Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt
verstaan onder:
a. Onze minister: Onze minister van Financiën;
b. Euromunten: de euromuntstukken, bedoeld in artikel 1 van
Verordening (EG) nr. 975/98 van de Raad van de Europese Unie van 3
mei 1998 over de denominaties en technische specificaties van voor
circulatie bestemde euromuntstukken (PbEG L 139) zoals gewijzigd bij
Verordening (EG) nr. 423/99 van de Raad van de Europese Unie van 22
februari 1999 (PbEG L 52);
c. Nederlandse euromunten: de euromuntstukken uitgegeven door de
Staat der Nederlanden overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG)
nr. 974/98 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 1998 tot
invoering van de euro (PbEG L 139).
Artikel 2
De munten die door de Staat der Nederlanden worden uitgegeven zijn
Nederlandse euromunten, bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig
betaalmiddel en munten zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel.
Artikel 3
1. De bestanddelen van de beeldenaars van de nationale zijde
van de Nederlandse euromunten worden bij koninklijk besluit
vastgesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde munten dragen in ieder geval de
beeltenis en de naam van de Koning (Koningin) en de woorden: Koning
(Koningin) der Nederlanden.
3. In het kader van een Europees herdenkingsthema kan ten aanzien
van de Nederlandse euromunten van twee euro worden afgeweken van het
tweede lid.
Artikel 4
1. De denominaties van de bijzondere munten met de hoedanigheid
van wettig betaalmiddel, de materialen waaruit deze munten zijn
vervaardigd, de gewichten en de afmetingen, alsmede de bedragen tot
welke zij de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben, worden bij
algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
2. De bestanddelen van de beeldenaars van de in het eerste lid
genoemde munten worden bij koninklijk besluit vastgesteld. Deze munten
dragen in ieder geval op de voorzijde de beeltenis en de naam van de
Koning met de woorden: Koning (Koningin) der Nederlanden, en op de
keerzijde de waardeaanduiding.
Artikel 5
1. Munten zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel zijn:
a. de gouden dukaat;
b. de dubbele gouden dukaat;
c. de zilveren dukaat.
2. De gouden dukaat heeft een goudgehalte van 983 duizendsten met
een afwijking van ten hoogste twee duizendsten, een gewicht van 3,494
gram met een afwijking van ten hoogste vier duizendsten en een
middellijn van 21 millimeter.
3. De dubbele gouden dukaat heeft een goudgehalte van 983
duizendsten met een afwijking van ten hoogste twee duizendsten, een
gewicht van 6,988 gram met een afwijking van ten hoogste vier
duizendsten en een middellijn van 26 millimeter.
4. De beeldenaar van de gouden dukaat en de dubbele gouden dukaat
is op de voorzijde een geharnaste man tussen de cijfers van het jaartal,
met het omschrift: CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT, het teken van de
Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de muntmeester: de
beeldenaar is op de keerzijde binnen een versierd vierkant: MO. AUR REG.
BELGII AD LEGEM IMPERII. De munten zijn voorzien van een kabelrand.
5. De zilveren dukaat heeft een zilvergehalte van 873 duizendsten
met een afwijking van ten hoogste drie duizendsten, een gewicht van
28,25 gram met een afwijking van ten hoogste vijf duizendsten en een
middellijn van 40 millimeter.
6. De beeldenaar van de zilveren dukaat is op de voorzijde hetzij
een geharnaste man met het Rijkswapen voor het linkerbeen en met het
opschrift: MO.NO.ARG.REG.BELGII, hetzij een geharnaste man met het wapen
van een Nederlandse provincie voor het linkerbeen en met het opschrift:
MO.NO.ARG.REG.BELGII en de naam van de provincie; is op de keerzijde het
Rijkswapen met de Koninklijke Kroon tussen de cijfers van het jaartal,
met het opschrift: CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT, het teken van de
Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de muntmeester.
Artikel 6
1. De munten, bedoeld in artikel 2, worden uitsluitend in
opdracht van de Staat der Nederlanden vervaardigd en uitsluitend door
de Staat der Nederlanden uitgegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde opdracht wordt verleend onder
het beding dat de naar het oordeel van Onze minister in verband met het
vervaardigen van munten noodzakelijke veiligheidsmaatregelen in acht
worden genomen.
3. De in het eerste lid bedoelde opdracht wordt verleend met
inachtneming van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap.
Artikel 7
Bij ministeriële regeling worden de buitenomloopstelling en de
inwisseling van buitenomloopgestelde bijzondere munten, als bedoeld in
artikel 4, geregeld.
Artikel 8
1. Niemand is gehouden valse of vervalste munten aan te nemen.
2. Euromunten en de munten, bedoeld in de artikelen 4 en 5 die
vermoed worden vals of vervalst te zijn, kunnen aan een door Onze
minister aan te wijzen instantie ter beoordeling worden voorgelegd.
3. Indien de munten naar het oordeel van de in het tweede lid
bedoelde instantie vals of vervalst zijn, worden ze doorgesneden
teruggegeven of wordt de stoffelijke waarde vergoed. Indien de munten
naar het oordeel van de in het tweede lid bedoelde instantie niet vals
of vervalst zijn, worden de munten teruggegeven in de staat waarin ze
zijn ontvangen of wordt de nominale waarde vergoed.
4. Onze minister kan regels stellen betreffende de beoordeling,
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 9
1. [Wijzigt de Muntwet 1987]
2. De Muntwet 1987 wordt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip ingetrokken.
3. De buitenomloopstelling en inwisseling van de op grond van de
Muntwet 1948 en de Muntwet 1987 uitgegeven munten met de hoedanigheid
van wettig betaalmiddel worden geregeld bij ministeriële regeling.
Artikel 10
Het koninklijk besluit van 4 februari 1943, Stb. D 67, betreffende de
uitgifte van biljetten aan toonder als nieuw betaalmiddel voor het Rijk
in Europa, wordt ingetrokken.
Artikel 11
[Wijzigt de Noodwet financieel verkeer]
Artikel 12
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 13
Deze wet wordt aangehaald als: Muntwet 2002.