Nadere regelgeving:
- Besluit
algemene regels milieu mijnbouw
- Besluit archeologische
monumentenzorg
- Besluit omgevingsrecht
- Mijnbouwbesluit
- Mijnbouwregeling'
- Regeling omgevingsrecht
WET van 31 oktober 2002,
houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het
winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw
verwante activiteiten (Mijnbouwwet)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het
bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het
onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen
door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen
eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking
tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en algemene
bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. delfstoffen: in de ondergrond
aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in
een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of
afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met
uitzondering van brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen
en mengsels daarvan;
b. aardwarmte: in de ondergrond
aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan;
c. continentaal plat: het onder
de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond
daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10
december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht
van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk
is gelegen aan de zeezijde van de in artikel 1, eerste lid, van
de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee bedoelde lijn;
d. verkenningsonderzoek: een
onderzoek, zonder gebruikmaking van een boorgat, naar de
aanwezigheid van delfstoffen of naar de aanwezigheid van
aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens omtrent delfstoffen of
aardwarmte;
e. opsporen van delfstoffen:
onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel
naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een
boorgat;
f. winnen van delfstoffen: het
met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander
ondergronds werk onttrekken van delfstoffen aan de ondergrond
anders dan in de vorm van monsters of formatiebeproevingen;
g. opsporen van aardwarmte:
onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar
nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;
h. winnen van aardwarmte: het
onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond anders dan het
onttrekken daarvan in samenhang met het opsporen of het winnen
van delfstoffen dan wel met het opslaan van stoffen;
i. opslaan van stoffen: het
brengen of houden van stoffen op een diepte van meer dan 100
meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, dan wel het
terughalen van die stoffen, anders dan het in de ondergrond
brengen of houden of daaruit terughalen van stoffen gericht op
het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond;
j. opsporingsvergunning: een
vergunning voor het opsporen van delfstoffen;
k. winningsvergunning: een
vergunning voor het winnen van delfstoffen, alsmede voor het
opsporen van delfstoffen;
l. opslagvergunning: een
vergunning voor het opslaan van stoffen;
m. mijnbouwmilieuvergunning: een
vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid;
n. mijnbouwwerk: een werk dat
behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorie van werken:
1°. ten behoeve van het
opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte;
2°. ten behoeve van het
opslaan van stoffen;
3°. die samenhangen met de
in de onderdelen 1° en 2° bedoelde werken;
o. mijnbouwinstallatie: een
mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem
van een oppervlaktewater;
p. Onze Minister: Onze Minister
van Economische Zaken;
q. opsporen van
CO2-opslagcomplexen: onderzoek naar opslagcomplexen met
gebruikmaking van een boorgat of door het verrichten van proeven
met injectie van CO2 om het opslagvoorkomen te karakteriseren;
r. opsporingsvergunning van
CO2-opslagcomplexen: een vergunning voor het opsporen van
CO2-opslagcomplexen;
s. CO2-opslagcomplex:
opslagvoorkomen voor CO2 en de omringende geologische gebieden
die een weerslag kunnen hebben op de algehele integriteit van de
opslag en de veiligheid ervan;
t. opslagvoorkomen: een voorkomen
dat gebruikt wordt voor opslag;
u. permanent opslaan van CO2:
permanent opslaan van CO2 en stoffen die daarmee in directe
samenhang worden opgeslagen met uitzondering van opslag van CO2
voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of voor het
beproeven van nieuwe producten en procedés indien de geplande
opslagcapaciteit minder is dan 100 kiloton.
Artikel 2
1. Deze wet is mede van toepassing
op het continentaal plat.
2. Deze wet, met uitzondering van
artikel 51, is met betrekking tot delfstoffen slechts van
toepassing, voorzover de delfstoffen op een diepte van meer dan
100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn.
3. Deze wet is met betrekking tot
aardwarmte slechts van toepassing, voorzover de aardwarmte op een
diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de
aardbodem aanwezig is.
Artikel 3
1. Delfstoffen zijn eigendom van de
staat.
2. De eigendom van delfstoffen die
met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat
door het winnen daarvan over op de vergunninghouder. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
delfstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning in
de vorm van monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond
worden onttrokken.
3. De eigendom van stoffen die met
gebruikmaking van een opslagvergunning worden teruggehaald, komt
door het terughalen daarvan te berusten bij degene die eigenaar
was van de stoffen direct voorafgaande aan het in de ondergrond
brengen daarvan, dan wel bij degene die ten tijde van het
terughalen de rechtsopvolger is van die eigenaar.
4. De staat wordt voor alle met de
eigendom van delfstoffen verband houdende handelingen
vertegenwoordigd door Onze Minister.
Artikel 4
De rechthebbende ten aanzien van de
oppervlakte van de aardbodem is verplicht te gedogen dat de houder
van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het
opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het
opslaan van stoffen, in de ondergrond CO2opslagcomplexen opspoort,
delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint of stoffen opslaat
overeenkomstig de op deze activiteiten betrekking hebbende regels,
voorzover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan
100 meter beneden de oppervlakte en onverminderd het recht dat de
rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van
de door deze activiteiten veroorzaakte schade.
Artikel 5
Voor de toepassing van de
Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht
worden werken die worden of zijn uitgevoerd ten behoeve van het
opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van
delfstoffen of aardwarmte of ten behoeve van het opslaan van
stoffen, aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.
Hoofdstuk 2. Vergunningen voor
opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte
§ 2.1. Algemene bepalingen
Artikel 6
1. Het is verboden zonder
vergunning van Onze Minister:
a. delfstoffen op te sporen;
b. delfstoffen te winnen;
c. aardwarmte op te sporen;
d. aardwarmte te winnen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat het verbod niet van toepassing is
op in die maatregel omschreven categorieën van opsporen of winnen
van aardwarmte.
3. Het in dit hoofdstuk met
betrekking tot opsporen of winnen van delfstoffen bepaalde is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot opsporen of winnen
van aardwarmte.
Artikel 7
1. Een vergunning wordt niet
verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden
voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander
gehouden vergunning voor dezelfde delfstof geldt.
2. Een vergunning wordt evenmin
verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden
voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een
ander gehouden opslagvergunning geldt.
3. Het eerste lid blijft buiten
toepassing ten aanzien van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde
andere delfstoffen.
Artikel 8
Een winningsvergunning wordt slechts
verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied
waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.
Artikel 9
1. Onverminderd de artikelen 7 en 8
kan een vergunning slechts worden geweigerd:
a. op grond van de technische
of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
b. op grond van de manier
waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de
vergunning wordt aangevraagd, te verrichten,
c. op grond van het gebrek aan
efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede
verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de
aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in
de artikelen 6, eerste lid, en 25, eerste lid, onder een
eerdere vergunning, of
d. indien een keuze moet worden
gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij
een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c
gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig
en voortvarend opsporen en winnen.
2. Een vergunning kan op grond van
de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als
onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op
te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en
102.
3. Met het oog op de toepassing van
het eerste en tweede lid kunnen bij ministeriële regeling nadere
regels worden gesteld die bij de beslissing op een aanvraag om een
vergunning in acht worden genomen. Zodanige regels worden in elk
geval gesteld met betrekking tot opsporings- en
winningsvergunningen voor koolwaterstoffen.
4. Van de plaatsing in de
Staatscourant van een regeling als bedoeld in de tweede volzin van
het derde lid wordt mededeling gedaan in het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen. Van een besluit tot wijziging van
zodanige regeling wordt eveneens mededeling gedaan in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 10
1. Onverminderd de artikelen 7 en 8
wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking
van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen
heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de
geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die
delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de
opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt
voor een gebied dat niet overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, is
begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts
in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de
winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor
verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
2. Het eerste lid geldt niet,
indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt
door een van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met
c, genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een aanvraag als bedoeld
in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning,
voorzover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied,
tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op
de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een
winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop
de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de
winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de
betrokken delfstoffen. Voorzover hierdoor voorschriften als
bedoeld in artikel 12 vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan
zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de
winningsvergunning.
§ 2.2. Beperkingen en voorschriften
Artikel 11
1. In een vergunning wordt bepaald
voor welke in artikel 6 bedoelde activiteiten en voor welke
delfstoffen zij geldt. Indien in een winningsvergunning is
opgenomen dat zij geldt voor bepaalde delfstoffen, geldt zij
tevens voor andere delfstoffen die onvermijdelijk meekomen met de
winning van die bepaalde delfstoffen.
2. In een vergunning wordt bepaald
voor welk tijdvak zij geldt. Dit geschiedt zodanig dat het tijdvak
niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de
vergunning wordt verleend, te verrichten.
3. In een vergunning wordt bepaald
voor welk gebied zij geldt. Ten behoeve van de afbakening van het
gebied wordt de begrenzing aan de oppervlakte aangegeven. Tenzij
de vergunning anders bepaalt, wordt het gebied gevormd door het
aangegeven oppervlak en de ondergrond daarvan.
4. De afbakening van het gebied
geschiedt zodanig dat de uitoefening van de activiteiten uit
technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan
plaatsvinden. Bij ministeriële regeling worden nadere regels
gesteld met het oog op de toepassing van de vorige volzin met
betrekking tot een opsporings- of winningsvergunning voor
koolwaterstoffen.
5. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat een opsporingsvergunning voor daarbij
aangegeven delfstoffen slechts kan worden verleend voor een
gebied, waarvan de begrenzing een gevolg is van een voorafgaande
geometrische verdeling van het gebied waarvoor deze wet geldt of
van een deel daarvan. In dat geval is het vierde lid niet van
toepassing.
Artikel 12
In een opsporingsvergunning wordt
bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk
is geworden, de in de vergunning aangegeven opsporingsactiviteiten
dienen te worden verricht. In de vergunning kan tevens worden
bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk
is geworden, de in de vergunning aangegeven verkenningsonderzoeken
dienen te worden verricht.
Artikel 13
1. Een vergunning voor
koolwaterstoffen wordt verleend onder geen andere beperkingen dan
die bedoeld in artikel 11. Aan deze vergunning worden geen andere
voorschriften verbonden dan die bedoeld in artikel 12.
2. Een vergunning die geen
vergunning voor koolwaterstoffen is, kan tevens onder andere
beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend. Aan
deze vergunning kunnen tevens andere voorschriften worden
verbonden dan die bedoeld in artikel 12. Deze andere beperkingen
en voorschriften, anders dan voorschriften op grond van artikel
98, kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de
veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van
voorkomens van delfstoffen.
§ 2.3. Procedure
Artikel 14
Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning
dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke
daarbij moeten worden overgelegd.
Artikel 15
1. Zodra een aanvraag om een
vergunning is ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld
om aanvragen om een soortgelijke vergunning in te dienen voor
dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied.
2. Onze Minister plaatst hiertoe
een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding
van het bepaalde in artikel 17. Indien het een aanvraag om een
opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft,
wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen.
3. Anderen kunnen aanvragen
indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de
uitnodiging in de Staatscourant of, ingeval het koolwaterstoffen
betreft, het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
4. De procedure, bedoeld in het
eerste tot en met het derde lid, wordt niet toegepast met
betrekking tot:
a. een aanvraag om een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 10, eerste lid;
b. een aanvraag om een
winningsvergunning die wordt ingediend door de houder van een
opsporings- of winningsvergunning naar aanleiding van de
aantoning van een voorkomen, waarvan aannemelijk is dat het
zich gedeeltelijk in zijn gebied en gedeeltelijk in het
aangevraagde aangrenzende gebied bevindt;
c. een aanvraag voor een
gebied, waarvoor op grond van artikel 7 geen vergunning wordt
verleend;
d. een aanvraag die wordt
ingediend overeenkomstig het derde lid.
5. In het geval, bedoeld in het
vierde lid, onderdeel b, stelt Onze Minister anderen die ten tijde
van de in dat onderdeel bedoelde indiening houder zijn van een
opsporings- of winningsvergunning voor dezelfde delfstof, voor
gebieden die grenzen aan het in dat onderdeel bedoelde
aangevraagde aangrenzende gebied, in de gelegenheid om tot dertien
weken na die indiening een aanvraag om een winningsvergunning voor
die delfstof voor dat gebied in te dienen.
Artikel 16
Gedeputeerde staten van de provincie
waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft worden in de
gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen
redelijke termijn advies uit te brengen over de ingediende aanvraag.
Artikel 17
1. Onze Minister beslist op een
aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst
daarvan. Indien artikel 15, eerste of vijfde lid, toepassing heeft
gevonden, beslist Onze Minister op alle aanvragen binnen zes
maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, derde,
onderscheidenlijk vijfde lid.
2. Onze Minister kan de termijn,
waarbinnen hij op een aanvraag dient te beslissen, eenmaal met ten
hoogste zes maanden verlengen.
3. Van een beschikking tot
verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
§ 2.4. Wijziging, overgang en
intrekking
Artikel 18
1. Onverminderdartikel 32c, kan
Onze Minister een vergunning slechts op aanvraag van de houder
wijzigen.
2. Een vergunning kan niet zodanig
worden gewijzigd dat zij komt te gelden voor:
a. andere activiteiten of
andere delfstoffen;
b. een groter gebied.
3. Een aanvraag om verlenging van
het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt slechts
ingewilligd, indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak
onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt,
te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming
met de vergunning. In een beschikking, waarbij het tijdvak
waarvoor een vergunning geldt wordt verlengd, kan het gebied
waarvoor die vergunning geldt worden beperkt tot een deel van het
gebied. Artikel 11, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. Een aanvraag om verkleining van
het gebied waarvoor een vergunning geldt, wordt slechts
ingewilligd met inachtneming van artikel 11, derde en vierde lid.
5. Van een beschikking tot
wijziging van een vergunning wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 19
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over:
a. het splitsen van een
vergunning, waardoor twee of meer vergunningen voor twee of meer
gebieden ontstaan;
b. het samenvoegen van twee of
meer vergunningen, waardoor een vergunning voor een gebied
ontstaat.
Artikel 20
1. De houder van een vergunning kan
zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze
Minister op een ander doen overgaan. Artikel 7, tweede lid, en
artikel 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn
van overeenkomstige toepassing. Aan een toestemming kunnen
voorschriften worden verbonden. Een toestemming kan onder
beperkingen worden verleend.
2. Indien de houder van een
vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen
overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de
vergunning als bedoeld in artikel 19, onderdeel a.
3. Van een beschikking tot
verlening van toestemming wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
4. Paragraaf 4.1.3.3. van de
Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de schriftelijke
toestemming, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
1. Onze Minister kan een vergunning
intrekken, indien:
a. de bij de aanvraag
verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of
onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing
zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest,
b. de vergunning niet langer
nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor
zij geldt,
c. dit wordt gerechtvaardigd
door een wijziging in de technische of financiële
mogelijkheden van de houder,
d. niet overeenkomstig de
vergunning is of wordt gehandeld, of
e. voor de houder van de
vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon als
zodanig geldende regels niet worden nageleefd.
2. Onze Minister gaat niet over tot
intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan
nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder
of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon zich na de
waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig
maakt.
3. Onze Minister kan een
winningsvergunning op aanvraag van de houder intrekken. Een
aanvraag tot intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het
voor een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen
noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden
voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
4. De houder van een
opsporingsvergunning kan afstand doen van de vergunning. De
vergunning vervalt met ingang van de dag na die waarop Onze
Minister een schriftelijke verklaring van de houder heeft
ontvangen, waarbij deze van de vergunning afstand doet.
5. De vergunning vervalt van
rechtswege:
a. als de houder een
natuurlijke persoon is, met ingang van de dag na die waarop
die persoon is overleden;
b. als de houder een
rechtspersoon is, met ingang van de dag na die waarop die
persoon heeft opgehouden te bestaan.
6. Van een beschikking tot
intrekking van een vergunning of van het vervallen van een
vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
§ 2.5. Bijzondere bepalingen
Artikel 22
1. Dit artikel is van toepassing op
het houden van een vergunning door meer dan een natuurlijke
persoon of rechtspersoon.
2. Bij de aanvraag om een
vergunning worden de personen gezamenlijk als aanvrager van de
vergunning beschouwd. Na verlening worden zij gezamenlijk als
houder van de vergunning beschouwd.
3. Artikel 20 is van
overeenkomstige toepassing als een van de personen zijn aandeel in
de vergunning op een ander wil doen overgaan.
4. In afwijking van artikel 21,
vijfde lid, vervalt de vergunning niet als één van de houders
die een natuurlijke persoon is, overlijdt dan wel één van de
houders die een rechtspersoon is, ophoudt te bestaan, maar gaat
diens aandeel in de vergunning over op de medehouders.
5. Een van de personen wordt
aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe
opdracht te verlenen. Het verrichten van de feitelijke
werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe is slechts aan
de aangewezen persoon toegestaan.
6. De aanwijzing geschiedt voor de
eerste maal in de vergunning.
7. De houder van de vergunning kan
uit zijn midden een andere persoon aanwijzen, nadat hij daartoe
van Onze Minister schriftelijk toestemming heeft gekregen.
8. Indien de aangewezen persoon
niet meer in staat is tot het verrichten van de feitelijke
werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe, trekt Onze
Minister de aanwijzing in. Indien geen van de personen is
aangewezen, wijst Onze Minister een van hen aan.
9. Onze Minister neemt de besluiten
die verband houden met de aanwijzing op basis van de in artikel 9,
eerste lid, onderdelen a tot en met c, genoemde gronden. Artikel
9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. De houder van een
winningsvergunning voor koolwaterstoffen gaat niet over tot het
winnen uit een voorkomen dat naar redelijkerwijs kan worden
aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, zolang
geen overeenkomst van kracht is als bedoeld in artikel 42, tweede
lid, tenzij Onze Minister ontheffing heeft verleend van de
verplichting om een overeenkomst te sluiten.
2. Indien tijdens of na het winnen
van koolwaterstoffen blijkt of is gebleken dat het desbetreffende
voorkomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de
vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, verplicht terstond na
het bekend worden van dat feit de voor het aangrenzende gebied tot
het winnen van de delfstoffen of aardwarmte gerechtigde daarvan in
kennis te stellen en medewerking te verlenen aan de totstandkoming
van een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, tweede lid, eerste
volzin. Artikel 42, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin,
zijn van toepassing.
Artikel 24
Dit hoofdstuk, met uitzondering van
artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van
delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver
wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te
voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning
voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van
dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de
vergunning te verenigen is.
Hoofdstuk 3. Vergunningen voor het
opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen
§ 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 25
1. Het is verboden zonder
vergunning van Onze Minister:
a. stoffen op te slaan;
b. CO2-opslagcomplexen op te
sporen.
2. Het verbod geldt niet met
betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur omschreven
categorieën van gevallen.
3. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a.
Artikel 26
1. Een opslagvergunning wordt niet
verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden
voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander
gehouden opslagvergunning geldt.
2. Een opslagvergunning wordt
evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou
gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een
door een ander gehouden vergunning als bedoeld in artikel 6 geldt.
3. Ingeval aan een houder van een
opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen een
opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is
verleend, vervalt de opsporings- of winningsvergunning op het
tijdstip waarop de verleende opslagvergunning onherroepelijk
wordt.
4. Met ingang van het tijdstip
waarop een winningsvergunning als bedoeld in het derde lid
vervalt, gelden de delfstoffen in het gebied waarvoor de
winningsvergunning gold, als stoffen die na winning door de houder
van de opslagvergunning, bedoeld in het derde lid, zijn opgeslagen
en waarvan de eigendom bij hem berust.
5. Het derde lid is niet van
toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke
opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is
verleend.
6. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO2
of een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen niet
verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan
zou gaan gelden voor een CO2-opslagcomplex waarvoor op dat
tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25
geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
Artikel 26a
1. Onverminderdartikel 26, zesde
lid, wordt de houder van een vergunning voor het opsporen van
CO2-opslagcomplexen die met gebruikmaking van die vergunning de
geschiktheid van een voorkomen voor permanent opslaan van CO2
heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de
geldingsduur van die vergunning, een opslagvergunning voor het
aangetoonde opslagvoorkomen verleend.
2. Het eerste lid geldt niet,
indien weigering van de opslagvergunning, bedoeld in het eerste
lid, gerechtvaardigd wordt door één van de in artikel 27
genoemde gronden.
3. Indien een aanvraag als bedoeld
in het eerste lid is ingediend, blijft de vergunning voor het
opsporen van CO2-opslagcomplexen, voor zover deze betrekking heeft
op het aangevraagde opslagvoorkomen, tenminste gelden tot het
tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt
beslist onherroepelijk wordt. Indien een vergunning voor permanent
opslaan van CO2 wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de
beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de
opslagvergunning geldt, de vergunning voor opsporen van
CO2-opslagcomplexen. Voor zover hierdoor voorschriften vervallen
die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften
die zijn verbonden aan de opslagvergunning.
Artikel 26b
1. Zodra een aanvraag om een
opslagvergunning is ingediend, worden anderen in de gelegenheid
gesteld om aanvragen om een opslagvergunning in te dienen voor
hetzelfde gebied.
2. Onze Minister plaatst hiertoe
een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding
van het bepaalde in artikel 17 dan wel, indien het permanent
opslaan van CO2 betreft, van het bepaalde inartikel 31c, derde tot
en met vijfde lid.
3. Anderen kunnen aanvragen
indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de
uitnodiging in de Staatscourant.
4. De procedure, bedoeld in het
eerste tot en met het derde lid, wordt niet toegepast met
betrekking tot:
a. een aanvraag die wordt
ingediend overeenkomstig het derde lid;
b. vergunningen waarop artikel
26, eerste of tweede lid, van toepassing is;
c. een aanvraag voor een gebied
waarvoor op grond van artikel 26, zesde lid, geen vergunning
zal kunnen worden verleend;
d. een aanvraag voor een
vergunning voor permanent opslaan van CO2waarop artikel 26a
van toepassing is.
5. Het eerste tot en met het vierde
lid, onderdeel a en c, is van overeenkomstige toepassing op een
aanvraag voor een vergunning voor opsporen van
CO2-opslagcomplexen.
Artikel 27
1. Onverminderd artikel 26 kan een
opslagvergunning slechts worden geweigerd:
a. op grond van de technische
of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
b. op grond van de manier
waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de
vergunning wordt aangevraagd, te verrichten,
c. op grond van het gebrek aan
efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager
blijk heeft gegeven bij activiteiten onder een eerdere
vergunning op grond van deze wet,
d. in het belang van de
veiligheid,
e. in het belang van de
landsverdediging,
f. in het belang van een
planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte,
g. ter nakoming van het op 7
november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het op
29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de
voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het
storten van afval en andere stoffen (Trb. 1998, 134 en Trb.
2000, 27),
h. indien het algemeen belang
vereist dat het gebied waarvoor een opslagvergunning wordt
aangevraagd, wordt gebruikt voor de opslag van andere dan in
de aanvraag omschreven stoffen, of
i. indien een keuze moet worden
gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij
een beoordeling op grond van de onderdelen a tot en met h
gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig
en voortvarend opslaan.
2. Een vergunning kan op grond van
de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als
onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op
te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en
102.
3. Onverminderdartikel 26 wordt een
vergunning voor permanent opslaan van CO2 geweigerd indien:
a. bij opslag onder de
voorgestelde exploitatievoorwaarden een significant risico van
lekkage bestaat of significante milieu- of gezondheidsrisico’s
bestaan;
b. door verlening van de
vergunning zich in dezelfde hydraulische eenheid meer dan
één opslagvoorkomen zou gaan bevinden en de potentiële
drukinteracties zodanig zijn dat beide voorkomens niet
tegelijk aan de eisen van veiligheid kunnen voldoen.
4. Met het oog op de toepassing van
het eerste, tweede en derde lid kunnen bij ministeriële regeling
nadere regels worden gesteld, die bij de beslissing op een
aanvraag om een vergunning in acht worden genomen.
Artikel 28
In een opslagvergunning anders dan
een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt bepaald voor
welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt.
Daarbij wordt bepaald dat:
a. de in de ondergrond gebrachte
stoffen voor een in de vergunning geregeld tijdstip teruggehaald
moeten worden, of
b. de stoffen definitief in de
ondergrond achtergelaten moeten worden.
Artikel 29
1. Een opslagvergunning kan voorts
onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 28 worden
verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden
verbonden.
2. De beperkingen en voorschriften,
anders dan voorschriften op grond van artikel 98, kunnen slechts
worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de
landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van
delfstoffen of aardwarmte.
3. In afwijking van het tweede lid
kunnen aan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 ook
beperkingen en voorschriften als bedoeld in artikel 31d, eerste
lid, worden verbonden.
Artikel 30
1. Onze Minister kan een
opslagvergunning wijzigen of intrekken, indien dit wordt
gerechtvaardigd op grond van de in artikel 29, tweede en derde
lid, bedoelde belangen.
2. Voorts kan Onze Minister een
opslagvergunning wijzigen of intrekken, indien niet wordt voldaan
aan artikel 39a.
3. Onverminderd het eerste lid kan
Onze Minister ook op grond van artikel 31h een vergunning voor
permanent opslaan van CO2 wijzigen of intrekken.
4. Van een beschikking tot
wijziging of intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant.
Artikel 31
De houder van een opslagvergunning
kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze
Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en
derde lid, 26, tweede lid, en 27 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 31a
1. Ten aanzien van een
opslagvergunning zijn de artikelen 14, 17, 19, 21, met
uitzondering van het vierde lid, en 22 van overeenkomstige
toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid
zijn op vergunningen voor permanent opslaan van CO2 uitsluitend de
artikelen 14 en 22 van overeenkomstige toepassing.
3. Ten aanzien van een vergunning
voor opsporen van CO2-opslagcomplexen zijn de artikelen 9, eerste
tot en met derde lid, 11, tweede, derde en vierde lid, 12, 13,
tweede lid, 14, 17, 18 met dien verstande dat voor andere «andere
delfstoffen» wordt gelezen «andere stoffen», 19, 20 met dien
verstande dat in het eerste lid, tweede volzin, voor «Artikel 7,
tweede lid» wordt gelezen «Artikel 26, zesde lid»,21, eerste,
tweede, vierde, vijfde en zesde lid, en 22 van overeenkomstige
toepassing.
§ 3.2. Aanvullende bepalingen
omtrent het permanent opslaan van CO2
Artikel 31b
Een aanvraag om een vergunning voor
permanent opslaan van CO2 omvat ten minste de volgende onderwerpen:
a. het tijdvak van injectie van
CO2 en de omvang van het vergunningsgebied,
b. een karakterisering van het
opslagvoorkomen en het opslagcomplex en een beoordeling van de
verwachte veiligheid van de opslag,
c. de technische en financiële
mogelijkheden van de aanvrager,
d. de totale hoeveelheid CO2 die
zal worden opgeslagen,
e. de toekomstige bronnen van CO2
en transportmethoden,
f. de samenstelling van de
CO2-stroom,
g. de maximum toelaatbare
snelheid en druk bij injectie van CO2 en de maximaal toelaatbare
druk van de opgeslagen CO2,
h. de ligging van het voorkomen
waar CO2 zal worden opgeslagen,
i. risicobeheer,
j. monitoring,
k. afsluiting,
l. corrigerende maatregelen,
m. bodembeweging, en
n. een omschrijving van de
financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening die
gesteld zal worden en een bewijs dat deze rechtsgeldig en
daadwerkelijk wordt gesteld voordat met de opslag van CO2 wordt
aangevangen.
Artikel 31c
1. Onze Minister zendt een aanvraag
om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 die voldoet aan
artikel 31b met de daarbij behorende stukken binnen een maand na
de ontvangst daarvan aan de Europese Commissie.
2. Onze Minister zendt het ontwerp
van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 met de daarbij
behorende stukken voor advies aan de Europese Commissie binnen zes
maanden:
a. na afloop van de termijn,
bedoeld in artikel 26b, derde lid, of
b. na ontvangst van de aanvraag
om de vergunning indien artikel 26a, eerste lid, van
toepassing is.
3. Onze Minister neemt een besluit
op een aanvraag binnen uiterlijk tien maanden na de ontvangst van
de aanvraag.
4. Onze Minister kan de termijnen,
genoemd in het tweede en derde lid, eenmaal met ten hoogste zes
maanden verlengen.
5. Van een beschikking tot
verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
6. Onze Minister zendt afschrift
van het besluit omtrent de aanvraag ter kennisneming naar de
Europese Commissie. Een afwijking van het advies, bedoeld in het
tweede lid, wordt met redenen omkleed.
Artikel 31d
1. Een vergunning voor permanent
opslaan van CO2 omvat ten minste de volgende onderwerpen:
a. het tijdvak van injectie van
CO2 en het gebied,
b. de ligging en begrenzing van
het opslagvoorkomen en het gebied van het opslagcomplex,
c. gegevens met betrekking tot
de hydraulische eenheid,
d. voorschriften voor het
opslagproces,
e. de totale hoeveelheid CO2
die overeenkomstig de vergunning ten hoogste kan worden
opgeslagen,
f. de grenswaarden van de druk
van de opgeslagen CO2,
g. de maximum toelaatbare
snelheid en druk bij injectie van CO2 en de maximaal
toelaatbare druk van het opgeslagen CO2,
h. risicobeheer,
i. monitoring,
j. afsluiting,
k. corrigerende maatregelen,
l. bodembeweging,
m. de samenstelling van de
CO2-stroom die wordt opgeslagen met inbegrip van stoffen die
worden toegevoegd ten behoeve van de monitoring en de controle
van CO2-migratie, en
n. het bedrag aan financiële
zekerheid of een gelijkwaardige voorziening.
2. Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht met uitzondering van artikel 3:18 is van toepassing
op de voorbereiding van het besluit over een vergunning voor
permanent opslaan van CO2, voor zover de opslag niet geschiedt in
het continentaal plat of onder de territoriale zee in een
opslagvoorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de
bijlage bij deze wet vastgelegde lijn. Zienswijzen kunnen naar
voren worden gebracht door een ieder. Afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht is niet van toepassing indien het een besluit
betreft inzake wijziging van een besluit omtrent een vergunning
als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen omtrent het eerste lid regels worden
gesteld.
Artikel 31e
1. Een houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22 stelt Onze Minister in kennis van de
geplande wijzigingen van de exploitatie van het opslagvoorkomen en
de injectiefaciliteiten met bijbehorende bovengrondse
voorzieningen.
2. Op een aanvraag van de houder
van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 om wijziging van
een of meer onderdelen van een verleende vergunning is artikel
31d, eerste lid, voor zover relevant van toepassing.
Artikel 31f
1. Een houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22 houdt in een register bij de hoeveelheden en
kenmerken van de geleverde, opgeslagen en weggelekte CO2-stromen
met inbegrip van hun samenstelling.
2. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld omtrent de inrichting van het register.
Artikel 31g
1. De houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22 verstrekt ten minste elk jaar aan Onze
Minister de volgende gegevens:
a. de resultaten van de
monitoring van de opgeslagen CO2 met vermelding van de
gebruikte technologie,
b. de hoeveelheden en kenmerken
van de geleverde en opgeslagen CO2-stromen met vermelding van
de samenstelling van deze stromen,
c. het bewijs dat financiële
zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en
aangehouden, en
d. andere gegevens die Onze
Minister van belang acht voor het beoordelen van de belangen
genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdelen a, b en c, en
derde lid, onderdeel b, en voor het vergroten van de kennis
van het CO2-gedrag in het opslagvoorkomen.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, en tijdstip van verstrekking.
Artikel 31h
1. Onze Minister wijzigt waar nodig
een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of trekt deze in:
a. na kennis te hebben genomen
van lekkages of significante onregelmatigheden,
b. indien blijkt dat de
vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd of dat er risico
is op lekkages of significante onregelmatigheden,
c. indien dit noodzakelijk
blijkt op basis van de meest recente wetenschappelijke
bevindingen en technologische vooruitgang, of
d. indien de gestelde
financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening
onvoldoende blijkt te zijn.
2. Beoordeling van de vergunning
vindt plaats nadat een periode van vijf jaar na de verlening van
de vergunning is verstreken en vervolgens om de tien jaar.
Artikel 31i
1. Een houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22 sluit een opslagvoorkomen af en verwijdert
de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse
voorzieningen indien opslag van CO2 overeenkomstig de
voorschriften van zijn vergunning is beëindigd.
2. Alvorens te beginnen met de
afsluiting van het opslagvoorkomen en de verwijdering van de
injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse
voorzieningen dient de houder of de aangewezen persoon, bedoeld in
het eerste lid, een geactualiseerde versie van de documenten,
bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l, bij
Onze Minister in.
3. De houder of de aangewezen
persoon, bedoeld in het eerste lid, vangt niet eerder aan met de
afsluiting dan nadat Onze Minister met de geactualiseerde versies
heeft ingestemd.
Artikel 31j
1. Onze Minister trekt een
vergunning voor permanent opslaan van CO2op eigen beweging of op
verzoek van de vergunninghouder in indien:
a. door de houder van een
vergunning voor permanent opslaan voor CO2of, indien de
vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een
aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 schriftelijk is
aangetoond dat het opgeslagen CO2 volledig en permanent
ingesloten blijft,
b. het opslagvoorkomen is
afgesloten en de injectiefaciliteiten met de bijbehorende
bovengrondse voorzieningen zijn verwijderd,
c. na het tijdstip waarop het
opslagvoorkomen is afgesloten en de bijbehorende bovengrondse
voorzieningen en injectiefaciliteiten zijn verwijderd een
periode van tenminste 20 jaar is verstreken of zoveel korter
of langer als naar het oordeel van Onze Minister, gelet op
onderdeel a, verantwoord is, en
d. de houder, bedoeld in
onderdeel a, hem een financiële bijdrage ter beschikking
heeft gesteld waarmee de voorziene kosten, doch ten minste de
geraamde monitoringskosten gedurende een periode van 30 jaar,
ingaande op het tijdstip van intrekking worden gedekt.
2. Op het document, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, en een besluit als bedoeld in het eerste
lid zijn de artikelen artikel 31c en 31d, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden omtrent het eerste lid regels
gesteld.
Artikel 31k
1. Met ingang van het tijdstip
waarop een vergunning ingevolge artikel 31j is ingetrokken, is
Onze Minister belast met:
a. monitoring,
b. corrigerende maatregelen en
c. de preventieve en
herstelmaatregelen, bedoeld in de artikelen 17.12 en 17.13 van
de Wet milieubeheer.
2. Indien na het tijdstip, bedoeld
in het eerste lid, lekkages van CO2 plaatsvinden:
a. meldt Onze Minister de
lekkages aan de Nederlandse emissieautoriteit en
b. levert Onze Minister voor 1
mei van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal
broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet milieubeheer in, dat overeenkomt met de hoeveelheid van de
emissie ten gevolge van de lekkages.
3. Met ingang van het tijdstip,
bedoeld in het eerste lid, vervalt de verplichting de gestelde
financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening aan te
houden.
4. De monitoring betreft het niveau
waarop lekkages of significante onregelmatigheden kunnen worden
vastgesteld. Indien significante onregelmatigheden of dreiging
daarvan worden vastgesteld, intensiveert Onze Minister de
monitoring.
5. Onze Minister verhaalt de kosten
die samenhangen met het eerste lid en zijn ontstaan na intrekking
van de vergunning op de voormalige houder van een vergunning voor
permanent opslaan voor CO2 of, indien de vergunning door meerdere
personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in
artikel 22 voor zover hij niet zorgvuldig heeft gehandeld in de
periode voorafgaande aan de intrekking van de opslagvergunning.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen omtrent het eerste lid, onderdeel a,
en het tweede lid regels worden opgesteld.
Artikel 31l
1. Indien Onze Minister ingevolge
artikel 31h, eerste lid, een vergunning intrekt, zet hij de
werkzaamheden met betrekking tot opslag voort in overeenstemming
met de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunning en
artikel 31f, totdat hij opnieuw een vergunning voor permanent
opslaan van CO2 heeft verleend.
2. Indien in afwijking van het
eerste lid geen nieuwe vergunning wordt verleend sluit Onze
Minister het opslagvoorkomen af en verwijdert de
injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse
voorzieningen in overeenstemming met de voorschriften van de
vergunning.
3. Indien het eerste dan wel tweede
lid toepassing vindt, actualiseert Onze Minister zo nodig de
documenten, bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot
en met l.
4. De kosten die Onze Minister bij
toepassing van het eerste tot en met derde lid maakt of heeft
gemaakt, verhaalt hij op de voormalige houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2 of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22. Indien geen verhaal mogelijk is, verhaalt
Onze Minister de kosten op de door de voormalige vergunninghouder
gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening.
5. Onze Minister stelt in de
periode die aanvangt met de intrekking van een vergunning de
financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening periodiek
bij.
6. De door de voormalige
vergunninghouder gestelde financiële zekerheid of een
gelijkwaardige voorziening vervalt wanneer alle beschikbare
gegevens naar het oordeel van Onze Minister aantonen dat het
opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft na betaling
van de kosten, bedoeld in het vierde lid, die nog niet door de
voormalige houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het vierde
lid, zijn betaald, en de kosten die Onze Minister naar redelijke
verwachting gedurende een aansluitende periode van 30 jaar zal
moeten maken, waaronder kosten van monitoring.
7. Indien de kosten als bedoeld in
het zesde lid meer bedragen dan de financiële zekerheid of een
gelijkwaardige voorziening verhaalt Onze Minister deze meerdere
kosten op de voormalige houder of aangewezen persoon.
8. Indien het eerste of tweede lid
van toepassing is, is Onze Minister belast met het inleveren van
rechten als bedoeld in artikel 31k, tweede lid.
Artikel 31m
Onze Minister houdt een register bij
van de verleende vergunningen voor permanent opslaan van CO2 en het
afgesloten opslagvoorkomen en omliggende opslagcomplexen inclusief
informatie aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de
opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten is.
Artikel 31n
Onze Minister draagt er zorg voor dat
de milieu-informatie over permanent opslaan van CO2 voor een ieder
toegankelijk is. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
1. Een houder van een vergunning
voor permanent opslaan voor CO2of, indien de vergunning door
meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als
bedoeld in artikel 22 en een exploitant van een transportnetwerk
zijn verplicht op voorwaarden die redelijk, transparant en
niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoekt CO2 in
zijn opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door zijn
transportnetwerk te transporteren.
2. Een houder en een exploitant als
bedoeld in de eerste volzin kunnen het verzoek om opslag of
transport weigeren op grond van een gebrek aan capaciteit,
verbindingsmogelijkheden of onverenigbaarheid van technische
specificaties.
3. Beroep op een gebrek aan
capaciteit of verbindingsmogelijkheden kan niet worden gedaan
indien de houder en de exploitant het gebrek kunnen opheffen met
het uitvoeren van de nodige capaciteitsverhogende werkzaamheden
voor zover dit economisch verantwoord is of de verzoeker bereid is
de werkzaamheden te betalen en de uit te voeren werkzaamheden geen
negatief effect hebben op de milieuveiligheid van het transport en
de opslag van CO2.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
het eerste lid.
Hoofdstuk 3a. Gebiedsverkleining
Artikel 32a
1. Onze Minister inventariseert
jaarlijks voor 1 april de delen van een gebied, waarvoor een
vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen of een
opslagvergunning geldt, waar:
a. in de voorafgaande twee
kalenderjaren geen significante activiteiten met betrekking
tot het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of het opslaan
van stoffen hebben plaatsgevonden;
b. de winningsactiviteiten zijn
gestaakt.
2. Van de inventarisatie wordt door
Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 32b
1. Onze Minister kan een gebied
waarvoor een vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen of
opslagvergunning geldt, verkleinen met een deel ervan indien in
dat deel gedurende een periode van de voorafgaande twee
kalenderjaren geen significante activiteiten met betrekking tot
het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of het opslaan van
stoffen hebben plaatsgevonden of de winningsactiviteiten zijn
gestaakt.
2. Onze Minister stelt de houder
van een winnings- of opslagvergunning schriftelijk in kennis van
zijn voornemen tot gebiedsverkleining als bedoeld in het eerste
lid over te gaan en stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen zes
maanden, ingaande op de eerste dag na de dag van verzending van de
kennisgeving, aannemelijk te maken dat in dat deel significante
activiteiten als bedoeld in het eerste lid zijn of zullen worden
verricht.
3. Van significante activiteiten
als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval sprake indien:
a. opsporings-,winnings- of
opslagactiviteiten als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, f
respectievelijk i, zijn verricht of binnen een naar het
oordeel van Onze Minister redelijke termijn zullen worden
verricht;
b. een winningsplan als bedoeld
in artikel 34 is ingediend;
c. een opslagplan als bedoeld
in artikel 39 in samenhang met artikel 34 is ingediend.
4. Uiterlijk vier maanden na afloop
van de termijn, bedoeld in het tweede lid, of, indien de houder
van de vergunning binnen die termijn schriftelijk heeft
medegedeeld dat geen activiteiten zijn of zullen worden verricht,
uiterlijk vier maanden nadat die mededeling is gedaan, geeft Onze
Minister een beschikking omtrent verkleining van een
vergunningsgebied. Onze Minister kan beperkingen en voorschriften
verbinden aan de beschikking. Indien Onze Minister geen
beschikking heeft gegeven binnen de termijn, bedoeld in de eerste
volzin, wordt het gebied aangemerkt als niet te zijn verkleind.
Artikel 32c
1. Een beschikking als bedoeld in
artikel 32b wordt zodanig gegeven dat zowel het vergunningsgebied
dat na de verkleining resteert, als het deel waarmee het
vergunningsgebied wordt verkleind voldoen aan artikel 11, derde en
vierde lid.
2. In de beschikking wordt in elk
geval vermeld:
a. het vergunningsgebied dat na
de verkleining resteert,
b. het deel waarmee het
vergunningsgebied wordt verkleind en
c. het tijdstip waarop de
verkleining van het gebied waarvoor een vergunning geldt, zal
ingaan.
3. Van de beschikking wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede
uitvoering van activiteiten
§ 4.1. Algemene verplichtingen
Artikel 33
De houder van een vergunning als
bedoeld in artikel 6 of 25, dan wel, ingeval de vergunning haar
gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle
maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te
voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning
verrichte activiteiten:
a. nadelige gevolgen voor het
milieu worden veroorzaakt,
b. schade door bodembeweging
wordt veroorzaakt,
c. de veiligheid wordt geschaad,
of
d. het belang van een planmatig
beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte wordt
geschaad.
Artikel 34
1. Het winnen van delfstoffen
vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan.
2. De houder van een
winningsvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon
dient een winningsplan in bij Onze Minister.
3. Het winningsplan behoeft de
instemming van Onze Minister.
4. Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het
besluit omtrent instemming met een winningsplan, voorzover het
winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat of
onder de territoriale zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan
de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing indien het een besluit betreft inzake wijziging van een
besluit omtrent instemming met een winningsplan.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing op het winnen van delfstoffen in het kader van het
verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of
voor het door de centrale overheid te voeren beleid.
Artikel 35
1. Het winningsplan bevat voor elk
voorkomen binnen het vergunningsgebied ten minste een beschrijving
van:
a. de verwachte hoeveelheid
aanwezige delfstoffen en de ligging ervan;
b. het aanvangstijdstip en de
duur van de winning;
c. de wijze van winning alsmede
de daarmee verband houdende activiteiten;
d. de hoeveelheden jaarlijks te
winnen delfstoffen;
e. de kosten op jaarbasis van
het winnen van de delfstoffen;
f. de bodembeweging ten gevolge
van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade
door bodembeweging, voorzover het winnen van delfstoffen niet
geschiedt in het continentaal plat of onder de territoriale
zee vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de
in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij Onze
Minister anders heeft bepaald.
2. De Technische commissie
bodembeweging brengt aan Onze Minister advies uit omtrent het
eerste lid, onderdeel f.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het winningsplan.
Artikel 36
1. Onze Minister kan zijn
instemming met het opgestelde winningsplan slechts weigeren:
a. in het belang van het
planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen;
b. in verband met het risico
van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem,
voorzover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het
continentaal plat of onder de territoriale zee vanuit een
voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage
bij deze wet vastgelegde lijn, tenzij Onze Minister anders
heeft bepaald.
2. Onze Minister kan zijn
instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften
verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als
genoemd in het eerste lid.
3. Onze Minister kan zijn
instemming intrekken of de beperkingen en voorschriften wijzigen,
indien dat gerechtvaardigd wordt door de in het eerste lid
genoemde gronden. De derde volzin van artikel 34, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing op een besluit inzake intrekking
van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en inzake
wijziging van beperkingen en voorschriften als bedoeld in de
eerste volzin.
Artikel 37 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 38 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 39
1. De artikelen 34 tot en met 38
zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. het winnen van aardwarmte,
en
b. het opslaan van stoffen.
2. Het eerste lid blijft buiten
toepassing voor zover hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, toepassing
vindt.
Artikel 39a
Binnen een termijn van twaalf
maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden,
dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens artikel 22
aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in artikel 39 in bij
Onze Minister.
Artikel 40
1. Dit artikel is van toepassing in
die gevallen waarin artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is op een
mijnbouwwerk.
2. Het is verboden zonder
vergunning van Onze Minister een mijnbouwwerk op te richten of in
stand te houden. Het verbod geldt niet voor mijnbouwwerken,
behorende tot een categorie die bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur van dit verbod is uitgezonderd en waarvoor
die algemene maatregel van bestuur regels stelt ter bescherming
van het milieu.
3. De vergunning kan slechts in het
belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
4. De vergunning kan onder
beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften
kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de
bescherming van het milieu.
5. In de vergunning kan worden
bepaald dat Onze Minister daarbij omschreven bevoegdheden heeft
ter uitvoering van daarbij aangewezen voorschriften.
6. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een
vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de
bescheiden welke daarbij moeten worden overgelegd. Bij de regeling
worden bestuursorganen aangewezen die in de gelegenheid moeten
worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het nemen
van een besluit, of die op andere wijze bij de
voorbereidingsprocedure worden betrokken.
7. Onze Minister kan de beperkingen
en voorschriften wijzigen, voorzover zij geen betrekking hebben op
de plaats van het mijnbouwwerk en de wijziging wordt
gerechtvaardigd door het belang van de bescherming van het milieu.
8. Artikel 21, eerste lid, met
uitzondering van onderdeel c, en tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
9. Op de voorbereiding van de
beschikking tot verlening van een vergunning is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
10. In een vergunning kan worden
bepaald:
a. dat daarbij aangewezen
voorschriften eerst in werking treden op een daarbij
aangegeven tijdstip, dan wel wanneer een daarbij aangegeven
omstandigheid zich voordoet;
b. dat daarbij aangewezen
voorschriften slechts gelden tot een daarbij aangegeven
tijdstip, dan wel omstandigheid;
c. dat daarbij aangewezen
voorschriften nadat de vergunning haar gelding heeft verloren,
gedurende een daarbij aangegeven termijn van kracht blijven.
11. De volgende onderdelen van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige
toepassing:
a. artikel 4.2 ten aanzien van
een beschikking omtrent:
1°. het wijzigen of
intrekken van een vergunning;
2°. het verlenen van een
vergunning voor het in stand houden van een mijnbouwwerk
in een geval waarin het in het tweede lid bedoelde verbod
niet gold voor dat mijnbouwwerk en het verbod op enig
tijdstip is gaan gelden anders dan ten gevolge van een
verandering van het mijnbouwwerk of van de werking
daarvan;
b. de artikelen 2.25, eerste
lid, en 8.1.
12. De volgende onderdelen van de
Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing: hoofdstuk 7,
de artikelen 8.40, eerste en tweede lid, 8.41, 8.42 en afdeling
13.2.
Artikel 41
1. Met het oog op de kans op
beweging van de aardbodem worden metingen verricht voor de aanvang
van het winnen van delfstoffen, tijdens het winnen en tot dertig
jaar na het beëindigen van het winnen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent deze metingen
en de rapportage over de uitkomsten daarvan.
2. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op het winnen van aardwarmte en het
opslaan van stoffen.
3. Dit artikel geldt, tenzij in de
desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking
tot het winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van
stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee,
voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een
voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij
deze wet vastgelegde lijn.
4. De verplichtingen van dit
artikel rusten op de houder van de desbetreffende, in artikel 6 of
25 bedoelde vergunning, dan wel, indien de vergunning haar
geldigheid heeft verloren, op de laatste houder van de vergunning.
Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke
persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van dit artikel
op de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon, dan wel, indien
de vergunning haar geldigheid heeft verloren, de laatstelijk op
grond van dat artikel aangewezen persoon.
Artikel 42
1. Indien een vergunning als
bedoeld in artikel 6 of 25 geldt voor een gebied, waarvoor een
ander een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 houdt, kan
Onze Minister de vergunninghouder verplichten in een door hem te
bepalen omvang te gedogen dat de houder van die andere vergunning
zijn daaruit voortvloeiende rechten uitoefent.
2. Indien een vergunning voor het
winnen van delfstoffen of aardwarmte geldt voor een gebied, waarin
zich een voorkomen bevindt dat naar redelijkerwijs kan worden
aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de
vergunninghouder verplicht om medewerking te verlenen aan de
totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en
de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen
of aardwarmte gerechtigde, tenzij Onze Minister van deze
verplichting ontheffing verleent. De overeenkomst strekt er toe
dat het winnen in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de
overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens
de hoofdstukken 2, 3 en 4 rusten op de in artikel 22 bedoelde
aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen.
Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen
overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst
worden aan Onze Minister overgelegd.
Artikel 43
1. Onze Minister kan rond een
mijnbouwinstallatie een veiligheidszone van een door hem te
bepalen omvang instellen. Zodanige veiligheidszone kan zich niet
verder uitstrekken dan tot een afstand van 500 meter, gemeten
vanaf de buitenzijde van de installatie.
2. Het is verboden, zonder
ontheffing van Onze Minister, zich te bevinden dan wel enig
voorwerp van welke aard ook te hebben of te doen hebben binnen een
krachtens het eerste lid vastgestelde veiligheidszone anders dan
ten behoeve van het verrichten van een verkenningsonderzoek of het
op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen of
aardwarmte of het opslaan van stoffen. Aan de ontheffing kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
aanvraag, wijziging of intrekking van een ontheffing.
Artikel 44
1. Een niet meer in gebruik zijnde
mijnbouwinstallatie wordt verwijderd.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op schroot en ander materiaal, dat ter
plaatse of in de naaste omgeving terechtgekomen is bij het
plaatsen, het gebruik of verwijderen van de mijnbouwinstallatie.
3. Onze Minister kan de
verplichting tot verwijdering beperken tot een door hem te bepalen
diepte beneden de bodem van het oppervlaktewater.
4. Onze Minister kan een termijn
vaststellen, waarbinnen aan de verplichting tot verwijdering moet
zijn voldaan.
5. Artikel 41, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
1. Onze Minister kan bepalen dat
een op of in het continentaal plat gelegen kabel of pijpleiding
die is gebruikt voor het opsporen of winnen van delfstoffen of
aardwarmte, dan wel voor het opslaan van stoffen, na het
beëindigen van het gebruik wordt verwijderd. Artikel 44, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De verplichtingen van dit
artikel rusten op de beheerder van de kabel of pijpleiding, dan
wel, indien niemand als beheerder kan worden aangemerkt, op de
laatste beheerder van de kabel of pijpleiding.
§ 4.2. Financiële zekerheid
Artikel 46
1. Onze Minister kan bepalen dat
zekerheid gesteld dient te worden ter dekking van de
aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting
ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen
van delfstoffen.
2. Op verzoek van Onze Minister
wordt aan hem een goed onderbouwd rapport overgelegd, waaruit
blijkt welke schade naar redelijke schatting zal ontstaan.
3. Het bedrag en de termijn
waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop de zekerheid wordt
gesteld, dienen ten genoegen van Onze Minister te zijn.
4. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op het winnen van aardwarmte en het
opslaan van stoffen.
5. Dit artikel geldt, tenzij in de
desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking
tot het winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van
stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee,
voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een
voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij
deze wet vastgelegde lijn.
6. Artikel 41, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een
vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de
verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven
rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van
de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon was.
Artikel 47
1. Onze Minister kan bepalen dat
zekerheid gesteld dient te worden voor de nakoming van hetgeen
verschuldigd zal worden, ingeval hij een last onder bestuursdwang
oplegt ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan
wel het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in
gebruik zijnde mijnbouwinstallaties.
2. De artikelen 41, vierde lid, en
46, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid
rust de door Onze Minister te stellen zekerheid als bedoeld in het
eerste lid op de houder van een vergunning voor permanent opslaan
van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt
gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld inartikel 22.
Artikel 48
1. Onze Minister kan bepalen dat
zekerheid gesteld dient te worden voor de nakoming van hetgeen
verschuldigd zal worden, ingeval hij een last onder bestuursdwang
oplegt ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan
wel het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in
gebruik zijnde, op of in het continentaal plat gelegen kabels of
pijpleidingen.
2. De artikelen 45, tweede lid, en
46, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4.3. Verdere regels
Artikel 49
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot:
a. het opsporen van delfstoffen
of aardwarmte;
b. het winnen van delfstoffen
of aardwarmte;
c. het opslaan van stoffen;
d. het instellen van een
verkenningsonderzoek;
e. boorgaten, anders dan ten
behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of
aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen, dieper dan 500
meter beneden de oppervlakte van de aardbodem;
f. pijpleidingen en kabels die
worden gebruikt ten behoeve van het opsporen of winnen van
delfstoffen of aardwarmte, dan wel ten behoeve van het opslaan
van stoffen;
g. de stoffen die samen met
CO2, worden getransporteerd en opgeslagen.
2. De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen worden gesteld ten behoeve van:
a. een planmatig beheer van
voorkomens van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke
rijkdommen;
b. de bescherming van de
veiligheid;
c. de bescherming van het
milieu;
d. het beperken van schade ten
gevolge van beweging van de aardbodem.
3. De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen voorts worden gesteld, voorzover de in het eerste
lid bedoelde activiteiten plaatsvinden op of in het continentaal
plat of de territoriale zee, ten behoeve van:
a. de scheepvaart, de
landsverdediging, de visserij, de opwekking van elektriciteit,
het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het
zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden
van onderzeese kabels en pijpleidingen;
b. de bescherming van
historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke
vondsten.
4. De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen, voorzover die gesteld worden, beperkingen inhouden.
5. De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen mede betrekking hebben op het verwijderen of
achterlaten en op het na verwijdering slopen of hergebruiken van
niet meer in gebruik zijnde mijnbouwwerken, kabels en
pijpleidingen.
6. De in het derde lid bedoelde
regels, voorzover die gesteld worden ten behoeve van de
scheepvaart, de opwekking van elektriciteit, de bescherming van
historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten
of de landsverdediging, kunnen beperkingen inhouden ten aanzien
van de locaties waar de in het eerste lid bedoelde activiteiten
plaats kunnen vinden.
Artikel 50
Onze Minister kan, in gevallen waarin
ernstige aantasting van de in artikel 49, tweede of derde lid,
genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen
voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde
lid, bedoelde activiteiten.
Artikel 51
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de veiligheid met
het oog op instorting regels worden gesteld omtrent het met
gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander
ondergronds werk onttrekken aan de ondergrond van:
a. delfstoffen, voorzover deze
op een diepte van minder dan 100 meter beneden de oppervlakte
van de aardbodem aanwezig zijn;
b. andere vaste stoffen dan
kalksteen of delfstoffen.
2.De in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur kan bepalen dat:
a. de onttrekking van stoffen,
bedoeld in het eerste lid, zonder vergunning van Onze Minister
verboden is;
b. Onze Minister bij de
maatregel omschreven bevoegdheden heeft ter uitvoering van
daarbij aangewezen regels.
3.Onze Minister kan, in gevallen
waarin ernstige aantasting van de veiligheid met het oog op
instorting ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen
voorschrijven ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
activiteiten.
Artikel 52
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de veiligheid met
het oog op instorting regels worden gesteld omtrent het met
gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander
ondergronds werk onttrekken aan de ondergrond van kalksteen
alsmede omtrent het gebruik van een vorenbedoeld ondergronds werk
voor andere doeleinden dan het onttrekken van kalksteen.
2. De in het eerste lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur kan bepalen dat:
a. het verrichten van de
activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zonder vergunning van
gedeputeerde staten van de provincie waarin het werk geheel of
voor het grootste deel is gelegen, verboden is;
b. indien het betreft het
gebruik van een ondergronds werk voor andere doeleinden dan
het onttrekken van kalksteen, voor het verrichten van deze
activiteiten geen vergunning maar een voorafgaande
schriftelijke melding hiervan aan gedeputeerde staten van de
provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is
gelegen, is vereist;
c. gedeputeerde staten van de
provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is
gelegen bij de maatregel omschreven bevoegdheden hebben ter
uitvoering van daarbij aangewezen regels.
3. Provinciale staten van de
provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is
gelegen, kunnen in geval van een meldingsplicht regels stellen
voor het gebruik van een ondergronds werk voor andere doeleinden
dan het onttrekken van kalksteen.
4. Gedeputeerde staten van de
provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is
gelegen, kunnen, in gevallen waarin ernstige aantasting van de
veiligheid met het oog op instorting ontstaat of dreigt te
ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde activiteiten.
Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband
met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
§ 5.1.1.1. Algemeen
Artikel 53
Deze afdeling is van toepassing op de
heffing en invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel
van de houder of medehouder van een vergunning voor het opsporen of
winnen van koolwaterstoffen.
Artikel 54
In deze afdeling wordt verstaan
onder:
a. medehouderschap: geval waarin
de vergunning wordt gehouden door meer dan één natuurlijke
persoon of rechtspersoon;
b. medehouder: ieder van de in
onderdeel a bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen;
c. de aangewezen medehouder: de
in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon;
d. de landzijde: het deel van het
Nederlands territoir dat ligt aan de landzijde van de in de
bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;
e. de zeezijde: het continentaal
plat en het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de
zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;
f. de inspecteur: de door Onze
Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen
functionaris van de rijksbelastingdienst;
g. de ontvanger: de door Onze
Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen
functionaris van de rijksbelastingdienst.
Artikel 55
1.Een wijziging in paragraaf
5.1.1.2., met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van
toepassing van artikel 58, derde lid, is niet van toepassing op de
houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging
verleende opsporingsvergunning, tenzij die houder om toepassing
van de gewijzigde paragraaf verzoekt.
2.Een wijziging in paragraaf
5.1.1.2., met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van
toepassing van artikel 58, derde lid, in paragraaf 5.1.1.3. of in
paragraaf 5.1.1.4., met uitzondering van artikel 68, eerste lid,
is niet van toepassing op de houder van een voor de
inwerkingtreding van die wijziging verleende winningsvergunning,
tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragrafen
verzoekt.
3.Een verzoek, als bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt schriftelijk bij Onze Minister
ingediend binnen drie maanden na de dag waarop die wijziging in
werking is getreden.
4.Onze Minister geeft aan een
verzoek, als bedoeld in het eerste en tweede lid, gevolg, tenzij
naar zijn oordeel het algemeen belang zich daartegen verzet.
§ 5.1.1.2. Oppervlakterecht
Artikel 56
1. Oppervlakterecht wordt geheven
van degene die op 1 januari van het kalenderjaar waarover wordt
geheven houder is van een opsporingsvergunning voor de zeezijde
alsmede van degene die op 1 januari van het kalenderjaar waarover
wordt geheven houder is van een winningsvergunning.
2. Ingeval van medehouderschap
wordt het oppervlakterecht geheven van de aangewezen medehouder.
Artikel 57
1. De heffingsmaatstaf is de
oppervlakte van het gebied waarvoor een in artikel 56, eerste lid,
bedoelde opsporings- of winningsvergunning op 1 januari van kracht
is.
2. Het tijdvak waarover het
oppervlakterecht wordt geheven is het kalenderjaar.
Artikel 58
1. Het tarief over 2003 voor het
houden van een opsporingsvergunning is een bedrag per vierkante
kilometer overeenkomstig de onderstaande tabel. Het eerste tijdvak
is het eerste kalenderjaar waarin de vergunning op 1 januari van
kracht is. De volgende tijdvakken zijn de op dat kalenderjaar
volgende jaren.
Tarief over 2003
|
Tijdvak |
Bedrag per km2 |
|
1e tot en met 6e tijdvak |
€ 235
|
|
7e tot en met 9e tijdvak |
€ 470
|
|
Volgende tijdvakken |
€ 703
|
2. Het tarief over 2003 voor het
houden van een winningsvergunning bedraagt € 703 per vierkante
kilometer.
3. Bij het begin van ieder
kalenderjaar worden de voor dat jaar geldende tarieven, bedoeld
in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling
vastgesteld. Deze tarieven worden berekend aan de hand van het
indexcijfer, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit
van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het
indexcijfer der lonen (Stb. 507), zoals dat gold op 31 december
van het voorgaande jaar.
Artikel 59
1. Oppervlakterecht wordt op
aangifte voldaan.
2. De houder, of, ingeval van
medehouderschap, de aangewezen medehouder, doet uiterlijk 1 april
van het kalenderjaar waarover wordt geheven aangifte door de
inlevering van een aangiftebiljet.
§ 5.1.1.3. Cijns
Artikel 60
Cijns wordt geheven van de houder,
of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van
een winningsvergunning.
Artikel 61
Indien in het vergunningsgebied zowel
aardgas als aardolie zijn gewonnen, wordt over aardgas en aardolie
afzonderlijk cijns geheven.
Artikel 62
1. De heffingsmaatstaf is de omzet
die de houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de
medehouders, heeft behaald in het kalenderjaar waarover de cijns
wordt geheven.
2. De omzet is het aantal in het
kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden
aardolie of aardgas dat aan de houder, of, ingeval van
medehouderschap, aan ieder van de medehouders toekomt,
vermenigvuldigd met de prijs per eenheid waarvoor die eenheden
zijn verkocht. Indien ter zake van die verkoop voorwaarden worden
overeengekomen of opgelegd die afwijken van voorwaarden die in het
economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn
overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde omzet bepaald
alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
Indien eenheden anders dan door verkoop aan het winningsbedrijf
zijn onttrokken, wordt de in het eerste lid bedoelde omzet bepaald
alsof deze eenheden zijn verkocht onder voorwaarden die in het
economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn
overeengekomen.
3. Bij de bepaling van het aantal
gewonnen eenheden blijven buiten beschouwing de eenheden aardolie
of aardgas welke zijn aangewend ten behoeve van:
a. het opsporen of het winnen
in het vergunningsgebied waar ze zijn gewonnen;
b. het voor de aflevering
bewerken van die eenheden en het transport naar de plaats waar
die bewerking plaatsvindt.
4. Eenheden aardolie of aardgas
welke overeenkomstig artikel 94, tweede lid, onderdeel a, aan de
in dat artikel bedoelde vennootschap toekomen, blijven bij de
toepassing van het eerste lid buiten beschouwing.
Artikel 63
1. Het tarief is een percentage dat
wordt bepaald op basis van het in totaal in het kalenderjaar in
het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden. Het aantal
eenheden aardolie wordt bepaald bij een druk van 101,325 kPa en
een temperatuur van 15 °C. Onder aardolie wordt condensaat mede
begrepen. Het aantal eenheden aardgas wordt bepaald bij een druk
van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 °C en omgerekend naar
eenheden met een calorische waarde van 35,1692 MJ/m3 bovenwaarde.
2. Bij de bepaling van het aantal
eenheden, bedoeld in het eerste lid, is artikel 62, derde lid, van
toepassing.
3. Het percentage wordt opgebouwd
door middel van een schijvensysteem overeenkomstig de navolgende
tabellen en wordt berekend door:
a. bij iedere schijf de
hoeveelheid te bepalen die binnen die schijf valt en deze
hoeveelheid te vermenigvuldigen met het percentage dat behoort
bij die schijf;
b. deze producten te sommeren,
en
c. deze som te delen door het
totaal van het in het vergunningsgebied gewonnen aantal
eenheden.
Aardolie
|
Door houder of
medehouders gezamenlijk gewonnen hoeveelheden in duizenden m3 |
Opbouw over deze
schijf |
|
|
Landzijde |
Zeezijde |
|
schijf 1: 0 tot 200 |
0% |
0% |
|
schijf 2: 200 tot 600 |
2% |
0% |
|
schijf 3: 600 tot 1200 |
3% |
0% |
|
schijf 4: 1200 tot 2000 |
4% |
0% |
|
schijf 5: 2000 tot 4000 |
5% |
0% |
|
schijf 6: 4000 tot 8000 |
6% |
0% |
|
schijf 7: 8000 en meer |
7% |
0% |
Aardgas
|
Door houder of
medehouders gezamenlijk gewonnen hoeveelheden in miljoenen m3 |
Opbouw over deze
schijf |
|
|
Landzijde |
Zeezijde |
|
schijf 1: 0 tot 200 |
0% |
0% |
|
schijf 2: 200 tot 600 |
2% |
0% |
|
schijf 3: 600 tot 1200 |
3% |
0% |
|
schijf 4: 1200 tot 2000 |
4% |
0% |
|
schijf 5: 2000 tot 4000 |
5% |
0% |
|
schijf 6: 4000 tot 8000 |
6% |
0% |
|
schijf 7: 8000 en meer |
7% |
0% |
4. Het tarief over enig
kalenderjaar wordt verhoogd met 25%, indien over dat jaar het
gewogen gemiddelde van de waarde van in Nederland ingevoerde
ruwe olie hoger is dan € 25 per vat. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop het in de
eerste volzin bedoelde gewogen gemiddelde wordt bepaald.
5. Het tarief wordt, onverminderd
de verhoging op grond van het vierde lid, verhoogd met 100%,
indien de houder geen overeenkomst als bedoeld in artikel 93
heeft gesloten ten aanzien van de winningsvergunning. Deze
verhoging vindt niet plaats met betrekking tot de eenheden die
zijn gewonnen uit een voorkomen ten aanzien waarvan een
overeenkomst als bedoeld in artikel 97b is gesloten.
Artikel 64
1. Cijns wordt op aangifte voldaan.
2. De houder, of, ingeval van
medehouderschap, ieder van de medehouders, doet uiterlijk op 1
april volgend op het kalenderjaar waarover wordt geheven aangifte
door de inlevering van een aangiftebiljet.
§ 5.1.1.4. Winstaandeel
Artikel 65
Winstaandeel wordt geheven van de
houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de
medehouders, van een winningsvergunning.
Artikel 66
1. De heffingsmaatstaf is het
resultaat van een met inachtneming van de artikelen 67 en 68 door
de houder, of, ingeval van medehouderschap, door ieder van de
medehouders, van een winningsvergunning, over een boekjaar op te
maken winst- en verliesrekening, verminderd met de op de voet van
het derde lid te verrekenen verliezen en de in artikel 68abedoelde
investeringsaftrek. De winst- en verliesrekening omvat de aan dat
jaar en aan die vergunning toe te rekenen kosten en opbrengsten
van het winningsbedrijf.
2. Indien de houder of de
medehouder tevens houder of medehouder is van één of meer andere
winningsvergunningen, kan een geconsolideerde winst- en
verliesrekening worden opgemaakt.
3. Indien het resultaat, bedoeld in
het eerste lid, verminderd met de in artikel 68a bedoelde
investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit
verlies wordt onder toepassing van hoofdstuk IV van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de positieve resultaten
van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren.
Artikel 67
1. Tot het in artikel 66, eerste
lid, bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
a. de waarde in het economische
verkeer van de anders dan door verkoop aan het winningsbedrijf
onttrokken koolwaterstoffen;
b. de verschillen tussen de
volgens goed koopmansgebruik gewaardeerde begin- en
eindvoorraden;
c. het resultaat dat is behaald
met de verkoop van de winningsvergunning.
2. Tot het in artikel 66, eerste
lid, bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
a. de niet reeds ten laste van
een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten van
verkennings- en opsporingsonderzoeken die zijn verricht
krachtens een opsporingsvergunning;
b. afschrijving op de niet
reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening
gebrachte kosten, welke zijn gemaakt voordat de
winningsvergunning is verleend.
3. Tot het in artikel 66, eerste
lid, bedoelde resultaat worden niet gerekend:
a. afschrijving op de koopsom
ter zake van de overname van een opsporingsvergunning,
voorzover deze koopsom de door de overdrager van die
vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en
verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat;
b. de waarde van de in het
winningsbedrijf gewonnen en verbruikte koolwaterstoffen.
4. Indien de inspecteur vooraf bij
voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van
nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling
strekt tot het afdekken van een prijs- of koersrisico dat ter zake
van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, behoort
het resultaat uit de desbetreffende rechtshandeling tot het
inartikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat.
5. Indien door of aan de houder dan
wel de medehouder voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd
die afwijken van de voorwaarden die in het economische verkeer
door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt het
in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat bepaald alsof die
laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
Artikel 68
1. De winst- en verliesrekening,
bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt opgemaakt met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 3.8, 3.14, eerste lid,
onderdelen b tot en met g, en derde tot en met zesde lid, 3.25 tot
en met 3.39, 3.52, 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede
lid, 3.54, 3.56 en 3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
alsmede de artikelen 7, vierde en vijfde lid, 8, vierde lid, 9 tot
en met 10b, 14 tot en met 14b en 15d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, behoudens voorzover bij of krachtens
deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen
tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk
persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een
belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het
tegendeel voortvloeit.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt in de genoemde artikelen van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 voor «onderneming» gelezen: winningsbedrijf.
3. Bij het opmaken van de winst- en
verliesrekening, bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt een
verhoging van 10% toegepast op de kosten met uitzondering van:
a. door de houder van de
winningsvergunning aan de staat verschuldigde belastingen en
andere Nederlandse publiekrechtelijke lasten;
b. afschrijving op de koopsom
ter zake van de overname van een winningsvergunning, voorzover
deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet
reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte
kosten te boven gaat;
c. dotaties aan de voorziening
ter zake van de uit een overgenomen winningsvergunning
voortvloeiende ontmantelingsverplichting, voorzover reeds door
de overdrager van die vergunning dotaties zijn gepleegd.
4. Voorzover bij of krachtens de
Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 de bevoegdheid is verleend om bij algemene maatregel van
bestuur onderscheidenlijk bij ministeriële regeling regels te
stellen en het voor een goede afstemming van het eerste lid, op
die regels nodig is om dit artikel aan te passen, kan bij algemene
maatregel van bestuur, onderscheidenlijk bij ministeriële
regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën, deze aanpassing worden geregeld.
Artikel 68a
1. Indien, te rekenen vanaf het
tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, ten behoeve van de
opsporing of winning van een door Onze Minister aan te wijzen
voorkomen van gas aan de zeezijde, wordt geïnvesteerd in ten
aanzien van dat voorkomen niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen
kan de houder of, ingeval van medehouderschap, ieder van de
medehouders, 25% van het investeringsbedrag aanvullend ten laste
brengen van het resultaat als bedoeld in artikel 66, eerste lid.
Een aanwijzing vindt plaats op aanvraag van de houder van een
opsporings-of winningsvergunning indien het voorkomen voldoet aan
bij ministeriële regeling vast te stellen regels omtrent afstand
van het voorkomen tot bestaande infrastructuur, de omvang en de
productiviteit van het voorkomen.
2. Onder investeren wordt verstaan
het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing van
een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter
zake van een bedrijfsmiddel, voor zover die verplichtingen en
kosten op de houder, dan wel de medehouder drukken.
3. Indien bij het einde van het
boekjaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de
investeringsaftrek zou uitgaan boven wat bij het einde van dat
jaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in
zoverre van het eerste lid een bedrag gelijk aan de betaling in
aanmerking genomen en wordt het meerdere in aanmerking genomen in
de volgende jaren en wel voor zover betalingen plaatsvinden, maar
niet later dan in het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik
wordt genomen.
4. Indien de houder of medehouder
van een opsporingsvergunning niet tevens houder of medehouder is
van een winningsvergunning, kan deze houder of medehouder de in
het eerste lid bedoelde investeringsaftrek ten laste van het
resultaat brengen in het eerste jaar waarin hij houder of
medehouder is van een winningsvergunning. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder bedrijfsmiddel mede verstaan een exploratie-
of evaluatieboring.
Artikel 68b
Bij ministeriële regeling:
a. kunnen regels worden gesteld
omtrent het verschaffen van aanvullende gegevens en bescheiden
bij de in te dienen winsten verliesrekening als bedoeld in
artikel 66, eerste lid,
b. kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de bedrijfsmiddelen als bedoeld inartikel 68a,
eerste lid, en
c. kunnen nadere regels worden
gesteld voor de uitvoering van artikel 68a.
Artikel 69
1. Het tarief bedraagt 50%.
2. Het door de houder of de
medehouder verschuldigde bedrag aan winstaandeel over een boekjaar
wordt, voorzover mogelijk, verminderd met het op dat boekjaar
betrekking hebbende verrekenbare bedrag dat wordt berekend op de
in het derde lid aangegeven wijze. Indien niet het gehele
verrekenbare bedrag in mindering kan worden gebracht, wordt het
overschot opgeteld bij het verrekenbare bedrag over het volgende
boekjaar. Indien het verrekenbare bedrag negatief is, wordt dit in
mindering gebracht op het verrekenbare bedrag over het volgende
boekjaar.
3. Onder het verrekenbare bedrag,
bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan het bedrag dat wordt
verkregen door:
a. het resultaat van de winst-
en verliesrekening over het boekjaar te bepalen, met dien
verstande dat daarbij artikel 68, derde lid, buiten
beschouwing wordt gelaten;
b. dit resultaat te verminderen
met het over het boekjaar na toepassing van dit artikel te
betalen bedrag aan winstaandeel;
c. op dit verschil het voor het
boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te
passen.
4. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de houder of de medehouder ter zake van het met
het winningsbedrijf behaalde resultaat niet is onderworpen aan de
Nederlandse belastingheffing.
Artikel 70
1. Winstaandeel wordt geheven bij
wege van aanslag.
2. De houder, of, ingeval van
medehouderschap, ieder van de medehouders, zendt gelijktijdig met
de aangifte voor de vennootschapsbelasting over een boekjaar aan
de inspecteur een over dat boekjaar opgemaakte winst- en
verliesrekening als bedoeld in artikel 66, eerste lid, en een
berekening van het op dat boekjaar betrekking hebbende
verrekenbare bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, alsmede
een balans, vermeldende de aan het eind van het boekjaar tot het
winningsbedrijf behorende activa en passiva.
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
Artikel 71
De afdrachten, bedoeld in deze
afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de
ontvanger.
Artikel 72
Onverminderd het overigens bij of
krachtens deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de
invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel met
overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet
invordering rijksbelastingen en de op die wetten berustende
bepalingen.
Artikel 73
1. Artikel 30f, eerste en derde
lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is
van overeenkomstige toepassing op de berekening van de
heffingsrente met betrekking tot het winstaandeel.
2. Artikel 30f, tweede en derde
lid, onderdeel d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is
van overeenkomstige toepassing op de berekening van de
heffingsrente met betrekking tot de cijns en het oppervlakterecht.
Artikel 74
1. De inspecteur en de ontvanger
verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos de voor de
uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen en gegevens.
2. De inspecteur en de ontvanger
verlenen aan de door Onze Minister aangewezen personen toegang tot
en inzage in alle gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de
uitvoering van deze wet.
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de
provincie
Artikel 75
Op deze afdeling zijn de onderdelen a
tot en met e van artikel 54 van toepassing.
Artikel 76
1. De houder van een
winningsvergunning die een terrein binnen een provincie in gebruik
neemt voor het winnen van koolwaterstoffen, waarbij binnen het
terrein voor het winnen benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is
een eenmalige afdracht verschuldigd aan de provincie.
2. Bij medehouderschap is de
afdracht verschuldigd door de aangewezen medehouder.
Artikel 77
1. De heffingsmaatstaf van de
afdracht, bedoeld in artikel 76, is de oppervlakte van het in
artikel 76, eerste lid, bedoelde terrein.
2. Het tarief over 2003 bedraagt
€ 4,50 per vierkante meter. Artikel 58, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 78
Gedeputeerde staten stellen de
afdracht vast en maken het verschuldigde bedrag aan de houder of de
aangewezen medehouder bekend.
Artikel 79
Onverminderd het bij of krachtens
deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de
afdracht aan de provincie met overeenkomstige toepassing van de
artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 28, eerste, vijfde en zesde
lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat
gedeputeerde staten in de plaats treden van de ontvanger.
Artikel 80
Indien een afdracht aan de provincie
op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt
bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die
voor de betrokkene of voor de provincie uit die latere vaststelling
voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening
gebracht, waarvan het percentage gelijk is aan het percentage van de
heffingsrente, bedoeld in artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing
en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van
de aangewezen vennootschap
§ 5.2.1. Algemeen
Artikel 81
In deze afdeling wordt verstaan
onder:
a. de vennootschap: de
vennootschap, bedoeld inartikel 82, eerste lid;
b. opsporingswerkzaamheden:
werkzaamheden die op grond van een opsporingsvergunning worden
of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit
het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van
koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar
nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;
c. mijnbouwwerkzaamheden:
winnings- en opsporingswerkzaamheden die op grond van een
winningsvergunning worden of kunnen worden verricht of
werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van
verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen
binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens
omtrent die koolwaterstoffen;
d. opsporingsovereenkomst: een
overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een
opsporingsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten
van opsporingswerkzaamheden;
e. mijnbouwovereenkomst: een
overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een
winningsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten van
mijnbouwwerkzaamheden.
Artikel 82
1. In het belang van een doelmatige
opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet
van koolwaterstoffen, wijst Onze Minister een naamloze of een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle
aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die
tot taak heeft:
a. het deelnemen in
opsporingswerkzaamheden op grond van opsporingsovereenkomsten,
overeenkomstig paragraaf 5.2.2. van deze afdeling;
b. het deelnemen in
mijnbouwwerkzaamheden op grond van mijnbouwovereenkomsten,
overeenkomstig paragraaf 5.2.3. van deze afdeling, met
inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden,
waaronder in ieder geval worden begrepen behandeling,
transport en verkoop van de gewonnen koolwaterstoffen;
c. het uitvoeren van de taken,
het uitoefenen van de rechten en het voldoen aan de
verplichtingen die voor de vennootschap voortvloeien uit de
overeenkomst van samenwerking, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, van het koninklijk besluit van 30 mei 1963, nummer 39 (Stcrt.
126) en de daarmee verband houdende regelingen en
overeenkomsten;
d. Onze Minister desgevraagd de
inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling
van de uitvoerbaarheid van voorgenomen energiebeleid, in het
bijzonder ten aanzien van opsporing, winning, beheer en afzet
van koolwaterstoffen.
2. Onverminderd het eerste lid,
kunnen de vennootschap bij besluit van Onze Minister andere taken
dan de taken, bedoeld in het eerste lid, worden opgedragen in het
algemeen belang van het energiebeleid. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de algemene belangen omschreven ten
behoeve waarvan en de gevallen waarin Onze Minister de
vennootschap een opdracht als bedoeld in de eerste volzin kan
geven. Onze Minister kan aan een besluit tot het geven van een
opdracht voorschriften en beperkingen verbinden.
3. De vennootschap verricht
middellijk of onmiddellijk geen andere activiteiten dan
activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste en
tweede lid, tenzij Onze Minister daarmee heeft ingestemd. Onze
Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan zijn
instemming. De instemming wordt slechts verleend indien die
activiteiten en de uitvoering daarvan:
a. nauw verwant zijn aan de
activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in het
eerste en tweede lid,
b. een goede uitvoering van die
taken niet belemmeren of anderszins bemoeilijken, en
c. mede het algemeen belang van
het energiebeleid dienen.
4. Onze Minister kan een besluit
tot het geven van een opdracht als bedoeld in het tweede lid
onderscheidenlijk een besluit tot instemming als bedoeld in het
derde lid intrekken of wijzigen indien niet meer wordt voldaan aan
de voorwaarden voor het geven van die opdracht onderscheidenlijk
het verlenen van die instemming als bedoeld in het tweede
onderscheidenlijk het derde lid.
Artikel 83
1. Indien de vennootschap
activiteiten als bedoeld in artikel 82, derde lid, verricht, is
zij verplicht, al dan niet op geconsolideerde basis, een
afzonderlijke boekhouding te voeren voor die activiteiten
enerzijds en de activiteiten ter uitvoering van haar taken,
bedoeld in artikel 82, eerste en tweede lid, anderzijds.
2. De afzonderlijke boekhouding is
zodanig ingericht dat:
a. de registratie van de lasten
en baten van de verschillende activiteiten gescheiden zijn;
b. alle lasten en baten, op
grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen
beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden
toegerekend;
c. de beginselen inzake
kostprijsadministratie volgens welke de boekhouding wordt
gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.
3. De baten die de vennootschap
behaalt met de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 82,
eerste of tweede lid, worden niet gebruikt voor financiering van
de activiteiten, bedoeld in artikel 82, derde lid.
4. De vennootschap verricht
activiteiten als bedoeld in artikel 82, derde lid, tegen
marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een
integrale doorberekening van alle kosten.
Artikel 84
De statuten van de vennootschap en
elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze
Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten
naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd
in artikel 82, eerste en tweede lid, onvoldoende is gewaarborgd.
Artikel 85
Onze Minister kan de vennootschap
aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in
artikel 82, eerste en tweede lid, bedoelde taken.
Artikel 86
1. De vennootschap verschaft Onze
Minister alle gegevens en inlichtingen die hij nodig heeft voor de
uitvoering van deze wet.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld omtrent de te verstrekken gegevens en
inlichtingen en omtrent de wijze en het tijdstip waarop de
gegevens en inlichtingen moeten worden verschaft.
§ 5.2.2. Deelneming in
opsporingswerkzaamheden
Artikel 87
1. De vennootschap verleent op
verzoek van de houder van een opsporingsvergunning medewerking aan
de totstandkoming van een opsporingsovereenkomst.
2. De opsporingsovereenkomst komt
binnen een periode van zes maanden tot stand, ingaande op het
tijdstip waarop de vergunninghouder een verzoek als bedoeld in het
eerste lid heeft gedaan. Onze Minister kan de termijn van zes
maanden eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen. De
opsporingsovereenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
3. De opsporingsovereenkomst kan
niet worden gewijzigd of ontbonden dan na instemming van Onze
Minister.
Artikel 88
In de opsporingsovereenkomst worden
bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de
opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
a. de vergunninghouder voor 60%
en de vennootschap voor 40% belang neemt;
b. de werken die door het doen
van de in artikel 90, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de
vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;
c. de vergunninghouder en de
vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot
ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die
bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel
90, eerste lid, onderdeel a;
d. op de overeenkomst Nederlands
recht van toepassing is.
Artikel 89
In de opsporingsovereenkomst worden
bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
a. de voor hem uit de vergunning
voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de
samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met
inachtneming vanartikel 91 zijn genomen door de vergunninghouder
en de vennootschap;
b. het door hem aangaan, wijzigen
of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van
verkenning en opsporing te onderwerpen aan goedkeuring door de
vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;
c. aan de samenwerking ten goede
te doen komen zijn kennis en ervaring op het gebied van
verkenning, opsporing, winning en afzet van koolwaterstoffen en
daarmee samenhangende gebieden zoals het transport, de opslag en
de behandeling daarvan.
Artikel 90
1.In de opsporingsovereenkomst
worden bepalingen opgenomen die de vennootschap ertoe verplichten:
a. aan de vergunninghouder te
vergoeden 40% van de uitgaven van de vergunninghouder die in
overeenstemming met artikel 91zijn goedgekeurd of in
overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks
investerings- en financieringsplan;
b. niet te beletten dat
besluiten van de vergunninghouder gebaseerd worden op normale
commerciële overwegingen;
c. zijn stem bij de
besluitvorming volgens artikel 91 uit te brengen op grond van
transparante, objectieve en niet-discriminerende beginselen.
2.In de overeenkomst worden
bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat ten aanzien van
besluiten, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor
leveringen, voor de uitvoering van werken en voor het verrichten
van diensten:
a. de vergunninghouder niet
verplicht is vooraf aan de vennootschap informatie te geven
over het te nemen besluit;
b. de vennootschap geen stem
uitbrengt bij het nemen van het besluit.
Artikel 91
In de opsporingsovereenkomst worden
bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:
a. een gezamenlijk besluit van de
vergunninghouder en de vennootschap wordt genomen in een
vergadering, waarin de vergunninghouder en de vennootschap
worden vertegenwoordigd door een aantal gevolmachtigde personen,
in verhouding tot ieders belang in de samenwerking;
b. een gezamenlijk besluit van de
vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel
a, buiten vergadering kan worden genomen, mits dit gebeurt bij
een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een
gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder
en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde
vertegenwoordigers ondertekend;
c. een gezamenlijk besluit van de
vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en,
als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de
persoon, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, elk een beslissende
stem hebben, vereist is voor:
1°. het jaarlijkse
investerings- en financieringsplan;
2°. niet in het jaarlijkse
investerings- en financieringsplan opgenomen activiteiten en
aanschaffingen, die een bedrag van € 500 000 te boven
gaan;
3°. de meerjarenplanning ten
aanzien van opsporingswerkzaamheden binnen het
vergunningsgebied.
Artikel 92
De vergunninghouder neemt geen
besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor
leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van
diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot:
a. financieel nadeel voor de
staat, voorzover het betreft hetgeen ingevolge dit hoofdstuk is
verschuldigd, of
b. financieel nadeel voor de
vennootschap.
§ 5.2.3. Deelneming in
mijnbouwwerkzaamheden
Artikel 93
1. De houder van een
winningsvergunning voor koolwaterstoffen en de vennootschap
brengen een mijnbouwovereenkomst tot stand, tenzij Onze Minister
bij de vergunningverlening heeft bepaald dat deze verplichting
niet geldt. Onze Minister bepaalt uitsluitend dat de verplichting,
bedoeld in de vorige volzin, niet geldt als de staat door de
overeenkomst naar redelijke schatting financieel nadeel zal
lijden.
2. De overeenkomst komt binnen een
jaar na de verlening van de vergunning tot stand. Onze Minister
kan de termijn van een jaar eenmaal met ten hoogste een jaar
verlengen. De overeenkomst behoeft de instemming van Onze
Minister.
3. Tot het tijdstip waarop de
instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen
winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als
bedoeld in artikel 97, tweede lid, de instemming van de
vennootschap.
4. Artikel 87, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
1. Artikel 88 is van
overeenkomstige toepassing.
2. Voorts worden in de overeenkomst
bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de
mijnbouwwerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
a. de vergunninghouder de uit
de voorkomens gewonnen en beschikbare hoeveelheden
koolwaterstoffen voor 40% in eigendom overdraagt aan de
vennootschap;
b. zowel de vergunninghouder
als de vennootschap gerechtigd is het eigen aandeel in de
gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen in
natura op te nemen, met dien verstande dat zij ernaar streven
zoveel mogelijk samen te werken bij de verkoop van de gewonnen
en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen uit de
voorkomens;
c. de vergunninghouder en de
vennootschap ten behoeve van de afzet regelmatig overleg
plegen.
3. In de overeenkomst wordt het
bedrag vastgesteld van de door de vergunninghouder reeds gemaakte
kosten:
a. die naar redelijkheid kunnen
worden toegeschreven aan de activiteiten die tot het
aantreffen van het voorkomen hebben geleid;
b. van de verdere evaluatie van
dat voorkomen;
c. van investeringen ten
behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden.
Artikel 95
1.Artikel 89 is van overeenkomstige
toepassing.
2.Voorts worden in de overeenkomst
bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
a. zorg te dragen dat de werken
die voor de totstandkoming van de overeenkomst tot stand zijn
gekomen binnen het vergunningsgebied, voor 60% gaan toebehoren
aan de vergunninghouder en voor 40% gaan toebehoren aan de
vennootschap;
b. de vennootschap tijdig in te
lichten en in staat te stellen om een belang tot een
percentage van 40 te nemen in te treffen regelingen die
verband houden met de winning en de afzet van de gewonnen
koolwaterstoffen, zoals het transport, de opslag en de
behandeling daarvan.
Artikel 96
1.Artikel 90 is van overeenkomstige
toepassing.
2.Voorts wordt in de overeenkomst
een bepaling opgenomen die de vennootschap ertoe verplicht aan de
vergunninghouder terstond te vergoeden 40% van het bedrag, bedoeld
in artikel 94, derde lid, vermeerderd met een enkelvoudige rente,
waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente,
over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het
tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt.
3.Het tweede lid blijft buiten
toepassing, voorzover de vennootschap in het kader van een
opsporingsovereenkomst de inartikel 94, derde lid, bedoelde kosten
reeds heeft voldaan.
Artikel 97
1.Artikel 91, onderdelen a en b, is
van overeenkomstige toepassing.
2.Voorts worden in de overeenkomst
bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat een gezamenlijk
besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de
vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden
wordt, de persoon, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, elk een
beslissende stem hebben, vereist is voor:
1°. het jaarlijkse
investerings- en financieringsplan;
2°. niet in het jaarlijkse
investerings- en financieringsplan opgenomen activiteiten en
aanschaffingen, die een bedrag van € 500 000 te boven gaan;
3°. de meerjarenplanning ten
aanzien van mijnbouwwerkzaamheden binnen het
vergunningsgebied;
4°. het de vergunninghouder
toestaan dat overeenkomstig het beperkte doel van de
samenwerking een deel van de mijnbouwwerkzaamheden niet of
niet langer zal geschieden voor rekening van de
vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;
5°. het aangaan van
verplichtingen tot levering van koolwaterstoffen;
6°. besluiten inzake het
vervoer van gewonnen koolwaterstoffen.
Artikel 97a
Artikel 92is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 97b
1. Indien na toepassing van het
slot van de eerste volzin van artikel 93, eerste lid, in een ander
voorkomen in het vergunningsgebied koolwaterstoffen worden
aangetoond, kan Onze Minister besluiten dat alsnog een
overeenkomst als bedoeld in artikel 93 tot stand wordt gebracht.
Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op die
overeenkomst, met dien verstande dat:
a. de overeenkomst slechts
betrekking heeft op dit andere voorkomen;
b. de overeenkomst tot stand
komt binnen een jaar na het besluit van Onze Minister.
2. In afwijking van artikel 146,
vierde lid, kan Onze Minister op verzoek van de vennootschap in
overeenstemming met de vergunninghouder besluiten dat deze
paragraaf van overeenkomstige toepassing is op een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, met
dien verstande dat:
a. de mijnbouwovereenkomst tot
één of meer voorkomens van koolwaterstoffen in het
vergunningsgebied kan worden beperkt;
b. in de mijnbouwovereenkomst
bepalingen kunnen worden opgenomen die afwijken van de
artikelen 94, 95, 96 en 97;
c. de overeenkomst tot stand
komt binnen een jaar na het besluit van Onze Minister.
Afdeling 5.3. Afdrachten in verband
met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van
koolwaterstoffen
Artikel 98
1. De houder van een vergunning tot
het winnen van andere delfstoffen dan koolwaterstoffen en de
houder van een vergunning tot het winnen van aardwarmte zijn
jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de staat, voorzover dit in
aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht
wordt afgestemd op de omvang van of de voordelen behaald met het
winnen en de daarmee samenhangende activiteiten.
2. De houder van een
opslagvergunning is jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de
staat, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften
is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de omvang van of de
voordelen behaald met het opslaan en de daarmee samenhangende
activiteiten.
3. De houder van een vergunning als
bedoeld in het eerste of tweede lid die een terrein binnen een
provincie in gebruik heeft, waarbinnen voor het winnen of het
opslaan benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is een eenmalige
afdracht verschuldigd aan de provincie, voorzover dit in aan de
vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt
afgestemd op de regeling in afdeling 5.1.2.
4. Indien de vergunning wordt
gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon,
wordt in aan de vergunning te verbinden voorschriften bepaald in
hoeverre ieder van deze personen een afdracht als bedoeld in het
eerste tot en met derde lid verschuldigd is.
Artikel 99 [Vervallen per 08-08-2008]
Artikel 100
Onverminderd het bij of krachtens
deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de
afdracht aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste
lid, 25, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, vijfde en zesde
lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat Onze
Minister in de plaats treedt van de ontvanger.
Artikel 101
1. Indien een afdracht als bedoeld
in artikel 98, eerste lid, aan de staat of een vooruitbetaling op
een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later
tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die
latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor
de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling
voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening
gebracht.
2. Aan de betrokkene wordt een
enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor
overeenkomstig artikel 25 van de Invorderingswet 1990 uitstel van
betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak
waarvoor uitstel is verleend.
3. Het percentage van de rente,
bedoeld in het eerste en het tweede lid, is gelijk aan het
percentage van de heffingsrente, bedoeld in artikel 30f, vijfde
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
4. Een rente, bedoeld in het eerste
en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de
dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is
gemaakt. Artikel 100 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de betaling en de invordering van deze rente.
Afdeling 5.4. Het stellen van
zekerheid
Artikel 102
1. Voorzover twijfel bestaat of
degene die ingevolge dit hoofdstuk een afdracht aan de staat
verschuldigd zal worden deze zal voldoen, kan Onze Minister
bepalen dat de betrokkene zekerheid stelt voor de voldoening van
de afdracht.
2. Het bedrag en de termijn
waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop de zekerheid wordt
gesteld, dienen ten genoegen van Onze Minister te zijn.
3. De verplichtingen van dit
artikel blijven na afloop van de vergunning van kracht, tenzij
eerder aan de betalingsverplichtingen is voldaan.
Afdeling 5.5. Uitvoeringsregels
Artikel 103
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen in ieder geval nadere regels worden
gesteld omtrent:
a. de uitvoering van dit
hoofdstuk;
b. afdrachten in verband met
andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van
koolwaterstoffen.
2. De voordracht voor een krachtens
het eerste lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Afdeling 5.6. Wetenschappelijk
onderzoek
Artikel 104
Dit hoofdstuk is niet van toepassing
ten aanzien van vergunningen als bedoeld in artikel 24.
Hoofdstuk 6. Adviseurs
§ 6.1. De Mijnraad
Artikel 105
1. Er is een Mijnraad.
2. De Mijnraad heeft tot taak om in
verband met het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte,
dan wel het opslaan van stoffen:
a. Onze Minister desgevraagd te
adviseren over door hem te geven beschikkingen;
b. Onze Minister desgevraagd de
inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling
van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke
voorschriften en algemene beleidsvoornemens.
3. Onze Minister vraagt in elk
geval advies aan de Mijnraad inzake door hem te geven
beschikkingen inzake verlening of intrekking van vergunningen als
bedoeld in artikel 6 of 25.
Artikel 106
1. De Mijnraad bestaat uit een
voorzitter en ten hoogste negen andere leden.
2. De voorzitter en de andere leden
van de Mijnraad worden door Onze Minister benoemd, geschorst en
ontslagen. De raad kan uit zijn midden ondervoorzitters aanwijzen.
De benoeming van de leden geschiedt op grond van hun deskundigheid
op gebieden die van belang zijn voor de mijnbouw en met de
mijnbouw verwante activiteiten.
3. De leden worden benoemd voor ten
hoogste vier jaar. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier
jaar plaatsvinden.
Artikel 107
1. De Mijnraad heeft een
secretariaat, dat bestaat uit een of meer door Onze Minister aan
te wijzen personen.
2. De aangewezen personen zijn voor
hun werkzaamheden voor de Mijnraad uitsluitend verantwoording
schuldig aan de raad.
Artikel 108
Leden van de Mijnraad onthouden zich
van stemming over een advies, indien dit een zaak betreft waarbij
zij persoonlijk belang hebben.
Artikel 109
1. De Mijnraad stelt een
bestuursreglement vast.
2. Het bestuursreglement en de
daarin aangebrachte wijzigingen behoeven de goedkeuring van Onze
Minister.
Artikel 110
De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1
juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en
doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het
afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister
toegezonden.
Artikel 111
De Mijnraad verstrekt desgevraagd aan
Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde
inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 112
Het beheer van de bescheiden
betreffende de werkzaamheden van de Mijnraad geschiedt op
overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken.
De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de
raad opgeborgen in het archief van dat ministerie.
§ 6.2. De Technische commissie
bodembeweging
Artikel 113
In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. commissie: Technische
commissie bodembeweging;
b. mijnbouwactiviteiten:
activiteiten als bedoeld in de artikelen 1, onderdeel d tot en
met i, en 51;
c. mijnbouwondernemer:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die mijnbouwactiviteiten
verricht.
Artikel 114
1. Er is een Technische commissie
bodembeweging.
2. De commissie heeft tot taak om
in verband met de gevolgen van mijnbouwactiviteiten voor beweging
van de aardbodem en schade die daarvan het gevolg kan zijn:
a. Onze Minister desgevraagd te
adviseren over door hem te geven beschikkingen;
b. Onze Minister desgevraagd de
inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling
van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke
voorschriften;
c. degene bij wie schade is te
verwachten door bodembeweging die redelijkerwijs het gevolg
kan zijn van mijnbouwactiviteiten, desgevraagd kosteloos
inlichtingen te verstrekken omtrent het verband tussen de
bodembeweging en de mijnbouwactiviteiten;
d. degene bij wie zaakschade is
opgetreden door bodembeweging die redelijkerwijs het gevolg
kan zijn van mijnbouwactiviteiten, desgevraagd advies te geven
omtrent het verband tussen die schade en de
mijnbouwactiviteiten alsmede de hoogte van het schadebedrag.
3. Onze Minister vraagt in elk
geval advies aan de commissie voordat hij op grond van artikel 46
een bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld, vaststelt of
wijzigt.
4. De commissie brengt aan Onze
Minister advies uit omtrent bodembeweging als bedoeld artikel 31b,
onderdeel m.
Artikel 115
1. De Technische commissie
bodembeweging bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen
andere leden.
2. De voorzitter en de andere leden
van de commissie worden door Onze Minister benoemd, geschorst en
ontslagen. De benoeming van de leden geschiedt op grond van hun
deskundigheid op gebieden die van belang zijn voor de mijnbouw en
met de mijnbouw verwante activiteiten. De commissie kan uit zijn
midden ondervoorzitters aanwijzen.
3. De leden worden benoemd voor ten
hoogste vier jaar. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier
jaar plaatsvinden.
Artikel 116
1. Alvorens de commissie om advies
als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel d, wordt
gevraagd, stelt degene die schade heeft geleden die naar zijn
mening aan een mijnbouwondernemer kan worden toegerekend, deze
schriftelijk aansprakelijk onder vordering van schadevergoeding.
De aansprakelijkstelling geschiedt binnen drie maanden na het
moment waarop de benadeelde bekend is geworden of redelijkerwijs
bekend had kunnen zijn met de schade.
2. De in het eerste lid bedoelde
benadeelde kan de commissie om advies verzoeken, indien binnen
drie maanden na de datum van verzending van de
aansprakelijkheidstelling geen overeenstemming is bereikt met de
mijnbouwondernemer over vergoeding van de schade.
3. Een adviesaanvraag wordt
uiterlijk binnen een maand na het verstrijken van de termijn,
genoemd in het tweede lid, ingediend bij de commissie. De
commissie kan op verzoek van de benadeelde of de betrokken
mijnbouwondernemer de termijn verlengen met een door haar te
bepalen periode.
4. Indien de benadeelde in
onzekerheid verkeert tot welke mijnbouwondernemer de
aansprakelijkstelling moet worden gericht, verstrekt de commissie,
voorzover haar bekend, hem naam en adres van de bedoelde
onderneming.
Artikel 117
1. Van de adviesaanvrager, bedoeld
in artikel 114, tweede lid, onderdeel d, wordt door het
secretariaat van de commissie een bijdrage geheven.
2. De bijdrage is:
€ 90 voor een natuurlijk persoon,
en
€ 181 voor andere dan onder a
bedoelde personen.
3. Het advies wordt in behandeling
genomen nadat de aanvrager het verschuldigde bedrag op een door
het secretariaat te bepalen wijze heeft voldaan.
4. Indien uit het advies blijkt dat
de schade geheel of gedeeltelijk kan worden toegerekend aan
mijnbouwactiviteiten, wordt de bijdrage terugbetaald aan de
aanvrager. Dit geldt uitsluitend als het bedrag, genoemd in het
advies van de commissie, hoger is dan het bedrag dat de
mijnbouwondernemer bereid was te betalen naar aanleiding van de
aansprakelijkstelling, bedoeld in artikel 116.
5. De in het tweede lid genoemde
bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd
voorzover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Artikel 118
1. De commissie neemt een
adviesaanvraag niet in behandeling, indien er kennelijk geen
verband bestaat tussen de schade en de mijnbouwactiviteiten.
2. Indien de commissie een
adviesaanvraag in behandeling neemt, zendt zij afschrift van de
adviesaanvraag aan de betrokken mijnbouwondernemer. Deze kan
desgewenst binnen een maand na de datum van verzending
schriftelijk reageren op de aanvraag.
Artikel 119
1. De commissie stelt onderzoek in
naar het oorzakelijk verband tussen de verrichte
mijnbouwactiviteiten en de schade, alsmede naar de hoogte van het
schadebedrag. Zij kan deskundigen opdracht verlenen onderzoek te
verrichten.
2. De commissie brengt binnen drie,
doch uiterlijk binnen zes maanden na het moment waarop de
adviesaanvraag is ingediend, een voorlopig advies uit aan de
adviesaanvrager en de mijnbouwondernemer.
3. De adviesaanvrager en de
mijnbouwondernemer kunnen schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen
het voorlopig advies binnen een maand na de datum van verzending
van het voorlopig advies.
4. De commissie stelt vervolgens
een definitief advies vast.
5. Het advies bevat een oordeel
over het oorzakelijk verband tussen de verrichte
mijnbouwactiviteiten en de schade, alsmede de hoogte van het
schadebedrag.
Artikel 120
1. De commissie kan van de
mijnbouwondernemer alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht
ter uitvoering van de haar in artikel 114, tweede lid, opgedragen
taken.
2. De mijnbouwondernemer verstrekt
de commissie binnen een door haar gestelde redelijke termijn de
gewenste inlichtingen.
3. Indien de commissie inlichtingen
heeft verkregen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
114, tweede lid, onderdeel d, verstrekt zij deze aan de
adviesaanvrager, tenzij sprake is van gegevens als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van
bestuur.
Artikel 121
De artikelen 107 tot en met 112 zijn
van overeenkomstige toepassing op de Technische commissie
bodembeweging.
Artikel 122
Bij ministeriële regeling worden in
elk geval nadere regels gesteld omtrent de bij de adviesaanvraag te
verstrekken gegevens en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de adviesprocedure, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel d.
Hoofdstuk 7. Rapportage
Artikel 123
1. Degene die activiteiten verricht
waarop het bij en krachtens artikel 49, eerste lid, artikel 51,
eerste lid, of 52, eerste lid, bepaalde van toepassing is
verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid
bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die
activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
2. Onze Minister kan de verstrekte
gegevens, of een deel van die gegevens, doen beheren door door hem
daartoe aan te wijzen instellingen, welke hem desgevraagd mede van
advies dienen aan de hand van die gegevens.
3. De verstrekte gegevens zijn
gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van
de Wet openbaarheid van bestuur.
4. De op grond van het vijfde lid,
onderdeel c, aangewezen gegevens verliezen op een op grond van dat
onderdeel bepaald tijdstip hun vertrouwelijk karakter. Na dit
tijdstip is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
openbaarheid van bestuur niet meer van toepassing op deze
aangewezen gegevens.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden:
a. de gegevens bepaald die aan
Onze Minister worden verstrekt;
b. regels gesteld omtrent het
tijdstip en de wijze waarop de gegevens worden verstrekt,
omtrent het beheer van de gegevens en omtrent het gebruik dat
van de gegevens kan worden gemaakt;
c. regels gesteld omtrent het
tijdstip waarop artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet openbaarheid van bestuur niet meer van toepassing is op
deze gegevens.
6. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op bescheiden en monsters.
Artikel 124
1. Onze Minister zendt aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen ieder jaar een verslag
met gegevens over:
a. de gebieden die voor het
opsporen en winnen van koolwaterstoffen zijn vrijgegeven;
b. de verleende vergunningen
voor koolwaterstoffen;
c. de houders van de verleende
vergunningen voor koolwaterstoffen en de samenstelling van die
houders;
d. de geraamde reserves aan
koolwaterstoffen.
2. Onze Minister zendt het in het
eerste lid bedoelde verslag tevens aan de beide kamers der
Staten-Generaal en legt het voor een ieder ter inzage. Hij doet
van deze terinzagelegging mededeling in de Staatscourant.
3. Onze Minister zendt aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen om de drie jaar een
verslag over het register, bedoeld in artikel 31m, en andere door
de Commissie opgevraagde informatie.
Artikel 125
1. Onze Minister zendt
tweejaarlijks aan de beide kamers der Staten-Generaal een
overzicht van aardgasactiviteiten.
2. Het overzicht bevat tenminste:
a. de aangevraagde, dan wel de
verleende opsporings- en winningsvergunningen voorzover deze
betrekking hebben op het opsporen of winnen van aardgas;
b. de opgespoorde
aardgasvoorkomens waarbij wordt aangegeven:
1°. in welke
vergunningsgebieden deze voorkomens zijn opgespoord en
2°. of uit deze voorkomens
aardgas wordt gewonnen en zo niet, wanneer daarmee wordt
aangevangen;
c. de omvang van de opgespoorde
en overige aardgasreserves waarbij de aardgasreserves die in
geologisch of geografisch opzicht met elkaar samenhangen
afzonderlijk worden vermeld;
d. een raming van de winning
van aardgas per vergunninggebied, dan wel gebieden die in
geologisch of geografisch opzicht met elkaar samenhangen over
een periode van tien jaar, aanvangend met het jaar waarin het
overzicht aan de beide kamers der Staten-Generaal wordt
gezonden;
e. de bestaande en toekomstige
faciliteiten voor de ondergrondse opslag van aardgas;
f. de winningsplannen, als
bedoeld in artikel 34, die zijn ingediend en waarvoor de
instemming van Onze Minister is gegeven.
Hoofdstuk 8. Toezicht en handhaving
§ 8.1. Het Staatstoezicht op de
mijnen
Artikel 126
1. Er is een Staatstoezicht op de
mijnen. Het Staatstoezicht op de mijnen ressorteert onder Onze
Minister.
2. Aan het hoofd van het
Staatstoezicht op de mijnen staat de inspecteur-generaal der
mijnen.
Artikel 127
1. Het Staatstoezicht op de mijnen
heeft tot taak het toezien op het verrichten van
verkenningsonderzoeken, op het opsporen en het winnen van
delfstoffen en aardwarmte en op het opslaan van stoffen.
2. De inspecteur-generaal der
mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van
paragraaf 3.2 een verslag op over de naleving van de voorschriften
en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis
gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent
opslaan voor CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen
wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld inartikel 22 en
binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
Artikel 128
1. De inspecteur-generaal der
mijnen brengt jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister verslag uit
over de werkzaamheden van het Staatstoezicht op de mijnen in het
afgelopen jaar.
2. De inspecteur-generaal der
mijnen doet in het verslag de aanbevelingen die hij wenselijk acht
met het oog op een doelmatige en voortvarende uitvoering in de
toekomst van de in artikel 127 genoemde activiteiten.
Artikel 129
1. Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van
het bij of krachtensartikel 52bepaalde, zijn belast de bij besluit
van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren van het
Staatstoezicht op de mijnen, voorzover niet op grond van artikel
131 het toezicht aan anderen is opgedragen.
2. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 130
In respectievelijk op bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en
wijze kan de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of
25 dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of
voornemens is uit te voeren, worden verplicht de in de artikelen 129
en 131 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden
te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar
met gebruikmaking van de vergunning activiteiten worden of zullen
worden uitgevoerd dan wel waar een verkenningsonderzoek wordt of zal
worden uitgevoerd.
§ 8.2. Toezicht in bepaalde gevallen
Artikel 131
1. Bij besluit van Onze Minister
kunnen andere ambtenaren worden aangewezen die zijn belast met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet
met uitzondering van het bij of krachtensartikel 52bepaalde,
voorzover het toezicht bepaalde in het besluit aangegeven gevallen
betreft.
2. Onze Minister wijst ambtenaren
die onder een van Onze andere Ministers ressorteren niet aan, dan
in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat.
3. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 131a
1. Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens artikel 52 zijn binnen hun
ambtsgebied belast de bij besluit van gedeputeerde staten
aangewezen ambtenaren.
2. Gedeputeerde staten wijzen
ambtenaren die niet onder hen ressorteren niet aan dan in
overeenstemming met het bestuursorgaan onder wie de desbetreffende
ambtenaren ressorteren.
3. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het
provinciaal blad.
§ 8.3. Handhaving
Artikel 132
Onze Minister is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij
of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van
de verplichtingen die bij of krachtens artikel 52 zijn gesteld.
Artikel 133
1. Overtreding van artikel 43,
tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Het in dit artikel strafbaar
gestelde feit is een overtreding.
Hoofdstuk 9. Waarborgfonds
mijnbouwschade
§ 9.1. Algemene bepalingen
Artikel 134
1. Onder de in dit hoofdstuk
gebruikte begrippen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 113.
2. Dit hoofdstuk is van toepassing
op mijnbouwondernemers voorzover deze mijnbouwactiviteiten
verrichten aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet
vastgelegde lijn.
Artikel 135
1. Er is een Waarborgfonds
mijnbouwschade.
2. Het waarborgfonds bezit
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te 's-Gravenhage.
3. Onze Minister is belast met het
beheer van het waarborgfonds.
4. Het waarborgfonds ontvangt:
a. een door een
mijnbouwondernemer jaarlijks verschuldigde bijdrage, op te
leggen door Onze Minister, met inachtneming van bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels;
b. rentebaten die via het
waarborgfonds zijn verkregen;
c. het batig saldo van de
laatstelijk afgesloten rekening van het waarborgfonds;
d. andere inkomsten.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur worden in elk geval regels gesteld omtrent:
a. de maatstaf ter bepaling van
de hoogte van de bijdrage, met inachtneming van:
1°. de omvang van de
mijnbouwactiviteiten van een mijnbouwondernemer aan de
landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde
lijn,
2°. de hoogte van de
schadevergoedingen die de vijf voorafgaande jaren ten
laste van het waarborgfonds zijn toegekend in verband met
mijnbouwactiviteiten van de desbetreffende
mijnbouwondernemer of diens rechtsvoorganger,
3°. de aard van de
desbetreffende mijnbouwactiviteiten, en
4°. de in het
waarborgfonds aanwezige baten in relatie tot de begrote
uitgaven;
b. het tijdstip waarop de
bijdrage verschuldigd wordt, en
c. de verschuldigdheid van
rente als de bijdrage op een later tijdstip op een ander
bedrag wordt vastgesteld.
6. Niet in het jaar van ontvangst
bestede gelden blijven in het waarborgfonds.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent het vermogen van het
waarborgfonds, mede met inachtneming van het totale bedrag aan
schadevergoedingen dat mijnbouwondernemers gedurende in elk geval
de laatste vijf jaar voorafgaande aan het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet hebben betaald aan natuurlijke
personen bij wie in die periode zaakschade is opgetreden als
gevolg van door die mijnbouwondernemers verrichte
mijnbouwactiviteiten.
Artikel 136
1.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de inrichting en de administratie van het waarborgfonds, alsmede
het daarop uit te oefenen toezicht.
2.Onze Minister doet jaarlijks
verslag aan beide kamers der Staten-Generaal omtrent het over het
waarborgfonds gevoerde beheer.
§ 9.2. Schadevergoeding bij
insolventie
Artikel 137
Onze Minister kent een natuurlijke
persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van
mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten
laste van het waarborgfonds, indien:
a. de betrokken
mijnbouwondernemer failliet is verklaard, surséance van
betaling is verleend of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, of
b. de betrokken
mijnbouwondernemer heeft opgehouden te bestaan of is overleden,
en
c. de schade niet reeds geheel of
gedeeltelijk uit anderen hoofde is vergoed.
Artikel 138
1. Indien op het moment waarop zich
een van de gebeurtenissen, genoemd in 137, onderdeel a of b,
voordoet de persoon, bedoeld in de aanhef van dat artikel nog geen
adviesaanvraag als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel
d, had ingediend, dient die persoon alsnog een aanvraag in:
a. uiterlijk drie maanden na
het moment waarop de desbetreffende gebeurtenis zich heeft
voorgedaan, of,
b. als hij op dat moment nog
niet met de schade bekend kon zijn, binnen drie maanden na het
moment waarop hij met de schade bekend is geworden of
redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.
2. De artikelen 117 tot en met 119
zijn van toepassing, met dien verstande dat de artikelen 118,
tweede lid, en 119, tweede en derde lid, voorzover betrekking
hebbend op de mijnbouwondernemer, buiten toepassing blijven. De
commissie zendt Onze Minister afschriften van de adviesaanvraag en
het voorlopig advies.
Artikel 139
1. De persoon, bedoeld in artikel
137, dient zijn verzoek bij het waarborgfonds in uiterlijk drie
maanden na het moment waarop de commissie het advies, bedoeld in
artikel 119, vierde lid, heeft vastgesteld en overlegt daarbij in
ieder geval dat advies.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de indiening en de behandeling van, alsmede de beslissing op het
verzoek.
§ 9.3. Voorschotten
Artikel 140
1. Onze Minister kent een
natuurlijke persoon van wie in het voorlopig advies, bedoeld in
artikel 119, tweede lid, dan wel het definitieve advies, bedoeld
in artikel 119, vierde lid, is vastgesteld dat bij hem zaakschade
als gevolg van mijnbouwactiviteiten is opgetreden op diens verzoek
een voorschot ten laste van het waarborgfonds toe, indien:
a. de mijnbouwondernemer
bedenkingen heeft tegen het voorlopig advies dan wel het
definitieve advies betwist, en
b. noodzakelijke maatregelen
moeten worden getroffen ter herstel of beperking van de
schade.
Het bedrag dat aan voorschotten
kan worden verstrekt bedraagt ten hoogste 60 procent van het
schadebedrag dat in het voorlopig advies wordt vermeld.
2. Indien in een overeenkomst als
bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of
bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld dat
de schade niet het gevolg is van de mijnbouwactiviteiten dan wel
het schadebedrag op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het
bedrag dat in totaal aan voorschotten is verstrekt, betaalt de
persoon, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na het
moment waarop die overeenkomst is gesloten of die uitspraak is
gedaan het voorschot dan wel het verschil tussen het schadebedrag
en het voorschot terug aan het waarborgfonds.
Artikel 141
1. De persoon, bedoeld in artikel
140, eerste lid, kan vanaf het moment waarop de commissie een
voorlopig advies als bedoeld in artikel 119, tweede lid, heeft
uitgebracht, een verzoek om een voorschot indienen. Hij overlegt
daarbij in ieder geval dat voorlopig advies.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de indiening en de behandeling van, alsmede de beslissing op een
verzoek als bedoeld in artikel 140, eerste lid.
Hoofdstuk 9a. Coördinatie van de
aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen ten
behoeve van de winning van koolwaterstoffen en de opslag van stoffen
Artikel 141a
1. De procedure, bedoeld in artikel
3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke
ordening, is van toepassing op:
a. een mijnbouwwerk ten behoeve
van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder
een gebied dat is aangewezen op grond van de artikelen 10 of
10a van de Natuurbeschermingswet 1998;
b. een mijnbouwwerk ten behoeve
van de opslag van stoffen;
c. pijpleidingen die
uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het vervoer van
delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband
met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het
opslaan van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als
bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel b.
2. Een mijnbouwondernemer als
omschreven in artikel 113 meldt een voornemen tot aanleg of
uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in het
eerste lid, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister.
Bij ministeriële regeling kan voor het doen van de melding en de
daarbij te verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.
3. Indien, in aanmerking genomen de
omvang, aard en ligging van een mijnbouwwerk of een pijpleiding
als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg
of de uitbreiding van dat werk of die leiding benodigde besluiten,
redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de
procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in
betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins
aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen
dat:
a. geen van de procedures,
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure,
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure,
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in
artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gevolgd door
de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing
zijn of is op de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die
leiding. Onze Minister hoort de mijnbouwondernemer en de
betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te
geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 141b
1. Onze Minister is de aangewezen
minister, bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening.
2. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 3.28, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening
treden, in afwijking van dat artikellid, Onze Minister en Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer gezamenlijk in de plaats van burgemeester en
wethouders ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen,
bedoeld in dat artikellid.
3. Onze Minister kan, in
overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bepalen dat
Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, met
overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid, vierde
volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer besluiten
nemen die nodig zijn voor de aanleg of uitbreiding van een daarbij
aangewezen mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in artikel
141a, eerste lid.
Artikel 141c
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de
aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als
bedoeld in artikel 141a, eerste lid, in ieder geval besluiten als
bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
ruimtelijke ordening zijn.
2. Onze Minister kan ten behoeve
van de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of een
pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste lid, tevens één
of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid
aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in
artikel 3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke
ordening.
3. Onze Minister kan, indien een
bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluit de toepassing
van de procedure, bedoeld in artikel 141a, eerste lid, zou
belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het desbetreffende
besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in artikel
3.35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening
wordt aangemerkt.
Hoofdstuk 10. Rechtsbescherming
Artikel 142
1. Tegen een op grond van deze wet
genomen besluit dat van toepassing is op het continentaal plat kan
een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eerste volzin geldt
niet voor een besluit op grond van hoofdstuk 5, met uitzondering
van afdeling 5.2.
2. Ten aanzien van een besluit
omtrent een mijnbouwmilieuvergunning en instemming met een
winningsplan is hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 20.3
van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op een besluit
omtrent een mijnbouwmilieuvergunning voor een mijnbouwwerk te
plaatsen of geplaatst aan de zeezijde van de in de bijlage bij
deze wet vastgelegde lijn en een winningsplan voorzover het winnen
van delfstoffen geschiedt vanuit een voorkomen dat is gelegen aan
de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
3. Op het beroep tegen besluiten op
grond van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in het eerste lid,
tweede volzin, genoemde afdeling, is hoofdstuk V, afdelingen 2 tot
en met 4 van de Algemene wet rijksbelastingen van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat hoger beroep en beroep in
cassatie kunnen worden ingesteld door de belanghebbende die
bevoegd was beroep bij de rechtbank, onderscheidenlijk hoger
beroep bij het gerechtshof, in te stellen en door het
bestuursorgaan dat bevoegd was het bestreden besluit te nemen.
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Artikel 143
1. Als opsporingsvergunning wordt
beschouwd:
a. een vergunning verleend
krachtens artikel 2 van de Wet opsporing delfstoffen;
b. een opsporingsvergunning
verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat;
c. een ontheffing verleend
krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat, indien
deze uitsluitend betrekking heeft op onderzoekingen die kunnen
leiden tot het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen.
2. Als winningsvergunning wordt
beschouwd:
a. een concessie verleend
krachtens artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des
Lois no. 285);
b. een aanwijzing van een mijn
bij of krachtens de wet van 24 juni 1901, betreffende
exploitatie van Staatswege van steenkolenmijnen in Limburg
(Stb. 170), de wet van 18 juni 1918 tot ontginning van
steenzout bij Buurse (Stb. 421) of de wet van 27 september
1920 tot uitbreiding van het Staatsmijnveld (Stb. 752);
c. een winningsvergunning
verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat;
d. een ontheffing verleend
krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat, indien
deze betrekking heeft of mede betrekking heeft op het winnen
van delfstoffen.
3. De voorwaarden, beperkingen of
voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a tot en met c, gaan gelden als aan de
opsporingsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften. De
voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een
besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d,
gaan gelden als aan de winningsvergunning verbonden beperkingen of
voorschriften.
4. In afwijking van artikel 3 is de
houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en
onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor
het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn
waarop zij betrekking heeft.
5. Als mijnbouwmilieuvergunning
wordt beschouwd:
a. een goedkeuring verleend
overeenkomstig artikel 4.6 of 5.7 van de Regeling vergunningen
en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, of een
soortgelijke goedkeuring op basis van voor de inwerkingtreding
van die regeling verleende vergunningen of concessies;
b. een vergunning verleend
krachtens artikel 30a van het Mijnreglement continentaal plat.
6. In afwijking van het vijfde lid
wordt de goedkeuring of de vergunning die betrekking heeft op een
inrichting waarop bij de inwerkingtreding van deze wet hoofdstuk 8
van de Wet milieubeheer van toepassing is, niet beschouwd als een
mijnbouwmilieuvergunning maar als een milieuvergunning als bedoeld
in dat hoofdstuk. Deze milieuvergunning wordt, indien artikel 153,
derde lid, op de inrichting van toepassing is, samen met de in dat
lid bedoelde milieuvergunning als één milieuvergunning
beschouwd.
7. De beperkingen of voorschriften
die aan een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in het
vijfde lid zijn verbonden, gaan gelden als aan de
mijnbouwmilieuvergunning of aan de milieuvergunning verbonden
beperkingen of voorschriften.
Artikel 144
Als winningsplan als bedoeld in
artikel 34 geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als
bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen
continentaal plat 1996.
Artikel 145
1.Gedurende een in het tweede lid
genoemde termijn kan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet het winnen van delfstoffen zonder een in artikel 34 genoemd
winningsplan worden voortgezet.
2.De termijn voor voortzetting van
het winnen van delfstoffen is ten hoogste:
a. voorzover het betreft
winning uit voorkomens in het continentaal plat of onder de
territoriale zee gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage
bij deze wet vastgelegde lijn: zes maanden, en
b. voor ander dan onder a
genoemd gebied: twaalf maanden.
3.Indien een houder van een andere
dan in artikel 144 bedoelde winningsvergunning voor de afloop van
de voor hem geldende termijn een winningsplan als bedoeld in
artikel 34 bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de
afloop de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat,
kan de winning in elk geval worden voortgezet tot het
laatstbedoelde tijdstip.
Artikel 146
1.De beperkingen of voorschriften
die op grond van artikel 143, derde lid, aan een vergunning zijn
verbonden, gelden niet voorzover zij betreffen de betaling van een
oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst in verband
met het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. De eerste
volzin is niet van toepassing op concessies die zijn verleend voor
1965. In dat geval is afdeling 5.1.1., met uitzondering van
paragraaf 5.1.1.5., welke paragraaf van overeenkomstige toepassing
is, niet van toepassing. De beperkingen en voorschriften gelden
eveneens niet voorzover zij een uitkering aan gemeenten in verband
met het winnen van koolwaterstoffen betreffen.
2.Onze Minister kan de beperkingen
of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende
lid, aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen of intrekken,
voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter
bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde
belangen.
3.Onze Minister kan ten aanzien van
een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in
artikel 143 die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke
persoon of rechtspersoon, de in artikel 22 bedoelde persoon
aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als
de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke
werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval
is artikel 22, achtste lid, tweede zin, niet van toepassing.
4.Paragraaf 5.2.3 is niet van
toepassing op een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143,
tweede lid, behoudens toepassing van artikel 97b, tweede lid.
Indien aan een vergunning als bedoeld in de eerste volzin het
voorschrift is verbonden dat de in de vergunning aangewezen
vennootschap verzet kan aantekenen tegen een besluit van de
vergunninghouder, treedt artikel 97a voor dit voorschrift in de
plaats. Indien toepassing is gegeven aan het slot van de eerste
volzin en aan de desbetreffende winningsvergunning voorschriften
zijn verbonden omtrent deelneming door een in die vergunning
aangewezen vennootschap, vervallen op het tijdstip waarop de
mijnbouwovereenkomst tot stand is gebracht en goedgekeurd die
voorschriften en treedt de mijnbouwovereenkomst in de plaats van
een op grond van die voorschriften gesloten overeenkomst van
samenwerking.
5.Indien de vennootschap op grond
van de aan een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143,
eerste lid, onderscheidenlijk een winningsvergunning als bedoeld
in artikel 143, tweede lid, verbonden voorschriften een
overeenkomst van samenwerking heeft gesloten met de houder van die
vergunning, wordt de uitvoering van die overeenkomst aangemerkt
als uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 82, eerste lid,
onderdeel a, onderscheidenlijk de taak, bedoeld in artikel 82,
eerste lid, onderdeel b.
Artikel 147
1.Bepalingen in een overeenkomst
die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten tussen de
staat en de houder van een opsporingsvergunning of een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens
rechtsvoorganger, welke overeenkomst samenhangt met de in het
eerste of tweede lid van dat artikel bedoelde besluiten, komen bij
de inwerkingtreding van deze wet te vervallen voorzover zij in
strijd zijn met deze wet.
2.In afwijking van het eerste lid
blijven de bepalingen in stand voorzover de overeenkomst
samenhangt met een besluit als bedoeld in artikel 143, tweede lid,
dat is genomen voor 1965 en de bepalingen betrekking hebben op
financiële afdrachten aan de staat, waaronder begrepen de
aansprakelijkheid voor die afdrachten.
3.Bepalingen in een overeenkomst
die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten omtrent
onderling overleg bij het winnen van delfstoffen uit een voorkomen
dat de grens van een vergunningsgebied overschrijdt, worden geacht
te zijn gesloten op basis van artikel 42, tweede lid.
4.Bepalingen in een overeenkomst
als bedoeld in het eerste lid omtrent het verwijderen van
mijnbouwinstallaties als bedoeld in artikel 44, voorzover deze
installaties bij de inwerkingtreding van deze wet nog in gebruik
zijn, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen.
Artikel 148
1.In het geval dat een vergunning
ingevolge artikel 143, tweede lid, onderdeel c, als een
winningsvergunning wordt beschouwd en op grond van deze vergunning
een vennootschap is opgericht als bedoeld in artikel 11, tweede
lid, onderdeel a, van de Mijnwet continentaal plat, zoals deze
luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, worden tot het in
artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat gerekend:
a. mede de bedragen die ten
goede komen aan de vennootschap;
b. niet de bedragen die de
houder van de winningsvergunning heeft ontvangen van de
vennootschap, als houder van aandelen of van winstbewijzen van
die vennootschap.
2.In het geval, bedoeld in het
eerste lid, worden tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde
resultaat gerekend:
a. mede de kosten die voor
rekening komen van de vennootschap;
b. niet de rente over het eigen
vermogen van de vennootschap.
Artikel 149
1. Indien de houder van een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of zijn
rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding van deze wet een
overeenkomst met de staat heeft gesloten omtrent het opslaan van
stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet op grond
van artikel 25 een vergunningsplicht geldt, verkrijgt de houder op
dat moment van rechtswege een opslagvergunning.
2. Onze Minister stelt binnen drie
maanden na de inwerkingtreding van deze wet de bij de vergunning
behorende beperkingen en voorschriften vast. De beperkingen en
voorschriften worden afgestemd op de in het eerste lid bedoelde
overeenkomst. De overeenkomst vervalt op het tijdstip waarop de
beperkingen en voorschriften onherroepelijk van kracht worden.
3. Artikel 26, derde lid, alsmede
hoofdstuk 3a zijn niet van toepassing op de houder van een
winningsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 150
1. Ten aanzien van een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, aanhef
en onderdeel a of b, wordt artikel 21, eerste lid, onderdeel b,
ofartikel 32b slechts toegepast tegen vooraf verzekerde
schadeloosstelling.
2. Een winningsvergunning als
bedoeld in artikel 143, tweede lid, die in de plaats komt van een
in dat lid bedoeld besluit dat is genomen voor 1 januari 1965,
vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet, indien gedurende vijf jaren voor die inwerkingtreding geen
opsporing of winning heeft plaatsgevonden.
3. Het tweede lid geldt niet,
indien de houder binnen de in dat lid bedoelde termijn van twee
jaar aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt houder van de
winningsvergunning te willen blijven.
Artikel 151
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen,
winningsvergunningen, milieuvergunningen of
mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in artikel 143 en ten aanzien
van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden
verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet
ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de
bij of krachtens de hoofdstukken 1 tot en met 5, 7 en 11 gestelde
bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet
noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde
belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld
omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften
die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan de
vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan
regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en
voorschriften beschermde belangen.
Artikel 152
1.Een voor de inwerkingtreding van
deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel
143, eerste lid, wordt beschouwd als een aanvraag om een
opsporingsvergunning.
2.Een voor de inwerkingtreding van
deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel
143, tweede lid, wordt beschouwd als een aanvraag om een
winningsvergunning.
3.Een voor de inwerkingtreding van
deze wet ingediende aanvraag om een goedkeuring of een vergunning
als bedoeld in artikel 143, vijfde lid, wordt beschouwd als een
aanvraag om een mijnbouwmilieuvergunning of een milieuvergunning
overeenkomstig de toedeling in artikel 143, vijfde en zesde lid.
Artikel 153
1.Degene die bij de
inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt,
waarvoor voor dat tijdstip geen goedkeuring of vergunning als
bedoeld in artikel 143, vijfde lid, noodzakelijk was en waarvoor
op dat tijdstip het verbod, bedoeld in artikel 40, tweede lid, is
gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een
mijnbouwmilieuvergunning voor het mijnbouwwerk.
2.Degene die bij de
inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt,
waarvoor voor dat tijdstip het in artikel 8.1, eerste lid, van de
Wet milieubeheer vervatte verbod niet gold noch een goedkeuring of
vergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde lid, noodzakelijk
was en waarvoor het verbod op dat tijdstip is gaan gelden,
verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een milieuvergunning als
bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de
desbetreffende inrichting.
3.Een vergunning als bedoeld in
artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer die van kracht
was voor de inwerkingtreding van deze wet voor een inrichting
waarop wat betreft het ondergrondse deel hoofdstuk 8 van de Wet
milieubeheer niet van toepassing was op grond van artikel 22.1,
eerste lid, onderdeel a, van die wet, wordt geacht vanaf dat
tijdstip ook te zijn verleend voor het ondergrondse deel.
4.Aan de in het derde lid bedoelde
vergunning zijn vanaf de inwerkingtreding van deze wet de
voorschriften verbonden die voor dat tijdstip op grond van de Wet
milieubeheer en de Wet bodembescherming voor dit ondergrondse deel
golden.
Artikel 154
Een veiligheidszone ingesteld
krachtens artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat, en een
toestemming verleend krachtens artikel 28 van die wet, worden
beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in
artikel 43.
Artikel 155
1.Op verplichtingen tot betaling
van een geldsom die zijn ontstaan onder de werking van een van de
in artikel 168 genoemde wetten, blijft na de inwerkingtreding van
deze wet het recht van toepassing zoals dat op grond van die
wetten gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet.
2.In afwijking van het eerste lid
is paragraaf 5.1.1.5. vanaf de inwerkingtreding van deze wet van
overeenkomstige toepassing op de betaling van een bonus, een
oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst op grond
van de in artikel 168 genoemde wetten.
Artikel 156
Voor de toepassing van artikel 66,
eerste lid, wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de
koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet
overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de
overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een
winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.
Artikel 157
Voorzover als gevolg van afschrijving
op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening
gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en
voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een
geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde
respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de
toepassing van artikel 66, tweede en derde lid, het resultaat van de
geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof
consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan
de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
Artikel 158
1.Voor de toepassing van artikel
66, derde lid, op voor de inwerkingtreding van deze wet geleden
verliezen, wordt het resultaat van de geconsolideerde winst- en
verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, telkenjare
berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van
resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de
landzijde.
2.Nog te compenseren voor de
inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen aan de zeezijde
respectievelijk aan de landzijde, worden slechts verrekend met de
over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet
overeenkomstig het eerste lid berekende geconsolideerde resultaten
behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
3.Indien het resultaat van de
geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66,
tweede lid, over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet
negatief is, wordt dit verlies met inachtneming van de wettelijke
termijn, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, slechts verrekend met het resultaat
van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in
artikel 66, tweede lid, over een der jaren na de inwerkingtreding
van deze wet.
4.Waar in dit artikel wordt
gesproken over voor de inwerkingtreding van deze wet geleden
verliezen wordt hieronder verstaan een negatief resultaat van een
met inachtneming van de destijds toepasselijke voorschriften
opgemaakte winst- en verliesrekening over een voor de
inwerkingtreding van deze wet gelegen boekjaar.
Artikel 159
In afwijking van artikel 69, derde
lid, wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze
wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor
het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te
passen op het saldo van:
a. het resultaat van de winst- en
verliesrekening, met dien verstande dat daarbij artikel 68,
derde lid, buiten beschouwing wordt gelaten,
b. vermeerderd respectievelijk
verminderd met:
1°. de in voorafgaande
boekjaren nog niet in een met inachtneming van de daarop
toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en
verliesrekening opgenomen kosten respectievelijk
opbrengsten, welke bij de vaststelling van de met het voor
de inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel
verrekenbare belasting reeds in aanmerking zijn genomen;
2°. de in voorafgaande
boekjaren reeds in een met inachtneming van de daarop
toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en
verliesrekening opgenomen opbrengsten respectievelijk
kosten, welke bij de vaststelling van de met het voor de
inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel
verrekenbare belasting nog niet in aanmerking zijn genomen;
3°. de over voorafgaande
boekjaren bij de vaststelling van de met het voor de
inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel
verrekenbare belasting reeds in aanmerking genomen bedragen
aan winstaandeel, voorzover deze meer respectievelijk minder
bedragen dan de over voorafgaande boekjaren te betalen
bedragen aan winstaandeel;
c. verminderd met het over het
boekjaar na toepassing van dit artikel te betalen bedrag aan
winstaandeel.
Artikel 160
1.De overeenkomst, bedoeld in
artikel 81, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in
artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot
uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten
aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor
aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende
opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in
artikel 143, die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde
koninklijke besluit.
2.De percentages, genoemd in de
artikelen 84 en 86, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst,
bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende
opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in
artikel 143, die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit
van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de
Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en
winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb.
102).
Artikel 161
Overeenkomsten die voor de
inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze
Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een
opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening
verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als
bedoeld in artikel 81, onderdeel d.
Artikel 162
1.De overeenkomst, bedoeld in
artikel 89, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in
artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot
uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten
aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor
aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende
winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in
aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel
143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is
verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijk besluit.
2.De percentages, genoemd in de
artikelen 92, 93 en 94, bedragen 50 ten aanzien van de
overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende
winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in
aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel
143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is
verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari
1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet
continentaal plat ten aanzien van opsporings- en
winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb.
102).
Artikel 163
Bepalingen in een voor de
inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een
partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de
betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de
winst door de houder van een opsporingsvergunning of een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens
rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking
hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.
Artikel 164
1.Voor de bepaling van een
oppervlakterecht als bedoeld in paragraaf 5.1.1.2, met betrekking
tot een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld
in artikel 143, wordt de vergunning geacht van kracht te zijn op
het tijdstip waarop het besluit, bedoeld in artikel 143, eerste of
tweede lid, waarvoor deze vergunning in de plaats komt, van kracht
was.
2.In een geval als bedoeld in het
eerste lid wordt over het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van
deze wet tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding, het
oppervlakterecht bepaald op een deel van het recht dat
overeenkomstig paragraaf 5.1.1.2 vastgesteld zou worden over het
jaar van inwerkingtreding. Dit deel wordt bepaald op het deel dat
is toe te rekenen aan het tijdvak vanaf de inwerkingtreding tot de
eerste 1 januari na de inwerkingtreding. Het recht is verschuldigd
op 1 april na de inwerkingtreding.
3.In een geval als bedoeld in het
tweede lid wordt op het verschuldigde recht in mindering gebracht
een deel van het oppervlakterecht dat op grond van een van de in
artikel 168 genoemde wetten verschuldigd is over een tijdvak dat
doorloopt na de inwerkingtreding van deze wet. Dit deel wordt
bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak na de
inwerkingtreding.
Artikel 165
De Mijnraad, ingesteld bij de wet van
1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196),
wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in artikel 105. De
besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de
overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.
Artikel 166
De bijdrage, bedoeld in artikel 135,
vierde lid, onderdeel a, is voor het eerst verschuldigd in het jaar
dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 167
1.Ten aanzien van de mogelijkheid
om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat
is genomen op grond van een van de in artikel 168 genoemde wetten,
blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de
inwerkingtreding van deze wet.
2.Ten aanzien van de behandeling
van bezwaar of beroep dat is gemaakt of ingesteld tegen een
besluit dat is genomen op grond van een van de in artikel 168
genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold
voor de inwerkingtreding van deze wet.
Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging
van enige wetten
§ 12.1. Ministerie van Economische
Zaken
Artikel 168
De volgende wetten worden
ingetrokken:
a. de wet van 21 april 1810
(Bulletin des Lois no. 285);
b. de wet van 24 juni 1901,
betreffende exploitatie van Staatswege van steenkolenmijnen in
Limburg (Stb. 170);
c. de wet van 23 maart 1918, tot
tijdelijke ontginning van bruinkolen zonder concessie (Stb.
168);
d. de wet van 6 maart 1915,
houdende bepaling betreffende het gebruik van grond voor
mijnontginning (Stb. 141);
e. de wet van 18 juni 1918 tot
ontginning van steenzout bij Buurse (Stb. 421);
f. de wet van 27 september 1920
tot uitbreiding van het Staatsmijnveld (Stb. 752);
g. de wet van 17 maart 1923,
betreffende afstand van een gedeelte van voor ontginning van
Staatswege gereserveerde terreinen (Stb. 102);
h. de wet van 20 juni 1924,
betreffende opsporing van delfstoffen (Stb. 307);
i. de wet van 29 juni 1925,
houdende bijzondere regeling voor het verleenen van
mijnconcessiën (Stb. 287);
j. de wet van 1 mei 1970,
houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196);
k. de wet van 30 oktober 1997 tot
wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet op de
gevaarlijke werktuigen in verband met uitbreiding van het
toepassingsgebied tot de mijnbouwsector (Stb. 536);
l. de Mijnwet 1903;
m. de Mijnwet continentaal plat;
n. de Wet opsporing delfstoffen.
Artikel 169
[Wijzigt de Gaswet]
Artikel 170
[Wijzigt de Wet aardgasprijzen]
Artikel 171
[Wijzigt de Wet goedkeuring en
uitvoering Markham-overeenkomst]
§ 12.2. Ministerie van Verkeer en
Waterstaat
Artikel 172
[Wijzigt de Grondwaterwet]
Artikel 173
[Wijzigt de Ontgrondingenwet]
Artikel 174
[Wijzigt de Telecommunicatiewet]
Artikel 175
[Wijzigt de Wet luchtvaart]
§ 12.3. Ministerie van Justitie
Artikel 176
[Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek]
Artikel 177
[Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek]
Artikel 178
[Wijzigt de Overgangswet nieuw
Burgerlijk Wetboek]
Artikel 179
[Wijzigt de Wet op de economische
delicten]
§ 12.4. Ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Artikel 180
[Wijzigt de Wet bodembescherming]
Artikel 181
[Wijzigt de Kernenergiewet]
Artikel 182
[Wijzigt de Wet explosieven voor
civiel gebruik]
Artikel 183
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Artikel 184
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet
1998]
Artikel 185
[Wijzigt de Arbeidstijdenwet]
Artikel 186
[Wijzigt de Stoomwet]
Artikel 187
[Wijzigt de Wet arbeid mijnbouw
Noordzee]
Artikel 188
[Wijzigt de Wet op de Gevaarlijke
werktuigen]
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 189 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 190
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld omtrent mijnbouw
en met mijnbouw verwante activiteiten.
Artikel 191
Onze Minister van Economische Zaken
zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Artikel 192
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 193
Deze wet wordt aangehaald als:
Mijnbouwwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te
's-Gravenhage, 31 oktober 2002
BEATRIX
De
Staatssecretaris van Economische Zaken,
J.G.
Wijn
Uitgegeven de veertiende
november 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage bij de artikelen
34, 35, 36, 38, 41, 46, 54, 134, 135, 142 en 145
De lijn, bedoeld in de
artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste
lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen
d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°,
142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke
wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L',
welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende
overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb.
1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van
grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder
aangegeven:
1. genoemd punt L';
2. 53° 33' 36" N.B.,
6° 16' 02" O.L.;
3. 53° 30' 12" N.B.,
6° 03' 00" O.L.;
4. 53° 31' 22" N.B.,
5° 56' 27" O.L.;
5. 53° 30' 00" N.B.,
5° 31' 30" O.L.;
6. 53° 25' 12" N.B.,
5° 08' 06" O.L.;
7. 53° 21' 21" N.B.,
5° 04' 30" O.L.;
8. 53° 19' 19" N.B.,
4° 56' 12" O.L.;
9. 53° 15' 00" N.B.,
4° 49' 00" O.L.;
10. 53° 06' 30" N.B.,
4° 40' 00" O.L.;
11. 53° 01' 30" N.B.,
4° 37' 30" O.L.;
12. 52° 54' 00" N.B.,
4° 38' 00" O.L.;
13. 52° 44' 12" N.B.,
4° 33' 42" O.L.;
14. 52° 37' 00" N.B.,
4° 32' 24" O.L.;
15. 52° 28' 30" N.B.,
4° 30' 00" O.L.;
16. 52° 23' 00" N.B.,
4° 26' 36" O.L.;
17. 52° 21' 02" N.B.,
4° 24' 57" O.L.;
18. 52° 17' 55" N.B.,
4° 22' 45" O.L.;
19. 52° 16' 25" N.B.,
4° 21' 34" O.L.;
20. 52° 15' 35" N.B.,
4° 20' 47" O.L.;
21. 52° 14' 54" N.B.,
4° 20' 20" O.L.;
22. 52° 13' 21" N.B.,
4° 18' 54" O.L.;
23. 52° 12' 03" N.B.,
4° 17' 30" O.L.;
24. 52° 10' 56" N.B.,
4° 16' 07" O.L.;
25. 52° 09' 47" N.B.,
4° 14' 37" O.L.;
26. 52° 09' 26" N.B.,
4° 13' 46" O.L.;
27. 52° 09' 05" N.B.,
4° 13' 12" O.L.;
28. 52° 08' 30" N.B.,
4° 12' 31" O.L.;
29. 52° 08' 03" N.B.,
4° 11' 50" O.L.;
30. 52° 07' 33" N.B.,
4° 11' 15" O.L.;
31. 52° 06' 51" N.B.,
4° 10' 19" O.L.;
32. 52° 04' 13" N.B.,
4° 06' 39" O.L.;
33. 52° 03' 54" N.B.,
4° 06' 05" O.L.;
34. 52° 02' 09" N.B.,
4° 04' 03" O.L.;
35. 52° 00' 00" N.B.,
4° 01' 00" O.L.;
36. 51° 53' 00" N.B.,
3° 55' 30" O.L.;
37. 51° 51' 00" N.B.,
3° 48' 48" O.L.;
38. 51° 47' 30" N.B.,
3° 45' 18" O.L.;
39. 51° 44' 12" N.B.,
3° 35' 24" O.L.;
40. 51° 39' 12" N.B.,
3° 35' 24" O.L.;
41. 51° 37' 18" N.B.,
3° 29' 30" O.L.;
42. 51° 34' 00" N.B.,
3° 22' 10" O.L.;
43. 51° 24' 40" N.B.,
3° 17' 52" O.L.
De ligging van de
bovenbedoelde punten 2 tot en met 43 is uitgedrukt in geografische
coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese
vereffening.
|