Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 april 1971, houdende regeling
met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de
landsverdediging en de overheidsdienst voor het geval van oorlog,
oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende
buitengewone omstandigheden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het
geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband
houdende buitengewone omstandigheden regelen te stellen met betrekking
tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging
en de overheidsdienst;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. het Hoofd Arbeidsvoorziening: de door Onze Minister daartoe
aangewezen functionaris van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
c. werknemer:
1°. degene, die in dienst van een ander arbeid verricht;
2°. degene, die in de zelfstandige uitoefening van een
beroep of bedrijf persoonlijk arbeid voor een ander verricht -
tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee
anderen verricht of zich daarbij door meer dan twee personen,
niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een bij
hem inwonend bloed- of aanverwant of pleegkind, laat bijstaan,
of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is;
d. werkgever: de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst
dan wel voor wie de onder c, onderscheidenlijk sub 1° en sub 2°,
bedoelde werknemer arbeid verricht;
e. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen een werknemer en
diens werkgever;
f. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in een
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven of behoort te
zijn ingeschreven.
Artikel 2
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, één of meer van de
paragrafen van hoofdstuk II van deze wet in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde paragrafen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de paragrafen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden de paragrafen die ingevolge het eerste lid
in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de
omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 3
1.Er is een Raad voor de Buitengewone Arbeidsvoorziening. De
voorzitter, de overige leden en de secretaris worden op voordracht van
Onze Minister door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.
2.De Raad heeft tot taak Onze bij de uitvoering van deze wet
betrokken Ministers, al dan niet uit eigen beweging, van advies te
dienen omtrent algemene vraagstukken van arbeidsvoorziening, welke
zich kunnen voordoen in geval van buitengewone omstandigheden.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent
de samenstelling en de werkwijze van de Raad. In de Raad hebben in
ieder geval zitting een of meer leden, te benoemen op gezamenlijke
aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende centrale
organisaties van werkgevers, en een gelijk aantal leden, te benoemen
op gezamenlijke aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende
centrale organisaties van werknemers. De Raad kan commissies, waarin
ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, instellen ter
voorbereiding van door hem uit te brengen adviezen.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 5
1. Het Hoofd Arbeidsvoorziening oefent de hem bij of krachtens deze
wet toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de door Onze
Minister in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers
gestelde regelen.
2. De door Onze Minister als Hoofd Arbeidsvoorziening aangewezen
functionarissen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
zijn in die hoedanigheid ondergeschikt aan Onze Minister. De de Raad
van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verleent aan Onze Minister de medewerking die hij in deze verhouding
behoeft. Bij regelen als bedoeld in het eerste lid en instructies als
bedoeld in artikel 10:22, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan van het bepaalde bij of krachtens de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen worden afgeweken, voor zover
zulks in het belang van een goede uitvoering van deze wet nodig is.
3. Regelen, gesteld krachtens het eerste lid, worden in de
Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 6
Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen,
die, zolang de verbinding tussen Onze Minister en enig gebied verbroken
is, in dat gebied met inachtneming van de bij de maatregel gestelde
regelen de bij de artikelen 7 en 10 aan Onze Minister toegekende
bevoegdheden uitoefenen.
Hoofdstuk II. Bepalingen voor buitengewone omstandigheden [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
§ 1. Beperking van het beëindigen van arbeidsverhoudingen [Treedt
in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan bepalen, dat arbeidsverhoudingen in het
algemeen, dan wel dat arbeidsverhoudingen, behorende tot bij zijn
beschikking aangewezen categorieën, of dat arbeidsverhoudingen,
waarbij bij zijn beschikking aangewezen personen partij zijn, niet
mogen worden beëindigd zonder vergunning van het Hoofd
Arbeidsvoorziening.
2.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een krachtens het eerste lid vastgestelde besluit van algemene
strekking wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Indien een arbeidsverhouding door één der partijen is beëindigd in
strijd met een krachtens artikel 7, eerste lid, gesteld verbod of met
een voorschrift, verbonden aan een krachtens dat lid verleende
vergunning, kan de wederpartij gedurende zes maanden de nietigheid der
beëindiging inroepen.
Artikel 9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De artikelen 7 en 8 gelden niet ten aanzien van
dienstbetrekkingen van personen, die in dienst zijn van een lichaam
als bedoeld in één der artikelen B 1, B 2, B 3 en U 2 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6).
2.Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van
overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van
bestuur.
3.Bij een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid
bedoeld kunnen omtrent het vragen van voorziening tegen beschikkingen,
krachtens die maatregel genomen, en de rechtsgang ter zake, regelen
worden gesteld in afwijking van hoofdstuk III.
4.De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het
tweede lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister, tezamen met
Onze Ministers, wie het mede aangaat.
§ 2. Beperking van het aangaan van arbeidsverhoudingen [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan bepalen, dat arbeidsverhoudingen in het
algemeen, dan wel dat arbeidsverhoudingen, behorende tot bij zijn
beschikking aangewezen categorieën, of dat arbeidsverhoudingen,
waarbij bij zijn beschikking aangewezen personen partij zijn, niet
mogen worden aangegaan zonder vergunning van het Hoofd
Arbeidsvoorziening.
2.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een krachtens het eerste lid vastgestelde besluit van algemene
strekking wordt ter openbare kennis gebracht.
Artikel 11 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het is zowel de werkgever als de werknemer verboden een
arbeidsverhouding, aangegaan in strijd met een krachtens artikel 10,
eerste lid, gesteld verbod of met een voorschrift, verbonden aan een
krachtens dat lid verleende vergunning, te laten voortduren.
2.Ten aanzien van het beëindigen van zodanige arbeidsverhouding
geldt een krachtens artikel 7 gesteld verbod niet.
3.De werkgever is verplicht van de beëindiging van zodanige
arbeidsverhouding onverwijld aan het Hoofd Arbeidsvoorziening
schriftelijk mededeling te doen.
Artikel 12 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De artikelen 10 en 11 gelden niet ten aanzien van
dienstbetrekkingen van personen als in artikel 9 bedoeld.
2.Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van
overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van
bestuur.
3.Artikel 9, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Onmisbaarheid van werknemers [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 13 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een werknemer op diens verzoek
in diens arbeidsverhouding onmisbaar verklaren voor het verrichten van
bij zijn beschikking aangewezen arbeid.
2.Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte
beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 14 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het is voor de duur der onmisbaarheid zowel aan de werknemer als
aan diens werkgever verboden de arbeidsverhouding te beëindigen.
2.Indien een arbeidsverhouding door één der partijen is
beëindigd in strijd met het eerste lid, kan de wederpartij gedurende
zes maanden de nietigheid der beëindiging inroepen.
Artikel 15 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De werkgever is verplicht de onmisbaar verklaarde werknemer voor
zover mogelijk de arbeid te laten verrichten, waarvoor deze onmisbaar
is verklaard.
2.De onmisbaar verklaarde werknemer is verplicht de arbeid, die hem
door de werkgever is opgedragen, te verrichten.
Artikel 16 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan de onmisbaarverklaring van een
werknemer te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de
werknemer of van diens werkgever, intrekken.
2.Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte
beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 17 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Op verzoek van een werknemer of van diens werkgever kan het Hoofd
Arbeidsvoorziening, beide partijen gehoord, in verband met het aangaan
door die werknemer van een arbeidsverhouding met een andere werkgever,
waarin hij onmisbaar wordt verklaard, bepalen, dat, zolang de nieuwe
arbeidsverhouding voortduurt, de bestaande arbeidsverhouding geschorst
is, doch door partijen niet kan worden beëindigd zonder vergunning
van het Hoofd Arbeidsvoorziening.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de gevolgen van de schorsing voor de rechten en verplichtingen
uit de betrokken arbeidsverhouding.
3.Een vergunning als in het eerste lid bedoeld kan onder
beperkingen worden verleend. Aan zodanige vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden.
4.Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
5.In geval van toepassing van het eerste lid neemt bij het eindigen
van de onmisbaarheid de nieuwe arbeidsverhouding van rechtswege een
einde, tenzij de oorspronkelijke arbeidsverhouding reeds is
beëindigd.
6.Van een krachtens het eerste lid tot de werknemer gerichte
beschikking wordt mededeling gedaan aan diens werkgever.
Artikel 18 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Op verzoek van een werknemer kan het Hoofd Arbeidsvoorziening hem in
verband met het aangaan van een arbeidsverhouding met een nieuwe
werkgever, waarin hij onmisbaar wordt verklaard, ter zake van het
beëindigen van de bestaande arbeidsverhouding ontheffing verlenen van
de artikelen 1639h, 1639i en 1639j van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 19 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Aan een persoon als in artikel 9 bedoeld kan in verband met het
aangaan van een arbeidsverhouding, waarin hij onmisbaar wordt
verklaard, in zijn bestaande dienstbetrekking voor de duur van zijn
onmisbaarheid verlof worden verleend. Bij algemene maatregel van
bestuur worden hieromtrent nadere regelen gesteld.
2.In geval van toepassing van het eerste lid neemt bij het eindigen
van de onmisbaarheid de arbeidsverhouding, waarin de betrokkene
onmisbaar was verklaard, van rechtswege een einde.
3.De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het
eerste lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, tezamen met Onze Minister en met Onze Ministers,
wie het mede aangaat.
Artikel 20 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Een beding als bedoeld in artikel 1637x van het Burgerlijk
Wetboek is niet van kracht ten aanzien van het werkzaam zijn als
onmisbaar verklaarde werknemer.
2.Indien het beding voor een bepaalde tijd is gemaakt, wordt de
tijd, als onmisbaar verklaarde werknemer bij een derde doorgebracht,
voor de berekening van deze termijn medegeteld.
Artikel 21 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De voorgaande artikelen van deze paragraaf gelden niet met
betrekking tot de onmisbaarheid van personen in een dienstbetrekking
als in artikel 9 bedoeld.
2.Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onmisbaarheid
kunnen regelen van overeenkomstige strekking worden gesteld bij
algemene maatregel van bestuur.
3.Artikel 9, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. Burgerdienstplicht [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Artikel 22 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Burgerdienstplicht rust op alle Nederlanders en inwoners van
Nederland, die de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet die van
vijfenzestig jaar hebben bereikt, met uitzondering van de
Nederlanders, woonachtig in de Nederlandse Antillen of Aruba.
2.Van burgerdienstplicht vrijgesteld zijn:
a. degenen, die krachtens artikel 13, eerste lid, onmisbaar
verklaard zijn;
b. degenen, die ingevolge een overeenkomst met een andere
mogendheid of met een volkenrechtelijke organisatie niet tot
burgerdienstplicht gehouden zijn;
c. de personen, behorende tot bij algemene maatregel van
bestuur daartoe aangewezen categorieën of krachtens zodanige
maatregel daartoe aangewezen.
Artikel 23 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een burgerdienstplichtige
bestemmen voor:
a. bij zijn beschikking aangewezen arbeid in loondienst;
b. een tegen het genot van een toelage te volgen scholing, bij
zijn beschikking aangewezen.
2.Bij toepassing van het eerste lid houdt het Hoofd
Arbeidsvoorziening voor zover mogelijk rekening met het beroep, de
geschiktheid en de redelijke wensen van de burgerdienstplichtige.
3.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan de bestemming te allen tijde,
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de burgerdienstplichtige,
intrekken.
4.De burgerdienstplichtige is verplicht van zijn bestemming en van
de intrekking van zijn bestemming binnen driemaal vierentwintig uur
mededeling te doen aan degene, die ten tijde van de bestemming,
onderscheidenlijk de intrekking, zijn werkgever is.
Artikel 24 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een burgerdienstplichtige
oproepen tot het verrichten van werkzaamheden overeenkomstig diens
bestemming.
2.Een beschikking krachtens het eerste lid bevat een aanwijzing van
de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst de arbeid moet worden
verricht of bij wie de scholing moet worden gevolgd, alsmede van de
plaats en tijd van aanvang der werkzaamheden. Zo mogelijk vermeldt zij
voorts de waarschijnlijke beloning of toelage en de waarschijnlijke
duur van de uit de oproeping voortvloeiende verplichtingen.
3.De burgerdienstplichtige kan niet worden verplicht tot het
verrichten van werkzaamheden op plaatsen buiten Nederland.
4.Van een krachtens het eerste lid tot de burgerdienstplichtige
gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan de overeenkomstig het
tweede lid aangewezen persoon.
5.De burgerdienstplichtige is verplicht van de oproeping binnen
driemaal vierentwintig uur mededeling te doen aan degene, die ten
tijde van de oproeping zijn werkgever is.
Artikel 25 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De opgeroepen burgerdienstplichtige is verplicht te verschijnen
ter plaatse en ten tijde, overeenkomstig artikel 24, tweede lid,
aangewezen.
2.De overeenkomstig artikel 24, tweede lid, aangewezen persoon is
verplicht onverwijld aan het Hoofd Arbeidsvoorziening mede te delen,
of de opgeroepene al dan niet is verschenen overeenkomstig het eerste
lid.
3.De opgeroepen burgerdienstplichtige, die niet is verschenen
overeenkomstig het eerste lid, is verplicht ter plaatse,
overeenkomstig artikel 24, tweede lid, aangewezen, alsnog zodra
mogelijk te verschijnen.
Artikel 26 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.De overeenkomstig artikel 24, tweede lid, aangewezen persoon is
verplicht de burgerdienstplichtige voor zover mogelijk de
werkzaamheden te laten verrichten, waarvoor deze is opgeroepen.
2.De burgerdienstplichtige is verplicht de werkzaamheden, die hem
door de overeenkomstig artikel 24, tweede lid, aangewezen persoon zijn
opgedragen, te verrichten.
Artikel 27 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Te rekenen van de dag, waarop een voor arbeid in loondienst
opgeroepen burgerdienstplichtige aan zijn verschijningsplicht
overeenkomstig artikel 25, eerste of derde lid, heeft voldaan, bestaat
tussen hem en degene, in wiens dienst de arbeid moet worden verricht,
een rechtsbetrekking, die voor de toepassing van wettelijke
voorschriften geacht wordt een rechtsbetrekking uit
arbeidsovereenkomst te zijn.
2.De inhoud van de rechtsbetrekking is zoveel mogelijk gelijk aan
de wettelijk geoorloofde inhoud van rechtsbetrekkingen uit
arbeidsovereenkomsten voor soortgelijke arbeid bij de betrokken
onderneming of instelling of, bij ontbreken van zodanige
arbeidsovereenkomsten, aan de wettelijk geoorloofde inhoud van
rechtsbetrekkingen uit arbeidsovereenkomsten voor soortgelijke arbeid
bij vergelijkbare ondernemingen of instellingen. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent nadere regelen
worden gesteld. Partijen bij de rechtsbetrekking zijn bevoegd
gezamenlijk haar inhoud nader vast te stellen. Op verzoek van de meest
gerede partij geschiedt de nadere vaststelling door het Hoofd
Arbeidsvoorziening.
3.De rechtsbetrekking kan door partijen niet worden beëindigd. Zij
neemt van rechtswege een einde, zodra artikel 31, eerste lid, ten
aanzien van de burgerdienstplichtige is toegepast of de betrokkene
heeft opgehouden burgerdienstplichtig te zijn.
4.Regelen, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op
grond van het tweede lid, worden ter openbare kennis gebracht.
Artikel 28 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Te rekenen van de dag, waarop een voor scholing opgeroepen
burgerdienstplichtige aan zijn verschijningsplicht overeenkomstig
artikel 25, eerste of derde lid, heeft voldaan, bestaat tussen hem en
degene, bij wie de scholing moet worden gevolgd, een rechtsbetrekking
als uit een overeenkomst waarbij partijen zich jegens elkaar verbinden
enerzijds een scholing te volgen en anderzijds die scholing te geven
met betaling van een toelage.
2.Omtrent de inhoud van rechtsbetrekkingen als in het eerste lid
bedoeld worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen
gesteld. Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan in afzonderlijke gevallen de
inhoud van de rechtsbetrekking nader vaststellen.
3.Onze Minister kan, met inachtneming van de bij algemene maatregel
van bestuur daaromtrent gestelde regelen, aan degene, bij wie de
scholing moet worden gevolgd, een vergoeding ten laste van de Staat
toekennen.
4.Artikel 27, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Regelen, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op
grond van het tweede lid, worden ter openbare kennis gebracht.
Artikel 29 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Zolang een opgeroepen burgerdienstplichtige door het voldoen aan
de ingevolge de oproeping op hem rustende verplichtingen verhinderd is
te voldoen aan de verplichtingen, welke op hem als werknemer in een
bestaande arbeidsverhouding rusten, is deze arbeidsverhouding
geschorst, doch kan zij door partijen niet worden beëindigd zonder
vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de gevolgen van de schorsing voor de rechten en verplichtingen
uit zodanige arbeidsverhouding.
3.Een vergunning als in het eerste lid bedoeld kan onder
beperkingen worden verleend. Aan zodanige vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden.
4.Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Aan een opgeroepen burgerdienstplichtige, die een persoon is als
in artikel 9 bedoeld, wordt voor de tijd, gedurende welke hij door het
voldoen aan de ingevolge de oproeping op hem rustende verplichtingen
verhinderd is zijn bestaande dienstbetrekking te vervullen, in die
betrekking verlof verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden
hieromtrent nadere regelen gesteld.
2.Artikel 19, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Het Hoofd Arbeidsvoorziening kan een opgeroepen
burgerdienstplichtige van de ingevolge de oproeping op hem rustende
verplichtingen te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek
van de burgerdienstplichtige of van de overeenkomstig artikel 24,
tweede lid, aangewezen persoon, ontslaan.
2.Van een krachtens het eerste lid tot de burgerdienstplichtige
gerichte beschikking wordt mededeling gedaan aan de overeenkomstig
artikel 24, tweede lid, aangewezen persoon.
3.De burgerdienstplichtige is verplicht van de intrekking van de
oproeping binnen driemaal vierentwintig uur mededeling te doen aan de
in artikel 24, vijfde lid, bedoelde persoon, zo deze nog zijn
werkgever is.
Artikel 32 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan bepalen, dat het burgerdienstplichtigen
verboden is het land te verlaten zonder door hem verleende vergunning.
2.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een krachtens het eerste lid gesteld verbod geldt mede voor
degenen, die op grond van artikel 22, tweede lid, onder a , van
burgerdienstplicht vrijgesteld zijn.
4.Een besluit omtrent het in het eerste lid bedoelde verbod wordt
ter openbare kennis gebracht.
Artikel 33 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan in bij algemene maatregel van bestuur daartoe
aangewezen gevallen met inachtneming van de bij zodanige maatregel
gestelde regelen aan een burgerdienstplichtige de verplichting
opleggen tot huisvesting in een bij zijn beschikking aangewezen
verblijfplaats.
2.Binnen drie maanden na het in werking treden van een algemene
maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld doen Wij een
voorstel van wet aan de Staten-Generaal tot vervanging daarvan. De
vervanging geschiedt in de vorm van vaststelling van de regeling, al
dan niet gewijzigd, bij de wet. Wordt het voorstel ingetrokken of
verworpen, dan vervallen de algemene maatregel van bestuur en de
krachtens deze genomen maatregelen met ingang van de veertiende dag na
die, waarop de intrekking of verwerping heeft plaats gehad.
3.Onze Minister kan regelen stellen omtrent de orde in de
verblijfplaatsen.
4.Een krachtens het derde lid vastgestelde besluit wordt ter
openbare kennis gebracht.
§ 5. Opheffing van wettelijke belemmeringen [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 34 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Onze Minister kan ten aanzien van ondernemingen, die behoren tot
bij zijn beschikking aangewezen categorieën dan wel bij zijn
beschikking afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling
onderscheidenlijk ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden,
gesteld bij of krachtens wettelijke voorschriften ter zake van de
beperking van de arbeidsduur en van de veiligheid en de hygiëne bij
de arbeid.
2.Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kan ten aanzien van ondernemingen die behoren tot bij
zijn beschikking aangewezen categorieën dan wel bij zijn beschikking
afzonderlijk zijn aangewezen, vrijstelling onderscheidenlijk
ontheffing verlenen van verplichtingen en verboden, gesteld bij of
krachtens wettelijke voorschriften ter zake van het tegengaan van
gevaar, schade en hinder, teweeggebracht door inrichtingen.
3.Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen, alsmede
voorwaardelijk worden verleend; zij kan te allen tijde worden
ingetrokken. Indien een vrijstelling of ontheffing voorwaardelijk is
verleend, geldt zij slechts voor zover de gestelde voorwaarden worden
nageleefd.
4.Een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit omtrent
vrijstelling wordt ter openbare kennis gebracht.
§ 6. Wijziging van de gebiedsindeling der gewestelijke
arbeidsbureaus [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1991]
Hoofdstuk III. Voorziening tegen beschikkingen
Artikel 36
In afwijking van artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt een bezwaarschrift tegen een besluit van Onze
Minister of Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer ingediend bij het Hoofd Arbeidsvoorziening.
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 38
1.Op een ingekomen bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking
van het Hoofd Arbeidsvoorziening, neemt deze, zo hij terstond de
aangevoerde bezwaren gegrond acht, zo spoedig mogelijk een beslissing.
2.Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening niet terstond de aangevoerde
bezwaren gegrond acht, brengt hij het bezwaarschrift onverwijld ter
kennis van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde commissie. Deze
brengt zo spoedig mogelijk advies uit.
3.Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening zich met het door de
commissie uitgebrachte advies kan verenigen, neemt hij zo spoedig
mogelijk dienovereenkomstig een beslissing.
4.Indien het Hoofd Arbeidsvoorziening zich met het door de
commissie uitgebrachte advies niet kan verenigen, doet hij het
bezwaarschrift, tezamen met dat advies en zijn oordeel ter zake,
onverwijld aan Onze Minister toekomen. Onze Minister neemt zo spoedig
mogelijk een beslissing.
Artikel 39
Een bezwaarschrift, gericht tegen een beschikking van Onze Minister
of Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, wordt door het Hoofd Arbeidsvoorziening onverwijld ter
kennis van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde commissie gebracht.
Deze brengt zo spoedig mogelijk advies uit.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 41
1.Een door Onze Minister of Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer genomen beslissing wordt aan het
Hoofd Arbeidsvoorziening medegedeeld.
2.Voordat een advies als bedoeld in artikel 38, tweede lid, of 39
wordt uitgebracht, hoort de in artikel 4, tweede lid, bedoelde
commissie zo mogelijk de belanghebbende.
Hoofdstuk IV. Inlichtingen en toezicht
Artikel 42
Het Hoofd Arbeidsvoorziening is bevoegd personen op te roepen om voor
hem of voor door hem daarbij aangewezen personen te verschijnen:
a. tot het geven van inlichtingen, die naar zijn redelijk oordeel
in het belang van de uitvoering van deze wet nodig zijn;
b. tot het overleggen van bescheiden, waarvan raadpleging naar
zijn redelijk oordeel in het belang van de uitvoering van deze wet
nodig is;
c. voor zover het personen betreft, die de leeftijd van achttien
jaar, maar nog niet die van vijfenzestig jaar hebben bereikt: tot
het ondergaan van een onderzoek naar hun geschiktheid voor het
verrichten van werkzaamheden ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 4.
Artikel 43
1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren. Zij zijn tevens belast met het inwinnen van gegevens in
het belang van de uitvoering van deze wet. Van een besluit als bedoeld
in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2.De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
Artikel 44
1. Ieder, die krachtens artikel 42 is opgeroepen, is verplicht ter
plaatse en ten tijde, bij de oproeping aangewezen, te verschijnen en
desverlangd de in dat artikel, onder a-c, bedoelde medewerking te
verlenen. De verstrekking van de in dat artikel bedoelde inlichtingen
dient volledig en naar waarheid te geschieden.
2. Het Hoofd Arbeidsvoorziening is bevoegd tot oplegging van een
last onder bestuursdwang ter handhaving van artikel 42.
Hoofdstuk V. Verdere bepalingen
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 46 [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 47
1.Indien door een besluit als bedoeld in artikel 2, derde en vierde
lid, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de artikelen
7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, de werking van paragraaf 1 of 2 van hoofdstuk
II wordt beëindigd, kan bij dat besluit worden bepaald, dat ten
aanzien van de arbeidsverhoudingen, waarvoor krachtens die paragraaf
maatregelen van kracht zijn, het bij en krachtens die paragraaf
bepaalde gedurende een bij dat besluit vast te stellen tijd van
toepassing blijft.
2.Indien door een besluit, als bedoeld in artikel 2, derde en
vierde lid, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de
artikelen 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, de werking van paragraaf 3 of 4 van hoofdstuk
II wordt beëindigd, kan bij dat besluit worden bepaald, dat ten
aanzien van degenen die op grond van die paragraaf tot onmisbaar
werknemer zijn verklaard, onderscheidenlijk een krachtens artikel 24
opgeroepen burgerdienstplichtige zijn, het bij en krachtens die
paragraaf bepaalde gedurende een bij dat besluit vast te stellen tijd
van toepassing blijft.
3.Indien door een besluit als bedoeld in artikel 2, derde en vierde
lid, van deze wet dan wel bij een besluit als bedoeld in de artikelen
7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, de werking van paragraaf 5 van hoofdstuk II
wordt beëindigd, kan bij dat besluit met betrekking tot, op grond van
die paragraaf verleende, van kracht zijnde vrijstellingen en
ontheffingen worden bepaald, dat deze te hunnen aanzien gedurende een
bij dat besluit vast te stellen tijd van toepassing blijven.
Artikel 48
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent voorzieningen bij ziekte, ongeval, invaliditeit en overlijden,
verband houdende met het volgen van een scholing op grond van een
oproeping krachtens artikel 24.
Artikel 49
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 50
1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is, voor zover het
betrekking heeft op werknemers of op burgerdienstplichtigen, niet van
toepassing ten aanzien van:
a. de leden van de Hoge Colleges van Staat, Onze Ministers, de
Staatssecretarissen en de leden van de rechterlijke macht met
rechtspraak belast;
b. de leden van provinciale staten en van gemeenteraden;
c. degenen, die in werkelijke militaire dienst zijn of in
militaire dienst opgeroepen zijn;
d. degenen die onder verantwoordelijkheid van het met
betrekking tot de bestrijding van rampen en zware ongevallen
bevoegd gezag, hetzij in het verband van de organisatie waarbij
zij zijn aangesteld, hetzij op verzoek of op bevel van dat bevoegd
gezag, in buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 12
van de Wet veiligheidsregio’s dienen deel te nemen aan het
bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in
artikel 1 van genoemde wet;
e. bekleders van een geestelijk ambt of diegenen die een
opleiding tot een dergelijk ambt volgen;
f. degenen, die bij algemene maatregel van bestuur daartoe
aangewezen openbare ambten bekleden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld ter nadere bepaling van de in het eerste lid, onder e,
bedoelde categorie van personen.
Artikel 51
Degenen, die werkzaamheden moeten verrichten ingevolge een vordering
op grond van artikel 24 van de Inkwartieringswet (Stb. 1953, 305), een
opdracht op grond van artikel 61 van de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47),
dan wel een oproeping op grond van artikel 29 van de Oorlogswet voor
Nederland (Stb. 1964, 337) of artikel 1, onder 6°, van de
Bevoegdhedenwet (Stb. 1902, 54), zijn, zolang bedoelde verplichting
duurt, van de verplichtingen, welke ingevolge het bij of krachtens deze
wet bepaalde op hen rusten, ontheven.
Artikel 52
Zolang paragraaf 3 of 4 van hoofdstuk II in werking is, geschieden de
oproepingen krachtens artikel 1, onder 6°, van de Bevoegdhedenwet zo
mogelijk na overleg met het Hoofd Arbeidsvoorziening.
Artikel 52a [Vervallen per 01-01-2002]
Hoofdstuk VI. Bepalingen van strafrechtelijke aard
Artikel 53
Een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens artikel 11,
derde lid, 23, vierde lid, 24, vijfde lid, 25, tweede lid, 31, derde
lid, 33, eerste of derde lid, bepaalde, alsmede een gedraging die in
strijd is met het krachtens artikel 49 bepaalde, voor zover zij daarbij
is aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 54
Een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens artikel 7,
eerste of tweede lid, 10, eerste of tweede lid, 11, eerste lid, 14,
eerste lid, 15, eerste of tweede lid, 25, eerste of derde lid, 26,
eerste of tweede lid, of 32, eerste of tweede lid, bepaalde, alsmede een
gedraging die in strijd is met het krachtens artikel 9, tweede lid, 12,
tweede lid, of 21, tweede lid, bepaalde, voor zover zij daarbij is
aangeduid als strafbaar feit, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 55
Opzettelijke overtreding van het bij of krachtens artikel 25, eerste
of derde lid, of 32, eerste of tweede lid, bepaalde wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 56
Met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft hij die, krachtens artikel 13 als
werknemer onmisbaar verklaard of krachtens artikel 24 als
burgerdienstplichtige opgeroepen:
a. opzettelijk of ondanks waarschuwing roekeloos zichzelf,
anderen of de eigendom van degene, in wiens dienst of voor wie, dan
wel bij wie hij in deze hoedanigheid arbeid moet verrichten,
onderscheidenlijk een scholing moet volgen, aan ernstig gevaar
blootstelt, dan wel
b. opzettelijk en grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke
voor hem uit zijn rechtsbetrekking met de onder a bedoelde persoon
voortvloeien.
Artikel 57
1.De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 53 en 54, zijn
overtredingen.
2.De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 55 en 56, zijn
misdrijven.
Artikel 58
De voorgaande strafbepalingen zijn mede van toepassing op de
Nederlander of de inwoner van Nederland, die een strafbaar feit begaat
buiten Nederland.
Artikel 59 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 60
1.Met het opsporen van de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld,
zijn behalve de ambtenaren, aangewezen bij artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de krachtens artikel 43 aangewezen
ambtenaren, voor zover zij door Onze Minister van Justitie daartoe
zijn aangewezen.
2.Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit
hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 61
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 62
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 63
Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet Arbeidsvoorziening.
Artikel 64
Deze wet treedt, met uitzondering van hoofdstuk II, in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 april 1971.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
De Jong
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. Roolvink
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de negenentwintigste juli 1971
De Minister van Justitie,
Van Agt
|