
1. Tot de voorwaarden, bedoeld in
de artikelen 9, tweede lid, en 11, vijfde lid, kan behoren een
vergunning verleend door Onze Minister of de registratie van een
kennisgeving door Onze Minister.
2. Ingeval de Commissie van de
Europese Gemeenschappen Nederland derogatie heeft verleend om een
grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen toe te staan dan de in
artikel 9, eerste lid, genoemde gebruiksnorm en aan die derogatie
de voorwaarde heeft verbonden een monitoringsnetwerk tot stand te
brengen en in stand te houden, kan bij de regeling, bedoeld
inartikel 9, tweede lid, ter bestrijding van de jaarlijkse kosten
die daarmee samenhangen, aan degenen die op hun bedrijf een
grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen toepassen dan de in
artikel 9, eerste lid, genoemde gebruiksnorm, de verplichting
worden opgelegd tot het betalen van een geldsom ten behoeve van
’s Rijks kas. De hoogte van de geldsom kan bij deze regeling
verschillend worden vastgesteld al naar gelang de tot het bedrijf
behorende oppervlakte landbouwgrond. Bij de regeling kan worden
bepaald dat een kennisgeving eerst wordt geregistreerd nadat deze
geldsom is voldaan.
3. Bij de regeling, bedoeld in
artikel 9, kan de toepasselijkheid van een hogere hoeveelheid
stikstof in verband met een meer dan gemiddelde stikstofopname
door gewassen binnen een bepaalde soort worden verbonden aan de
voorwaarde van een vergunning verleend door Onze Minister of de
registratie van een kennisgeving door Onze Minister.
4. Aan een vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden en zij kan onder beperkingen worden
verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd,
aangevuld of ingetrokken.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen,
weigeren of intrekken van een vergunning.
Hoofdstuk IV. Regels in het belang
van een doelmatige afvoer van mestoverschotten
Artikel 14
1.Degene die dierlijke meststoffen
produceert of verhandelt kan steeds verantwoorden dat de op het
eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen
of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen
zijn afgevoerd.
2.De verantwoording heeft
betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft
mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd.
3.De verantwoording door degene die
dierlijke meststoffen produceert heeft mede betrekking op de
hoeveelheid stikstof in de meststoffen.
4.Voor de toepassing van het eerste
lid wordt op de geproduceerde of aangevoerde hoeveelheid dierlijke
meststoffen in mindering gebracht de hoeveelheid dierlijke
meststoffen waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat deze op het
eigen bedrijf of in het kader van de eigen onderneming is gebruikt
of opgeslagen.
Artikel 15
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen, in het belang van een doelmatige
afvoer van mestoverschotten of de bescherming en verbetering van
het milieu, regels worden gesteld met betrekking tot het in
voorraad hebben, verwerken, vernietigen, vervoeren en verhandelen
van dierlijke meststoffen.
2.De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen onder meer inhouden een verbod de in het eerste lid
bedoelde meststoffen:
a. te verhandelen zonder
kennisgeving daarvan op een daarbij aangegeven wijze aan een
daarbij aangewezen orgaan;
b. in voorraad te houden, te
verwerken of te vernietigen op een andere wijze dan daarbij is
voorgeschreven;
c. te verhandelen zonder
vergunning verleend door of vanwege Onze Minister, door of
vanwege een bevoegde autoriteit als bedoeld in een bindend
besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen, of door of vanwege een bij de
maatregel aangewezen orgaan, waarbij tevens regels kunnen
worden gesteld met betrekking tot de verlening, weigering of
intrekking van een vergunning;
d. te verhandelen zonder dat
een financiële zekerheid is gesteld bij Onze Minister of bij
de bevoegde autoriteit of het orgaan, bedoeld in onderdeel c,
waarbij tevens regels kunnen worden gesteld over de omvang van
de zekerheid en de wijze waarop de zekerheid wordt gesteld.
3.Aan een vergunning, als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c, kunnen voorschriften worden
verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend. Tot de
voorschriften kunnen onder meer behoren:
a. een verbod de desbetreffende
meststoffen af te leveren aan bij het voorschrift aangewezen
gebruikers of groepen van gebruikers, in grotere dan bij het
voorschrift vastgestelde hoeveelheden;
b. de verplichting de naleving
van de onder a bedoelde voorschriften te staven met bij het
voorschrift vastgestelde bewijsstukken;
c. voorschriften inzake het
voeren van een administratie welke worden gesteld om de
naleving van de onder a bedoelde voorschriften te kunnen
controleren.
4.De aan een vergunning, als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, verbonden voorschriften en
de beperkingen waaronder zij is verleend, kunnen worden gewijzigd,
aangevuld of ingetrokken.
Artikel 16
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent de minimumomvang van de
opslagruimte voor dierlijke meststoffen op een bedrijf.
2. Onverminderd het bepaalde bij of
krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht kunnen bij de maatregel voorwaarden worden gesteld
waaraan een opslagruimte moet voldoen om bij de bepaling van de
omvang van de op het bedrijf beschikbare opslagruimte voor
dierlijke meststoffen in aanmerking te worden genomen, waartoe
kunnen behoren regels omtrent de maximale afstand van de
opslagruimte tot de huisvesting waarin dieren worden gehouden.
Artikel 17
De toepassing van de in de artikel 15
bedoelde regels kan worden beperkt tot bepaalde, bij of krachtens de
in artikel 15 bedoelde maatregel aangewezen gebieden, waarbij deze
regelen per gebied en per categorie van bedrijven alsmede dierlijke
meststoffensoort verschillend kunnen worden vastgesteld.
Hoofdstuk V. Productiebegrenzing
varkens- en pluimveehouderij
Titel 1. Algemeen
Artikel 18
Voor de toepassing van dit hoofdstuk:
a. worden de aantallen varkens,
onderscheiden naar diercategorie, uitgedrukt in varkenseenheden
overeenkomstig de inbijlage II daarvoor opgenomen normen;
b. worden de aantallen kippen en
kalkoenen, onderscheiden naar diercategorie, uitgedrukt in
pluimvee-eenheden overeenkomstig de in bijlage II daarvoor
opgenomen normen.
Titel 2. Uitbreidingsverboden
Artikel 19
Het is verboden op een bedrijf
gemiddeld in een kalenderjaar een groter aantal varkens te houden
dan het op het bedrijf rustende varkensrecht.
Artikel 20
1.Het is verboden op een bedrijf
gemiddeld in een kalenderjaar een groter aantal kippen en
kalkoenen te houden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing indien op het bedrijf op geen enkel moment een groter
aantal kippen en kalkoenen wordt gehouden dan overeenkomt met 250
pluimvee-eenheden.
Artikel 21
1.Het is verboden anders dan op een
bedrijf op enig moment een groter aantal varkens te houden dan
overeenkomt met 3 varkenseenheden.
2.Het is verboden anders dan op een
bedrijf op enig moment een groter aantal kippen en kalkoenen te
houden dan overeenkomt met 250 pluimvee-eenheden.
Artikel 22
1.Onze Minister kan ten aanzien van
een bedrijf waarvan het productierecht is overschreden bepalen,
dat het op enig moment gehouden aantal varkens en het op enig
moment gehouden aantal kippen en kalkoenen de door hem
vastgestelde aantallen niet mogen overschrijden.
2.De in het eerste lid bedoelde
aantallen komen overeen met het aantal varkens, onderscheidenlijk
het aantal kippen en kalkoenen dat overeenkomstig het varkensrecht
en het pluimveerecht gemiddeld gedurende het jaar mag worden
gehouden, vermeerderd met 15%.
3.Onverminderd de artikelen 19 en
20 is het verboden op enig moment een groter aantal varkens of een
groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan het door Onze
Minister vastgestelde aantal.
4.De in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid kan ten aanzien van een bedrijf voor een
aaneengesloten periode van ten hoogste drie jaar worden
uitgeoefend. De periode kan telkens worden verlengd tot drie jaar
te rekenen vanaf het tijdstip waarop een overtreding van het
verbod, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld.
Titel 3. Omvang productierecht bij
aanvang
Artikel 23
1.Het op het bedrijf rustende
varkensrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod,
bedoeld in artikel 19, komt overeen met het varkensrecht zoals dat
onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip voor het bedrijf gold op
grond van de Wet herstructurering varkenshouderij.
2.Het op het bedrijf rustende
pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod,
bedoeld in artikel 20, eerste lid, komt overeen met het
pluimveerecht, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, zoals dat
onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip voor het bedrijf gold op
grond van deze wet, met dien verstande dat de kilogrammen fosfaat
worden omgerekend naar pluimvee-eenheden. Voor deze omrekening
komt 0,5 kilogram fosfaat overeen met 1 pluimvee-eenheid.
Artikel 24
1.Het overeenkomstig artikel 23
bepaalde productierecht wordt gecorrigeerd, indien voorafgaand aan
het in dat artikel bedoelde tijdstip, in hetzelfde kalenderjaar
met betrekking tot het bedrijf een registratie heeft
plaatsgevonden van een kennisgeving van overgang van het
varkensrecht of pluimveerecht, of een gedeelte daarvan, maar de
omvang van de verkleining, dan wel vergroting van het
desbetreffende productierecht werd beperkt ingevolge artikel 18,
zesde lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij,
onderscheidenlijk artikel 58q, vierde lid, van de Meststoffenwet,
zoals deze artikelen luidden op het tijdstip van de registratie.
2.De correctie geschiedt van
rechtswege bij aanvang van het kalenderjaar volgend op het
kalenderjaar waarin de registratie van de kennisgeving van
overgang plaatsvond en leidt tot een verkleining,
onderscheidenlijk vergroting van het desbetreffende productierecht
met het aantal varkenseenheden of pluimvee-eenheden waarop de
beperking betrekking had.
3.Voor de toepassing van het tweede
lid ten aanzien van het pluimveerecht komt 0,5 kilogram fosfaat
overeen met 1 pluimvee-eenheid.
Titel 4. Overgang van het
productierecht
Artikel 25
Een productierecht kan, onder welke
titel dan ook, overgaan naar een ander bedrijf, overeenkomstig het
bepaalde in deze paragraaf en artikel 32.
Artikel 26
1. Een productierecht, of een
gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf dat geheel of
gedeeltelijk is gelegen in het ene concentratiegebied kan niet
overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in
het andere concentratiegebied.
2. Een productierecht, of een
gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf dat geheel of
gedeeltelijk is gelegen buiten de concentratiegebieden kan niet
overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in
een concentratiegebied.
3. Een bedrijf is gedeeltelijk
gelegen in een concentratiegebied, als een of meer voor de
varkens-, kippen- of kalkoenenhouderij bestemde stallen in dat
gebied zijn gelegen.
4. In zoverre in afwijking van het
eerste lid kan een productierecht, of een gedeelte daarvan,
afkomstig van een bedrijf dat geheel is gelegen in een van de
concentratiegebieden overgaan naar een bedrijf dat in beide
concentratiegebieden is gelegen, onder de voorwaarde dat het
productierecht, of gedeelte daarvan, na overgang uitsluitend wordt
gebruikt ten behoeve van de varkens-, kippen- of kalkoenenhouderij
op een locatie die in hetzelfde concentratiegebied is gelegen als
het bedrijf waarvan het afkomstig is.
5. Het eerste en het tweede lid
gelden niet ingeval van overgang van het productierecht bij een
samenvoeging van bedrijven.
6. Het is verboden om binnen een
bedrijf de varkens-,kippen- of kalkoenenhouderij te verplaatsen:
a. van een locatie gelegen
buiten de concentratiegebieden naar een locatie gelegen in een
concentratiegebied, of
b. van een locatie gelegen in
het ene concentratiegebied naar een locatie gelegen in het
andere concentratiegebied.
7. Het eerste, tweede en zesde lid
zijn niet van toepassing voor zover een bedrijf dat geheel of
gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied de geproduceerde
hoeveelheid dierlijke meststoffen in verband met het
productierecht of gedeelte daarvan dat overgaat, dan wel de
varkens-,kippen- of kalkoenhouderij die wordt verplaatst, zelf
verwerkt door middel van mestverwerking of mestvergisting en deze
hoeveelheid buiten de markt voor dierlijke mest wordt gehouden.
8. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het zevende
lid.
Artikel 27
1.De belanghebbende naar wiens
bedrijf het productierecht, of gedeelte daarvan, moet overgaan en
de belanghebbende van wiens bedrijf het productierecht, of
gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang kennis aan
Onze Minister.
2.Er kan pas aanspraak worden
gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige productierecht,
of gedeelte daarvan, met ingang van het tijdstip van registratie
van de kennisgeving door Onze Minister.
3.Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving wordt gedaan.
Artikel 28
1.Op het tijdstip van registratie
van de kennisgeving, bedoeld in artikel 27, tweede lid, vindt een
verkleining plaats van het varkensrecht, onderscheidenlijk
pluimveerecht van het bedrijf waarvan het desbetreffende
productierecht, of gedeelte daarvan, afkomstig is, en vindt een
vergroting plaats van het varkensrecht, onderscheidenlijk het
pluimveerecht van het bedrijf waarnaar het desbetreffende
productierecht, of gedeelte daarvan, overgaat.
2.De verkleining en de vergroting
komen overeen met het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk
pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft.
3.Voor het jaar waarin de
kennisgeving wordt geregistreerd zijn de verkleining en de
vergroting beperkt tot het deel van het desbetreffende
productierecht waarvan de betrokken partijen bij de kennisgeving
hebben aangegeven dat dit in dat jaar op het bedrijf waarvan het
afkomstig is niet wordt benut voor het houden van dieren.
Artikel 29
1.De registratie, bedoeld in
artikel 27, tweede lid, vindt niet plaats indien:
a. de kennisgeving niet
overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 27, derde lid, is
gedaan,
b. de kennisgeving betrekking
heeft op een groter aantal varkenseenheden of
pluimvee-eenheden dan overeenkomt met het desbetreffende
productierecht van het bedrijf waarvan het afkomstig is,
c. de kennisgeving betrekking
heeft op het productierecht afkomstig van een bedrijf ten
aanzien waarvan Onze Minister gebruik maakt van de in artikel
22 bedoelde bevoegdheid, of
d. de overgang van het
productierecht in strijd is met artikel 26.
2.Indien pas na registratie blijkt
dat niet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan,
wordt de registratie door Onze Minister ongedaan gemaakt. Met
terugwerkende kracht tot het tijdstip van de registratie vervallen
de rechtsgevolgen van die registratie.
Artikel 30
1.In afwijking van artikel 228 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op het productierecht geen
pandrecht worden gevestigd.
2.Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat alvorens Onze Minister de in artikel 27, eerste
lid, bedoelde kennisgeving in behandeling neemt, van deze
kennisgeving mededeling wordt gedaan aan in die regeling genoemde
derdebelanghebbenden.
3.Bij de ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld voor de uitvoering van het tweede
lid, onder meer over:
a. de wijze waarop en de
termijn waarbinnen de derdebelanghebbenden zich bij Onze
Minister kunnen aanmelden,
b. de gegevens die Onze
Minister aan de derdebelanghebbenden kenbaar maakt, en
c. de periode gedurende welke
Onze Minister de kennisgeving niet in behandeling neemt.
Artikel 31
1.De belanghebbende kan bij Onze
Minister een kennisgeving doen van het vervallen of het
gedeeltelijk vervallen van het productierecht.
2.Na registratie van de
kennisgeving door Onze Minister is het desbetreffende
productierecht nihil, onderscheidenlijk vindt een verkleining van
dat recht plaats met het aantal varkenseenheden of
pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft.
3.Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving wordt gedaan.
Titel 5. Verlaging van het
productierecht bij overgang
Artikel 32
1.Indien op landelijk niveau de
omvang van de productie van dierlijke meststoffen, uitgedrukt in
kilogrammen stikstof of fosfaat, afkomstig van varkens of van
pluimvee de omvang van die productie in 2002 overschrijdt, en
indien dit ook geldt voor de totale omvang van de productie van
dierlijke meststoffen, kan, al naar gelang de overschrijding
betrekking heeft op varkensmest of op pluimveemest, bij algemene
maatregel van bestuur, in zoverre in afwijking van artikel 28,
tweede lid, worden bepaald dat, de vergroting van het
varkensrecht, onderscheidenlijk dat de vergroting van het
pluimveerecht wordt beperkt tot een bij de maatregel vastgesteld
percentage van het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk
pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving, bedoeld in artikel 27,
eerste lid, betrekking heeft.
2.Het in het eerste lid bedoelde
percentage is ten minste 75%.
3.Voor verschillende groepen van
gevallen kan het percentage verschillend worden vastgesteld.
4.De voordracht van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 33
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat ingeval van een bedrijfsoverdracht
het op het bedrijf rustende productierecht wordt verlaagd met een
bij de maatregel vastgesteld percentage.
2.Het in het eerste lid bedoelde
percentage is ten hoogste 25%.
3.Voor verschillende groepen van
gevallen kan het percentage verschillend worden vastgesteld.
4.Onder bedrijfsoverdracht wordt
mede begrepen de inbreng van een bedrijf in een maatschap en de
verkrijging van een meerderheid van de aandelen in een
vennootschap.
5.Dit artikel is niet van
toepassing op een overdracht aan een persoon waarmee bloed- of
aanverwantschap in de eerste graad bestaat, of op de inbreng in
een maatschap met een zodanige persoon, en evenmin op een
verkrijging van een bedrijf onder algemene titel.
Hoofdstuk VI. Verantwoording en
hoeveelheidsbepaling
Artikel 34
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld omtrent het opmaken, bewaren,
overleggen en afdragen van gegevens door natuurlijke personen,
rechtspersonen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen of
rechtspersonen die meststoffen produceren, verhandelen of gebruiken.
Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. het bedrijf of de onderneming,
zoals de aard en de locatie van het bedrijf of de onderneming en
van de daartoe behorende onderdelen en bedrijfsmiddelen, de
tenaamstelling of handelsnaam, de rechtsvorm, in voorkomend
geval de aard en samenstelling van het samenwerkingsverband van
personen of rechtspersonen dat het bedrijf of de onderneming
voert, de inschrijving in het handelsregister en de bij het
bedrijf of de onderneming werkzame personen en hun bevoegdheden;
b. de geproduceerde, in voorraad
gehouden, aangevoerde, afgevoerde, verhandelde, be- of
verwerkte, op of in de bodem gebrachte en anderszins gebruikte
hoeveelheden meststoffen, de samenstelling, herkomst en
bestemming van de meststoffen en de gegevens, bedoeld in artikel
35, tweede lid, onderdelen b en c;
c. de tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond en de overige gebruikte grond, met
inbegrip van gegevens over naar de aard van de teelt of het
gebruik te onderscheiden aaneengesloten oppervlakten en de
topografische ligging daarvan, en met inbegrip van gegevens met
betrekking tot grond die nog in gebruik moet worden genomen en
met betrekking tot nog aan te vangen teelten en vormen van
gebruik.
Artikel 35
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de
bepaling van:
a. de hoeveelheden meststoffen,
bedoeld in artikel 34, onderdeel b, uitgedrukt in kilogrammen
stikstof of fosfaat;
b. de verdere samenstelling van
deze meststoffen;
c. de tot het bedrijf behorende
oppervlakten, bedoeld in artikel 34, onderdeel c;
d. de aantallen gehouden,
uitgeschaarde, ingeschaarde, tijdelijk elders ter weiding
ondergebrachte of tijdelijk ter weiding aangenomen dieren en
de aantallen dieren die anderszins op een bedrijf of in het
kader van een onderneming aanwezig zijn;
e. de aard, de fosfaattoestand
en de samenstelling van de bodem alsmede de gewasopbrengst,
voor zover dat relevant is voor de hoeveelheid meststoffen die
op of in de bodem mag worden gebracht.
2. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur kunnen mede regels worden gesteld omtrent
gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de
hoeveelheid geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in
kilogrammen stikstof of fosfaat, wordt bepaald op basis van:
a. bij of krachtens de
maatregel vastgestelde forfaitaire productienormen,
onderscheiden naar diersoort, diercategorie en bedrijfssysteem
en uitgedrukt in kilogrammen stikstof, onderscheidenlijk
fosfaat, per dier per jaar;
b. gegevens met betrekking tot
de samenstelling van het door de dieren gebruikte diervoeder
en de forfaitair bepaalde vastlegging van stikstof,
onderscheidenlijk fosfaat, in de dieren en dierlijke
producten, alsmede de forfaitair bepaalde gasvormige verliezen
van stikstof uit de stal en de mestopslagruimte;
c. indien het melkvee betreft,
de melkproductie per dier en de samenstelling van de melk;
d. een combinatie van deze
bepalingswijzen.
3. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur kunnen mede regels worden gesteld omtrent de
gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de hoeveelheid in
voorraad gehouden, aangevoerde, afgevoerde of verhandelde
meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof of fosfaat, wordt
bepaald op basis van bij of krachtens de maatregel vastgestelde
forfaitaire omrekennormen, onderscheiden naar mestvorm, diersoort,
diercategorie en bedrijfssysteem en uitgedrukt in kilogrammen
stikstof, onderscheidenlijk fosfaat, per gewichts- of
volume-eenheid.
4. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur worden de forfaitaire waarden, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, vastgesteld.
Deze waarden kunnen verschillend
worden vastgesteld al naar gelang, voor zover van toepassing, de
diersoort en diercategorie, de aard en het gewicht van het
dierlijke product en de aard en de omvang van de stal en de
mestopslagruimte.
5. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze
van bepaling van de hoeveelheid en de samenstelling van het
diervoeder en de melk, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en
c.
Artikel 36
1.De bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 35, gestelde regels
kunnen mede betrekking hebben op de bevoegdheid tot het doen van
vaststellingen ten behoeve van de bepaling van de in dat artikel
bedoelde hoeveelheden, hoedanigheden en oppervlakten en op de voor
die vaststellingen te gebruiken apparatuur.
2.De bevoegdheid tot het doen van
vaststellingen kan worden verbonden aan:
a. een door Onze Minister
overeenkomstig bij of krachtens de maatregel gestelde
voorwaarden verleende erkenning;
b. een door de Raad voor
Accreditatie verleende accreditatie overeenkomstig een door
Onze Minister goedgekeurd programma van eisen.
3.Aan een erkenning kunnen
voorschriften worden verbonden en zij kan onder beperkingen worden
verleend. De voorschriften en beperkingen kunnen worden gewijzigd,
aangevuld of ingetrokken.
4.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen, weigeren of
intrekken van een erkenning.
Artikel 37
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het opmaken,
bewaren, overleggen en afdragen van gegevens door degenen die:
a. betrokken zijn bij het doen
van vaststellingen ten behoeve van de bepaling van de
hoeveelheden, hoedanigheden en oppervlakten, bedoeld in artikel
34, of
b. diervoeder of dieren, als
bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel b, op bedrijven
afleveren, dan wel dieren, melk en andere dierlijke producten,
als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen b en c, van
bedrijven afnemen of be- of verwerken.
Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
Artikel 38
1.Bij ministeriële regeling kan
vrijstelling worden verleend van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
2.Onze Minister kan ontheffing
verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
3.Aan de vrijstelling of de
ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 39
1.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent het indienen van aanvragen voor
vergunningen, ontheffingen en erkenningen, die krachtens deze wet
kunnen worden verleend, en het indienen van kennisgevingen, die
ingevolge bij of krachtens deze wet gestelde regels moeten worden
geregistreerd.
2.Bij de regeling kan worden
bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in
behandeling wordt genomen of dat een kennisgeving eerst wordt
geregistreerd nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is
voldaan;
b. de kosten van het onderzoek
voortvloeiende uit de aanvraag geheel of gedeeltelijk ten
laste van de aanvrager wordt gebracht.
Artikel 40
1.Indien in deze wet geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet
nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene
maatregel van bestuur.
2.Indien onderwerpen waarop deze
wet van toepassing is, ter uitvoering van een bindend besluit van
de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de
Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen regeling behoeven, kan dit geschieden bij
ministeriële regeling.
Artikel 41
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan medewerking worden gevorderd van het
bestuur van een bedrijfslichaam.
2.Indien de van het bestuur van een
bedrijfslichaam gevorderde medewerking bestaat in het stellen van
nadere regels bij verordening, behoeft deze verordening de
goedkeuring van Onze Minister en van Onze Ministers wie het mede
aangaat, tezamen. Krachtens de verordening genomen besluiten
behoeven, voorzover dit bij of krachtens de maatregel als bedoeld
in het eerste lid is bepaald, de goedkeuring van de daarbij
aangewezen autoriteit.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 43
1.Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:
a. een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in de artikelen 4, 6, 11, vierde lid, 16,
32, 33 en 76, eerste lid,
b. een ministeriële regeling
als bedoeld in de artikelen 10, 11, vijfde lid, en 12, derde
lid, en
c. een besluit als bedoeld
inartikel 38, eerste en tweede lid, houdende vrijstelling of
ontheffing van het bepaalde bij of krachtens artikel 4, 5, 6,
7, 14, 16, 19, 20, eerste lid, 21, 26, 32 of 33.
2.Zienswijzen kunnen naar voren
worden gebracht door eenieder.
3.Onze Minister geeft toepassing
aan de in het eerste lid genoemde afdeling.
Artikel 44
De voordracht voor algemene
maatregelen van bestuur krachtens deze wet wordt Ons gedaan door
Onze Minister of, voor zover deze maatregelen worden getroffen in
het belang van de bescherming van de bodem, door Onze Minister en
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te zamen.
Artikel 45
De ministeriële regelingen, bedoeld
in hoofdstuk III, en krachtens artikel 38, eerste lid, vastgestelde
regelingen houdende vrijstelling van het bij of krachtens hoofdstuk
III bepaalde worden vastgesteld door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 46
Onze Minister zendt in 2007 en
vervolgens telkens na ten hoogste vijf jaar aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in
de praktijk.
Hoofdstuk VIII. Handhaving
Titel 1. Algemeen
Artikel 47
1.Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij
besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 48
Onze Minister kan voorschriften geven
betreffende de monsterneming, de verpakking, de conservering, de
verzegeling, de verzending en het onderzoek van de in artikel 5:18
van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde monsters.
Artikel 49
Onze Minister is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij
of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Titel 2. Bestuurlijke boetes
§ 1. Bevoegdheid
Artikel 50 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 51
Onze Minister kan een bestuurlijke
boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 7, 9, tweede en derde lid, 11, vijfde lid,
13, vierde lid, 14, eerste lid, 15, 34, 35, 36, 37, 38, derde lid,
of 40.
Artikel 52 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 53 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 54 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 55
Indien de ernst van de overtreding of
de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven,
wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.
Artikel 56 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 2. Hoogte bestuurlijke boete
Artikel 57
1.Ingeval van overtreding van
artikel 7bedraagt de bestuurlijke boete:
a. € 7 per kilogram stikstof
waarmee de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde gebruiksnorm
voor dierlijke meststoffen is overschreden, vermeerderd met
b. € 7 per kilogram stikstof
waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde
stikstofgebruiksnorm is overschreden, en vermeerderd met
c. € 11 per kilogram fosfaat
waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde
fosfaatgebruiksnorm is overschreden.
2.Indien zowel de gebruiksnorm voor
dierlijke meststoffen als de stikstofgebruiksnorm is overschreden,
geldt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, onderdeel b,
een tarief van € 3,50 voor de kilogrammen stikstof waarvoor
wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke
meststoffen reeds het tarief van€ 7 is toegepast.
3.Indien zowel de gebruiksnorm voor
dierlijke meststoffen als de fosfaatgebruiksnorm is overschreden,
geldt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, onderdeel c,
een tarief van€ 5,50 voor de kilogrammen fosfaat overeenkomend
met het aantal kilogrammen stikstof waarmee de gebruiksnorm voor
dierlijke meststoffen is overschreden.
Artikel 58
1.Ingeval van overtreding van
artikel 14, eerste lid, bedraagt de bestuurlijke boete € 11 per
kilogram fosfaat en € 7 per kilogram stikstof waarvan de afvoer
niet kan worden verantwoord.
2.In afwijking van het eerste lid
wordt geen bestuurlijke boete opgelegd voor zover wegens
overtreding van artikel 7 een bestuurlijke boete wordt opgelegd
voor de kilogrammen stikstof en fosfaat waarmee de in artikel 8
bedoelde stikstofgebruiksnorm voor meststoffen, onderscheidenlijk
fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen is overschreden.
Artikel 59 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 60
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen van de artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste lid,
afwijkende tarieven worden vastgesteld.
2.De afwijking bedraagt ten hoogste
50%.
3.Na de plaatsing in het Staatsblad
van de algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet
tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij
de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt
ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene
maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel
tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur
ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
4.Artikel 1, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 61 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 62
1. De op grond van artikel 57 of 58
te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat
is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde
lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door
een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald
voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van
het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een
rechtspersoon of een vennootschap.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de
bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën
van overtredingen ten hoogste kan worden opgelegd ter zake van
overtreding van het bij of krachtens artikel 9, tweede en derde
lid, 11, vijfde lid, 13, vierde lid, 15, 34, 35, 36, 37, 38, derde
lid, of 40 bepaalde.
3. De op grond van het tweede lid
te bepalen bestuurlijke boete bedraagt per overtreding ten hoogste
het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in
artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
§ 3. De procedure
Artikel 63 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 64 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 65 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 66 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 67 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 68 [Vervallen per 01-07-2009]
§ 4. Betaling
Artikel 69
Onze Minister kan de bestuurlijke
boete verrekenen met te verstrekken subsidies bij of krachtens de
Kaderwet LNV-subsidies.
Artikel 70 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 71 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 72 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 73 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk IX. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 74
1. Voor de toepassing van de
artikelen 19 en 20, eerste lid, wordt ten aanzien van een bedrijf
dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied,
van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk
pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat in de
periode met ingang van 23 april 2010 tot het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel, is overgegaan van een bedrijf
dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat
concentratiegebied.
2. Het is verboden varken, kippen
of kalkoenen te houden op een locatie gelegen in een
concentratiegebied indien deze varkens-, kippen- of
kalkoenenhouderij na 22 april 2010 binnen een bedrijf is
verplaatst van een locatie gelegen buiten dat concentratiegebied.
Artikel 75
Artikel 74, eerste lid, is niet van
toepassing indien met betrekking tot de in dat lid bedoelde
overgang:
a. vóór 23 april 2010 een
kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft
plaatsgevonden; of
b. vóór 23 april 2010 een
schriftelijke overeenkomst is gesloten en vóór 8 mei 2010 een
kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft
plaatsgevonden.
Artikel 76
1. De verschillende artikelen van
deze wet, of onderdelen daarvan, komen te vervallen op een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden bepaald.
2. Op het in het eerste lid
bedoelde tijdstip vervallen in artikel 1a van de Wet op de
economische delicten de verwijzingen naar de betrokken artikelen
of onderdelen.
3. Een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt aan beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip
dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij
koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn
door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van
het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In
dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig
mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken
of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het
voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van
bestuur ingetrokken.
Artikel 77
Hoofdstuk V vervalt met ingang van 1
januari 2015.
Artikel 78
Deze wet wordt aangehaald als:
Meststoffenwet.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
27 november 1986
BEATRIX
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M.
Braks
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E.H.T.M.
Nijpels
Uitgegeven de elfde december
1986
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
Bijlage I,
behorende bij de artikelen 1, eerste lid, en 26 van de
Meststoffenwet
Gebied I omvat, gerekend naar de
situatie op 1 januari 1997, het grondgebied van de navolgende
gemeenten:
Aalten
Almelo
Ambt-Delden
Amerongen
Amersfoort
Angerlo
Apeldoorn
Baarn
Barneveld
Bathmen
Bergh
De Bilt
Borculo
Borne
Brummen
Bunschoten
Dalfsen 1)
Denekamp
Deventer
Didam
Diepenheim
Diepenveen
Dinxperlo
Doesburg
Doetinchem
Doorn
Driebergen/Rijsenburg
Duiven
Ede
Eemnes
Eibergen
Elburg
Enschede
Epe
Ermelo
Gendringen
Goor
Gorssel
Groenlo
Haaksbergen
Den Ham
Harderwijk
Hattem
Heerde
Hellendoorn
Hengelo Gld.
Hengelo Ov.
Hoevelaken
Holten
Hummelo en Keppel
Leersum
Leusden
Lichtenvoorde
Lochem
Losser
Maarn
Markelo
Millingen a/d Rijn
Neede
Nunspeet
Nijkerk
Oldenbroek
Oldenzaal
Olst
Ommen
Ootmarsum
Putten
Raalte
Renswoude
Rhenen
Ruurlo
Rijnwaarden
Rijssen
Scherpenzeel
Soest
Stad-Delden
Steenderen
Tubbergen
Ubbergen
Veenendaal
Voorst
Vorden
Vriezenveen
Warnsveld
Weerselo
Wehl
Westervoort
Wierden
Winterswijk
Wisch
Woudenberg
Wijhe
Zeist
Zelhem
Zevenaar
Zutphen
Gebied II omvat, gerekend naar de
situatie op 1 januari 1997, het grondgebied van de navolgende
gemeenten:
Alphen-Chaam
Ambt Montfort
Arcen en Velden
Asten
Baarle Nassau
Beesel
Belfeld
Bergen (L)
Bergeijk
Bernheze
Best
Bladel
Boekel
Boxmeer
Boxtel
Breda 1)[2]
Broekhuizen
Budel
Cuijk
Deurne
Dongen2)[3]
Echt
Eersel
Eindhoven
Geldrop
Gemert-Bakel
Gennep
Gilze en Rijen
Goirle
Grave
Grubbenvorst
Haaren
Haelen
Heel en Panheel
Heeze-Leende
Helden
Helmond
's-Hertogenbosch
Heusden 3)[4]
Heythuysen
Hilvarenbeek
Horst
Hunsel
Kessel
Laarbeek
Landerd
Lith
Loon op Zand
Maasbracht
Maasbree
Maasdonk
Meerlo-Wanssum
Meyel
Mierlo
Mill en St. Hubert
Mook en Middelaar
Nederweert
Nuenen, Gerwen en Nederwetten
Oirschot
Oisterwijk
Oss
Ravenstein
Reusel-De Mierden
Roerdalen
Roermond
Roggel
Roggel en Neer
Rucphen 4)[5]
Schijndel
Sevenum
Sint Anthonis
St. Michielsgestel
St. Oedenrode
Someren
Son en Breugel
Stramproy
Swalmen
Tegelen
Thorn
Tilburg
Uden
Valkenswaard
Veghel
Veldhoven
Venlo
Venray
Vierlingsbeek
Vught
Waalre
Weert
Zundert
Bijlage II, behorende bij artikel 18
van de Meststoffenwet
|
Diersoorten |
Onderscheiden
categorieën dieren binnen de diersoorten |
Aantal
varkenseenheden (ve), onderscheidenlijk pluimvee-eenheden (pe)
per dier van de onderscheiden diercategorieën per jaar: |
|
I. Varkens |
Fokkerij/vermeerdering |
|
| |
1. Fokzeugen (ten minste
éénmaal gedekt of geïnsemineerd: guste zeugen, gedekte maar
nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met
biggen, zeugen waarvan de biggen gespeend zijn): |
|
| |
a. waarvan de biggen aan een
ander bedrijf worden geleverd ca. 6 weken na hun geboorte (ook
fokzeugen die nog geen biggen hebben) |
1,97 ve |
| |
b. waarvan de biggen worden
gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg (ook fokzeugen waarvan
de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden) |
2,74 ve |
| |
2. Opfokzeugen (jonge zeugen,
nooit gedekt of geïnsemineerd, gehouden voor de fokkerij): |
|
| |
a. van ca. 25 kg tot ca. 7
maanden (aangeleverde opfokzeugen van ca. 25 kg die worden
afgeleverd op ca. 7 maanden of iets ouder; ook opfokzeugen
afkomstig van het eigen bedrijf van exact 25 kg, die worden
afgeleverd op ca. 7 maanden) |
0,96 ve |
| |
b. van ca. 7 maanden tot de
eerste dekking (opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 7
maanden of iets jonger, tot de eerste dekking) |
1,59 ve |
| |
c. van ca. 25 kg tot de eerste
dekking (opfokzeugen die zijn aangeleverd op ca. 25 kg, die
niet op 7 maanden worden afgeleverd, maar worden aangehouden
tot de eerste dekking; ook opfokzeugen afkomstig van het eigen
bedrijf die worden aangehouden van exact 25 kg tot de eerste
dekking) |
1,11 ve |
| |
3. Opfokberen van ca. 25 kg tot
ca. 7 maanden (jonge nog niet dekrijpe beren, die worden
aangehouden voor de fokkerij, van ca. 25 kg tot ca. 7 maanden
of iets ouder; ook beren afkomstig van het eigen bedrijf vanaf
exact 25 kg) |
1,09 ve |
| |
4. Dekberen, van ca. 7 maanden
en ouder (dekrijpe beren – ook zoekberen – van ca. 7
maanden en ouder; ook aangeleverde beren van iets jonger dan 7
maanden; beren afkomstig van het eigen bedrijf te rekenen
vanaf exact 7 maanden) |
1,86 ve |
| |
5. Biggen, aangeleverd op ca. 6
weken, tot ca. 25 kg (gespeende biggen die op ca. 6 weken zijn
aangeleverd, die worden afgeleverd op ca. 25 kg; ook op 6
weken aangeleverde biggen die op het eigen bedrijf worden
aangehouden voor de mesterij, tot exact 25 kg) |
0,36 ve |
| |
|
|
| |
Mesterij |
|
| |
6. Slachtzeugen (zeugen die
niet meer gebruikt worden voor de fokkerij, maar worden
afgemest) |
1,59 ve |
| |
7. Vleesvarkens (varkens die
doorgaans worden gemest vanaf ca. 25 kg of iets lichter tot
ca. 110 kg; ook biggen afkomstig van het eigen, gesloten
bedrijf vanaf exact 25 kg) |
1 ve |
| |
|
|
|
II. Kippen |
Legrassen |
|
| |
1. Opfokhennen en -hanen van
legrassen, jonger dan ca. 18 weken (opfokhennen en -hanen voor
de vervanging van hennen en hanen van legrassen, inclusief
(groot)ouderdieren, die worden afgeleverd op ca. 18 weken;
dieren die op het eigen bedrijf worden aangehouden worden tot
exact 18 weken meegeteld) |
0,4 pe |
| |
2. Hennen en hanen van
legrassen, ca. 18 weken en ouder (hennen en hanen –
inclusief (groot)ouderdieren – die zijn aangeleverd op ca.
18 weken; ook van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen
– inclusief (groot)ouderdieren –, vanaf exact 18 weken) |
1 pe |
| |
|
|
| |
Vleesrassen |
|
| |
3. Opfokhennen en -hanen van
vleesrassen, jonger dan ca. 19 weken (opfokhennen en -hanen
ter vervanging van (groot)ouderdieren van vleesrassen, die
worden afgeleverd op ca. 19 weken; dieren die op het eigen
bedrijf worden aangehouden worden tot exact 19 weken
meegeteld) |
0,5 pe |
| |
4. Ouderdieren van vleesrassen,
ca. 19 weken en ouder (ouderdieren – inclusief
grootouderdieren – van vleesrassen, die zijn aangeleverd op
ca. 19 weken; ook van het eigen bedrijf afkomstige
(ouder)dieren, vanaf exact 19 weken) |
1,48 pe |
| |
5. Vleeskuikens (kuikens die
voor de slacht worden afgeleverd) |
0,48 pe |
| |
|
|
|
III. Kalkoenen |
Voor broedeieren |
|
| |
1. Hennen en hanen voor de
productie van broedeieren: |
|
| |
a. ca. 0 tot ca. 6 weken
(hennen en hanen van ca. 0 tot ca. 6 weken, gehouden op een
quarantainebedrijf) |
0,52 pe |
| |
b. ca. 6 tot ca. 30 weken
(hennen en hanen van ca. 6 tot ca. 30 weken, gehouden op een
opfokbedrijf) |
2,94 pe |
| |
c. ca. 30 weken en ouder
(hennen en hanen van ca. 30 weken en ouder) |
4 pe |
| |
|
|
| |
Vleeskalkoenen |
|
| |
2. Vleeskalkoenen (vanaf het
opzetten bij aanvang van de mestperiode tot de aflevering voor
de slacht) |
1,58 pe |
Voetnoten:
|