| |
|
|
|
|
vorige
MONUMENTENWET
1988 (MW)
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
-
Beleidsregels opgravingsbevoegdheid (vervallen)
-
Besluit archeologische monumentenzorg
-
Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen (vervallen)
-
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (vervallen)
-
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011
WET van 23 december 1988 tot vervanging
van de Monumentenwet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
bepalingen vast te stellen voor het behoud van monumenten van bouwkunst
en archeologie en lagere overheden meer bij dat behoud te betrekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
b. monumenten:
1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens
hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun
cultuurhistorische waarde;
2. terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar
aanwezige zaken als bedoeld onder 1;
c. archeologische monumenten: de monumenten, bedoeld in onderdeel
b, onder 2;
d. beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn
ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers;
e. kerkelijke monumenten: onroerende monumenten welke eigendom
zijn van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een
lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander
genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of voor
een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk belijden
van de godsdienst of levensovertuiging;
f. stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van
algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge
ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke
of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer
monumenten bevinden;
g. beschermde stads- en dorpsgezichten: stads- en dorpsgezichten
die door Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als zodanig ingevolge artikel
35 van deze wet zijn aangewezen, met ingang van de datum van
publikatie van die aanwijzing in de Nederlandse Staatscourant;
h. het doen van opgravingen: het verrichten van werkzaamheden met
als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor
verstoring van de bodem optreedt;
i. de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 2a van de
Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Artikel 2
1.Bij de toepassing van deze wet wordt rekening gehouden met het
gebruik van het monument.
2.Met betrekking tot een kerkelijk monument wordt geen beslissing
genomen ingevolge deze wet dan na overleg met de eigenaar.
Hoofdstuk II. Beschermde monumenten
§ 1. De aanwijzing
Artikel 3
1. Onze minister kan ambtshalve onroerende monumenten aanwijzen als
beschermd monument.
2. Voordat Onze minister ter zake een beschikking geeft, vraagt hij
advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het
monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens
aan gedeputeerde staten.
3. Onze minister doet mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in
het tweede lid, aan degenen die in de basisregistratie kadaster als
eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld.
4. Burgemeester en wethouders stellen de in het derde lid genoemde
belanghebbenden in de gelegenheid zich te doen horen en plegen het
overleg, bedoeld in artikel 2, tweede lid.
5. Burgemeester en wethouders brengen hun advies uit binnen vijf
maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde
adviesaanvraag, gedeputeerde staten binnen vier maanden.
6. Onze minister beslist, de Raad gehoord, binnen tien maanden na
de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan burgemeester en
wethouders.
Artikel 4
Onze minister doet mededeling van zijn beschikking aan burgemeester
en wethouders en aan gedeputeerde staten. Ingeval van aanwijzing leggen
burgemeester en wethouders de beschikking op de secretarie ter inzage.
De burgemeester maakt die terinzagelegging op de gebruikelijke wijze
bekend.
Artikel 5
1. Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel
3, derde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in
het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 7, derde
lid, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet in een van
die registers wordt ingeschreven, zijn op een archeologisch monument
deartikelen 11 tot en met 29 en artikel 63, eerste en derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
2. Gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, zijn op een
ander monument dan een archeologisch monument van overeenkomstige
toepassing:
a. deartikelen 11, eerste lid, en 63, tweede en derde lid; en
b. de hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht voor zover die betrekking hebben op een beschermd
monument als bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
Artikel 6
1.Onze minister houdt voor elke gemeente een register aan van de
beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in
die hij heeft aangewezen, voorzover geen beroep tegen die aanwijzing
is ingesteld of een beroep is afgewezen.
2.Van de inschrijving in het register zendt Onze minister aan
gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders telkens één
afschrift.
3.Het aan burgemeester en wethouders gezonden afschrift wordt ter
inzage ter secretarie van de gemeente neergelegd. Een ieder kan zich
aldaar op zijn kosten afschriften doen verstrekken.
Artikel 7
1. Indien het monument niet gelegen is binnen het grondgebied van
enige gemeente, zijn artikel 3, tweede tot en met zesde lid, artikel 4
en artikel 6 niet van toepassing.
2. Alvorens Onze minister ten aanzien van een monument als bedoeld
in het eerste lid een beschikking geeft, hoort hij de Raad.
3. Onze minister houdt een landelijk register aan waarin hij de
door hem aangewezen monumenten, bedoeld in het eerste lid, inschrijft
voorzover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep
is afgewezen. Een afschrift van de inschrijving wordt gezonden aan de
instantie die het betrokken gebied beheert alsmede, indien het
monument is gelegen binnen het grondgebied van een provincie, aan
gedeputeerde staten.
Artikel 8
1.Onze minister is bevoegd ambtshalve of op verzoek van
belanghebbenden in het register wijzigingen aan te brengen. De
artikelen 3 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Indien de wijziging naar het oordeel van Onze minister van
ondergeschikte betekenis is of indien de wijziging betreft het
doorhalen van de inschrijving van een monument dat is teniet gegaan,
blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3 achterwege.
Artikel 9
1.Van wijziging in de kadastrale aanduiding van een beschermd
monument geeft de bewaarder van het kadaster en de openbare registers
binnen veertien dagen kennis aan Onze minister, die deze wijziging
aanbrengt in het register.
2.Onze minister doet mededeling van de wijziging aan gedeputeerde
staten en burgemeester en wethouders.
Artikel 10
Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het
register dan wel onderling niet gelijkluidend zijn, worden als beschermd
monument slechts aangemerkt de monumenten die staan vermeld op het
afschrift van het register, dat is opgenomen in de openbare registers,
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
§ 2. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering
Artikel 11
1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te
vernielen.
2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:
a. een beschermd archeologisch monument te slopen, te
verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een beschermd archeologisch monument te herstellen, te
gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt
ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 12
1. Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede
lid, wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.
2. Artikel 3.1, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om
vergunning die betrekking heeft op een archeologisch monument als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.
Artikel 14
1. Onze minister beslist op een aanvraag om vergunning als bedoeld
in artikel 11, tweede lid.
2. Onze minister kan een rapport verlangen, waarin de
archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal
worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate
is vastgesteld.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het
rapport, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 14a
1. Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om
vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat
burgemeester en wethouders ten aanzien van het door Onze minister
opgestelde ontwerp van het besluit toepassing geven aan de artikelen
3:11 tot en met 3:17 van die wet.
2. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3. Burgemeester en wethouders zenden tijdig naar voren gebrachte
zienswijzen onmiddellijk door aan Onze minister.
4. Artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
niet van toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid geeft Onze minister in gevallen
als bedoeld in artikel 13 toepassing aan de artikelen 3:11 tot en met
3:17 van die wet. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van
toepassing.
Artikel 15
1. De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de
inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de
monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over
aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht. Van de commissie maken geen deel uit leden
van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen
de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de
monumentenzorg.
2. Burgemeester en wethouders vragen de commissie op het gebied van
de monumentenzorg advies, voordat:
a. zij beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning
voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; of
b. zij advies uitbrengen omtrent een aanvraag om of het ontwerp
van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 16 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 17
1. Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag, bedoeld in
artikel 12, onmiddellijk na ontvangst aan Onze minister door. Zij
zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de
aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending.
2. Indien Onze minister niet voldoet aan artikel 3:18 van de
Algemene wet bestuursrecht, wordt de vergunning geacht te zijn
verleend.
3. De werking van de vergunning wordt opgeschort, totdat de
beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van
de rechtbank onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op
te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
4. Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om
vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan
gedeputeerde staten.
Artikel 18 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 19
1. Onze minister kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 11,
tweede lid, voorschriften verbinden in het belang van de
archeologische monumentenzorg.
2. De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
3. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, kunnen
in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen
waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt,
te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de
archeologische monumentenzorg die voldoet aan door Onze minister
bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 20
1. Burgemeester en wethouders, en voor zover het monumenten als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, betreft, Onze minister houden een
openbaar register aan waarin aantekening wordt gehouden van
omgevingsvergunningen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
en vergunningen als bedoeld inartikel 11, tweede lid.
2. In het in het eerste lid bedoelde register worden voorts
aangetekend:
a. de datum van de vergunning;
b. het nummer van de vergunning;
c. de plaats van het monument waarop de vergunning betrekking
heeft, alsmede van de van belang zijnde kadastrale gegevens
daarvan;
d. de aard van de werkzaamheden.
3. Aantekening als bedoeld in het tweede lid vindt plaats binnen
een week na de dag waarop een vergunning is verleend of wordt geacht
te zijn verleend.
Artikel 21
1. Onverminderd artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht kan Onze minister een vergunning als bedoeld in artikel
11, tweede lid, intrekken, indien de omstandigheden aan de kant van de
vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het
monument zwaarder dient te wegen.
2. Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt
mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde
staten.
§ 3. Schadevergoeding in verband met de beslissing op de
vergunningaanvraag
Artikel 22
Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in
artikel 11, tweede lid, ten gevolge van de weigering daarvan of ten
gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt,
welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven, kent Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem
op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
Artikel 23
1.Onze minister stelt met het oog op de advisering over één of
meer verzoeken om schadevergoeding een schadebeoordelingscommissie in.
2.De schadebeoordelingscommissie bestaat uit een of meer leden.
3.Een lid van de schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking
bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst,
bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze
minister.
4.Met ambtenaar, bedoeld in het derde lid, worden voor de
toepassing van dit hoofdstuk, gelijkgesteld zij die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.
Artikel 24
1.Onze minister zendt binnen veertien dagen na de dag waarop het
verzoek om schadevergoeding is ingediend, het verzoekschrift aan de
schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak betrekking
hebbende stukken.
2.Onze minister verleent aan de schadebeoordelingscommissie de
gevraagde medewerking.
Artikel 25
1.De schadebeoordelingscommissie stelt de verzoeker of zijn
gemachtigde in de gelegenheid zijn verzoek om schadevergoeding in een
openbare vergadering tegenover haar nader toe te lichten.
2.De schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst van het
ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder
verantwoordelijkheid van Onze minister oproepen om in de openbare
vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.
3.Indien de schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil
houden, deelt zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan
de verzoeker en aan Onze minister.
Artikel 26
De schadebeoordelingscommissie brengt binnen drie maanden na de dag
waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, advies uit aan Onze
minister. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.
Artikel 27
1.Onze minister stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk,
of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie,
zijn opvatting omtrent het advies kenbaar te maken.
2.De schadebeoordelingscommissie verstrekt Onze minister
desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar
mening omtrent de opvatting daarover van de verzoeker.
Artikel 28
De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet
in rekening gebracht.
Artikel 29
Onze minister beslist binnen twee maanden na ontvangst van het advies
van de schadebeoordelingscommissie. Artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht blijft buiten toepassing.
§ 4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 30 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 31 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk III. Subsidies en specifieke uitkeringen
Artikel 34
1. Onze minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van de
instandhouding van beschermde monumenten. Onder instandhouding wordt
verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede
werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het
herstel van het monument noodzakelijk zijn.
2. De subsidie bestaat uit hetzij een vast bedrag per jaar hetzij
een percentage van de door Onze minister vast te stellen kosten.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in
het eerste lid. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de criteria op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt;
b. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald;
c. de vaststelling van een subsidieplafond;
d. de aanvraag van een subsidie;
e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
f. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
g. de vaststelling van de subsidie;
h. de betaling en terugvordering van de subsidie, alsmede het
verlenen van voorschotten op de subsidie.
4. Indien bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
voorzien in een subsidieplafond, worden daarbij regels gesteld omtrent
de wijze van verdeling.
5. De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste
drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt.
6. Onze minister kan tevens subsidie verstrekken in verband met de
herbestemming van onroerende monumenten.
7. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het verstrekken van de subsidie, bedoeld in het zesde lid. De
tweede volzin van het derde lid is van toepassing en het vierde lid is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34a
1.Onze minister kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels, aan een gemeente of een provincie een specifieke
uitkering verstrekken voor de bestrijding van de kosten van het doen
van opgravingen, voor zover die kosten in redelijkheid niet volledig
ten laste dienen te komen van:
a. degene die tot het doen van opgravingen is verplicht;
b. de gemeente waarvan de gemeenteraad of burgemeester en
wethouders tot het doen van de opgravingen heeft onderscheidenlijk
hebben verplicht; of
c. de provincie waarvan provinciale staten of gedeputeerde
staten tot het doen van de opgravingen hebben verplicht.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op:
a. de criteria op grond waarvan de uitkering kan worden
verstrekt;
b. de wijze waarop het uitkeringsbedrag wordt bepaald;
c. de aanvraag van een uitkering;
d. de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verleend;
e. de verplichtingen van de ontvanger van de uitkering;
f. de vaststelling van de uitkering; en
g. de betaling en terugvordering van de uitkering, alsmede het
verlenen van voorschotten.
3.Onze minister kan de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in
artikel 23, advies vragen over verzoeken om specifieke uitkeringen als
bedoeld in het eerste lid. De artikelen 24 tot en met 29 zijn daarbij
niet van toepassing.
4.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste
drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt.
Hoofdstuk IV. Beschermde stads- en dorpsgezichten
Artikel 35
1.Gehoord de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad, kunnen
Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer stads- en dorpsgezichten aanwijzen als
beschermd stads- of dorpsgezicht en kunnen zij zodanige aanwijzingen
intrekken.
2.Onze minister zendt het voorstel tot aanwijzing of intrekking
gelijktijdig aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad. De
gemeenteraad brengt advies uit via gedeputeerde staten binnen 6
maanden, gedeputeerde staten binnen 9 maanden en de Raad binnen 12
maanden na verzending van het voorstel.
3.Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer beslissen over aanwijzing of intrekking
binnen zestien maanden na verzending van het voorstel.
4.De bekendmaking van een besluit tot aanwijzing of tot intrekking
daarvan geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Van het besluit
wordt mededeling gedaan in de daarvoor in aanmerking komende dag- of
nieuwsbladen en aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad.
Artikel 36
1. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads-
of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd
stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende
bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid
kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, Onze minister gehoord, kan
worden vastgesteld.
3. Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede
lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede
lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, Onze
minister gehoord, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die
wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld
in die wet vaststellen.
Artikel 37 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg
§ 1. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen
Artikel 38
1.De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg bij verordening onder meer:
a. regels vaststellen met betrekking tot de eisen die
burgemeester en wethouders kunnen stellen aan onderzoek in het
kader van het doen van opgravingen; of
b. gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders
kunnen afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen
van daartoe strekkende verplichtingen.
2.Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld in
artikel 38a is vastgesteld, blijft die verordening van kracht voor
zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is.
3.Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste
lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 38a
De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of
een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk
artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van
de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan
wel te verwachten monumenten.
Artikel 39
1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht verplicht worden gesteld.
2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid
een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van
het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het
oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te
verlenen in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 40
1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel
39, tweede lid.
2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden
verbonden die zijn vastgesteld krachtens artikel 2.22, derde lid,
onderdeel d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 41
1. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische
monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de
archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal
worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in
artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
2. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een
sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de
archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te
leggen, waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te
slopen bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in
artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 41a
De artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, zijn niet van toepassing op
projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan
een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.
Artikel 42 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 43
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport,
bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste en
tweede lid.
§ 2. Archeologische attentiegebieden
Artikel 44
1.Voor zover bij de vaststelling van geldende bestemmingsplannen
onvoldoende rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel
te verwachten monumenten, kunnen provinciale staten binnen het
grondgebied van de provincie gebieden die archeologisch waardevol zijn
of naar verwachting archeologisch waardevol zijn, aanwijzen als
archeologische attentiegebieden.
2.De gemeenteraad stelt binnen een door provinciale staten te
stellen termijn in verband met een aangewezen archeologisch
attentiegebied een bestemmingsplan vast.
3.Gedeputeerde staten melden een aanwijzingsbesluit als bedoeld in
het eerste lid aan Onze minister.
4.Provinciale staten houden bij de vaststelling of de herziening
van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet
ruimtelijke ordening rekening met aangewezen archeologische
attentiegebieden.
5.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
§ 3. Opgravingsvergunning
Artikel 45
1. Het doen van opgravingen zonder of in afwijking van een
opgravingsvergunning van Onze minister is verboden.
2. De opgravingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager
aantoont bekwaam te zijn tot het doen van opgravingen.
3. De opgravingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend.
4. In verband met de verlening van een opgravingsvergunning kunnen
door Onze minister kosten in rekening worden gebracht volgens door hem
vast te stellen tarieven.
5. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 46
1.De houder van een opgravingsvergunning meldt de aanvang van een
opgraving aan Onze minister.
2.Binnen twee weken na voltooiing van de opgraving meldt de houder
van een opgravingsvergunning aan Onze minister de eerste bevindingen.
3.Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving conserveert de
houder van een opgravingsvergunning de roerende monumenten die zijn
gevonden bij die opgraving en draagt de geconserveerde monumenten
alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie over aan de
eigenaar.
4.Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving legt de houder
van een opgravingsvergunning zowel aan Onze minister als aan de
eigenaar als aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
opgraving is voltooid, een rapport over, waarin de resultaten van de
opgraving zijn beschreven.
5.Aan de opgravingsvergunning kunnen in het belang van de
archeologische monumentenzorg andere voorschriften worden verbonden
dan genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
6.Onze minister kan ontheffing verlening van de voorschriften,
bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid.
Artikel 47
Onze minister kan de opgravingsvergunning intrekken indien de
vergunninghouder naar het oordeel van Onze minister niet langer bekwaam
is tot het doen van opgravingen, zich niet houdt aan de gestelde
beperkingen of de gestelde voorschriften niet naleeft.
Artikel 47a
De artikelen 45 tot en met 47 zijn van toepassing in de aansluitende
zone, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.
Artikel 48
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van de bekwaamheidseis, bedoeld in artikel 45,
tweede lid, de beperkingen, bedoeld in artikel 45, derde lid, en
kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de voorschriften,
bedoeld in artikel 46, eerste tot en met het vierde lid.
2.De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
geeft in ieder geval regels over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat
het onderzoek in verband met en de uitvoering van de opgravingen
voldoen aan eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid en
wetenschappelijke relevantie.
3.De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste
drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt.
§ 4. Wetenschappelijk onderwijs
Artikel 49
1. Op verzoek van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs
als bedoeld in artikel 1.1, onder c, van de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek dan wel van een instelling voor
wetenschappelijk onderwijs, gevestigd in een lidstaat van de Europese
Unie of van de Europese Economische Ruimte, kan Onze minister
beslissen dat een bepaalde opgraving door die instelling wordt
uitgevoerd, indien:
a. de desbetreffende opgraving van uitzonderlijk belang is voor
het specifieke onderzoeksprogramma van de instelling;
b. de instelling over voldoende capaciteit beschikt om de
opgraving binnen een redelijke termijn uit te voeren;
c. de mogelijke marktverstorende effecten van het besluit van
Onze minister beperkt zijn;
d. de mogelijke nadelige financiële gevolgen voor degene die
tot het doen van de opgraving is verplicht, niet onevenredig zijn;
en
e. aan de instelling een vergunning als bedoeld in artikel 45
is verleend.
2. Voordat Onze minister een beslissing als bedoeld in het eerste
lid neemt, wint hij advies in van de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
§ 5. Eigendom
Artikel 50
Roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en
waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van:
a. de provincie waar zij zijn gevonden, of
b. de gemeente waar zij zijn gevonden, indien die gemeente
beschikt over een depot als bedoeld in artikel 51, tweede lid, of
c. de Staat, indien die monumenten buiten het grondgebied van
enige gemeente zijn gevonden.
§ 6. Depots
Artikel 51
1.Gedeputeerde staten houden een depot in stand waarin roerende
monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen binnen die
provincie kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt
van behoud en toegankelijkheid verantwoord is.
2.Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde
staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin
roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen
kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud
en toegankelijkheid verantwoord is.
3.Onze minister wijst ten behoeve van de opslag van
scheepsarcheologische monumenten die zijn gevonden bij het doen van
opgravingen één of meer depots aan, die voor die opslag naar zijn
oordeel in het bijzonder geschikt zijn.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
verantwoorde en toegankelijke opslag van monumenten en de daarbij
behorende documenten en rapporten eisen worden gesteld.
Artikel 52
1.Roerende monumenten als bedoeld in artikel 50 alsmede de daarbij
behorende opgravingsdocumentatie, bedoeld in artikel 46, derde lid,
worden opgeslagen in depots als bedoeld in artikel 51, eerste tot en
met derde lid.
2.Onze minister kan bepalen dat scheepsarcheologische monumenten
die zijn gevonden bij het doen van opgravingen alsmede de daarbij
behorende opgravingsdocumentatie worden opgeslagen in een depot als
bedoeld in artikel 51, derde lid.
3.Onze minister kan, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de
melding, bedoeld in artikel 46, tweede lid, bepalen dat een monument
als bedoeld in artikel 50, onder a of b, in verband met het belang
daarvan voor het publiek, in beheer wordt gegeven aan een museale
instelling.
§ 7. Meldingsplichten
Artikel 53
1.Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt
waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een
monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister.
2.De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste
lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de
dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te
houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 54
Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij
verstoring van de bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet
dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang
zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo
spoedig mogelijk bij Onze minister.
Artikel 54a
De artikelen 53 en 54 zijn van toepassing in de aansluitende zone,
bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.
§ 8. Centraal archeologisch informatiesysteem
Artikel 55
1. Onze minister houdt een Centraal archeologisch informatiesysteem
in stand waarin in ieder geval worden opgenomen en openbaar gemaakt:
a. de registers, bedoeld in de artikelen 6 en 7, voor zover die
archeologische monumenten betreffen;
b. de beslissingen op de aanvragen om vergunning, bedoeld in
artikel 11, tweede lid;
c. de besluiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid;
d. het rapport, bedoeld in artikel 46, vierde lid; en
e. de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede
lid, 53, eerste lid, en 54.
2. Het auteursrecht op de rapporten, bedoeld in artikel 46, vierde
lid, en de daarin opgenomen werken is voorbehouden.
3. Het auteursrecht en het databankenrecht, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Databankenwet, op het Centraal archeologisch
informatiesysteem zijn voorbehouden.
4. Voor de verstrekking van informatie uit het Centraal
archeologisch informatiesysteem kunnen kosten in rekening worden
gebracht, volgens door Onze minister vast te stellen tarieven.
§ 9. Bijzondere bevoegdheden
Artikel 56
Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan
archeologische monumenten voorschriften geven met betrekking tot de
uitvoering van het werk dat die schade dan wel die dreiging veroorzaakt,
dan wel gelasten dat dat werk voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk wordt stilgelegd.
Artikel 57
1. Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van
een terrein moet dulden dat dat terrein in het belang van een
archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden
verricht dan wel daarin opgravingen worden gedaan.
2. Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding of
uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de
Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening als bedoeld in
artikel 3.38 van die wet of een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan bepalen dat een
rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een terrein
in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop
metingen worden verricht dan wel dat daarin opgravingen worden gedaan,
voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering
daarvan.
Artikel 58
1. Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in de
artikelen 56 of 57, eerste lid, wordt door Onze minister naar
redelijkheid vergoed.
2. Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 57,
tweede lid, wordt door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 57,
tweede lid, naar redelijkheid vergoed.
Artikel 59
Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 58
staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het
werk, onderscheidenlijk het onderzoek, wordt uitgevoerd.
§ 10. Formulieren
Artikel 60
Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de
meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste
lid, en 54.
Hoofdstuk VI. Handhaving en strafbepalingen
Artikel 61 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 62 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 63
1. Onze minister draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Het bestuursorgaan dat met betrekking tot een monument bevoegd
is een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht te verlenen, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke
handhaving van artikel 11, eerste lid, voor zover het een ander
monument dan een archeologisch monument betreft.
3. Met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet is hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing, met uitzondering van artikel 5.2 en
paragraaf 5.5 van die wet en, indien het een archeologisch monument
betreft, met uitzondering van artikel 5.11 van die wet.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 65
Een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of
een gemeente die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet op de
archeologische monumentenzorg over een opgravingsvergunning voor
onbepaalde tijd beschikt, blijft gerechtigd tot het doen van opgravingen
onder de beperkingen en voorschriften die aan die vergunning zijn
verbonden, gedurende twee jaar na inwerkingtreding van die wet.
Artikel 66
1.Roerende monumenten die worden gevonden bij het doen van
opgravingen die zijn begonnen, maar niet zijn voltooid ten tijde van
de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg en
waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van
de Staat.
2.Roerende monumenten als bedoeld in het eerste lid die zijn
gevonden bij het doen van wettige opgravingen door een gemeente, zijn
eigendom van die gemeente.
Artikel 67
Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de
archeologische monumentenzorg kunnen roerende monumenten die zijn
gevonden bij het doen van opgravingen worden opgeslagen in de depots van
de vergunninghoudende gemeenten, bedoeld in artikel 65.
Artikel 68
Gedeputeerde staten maken binnen een jaar na inwerkingtreding van de
Wet op de archeologische monumentenzorg aan de gemeentelijke
vergunninghouders, bedoeld in artikel 65, kenbaar, hoe zij gebruik
zullen maken van hun bevoegdheid, bedoeld in artikel 51, tweede lid.
Artikel 69
Besluiten die voor de inwerkingtreding van de Wet op de
archeologische monumentenzorg op grond van het bij die wet vervallen
artikel 58, eerste lid, zijn genomen, berusten na inwerkingtreding van
de Wet op de archeologische monumentenzorg op artikel 63, eerste lid.
Artikel 70
Deze wet wordt aangehaald als: Monumentenwet 1988.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 1988
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
Uitgegeven de dertigste december 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|