| |
|
|
|
|
vorige
NOODWET
FINANCIEEL VERKEER
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 25 mei 1978, houdende regelen inzake voorzieningen op het
gebied van het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen inzake voorzieningen op het gebied van het financiële
verkeer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
c. banken: alle ondernemingen en instellingen, tot wier bedrijf
behoort het ter beschikking stellen of houden van gelden ten behoeve
van derden, met uitzondering van de Bank; in geval van twijfel of
een onderneming of instelling als bank in de zin van deze wet moet
worden beschouwd, beslist Onze Minister;
d. [Vervallen.]
e. noodgeld: betaalmiddelen, welke van overheidswege in omloop
worden gebracht ter vervanging van ’s Rijks munten;
f. hulpgeld: penningen, bonnen, zegels en dergelijke, welke door
anderen dan de overheid of de Bank in buitengewone omstandigheden in
omloop worden gebracht of als betaalmiddel worden gebruikt;
g. schadeloosstelling:
1. de schadeloosstelling of vergoeding wegens vordering in
eigendom van onroerende en roerende zaken, dan wel wegens
wegruiming krachtens artikel 16 van de Oorlogswet voor Nederland;
2. de schadeloosstelling wegens onteigening;
3. de vergoeding ter verkrijging bij minnelijke regeling van te
onteigenen of te vorderen onroerende en roerende zaken;
4. de vergoeding of verzekeringsuitkering wegens tenietgaan,
verlies of beschadiging van onroerende en roerende zaken;
5. de uitkering uit hoofde van een wettelijke
aansprakelijkheidsverzekering voor of in verband met schade aan
onroerende en roerende zaken;
h. overeenkomst van levensverzekering: een overeenkomst van
levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, gesloten door een levensverzekeraar waarop die
wet van toepassing is;
i. overeenkomst van schadeverzekering: een overeenkomst van
schadeverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, gesloten door een schadeverzekeraar waarop die
wet van toepassing is;
j. overeenkomst van natura-uitvaartverzekering: een overeenkomst
van natura-uitvaartverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht, gesloten door een
natura-uitvaartverzekeraar waarop die wet van toepassing is;
k. beheerder: een rechtspersoon die het beheer voert over een of
meer beleggingsinstellingen;
l. gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt als bedoeld
in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een
gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen
lidstaat is.
Artikel 2
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 3 tot
en met 32 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld,buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit
naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Hoofdstuk II. Kredietbeperking
Artikel 3
Onze Minister is bevoegd te bepalen - zo nodig in afwijking van
andere wettelijke regelingen - dat het aan banken verboden is zonder een
door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning kredieten
te verlenen of beschikkingen op openstaande kredieten toe te staan.
Hoofdstuk III. Bankenmoratorium
Artikel 4
1. Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het aan anderen dan
banken verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of
bijzondere vergunning over schuldvorderingen op deze banken of op de
Bank, in contanten te beschikken, met dien verstande, dat
rechthebbenden op opeisbare tegoeden op rekeningen bij banken of bij
de Bank, de vrije beschikking behouden over een door Onze Minister te
bepalen bedrag per rekeninghouder.
2. Het is verboden om tegoeden, welke ten behoeve van bepaalde
doeleinden worden vrijgegeven, voor andere doeleinden aan te wenden.
Artikel 5
Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van
een krachtens artikel 4 ingesteld bankenmoratorium.
Hoofdstuk IV. Rentevaststelling
Artikel 6
Onze Minister is bevoegd - zo nodig in afwijking van andere
wettelijke regelingen - voorschriften te geven met betrekking tot
vergoedingen voor diensten op het gebied van het bankwezen in de ruimste
zin en van de geld- en kapitaalmarkt, voorzover zij het karakter van
rentevergoeding dragen.
Hoofdstuk V. Noodgeld
Artikel 7
Onze Minister is bevoegd noodgeld in omloop te brengen tot de
bedragen, welke hij in verband met de buitengewone omstandigheden nodig
acht.
Artikel 8
1. Noodgeld kan in omloop worden gebracht in dezelfde waarden,
waarin ’s Rijks munten in omloop zijn gebracht. De waarde wordt op
het noodgeld aangegeven.
2. Noodgeld is wettig betaalmiddel.
Artikel 9
Hetgeen bij artikel 8, eerste lid, van de Muntwet 2002 ten aanzien
van munten is bepaald, is mede van toepassing op noodgeld.
Artikel 10
Onze Minister is bevoegd in omloop gebracht noodgeld buiten omloop te
stellen. Hij stelt daarbij nadere regelen omtrent de inlevering vast.
Bij de inlevering wordt de nominale waarde van het noodgeld vergoed in
gangbare Nederlandse betaalmiddelen. Op het tijdstip, waarop noodgeld
buiten omloop wordt gesteld, verliest dit de hoedanigheid van wettig
betaalmiddel.
Hoofdstuk VI. Bescherming geldcirculatie
Artikel 11
Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het verboden is:
a. ’s Rijks munten of noodgeld bij wege van betaling of
anderszins over te dragen of aan te nemen anders dan tegen de
nominale waarde daarvan zonder een door of namens hem verleende
algemene of bijzondere vergunning;
b. ’s Rijks munten of noodgeld aan hun bestemming te onttrekken
door oppotting, versmelting, verminking of anderszins;
c. hulpgeld aan te bieden of aan te nemen behoudens in door hem
te bepalen gevallen.
Artikel 12
Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven ter
bescherming van de geldcirculatie.
Hoofdstuk VII. Giraal betalingsverkeer
Artikel 13
Onze Minister is bevoegd te bepalen dat in door hem nader aan te
geven gevallen een schuldeiser girale betaling van een geldschuld niet
kan uitsluiten.
Hoofdstuk VIII. Bepalingen inzake de bank
Artikel 14
De Bank verleent, in afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste
lid, van de Bankwet 1998, aan de Staat kredieten of voorschotten in
blanco volgens regelen door Onze Minister na overleg met de Bank te
stellen, wanneer dit voor een tijdelijke versterking van ’s Rijks
schatkist nodig is.
Artikel 15 [Vervallen per 01-06-1998]
Artikel 16 [Vervallen per 01-06-1998]
Hoofdstuk IX. Moratorium levensverzekeringsondernemingen, pensioen-
en spaarfondsen en beleggingsinstellingen
Artikel 17
1. Onze Minister is bevoegd te bepalen,
dat het verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of
bijzondere vergunning:
a. niet-periodieke uitkeringen te doen ingevolge een overeenkomst
van levensverzekering of ingevolge verzekering van zodanige
uitkeringen door een pensioen- of spaarfonds, zodanige uitkeringen aan
te nemen of daarover anders dan door wijziging van de begunstiging te
beschikken;
b. een overeenkomst van levensverzekering door afkoop te
beëindigen, daarop beleningen aan te gaan, de daarin vervatte rechten
over te dragen of de daarin vervatte verplichting tot het doen van
niet-periodieke uitkeringen om te zetten in de verplichting tot het
doen van periodieke uitkeringen.
2. Onder de in het eerste lid, letter a, bedoelde
uitkeringen zijn niet begrepen de uitkeringen krachtens overeenkomsten
van herverzekering, gesloten tot dekking van verplichtingen tot het doen
van periodieke uitkeringen.
3. Met afkoop wordt gelijk gesteld het omzetten van een
overeenkomst van levensverzekering in een andere overeenkomst van
levensverzekering waarbij de afloopdatum van de verzekering wordt
vervroegd.
Artikel 18
Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van
een krachtens artikel 17 ingesteld verzekeringsmoratorium, met inbegrip
van voorschriften inzake vergoeding van rente over bedragen, waarvan de
uitkering ingevolge de bij en krachtens dit hoofdstuk vastgestelde
bepalingen is opgeschort.
Artikel 18a
1. Onze minister is bevoegd te bepalen dat het een beheerder
verboden is, zonder door een of namens hem verleende algemene of
bijzondere vergunning, rechten van deelneming in een
beleggingsinstelling rechtstreeks of middellijk in te kopen.
2. Onze minister is bevoegd nadere voorschriften te geven ter
zake van een krachtens het eerste lid ingesteld moratorium.
Hoofdstuk IXA. Korting op dekking terrorismerisico door
verzekeringsondernemingen
Artikel 18b
1. Onze Minister is bevoegd te bepalen dat
verzekeringsondernemingen die ingevolge door hen gesloten
overeenkomsten van levensverzekering, overeenkomsten van
schadeverzekering of overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering
uitkeringen zullen verrichten naar aanleiding van een of meer
terroristische handelingen, door hem vast te stellen kortingen
toepassen, dan wel niet gehouden zijn tot uitkeringen die een door hem
te bepalen bedrag voor alle verzekeringsondernemingen gezamenlijk
overschrijden.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde uitkeringen krachtens
overeenkomsten van levensverzekering, overeenkomsten van
schadeverzekering of overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering zijn
niet begrepen uitkeringen krachtens overeenkomsten van herverzekering.
3. Onze Minister is bevoegd de in het eerste lid bedoelde
kortingen en beperkingen van uitkeringen te herzien.
Artikel 18c
Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van
het bepaalde in artikel 18b.
Artikel 18d
Zolang de ingevolge de artikelen 18b en 18c gegeven voorschriften van
kracht zijn, blijven de in de betrokken overeenkomsten van
levensverzekering, overeenkomsten van schadeverzekering of
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering opgenomen bepalingen
omtrent de dekking van het terrorismerisico buiten toepassing.
Hoofdstuk X. Dekking oorlogsrisico door
levensverzekeringsondernemingen, pensioen- en spaarfondsen
Artikel 19
Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat in overeenkomsten van
levensverzekering het oorlogsrisico van een door hem vast te stellen
tijdstip af wordt geacht mede te zijn verzekerd.
Artikel 20
1. Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat in verband met de
dekking van het oorlogsrisico door hem vast te stellen kortingen
worden toegepast op de verzekerde bedragen - waaronder mede begrepen
eventuele premierestitutie -, op de premievrije waarden, op de
afkoopwaarden en al dan niet op de reeds verschuldigde uitkeringen uit
hoofde van overeenkomsten van levensverzekering.
2. Onze Minister is bevoegd de in het vorige lid bedoelde
kortingen te herzien.
3. Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het, zolang hij van
de hem in het eerste lid gegeven bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt,
verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of
bijzondere vergunning uitkeringen ingevolge een overeenkomst van
levensverzekering te doen, aan te nemen of daarover te beschikken.
Artikel 21
Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van
het mede-verzekeren van het oorlogsrisico in overeenkomsten van
levensverzekering en terzake van de in artikel 20 bedoelde kortingen.
Artikel 22
Onze Minister bepaalt het tijdstip, met ingang waarvan de krachtens
artikel 20 vastgestelde kortingen niet meer worden toegepast ten aanzien
van daarna te sluiten overeenkomsten van levensverzekering.
Artikel 23
Zolang de ingevolge de artikelen 19-22 gegeven voorschriften van
kracht zijn, blijven de in de betrokken overeenkomsten van
levensverzekering opgenomen bepalingen omtrent de dekking van het
oorlogsrisico buiten toepassing.
Artikel 24
Het bepaalde in de artikelen 19-23 is van overeenkomstige toepassing
op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of
spaarfonds.
Hoofdstuk Xa. Bepalingen inzake de effectenbeurzen
Artikel 24a
Onze minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent:
a. de opening en de sluiting van de effectenbeurzen;
b. de voor de effectenbeurzen te hanteren regels, hun toepassing
en de controle op de naleving van deze regels.
Hoofdstuk XI. Betaling schadeloosstellingen
Artikel 25
1. Onze Minister is bevoegd te bepalen - zo nodig in afwijking
van andere wettelijke regelingen -, dat de betaling van
schadeloosstellingen of van voorschotten daarop behoudens een door of
namens hem te verlenen algemene of bijzondere vergunning uitsluitend
kan geschieden door storting op een geblokkeerde rekening. Alsdan
wordt voor de toepassing van de Onteigeningswet het bewijs van deze
storting met een bewijs van de betaling gelijkgesteld.
2. Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake
van een overeenkomstig het eerste lid vastgestelde wijze van betaling en
zonodig de rechtsgevolgen daarvan voor de daarbij betrokken partijen en
voor derden te bepalen.
3. Onze Minister is bevoegd voorschriften te geven terzake van de
vrijgave van op geblokkeerde rekeningen gestorte bedragen alsmede
terzake van de voorwaarden welke aan de vrijgave kunnen worden
verbonden. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben zowel op alle
geblokkeerde rekeningen of bepaalde gedeelten of groepen daarvan als op
afzonderlijke rekeningen.
Hoofdstuk XII. Financieel verkeer met het buitenland
Artikel 26
Onze Minister is bevoegd - zo nodig in afwijking van andere
wettelijke regelingen - voorschriften te geven ten aanzien van de
financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het
vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud (onbewerkt of
halffabrikaat) en buitenlandse activa van ingezetenen. Tenzij bijzondere
omstandigheden dit naar zijn oordeel onmogelijk maken, oefent hij deze
bevoegdheden niet uit dan in overeenstemming met Onze Ministers van
Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Landbouw en Visserij.
Hoofdstuk XIII. Bepalingen van bijzondere aard
Artikel 27
Wanneer anderen dan Onze Minister algemene of bijzondere vergunningen
verlenen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet, nemen
zij de daartoe door Onze Minister gegeven aanwijzingen in acht.
Artikel 28
1. Een overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 3, 4, 11, 17, 20 of 25 te verlenen vergunning kan zowel een
algehele als een gedeeltelijke ontheffing van de desbetreffende
bepalingen inhouden.
2. Aan een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kunnen
voorschriften en voorwaarden worden verbonden.
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 30
1. Een ministeriële regeling krachtens
deze wet vastgesteld treedt niet in werking alvorens zij is
bekendgemaakt overeenkomstig de Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18)
of op een andere door Onze Minister bepaalde wijze.
2. Andere besluiten van Onze Minister krachtens deze wet genomen
treden niet in werking alvorens zij zijn bekendgemaakt door plaatsing in
de Staatscourant of op een andere door Onze Minister bepaalde
wijze.
Artikel 31
Aan het slot van artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de
economische delicten wordt toegevoegd: de Noodwet financieel verkeer, de
artikelen 3, 4, 5, 6, 11, 12, 17, 18, 26 en 28, tweede lid.
Artikel 32
Op noodgeld zijn de artikelen 208-214 en 440 van het Wetboek van
Strafrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Het is aan ieder, die bij de toepassing van de bij of krachtens deze
wet gestelde bepalingen enige taak vervult, verboden aan daarbij
verkregen gegevens of inlichtingen bekendheid te geven, tenzij zulks
voor de juiste uitoefening van die taak wordt vereist.
Artikel 34
Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen,
die onder daarbij te stellen regelen in enig gebied de daarbij
aangewezen bevoegdheden, welke in deze wet aan Onze Minister worden
toegekend, uitoefenen, zolang de verbinding tussen dat gebied en Onze
Minister is verbroken. Ons besluit wordt mede bekend gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel 35
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld terzake van
betalingen door het Rijk in enig gebied, zo lang de verbindingen tussen
Onze Minister en een zodanig gebied zijn verbroken. Hierbij kan van
andere wettelijke regelingen worden afgeweken.
Hoofdstuk XIV. Slotbepalingen
Artikel 36
Het Besluit Bankenmoratorium 1944 (Stb. E28) wordt
ingetrokken.
Artikel 37
Na het in artikel 23 bedoelde tijdvak doen Wij zo spoedig mogelijk
een voorstel van wet aan de Staten-Generaal omtrent de definitieve
regeling terzake van de krachtens artikel 20 genomen maatregelen.
Artikel 38
Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet financieel verkeer.
Artikel 39
Met uitzondering van de artikelen 3-32 treedt deze wet in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 25 mei 1978
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Van Agt
De Minister van Financiën,
F.H.J.J. Andriessen
Uitgegeven de vierde juli 1978
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|