Nadere regelgeving:
- Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928
WET van 15 maart 1928, houdende regeling
van sommige van landgoederen geheven belastingen tot bevordering van
behoud van natuurschoon
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen,
salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is om,
tot bevordering van behoud van natuurschoon, sommige van landgoederen
geheven wordende belastingen nader te regelen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan, bij deze:
Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder:
a. landgoed: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk
met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette
onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats
of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen
voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende
zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van
het natuurschoon wenselijk is;
b. eigenaar:
1°. de eigenaar van een onroerende zaak die niet is
bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens
in gevallen als bedoeld in het derde lid, dat van erfpacht;
2°. de vruchtgebruiker of, behoudens in gevallen als
bedoeld in het derde lid, de erfpachter;
c. economische eigendom: een samenstel van rechten en
verplichtingen met betrekking tot een onroerende zaak, dat een
belang bij die zaak vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste
enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de
civiel-juridische eigenaar. De verlening van uitsluitend het recht
op levering wordt niet aangemerkt als overdracht van economische
eigendom;
d. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie;
e. Onze Ministers: Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Financiën.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen
om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed. Die voorwaarden
betreffen:
a. de oppervlakte van de onroerende zaak, waarbij mede in
aanmerking kan worden genomen de oppervlakte van één
aangrenzende onroerende zaak die als een landgoed is aangemerkt of
gelijktijdig met de eerstgenoemde onroerende zaak als een landgoed
wordt aangemerkt, indien tussen de beide onroerende zaken een
nauwe historische band bestaat;
b. het percentage van de oppervlakte van de onroerende zaak dat
ten minste met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden
bezet dient te zijn alsmede de aard van de natuurterreinen, bossen
en andere houtopstanden;
c. de omvang en hoedanigheid van de niet met natuurterreinen,
bossen of andere houtopstanden bezette terreinen, al dan niet
gerelateerd aan de hoedanigheid van direct aan de onroerende zaak
grenzende terreinen;
d. de wijze en de aard van de bebouwing;
e. het soort gebruik dat van de terreinen en de opstallen wordt
gemaakt.
3. Indien een onroerende zaak bezwaard is met het recht van
erfpacht wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen
voorwaarden, in plaats van de erfpachter de hoofdgerechtigde van die
onroerende zaak aangemerkt als de eigenaar, indien de hoofdgerechtigde
aantoont dat bij de erfpachter geen economische eigendom van de
onroerende zaak berust.
4. In afwijking in zoverre van het tweede lid worden bij algemene
maatregel van bestuur regels gesteld inzake de voorwaarden waaraan een
onroerende zaak, die voldoet aan de in het tweede lid, onderdelen a,
c, d en e bedoelde voorwaarden, doch niet aan de voorwaarden, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, moet voldoen om te kunnen worden
aangemerkt als een landgoed.
Artikel 2
1. De eigenaar die zijn onroerende zaak wenst aangemerkt te zien
als een landgoed, doet aan Onze Ministers een daartoe strekkend
verzoek dat wordt ingediend bij Onze Minister.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de wijze van indiening van een verzoek als bedoeld in het
eerste lid en de besluitvorming daarover, en
b. de omstandigheden waaronder een verzoek uitsluitend kan
worden ingediend in samenhang met eenzelfde verzoek dat door de
eigenaar van een aangrenzende onroerende zaak wordt ingediend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke bescheiden, naast een beschrijving van de karakteristieke
verschijningsvorm van de onroerende zaak alsmede uittreksels uit de
basisregistratie kadaster, bij het verzoek moeten worden overgelegd en
worden regels gesteld betreffende de inhoud van die beschrijving en
van die andere bescheiden.
4. Onze Ministers beslissen op het verzoek bij gezamenlijke
beschikking.
5. Indien aan het verzoek wordt voldaan, wordt de onroerende zaak
als een landgoed aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop het
verzoek bij Onze Minister is ingekomen.
Artikel 3
1.Een als landgoed aangemerkte onroerende zaak wordt niet langer
als zodanig beschouwd in de gevallen waarin:
a. de eigenaar Onze Minister schriftelijk mededeelt dat hij
zijn de onroerende zaak niet langer wenst aangemerkt te zien als
een landgoed;
b. het karakter van landgoed van de onroerende zaak is
aangetast of verloren is gegaan door gebrek aan behoorlijk
onderhoud of door andere omstandigheden;
c.
1°. de eigendom van de onroerende zaak is overgedragen;
2°. het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens
ingeval de hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt
aangemerkt op grond vanartikel 1, derde lid, dat van erfpacht
op de onroerende zaak is gevestigd of een zodanig recht op de
onroerende zaak is geëindigd, waaronder begrepen de gevallen
waarin de erfpachter door de toepassing van artikel 1, derde
lid, niet langer als eigenaar wordt aangemerkt. Met de
vestiging van het recht van erfpacht wordt gelijkgesteld de
overdracht van economische eigendom aan een erfpachter die
aanvankelijk op grond van artikel 1, derde lid, niet als
eigenaar van de onroerende zaak werd aangemerkt;
3°. de onroerende zaak bij verdeling is gesplitst en aan
verschillende deelgenoten is toegedeeld;
d. op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel a, de
oppervlakte van een aangrenzende onroerende zaak in aanmerking is
genomen en deze onroerende zaak of het aangrenzende gedeelte
daarvan niet langer als een landgoed, onderscheidenlijk als een
gedeelte daarvan, wordt aangemerkt.
2.Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, vindt geen toepassing,
voor zover Onze Ministers op verzoek van de eigenaar bij gezamenlijke
beschikking beslissen dat de onroerende zaak blijft aangemerkt als een
landgoed. Het verzoek dient binnen zes maanden na de overdracht, na de
vestiging of het eindigen van het beperkt recht, onderscheidenlijk na
de verdeling bij Onze Minister te worden ingediend. Onze Minister is
bevoegd in bijzondere gevallen de termijn van zes maanden te
verlengen.
3.In de gevallen waarin de onroerende zaak niet langer als een
landgoed wordt aangemerkt ingevolge het eerste lid, onderdelen a of c,
stellen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking vast dat de
onroerende zaak niet langer als zodanig wordt beschouwd met ingang van
het tijdstip waarop de mededeling bij Onze Minister is ingekomen,
onderscheidenlijk het tijdstip van de overdracht, van de vestiging of
het eindigen van het beperkt recht, dan wel van de verdeling.
4.In het geval waarin de onroerende zaak, naar het oordeel van Onze
Ministers, niet langer als een landgoed wordt aangemerkt ingevolge het
eerste lid, onderdeel b, beslissen Onze Ministers bij gezamenlijke
beschikking dat de onroerende zaak niet langer als zodanig wordt
beschouwd met ingang van de datum van die beschikking.
5.Indien de oppervlakte van een onroerende zaak waarvoor door Onze
Ministers een beschikking is afgegeven als bedoeld in het derde of het
vierde lid, in aanmerking is genomen bij de toetsing van een andere
onroerende zaak aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1, tweede lid,
zenden Onze Ministers een afschrift van voornoemde beschikking ter
kennisgeving aan de eigenaar of eigenaren van deze andere onroerende
zaak.
6.Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, vindt geen toepassing
voorzover Onze Ministers op verzoek van de eigenaar bij gezamenlijke
beschikking beslissen dat de onroerende zaak blijft aangemerkt als een
landgoed. Het verzoek wordt binnen zes maanden na de datum van de
kennisgeving, bedoeld in het vijfde lid, ingediend.
7.Ingeval een onroerende zaak ingevolge toepassing van het eerste
lid, onderdeel d, niet langer als een landgoed kan worden aangemerkt,
stellen Onze Ministers niet eerder dan zes maanden na verzending van
de kennisgeving, bedoeld in het vijfde lid, bij gezamenlijke
beschikking vast dat de onroerende zaak niet langer als een landgoed
wordt aangemerkt met ingang van de datum van die beschikking.
8.Een eigenaar kan aan Onze Ministers een verklaring vragen dat een
door hem voorgenomen handeling niet zal leiden tot een beschikking,
als bedoeld in het vierde lid.
9.Met betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak vinden het
eerste tot en met het achtste lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a
1.Indien de onroerende zaak, bedoeld in artikel 1, vierde lid, na
verloop van drie jaren nadat zij als een landgoed is aangemerkt, niet
voldoet aan de in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
voorwaarden, dan wel indien zij naar het oordeel van Onze Minister na
die termijn niet aan die voorwaarden zal voldoen, beslissen Onze
Ministers bij gezamenlijke beschikking dat de onroerende zaak niet
langer als een landgoed wordt aangemerkt met ingang van de datum van
die beschikking. Onze Minister kan de termijn van drie jaren op grond
van bijzondere omstandigheden met maximaal twee jaren verlengen.
2.Een eigenaar van een onroerende zaak die op de voet van artikel
1, vierde lid, als een landgoed is aangemerkt, kan aan Onze Ministers
een verklaring vragen dat aan de in artikel 1, tweede lid, onderdeel
b, bedoelde voorwaarden is voldaan.
3.Het eerste en tweede lid vinden overeenkomstige toepassing met
betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak.
Artikel 4
1.Vanaf het tijdstip waarop een onroerende zaak of een gedeelte
daarvan niet langer als een landgoed wordt aangemerkt, wordt die
onroerende zaak of dat gedeelte binnen een termijn van 10 jaren niet
opnieuw als zodanig aangemerkt ingeval het verzoek daartoe wordt
gedaan door degene die op dat tijdstip eigenaar was of door een
vennootschap waarvan hij middellijk of onmiddellijk aandeelhouder is.
2.Indien in het geval als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, het karakter van landgoed niet in ernstige mate is
aangetast kunnen Onze Ministers bij gezamenlijke beschikking, in
afwijking in zoverre van het eerste lid, een kortere termijn van ten
hoogste 5 jaren vaststellen en kunnen zij daarbij voorwaarden stellen.
Alsdan vinden de artikelen 8 en 9c geen toepassing. Ingeval de in de
eerste volzin bedoelde aantasting van het karakter van landgoed
voortvloeit uit omstandigheden die het gevolg zijn van overmacht,
wordt bovendien voor de toepassing van artikel 5.7, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van artikel 220d,
eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet de onroerende zaak of het
desbetreffende gedeelte daarvan gelijkgesteld met een landgoed.
3.Het eerste lid en de artikelen 8 en 9c vinden alsnog toepassing
indien binnen de kortere termijn:
a. de eigenaar Onze Minister schriftelijk mededeelt dat hij
zijn onroerende zaak onderscheidenlijk het in het eerste lid
bedoelde gedeelte na afloop van die termijn niet opnieuw wenst
aangemerkt te zien als een landgoed;
b. de krachtens het tweede lid gestelde voorwaarden niet worden
nageleefd; dan wel
c. zich wederom een geval als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, voordoet;
d. een aangrenzende onroerende zaak, waarvan de oppervlakte in
aanmerking is genomen als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, door toepassing van artikel 3, eerste lid, niet meer
als een landgoed in aanmerking wordt genomen, tenzij op deze
aangrenzende onroerende zaak het tweede lid van toepassing is, dan
wel
e. zich met betrekking tot een aangrenzende onroerende zaak,
waarvan de oppervlakte in aanmerking is genomen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, onderdeel a, en waarop het tweede lid
toepassing heeft gevonden, een van de gebeurtenissen, bedoeld in
de onderdelen a, b of c voordoet.
4.Met betrekking tot het derde lid, onderdeel a, en de onderdelen
b, c, d en e vindt artikel 3, derde lid, onderscheidenlijk vierde,
vijfde en zevende tot en met negende lid, overeenkomstige toepassing.
5.Ingeval artikel 3, zevende lid, toepassing heeft gevonden op een
onroerende zaak ten gevolge van het feit dat deze onroerende zaak was
aangemerkt als een landgoed rekening houdende met de oppervlakte van
een aangrenzende onroerende zaak waarop het tweede lid is toegepast,
is het tweede lid op de eerstgenoemde onroerende zaak van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5 [Vervallen per 29-06-1989]
Artikel 6 [Vervallen per 29-06-1989]
Artikel 7
1. Indien tot een verkrijging in de zin van de Successiewet 1956
een onroerende zaak behoort, die is aangemerkt als een landgoed vindt
- mits aan de in het volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan -
geen invordering plaats van het verschil tussen de volgens de aanslag
verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de
belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak
wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer,
welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden
toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak
van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te
vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of
gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze
Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt,
in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat
landgoed gesteld op nihil.
2. Het vorige lid is slechts van toepassing, indien in de aangifte
behalve de naar artikel 21 van de voormelde wet bepaalde waarde in het
economische verkeer worden opgegeven de in dat lid bedoelde waarde in
het economische verkeer en de in artikel 2, vierde lid, bedoelde
beschikking, zomede, indien en voor zover het een opengesteld landgoed
betreft, de beschikking, waarbij de regelen voor de openstelling zijn
goedgekeurd.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt ook, indien de hiervoor
bedoelde beschikkingen op verzoek van de verkrijgers eerst na het
overlijden of de schenking zijn afgegeven.
4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het een
verkrijging in de zin van de Successiewet 1956 betreft door degene die
in de vijf jaren voorafgaande aan de verkrijging de onroerende zaak
onder bezwarende titel heeft overgedragen en, gedurende die periode
van vijf jaren, voor een verkrijging door zijn rechtsopvolgers onder
algemene titel.
5. In het aanslagbiljet wordt behalve van het bedrag van de aanslag
melding gemaakt van het bedrag van de terstond invorderbare belasting.
De vaststelling van laatstbedoeld bedrag wordt voor de toepassing van
de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en erfbelasting en de
regeling inzake belastingrente beschouwd als de oplegging van een
aanslag.
Artikel 7a
1. Voor de heffing van de schenk- en erfbelasting, geheven
krachtens de Successiewet 1956en voor de toepassing van artikel 8a,
worden de bezittingen en schulden van een naamloze vennootschap of van
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als
bezittingen en schulden harer gezamenlijke aandeelhouders beschouwd,
indien:
a. de werkzaamheden der naamloze vennootschap of besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid uitsluitend of
hoofdzakelijk bestaan in de instandhouding en exploitatie van
onroerende zaken als landgoederen;
b. alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn;
c. het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen,
welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijk
gesteld.
3. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde vereiste is niet
van toepassing, indien het aantal aandeelhouders, niet meer dan
twintig bedragen hebbende, uitsluitend door erfenis, legaten,
schenkingen en ontbindingen van huwelijksgemeenschappen of
gemeenschappen van geregistreerd partnerschap gestegen is tot meer dan
twintig mits, nadat het aantal aandeelhouders gestegen was tot meer
dan twintig, dat aantal niet door andere dan de genoemde oorzaken
verder gestegen is.
Artikel 8
1. In het geval waarin een beschikking is genomen als bedoeld in
artikel 3a, eerste lid, dan wel indien binnen een tijdvak van 25 jaren
na het overlijden of de schenking zich één van de in artikel 3,
derde, vierde en zevende lid, genoemde gevallen voordoet, wordt de
belasting - waarvan ingevolge artikel 7, eerste lid, invordering
achterwege is gebleven - alsnog ingevorderd, verminderd met de reeds
op grond van artikel 8a ingevorderde belasting.
2. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich heeft
voorgedaan met betrekking tot een gedeelte van de onroerende zaak,
wordt de belasting herrekend naar de helft van de waarde in het
economische verkeer (of, voor zover de onroerende zaak volgens
goedgekeurde regelen blijft opengesteld, de op nihil gestelde waarde
in het economische verkeer), ten dage, waarop zich één van die
gevallen heeft voorgedaan, aan de onroerende zaak, voor zover die als
landgoed blijft aangemerkt, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, toe
te kennen, vermeerderd met de waarde in het economische verkeer, welke
op dat tijdstip ingevolge artikel 21 van de Successiewet 1956 aan het
overige gedeelte van de onroerende zaak, met inbegrip van het gevelde
opgaande hout, moet worden toegekend, zonder dat de som van die
waarden de in artikel 7, tweede lid, eerstbedoelde waarde te boven
gaat. In dat geval wordt de aldus herrekende belasting, verminderd met
de reeds ingevorderde belasting, alsnog ingevorderd. Teruggave van
belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
3. Indien door Onze Ministers wordt beslist, dat, te rekenen van
een tijdstip, liggende binnen een tijdvak van 25 jaren na het
overlijden of de schenking, de onroerende zaak niet langer volgens
goedgekeurde regelen is opengesteld, en de vorige twee leden niet van
toepassing zijn, vindt alsnog invordering plaats van de belasting
berekend naar de helft van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
waarde in het economische verkeer, verminderd met de reeds
ingevorderde belasting.
4. Indien het in het vorige lid bedoelde geval zich voordoet ten
aanzien van een gedeelte van de onroerende zaak en het tweede lid niet
van toepassing is, wordt de belasting herrekend naar de op nihil
gestelde waarde in het economische verkeer, op het in het vorige lid
bedoelde tijdstip aan de onroerende zaak, voor zover die volgens
goedgekeurde regelen blijft opengesteld, overeenkomstig artikel 7,
eerste lid, toe te kennen, vermeerderd met de helft van de waarde in
het economische verkeer, welke op dat tijdstip ingevolge laatstgemelde
bepaling aan het overige gedeelte van de onroerende zaak moet worden
toegekend, zonder dat deze som de in artikel 7, eerste lid, bedoelde
waarde te boven gaat. De aldus herrekende belasting, verminderd met de
reeds ingevorderde belasting, wordt alsnog ingevorderd. Teruggave van
belasting heeft deze bepaling niet tengevolge.
5. Indien één van de gevallen, in dit artikel bedoeld, zich
voordoet, zijn zij, die tot het doen van aangifte van de verkrijging
zijn of waren gehouden, verplicht binnen twee maanden, nadat zij
daartoe schriftelijk door de inspecteur zijn uitgenodigd, bij nadere
aangifte de gegevens te verstrekken, welke voor de invordering of
herrekening ingevolge dit artikel nodig zijn, voor zover deze nog niet
aan de inspecteur bekend zijn. Artikel 11 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is van toepassing. Het bedrag van de in te vorderen
belasting wordt bij aanslag vastgesteld.
6. Op het bedrag van de belasting, dat ingevolge artikel 7, eerste
lid, niet wordt ingevorderd, blijft Hoofdstuk V van de Invorderingswet
1990 van toepassing. De aldaar bedoelde rente wordt evenwel slechts in
rekening gebracht over en tegelijk met de belasting, waarvan op grond
van dit artikel alsnog invordering plaatsheeft.
7. Onze Minister van Financiën kan in bijzondere gevallen
beslissen, dat de vorige bepalingen van dit artikel geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
Artikel 8a
1. Indien degene ten aanzien van wie artikel 7 toepassing heeft
gevonden, binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de
schenking:
a. de eigendom van het landgoed overdraagt, of
b. het recht van vruchtgebruik of, behoudens ingeval de
hoofdgerechtigde nog steeds als eigenaar wordt aangemerkt op grond
vanartikel 1, derde lid, dat van erfpacht op de onroerende zaak
vestigt, overdraagt of daarvan afstand doet, waaronder begrepen de
gevallen waarin de erfpachter door de toepassing van artikel 1,
derde lid, niet langer als eigenaar wordt aangemerkt,
vindt alsnog invordering plaats overeenkomstig de volgende leden
van de belasting waarvan bij hem ingevolge artikel 7, eerste lid,
invordering achterwege is gebleven.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overdracht mede
begrepen de overdracht van de economische eigendom.
3. De ingevolge het eerste lid in te vorderen belasting bedraagt
het product van de ten tijde van de in het eerste lid, onderdeel a of
b, bedoelde gebeurtenis nog niet verstreken volle jaren van het in het
eerste lid bedoelde tijdvak en 1/25 gedeelte van de belasting waarvan
ingevolge artikel 7, eerste lid, invordering achterwege is gebleven.
4. Indien een van de in het eerste lid bedoelde gevallen zich
voordoet met betrekking tot een gedeelte van het landgoed wordt een
bedrag aan belasting ingevorderd dat gelijk is aan het overeenkomstig
het derde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de teller gelijk is aan de waarde van het betrokken gedeelte van het
landgoed en de noemer gelijk is aan de waarde van het gehele landgoed.
Voor de in de vorige volzin bedoelde waarde van het betrokken gedeelte
van het landgoed respectievelijk die van het gehele landgoed wordt in
aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer op het moment
dat de in het eerste lid bedoelde gebeurtenissen zich voordoen.
5. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting niet
ingevorderd voorzover tegenover de in de onderdelen a of b bedoelde
gebeurtenis geen directe of indirecte tegenprestatie staat. Indien
sprake is van een tegenprestatie die afwijkt van hetgeen in het
economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn
overeengekomen, wordt het bedrag aan belasting ingevorderd dat gelijk
is aan het overeenkomstig het derde of vierde lid berekende bedrag
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de
waarde van de tegenprestatie en de noemer gelijk is aan de waarde van
de tegenprestatie die tussen onafhankelijke partijen zou zijn
overeengekomen.
6. Indien de in het eerste lid genoemde rechtshandelingen worden
verricht door degene die het landgoed of een gedeelte daarvan dan wel
een van de in het eerste lid genoemde beperkte rechten heeft verkregen
krachtens verdeling van een gemeenschap dan wel krachtens een
opeenvolging van dergelijke verdelingen, vindt dit artikel toepassing
alsof die verdeling of verdelingen niet hebben plaatsgevonden.
7. Indien degene die een landgoed of een beperkt recht van
vruchtgebruik of van erfpacht daarop heeft verkregen ten gevolge van
de verdeling van een nalatenschap, dat landgoed of dat beperkt recht
binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 25 jaar overdraagt
aan een van de deelgenoten of voormalige deelgenoten in die
nalatenschap, blijft met betrekking tot die overdracht het eerste lid
buiten toepassing. De deelgenoot of voormalige deelgenoot aan wie het
in de vorige volzin bedoelde landgoed of beperkt recht is overgedragen
wordt voor de toepassing van dit artikel geacht dat landgoed of
beperkt recht te hebben verkregen krachtens verdeling van de eerder
genoemde nalatenschap.
8. Artikel 8, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9
Op de ingevolge de artikelen 7, 8 en 8a aan te geven waarden en op te
leggen aanslagen zijn de wettelijke bepalingen betreffende de schenk- en
erfbelasting en de bepalingen van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen voor zoveel mogelijk van toepassing.
Artikel 9a
Ter zake van de verkrijging van een landgoed is geen
overdrachtsbelasting verschuldigd.
Artikel 9b [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 9c
De belasting die door toepassing van artikel 9a niet is geheven, is
alsnog verschuldigd indien met betrekking tot het landgoed een
beschikking wordt genomen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, dan wel
binnen een tijdvak van 25 jaren na de verkrijging zich een van de in
artikel 3, derde, vierde en zevende lid, genoemde gevallen voordoet.
Artikel 10
1.Voor de toepassing van de artikelen 7a, eerste lid, onderdeel a,
en 8a en de artikelen 9a en 9c van deze wet, alsmede van artikel 5,
onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 469)
en artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden onroerende
zaken die gedurende de op de voet van artikel 4, tweede lid,
vastgestelde termijn niet opnieuw kunnen worden aangemerkt als een
landgoed, gelijkgesteld met landgoederen.
2.Indien op de voet van artikel 4, tweede lid, een termijn is
vastgesteld, wordt het tijdvak van 25 jaren als bedoeld in artikel 8
en in artikel 9c met die termijn verlengd.
Artikel 11 [Vervallen per 29-06-1989]
Artikel 12
Deze wet kan worden aangehaald als: Natuurschoonwet 1928.
Artikel 13
Deze wet wordt geacht in werking te zijn getreden met ingang van den
eersten Januari 1928.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 15den Maart 1928
WILHELMINA
De Minister van Financiën,
De Geer
De Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw,
J.B. Kan
Uitgegeven den zeven en twintigsten Maart 1928
De Minister van Justitie,
J. Donner
|