Nadere regelgeving:
- Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet
1998
WET van 25 mei 1998, houdende nieuwe
regelen ter bescherming van natuur en landschap (Natuurbeschermingswet
1998)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen inzake de bescherming van natuur en landschap en dat
het voorts wenselijk is een wettelijke grondslag te geven aan het
verlenen van bijdragen ter bevordering en ondersteuning van het beleid
inzake natuur en landschap alsmede aan het verlenen van vergoedingen ter
zake van het op vrijwillige basis richten of mede richten van de
bedrijfsvoering van landbouwbedrijven, binnen daartoe aangewezen
gebieden, op het beheer van natuur en landschap;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. natuurmonument: terrein of
water, dan wel samenstel van terreinen of wateren, dat van
algemeen belang is om zijn natuurwetenschappelijke betekenis of
zijn natuurschoon;
c. eigenaar: degene, die in de
basisregistratie kadaster als eigenaar staat vermeld, met dien
verstande dat indien op een onroerende zaak een eeuwig durend
recht van erfpacht of een recht van beklemming rust, daaronder
wordt verstaan de erfpachter of de beklemde meier, en dat bij
onroerende zaken die aan een niet eeuwig durend recht van
erfpacht, een recht van vruchtgebruik of een recht van opstal
zijn onderworpen, daaronder mede zijn begrepen degenen, die in
de basisregistratie kadaster als erfpachter, vruchtgebruiker of
opstalhouder staan vermeld, een en ander voorzover niet de
rechtstoestand is gebleken een andere te zijn dan de
basisregistratie kadaster aangeeft;
d. gebruiker: degene, die uit
hoofde van een andere rechtsverhouding dan onder d genoemd een
onroerende zaak in gebruik heeft;
e. landschapsgezicht: samenstel
van onbebouwde terreinen of van bebouwde en onbebouwde terreinen
dat vanwege zijn structuren, patronen of elementen danwel
anderszins vanwege zijn uiterlijke verschijningsvorm,
historisch-landschappelijk van algemeen belang is;
f. richtlijn 79/409/EEG:
richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L
103);
g. richtlijn 92/43/EEG: richtlijn
92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei
1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de
wilde flora en fauna (PbEG L 206);
h. prioritaire soort: als
prioritair aangeduide soort in bijlage II van de richtlijn
92/43/EEG;
i. prioritaire type natuurlijke
habitat: als prioritair type aangeduide natuurlijke habitat in
bijlage I van de richtlijn 92/43/EEG;
j. initiatiefnemer: degene die
het initiatief neemt tot een plan als bedoeld in artikel 19j of
tot een project of andere handeling als bedoeld in artikel 19d,
eerste lid;
k. instandhoudingsdoelstelling:
doelstelling of doelstellingen als bedoeld in artikel 10a,
tweede lid;
l. Natura 2000: Europees
ecologische netwerk dat bestaat uit de speciale
beschermingszones, bedoeld in de richtlijn 79/409/EEG en
richtlijn 92/43/EEG;
m. bestaand gebruik: gebruik dat
op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen
zijn bij het bevoegd gezag;
n. Natura 2000-gebied:
1°. gebied dat is aangewezen
op grond van artikel 10a, eerste lid,
2°. gebied dat voorlopig is
aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, of
3°. gebied dat voorkomt op
de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG;
o. omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2
1. Voorzover niet anders bepaald,
wordt onder gedeputeerde staten verstaan gedeputeerde staten van
de provincie waarin gebieden als bedoeld in artikel 10aof
natuurmonumenten of landschapsgezichten onderscheidenlijk
beschermde natuurmonumenten of beschermde landschapsgezichten
geheel of grotendeels zijn gelegen.
2. Gedeputeerde staten wijzen
landschapsgezichten, die mede zijn gelegen in een andere
provincie, niet aan als beschermd landschapsgezicht dan in
overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincies.
3. Gedeputeerde staten beslissen
niet over een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel
16 dan wel stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 17 niet
vast, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere
provincies waarin het beschermd natuurmonument mede is gelegen.
4. Gedeputeerde staten stellen een
beheerplan als bedoeld in artikel 19a niet vast dan in
overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies
waarin het op grond vanartikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied
of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel
12, derde lid, mede is gelegen.
5. Gedeputeerde staten beslissen
niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel
19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten
van de andere provincies waarin het Natura 2000-gebied mede is
gelegen voorzover die vergunning betrekking heeft op delen van het
gebied, gelegen in die andere provincies.
Artikel 2a
1. Indien een aanvraag van een
vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, betrekking heeft
op een handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een
deel van een beschermd natuurmonument dat is gelegen binnen de
grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de
provincie waarin dat deel van het beschermd natuurmonument is
gelegen over de aanvraag.
2. Indien een aanvraag van een
vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking
heeft op een project dat of andere handeling die hoofdzakelijk
gevolgen kan hebben voor een deel van een Natura 2000-gebied dat
is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen
gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het
Natura 2000-gebied is gelegen over de aanvraag.
Hoofdstuk II. Natuurbeleidsplan
Artikel 3
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
Onze Ministers: Onze Minister tezamen met Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu voorzover het aangelegenheden betreft die
tot zijn verantwoordelijkheid behoren.
Artikel 4
Onze Ministers stellen ten minste
eenmaal in de acht jaar een natuurbeleidsplan vast, dat met het oog
op een duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van de
natuurlijke en landschappelijke waarden voor de korte, middellange
en lange termijn richting geeft aan van rijkswege te nemen
beslissingen.
Artikel 5
1. Het natuurbeleidsplan bevat ten
minste de hoofdlijnen van het beleid terzake van:
a. de algemene natuur- en
landschapswaarden;
b. bescherming van de in het
plan aangeduide gebieden en gebiedscategorieën waar sprake is
van bijzondere natuur- en landschapswaarden;
c. de in het plan aangegeven
soorten dieren en planten waaraan bijzondere aandacht zal
worden gegeven;
d. voorlichting en onderzoek op
het terrein van natuur en landschap;
e. de internationale
ontwikkelingen van het natuurbeleid.
2. Het natuurbeleidsplan bevat een
aanduiding van:
a. de wijze waarop en de
maatregelen waarmede voor de eerstvolgende periode van acht
jaar uitvoering zal worden gegeven aan de hoofdlijnen van het
beleid;
b. de redelijkerwijze te
verwachten financiële en economische gevolgen van het te
voeren beleid.
Artikel 6
1. In het plan geven Onze Ministers
voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid inzake natuur en
landschap is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het
nationale milieubeleid en het nationale waterbeleid en in hoeverre
en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationaal
milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet milieubeheer,
en het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de
Waterwet, te herzien.
2. Met het geldende
natuurbeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de
vaststelling van rijksbeleid op andere terreinen van beleid dan
bedoeld in het eerste lid, voorzover daarbij het belang van
duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke
en landschappelijke waarden wordt geraakt.
Artikel 7
1. Onze Ministers betrekken bij de
voorbereiding van het natuurbeleidsplan de naar hun oordeel bij de
te behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen,
instellingen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval
gedeputeerde staten van de provincies.
2. Op de voorbereiding van het
nationale natuurbeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden
gebracht door een ieder.
Artikel 8
1. Het plan geldt voor een tijdvak
van acht jaar, nadat het is vastgesteld, behoudens ingeval in dat
tijdvak een nieuw plan is vastgesteld.
2. Na het verstrijken van de eerste
vier jaar van de geldingsduur kan naar aanleiding van een
beoordeling van de in die periode opgedane ervaringen het plan
door Onze Ministers worden aangepast met inachtneming van artikel
7.
3. Onze Ministers doen het plan
alsmede een eventueel besluit tot aanpassing van dat plan toekomen
aan de Staten-Generaal en aan gedeputeerde staten van de
provincies.
4. Onze Minister maakt de
vaststelling van het plan en van aanpassingen daarvan bekend in de
Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan
worden gekregen van de inhoud van het plan of de aanpassingen
daarvan.
Artikel 9
1. Er is een Structuurvisie Natuur
en Landschap.
2. De structuurvisie geeft inzicht
in de ruimtelijke aspecten van het rijksbeleid inzake natuur en
landschap.
3. De structuurvisie is een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet
ruimtelijke ordening.
Artikel 9a
1. Het Milieu- en Natuurplanbureau
brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een
wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand van natuur, bos
en landschap, alsmede de ten aanzien daarvan meest waarschijnlijke
en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen voor een door Onze
Minister aan te geven periode worden beschreven.
2. Het Milieu- en Natuurplanbureau
brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport
uit, waarin, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven
ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de
voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Indien zich
onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan
hebben voor de ontwikkeling van natuur, bos en landschap op
langere termijn, neemt het Milieu- en Natuurplanbureau, indien
Onze Minister daarom verzoekt, in een rapport tevens een
beschrijving op van die mogelijke ontwikkeling.
Artikel 9b
1. Onze Minister wijst, tezamen met
– voor zover het hem aangaat – Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, overheidsinstellingen aan, die door het
Milieu- en Natuurplanbureau in ieder geval worden betrokken bij
het opstellen van de in artikel 9a bedoelde rapporten.
2. Onze Minister kan, tezamen met
– voor zover het hem aangaat – Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, regels stellen ten aanzien van de wijze
waarop de krachtens het eerste lid aangewezen
overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden
betrokken.
3. Het Milieu- en Natuurplanbureau
en de op grond van het eerste lid aangewezen instellingen
verschaffen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens
waarover zij kunnen beschikken voorzover dat voor het opstellen
van de rapporten, bedoeld in artikel 9a, eerste en tweede lid,
redelijkerwijs noodzakelijk is.
Artikel 9c
1. Onze Minister kan aanwijzingen
geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als
grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 9a, eerste
lid, moeten worden aangenomen, alsmede omtrent onderwerpen die in
ieder geval in een rapport als bedoeld in dat artikellid, moeten
worden beschreven.
2. Behoudens artikel 9a, tweede
lid, en het eerste lid, geven Onze betrokken Ministers het Milieu-
en Natuurplanbureau en de krachtens artikel 9b, eerste lid,
aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de
inhoud van de rapporten.
Artikel 9d
1. Onze Minister doet een rapport
als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, toekomen aan de
Staten-Generaal.
2. Onze Minister doet een rapport
als bedoeld in artikel 9a, tweede lid, eveneens toekomen aan de
Staten-Generaal, en wel gelijktijdig met de begroting.
3. Het Milieu- en Natuurplanbureau
draagt er zorg voor dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden
gesteld.
Hoofdstuk III. Beschermde gebieden
Titel 1. De aanwijzing van gebieden
Artikel 10
1. Onze Minister kan, mede op
grondslag van de structuurvisie, bedoeld in artikel 9, bij besluit
een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument. Het
besluit gaat vergezeld van een kaart waarop het beschermd
natuurmonument is aangegeven en een toelichting.
2. Indien het beheer over een
natuurmonument of een gedeelte daarvan berust bij een van Onze
andere Ministers, dan neemt Onze Minister een besluit als bedoeld
in het eerste lid niet dan in overeenstemming met die andere
Minister.
3. Indien in andere gevallen dan
bedoeld in het tweede lid, een van Onze andere Ministers op grond
van enig wettelijk voorschrift bevoegd is besluiten te nemen met
betrekking tot het natuurmonument, vindt voorafgaand aan het nemen
van een besluit als bedoeld in het eerste lid overleg plaats met
die andere Minister.
Artikel 10a
1. Onze Minister wijst gebieden aan
ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG.
2. Een besluit als bedoeld in het
eerste lid bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied.
Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:
a. de doelstellingen ten
aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover
vereist ingevolgerichtlijn 79/409/EEG of
b. de doelstellingen ten
aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of
populaties in het wild levende dier- en plantensoorten
voorzover vereist ingevolge richtlijn 92/43/EEG.
3. De instandhoudingsdoelstelling,
bedoeld in het tweede lid, kan mede betrekking hebben op
doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke
betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de
richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.
4. Een besluit als bedoeld in het
eerste lid gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van
het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een
toelichting.
5. Artikel 10, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. Op de voorbereiding van een
besluit als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 10a, eerste
lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
2. Zienswijzen met betrekking tot
de voorbereiding van een besluit als bedoeld inartikel 10, eerste
lid, worden naar voren gebracht bij gedeputeerde staten.
3. Binnen vier maanden na afloop
van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde termijn zenden gedeputeerde staten de naar
voren gebrachte zienswijzen, vergezeld van hun beschouwingen, aan
Onze Minister. Op verzoek van gedeputeerde staten kan Onze
Minister de in de eerste volzin bedoelde termijn met acht weken
verlengen.
Artikel 12
1. In geval van dringende noodzaak
kan Onze Minister bij besluit een natuurmonument ten aanzien
waarvan overeenkomstig artikel 11 een besluit tot aanwijzing als
beschermd natuurmonument wordt voorbereid reeds voorlopig als
zodanig aanwijzen voordat de procedure, bedoeld in de artikelen 11
en 13 is voltooid.
2. Een besluit tot voorlopige
aanwijzing vervalt zodra met inachtneming van de artikelen 11 en
13 een definitief besluit over aanwijzing als beschermd
natuurmonument is genomen, doch in ieder geval een jaar nadat het
ontwerp-besluit overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd.
3. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op gebieden als bedoeld in artikel
10a, eerste lid, met dien verstande dat in het tweede lid de
zinsnede beginnend met «doch in ieder geval» en eindigend met
«ter inzage is gelegd»niet van toepassing is.
Artikel 13
Binnen een jaar nadat het
ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument
overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd, beslist Onze
Minister over de aanwijzing als beschermd natuurmonument, doch niet
alvorens hij, voor zover van toepassing, de zienswijzen en
beschouwingen, bedoeld inartikel 11, derde lid, heeft ontvangen dan
wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.
Artikel 14
1. Van een besluit tot voorlopige
aanwijzing als bedoeld in artikel 12 wordt mededeling gedaan aan
de eigenaren en hypothecaire schuldeisers.
2. Onze Minister maakt een besluit
tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12, bekend in de
Staatscourant.
3. Indien Onze Minister niet tot
aanwijzing als beschermd natuurmonument of als gebied als bedoeld
in artikel 10a, eerste lid, overgaat, maakt hij dit bekend en doet
daarvan mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid en de
artikelen 3:42 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 15
1. Onze Minister kan bij besluit
een aanwijzing als bedoeld inartikel 10 of 10a geheel of
gedeeltelijk intrekken of wijzigen. Het besluit gaat vergezeld van
een toelichting alsmede in geval van gedeeltelijke intrekking of
wijziging van een kaart waarop het gedeelte van het
natuurmonument, waarop de intrekking of de wijziging betrekking
heeft, is aangegeven.
2. Onze Minister kan bij besluit de
instandhoudingsdoelstellingen onderscheidenlijk de doelstellingen
ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het
natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis, bedoeld in
artikel 15a, derde lid, wijzigen.
3. Artikel 10, tweede en derde lid,
en de artikelen 11 tot en met 14 zijn van toepassing.
Artikel 15a
1. Een Natura 2000-gebied kan niet
worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in
artikel 10, eerste lid.
2. Een besluit houdende de
aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, vervalt met ingang van het
tijdstip waarop doch slechts voorzover dat beschermd
natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld
in artikel 10a, eerste lid.
3. Indien met toepassing van het
tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een
natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk
is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op
grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, voor het
gedeelte van het gebied waarop de aanwijzing als beschermd
natuurmonument betrekking had, mede betrekking op de
doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de
ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke
betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit.
Titel 2. Rechtsgevolgen
§ 1. Rechtsgevolgen beschermde
natuurmonumenten
Artikel 16
1. Het is verboden zonder
vergunning van gedeputeerde staten of, ten aanzien van handelingen
als bedoeld in het zesde lid, van Onze Minister, in een beschermd
natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te
gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de
natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument
of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die
het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de
bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen
handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.
2. Als schadelijke handelingen
worden in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit
tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke
kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.
3. [Vervallen.]
4. Het in het eerste lid bedoelde
verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat
lid die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht
en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd
natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot
voorlopige aanwijzing als bedoeld inartikel 12. Bij de vermelding
van handelingen kunnen beperkingen worden gesteld en
uitzonderingen worden opgenomen met betrekking tot het tijdvak
waarin, de omstandigheden waaronder, de doeleinden waarvoor en met
betrekking tot de personen door wie zij worden verricht.
5. Dit artikel is niet van
toepassing op handelingen die worden verricht overeenkomstig een
beheerplan als bedoeld in artikel 17.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen terzake van bij die maatregel genoemde beschermde
natuurmonumenten handelingen worden aangewezen waarvoor een
vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze
Minister.
7. Een krachtens het zesde lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
8. Dit artikel is niet van
toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een
omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IXis
verleend.
Artikel 17
1. Gedeputeerde staten kunnen in
overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker voor een beschermd
natuurmonument of een gedeelte daarvan een beheerplan vaststellen,
dat het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het
natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het
natuurmonument ten doel heeft.
2. Voorzover de kosten en lasten
die voor de eigenaar en de gebruiker aan de uitvoering van het
beheerplan zijn verbonden redelijkerwijze niet of niet geheel te
hunnen laste behoren te komen, wordt in het beheerplan een door
gedeputeerde staten te betalen subsidie vastgesteld.
3. Gedeputeerde staten brengen het
plan ter kennis van Onze Minister en van burgemeester en
wethouders van de gemeenten waarin het beschermd natuurmonument of
het gedeelte daarvan waarop het beheerplan betrekking heeft, is
gelegen.
4. De eigenaar en de gebruiker zijn
verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan,
ieder voorzover dat uit de aard van zijn recht voortvloeit.
Artikel 17a [Vervallen per
20-09-2000]
Artikel 17b [Vervallen per
20-09-2000]
Artikel 17c [Vervallen per
20-09-2000]
Artikel 17d [Vervallen per
20-09-2000]
Artikel 18
1. Het beheerplan, bedoeld in
artikel 17, wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes
jaren.
2. Het beheerplan wordt van
rechtswege verlengd met een tijdvak gelijk aan het laatst
verstreken tijdvak waarvoor het beheerplan werd vastgesteld.
3. Verlenging vindt niet van
rechtswege plaats wanneer gedeputeerde staten, de eigenaar of de
gebruiker uiterlijk vier weken voor het einde van het geldend
beheerplan schriftelijk te kennen heeft gegeven dat verlenging
niet wordt verlangd.
4. Gedeputeerde staten kunnen de
kennisgeving slechts doen indien:
a. de eigenaar of de gebruiker
de uit het beheerplan voortvloeiende verplichtingen in het
afgelopen tijdvak niet of niet op de juiste wijze is
nagekomen;
b. ongewijzigde verlenging van
het beheerplan zou leiden tot een beheer dat naar hun oordeel
het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het
natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van
het natuurmonument onvoldoende waarborgt;
c. een andere zwaarwichtige
reden bestaat om niet tot verlenging van het beheerplan over
te gaan.
Artikel 19
1. Gedeputeerde staten kunnen een
vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de
gebruiker wijzigen.
2. Artikel 17, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. Rechtsgevolgen gebieden ter
uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen
Artikel 19a
1. Gedeputeerde staten stellen, na
overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden,
voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied
of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen
gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de
instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, wordt
beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te
worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven
welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten,
in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven
voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de
instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op
de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen. Het beheerplan
kan zulks ook doen ten aanzien van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorieën projecten en andere
handelingen van nationaal belang in het gebied en daarbuiten.
2. Een beheerplan als bedoeld in
het eerste lid wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste
zes jaren. Een beheerplan kan telkenmale voor een gelijk tijdvak
worden verlengd.
3. Tot de inhoud van een beheerplan
behoren ten minste:
a. een beschrijving van de
beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van
natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en
plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het
aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik
in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de
instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;
b. een overzicht op hoofdlijnen
van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke
maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten.
4. Bij de noodzakelijke
maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt rekening
gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied,
alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.
5. Op de voorbereiding van een
beheerplan als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
6. Beheerplannen worden niet
vastgesteld dan na overleg met de besturen van gemeenten en
waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen
betrekking hebben.
7. Een beheerplan als bedoeld in
het eerste lid wordt uiterlijk drie jaar na dagtekening van het in
artikel 10a, eerste lid, genoemde besluit voor het eerst
vastgesteld.
8. Indien een gebied voorlopig is
aangewezen op grond van artikel 12, derde lid, wordt in afwijking
van het zevende lid, een beheerplan als bedoeld in het eerste lid
uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot voorlopige
aanwijzing voor het eerst vastgesteld.
9. Gedeputeerde staten kunnen in
het beheerplan beschrijvingen als bedoeld in het eerste lid
opnemen die betrekking hebben op de doelstellingen, bedoeld in
artikel 10a, derde lid.
10. Voor zover er in een beheerplan
projecten worden opgenomen die niet direct verband houden met of
nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die
afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten
significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende
gebied, wordt het beheerplan eerst vastgesteld nadat gedeputeerde
staten een passende beoordeling hebben gemaakt van de gevolgen
voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de
instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de
voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.
Artikel 19b
1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 19awordt een beheerplan als bedoeld in dat artikel, voor
een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een
gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12,
derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder
verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze
andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het
betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze
andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor
zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en
andere belanghebbenden.
2. Een beheerplan als bedoeld in
het eerste lid kan in voorkomende gevallen deel uit maken van een
plan gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in het
eerste lid, dat al dan niet op grond van enig ander wettelijk
voorschrift is vastgesteld.
3. Beheerplannen worden niet
vastgesteld dan na overleg met de besturen van provincies,
gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die
beheerplannen betrekking hebben.
4. Artikel 19a, eerste lid, tweede
en derde volzin, tweede, derde, vierde, vijfde, zevende, negende
en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19c
1. Het bevoegd gezag draagt ervoor
zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat
bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de
habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat
er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op
de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen
hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
2. Ter uitvoering van het eerste
lid kan het bevoegd gezag degene die bestaand gebruik uitoefent
waardoor de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats
van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of
waardoor er storende factoren optreden die gelet op de
instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben
op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen:
a. verplichten binnen een door
het bevoegd gezag te stellen termijn informatie te verstrekken
over het gebruik;
b. verplichten binnen een door
het bevoegd gezag te stellen termijn en met inachtneming van
door het bevoegd gezag te geven instructies de nodige
preventieve of herstelmaatregelen te treffen; of
c. verplichten dat gebruik
binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn te staken
of te beperken.
3. Het bevoegd gezag stelt
belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen
over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als
bedoeld in het tweede lid, tenzij de verslechtering of verstoring
het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.
4. Het is verboden te handelen in
strijd met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.
5. Onder«bevoegd gezag» als
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt verstaan:
a. Onze Minister, indien:
1°. voor het
desbetreffende Natura 2000-gebied geen onherroepelijk
geworden beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b
is vastgesteld, of
2°. het gebruik een
krachtens artikel 19d, vijfde lid, aangewezen project of
andere handeling is, of het gebruik plaatsvindt in of
gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die
krachtens dat lid zijn aangewezen;
b. gedeputeerde staten, in
andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a.
6. Het eerste tot en met het vijfde
lid zijn niet van toepassing op bestaand gebruik dat
overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of
19b wordt uitgeoefend.
Artikel 19d
1. Het is verboden zonder
vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden
voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten
aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het
vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te
realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de
instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit
van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een
Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant
verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied
is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in
ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken
van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.
2. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten
of het verrichten van andere handelingen, waaronder bestaand
gebruik, alsmede de wijzigingen daarvan, overeenkomstig een
beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b.
3. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik, behoudens
indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt
met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar
dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen
significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura
2000-gebied.
4. Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten
of het verrichten van andere handelingen die zijn toegestaan
krachtens een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk
IX is verleend.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van
gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in
het eerste lid wordt verleend door Onze Minister.
6. De voordracht voor een krachtens
het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 19da
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 19d,
eerste lid, niet van toepassing is op bepaalde categorieën van
projecten of andere handelingen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot
projecten en andere handelingen behorende tot een categorie als
bedoeld in het eerste lid beperkingen of verplichtingen kan
opleggen.
3. Een krachtens het eerste of
tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet
eerder in werking dan zes weken na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 19e
Gedeputeerde staten houden bij het
verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid,
rekening
a. met de gevolgen die een
project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag
betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met
uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a,
derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
b. met een op grond van artikel
19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en
c. vereisten op economisch,
sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale
bijzonderheden.
Artikel 19f
1. Voor projecten waarover
gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een
vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die
niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van
een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met
andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben
voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens
gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling
van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden
met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.
2. De passende beoordeling terzake
van een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in
artikel 19d, eerste lid, kan onderdeel uitmaken van een voor dat
project voorgeschreven milieueffectrapportage.
3. De verplichting tot het maken
van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit
als bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin
degene die een project waarop dat besluit betrekking heeft,
onderneemt, daarmee een project ten aanzien waarvan reeds eerder
een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet,
voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe
gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante
gevolgen van dat project.
Artikel 19g
1. Indien een passende beoordeling
is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een
vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden
verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende
beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken
van het gebied niet zullen worden aangetast.
2. In afwijking van het eerste lid
kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een
project gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden
waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort
voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid,
voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts
verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met
inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
3. Ten aanzien van Natura
2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een
prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten bij
ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of
andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning
als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van
het desbetreffende project, slechts verlenen:
a. op argumenten die verband
houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of
voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of
b. na advies van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van
groot openbaar belang.
4. Een advies als bedoeld in het
derde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd.
Artikel 19h
1. Indien een vergunning als
bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot
openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten,
waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de
natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten,
verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval
het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende
maatregelen te treffen.
2. De initiatiefnemer wordt door
gedeputeerde staten tijdig tevoren in de gelegenheid gesteld om
voorstellen voor compenserende maatregelen te doen.
3. In de voorstellen voor
compenserende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, wordt in
ieder geval opgenomen op welke wijze en in welk tijdsbestek de
compenserende maatregelen zullen worden getroffen.
4. Voor zover compenserende
maatregelen worden voorgeschreven met het oog op de
doelstellingen, bedoeld inartikel 10a, tweede lid, onderdeel a of
onderdeel b, dient het met deze maatregelen beoogde resultaat te
zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen als
bedoeld inartikel 19f, eerste lid, zich voordoen, tenzij kan
worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is
om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te
stellen.
5. Bij ministeriële regeling kan
Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Ministers, wie
het mede aangaat nadere eisen stellen ten aanzien van
compenserende maatregelen.
Artikel 19i
In de gevallen waarin Onze Minister
bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als
bedoeld in artikel 19d, eerste lid, zijn deartikelen 19e, 19f, 19g
en 19h van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19ia
1. Ingeval de
instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede
betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a,
derde lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van
overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen
zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke
betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge
de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren
en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien
verstande dat:
a. in het vierde lid in plaats
van «het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument,
bedoeld in artikel 10» wordt gelezen: het besluit tot
aanwijzing, bedoeld in artikel 10a;
b. in het vijfde lid in plaats
van «een beheerplan als bedoeld in artikel 17»wordt gelezen:
de beschrijvingen in het desbetreffende beheerplan, bedoeld in
artikel 19a, negende lid;
c. de krachtens het zesde lid
aangewezen handelingen de krachtens artikel 19d, vierde lid,
aangewezen handelingen zijn.
2. Ingeval het eerste lid van
toepassing is, geldt een aanvraag van een vergunning als bedoeld
in artikel 19d, eerste lid, tevens als een aanvraag van een
vergunning als bedoeld in het artikel 16, eerste lid, in samenhang
met het eerste lid.
3. Ingeval een handeling als
bedoeld in het eerste lid bestaand gebruik is waaropartikel 19d,
derde lid, van toepassing is, is in plaats van het verbod, bedoeld
in artikel 16, eerste lid, artikel 19c van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de maatregelen, bedoeld in
artikel 19c, eerste en tweede lid, tot doel hebben te voorkomen
dat bestaand gebruik mogelijk nadelige gevolgen heeft voor het
Natura 2000-gebied, gelet op de doelstellingen, bedoeld in artikel
10a, derde lid.
Artikel 19j
1. Een bestuursorgaan houdt bij het
nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet
op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura
2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de
habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een
significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor
het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in
het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld,
rekening
a. met de gevolgen die het plan
kan hebben voor het gebied, en
b. met het op grond van artikel
19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan
voor zover dat betrekking heeft op de
instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de
doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
2. Voor plannen als bedoeld in het
eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor
het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in
combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen
kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het
bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende
beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt
gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van
de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat
gebied.
3. In de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen
genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de
artikelen 19g en 19h.
4. De passende beoordeling van deze
plannen maakt deel uit van de ter zake van die plannen
voorgeschreven milieueffectrapportage.
5. De verplichting tot het maken
van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan als
bedoeld in het tweede lid geldt niet in gevallen waarin het plan
een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten
aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt,
voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe
gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante
gevolgen van dat plan.
6. Het eerste tot en met derde lid
en het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
projectbesluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel
f, van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 19k
1. Gedeputeerde staten stellen Onze
Minister in kennis van projecten als bedoeld inartikel 19f, eerste
lid, en zenden een afschrift van vergunningen als bedoeld in
artikel 19d, eerste lid, die met toepassing van artikel 19gzijn
genomen naar Onze Minister en brengen Onze Minister op de hoogte
van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h.
2. Een bestuursorgaan dat een plan
vaststelt als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met
toepassing van artikel 19g is genomen zendt een afschrift van het
besluit tot vaststelling van het plan naar Onze Minister en brengt
Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende
maatregelen, bedoeld in artikel 19h.
3. Onze Minister stelt de Commissie
van de Europese Gemeenschappen op de hoogte van de genomen
compenserende maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 19ka
1. Indien voor het realiseren of
verrichten van een project of andere handeling naast de vergunning
, bedoeld inartikel 19d, eerste lid, andere besluiten vereist
zijn, bevordert het bestuursorgaan waarbij de initiatiefnemer met
betrekking tot dat project of die handeling een aanvraag heeft
ingediend dat hij in kennis wordt gesteld van die andere
besluiten, waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen
dat deze nodig zijn.
2. De initiatiefnemer kan bij één
van de betrokken bestuursorganen schriftelijk om coördinatie van
besluitvorming verzoeken.
3. Tot coördinatie van
besluitvorming kan ook ambtshalve door de betrokken
bestuursorganen in onderling overleg worden besloten. De
initiatiefnemer wordt hiervan in kennis gesteld.
4. Indien een verzoek als bedoeld
in het tweede lid is ingediend of indien ambtshalve tot
coördinatie is besloten, wijzen de betrokken bestuursorganen uit
hun midden een coördinerend bestuursorgaan aan. Indien, nadat er
een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, geen
coördinerend bestuursorgaan is aangewezen, wordt als zodanig
aangemerkt het bestuursorgaan dat als het hogere gezag kan worden
aangemerkt.
5. Het coördinerend bestuursorgaan
bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming. De
andere betrokken bestuursorganen verlenen alle medewerking die
voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende
besluitvorming nodig is.
Artikel 19kb
1. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt
vastgesteld of projecten, andere handelingen of plannen een
verslechterend of significant verstorend effect kunnen hebben als
bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of artikel 19j, eerste lid,
alsmede over de wijze waarop wordt bepaald of projecten of plannen
significante gevolgen kunnen hebben als bedoeld in artikel 19f,
eerste lid, of artikel 19j, tweede lid.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen,
onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee effecten of gevolgen
als bedoeld in het eerste lid kunnen worden bepaald.
Artikel 19kc
1. Bij ministeriële regeling kan
aan degenen die bepaalde handelingen met, gelet op de
instandhoudingsdoelstelling, mogelijk nadelige gevolgen voor een
bij die regeling aangewezen Natura 2000-gebied of onderdeel
daarvan, verrichten, laten verrichten, of daartoe het voornemen
hebben, een verplichting worden opgelegd tot het melden van die
handeling.
2. In de ministeriële regeling,
bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld aan welk bestuursorgaan
de melding wordt gericht, en kunnen verder regels worden gesteld
over onder meer:
a. de termijn waarbinnen de
melding wordt gedaan;
b. de gegevens die bij de
melding worden verstrekt;
c. de wijze waarop de gegevens
worden verstrekt.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op handelingen waarop artikel 19d, eerste of tweede
lid, van toepassing is, en op handelingen met betrekking tot
wegen, vaarwegen, spoorwegen, waterkeringen, havens, luchthavens
en luchtvaart, inclusief het gebruik daarvan.
4. Het is verboden in strijd te
handelen met een verplichting als het bedoeld in het eerste lid.
§ 2a. Nadere regels met betrekking
tot stikstofdepositie
§ 2a.1. Regels met betrekking tot de
vergunningplicht en de aanschrijvingsbevoegdheid
Artikel 19kd
1. Bij besluiten over het toepassen
van artikel 19c en het verlenen van een vergunning als bedoeld in
artikel 19d, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag niet de
gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van
stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een
Natura 2000-gebied in de volgende gevallen:
a. de handeling is gebruik dat
op de referentiedatum werd verricht en is sedertdien niet of
niet in betekenende mate gewijzigd, en heeft sedertdien per
saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof
gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaakt;
b. de handeling is een
activiteit die na de referentiedatum is begonnen, of een
gebruik dat na de referentiedatum in betekenende mate is
gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die
activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de
voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als
gevolg van die activiteit of dat gebruik per saldo niet is
toegenomen of zal toenemen.
2. Met betrekking tot de bepaling
van de door handelingen en maatregelen als bedoeld in het eerste
lid veroorzaakte of te veroorzaken stikstofdepositie kunnen bij
ministeriële regeling regels worden gesteld. Daarbij kan onder
meer worden geregeld dat hiervoor bij of krachtens andere wetten
bijgehouden of aan een bevoegd gezag overgelegde gegevens kunnen
worden gebruikt.
3. Onder«referentiedatum» als
bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. 7 december 2004, of
b. de datum waarop het
desbetreffende gebied is aangewezen ter uitvoering van
richtlijn 79/409/EEG dan wel, ingeval dit eerder is, de datum
waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie
tot een gebied van communautair belang is verklaard ter
uitvoering van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG,
voor zover die aanwijzing, onderscheidenlijk verklaring
plaatsvindt na 7 december 2004.
4. Onder«voor stikstof gevoelige
habitats in een Natura 2000-gebied»wordt voor de toepassing van
dit artikel en de artikelen 19ke en 19kf verstaan: voor stikstof
gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een
Natura 2000-gebied ten aanzien waarvan op grond van artikel 6,
eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG een verplichting geldt tot het
treffen van instandhoudingsmaatregelen.
Artikel 19ke
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat passende maatregelen worden genomen om verslechtering van
de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura
2000-gebied te voorkomen, en om de in het beheerplan voor het
desbetreffende Natura 2000-gebied ten aanzien van die habitats
beschreven resultaten, bedoeld in artikel 19a, derde lid,
onderdeel a, te verwezenlijken.
2. Ter uitvoering van het eerste
lid kan het bevoegd gezag aan degene wiens handelen
stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstofgevoelige habitats
in een Natura 2000-gebied de verplichting opleggen om binnen een
door het bevoegd gezag te stellen termijn:
a. de nodige preventieve of
herstelmaatregelen te treffen, met inachtneming van door het
bevoegd gezag gegeven instructies;
b. de handeling te staken of te
beperken, of
c. informatie over de handeling
te verstrekken.
3. Een verplichting als bedoeld in
het tweede lid kan worden voorgeschreven voor:
– afzonderlijke gevallen bij
beschikking, dan wel
– categorieën van gevallen
bij algemeen verbindend voorschrift, voor zover de
verplichting betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in
artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of het
drijven daarvan, en zij geen betrekking heeft op handelingen
waarvoor Onze Minister het bevoegd gezag is.
4. Het bevoegd gezag stelt
belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen
over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als
bedoeld in het derde lid, tenzij de verslechtering het opleggen
van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.
5. Het is verboden in strijd te
handelen met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.
6. Onder«bevoegd gezag» als
bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, wordt
verstaan:
a. Onze Minister, indien de
handeling een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen
project of andere handeling is, of de handeling plaatsvindt in
of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens
dat lid zijn aangewezen;
b. in andere gevallen dan die,
bedoeld in onderdeel a:
– gedeputeerde staten,
ingeval de verplichting voor één of meer afzonderlijke
gevallen wordt voorgeschreven;
– provinciale staten,
ingeval de verplichting voor categorieën van gevallen
wordt voorgeschreven. De artikelen 2, vijfde lid, en 2a,
tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor«gedeputeerde staten» wordt gelezen:
provinciale staten.
Artikel 19kf
1. Gedeputeerde staten kunnen ter
vermindering van de stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied in
elk geval, indien artikel 19kd niet van toepassing is, aan het
verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste
lid, de voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor
stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied die wordt
veroorzaakt door de handeling waarop de aanvraag van de vergunning
betrekking heeft, niet groter is dan de door gedeputeerde staten
geregistreerde en voor die handeling beschikbaar gestelde afname
van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de
beëindiging van een of meer bepaalde andere handelingen.
2. Gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van
artikel 19ke, tweede lid, in elk geval de verplichting opleggen
dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in
een Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het
desbetreffende handelen, geheel dan wel voor een bepaald deel,
niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en
voor dit handelen beschikbaar gestelde afname van
stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging
van een of meer bepaalde andere handelingen.
§ 2a.2. Programmatische aanpak
vermindering stikstofdepositie
Artikel 19kg
1. Onze Minister en Onze Minister
van Infrastructuur en Milieu stellen een programma vast ter
vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland
aanwezige bronnen, in de in het programma opgenomen Natura
2000-gebieden, met het oog op de realisatie van de
instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in artikel 10a, tweede lid.
2. Ingeval het beheerplan voor een
Natura 2000-gebied als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
door gedeputeerde staten, vindt de opname van dat gebied in het
programma, bedoeld in het eerste lid niet plaats dan op voordracht
van desbetreffende gedeputeerde staten. Het programma, bedoeld in
het eerste lid, wordt vastgesteld in overeenstemming met
desbetreffende gedeputeerde staten.
3. Indien een Natura 2000-gebied
wordt opgenomen in het programma, bedoeld in het eerste lid, zal
in het beheerplan een doelstelling ten aanzien van
stikstofdepositie worden opgenomen die strekt tot een ambitieuze
en re-alistische daling, in een gelijkmatige reductie per
beheerplanperiode, van de stikstofdepositie in het Natura
2000-gebied met het oog op de realisatie binnen afzienbare termijn
van de instandhoudingsdoelstelling in dat gebied. Hierbij kan
onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en
andere stikstofverbindingen.
4. Het programma wordt ten minste
eenmaal in de zes jaar en voor de eerste keer uiterlijk twee jaar
na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet vastgesteld. Na
het verstrijken van de eerste drie jaar van de geldingsduur kan
naar aanleiding van een beoordeling van de in die periode opgedane
ervaringen het plan door Onze Minister en Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met de provincies,
worden aangepast.
Artikel 19kh
1. In een programma als bedoeld in
artikel 19kg is voor de betrokken Natura 2000-gebieden in elk
geval beschreven of genoemd:
a. de omvang van de
stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het
programma, onderscheiden naar:
1°. depositie, veroorzaakt
door factoren in de gebieden;
2°. depositie, veroorzaakt
door factoren buiten de gebieden;
b. de verwachte autonome
ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de
factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de
omvang van stikstofdepositie in de gebieden;
c. de getroffen of te treffen
maatregelen die bijdragen aan een vermindering van de
stikstofdepositie, en de verwachte effecten van die
maatregelen op de omvang van de depositie in de gebieden;
d. de sociaal-economische
evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van
maatregelen als bedoeld in onderdeel c;
e. de doelstellingen ten
aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet
met tussendoelstellingen, of de indicatoren waaruit kan worden
afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke
noodzakelijk zijn met het oog op het bereiken van een goede
staat van instandhouding;
f. de wijze waarop en
frequentie waarmee de rapportage plaatsvindt over de voortgang
en uitvoering van de getroffen of te treffen in het programma
beschreven en genoemde maatregelen en de effecten daarvan op
de depositie.
2. In het programma kan onderscheid
worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en andere
stikstofverbindingen.
3. Tot de maatregelen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, behoren in elk geval:
a. maatregelen van
bestuursorganen van het Rijk;
b. maatregelen voorzien in
bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het
Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen;
c. gebiedsgerichte of
effectgerichte maatregelen van bestuurorganen van het Rijk,
provincies, gemeenten, of waterschappen.
4. In het programma worden de
uitgangspunten opgenomen voor de bepaling van ontwikkelingsruimte
die als gevolg van de maatregelen, eerste lid, onderdeel c,
ontstaat en de toedeling van die ruimte aan handelingen in en
buiten de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden.
5. In het programma kunnen
projecten worden beschreven of genoemd waarvan op grond van een
passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat, mede in het
licht van de ontwikkelingsruimte die ontstaat als gevolg van de
maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zekerheid is
verkregen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden
niet zullen worden aangetast. Het verbod, bedoeld in artikel 19d,
eerste lid, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in de
eerste volzin.
Artikel 19ki
Onze Minister en Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met de provincies,
wijzigen of vervangen op verzoek van een bestuursorgaan dat het
aangaat, in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in
artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c, indien het desbetreffende
bestuursorgaan ten genoegen van Onze voornoemde Ministers en de
provincies heeft aangetoond dat die wijziging of de vervangende
maatregel per saldo een vergelijkbaar of positiever effect zal
hebben op de vermindering van de stikstofdepositie.
Artikel 19kj
1. De daartoe bevoegde
bestuursorganen dragen zorg voor een tijdige uitvoering van de in
het programma beschreven of genoemde maatregelen, bedoeld in
artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c.
2. Ingeval Onze Minister en Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met de
provincies van oordeel zijn dat een in het programma benoemde of
beschreven maatregel niet meer nodig is, nemen zij het besluit dat
het eerste lid niet meer van toepassing is op de desbetreffende
maatregel.
Artikel 19kk
Bij ministeriële regeling van Onze
Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen nadere
regels worden gesteld over de inpassing van onderdelen van het
programma, bedoeld in artikel 19kg, die betrekking hebben op, of van
belang zijn voor een in het programma, bedoeld in artikel 19kg,
eerste lid, opgenomen Natura 2000-gebied, in het desbetreffende
beheerplan.
Artikel 19kl
1. Onze Minister en Onze Minister
van Infrastructuur en Milieu stellen uiterlijk vier maanden na
inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet een voorlopig
programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie.
2. In het voorlopige programma,
bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval beschreven of
genoemd de maatregelen en effecten, bedoeld inartikel 19kh, eerste
lid, onderdeel c, in samenhang met het tweede lid, onderdeel a.
3. Het voorlopige programma vervalt
op het moment dat een eerste programma als bedoeld in artikel
19kg, eerste lid, wordt vastgesteld.
4. Deartikelen 19kh, eerste lid,
onderdeel f, 19ki en 19kj zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19km
1. Het bevoegd gezag dat het
beheerplan vaststelt deelt de overeenkomstigartikel 19kh, vierde
lid, uitgezonderd de ruimte die is toegedeeld aan projecten als
bedoeld in artikel 19kh, vijfde lid vastgestelde ruimte,
uitsluitend toe aan handelingen in het gebied en daarbuiten die in
het beheerplan zijn of worden opgenomen.
2. Een hoeveelheid van ten minste
10% van de ontwikkelingsruimte mag uitsluitend worden toebedeeld
aan handelingen die eerst aanvangen in de tweede helft van het
tijdvak waarvoor het beheerplan is vastgesteld.
3. De toedeling, bedoeld in het
tweede lid, vindt plaats nadat door het bevoegd gezag is
vastgesteld dat de reductiedoelstellingen worden gehaald.
4. Het bevoegd gezag dat het
beheerplan vaststelt, draagt er zorg voor dat de handelingen
waaraan ontwikkelingsruimte is toegedeeld, en de eventueel daarbij
aangegeven voorwaarden en beperkingen, worden opgenomen in het
beheerplan.
§ 3. Overige rechtsgevolgen
Artikel 19l
1. Een ieder neemt voldoende zorg
in acht voor de instandhouding van een gebied aangewezen op grond
van artikel 10 of een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel
12.
2. De zorg, bedoeld in het eerste
lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten,
gelet op de instandhoudingsdoelstelling, voor zover het een Natura
2000-gebied betreft dan wel gelet op de wezenlijke kenmerken van
een gebied, aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid,
nadelige gevolgen voor het gebied, bedoeld in het eerste lid,
kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen
achterwege te laten, dan wel, indien dat achterwege laten
redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen
die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die
gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen
worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te
maken.
Artikel 20
1. Gedeputeerde staten kunnen de
toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel
10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of delen van bedoelde
gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van
natuurwaarden, beperken.
2. Indien een gebied als bedoeld in
het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere
Ministers, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid
uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze andere
Minister.
3. Het is verboden in strijd met de
beperkingen die ingevolge het eerste en tweede lid zijn opgelegd,
zich te bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of gedeelten
daarvan.
4. Het verbod in het derde lid
geldt niet voor de eigenaar en de gebruiker van een beschermd
natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid of een Natura
2000-gebied, indien bedoeld gebruiksrecht zich daarover uitstrekt.
Artikel 21
1. Indien ten gevolge van het
achterwege blijven van maatregelen het natuurschoon of de
natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument
in ernstige mate vermindert of dreigt te verminderen, kunnen
vanwege gedeputeerde staten in het beschermd natuurmonument
maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn om het
natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis te herstellen
of te behouden.
2. De eigenaar en de gebruiker zijn
verplicht het treffen van de maatregelen te gedogen.
3. Gedeputeerde staten gaan niet
over tot het treffen van de maatregelen dan nadat zij de eigenaar
en gebruiker het voornemen daartoe schriftelijk hebben medegedeeld
en, behoudens onverwijlde noodzaak, na de mededeling ten minste
vier weken zijn verstreken.
4. Het eerste, tweede en derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied met
dien verstande dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen,
indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de
natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen
gebied verslechtert of indien er verstorende factoren optreden die
een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is
aangewezen, dan wel indien het beheerplan, bedoeld in artikel19a,
voorziet in het treffen van de maatregelen met het oog op de
realisatie van de instandhoudingsdoelstelling voor het
desbetreffende gebied. In het geval het gebied wordt beheerd door
of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze
andere Ministers, worden zodanige maatregelen getroffen door Onze
Minister onderscheidenlijk Onze andere Minister in overeenstemming
met Onze Minister.
Artikel 22
1. Na overleg met de eigenaren en
de gebruikers kunnen in een beschermd natuurmonument vanwege
gedeputeerde staten de nodige kentekenen worden aangebracht om de
aanwijzing als beschermd natuurmonument alsmede de rechtsgevolgen
van de aanwijzing kenbaar te maken.
2. De eigenaar en gebruiker zijn
verplicht het aanbrengen van de kentekenen te gedogen.
3. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied.
Hoofdstuk IV. Beschermde
landschapsgezichten
Artikel 23
1. Gedeputeerde staten kunnen een
landschapsgezicht bij besluit aanwijzen als beschermd
landschapsgezicht.
2. Indien het betreffende gebied
reeds is aangewezen als beschermd natuurmonument, houden
gedeputeerde staten bij hun besluit rekening met die aanwijzing.
3. Gedeputeerde staten kunnen bij
besluit een aanwijzing als beschermd landschapsgezicht geheel of
gedeeltelijk wijzigen of intrekken.
4. Op een besluit als bedoeld in
het derde lid zijn het tweede lid en de artikelen 24 tot en met 26
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. Het besluit, bedoeld in artikel
23, bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de
kenmerken van het landschapsgezicht voorzover deze kenmerken
uiterlijk waarneembaar zijn;
b. een aanduiding van
handelingen die de kenmerken, bedoeld in onderdeel a, kunnen
aantasten.
2. Het besluit gaat vergezeld van
een kaart waarop de begrenzing van het gebied dat als beschermd
landschapsgezicht is aangewezen, is aangegeven.
Artikel 25
1. Alvorens tot een aanwijzing als
beschermd landschapsgezicht over te gaan, zenden gedeputeerde
staten het ontwerp-besluit aan de gemeenteraad van de gemeenten
waarin het landschapsgezicht is gelegen alsmede aan de provinciale
planologische commissie. De gemeenteraad brengt binnen zes maanden
en de provinciale planologische commissie brengt binnen negen
maanden na ontvangst van het ontwerp-besluit advies uit.
2. Binnen een jaar na toezending
van het ontwerp-besluit, bedoeld in het eerste lid, beslissen
gedeputeerde staten over aanwijzing van het landschapsgezicht als
beschermd landschapsgezicht, doch niet alvorens zij de adviezen
bedoeld in het eerste lid, hebben ontvangen dan wel de krachtens
dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.
3. Gedeputeerde staten maken een
besluit over aanwijzing van een landschapsgezicht als beschermd
landschapsgezicht bekend in de Staatscourant en in één of meer
in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
4. Gedeputeerde staten zenden
afschrift van een besluit over aanwijzing van een
landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht aan Onze
Minister en de gemeenteraad van de gemeenten waarin het beschermd
landschapsgezicht is gelegen.
Artikel 26
1. De gemeenteraad van de gemeenten
waarin het beschermd landschapsgezicht is gelegen, stelt ter
bescherming van een beschermd landschapsgezicht een
bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.
Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd landschapsgezicht
kan hiertoe door gedeputeerde staten een termijn worden gesteld.
2. Bij het besluit tot aanwijzing
van een beschermd landschapsgezicht wordt bepaald of en zo ja in
hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de
zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.
Hoofdstuk V. Internationale
verplichtingen
Artikel 27
1. Onze Minister wijst gebieden aan
ter uitvoering van verdragen of andere internationale
verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud met
uitzondering van derichtlijn 79/409/EEG en de richtlijn 92/43/EEG,
voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen.
2. Een besluit als bedoeld in het
eerste lid, gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van
het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een
toelichting. In de toelichting wordt in ieder geval vermeld op
welke wijze de instandhouding van het gebied, overeenkomstig het
bepaalde in de bedoelde verplichtingen, wordt verwezenlijkt.
3. Een besluit als bedoeld in het
eerste lid, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en in één of
meer in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
Artikel 28
Alvorens tot een aanwijzing als
bedoeld in artikel 27, eerste lid, over te gaan, hoort Onze Minister
de besturen van de provincies en gemeenten waarin het gebied gelegen
is.
Artikel 29
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden, voorzover dit noodzakelijk is ter
uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen
met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, nadere regels
gesteld ten aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen.
2. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen behoren de criteria voor de beoordeling van op
grond van artikel 27 aan te wijzen gebieden.
3. Tot de regels, bedoeld in het
eerste lid, kan daarnaast behoren de mogelijkheid om door middel
van een voorbereidingsbesluit te komen tot een voorlopige
aanwijzing van een gebied, voordat de procedure, bedoeld in
artikel 28, is voltooid.
Artikel 29a
1. Onverminderd het elders bij deze
wet of bij een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet
bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld
inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, mits deze
regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland
verbindend verdrag of ander besluit van een volkenrechtelijke
organisatie.
2. Bij de regeling, bedoeld in het
eerste lid, kan het bij deze wet of bij algemene maatregel van
bestuur krachtens deze wet bepaalde buiten werking worden gesteld,
voorzover dat noodzakelijk is voor een juiste en tijdige
uitvoering van een verdrag of besluit bedoeld in het eerste lid.
3. Voorzover bij de regeling het
bij deze wet of bij algemene maatregel van bestuur krachtens deze
wet bepaalde buiten werking worden gesteld, zorgt Onze Minister
voor vervanging van de regeling. Indien voor de vervanging een wet
nodig is, wordt binnen twee jaren na inwerkingtreding van de
regeling een voorstel van wet ingediend bij de Staten-Generaal.
Indien voor de vervanging een algemene maatregel van bestuur nodig
is, wordt de voordracht aan Ons gedaan binnen een jaar na
inwerkingtreding van de regeling.
Hoofdstuk VI. Schadevergoeding
Artikel 30
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt verstaan onder het bevoegd gezag: het orgaan dat het besluit,
bedoeld in artikel 31, heeft genomen of geacht wordt te hebben
genomen.
Artikel 31
1. Voorzover blijkt dat een
belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens
hoofdstuk III van deze wet, schade lijdt of zal lijden, die
redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door
aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent het orgaan
dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen,
hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
schadevergoeding toe.
2. Het bevoegd gezag kan omtrent
het verzoek om schadevergoeding het advies van de
schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 32, inwinnen.
Artikel 32
1. Een schadebeoordelingscommissie
wordt door het bevoegde gezag ingesteld.
2. De schadebeoordelingscommissie
bestaat uit één of meer leden.
3. Een lid van een door Onze
Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de
betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of
van een dienst, bedrijf of instelling werkzaam onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister.
4. Met ambtenaar als bedoeld in het
derde lid worden voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelijkgesteld zij die op grond van een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht werkzaam zijn.
5. Een lid van een door
gedeputeerde staten ingestelde schadebeoordelingscommissie mag
niet de betrekking bekleden van:
a. commissaris van de Koning;
b. lid van gedeputeerde staten;
c. ambtenaar, door of vanwege
het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.
6. Met ambtenaar als bedoeld in het
vijfde lid, onderdeel c, worden voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelijkgesteld zij die in dienst van de provincie op
grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam
zijn.
Artikel 33
1. Indien het bevoegd gezag besluit
het advies van de schadebeoordelingscommissie in te winnen, zendt
het het verzoekschrift voor advies aan de
schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak
betrekking hebbende stukken, onder gelijktijdige mededeling
hiervan aan de verzoeker.
2. Het bevoegd gezag verleent aan
de schadebeoordelingscommissie de gevraagde medewerking.
Artikel 34
1. De schadebeoordelingscommissie
stelt de verzoeker of zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn
verzoek om schadevergoeding in een openbare vergadering tegenover
haar nader toe te lichten.
2. Een door Onze Minister
ingestelde schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst
van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling,
werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister oproepen om
in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van
inlichtingen.
3. Een door gedeputeerde staten
ingestelde schadebeoordelingscommissie kan één of meer leden van
gedeputeerde staten, met inbegrip van de voorzitter, en ambtenaren
door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan
ondergeschikt, oproepen om in de openbare vergadering te
verschijnen tot het geven van inlichtingen.
4. Indien de
schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil houden, deelt
zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan de
verzoeker en aan het bevoegd gezag.
Artikel 35
De schadebeoordelingscommissie brengt
een met redenen omkleed advies uit aan het bevoegd gezag. Zij zendt
gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.
Artikel 36
1. Het bevoegd gezag stelt de
verzoeker in de gelegenheid schriftelijk of mondeling in
tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn
zienswijze omtrent het advies naar voren te brengen.
2. Het mondeling naar voren brengen
van een zienswijze als bedoeld in het eerste lid geschiedt, indien
de schadebeoordelingscommissie is ingesteld door gedeputeerde
staten, ten overstaan van één of meer leden van gedeputeerde
staten met inbegrip van de voorzitter.
3. De schadebeoordelingscommissie
verstrekt het bevoegd gezag desgevraagd nadere toelichting op het
advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de zienswijze
daarover van de verzoeker.
Artikel 37
De kosten van de
schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening
gebracht.
Artikel 38
1. Het bestuursorgaan beslist
binnen acht weken of, indien een schadebeoordelingscommissie als
bedoeld in artikel 32, eerste lid, is ingeschakeld, binnen
zesentwintig weken na de ontvangst van het verzoek om
schadevergoeding.
2. Het bestuursorgaan kan de
beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken of, indien een
schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 32, eerste lid,
is ingeschakeld, zesentwintig weken verdagen. Van de verdaging
wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk VII. Beroep en registratie
Artikel 39
1. De werking van een besluit als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt geschorst totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op
het beroep is beslist.
2. Een beroep tegen een besluit tot
vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a heeft
uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van handelingen die
het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar
brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden
en beperkingen.
Artikel 39a [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 39b [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 39c [Vervallen per
01-01-2010]
Hoofdstuk VIII. Procedure
vergunningverlening
Artikel 40
Met toepassing van artikel 28, eerste
lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag
tot een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en19d.
Artikel 41
1. In de aanvraag van de
vergunningen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d, wordt het belang
van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd.
2. De ontvangst van de aanvraag
wordt schriftelijk bevestigd.
Artikel 42
1. Op de de vergunningaanvraag
wordt binnen dertien weken na de datum van ontvangst beslist.
2. Het orgaan dat tot verlening van
de vergunning bevoegd is, kan de termijn eenmaal met dertien weken
verlengen. Van zodanige verlenging wordt mededeling gedaan aan de
aanvrager en aan burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel
44.
3. Van een besluit tot verlening,
wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de
artikelen 16 en19d wordt door het orgaan dat tot verlening van de
vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-,
of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan
worden met vermelding van de zakelijke inhoud.
Artikel 43
1. Aan een vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden.
Een vergunning kan onder
beperkingen worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen met betrekking tot deze voorschriften en beperkingen nadere
regels worden gesteld.
2. Een vergunning kan worden
ingetrokken of gewijzigd indien:
a. de houder van de vergunning
handelt in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen;
b. de gegevens op grond waarvan
de vergunning is verleend zodanig onjuist of onvolledig
blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest,
een andere beslissing zou zijn genomen;
c. de vergunning in strijd met
de wettelijke voorschriften is gegeven, of
d. de omstandigheden sedert het
tijdstip waarop de vergunning is verleend zodanig zijn
gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of
voorwaarden of slechts onder andere beperkingen of voorwaarden
zou zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip
waarop de vergunning is verleend zouden hebben bestaan.
Artikel 44
1. Indien Onze Minister bevoegd is
tot verlening van een vergunning zendt hij een afschrift van het
verzoek om een vergunning en van de ontvangstbevestiging aan
gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en
wethouders van de gemeenten, waarin de handeling, waarvoor de
vergunning wordt verlangd, zal geschieden.
2. Indien gedeputeerde staten
bevoegd zijn tot verlening van een vergunning, zenden zij een
afschrift van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan
burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in het eerste
lid, alsmede aan Onze Minister.
3. Gedeputeerde staten en
burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk burgemeester en
wethouders, kunnen binnen acht weken na de op de
ontvangstbevestiging vermelde datum bij het tot verlening van de
vergunning bevoegd orgaan hun zienswijze naar voren brengen.
Artikel 45 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 45a [Vervallen per
01-10-2012]
Hoofdstuk IX. Omgevingsvergunning
Titel 1. Beschermde natuurmonumenten
Artikel 46
1. Deze titel is van toepassing op
handelingen:
a. waarvoor een
omgevingsvergunning is vereist en
b. die tevens zijn aan te
merken als handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel
16, eerste lid geldt.
2. Deze titel is niet van
toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een
vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of waarvoor een
zodanige vergunning is aangevraagd.
Artikel 46a
1. De aanvrager van een
omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag tevens
betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria,
bedoeld in artikel 46, eerste lid.
2. Op een beschikking op een
aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid
zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
zijn het tweede lid en de artikelen 46b en 46c van overeenkomstige
toepassing op de beschikking met betrekking tot de eerste en
tweede fase.
Artikel 46b
1. Een omgevingsvergunning die
betrekking heeft op handelingen als bedoeld inartikel 46, eerste
lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten
aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als
bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien gedeputeerde staten zowel bevoegd gezag zijn om
te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als ten
aanzien van de betrokken handelingen bevoegd zijn te beslissen op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste
lid. In dit geval zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing op de voorbereiding van de
beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3. De verklaring onderscheidenlijk,
in het in het tweede lid bedoelde geval, de omgevingsvergunning
kan slechts worden geweigerd indien de betrokken handelingen
schade kunnen toebrengen aan de belangen, omschreven inartikel 16,
eerste lid. Artikel 16, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de verklaring onderscheidenlijk de
omgevingsvergunning.
Artikel 46c
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in
artikel 46b, eerste lid, kan een verzoek als bedoeld in artikel
2.29, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onder a, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht slechts doen indien de
omstandigheden sinds het tijdstip waarop de in artikel 46b, eerste
lid, bedoelde verklaring is gegeven zodanig zijn gewijzigd, dat
deze niet zou zijn gegeven of niet zonder daarbij te bepalen dat
aan de omgevingsvergunning daarbij aangegeven voorschriften worden
verbonden, indien deze omstandigheden op het bedoelde tijdstip
zouden hebben bestaan.
2. Onverminderd de artikelen 2.31
en 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kunnen
gedeputeerde staten in een geval als bedoeld inartikel 46b, tweede
lid, de omgevingsvergunning intrekken of de voorschriften die aan
de omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen, aanvullen of
intrekken dan wel alsnog aan de omgevingsvergunning verbinden
indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de
omgevingsvergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat deze
niet zou zijn verleend of niet zonder daaraan te verbinden
voorschriften, indien deze omstandigheden op het genoemde tijdstip
zouden hebben bestaan.
Artikel 46d
Het is verboden in strijd te handelen
met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft
op handelingen als bedoeld in artikel 16, eerste of vierde lid.
Titel 2. Gebieden ter uitvoering van
Europeesrechtelijke verplichtingen
Artikel 47
1. Deze titel is van toepassing op
handelingen:
a. waarvoor een
omgevingsvergunning is vereist en
b. die tevens zijn aan te
merken als projecten of andere handelingen waarvoor het
verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt.
2. Deze titel is niet van
toepassing op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan
krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid,
of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd.
Artikel 47a
1. De aanvrager van een
omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag tevens
betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria,
bedoeld in artikel 47, eerste lid.
2. Op een beschikking op een
aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid
zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing.
3. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
zijn het tweede lid en de artikelen 47b en 47c van overeenkomstige
toepassing op de beschikking met betrekking tot de eerste en
tweede fase.
Artikel 47b
1. Een omgevingsvergunning die
betrekking heeft op handelingen als bedoeld inartikel 47, eerste
lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten
aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste
lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als
bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien gedeputeerde staten zowel bevoegd gezag zijn om
te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als ten
aanzien van de betrokken handelingen bevoegd zijn te beslissen op
een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste
lid. In dit geval zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing op de voorbereiding van de
beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3. Met betrekking tot de verklaring
onderscheidenlijk, in het in het tweede lid bedoelde geval, de
beschikking op de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op
handelingen als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, zijn de
artikelen 19e tot en met 19g, 19ia en 19kd, en 19k, eerste en
derde lid en het bepaalde krachtens artikel 19kb, van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien een omgevingsvergunning
om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor
het realiseren van projecten als bedoeld in artikel 19h, eerste
lid, bepaalt het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, dat aan
de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift wordt
verbonden inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te
treffen. In het in het tweede lid bedoelde geval verbindt het
bevoegd gezag dit voorschrift aan de omgevingsvergunning.
5. Met betrekking tot de
compenserende maatregelen is artikel 19h, tweede tot en met vijfde
lid, van toepassing, met dien verstande dat in het in het eerste
lid bedoelde geval de krachtens artikel 19h, tweede lid, gestelde
verplichting geldt voor het bestuursorgaan dat de verklaring
geeft.
6. Artikel 19k, eerste lid, is voor
zover het betreft de in dat lid gestelde verplichting met
betrekking tot het in kennis stellen van Onze Minister en de in
dat lid gestelde verplichting met betrekking tot het zenden van
een afschrift van vergunningen van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat deze verplichtingen in het in het eerste lid
bedoelde geval gelden voor het bestuursorgaan dat de verklaring
geeft en niet gelden in gevallen dat Onze Minister de verklaring
geeft.
Artikel 47c
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in
artikel 47b, eerste lid, kan een verzoek als bedoeld in artikel
2.29, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onder a, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht slechts doen indien de
omstandigheden sinds het tijdstip waarop de verklaring is gegeven
zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zou zijn gegeven of niet
zonder daarbij te bepalen dat aan de omgevingsvergunning daarbij
aangegeven voorschriften worden verbonden, indien deze
omstandigheden op het genoemde tijdstip zouden hebben bestaan.
2. Onverminderd de artikelen 2.31
en 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kunnen
gedeputeerde staten in een geval als bedoeld inartikel 47b, tweede
lid, de omgevingsvergunning intrekken of de voorschriften die aan
de omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen, aanvullen of
intrekken dan wel alsnog aan de omgevingsvergunning verbinden
indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de
omgevingsvergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat deze
niet zou zijn verleend of niet zonder daaraan te verbinden
voorschriften, indien deze omstandigheden op het genoemde tijdstip
zouden hebben bestaan.
Artikel 47d
Het is verboden in strijd te handelen
met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft
op projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d,
eerste lid.
Artikel 48 [Vervallen per 17-02-1999]
Hoofdstuk X. Toezicht
Artikel 49
1. Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:
a. de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren;
b. de door Onze Minister van
Veiligheid en Justitie op grond van artikel 17 van de Wet op
de economische delicten met de opsporing van de bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste
ambtenaren, en
c. de bij besluit van
gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 50 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 51 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 52 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 53 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 54 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 55 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 56 [Vervallen per 01-10-2005]
Artikel 57
1. Onze Minister is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het
bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en
andere handelingen waarvoor hij ingevolge de artikelen 16, 19d, en
19ia in samenhang met 16 bevoegd is vergunning te verlenen,
alsmede ter zake van de verplichtingen en instructies die hij
krachtens de artikelen 16, 19ia in samenhang met 19c, en 19ke
bevoegd is op te leggen onderscheidenlijk te geven.
2. Dit artikel is niet van
toepassing met betrekking tot de handhaving van het bij of
krachtens hoofdstuk IXbepaalde.
Artikel 57a
1. Met betrekking tot de handhaving
van het bij of krachtens hoofdstuk IX bepaalde zijn de artikelen
5.3 tot en met 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
van toepassing.
2. Het in artikel 5.2 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft
tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van
de op grond van hoofdstuk IX voor degene die de betrokken
activiteit verricht, geldende voorschriften.
Hoofdstuk XI. Slot- en
overgangsbepalingen
Artikel 58
1. Bij het bestaan van een
voornemen tot onteigening in het belang der natuurbescherming
krachtens titel VIII der onteigeningswet kan Onze Minister met
name genoemde handelingen verbieden, die schadelijk zijn voor het
natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van de
bij de voorgenomen onteigening betrokken onroerende zaak.
2. Het verbod vervalt door de
overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij
alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een
zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is
als bedoeld in hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet. De
termijn kan bij een in de Staatscourant te plaatsen koninklijk
besluit met ten hoogste een jaar verlengd worden.
3. Onze Minister is te allen tijde
bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel
daarvan ontheffing te verlenen.
4. Onze Minister maakt het verbod
bekend in de Staatscourant.
Artikel 59 [Vervallen per 01-02-2009]
Artikel 60
Besluiten die zijn genomen op grond
van de artikelen 7, 11, 12, 14, 18, 21, eerste lid, 28, eerste lid,
29, en 31 van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn
genomen op grond van onderscheidenlijk de artikelen 10, 15, 16, 17,
31, 10, 49, eerste lid, 57 en 58 van deze wet.
Artikel 60a
1. Besluiten die zijn genomen op
grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor projecten
of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid,
gelden ter zake van een Natura 2000-gebied als besluiten die zijn
genomen op grond van artikel 19d.
2. Besluiten die zijn genomen op
grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de
Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op
grond van artikel 16 of artikel 19d van deze wet.
3. Het eerste en het tweede lid
gelden niet met betrekking tot de toepassing van artikel 31 van
deze wet.
4. De besluiten van Onze Minister
houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van richtlijn
79/409/EEG gelden als besluiten als bedoeld in artikel 10a.
5. Voor zover een beschermd
natuurmonument als bedoeld in artikel 10 geheel of gedeeltelijk
deel uitmaakt van een gebied als bedoeld in het vierde lid,
vervalt in afwijking van artikel 15a, tweede lid, een besluit
houdende de aanwijzing van dat beschermde natuurmonument geheel of
gedeeltelijk met ingang van 1 oktober 2005. Artikel 15a, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Op besluiten, waarbij artikel 6
van de richtlijn 92/43/EEG aan de orde is, op voor 1 oktober 2005
ingediende aanvragen om vergunning of ontheffing en ingediende
verzoeken om toestemming anderszins blijft deze wet buiten
toepassing, totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan
wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is
beslist.
7. Een beheerplan dat is
vastgesteld op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet,
behoudt zijn gelding gedurende de periode waarvoor het plan is
aangegaan.
8. Een beheerplan als bedoeld in
artikel 19a voor een gebied dat ter uitvoering van richtlijn
79/409/EEG voor 1 oktober 2005 is aangewezen, wordt uiterlijk drie
jaar na het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor
het gebied voor het eerst vastgesteld.
9. Besluiten die zijn genomen op
basis van artikel 19d, derde lid, (oud) gelden als besluiten die
zijn genomen op basis van artikel 19d, vierde lid(nieuw).
Artikel 61
Gebieden die voor de inwerkingtreding
van deze wet door Onze Minister zijn aangewezen ter uitvoering van
verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot
natuur- en landschapsbehoud, gelden als aangewezen gebieden op grond
van artikel 27 van deze wet.
Artikel 62
1. Besluiten, die voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8,
eerste lid, van de Natuurbeschermingswet worden afgehandeld
overeenkomstig artikel 9 van genoemde wet.
2. Besluiten die voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8,
tweede lid, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die
zijn genomen op grond van artikel 12, eerste lid, van deze wet,
met dien verstande dat zodanige besluiten worden afgehandeld
overeenkomstig artikel 9 van de Natuurbeschermingswet.
3. Besluiten als bedoeld in artikel
10, die met inachtneming van het eerste lid worden genomen
vermelden de in artikel 16, vierde lid, van deze wet bedoelde
handelingen.
Artikel 63
1. Ten aanzien van het nemen van
besluiten omtrent voor de datum van inwerkingtreding van deze wet
ingediende verzoeken om vergunning of ontheffing als bedoeld in
artikel 12 onderscheidenlijk 16, tweede lid, onderdeel c, van de
Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing totdat
de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep
is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op voor de datum van inwerkingtreding
van deze wet ingediende verzoeken om vergunning voor het
verrichten van handelingen in een staatsnatuurmonument als bedoeld
in artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet.
Artikel 64
Ten aanzien van de mogelijkheid om
bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat voor
de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, alsmede
ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor de
datum van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk
is ingesteld, blijft de Natuurbeschermingswet van toepassing.
Artikel 65
Ten aanzien van beschermde
natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten, als bedoeld in artikel
7, eerste lid, respectievelijk artikel 21, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet, die voor de datum van inwerkingtreding van
deze wet als zodanig zijn aangewezen op grond van de
Natuurbeschermingswet, geldt in afwijking van artikel 16, vierde
lid, van deze wet het verbod van artikel 16, eerste lid, van deze
wet voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die
buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden
verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot
aanwijzing.
Artikel 66
De eigenaar en gebruiker zijn
verplicht de kentekenen die op grond van artikel 15 van de
Natuurbeschermingswet in een beschermd natuurmonument zijn
aangebracht na intrekking van die wet te gedogen.
Artikel 67
Ten aanzien van voor de datum van
inwerkingtreding van deze wet genomen besluiten tot toepassing van
bestuursdwang en de daaruit voortvloeiende uitvoering van werken als
bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de
Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing.
Artikel 68
[Wijzigt de Wet op de economische
delicten]
Artikel 68a
Onze Minister zendt binnen drie jaar
na de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging
van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke
verplichtingen (Stb. 2005, 195) aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en effecten van deze wet.
Artikel 69
[Wijzigt de Wet op de
waterhuishouding]
Artikel 70
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 71
1. [Wijzigt de
Natuurbeschermingswet]
2. De Natuurbeschermingswet wordt
ingetrokken.
Artikel 72
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 73
[Wijzigt de Algemene wet
bestuursrecht]
Artikel 73a
1. De Wet deelneming Grevelingen
wordt ingetrokken.
2. Het Natuur- en Recreatieschap De
Grevelingen ontvangt ter zake van de uittreding van het Rijk uit
de gemeenschappelijke regeling Natuur- en Recreatiegebied De
Grevelingen een vergoeding van het Rijk van 9,75 miljoen euro,
onder de voorwaarde dat de vergoeding door het Natuur- en
Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger wordt
besteed aan de behartiging van de belangen van natuur, landschap
en openluchtrecreatie in De Grevelingen.
3. Het Natuur- en Recreatieschap De
Grevelingen of diens rechtsopvolger legt aan Onze Minister
verantwoording af over de besteding van de afkoopsom en overlegt
daartoe jaarlijks aan Onze Minister een jaarrekening tezamen met
een accountantsverklaring. De eerste volzin is van toepassing tot
1 januari 2030 of, als dit eerder is, tot 1 januari van het jaar
volgend op het jaar waarin het Natuur- en Recreatieschap De
Grevelingen of diens rechtsopvolger is opgehouden te bestaan.
4. Ingeval niet is voldaan aan de
voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, of aan de verplichtingen,
bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan Onze Minister de
vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
Artikel 74
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 75
Deze wet wordt aangehaald als:
Natuurbeschermingswet, met vermelding van het jaartal van het
Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de veertiende juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|