Nadere regelgeving:
- Algemeen
militair ambtenarenreglement (AMAR)
- Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie
- Besluit vaststelling wachtgeldregeling militairen Koninklijke landmacht beneden de rang
van officier
- Besluit vaststelling wachtgeldregeling militaire personeel
zeemacht
- Besluit vaststelling wachtgeldregeling officieren Koninklijke Landmacht
- Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie
- Inkomstenbesluit
militairen (IBM)
- Militair keuringsreglement (MKR)
WET van den 19den December 1931, houdende
regelen betreffende den rechtstoestand van de militaire ambtenaren
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat regelen betreffende den
rechtstoestand van de militaire ambtenaren van zee- en landmacht
behooren te worden gesteld;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemeene bepaling
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. militaire ambtenaren:zij, die zijn aangesteld bij het
beroepspersoneel van de krijgsmacht of bij het reservepersoneel
van de krijgsmacht om in militaire openbare dienst werkzaam te
zijn,
b. werkelijke dienst: de tijd gedurende welke de militair
ambtenaar
1. is aangesteld bij het beroepspersoneel van de
krijgsmacht en hij niet op non-activiteit is gesteld en hem
geen buitengewoon verlof van lange duur is verleend;
2. is aangesteld bij het reservepersoneel van de
krijgsmacht en hij als zodanig feitelijk onder de wapenen is,
c. buitengewone omstandigheden: een uitzonderingstoestand als
bedoeld in artikel 1 van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden dan wel andere omstandigheden die naar het
oordeel van Onze Minister toepassing van buitengewone bevoegdheden
op grond van deze wet noodzakelijk maken,
d. Onze Minister: Onze Minister van Defensie,
e. militaire gezondheidszorg: het geheel aan maatregelen,
voorzieningen en verstrekkingen verleend door of vanwege de
militair geneeskundige dienst ten behoeve van het behoud, herstel
en bevordering van de gezondheid en inzetbaarheid van de militair,
f. militair geneeskundige dienst: het geheel van instanties en
eenheden binnen de krijgsmacht, belast met het verlenen van
militaire gezondheidszorg,
g. geïntegreerde gezondheidszorg: het samenhangend stelsel van
preventieve, curatieve met inbegrip van huisartsgeneeskundige,
bepaalde bedrijfsgeneeskundige en operationeel geneeskundige
activiteiten verricht door een eerstelijns medisch zorgteam voor
het verlenen van militaire gezondheidszorg,
h. algemeen militair arts (AMA): een tot de militair
geneeskundige dienst behorende militaire arts, opgeleid tot of in
staat geacht tot het toepassen van de basiskennis en -vaardigheden
van de geïntegreerde gezondheidszorg, opgenomen in het register
van algemeen militaire artsen,
i. medisch zorgteam: een functioneel team, bestaande uit één
of meer algemeen militaire artsen, tenminste één geregistreerd
huisarts en één geregistreerd bedrijfsarts van de militair
geneeskundige dienst, belast met het verlenen van geïntegreerde
gezondheidszorg aan de aan dit team toegewezen militairen,
j. geïntegreerd militair geneeskundig dossier: het geheel aan
eerstelijns geneeskundige gegevens omtrent een militair ten
behoeve van het verlenen van geïntegreerde gezondheidszorg door
een medisch zorgteam.
2. In deze wet wordt, voorzover hun belang daarmee is gemoeid of
dit uit de vroegere rechtsbetrekking volgt, mede verstaan onder
militaire ambtenaren: gewezen militaire ambtenaren.
Artikel 1a
1. Tot militair ambtenaar kunnen worden aangesteld zij die de
leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
2. Zij die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt kunnen met
schriftelijke instemming van hun wettelijke vertegenwoordigers worden
aangesteld als aspirant-militair ambtenaar.
3. Aan aspirant-militaire ambtenaren wordt geen functie toegewezen.
Zij worden niet ingezet in buitengewone omstandigheden, voor vredes-
of humanitaire operaties of voor enige vorm van gewapende dienst.
4. De periode van aanstelling als aspirant-militair ambtenaar maakt
in zijn geheel deel uit van de proeftijd voor een aanstelling als
militair ambtenaar.
5. Een aanstelling als aspirant-militair ambtenaar gaat over in een
aanstelling als militair ambtenaar als de aspirant-militair ambtenaar
daarmee na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar schriftelijk
instemt.
Artikel 1b
Voor zover dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele
taken van krijgsmacht noodzakelijk is, kan Onze Minister in buitengewone
omstandigheden afwijken van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald.
Titel II. Bezwaar, beroep en klachtrecht
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-1998]
§ 2. Rechtsmacht
Artikel 3
1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of
beroepschrift dertien weken, indien de belanghebbende zich om redenen
van dienst buiten Nederland bevindt.
2. In afwijking van artikel 8:55, eerste lid, derde volzin, van de
Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van
een verzetschrift dertien weken, indien de belanghebbende zich om
redenen van dienst buiten Nederland bevindt.
3. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedraagt de beslistermijn zes maanden, indien een of
meer belanghebbenden, getuigen of deskundigen zich om redenen van
dienst buiten Nederland bevinden.
4. Indien dringende redenen van operationele aard verhinderen dat
binnen de in het derde lid bedoelde termijn wordt beslist, kan deze
termijn ten hoogste twee keer met drie maanden worden verlengd.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 5
1. De eerste volzin van artikel 54, derde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing indien
beroep is ingesteld door nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden.
2. Tot militair lid zijn alleen benoembaar zij die Nederlander en
militair ambtenaar of eervol ontslagen militair ambtenaar zijn.
3. Zij mogen niet:
a. sedert meer dan zes jaar uit de militaire dienst zijn
ontslagen;
b. deel uitmaken van het bestuur of in dienst zijn van een
vereniging van militairen. Onder vereniging van militairen is voor
de toepassing van deze bepaling een verband van verenigingen en
een onderdeel van een vereniging begrepen.
4. Een militair lid wordt door Onze Minister benoemd voor de tijd
van vier jaren. Het lid is bij zijn aftreden eenmaal herbenoembaar. Op
zijn verzoek wordt het lid door Onze Minister ontslag verleend.
5. In geval van gelijktijdige benoeming geldt als oudstbenoemde het
lid wiens naam in het benoemingsbesluit het eerst is vermeld en zo
vervolgens. Heeft de benoeming plaats gehad bij verschillende
besluiten van gelijke datum, dan wordt het laagst genummerde besluit
geacht het eerst te zijn genomen en zo vervolgens.
6. Ten aanzien van een militair lid zijn de artikelen 46c, 46d,
46e, 46f, 46g, 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c,
46j, 46l, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
de overeenkomstige toepassing van artikel 46j onderscheidenlijk
artikel 46o, tweede lid, onder functionele autoriteit wordt verstaan:
bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht, met dien
verstande dat mede ontslag wordt verleend:
a. bij ontslag, anders dan eervol, uit de militaire dienst, of
b. bij ontslag uit de militaire dienst ter zake van
onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan uit hoofde van een
ziekte of een gebrek, en dat mede schorsing plaats heeft indien
het militaire lid in zijn militaire ambt is geschorst.
Artikel 5a
Artikel 66, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een militair lid.
Artikel 5b
Aan de militaire leden wordt een vergoeding toegekend met
overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de
rechters-plaatsvervangers.
Artikel 6
In afwijking van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht kan
de rechtbank ook aan de commandant van de bodem waarop of het korps of
de inrichting waarbij de betrokken militaire ambtenaar dient of heeft
gediend, opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te
verrichten.
Artikel 7
Indien tijdens de behandeling van een beroep blijkt, dat een
samenhangend strafrechtelijk onderzoek of een tuchtproces ingevolge de
Wet militair tuchtrecht aanhangig is, wordt de behandeling, tenzij het
beroep tegen een voorloopige voorziening is gericht, tot na afloop van
dat onderzoek of dat tuchtproces geschorst.
Artikel 8
Een uitspraak van den strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of
ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de
militaire ambtenaar aan eenig feit is schuldig verklaard, geldt in een
militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.
Artikel 9
1. De militaire ambtenaar die zich bezwaard voelt over een van een
militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van
Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan wel meent van een zodanige
meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te hebben
ondervonden, kan daarover in afwijking van artikel 9:8, eerste lid,
onder b, van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken
schriftelijk een met redenen omklede klacht indienen bij de tot
straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld in artikel 49 van de Wet
militair tuchtrecht onder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie
de klacht is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister
aangewezen functionaris.
2. Geen klacht kan worden ingediend over besluiten of handelingen
ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht.
3. Op de behandeling van de klacht zijn de afdelingen 9.1.2 en
9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in afwijking van artikel 9:11,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de klacht binnen twaalf
weken wordt afgehandeld indien de klager dan wel de militaire meerdere
tegen wie het klaagschrift is gericht dan wel getuigen zich om redenen
van dienst buiten Nederland bevinden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 10
Titel II van de Ambtenarenwet 1929 vindt op de militaire ambtenaren
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Van middelen tot bewaring en verwerkelijking van recht
Artikel 11
Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en aanwijzing
voor het volgen van een opleiding.
Titel IV. Bepalingen van materieel recht
Artikel 12
Voor zover deze onderwerpen niet reeds bij of krachtens de wet zijn
geregeld, worden voor de militaire ambtenaren bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende:
a. aanstelling;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
c. opleiding;
d. bevordering;
e. schorsing;
f. ontslag;
g. diensttijden;
h. verlof;
i. gezondheidszorg;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. bezoldiging en overige militaire inkomsten;
n. wachtgeld;
o. overige rechten en verplichtingen;
p. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over
aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
militaire ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in
dat overleg dient te worden bereikt;
q. de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van de
ambtenaar in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht uitsluitend elektronisch verzonden behoeven te
worden en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen.
Artikel 12bis
Het bevoegd gezag en de militaire ambtenaar zijn verplicht zich als
een goed werkgever en een goed militair ambtenaar te gedragen.
Artikel 12ter
1. Onze Minister voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het
bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht
besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het
voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en
discriminatie.
2. Onze Minister zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast
onderdeel uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door
integriteit in functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te
stellen en door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied
van integriteit.
3. Onze Minister draagt zorg voor de totstandkoming van een
gedragscode voor goed ambtelijk handelen.
4. Onze Minister stelt in overeenstemming met de Tweede Kamer vast
op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het
gevoerde integriteitsbeleid en over de naleving van de gedragscode.
Artikel 12quater
1. Voor zover deze onderwerpen niet bij of krachtens de wet zijn
geregeld, worden voor de militaire ambtenaren bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende:
a. de verplichte aflegging van de eed of belofte door de
militaire ambtenaar bij zijn aanstelling;
b. de melding en de registratie van nevenwerkzaamheden die de
belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de
functievervulling, kunnen raken;
c. de openbaarmaking van krachtens onderdeel b geregistreerde
nevenwerkzaamheden van militaire ambtenaren in een functie
waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst
openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is;
d. het verbieden van nevenwerkzaamheden waardoor de goede
vervulling van de functie of de goede functionering van de
openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd;
e. de melding van financiële belangen respectievelijk van het
bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de
dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling,
kunnen raken voor militaire ambtenaren aangesteld in een functie
waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie verbonden is;
f. een procedure voor het omgaan met bij een militaire
ambtenaar levende vermoedens van misstanden binnen de organisatie
waar hij werkzaam is.
2. De militaire ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende
vermoedens van misstanden meldt volgens de procedure, bedoeld in het
eerste lid onder f, zal als gevolg van het melden van die vermoedens
geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en
na het volgen van die procedure.
Artikel 12quinquies
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten behoeve
van het reguleren van de instroom, doorstroom en uitstroom van militair
personeel regels gesteld met betrekking tot:
a. maximum leeftijden voor een aanstelling als militair ambtenaar
en voor functietoewijzing;
b. het maximum aantal jaren dat een militair ambtenaar in een
rang mag dienen;
c. het maximum aantal militaire ambtenaren dat een bepaalde rang
mag bekleden;
d. het verlenen van ontslag aan militaire ambtenaren wegens het
bereiken of overschrijden van een voor de individuele militair te
bepalen leeftijd, gelegen vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar.
Artikel 12a
1. De militaire ambtenaar dient zich te onthouden van het openbaren
van gedachten of gevoelens dan wel de uitoefening van het recht tot
vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de
uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of
de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in
verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou
zijn verzekerd.
2. Het eerste lid is, voor wat betreft het recht van vereniging,
niet van toepassing op het lidmaatschap van:
a. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is
ingeschreven overeenkomstig de artikelen G1 of G2 van de Kieswet;
b. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is
ingeschreven overeenkomstig artikel G3 van de Kieswet, en die,
indien na de inschrijving verkiezingen zijn gehouden voor de
gemeenteraden, aan de laatst gehouden verkiezingen heeft
deelgenomen; of
c. een vakvereniging.
3. De militaire ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van enig
gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot
kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit
de aard der zaak volgt.
Artikel 12b
De militaire ambtenaar is niet gehouden tot dienstverrichting op voor
hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en
rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.
Artikel 12c
1. Een militair ambtenaar, die een functie in een publiekrechtelijk
college, waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de
daaruit voortvloeiende werkzaamheden niet gelijktijdig kan vervullen
met zijn functie, wordt in verband daarmee op non-activiteit gesteld,
tenzij de belangen van de dienst vorderen dat zulks niet geschiedt.
Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.
2. Indien de militaire ambtenaar in verband met een functie in een
publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, niet op
non-activiteit is gesteld, wordt hem voor het bijwonen van
vergaderingen en zittingen van dit college en voor het verrichten van
daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dit college
buitengewoon verlof verleend, tenzij de belangen van de dienst
vorderen dat het verlof niet wordt verleend. Betreffende het
doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld.
3. Aan de militaire ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de
dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend, buitengewoon
verlof verleend voor aan te wijzen activiteiten van of voor een
vereniging van militairen overeenkomstig regels te stellen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 12d
1. De militaire ambtenaar is verplicht zich tijdens het verblijf in
een gebouw, luchtvaartuig of voertuig alsmede op een vaartuig of een
terrein, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht of
dat de militaire ambtenaar tot verblijf of gebruik dient bij de
vervulling van zijn taak in internationaal verband, te onderwerpen aan
een in het belang van de dienst door het bevoegd gezag gelast
onderzoek aan zijn lichaam of zijn kleding of van zijn daar aanwezige
goederen.
2. De militair ambtenaar is verplicht, indien dit noodzakelijk is
in het belang van de veiligheid of van een goede vervulling van de
taak van de krijgsmacht, zich te onderwerpen aan een onderzoek van
zijn urine of adem.
3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek dient uitsluitend ter
vaststelling van:
a. de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II
b. voor de militair die dienst doet of behoort te doen: een
alcoholgehalte van zijn adem van meer dan 220 microgram alcohol
per liter uitgeademde lucht.
4. Het bevoegd gezag, op wiens last het in het eerste en tweede lid
bedoelde onderzoek plaats heeft, neemt de nodige maatregelen ten einde
daarbij een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld met
betrekking tot het in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek. Deze
regels betreffen in ieder geval de wijze waarop het onderzoek wordt
verricht en het recht van de militair ambtenaar om:
a. de uitslag van het onderzoek te vernemen;
b. naar aanleiding van het onderzoek bedoeld in het derde lid
onder a, een hernieuwd onderzoek van afgestane urine te laten
plaatsvinden;
c. naar aanleiding van het onderzoek bedoeld in het derde lid
onder b, zijn bloed te laten onderzoeken op een alcoholgehalte van
meer dan 0,5 milligram per milliliter bloed.
Artikel 12e
Het is de militaire ambtenaar in werkelijke dienst verboden, anders
dan met toestemming of in opdracht van Onze Minister, te reizen naar dan
wel te verblijven in:
a. bij koninklijk besluit aangewezen landen, waarin het verblijf
door een militair ambtenaar in werkelijke dienst een bijzonder
risico voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat
of zijn bondgenoten kan opleveren;
b. een land of landsdeel waar feitelijk een gewapend conflict
bestaat.
Artikel 12f
Een gewezen militair ambtenaar, die op het tijdstip van ingang van
zijn eervol ontslag tenminste vijftien jaar tot het beroeps- of
reserve-personeel heeft behoord, behoudt de status van militair ten
aanzien van door Onze Minister te bepalen voorrechten, zulks tenzij hij
van rechtswege is ontslagen of zich uit Nederlands nationaal oogpunt
beschouwd onwaardig heeft gedragen. Bij de bepaling van de termijn van
vijftien jaar telt mee de tijd, die betrokkene als dienstplichtige in
werkelijke dienst heeft doorgebracht.
Artikel 12g
1. Voor de aanstelling als militair ambtenaar komt, tenzij bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald, slechts
in aanmerking degene die Nederlander is.
2. Aan de militaire ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend,
indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of
artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een
vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld ter zake van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 12h
1. Aan de militair ambtenaar in werkelijke dienst wordt
gezondheidszorg verleend door of vanwege de militair geneeskundige
dienst. De militair ambtenaar in werkelijke dienst is gehouden zich
tot het voor hem aangewezen medisch zorgteam te wenden ter verkrijging
van gezondheidszorg. Indien zulks onmogelijk is, kan de militair zich
wenden tot een ander onderdeel van de militair geneeskundige dienst of
tot een civiele arts, waarvan hij vanwege de noodzaak tot voortdurend
zicht op de inzetbaarheid mededeling doet aan het voor hem aangewezen
zorgteam.
2. De militair in werkelijke dienst is verplicht de maatregelen in
acht te nemen die door Onze Minister worden voorgeschreven ter
bescherming van de gezondheid van de militair of die van anderen,
zulks onverminderd de wettelijke mogelijkheden ten aanzien van
bepaalde maatregelen van die verplichting te worden ontheven. De
militair in werkelijke dienst is in geval van ziekte of gebrek
verplicht zich te houden aan de voorschriften van de verantwoordelijk
militair arts. Hij is evenwel niet verplicht zich te onderwerpen aan
een ingreep van heelkundige aard of een andere kunstbewerking.
3. De militair in werkelijke dienst is verplicht zich te
onderwerpen aan en zijn medewerking te verlenen aan een geneeskundig
of tandheelkundig onderzoek door of vanwege het voor hem aangewezen
medisch zorgteam:
a. indien hij in verband met de uitoefening van zijn
werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid
blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van die
werkzaamheden aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen;
b. wanneer Onze Minister dit noodzakelijk acht in verband met
toelating tot een opleiding, plaatsing in een andere functie,
plaatsing bij bepaalde onderdelen of in bepaalde gebieden;
c. indien door zijn commandant op goede gronden wordt
verondersteld dat zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid een
beletsel vormt om naar behoren dienst te verrichten;
d. bij beëindiging van het verblijf in werkelijke dienst.
4. De militair in werkelijke dienst is verplicht zich te
onderwerpen en zijn medewerking te verlenen aan een geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek indien Onze Minister op goede gronden van
oordeel is, dat de militair:
a. langdurig of blijvend ongeschikt is voor de vervulling de
functie of de groep van functies waarvoor de militair is bestemd;
b. blijvend ongeschikt is voor de vervulling van de militaire
dienst.
Het in de eerste volzin bedoelde onderzoek wordt verricht door
artsen die niet zijn belast met het verstrekken van gezondheidszorg
als bedoeld in het eerste lid. Bij het onderzoek wordt alleen met
toestemming van de militair gebruik gemaakt van gegevens uit het
geïntegreerd militair geneeskundig dossier.
5. Ten behoeve van de gezondheidszorg maken de tot het medisch
zorgteam behorende zorgverleners gebruik van de in het geïntegreerd
militair geneeskundig dossier beschikbare medische gegevens en
bescheiden.
6. Een daartoe aangewezen militaire arts van het medisch zorgteam
adviseert na overleg met de militair de commandant desgevraagd dan wel
op eigen initiatief en ongeacht de toestemming van de militair over
diens inzetbaarheid. Daarbij wordt geen inhoudelijke geneeskundige
informatie verstrekt.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en
medische gegevens die de gezondheid van militairen betreffen door of
ten behoeve van het medisch zorgteam en omtrent verplichtingen van
militaire artsen en overig tot de militair geneeskundige dienst
behorend personeel die het registreren, kennisnemen en overdragen van
medische gegevens met betrekking tot de militair betreffen.
Artikel 12i
1. Het is de militair ambtenaar in werkelijke dienst niet
toegestaan om deel te nemen aan een staking.
2. Het is de militair ambtenaar in werkelijke dienst toegestaan om
deel te nemen aan andere vormen van collectieve actie tenzij deelname
aan die collectieve actie de operationele inzet van de krijgsmacht kan
verstoren of belemmeren.
3. Het is de ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet
die is aangesteld bij het ministerie van Defensie toegestaan deel te
nemen aan een staking of andere vormen van collectieve actie, tenzij
de deelname aan die staking of collectieve actie de operationele inzet
van de krijgsmacht kan verstoren of belemmeren.
Artikel 12j
1. De militair ambtenaar is gehouden tot het naar beste vermogen
uitvoeren van de hem in het belang van de taakuitoefening van de
krijgsmacht opgedragen werkzaamheden en diensten.
2. Hij kan in het belang van die taakuitoefening overal ter wereld
worden ingezet.
3. De militair ambtenaar kan voor het verrichten van de hem
opgedragen werkzaamheden worden gesteld onder een functionaris die
niet behoort tot het militaire personeel van de krijgsmacht.
4. De militair ambtenaar in werkelijke dienst kan worden verplicht,
wanneer naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang dit
vordert, tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke
uit de militaire hoedanigheid voortvloeien. Hij kan echter niet worden
verplicht werkzaamheden te verrichten in plaats van stakers of
uitgeslotenen, tenzij het werkzaamheden betreft die naar het oordeel
van Onze Minister geen uitstel gedogen.
5. Indien militairen worden verplicht tot het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid kan Onze Minister een
militair ambtenaar in werkelijke dienst, die bestuurslid of kaderlid
is van een vakorganisatie van overheidspersoneel, op diens aanvraag
tijdelijk van deze verplichting ontheffen.
Artikel 12k
1. Aan een aanstelling als militair ambtenaar bij het
beroepspersoneel is de verplichting verbonden om een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn, doch ten hoogste
gedurende de initiële opleiding en aansluitend een periode van vier
jaar, deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel.
2. In afwijking van het eerste lid is aan een aanstelling als
militair ambtenaar met de bestemming
a. tot het volgen van de meerjarige opleiding tot officier, de
verplichting verbonden om gedurende de opleiding en aansluitend
een periode van zeven jaar deel uit te blijven maken van het
beroepspersoneel;
b. tot het volgen van een opleiding tot vlieger, de
verplichting verbonden gedurende de opleiding en aansluitend een
periode van tien jaar deel uit te blijven maken van het
beroepspersoneel.
3. Aan een aanwijzing, op aanvraag van een militair ambtenaar in
werkelijke dienst, voor het volgen van een opleiding waarbij de
militair ambtenaar wordt vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als
militair, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden om
een periode van ten hoogste twee maal de periode dat hij is
vrijgesteld deel te blijven uitmaken van het beroepspersoneel.
Artikel 12l
1. Aan een aanstelling als militair ambtenaar bij het
reservepersoneel is de verplichting verbonden om gedurende de
initiële opleiding en aansluitend een periode van vier jaar, deel te
blijven uitmaken van het reservepersoneel.
2. Militaire ambtenaren, aangesteld bij het reservepersoneel,
kunnen door Onze Minister worden opgeroepen om in werkelijke dienst te
komen:
a. voor de gevallen waarin en voor zo lang als zij daartoe bij
hun aanstelling een verplichting op zich hebben genomen;
b. in geval van buitengewone omstandigheden, zolang Onze
Minister dit vanwege die buitengewone omstandigheden nodig
oordeelt;
3. Onze Minister kan aan militaire ambtenaren, aangesteld bij het
reservepersoneel, op hun aanvraag toestemming verlenen om buiten de
tijd dat zij verplicht zijn tot werkelijke dienst, onbezoldigd in
werkelijke dienst te komen of te blijven.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het in werkelijke dienst oproepen of toestaan in
werkelijke dienst te komen van reservepersoneel.
Artikel 12m
Een ontslagaanvraag van een militair ambtenaar kan worden afgewezen
en een reeds verleend, doch nog niet ingegaan, ontslag kan worden
ingetrokken of opgeschort:
a. gedurende de tijd waarin naar het oordeel van Onze Minister,
in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, het
landsbelang wegens een bijzondere situatie vordert dat het ontslag
niet wordt verleend;
b. gedurende een periode waarin op de militair ambtenaar de
verplichting rust om te blijven behoren tot het beroepspersoneel of
het reservepersoneel;
c. Indien de beoogde datum van ingang van het ontslag valt binnen
de tijd dat de militair ambtenaar deelneemt aan een inzet buiten
Nederland in het kader van internationale overeenkomsten of andere
verplichtingen die door Nederland zijn aangegaan, of binnen een
periode van drie maanden voorafgaande aan de vermoedelijke datum van
uitzending.
d. Indien onze Minister overweegt de militair ambtenaar te
ontslaan om een reden die aanleiding geeft tot ontslag zonder het
predikaat «eervol»;
e. in buitengewone omstandigheden.
Artikel 12n [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een ontslag van een militair die is ingezet als bedoeld in artikel 1,
onder d, van de Veteranenwet gaat niet eerder in dan nadat ten minste
drie maanden zijn verstreken na de dag waarop de militair is
teruggekeerd van de inzet, tenzij de militair uitdrukkelijk anders
verzoekt.
Titel V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1994]
§ 1. Overgangsbepaling
Artikel 14 [Vervallen per 17-05-1995]
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 16
De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen verschillend kan
worden gesteld.
Artikel 17
Deze wet kan worden aangehaald als "Militaire
Ambtenarenwet" met bijvoeging van het jaartal van het Staatsblad
waarin zij wordt afgekondigd.
Lasten en bevelen, dat deze met een indeeling in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 19den December 1931
WILHELMINA
De Minister van Defensie,
L.N. Deckers
De Minister van Justitie,
J. Donner
Uitgegeven den een en dertigsten December 1931
De Minister van Justitie,
J. Donner
|